Toelichting Herziening 1 Buitengebied Oss - 2020 Broekstraat 13 te Berghem.PDF
Tekst van het document
Gezien het gaat om bestaande en bewoonde woningen waarvoor reeds is bepaald dat er sprake is van een acceptabele situatie, kan ook voor de beoogde situatie worden uitgegaan van een acceptabele situatie.
Figuur 14. Risicokaart met planlocatie rood omcirkeld.
Conclusie Uit de risicokaart blijkt dat er geen inrichtingen met externe veiligheidsrisico’s of transportroutes (met risicocontour) voor gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied zijn gelegen. Het aspect Externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor onderhavig plan.
5.1.7
Volksgezondheid in relatie tot veehouderij Nederland is een land waar mensen en vee dicht op elkaar leven. Het RIVM doet op verschillende manieren onderzoek nar de effecten van veehouderijen voor de gezondheid zoals bij omwonenden, veehouders, gezinnen van veehouders en mensen die op veehouderijen werken. Mensen kunnen namelijk ziek worden van ziekteverwekkers die dieren bij zich dragen. Voorbeelden van dit soort ziekteverwekkers zijn Q-koorts en salmonella, maar ook fijnstof en endotoxinen kunnen gezondheidsproblemen veroorzaken. Daarnaast kunnen mensen hinder ondervinden van stank afkomstig van mest uit veehouderijen. In 2016 zijn de resultaten van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) gepubliceerd. In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten door ziekteverwekkers en luchtverontreiniging voor omwonenden van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om eerdere resultaten nog eens extra te bevestigen. Pluimvee- en varkenshouderijen In 2016 zijn verschillende onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen.
Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van pluimvee- en varkenshouderijen. In dit geval dient er getoetst te worden aan de richtafstand tot de varkenshouderij aan de Valendonkstraat 19 en de pluimveehouderij aan de Valendonkstraat 12. • De fijnstofemissie (PM10) voor het varkensbedrijf bedraagt 85 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 35 meter. De werkelijke afstand tot de planlocatie bedraagt circa 485 meter. • De fijnstofemissie (PM10) voor het pluimveebedrijf bedraagt 3153 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 179 meter. De werkelijke afstand tot de planlocatie bedraagt circa 445 meter. Geitenhouderijen in de omgeving In het rapport VVO is gesteld dat er tevens gezondheidsrisico’s zijn vastgesteld voor omwonenden van geitenhouderijen. Uit het rapport komt naar voren dat omwonenden een grotere kans hebben op het krijgen van longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden die nu nader onderbouwd zijn voor een langere periode. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij.
Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat binnen een straal van 2 kilometer rondom geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen longontstekingen voordoet. Binnen een straal van 2 kilometer zijn twee geitenhouderijen gelegen, waarvan één met meer dan 50 geiten. Dit betreft de geitenhouderij aan Harenseweg 44 welke op een afstand van circa 750 meter van het plangebied is gelegen.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss heeft op 5 december 2017 besloten dat ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer rondom een geitenhouderij kunnen worden toegestaan mits een zorgvuldige afweging heeft plaatsgevonden met betrekking tot volksgezondheid. Met onderhavige ontwikkeling wordt geen nieuwe woning toegevoegd, maar wijzigt enkel de aanduiding van bedrijfswoning naar burgerwoning. Er is dus reeds sprake van een woonfunctie. Daarnaast is de afstand tot de geitenhouderij relatief groot en kunnen eventuele toekomstige bewoners op de hoogte worden gesteld en hierover worden geïnformeerd. Hierdoor kan worden gesteld er voor de gewenste ontwikkeling op basis van deze afweging geen belemmeringen zijn te verwachten. Conclusie Het plangebied ligt buiten de richtafstand die aangehouden moeten worden rondom pluimvee- en varkenshouderijen. Daarentegen is binnen een straal van 2 kilometer wel een geitenhouderij gelegen. Gezien onderhavige ontwikkeling geen nieuwvestiging van een woning betreft, de functie van de woning ongewijzigd blijft en de afstand tot de geitenhouderij relatief groot is, wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.
