Toelichting Herziening 1 Buitengebied Oss - 2020 Broekstraat 13 te Berghem.PDF
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Herontwikkeling Broekstraat 13, 13a en 13b Berghem’ NL.IMRO.0828.BPbroekstraat13bgh-ON01 Gemeente Oss
Colofon Bestemmingsplan: Herontwikkeling Broekstraat 13, 13a en 13b Berghem Rapportnummer: 2018.0132 Status: Concept Datum: 21 december 2020 Projectlocatie Broekstraat 13, 13a en 13b 5351 NC Berghem Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland Ing. A.F.J.A. van Dooren Senior Adviseur 06-18191781 arjan@reland.nl
© december 2020 Reland
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.
Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding ................................................................................................................................ 5
1.2
Doel ......................................................................................................................................... 5
1.3
Plangebied ............................................................................................................................... 5
1.4
Leeswijzer ................................................................................................................................ 6
HOOFDSTUK 2 Gebieds- en projectprofiel ............................................................................................. 7 2.1
Inleiding .................................................................................................................................. 7
2.2
Gebiedsprofiel......................................................................................................................... 7
2.3
Projectprofiel, huidige situatie plangebied .............................................................................. 8
2.4
Projectprofiel, beoogde situatie plangebied ........................................................................... 8
2.5
Bestemmingsplan ................................................................................................................... 9
HOOFDSTUK 3 Landschappelijke inpassing ........................................................................................ 11 HOOFDSTUK 4 Beleidskader ............................................................................................................... 13 4.1
Inleiding ................................................................................................................................ 13
4.2
Rijksbeleid ............................................................................................................................ 13
4.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ................................................................................ 13
4.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ....................................................................... 13
4.2.3
Ladder voor duurzame ontwikkeling ..................................................................................... 14
4.3
Provinciaal beleid.................................................................................................................. 14
4.3.1
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant......................................................... 14
4.3.2
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ................................................................ 16
4.4
Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 19
4.4.1
Toetsing voorwaarden gemeente Oss.............................................................................. 19
4.4.2
Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 ........................................................................... 20
4.4.3
Toekomstvisie Oss op weg naar 2020 ............................................................................. 21
4.4.4
Nota landschapsbeleid 2015 ............................................................................................. 21
4.4.5
Kwaliteitsverbetering van het landschap .......................................................................... 22
HOOFDSTUK 5 Omgevingsaspecten ................................................................................................... 23 5.1
Milieu .................................................................................................................................... 23
5.1.1
M.e.r. plicht ....................................................................................................................... 23
5.1.2
Bodem .............................................................................................................................. 24
5.1.3
Lucht ................................................................................................................................. 24
5.1.4
Geur .................................................................................................................................. 27
5.1.5
Geluid ............................................................................................................................... 28
5.1.6
Externe veiligheid ............................................................................................................. 30
5.1.7
Volksgezondheid in relatie tot veehouderij ....................................................................... 33
5.1.8
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................................. 34
5.1.9
Spuitzones gewasbescherming ........................................................................................ 35
5.2
Water .................................................................................................................................... 35
5.3
Natuur ................................................................................................................................... 36
5.3.1
Gebiedsbescherming ........................................................................................................ 36
5.3.2
Soortenbescherming......................................................................................................... 37
5.4
Archeologie ........................................................................................................................... 38
5.5
Landschap en cultuurhistorie ................................................................................................ 39
5.6
Verkeer en parkeren ............................................................................................................. 40
5.6.1
Mobiliteit ............................................................................................................................ 40
5.6.2
Parkeren ........................................................................................................................... 41
HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid........................................................................................................... 42 6.1
Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................. 42
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................ 42
BIJLAGEN Bijlage I
Landschappelijke inpassing
Bijlage II
Berekening kwaliteitsverbetering
Bijlage III
V-stacks berekening geurbelasting
Bijlage IV
Quickscan Flora en Fauna
HOOFDSTUK 1.1
1 Inleiding
Aanleiding De initiatiefnemers zijn de eigenaren van het voormalige agrarische bedrijf ter plaatse van Broekstraat 13, 13a en 13b. De initiatiefnemers hebben het voornemen om deze locatie niet langer conform de geldende agrarische bedrijfsbestemming te gebruiken, maar willen deze omzetten naar een woon- en bedrijfsbestemming. Ter plaatse is in de huidige situatie sprake van een agrarisch tuinbouwbedrijf met twee bedrijfswoningen. In de gewenste situatie zal één van deze woningen worden gebruikt voor de woonfunctie. De andere blijft gekoppeld aan het bedrijf, echter is dat niet meer een agrarisch bedrijf. Het bedrijf richt zich op opslagactiviteiten met ruimte voor ZZPactiviteiten van de eigenaar (stukadoor). In februari 2019 is een principeverzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss met de vraag om medewerking te verlenen aan het planvoornemen van de initiatiefnemers. Op 15 mei 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss besloten om medewerking te verlenen aan voorgestane ontwikkeling. Conform het huidige bestemmingsplan (‘Buitengebied Oss – 2020’) is het planvoornemen niet direct toegestaan. Om de huidige agrarische bestemming te kunnen wijzigen in enerzijds een woonbestemming en anderzijds een bedrijfsbestemming dient een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen.
Ten behoeve van deze procedure is onderliggend bestemmingsplan opgesteld. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting (de motivatie en onderbouwing van het initiatief) en de juridisch bindende delen die in werking treden na vaststelling van het bestemmingsplan (de regels en de verbeelding).
1.2
Doel Het doel van onderhavig plan is om de huidige bestemming te wijzigen in enerzijds een bedrijfsbestemming en anderzijds een woonbestemming.
1.3
Plangebied Het plangebied bestaat uit het huidige bouwvlak van het agrarisch bedrijf en is over drie kadastrale percelen gelegen. De kadastrale percelen staan bekend als gemeente Oss, sectie S, nummers 250, 274 (deels) en 275 (deels). In figuur 1 is de ligging van het plangebied op de kadastrale ondergrond weergegeven.
Figuur 1. Uitsnede luchtfoto met kadastrale percelen (planlocatie zwart omkaderd)
1.4
Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 het projectprofiel waarin de huidige situatie van de planlocatie worden beschreven. Hoofdstuk 3 betreft de gewenste ontwikkeling en de landschappelijke inpassing. Hierdoor wordt een goed beeld verkregen met betrekking tot de beoogde wijziging. Hoofdstuk 4 betreft het beleidskader op Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 5 worden de omgevingsaspecten van de planlocatie beschreven, om te bepalen of er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst.
HOOFDSTUK 2.1
2 Gebieds- en projectprofiel
Inleiding In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de huidige situatie van het plangebied en de omgeving waarin het zich bevindt. Vervolgens is de gewenste situatie beschreven en gevisualiseerd.
2.2
Gebiedsprofiel Het plangebied ligt in het buitengebied van Berghem, een dorp aan de rand van de stad Oss. De planlocatie ligt op een afstand van circa 730 meter ten noorden van de dorpskern van Berghem (figuur 2) binnen de bebouwingsconcentratie Gement (figuur 3). De omgeving van het plangebied wordt voornamelijk gekenmerkt door landbouwgronden. Zoals in figuur 5 is te zien, zijn binnen de bebouwingsconcentratie Gement veelal burgerwoningen en enkele bedrijven te vinden. Op het perceel schuin tegenover de planlocatie is een loonwerkbedrijf gelegen. De Broekstraat is de verbindingsweg tussen Berghem en de bebouwingsconcentratie Gement. Ten westen van het plangebied liggen op de bedrijventerreinen ‘Elzenburg’ en ‘De Geer’. Het bedrijventerrein ‘De Geer’ betreft het deel ten oosten van de N329. De afstand tussen het plangebied en dit bedrijventerrein bedraagt circa 310 meter.
Figuur 2. Ligging plangebied met planlocatie rood omkaderd.
Figuur 3. Ligging plangebied (rood omkaderd) in bebouwingsconcentratie Gement.
2.3
Projectprofiel, huidige situatie plangebied De huidige eigenaren exploiteren ter plaatse van Broekstraat 13, 13a en 13b een agrarisch tuinbouwbedrijf. Ten behoeve van de bedrijfsvoering zijn een aantal bedrijfsgebouwen en twee bedrijfswoningen aanwezig. Op het perceel zijn een tuinbouwloods met koelcellen, een kantoorruimte, een kantine, twee werktuigenbergingen/-loodsen en een bergschuur aanwezig. Daarnaast is aan de woning aan de Broekstraat 13a een overkapping gerealiseerd. Bij het meest noordelijk gelegen bedrijfsgebouw is een laaddock aanwezig. Om de bedrijfsgebouwen te bereiken is een deel van het perceel verhard. Het resterende en onverharde deel van het perceel is ingericht als landbouwgrond of als tuin bij de woningen. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 13.300 m 2.
2.4
Projectprofiel, beoogde situatie plangebied Het planvoornemen bestaat uit het beëindigen van het agrarische bedrijf en het slopen van een deel van de bedrijfsbebouwing. Het grootste bedrijfsgebouw blijft behouden en zal in de beoogde situatie gebruikt worden als opslag. Daarnaast bestaat de wens om één van de twee bedrijfswoningen af te splitsen van het bedrijf en deze om te zetten van bedrijfswoning naar burgerwoning. In de toekomstige situatie wordt de locatie dus opgesplitst in een bedrijfsbestemming ten behoeve van opslag en in een woonbestemming (figuur 4).
Figuur 4. Beoogde situatie Broekstraat 13, 13a en 13b
2.5
Bestemmingsplan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ van de gemeente Oss. Voor de planlocatie geldt de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschap’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde middelhoog’. De planlocatie zoals aangegeven in figuur 5 betreft het bouwvlak. Verder is de maatvoering ‘maximaal aantal wooneenheden: 2’ opgenomen. In dit geval zijn er mogelijkheden opgenomen om de agrarische bestemming te wijzigen in een woon- dan wel bedrijfsbestemming. Echter is het niet mogelijk om gebruik te maken van twee wijzigingsbevoegdheden binnen één perceel. Daarom is een bestemmingsplanprocedure noodzakelijk.
Figuur 5. Uitsnede bestemmingsplan met planlocatie rood omkaderd.