5.1.8
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. In het buitengebied kan dit een lint zijn met overwegend (agrarische) bedrijvigheid.
Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In dit geval zijn in de omgeving gemengde functies te vinden. Er zijn woningen, landbouwgronden en (agrarische) bedrijven in de omgeving gelegen. Er is sprake van een gemengd gebied, waardoor de aan te houden afstanden met 1 stap mogen worden verkleind. In de onderstaande tabel is de motivering ten aanzien van omliggende bedrijven en inrichtingen ten opzicht van de voorgenomen ontwikkeling beschreven. De werkelijke afstanden zijn gemeten vanaf de woning tot het bouwvlak/bestemmingsvlak van de desbetreffende bedrijfslocatie.
Adres
Soort
SBI-code
Broekstraat 20 Valendonkstraat 12 Valendonkstraat 19 Broekstraat 13a Achterschaijkstraat 16
Loonwerkbedrijf Pluimveehouderij Varkenshouderij Opslag Paddelstoelenkwekerij
016 0147 0146 52109 0113
Richtafstand 30 meter 100 meter 100 meter 10 meter 10 meter
Werkelijke afstand 41 meter 390 meter 460 meter 10 meter 280 meter
Voldaan Ja Ja Ja Ja Ja
Tabel 2 Minimumafstanden tussen bedrijven en beoogde woning
Conclusie Uit tabel 2 blijkt dat aan alle richtafstanden conform de VNG-publicatie kan worden voldaan. Het aspect milieu- en bedrijvenzonering zorgt dan ook niet voor een belemmering van de voorgestane ontwikkeling. Met betrekking tot de aspecten geur, geluid, gevaar en stof vanuit bedrijven kan worden gesteld dat ter plaatse van de woning aan de Broekstraat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.1.9
Spuitzones gewasbescherming Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Veel van de omliggende gronden, ook binnen een afstand van 50 meter, zijn in gebruik voor de landbouw waar mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Echter is er geen sprake van fruitteelt. Indien er gebruikt wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, zal dit neerwaarts gebeuren waardoor minder drift vrijkomt. Daarnaast worden geen nieuwe gevoelige objecten gerealiseerd, maar zijn er op de planlocatie reeds woningen aanwezig.
Voor deze woningen is bepaald dat er sprake is van een acceptabele situatie, waardoor ook in de beoogde situatie kan worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Indien er in de omgeving gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, gebeurt dit neerwaarts waardoor er geen belemmeringen worden verwacht ten aanzien van het aspect ‘spuitzones gewasbeschermingsmiddelen’.
5.2
Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe
ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. Gezien met onderhavige ontwikkeling enkel verharding wordt weggehaald en geen nieuwe bebouwing wordt opgericht, heeft dit geen nadelig effect voor het aspect water. Hemelwater kan ter plaatse waar verharding wordt weggehaald en door de watergang rondom het perceel direct infiltreren. De huidige bebouwing kan zoals in de huidige situatie aangesloten blijven op het rioleringsstelsel. Ten aanzien van het aspect water zijn dan ook geen belemmeringen te verwachten. Conclusie Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. De bestaande bebouwing kan net zoals in de huidige situatie aangesloten blijven op het riool. Ten aanzien van het afvoeren van water via het riool zijn er geen aanpassingen benodigd. Het aspect Water vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.
5.3
Natuur
5.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant (NNB). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natuurnetwerk Brabant (NNB) In figuur 15 is te zien dat het plangebied tevens niet binnen het Natuurnetwerk Brabant is gelegen.