HOOFDSTUK
3 Landschappelijke inpassing
In figuur 6 is de landschappelijke inpassing weergegeven, welke tevens is bijgevoegd als Bijlage I. Het plan is in samenwerking met gemeente Oss ontwikkeld, waarbij het landschapsbeleidsplan (zie Hoofdstuk 4.4.4) als uitgangspunt heeft gediend. Het woonhuis aan de Broekstraat 13 is ver van de rijbaan gesitueerd, waardoor een grote landelijke voortuin ontstaat. De tuin bestaat uit een groot gazon met in de randen sierbeplanting en wordt grotendeels afgeschermd met een beukenhaag. De bedrijfsbebouwing ter plaatse van Broekstraat 13A wordt voor een deel gesloopt, zodat er meer ruimte ontstaat voor de tuin. De bedrijfswoning blijft behouden en wordt aangepast/verbouwd naar de standaarden van deze tijd. De randen van de percelen worden afgeschermd, maar het zicht vanuit de woningen naar het achterland blijft behouden. Het woonperceel krijgt een oppervlakte van 2.000 m2 en het bedrijfsperceel krijgt een oppervlakte van 4.155 m2. De rest van het perceel wordt ingericht als agrarische grond. De bedrijfsloods wordt aan de noordzijde ontsloten via de bestaande inrit. Het laaddock blijft gehandhaafd. De inrit en de bedrijfsloods worden afgeschermd door een struweelhaag. Op variabele afstanden staan enkele bomen zoals populieren, lindes
Figuur 6. Landschappelijk inpassingsplan
en/of eiken. Aan de achterzijde (west) wordt de struweelhaag doorgezet als houtsingel. Aan de voorzijde van de bestaande bedrijfsloods is ruimte voor een boomgaard met lokaal fruit zoals kers, appel en peer. De boomgaard en voortuinen worden omzoomd door lage haag van beuken, liguster en/of haagbeuk. Door deze ingrepen wordt de
bedrijfsloods opgenomen in de landschappelijke structuren zonder dat deze hierin verdwijnt. De achtertuin van de burgerwoning (zuid) wordt afgeschermd met een struweelhaag. Achter de burgerwoning ligt een klein bosje. Vanuit de woning en achtertuin blijft het zicht op het achterliggend landschap behouden. De schuine lijn in het bosje geleid de kijker naar de opening in de achterliggende houtsingel met bomen. Het overige deel wordt ingezet als weide voor kleindieren. De landschapselementen worden afgeschermd om vraat door dieren (schapen) te voorkomen. De afscherming bestaat uit onbehandelde palen (Acacia- of Kastanjehout) met schapengaas. Rondom de percelen ligt een watergang ten behoeve van de infiltratie van regenwater. en als duidelijke markering van het perceel.
HOOFDSTUK 4.1
4 Beleidskader
Inleiding In dit hoofdstuk wordt het bestemmingsplan getoetst aan het algemene Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en de wet- en regelgeving. Het sectorale beleid is in hoofdstuk 5 beschreven.
4.2
Rijksbeleid
4.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de Rijksoverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving en heeft dertien Rijksbelangen benoemd waar het Rijk de verantwoordelijkheid houdt. Het Rijk verwacht dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Het Rijk heeft drie streefdoelen geformuleerd waaraan 13 nationale belangen zijn gekoppeld. Het Rijk heeft voor heel Nederland twee nationale doelen gesteld (nummer 4 en nummer 8).
Daarin wordt gesteld dat efficiënt gebruik van de ondergrond van belang is (zorgvuldig ruimtegebruik) en het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. De overige doelen en belangen zijn geografisch weergegeven in de Nationale hoofdstructuur. Het plangebied is niet binnen deze Nationale Hoofdstructuur gelegen. Hierdoor zijn in dit geval alleen de algemene regels van belang. In onderhavig plan wordt de huidige agrarische bestemming omgezet naar een bedrijfsen woonbestemming. Hierbij krijgt één van de bedrijfswoningen de functie van burgerwoning en wordt het agrarische bedrijf omgezet naar een bedrijfsbestemming ten behoeve van opslag. Deze bestemmingen zijn passend binnen de omgeving waar voornamelijk woningen en (agrarische) bedrijven zijn gelegen. Het initiatief is kleinschalig en heeft dan ook geen nationaal belang. Er kan gesteld worden dat de SVIR geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
4.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van
nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt geen gebruik gemaakt van kaderstellende uitspraken ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen waarbij Nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit initiatief.
4.2.3
Ladder voor duurzame ontwikkeling De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4, efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik. De Ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de Ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Gezien er gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing en geen nieuwe bebouwing wordt opgericht, kan worden gesproken van zorgvuldig ruimtegebruik. Daarnaast wordt verstaan onder stedelijke ontwikkeling, het realiseren van 12 of meer woningen. In dit geval is er dus geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de Ladder voor duurzame verstedelijking niet relevant is voor dit plan.
Conclusie Rijksbeleid Onderhavige ontwikkeling is kleinschalig van aard en betreft de herbestemming van een perceel waarbij geen nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd. Hiermee is de ontwikkeling niet van nationaal belang en wordt er geen aanzet gedaan tot een verdere grootschalige ontwikkeling. Het plan is daarmee niet in strijd met het Rijksbeleid.
4.3
Provinciaal beleid
4.3.1
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant Op 1 oktober 2010 hebben Provinciale Staten (PS) de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening voor de provincie Noord-Brabant vastgesteld en vervangt daarmee de Interimstructuurvisie 2008. Sinds de vaststelling van de Structuurvisie RO in 2010 hebben PS diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn nu vertaald in de ‘Structuurvisie RO 2010 – partiële herziening 2014’ welke op 7 februari 2014 is
vastgesteld. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De nieuwe Structuurvisie is een uitvloeisel van de Wro en is een van de vier strategische plannen van de provincie. Hierin worden de provinciale ruimtelijke belangen benoemd en de wijze waarop de provincie deze belangen behartigt. Ook de instrumenten die de provincie inzet om deze doelen te bereiken, staan in de structuurvisie beschreven. De provincie heeft in de structuurvisie 14 ruimtelijke belangen geformuleerd: 1. Regionale contrasten 2. Een multifunctioneel landelijk gebied 3. Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem 4. Een betere waterveiligheid door preventie 5. Koppeling van waterberging en droogtebestrijding 6. Duurzaam gebruik van de ondergrond 7. Ruimte voor duurzame energie 8. Concentratie van verstedelijking 9. Sterk stedelijk netwerk: BrabantStad 10. Groene geledingszones tussen steden 11. Gedifferentieerd aanbod aan goed bereikbare recreatieve vrijetijdsvoorzieningen 12. Economische kennisclusters 13. (inter)nationale bereikbaarheid 14. Beleefbaarheid stad en land vanaf de hoofdinfrastructuur Structurenkaart De ruimtelijke belangen zijn voor een groot deel geografisch gevisualiseerd in de structurenkaart waardoor helder wordt welke belangen de provincie op welke plek plaatst.