Het dichtstbijzijnde gebied behorende bij het NNB is op een afstand van
circa 1,15 kilometer ten noordoosten van de planlocatie gelegen. Gezien deze grote afstand en de aard en schaal van de ontwikkeling zijn dan ook geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot het Natuurnetwerk Brabant. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Rijntakken’. Dit gebied is op een afstand van circa 11,75 kilometer ten noorden van het plangebied gelegen. Deze afstand is dusdanig groot dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het aspecten gebiedsbescherming zijn dus geen belemmeringen te verwachten.
Figuur 15. Kaart Natuur Netwerk Brabant met plangebied rood omcirkeld.
5.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In gevallen waarbij sprake is van bijvoorbeeld sloop of toevoeging van bebouwing of het kappen van bomen welke kunnen fungeren als verblijfplaats voor diersoorten, is het van belang om aan te tonen dat er geen negatieve effecten ontstaan op deze soorten. In dit geval is geen sprake van het kappen van bomen. Ook is er geen sprake van nieuwbouw. Negatieve effecten kunnen wat dat betreft uitgesloten worden. Daarnaast zorgt de landschappelijke inpassing van het plangebied voor een grotere diversiteit aan planten en bomen die een positief effect hebben op soorten. Er is wel sprake van een beperkte sloop van een gedeelte van de bebouwing. Negatieve effecten zijn niet geheel uit te sluiten. In het kader van de omgevingsvergunning voor sloop is daarom een
verkennend flora en fauna onderzoek uitgevoerd. Hieronder is de eindconclusie weergegeven. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in de bijlagen. Voor de bepaling van effecten en voor beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt geschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop.
Voor aanvang van de werkzaamheden, dient derhalve geen aanvullende onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Wel wordt aanbevolen om met de sloopwerkzaamheden te beginnen buiten het broedseizoen van 1 september tot 1 april. Conclusie De planlocatie is niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied of gebied behorende tot het Natuurnetwerk Brabant gelegen. Uit het flora en fauna onderzoek blijkt dat geen aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Met de aanvraag van de omgevingsvergunning voor sloop dient wel rekening te worden gehouden met de bescherming van aanwezige dier- en plantensoorten. Het plan draagt in algemene zin bij aan de biodiversiteit.
5.4
Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In de wet wordt de omgang met het archeologisch erfgoed geregeld. Het uitgangspunt is om de archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden dan wel te herstellen. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In dit bestemmingsplan is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. De gemeente Oss heeft de wettelijke plichten ten aanzien van het aspect archeologie vertaalt in de nota ‘Archeologiebeleid gemeente Oss 2010’, welke op 14 oktober 2010
is vastgesteld door de gemeenteraad. In 2015 is het beleid geactualiseerd. Conform de beleidskaart is het plangebied gelegen binnen het gebied met een middelhoge verwachtingswaarde. Conform de gemeentelijke nota is de ontwikkeling vrijgesteld van onderzoeksplicht bij een verstoringoppervlakte van maximaal 1.000 m2 of een verstoringsdiepte van maximaal 30 centimeter. Daarnaast heeft de gemeente Oss de verwachte archeologische waarden verankerd in het bestemmingsplan middels dubbelbestemmingen. Ter plaatse van de planlocatie is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ van toepassing. Hiervoor gelden dezelfde onderzoeksgrenzen als opgenomen in het archeologiebeleid: bij werkzaamheden voor een oppervlakte van minimaal 1.000 m 2 of een diepte van meer dan 30 cm ten opzichte van het maaiveld, dient rekening gehouden te worden dat in veel gevallen een vergunning dient aangevraagd te worden. Conclusie Er vinden geen werkzaamheden plaats met een oppervlakte van meer dan 1.000 m 2 of dieper van 30 cm. Het aspect archeologie vormt dus geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.
5.5
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming
van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. De planlocatie is gelegen in het cultuurhistorisch landschap ‘Beerse en Baardwijkse Overlaat’, waarbinnen het van belang is dat er rekening wordt gehouden met: • behoud van open landschap; • behoud en beleefbaar maken van eendenkooien, dijken, waterlopen, wielen en terpen; • natuurontwikkeling, waterberging en stedelijke uitbreiding afstemmen op de cultuurhistorische identiteit van het gebied; • vergroten cultuurhistorische waardering door vergroting van beleving.