Uit de structurenkaart blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen het landelijk gebied waarbij de aanduidingen ‘accentgebied agrarische ontwikkeling’ en ‘zoekgebied verstedelijking’ van toepassing zijn op de planlocatie (figuur 7). Binnen het landelijk gebied biedt de provincie ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie en versterking van het landschap. De beoogde bedrijfs- en woonbestemming zijn passend binnen een gemengde plattelandseconomie. Het huidige landschap wordt voornamelijk gekenmerkt door de openheid. Met de sloop van een deel van de bebouwing wordt het open karakter binnen het landelijk gebied versterkt. Daarnaast zal onderhavige ontwikkeling de mogelijkheden tot stedelijke ontwikkelingen niet bemoeilijken, maar zal de omschakelijk van agrarisch tuinbouwbedrijf naar statische opslag dit juist makkelijker maken in verband met aan te houden richtafstanden. Hier wordt in hoofdstuk 5 verder op ingegaan.
Figuur 7. Uitsnede structurenkaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant met planlocatie rood omcirkeld.
4.3.2
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. In deze verordening zijn de regels over de fysieke leefomgeving opgenomen en deze vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en Verordening wegen. In de Interim omgevingsverordening zijn, net als in de structuurvisie, verschillende hoofdstructuren opgenomen. In de verordening zijn regels gekoppeld aan deze hoofdstructuren die aangeven welke ontwikkeling op welke plekken acceptabel zijn onder bepaalde voorwaarden. Het plangebied is gelegen binnen het ‘landelijk gebied’ en de structuur ‘gemengd landelijk gebied’ (figuur 8). Het gemengd landelijk gebied is een gebied waarbinnen verschillende functies kunnen worden ontwikkeld die in evenwicht zijn met elkaar en de omgeving. Zo zijn nietagrarische functies en burgerwoningen toegestaan, mits voldaan kan worden aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3.68, lid 1 en artikel 3.73.
Figuur 8. Plankaart Interim omgevingsverordening Noord-Brabant met planlocatie wit omcirkeld.
Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; Er is sprake van een bestaande woning, waardoor wordt voldaan aan de voorwaarde. b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. De huidige bedrijfswoning wordt afgesplitst van het bedrijf en krijgt een woonbestemming. Daarnaast is in artikel 3.69, onder c. opgenomen dat het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning mogelijk is, mits er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en overtollige bebouwing wordt gesloopt. Er vindt geen splitsing in meerdere woonfuncties plaats en worden binnen de woonbestemming een woning en één bijgebouw opgenomen. Het gebouw dat in de beoogde functie zal fungeren als bijgebouw bij de woning wordt deels gesloopt zodat deze qua oppervlakte passend is conform de regels in het bestemmingsplan. Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a.
de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. De gewenste woon- en bedrijfsfunctie hebben geen onevenredige negatieve effecten op omliggende functies. Daarnaast wordt de overtollige bebouwing, welke niet in gebruikt word genomen ten behoeve van de opslag, gesloopt. De ontwikkeling is passend binnen de omgeving. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; Er vindt geen splitsing van het bouwperceel plaats ten behoeve van het oprichten van twee zelfstandige bedrijven. Enkel zal één van de twee bedrijfswoning worden afgesplitst en omgezet naar een burgerwoning. c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; De bebouwing welke niet in gebruik wordt genomen ten behoeve van de opslag zal worden gesloopt. d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. De opslag betreft geen van de bovengenoemde activiteiten. Lid 2. Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a.
over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; De gemeente heeft bij het besluit om medewerking te verlenen aan onderhavig ontwikkeling aangegeven een oppervlakte van maximaal 4.500 m 2 als een passende omvang te zien voor de bedrijfslocatie. In dit geval zal de omvang van de bedrijfslocatie circa 4.155 m2 bedragen. Dit ligt beneden de advieswaarde van de gemeente Oss. Voor de beoogde bedrijfsbestemming is dus sprake van een passende omvang. Daarnaast zal het aantal verkeersbewegingen afnemen, waardoor de ontwikkeling op het gebied van publieksaantrekkende werking geen significant negatief effect heeft op de omgeving. b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; De gemeente heeft de voorwaarde gesteld dat er bedrijfsactiviteiten uit ten hoogste milieucategorie 2 mogen worden uitgevoerd. De gewenste opslag betreft een bedrijfsactiviteit met milieucategorie 2. c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; Er vindt geen buitenopslag plaats, maar opslag vindt enkel plaats in gebouwen. d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Niet van toepassing. Conclusie provinciaal beleid De omschakeling van agrarisch bedrijf naar een bedrijfs- en woonbestemming is passend binnen de functies in de omgeving. Met de sloop wordt tevens bijgedragen aan
het open karakter van het landelijk gebied. Daarnaast kan voldaan worden aan de voorwaarden die de Interim omgevingsverordening stelt ten aanzien van niet-agrarische en woonfuncties. Onderhavige ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met het provinciaal beleid.
4.4
Gemeentelijk beleid Op 15 mei 2019 heeft de gemeente Oss besloten medewerking te verlenen aan voorgenomen ontwikkeling, mits er wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. In dit hoofdstuk wordt getoetst of met onderhavige ontwikkeling kan worden voldaan aan deze voorwaarden. Daarnaast wordt de ontwikkeling getoetst aan het beleid conform de Structuurvisie 2020, de Toekomstvisie Oss, nota Landschapsbeleid 2015 en de Kwaliteitsverbetering van het landschap.
4.4.1
Toetsing voorwaarden gemeente Oss Hieronder zijn de voorwaarden weergegeven en gemotiveerd of al dan niet kan worden voldaan. a. de agrarische bedrijvigheid dient blijvend te worden gestaakt; De activiteiten ten behoeve van het agrarisch bedrijf zullen blijvend worden gestaakt en met de beoogde woon- en bedrijfsbestemming is het niet mogelijk om deze agrarische bedrijfsactiviteiten weer op te starten. Er kan dus worden voldaan aan de voorwaarde. b. er mag maximaal 1.000 m2 aan bedrijfsbebouwing blijven behouden en overtollige bedrijfsbebouwing dient geheel te worden gesloopt; Een gedeelte van de bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. De te behouden oppervlakte aan bedrijfsgebouwen ten behoeve van de opslag bedraagt circa 990 m 2. Dit is minder dan de maximum oppervlakte van 1.000 m2 waardoor kan worden voldaan aan de voorwaarde. c. de inhoud van woningen mag niet meer bedragen dan 750 m3; De woningen welke in de huidige omvang blijven behouden, overschrijden beide de maximum inhoud van 750 m3 niet en voldoen hiermee aan de voorwaarde. d. het bestemmingsvlak voor ‘Wonen’ dient te worden teruggebracht naar een omvang passend voor de bestemming met een maximum van 1.500 m2; Binnen de woonbestemming zullen de woning, bijgebouw en bijbehorende tuin komen te liggen. In de beoogde situatie zal het bestemmingsvlak voor de woonbestemming groter dan 1.500 m2 bedragen (maximaal 2.000 m²).
Gezien de omvang van vele woonbestemmingen in de omgeving van het plangebied groter zijn dan de gestelde maximum oppervlakte van 1.500 m2, wordt de beoogde woonbestemming als passend gezien. Daarbij wordt geen nieuwe bebouwing opgericht maar wordt een woonbestemming gelegd op een bestaande woning met bijgebouw en tuin. e. met de omschakeling naar een woonbestemming mogen omliggende bedrijven niet beperkt worden in hun uitbreidingsmogelijkheden; Met de omschakeling naar een woon- en bedrijfsbestemming zijn de opslag en de woning op de planlocatie op korte afstand van elkaar gelegen. Het gaat in dit geval om een bestaande woning welke wordt omgezet naar een burgerwoning. De bestemming op het deel van de grond waarop de bestaande woning,
bijgebouw en bijbehorende woonbestemming.
tuin
zijn
gelegen,
wordt
omgezet
naar
een
In paragraaf 5.1.8 Bedrijven en milieuzonering wordt getoetst aan vaste afstanden welke moeten worden aangehouden. In de huidige situatie ligt het meest nabijgelegen bedrijf aan de Broekstraat 20, waarbij andere woningen in de omgeving op een kortere afstand zijn gelegen dan de woningen op de planlocatie. Ten westen van het plangebied is een bedrijventerrein gelegen. Deze bedrijven kunnen niet verder uitbreiden dan de bestemmingsplangrens. Ondanks dat dient aangetoond te worden dat de omschakeling naar een woonbestemming op de planlocatie ook eventuele uitbreiding binnen de bestemmingsplangrenzen niet beperkt wordt. Gezien de ligging van burgerwoningen in de omgeving op een kortere afstand van het bedrijventerrein dan de woningen op de planlocatie, worden geen belemmeringen verwacht. f.
de bedrijfsactiviteiten met betrekking tot de opslag behoren ten hoogste tot milieucategorie 2; Conform de Handreiking Bedrijven en milieuzonering behoort een opslaggebouw tot milieucategorie 2. In de regels, behorende bij dit plan, zal tevens worden geborgd dat de activiteiten met betrekking tot de opslag ten hoogste tot milieucategorie 2 mogen behoren. Er kan dus worden voldaan aan deze voorwaarde. g. de bedrijfslocatie dient (qua omvang) passend te zijn in de omgeving; De gemeente heeft bij het besluit om medewerking te verlenen aan onderhavig ontwikkeling aangegeven een oppervlakte van maximaal 4.500 m2 als een passende omvang te zien voor de bedrijfslocatie. In dit geval zal de omvang van de bedrijfslocatie circa 4.155 m2 bedragen. Dit ligt beneden de advieswaarde van de gemeente Oss. Voor de beoogde bedrijfsbestemming is dus sprake van een passende omvang. h. de nieuwe situatie dient landschappelijk te worden ingepast. waarbij de landschappelijk inpassing dient aan te sluiten op de historische verkaveling van het slagenlandschap; Er is een landschappelijke inpassing opgesteld om de nieuwe situatie in te passen in het bestaande landschap. De landschappelijke inpassing wordt in hoofdstuk 3 aangehaald en is tevens bijgevoegd als separate bijlage I. i.
de ontwikkeling dient gepaard te gaan met een berekening en toelichting van de kwaliteitsverbetering (categorie 3); De landschappelijke inpassing bevat tevens een berekening en toelichting van de kwaliteitsverbetering (zie paragraaf 4.4.4). Deze is bijgevoegd als Bijlage II.
4.4.2
Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 Op 1 april 2015 is de Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 vastgesteld. Deze structuurvisie gaat in op de ruimtelijke koers van de gemeente op de langere termijn en de daarvoor noodzakelijke keuzen op korte termijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met het voorgeschreven beleid. Het beleid voor vrijkomende agrarische bebouwing gaat uit van het principe ‘voor wat hoort wat’. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kwaliteit van het
landschap. Vrijkomende bebouwing mag niet onbeperkt voor alle denkbare functies gebruikt worden. De gemeente zet in op ontstening van het buitengebied. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwingsconcentratie ‘Gement’. De visie voor deze bebouwingsconcentratie betreft het versterken van het slagenlandschap door uitbreiding in de vorm van lintbebouwing met smalle en diepe kavels. De gemeente ziet mogelijkheden in dit gebied voor wonen en agrarisch verwante bedrijven. Met onderhavige ontwikkeling wordt een deel van de bebouwing gesloopt en wordt geen nieuwe bebouwing gerealiseerd. Er wordt bijgedragen aan ontstening en het open karakter van het buitengebied. De omschakeling naar een woonbestemming past binnen de visie dat wonen een denkbare functie is en passend in de huidige omgeving. De ontwikkeling is hiermee niet in strijd met de structuurvisie van de gemeente Oss.
4.4.3
Toekomstvisie Oss op weg naar 2020 De toekomstvisie ‘Oss op weg naar 2020’ van 2004 is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling op de lange termijn. Eén van de potenties van Oss ligt volgens deze visie in het gevarieerde landelijk gebied waarin zich tal van kleine kernen bevinden. In het buitengebied blijft de landbouw een belangrijke economische drager én beeldbepaler van het landschap. Het belang van de natuur en het landschap vraagt om hinder zoveel mogelijk te beperken. Met de omschakeling van agrarisch tuinbouwbedrijf naar een bedrijfs- en woonbestemming wordt er bijgedragen aan het gevarieerde landelijk gebied. Het is dan ook een passend in een omgeving met variërende functies zoals woningen, bedrijven en landbouwgronden. Daarnaast is het perceel middels de landschappelijke inpassing ingepast in het huidige landschap. Het landschap ondervindt geen hinder, omdat bebouwing wordt gesloopt waardoor er een meer open landschap ontstaat. De ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de toekomstvisie ‘Oss op weg naar 2020’.
4.4.4
Nota landschapsbeleid 2015 Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen kaders aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. Per landschapseenheid is een visie op de gewenste ontwikkeling van de landschappelijke kwaliteiten geformuleerd. Verder zijn instrumenten aangegeven om de bestaande landschappelijke kwaliteit te handhaven en verbeteren. Het plangebied vormt onderdeel van de dekzandrand. Dit is een overgangszone van het lagergelegen kleigebied naar de hoger gelegen dekzandrug. Deze gebieden kenmerken zich van oorsprong door een kleinschalige opbouw met half-open tot besloten karakter. Het terugbrengen van de kleinschaligheid kan plaatsvinden door de aanplant van opgaand groen. aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering algemeen: • herstel kavelrandbeplanting als voorwaarde bij ontwikkelingen in bestemmingsplan opnemen • nieuwe ontwikkelingen en/of functies landschappelijk inpassen en laten bijdragen aan de gewenste landschappelijke verbeteringen onregelmatige blokverkaveling nabij kernen versterken
•
in het overige gebied regelmatige slagenverkaveling loodrecht op de dekzandrug versterken
toetsen • bestaande kavelrandbeplanting in bestemmingsplan opnemen stimuleren • in de dekzandrand inzetten op transformatie; het toelaten van nieuwe functies onderzoeken • de ecologische potenties op de dekzandrand vergroten door de aanwezigheid kalkrijke kwel uit te buiten
4.4.5
Kwaliteitsverbetering van het landschap Een belangrijk onderdeel van de Verordening ruimte is hoofdstuk 2, dat algemene regels bevat over de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Artikel 3.1 bevat een algemene zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en artikel 3.2 bevat regels voor kwaliteitsverbetering van het landschap. De gemeenten in regio Noordoost hebben met de provincie afspraken gemaakt over de toepassing van de verplichting tot kwaliteitsverbetering in de praktijk. Deze afspraken zijn vervat in het document ‘notitie toepassingsbereik’. Deze notitie geeft aan hoe de gemeenten in de regio Noordoost naast de toepassing van artikel 3.1 ook toepassing geven aan artikel 3.2. In welke mate moet worden bijgedragen aan landschappelijke kwaliteitsverbetering is onderverdeeld in categorieën. De ontwikkeling heeft betrekking op ‘omschakeling, zonder vergroting van het bouwvlak, van agrarisch bouwvlak naar Bedrijf’ en ‘wijzigen Agrarisch (gerelateerd) naar Wonen’. Hiermee betreft het initiatief een ontwikkeling behorende tot categorie 3. Voor ontwikkelingen behorende tot categorie 3 is een extra landschappelijke investering vereist. Het gaat hier om minimaal 20% van de meerwaarde van het perceel.
Kwaliteitsverbetering Met betrekking tot onderhavige ontwikkeling, dient een kwaliteitsverbetering te worden geleverd met een hoogte van minimaal 20% van de waardevermeerdering van het perceel. De gehele berekening is bijgevoegd als separate Bijlage II. De waardevermeerdering van het perceel bedraagt € 131.370,00, waardoor er een kwaliteitsverbetering van € 26.274,00 geleverd dient te worden. Met de sloop van bebouwing en verharding en de aanleg en het onderhoud van groenelementen wordt een tegenprestatie geleverd van € 26.281,42. Dit betekent dat de tegenprestatie, die in het kader van de kwaliteitsverbetering geleverd moet worden, wordt gehaald. Conclusie gemeentelijk beleid Met de ontwikkeling kan voldaan worden aan de voorwaarden welke de gemeente heeft gesteld. In de nieuwe situatie is minder bebouwing aanwezig waardoor dit bijdraagt aan het open karakter in de omgeving De nieuwe situatie wordt middels de landschappelijke inpassing ingepast in de bestaande structuur van het landschap. Hiermee wordt verzekerd dat de huidige kwaliteiten blijven behouden dan wel verbeterd. Hiermee is de onderhavige ontwikkeling niet in strijd met het gemeentelijk beleid.
HOOFDSTUK 5.1
5 Omgevingsaspecten
Milieu In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan.
5.1.1
M.e.r. plicht Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel
D m.e.r.-(beoordelings-)plichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings-)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan m.e.r.-plicht. De omschakeling van een agrarische bedrijfsbestemming naar een bedrijfsbestemming ten behoeve van opslag komt niet voor in de C- of D-lijst. Met het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning wordt er als het ware een woning toegevoegd omdat deze geen deel meer uitmaakt van het bedrijf. In onderdeel D van de bijlage is met betrekking tot het toevoegen van woningen opgenomen: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Er is sprake van een stedelijke ontwikkeling wanneer er 12 of meer woningen worden gebouwd. In dit geval betreft de ontwikkeling het toevoegen van slechts één burgerwoning. Conclusie Onderhavig plan komt dus niet voor in de C- of D-lijst. Een m.e.r.(beoordelings)procedure is in dit geval daarom niet noodzakelijk.
5.1.2
Bodem In het kader van de bestemmingsplanprocedure vormt de bodemkwaliteit bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. Met de omschakeling van een tuinbouwbedrijf naar een bedrijf ten behoeve van opslag blijft een bedrijf aanwezig, waardoor de bestemming niet gevoeliger wordt dan de huidige situatie. Met betrekking tot het bedrijf is een nader bodemonderzoek dan ook niet noodzakelijk. De omschakeling naar een woonbestemming zorgt ervoor dat de bestemming wél gevoeliger wordt. Ten aanzien van de woonbestemming dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit acceptabel is voor deze functie. Binnen het beoogde woonperceel liggen een bedrijfswoning en een bijgebouw. Dit bijgebouw fungeert in de huidige situatie als werktuigenberging waar inpandig een mantelzorgwoning in is gerealiseerd. Dit gebruik betreft geen bodemverontreinigende activiteiten. Hierdoor wordt de bodemkwaliteit geschikt geacht voor een woondoeleinden. Conclusie Gezien het huidige gebruik op het beoogde woonperceel geen verdachte bodemverontreinigende activiteiten betreft, worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het aspect Bodem. Een nader bodemonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
5.1.3
Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
c. d.
een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Met onderhavige ontwikkeling worden geen nieuwe gevoelige objecten gerealiseerd. Een van de twee reeds bestaande bedrijfswoningen blijft als bedrijfswoning bij de bedrijfsactiviteiten voor statische opslag fungeren. De andere bedrijfswoning wordt omgezet naar burgerwoning waarbij de bestemming wordt gewijzigd in een woonbestemming. Ter plaatse van woningen dient er sprake te zijn van een aanvaardbare situatie om voor langere tijd te kunnen verblijven. Daarom is getoetst of er op het gebied van fijnstof en stikstofdioxide sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Fijn stof Voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie en 50 µg/m3 voor een daggemiddelde concentratie. In figuur 9 is te zien dat de waarde voor fijn stof ter plaatse van de planlocatie tussen de 18 µg/m3 en 20 µg/m3. Dat betekent dat dit beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wet milieubeheer ligt en op het gebied van fijn stof het woon- en leefklimaat dus aanvaardbaar is.
Figuur 9. Concentratiekaart fijn stof (PM10) met planlocatie rood omcirkeld.
Stikstofdioxide
Voor stikstofdioxide (NO 2) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie en 200 µg/m3 voor een daggemiddelde concentratie. In figuur 10 is te zien dat de waarde voor stikstofdioxide (NO 2) ter plaatse van de planlocatie tussen de 10 µg/m3 en 15 µg/m3 is gelegen. Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wet milieubeheer ligt en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Figuur 10. Concentratiekaart stikstofdioxide (NO2) met planlocatie rood omcirkeld
Initiatief Initiatieven kunnen invloed hebben op de luchtkwaliteit, waardoor het woon- en leefklimaat in het geding kan komen. In dit geval blijft het aantal woningen ongewijzigd, waardoor dit niet voor een verandering zorgt ten opzichte van de luchtkwaliteit. Daarnaast kan een omschakeling van bedrijfsactiviteiten tevens invloed hebben op de luchtkwaliteit. Voor een functie als opslag kunnen met name verkeersbewegingen een effect op de luchtkwaliteit hebben. Door veranderingen in het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie, kan er ook een verandering plaatsvinden met betrekking tot de luchtkwaliteit. Met behulp van de NIBM-tool van het RIVM kan worden berekend of de bijdrage van het extra verkeer aanleiding geeft voor nader onderzoek naar de luchtkwaliteit. Uit paragraaf 5.1.6 blijkt dat er sprake is van een afname van het aantal verkeersbewegingen. Gezien de ontwikkeling geen extra verkeersbewegingen tot gevolg heeft, blijkt uit de NIBM-tool (worstcasescenario met 100% vrachtverkeer) dat de bijdrage van het verkeer ‘niet in betekenende mate’ is en er geen aanleiding is tot nader onderzoek (figuur 11). Het initiatief heeft geen significant negatief effect op de luchtkwaliteit en vormt daarmee geen belemmering voor omliggende gevoelige functies.
Figuur 11. NIBM-tool bijdrage extra verkeer op luchtkwaliteit
Conclusie De hoeveelheid fijnstof en stikstofdioxide ter plaatse van de planlocatie ligt ruimschoots beneden de gestelde grenswaarden en zal door onderhavige ontwikkeling niet toenemen, waardoor dit geen belemmeringen oplevert voor voorgestane ontwikkeling.
5.1.4
Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Voor het bepalen van het woon- en leefklimaat van een woning in het buitengebied, is het aspect geur van belang. In het buitengebied is geuruitstoot veelal afkomstig van veehouderijen. Er dient dan ook voldoende afstand te zitten tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten. Achtergrondbelasting Volgens de geurkaart van de gemeente Oss bedraagt de geurbelasting ter plaatse van de planlocatie maximaal 3 ouE/m3 (figuur 12). Dit betekent dat het woon- en leefklimaat als ‘zeer goed’ wordt beoordeeld. Er wordt tevens aangegeven dat de achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder en normen zowel voldoet aan de gestelde norm door de provincie Noord-Brabant (max. 20 ouE/m3) als aan de norm gesteld door de GGD (max. 10 ouE/m3).
Figuur 12. Geurkaart gemeente Oss met planlocatie rood omcirkeld.
Voorgrondbelasting Daarnaast is gekeken of er op de planlocatie tevens sprake is van een acceptabele situatie met betrekking tot de voorgrondbelasting geur. Conform de ‘Harmonisatie geurnormen Wet geurhinder en veehouderij’ van de gemeente Oss uit 2017 geldt voor het gebied waarbinnen de planlocatie is gelegen een maximale geurnorm (voorgrondbelasting) van 8 ouE/m3. Met behulp van het programma V-Stacks een berekening gemaakt of kan worden voldaan aan de maximale geurnorm van de gemeente Oss. Hierbij is de voorgrondbelasting geur afkomstig van de veehouderijlocaties aan Harenseweg 44, Valendonkstraat 12 en Valendonkstraat 19 op de woning aan Broekstraat 13 berekend. Uit de geurberekeningen blijkt dat in alle drie de gevallen kan worden voldaan aan de maximum geurnorm van 8 ouE/m3. De hoogste geurbelasting wordt veroorzaakt door de veehouderij aan Valendonkstraat 12 en bedraagt 0,8 ouE/m3. Hiermee wordt ruimschoots beneden de maximale geurnorm gebleven. Conclusie De beoogde bedrijfsactiviteiten hebben zorgen niet voor geurbelasting op omliggende gevoelige objecten. Daarnaast kan er ter plaatse van de planlocatie worden gesproken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting wordt als ‘zeer goed’ beoordeeld en de voorgrondbelasting blijft ruimschoots beneden de gestelde norm. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
5.1.5
Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien binnen het plangebied geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedsfeer van (weg)verkeerslawaai, een akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt
Met onderhavige ontwikkeling worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten opgericht. Voor de bestaande woningen is reeds bepaald dat er sprake is van een acceptabele situatie. Echter wordt voor de volledigheid wel getoetst of er ter plaatse van de woning, welke wordt omgezet naar burgerwoning, geen belemmeringen zijn te verwachten. Voor de opslag binnen het plangebied geldt dat deze woning het meest nabijgelegen gevoelige object betreft. Indien er geen sprake is van een belemmering, zal ook voor andere omliggende gevoelige objecten van een aanvaardbare situatie kunnen worden uitgegaan. Conform de voorwaarden vanuit de gemeente mogen de bedrijfsactiviteiten met betrekking tot de opslag op de planlocatie ten hoogte tot milieucategorie 2 behoren (zie paragraaf 4.4.1). Conform de VNG-publicatie dient ten aanzien van het geluidsaspect een afstand van 10 meter tot gevoelige objecten te worden aangehouden (zie paragraaf 5.1.8). Ten aanzien van het loonwerkbedrijf op het tegenovergelegen bedrijf dient een afstand van 30 meter te worden aangehouden. De afstand tussen de woning en het opslagbedrijf bedraagt circa 10 meter en de afstand tot het opslaggebouw bedraagt circa 32 meter. De afstand tot het tegenovergelegen bedrijf bedraagt circa 41 meter. De richtafstanden ten aanzien van geluid worden dus niet overschreden. Daarnaast is geluid afkomstig van verkeersbewegingen.
Gezien er ten noorden van het perceel enkel landbouwgronden en graslanden zijn gelegen, wordt het aantal verkeersbewegingen van de Broekstraat in noordelijke richting minimaal geacht. Het verkeer welke gebruik maakt van de Broekstraat is grotendeels bestemmingsverkeer en gezien de locatie aan de Broekstraat 13 aan het einde van het lint aan functies is gelegen, zal het bestemmingsverkeer niet voorbij de planlocatie komen. Daarnaast blijkt uit paragraaf 5.6.1 dat het aantal verkeersbewegingen naar verwachting zelfs zal afnemen, waardoor de geluidssituatie ten opzichte van de huidige situatie verbeterd. Geluidzone – industrie Ten aanzien van het bedrijventerrein ‘De Geer’ is in het bestemmingsplan een geluidzone opgenomen (figuur 13). Binnen deze zone is het in beginsel niet toegestaan om nieuwe geluidsgevoelige objecten te realiseren. Zoals te zien in onderstaande figuur is de beoogde woonbestemming buiten deze geluidzone gelegen, waardoor dit geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.
Figuur 13. Luchtfoto met geluidszone – industrie uitgelicht en plangebied.
Conclusie Er worden geen nieuwe gevoelige objecten gerealiseerd en gezien de Broekstraat voornamelijk door bestemmingsverkeer wordt gebruikt en deze niet voorbij het plangebied komen, zal de geluidsbelasting minimaal zijn. Een akoestisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
5.1.6
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten
verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen.
Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.
Buisleidingen (Bevb)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen1.
een
Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer sprake groepsrisico of oriëntatiewaarde.
het de
is
van toename van overschrijding van
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit to vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat benodigde de veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het
1
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer:
1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 14 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Uit de risicokaart blijkt dat er geen inrichtingen met externe veiligheidsrisico’s in de omgeving van het plangebied zijn gelegen, welke een risicocontour over het plangebied hebben liggen. Tevens zijn er geen buisleidingen, wegen, spoorwegen en vaarwegen aanwezig, waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in de omgeving met een risicocontour over het plangebied. In de omgeving is derhalve ook geen sprake van een plaatsgebonden risico en/of groepsrisico. Ook wordt voldaan aan de veiligheidsafstanden uit overige wet- en regelgeving. In dit geval kan worden voldaan aan de voorwaarden. Het aspect externe veiligheid vormt daarom geen belemmering voor het plan. Het plangebied is op een afstand van circa 310 meter van het bedrijventerrein ‘De Geer’ gelegen. Binnen dit bedrijventerrein en het naastgelegen bedrijventerrein ‘Elzenburg’ zijn risicovolle inrichtingen aanwezig.