Figuur 16. Cultuurhistorische waardenkaart met plangebied rood omcirkeld.
Conclusie Met de landschappelijke inpassing (Bijlage I) is rekening gehouden met onder andere een open landschap en water. Met onderhavige ontwikkeling wordt een deel van de bebouwing gesloopt en geen nieuwe bebouwing opgericht waardoor wordt bijgedragen aan het open landschap. Daarnaast kan water door de watergang rondom het perceel direct infiltreren.De ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor het landschap en de cultuurhistorie.
5.6
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.6.1
Mobiliteit In de huidige situatie vinden er verkeersbewegingen plaats ten behoeve van de bedrijfsvoering van het tuinbouwbedrijf en de twee woningen op het perceel. In de nieuwe situatie blijven er een bedrijf en twee woningen aanwezig. Ten aanzien van de woningen zijn er geen veranderingen met betrekking tot het aantal
verkeersbewegingen. De wijziging van een tuinbouwbedrijf naar opslag zorgt voor een afname van het aantal verkeersbewegingen. De verkeersbewegingen voor het agrarische bedrijf betroffen aankomst en vertrek van werknemers en de aan- en afvoer van materialen enzovoorts. Gezien het beoogde bedrijf opslag betreft, zullen de verkeersbewegingen van werknemers wegvallen en enkel nog betrekking hebben op het aanleveren en ophalen van opgeslagen materialen. Dit zal naar verwachten tevens niet iedere dag het geval zijn, waardoor er ten opzichte van de huidige situatie een afname van verkeersbewegingen zal plaatsvinden. De huidige infrastructuur heeft voldoende capaciteit om het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie te verwerken, waardoor voor de beoogde situatie met minder verkeersbewegingen geen belemmeringen zijn de verwachten. De Broekstraat behoeft dan ook geen aanpassingen.
5.6.2
Parkeren De gemeente Oss heeft parkeernormen opgenomen in de nota ‘Parkeernormen 2017 gemeente Oss’. Deze parkeernormen zijn gebaseerd op parkeerkencijfers van het CROW. Voor woningen in het buitengebied zoals op de planlocatie geldt een parkeernorm van 2,4. De beoogde woonbestemming is voldoende groot om op het eigen perceel te kunnen voorzien in 2,4 parkeerplaatsen. Voor opslag geldt een parkeernorm van 1,1 per 100 m2 bvo. In dit geval dient rekening gehouden te worden met een bvo van 990 m2, waardoor 10,89 parkeerplaatsen benodigd zijn. Dit betekent dat er in totaal minimaal 14 (10,89+2,4 = 13,29) parkeerplaatsen benodigd zijn. De ruimte achter het opslaggebouw op het perceel voor de bedrijfsbestemming biedt voldoende ruimte voor het realiseren van de benodigde parkeerplaatsen. Voor de bedrijfswoning is, net zoals in de huidige situatie, voor op het perceel ruimte vrijgehouden als parkeerplaats. Dit is tevens aangegeven op de landschappelijke inpassing (Bijlage I). Voor de tweede woning is naast de woning tevens voldoende ruimte vrijgehouden als parkeerplaats. Er zijn dus geen belemmeringen ten aanzien van het aspect parkeren. Conclusie Door de afname van het aantal verkeersbewegingen en het perceel voldoende groot is voor het aantal benodigde parkeerplaatsen, vormt het aspect Verkeer en Parkeren geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.
HOOFDSTUK
6 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het wijzigingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
6.1
Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In dit geval is geen sprake van een bouwplan conform artikel 6.2.1 Bro, en zullen de kosten uitsluitend conform de legesverordening worden verhaald.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het ontwerpbestemmingsplan ‘Herontwikkeling Broekstraat 13, 13a en 13b te Berghem’ wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken te inzage gelegd, waarbij gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen.