Toelichting. BPgalerijheuvel-VG02
Tekst van het document
4.4.5
Detailhandel
De Visie op de detailhandelsstructuur Oss 2007-2015 (vastgesteld op 14 februari 2008) kent een concentratiegedachte en hiërarchie in winkelgebieden als uitgangspunten. Doel van de concentratiegedachte is de consument te bedienen in een fijnmazige verzorgingsstructuur van winkelcentra, waarbinnen de detailhandel zoveel mogelijk is geconcentreerd. Uitgegaan wordt van een duurzame aanbodstructuur die bestaat uit ook op de langere termijn levensvatbare en elkaar aanvullende detailhandelsvoorzieningen. Het hiërarchische systeem kent het centrum van Oss als hoofdwinkelcentrum (recreatieve functie, aanbod op modisch gebied, versterking lokale en regionale positie). In de wijken en buurten zijn de voorzieningen geclusterd in een wijk- of buurtcentrum gericht op de dagelijkse aankopen (de ‘boodschappencentra’). Daarnaast zijn er winkelbranches benoemd die zich buiten de winkelcentra kunnen vestigen. Ook hierbij wordt gestreefd naar clustering binnen zogenaamde perifere detailhandelszones op bedrijventerreinen, bij voorkeur in de vorm van thematisering: bijvoorbeeld de wooninrichting op de woonboulevard.
Met het planvoornemen worden bestaande, leegstaande winkelruimten in het centrum van Oss gesloopt en wordt hiervoor in de plaats bebouwing voor 35 appartementen, 3 stadswoningen en 3 winkels gerealiseerd. De winkels blijven onderdeel van het concentratiegebied in het centrum van Oss. Door deze ontwikkeling wordt bijgedragen aan een compact centrum. Het initiatief is in lijn met de visie op de detailhandelsstructuur Oss 2007 – 2015 en de Koers Stadshart 2016.
4.4.6
Beleid aan huis gebonden activiteiten
Op 22 november 2012 heeft de gemeenteraad het Beleid aan huis gebonden activiteiten – Actualisatie 2012 vastgesteld. Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is opgesteld om mogelijkheden te bieden aan ondernemen vanuit de eigen woning. Door de jaren heen zijn de activiteiten die aan huis worden ondernomen steeds meer divers geworden. Het gaat allang niet meer alleen om een huisarts of accountant aan huis. Er is een breed scala dat aan huis uitgeoefend kan worden. Voorbeelden zijn een adviesbureau, pedicure of afslanksalon. Ook komen er steeds vaker vragen om kleinschalige cursussen te mogen geven, voor kleinschalige kinderopvang, ambachtelijke bedrijfjes of een bed en breakfast. Met het beleid wordt ingespeeld op de veranderende inzichten over aan huis gebonden activiteiten. Er wordt ruimte gegeven aan deze nieuwe vormen om vanuit de thuissituatie te werken. Het gaat dus altijd om een bewoner die de activiteit uitvoert. Een andere belangrijke voorwaarde is steeds dat de activiteit zich goed
verhoudt met de woonomgeving.
Het beleid aan huis gebonden activiteiten is er op gericht om zoveel mogelijk rechtstreeks toe te staan. Er is een lijst opgesteld met een breed scala aan activiteiten die rechtstreeks mogen worden uitgeoefend in de woning. Deze lijst is als bijlage opgenomen bij de regels van dit bestemmingsplan. Bij het opstellen van de lijst van rechtstreeks toegestane activiteiten is de woonomgeving het uitgangspunt geweest. Dit houdt in dat er geen bedrijven op staan die veel verkeer aantrekken of activiteiten die milieuhinder veroorzaken, die niet past in een woonomgeving. Het oppervlak van de rechtstreeks toegestane activiteiten is 35m2.
Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning worden uitgevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig. Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken’. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het toegestane 35 m2, andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen.
Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten 5.1
Natuur
5.1.1
Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk.
Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming.
5.1.2
Groen en natuur/biodiversiteit
Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft ernaar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel ‘natuurinclusief’ te bouwen. Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om dit ook te doen.
In het plangebied wordt hieraan invulling gegeven door de inbouw van vleermuizenkasten. Ook worden groene daken toegepast, voor zover geen sprake is van een dakterras.
Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd.
In het plangebied zijn geen waardevolle bomen of andere bomen aanwezig. Bomen in de nabijheid van het plangebied worden door het planvoornemen niet geraakt.
5.1.3
Natuurtoets
Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden. Soortenbescherming moet ertoe leiden dat het voortbestaan van soorten niet in gevaar komt.
5.1.3.1 Gebiedsbescherming Binnen Nederland zijn 166 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Voor de Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Activiteiten en ontwikkelingen die een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen hebben, zijn verboden.
Voor een plan geldt op grond van artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming dat bepalend is of het significante gevolgen kan hebben voor een (of meer) Natura 2000-gebied(en). Is dat het geval, dan dient het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, bij de vaststelling van een plan met toepassing van artikel 2.7 Wnb, een passende beoordeling te maken, zoals bedoeld in artikel 2.8 Wnb.
Veel van de Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante negatieve effecten’ op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Sinds 1 juli 2021 is de Wsn samen met het bijbehorende Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Deze regelgeving wijzigt de Wet en het Besluit natuurbescherming en moet voorzien in een structurele aanpak van de stikstofproblematiek. De Wsn regelt ook een aanpassing van het Besluit natuurbescherming, waardoor een vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten van bouwprojecten. Deze vrijstelling is op 2 november 2022 echter tenietgedaan via de uitspraak van de Raad van State inzake Porthos (ECLI:NL:RVS:2022:3159). Sindsdien geldt de vrijstelling niet meer en moet zowel voor de gebruiks- als aanlegfase worden bepaald of er negatieve effecten kunnen optreden.
Een eerste toetsing (voortoets) geeft aan of er negatieve effecten kunnen optreden en zo ja of deze van dien aard kunnen zijn dat de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen. Indien dat het geval is, wordt een tweede toetsing verricht welke dieper ingaat op de mate van effect (passende beoordeling).
Uit de ‘Handreiking Voortoets Stikstof’ (3 maart 2021) blijkt dat een voortoets moet worden overlegd bestaande uit een beschrijving van de uitgangspunten van de emissieberekening, de AERIUS-resultaten en de conclusie. In de handreiking is hierover opgenomen “Op grond van de AERIUS-resultaten kunnen significant negatieve gevolgen van een plan of project op voorhand uitgesloten worden als het plan of project niet leidt tot een depositietoename op een stikstofgevoelig habitattype of leefgebiedtype waar de KDW (bijna) wordt overschreden. De Voortoets bestaat dan enkel uit een beschrijving van de uitgangspunten van de emissieberekening, de AERIUS-resultaten en de conclusie dat significante gevolgen zijn uitgesloten”.
Op basis van artikel 2.7, lid 1 en 2 jo. artikel 2.8 lid 1 van de wet Natuurbescherming geldt dat er een Passende Beoordeling moet worden gemaakt wanneer een plan of project (afzonderlijk of in combinatie
met andere plannen of projecten), significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Wanneer deze gevolgen in de Voortoets op grond van objectieve gegevens met zekerheid kunnen worden uitgesloten, is geen Passende Beoordeling vereist en bij projecten geen vergunning.
Het onderscheid tussen de Passende Beoordeling en de Voortoets is niet wettelijk vastgelegd. Wel zijn het Rijk en provincies akkoord gegaan met de Handreiking Voortoets stikstof en wordt deze als landelijke lijn gehanteerd.
Voor het planvoornemen is voor zowel de gebruiks- als aanlegfase een Voortoets gedaan (bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing). Uit de Voortoets blijkt dat het planvoornemen geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden.
5.1.3.2. Soortenbescherming De Wnb geeft kaders voor de bescherming van planten en dieren. Zo is het verboden om dieren te vangen of verwonden en om vaste rust- en verblijfplaatsen te vernielen. Dit is vastgelegd in drie vergelijkbare beschermingsregimes voor soorten. Indien deze verbodsbepalingen overtreden worden, is er een ontheffing nodig. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen.
Door Adviesbureau Eceau is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage van de quickscan is bijgevoegd bij dit bestemmingsplan (bijlage 2). De quickscan kent de navolgende conclusies en aanbevelingen:
Conclusies “Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Galerij en Heuvel te Oss is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Het slopen van de bestaande bebouwing ten behoeve van het realiseren van een locatie met detailhandel, appartementen en stadswoningen, en alle bijkomende werkzaamheden, leiden niet tot aantasting van functionele leefomgevingen, vaste rust- en/of verblijflocaties, natuurgebieden of andere krachtens de Wet natuurbescherming beschermde zaken. Voor vleermuizen is het voldoende als rekening gehouden wordt met passerende individuen. -
Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing
-
Ten aanzien van vleermuizen zijn geen essentiële vliegroutes, foerageergebieden of vaste rusten/of verblijfslocaties aanwezig. Desondanks passeren en foerageren vleermuizen aannemelijk op of rondom de locatie en worden door (foutief toegepaste) bouwverlichting mogelijk verstoord indien toegepast
-
Ten aanzien van zowel vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden zijn geen verdere maatregelen of vervolgstappen benodigd
-
Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen
-
Voor vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens de Wet natuurbescherming is geen geschikt leefgebied aanwezig
-
Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aangetroffen
-
Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Wet natuurbescherming
-
Gelet op de afstand tot beschermde gebieden, de aard van de werkzaamheden en de tussengelegen inrichting van het gebied worden geen (negatieve) effecten verwacht”
Aanbevelingen “Er zijn geen aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen of aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden. Voor een aantal soorten is het voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de eventuele aanwezigheid.
Nader onderzoek -
Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek is geen aanvullend onderzoek benodigd
Maatregelen bij de uitvoering -
Voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met mogelijk foeragerende of passerende individuen middels het juist toepassen van bouwverlichting óf door te werken buiten de schemerende en donkere dagdelen in de periode april t/m oktober. Voorbeelden van juisteverlichting: amber-/roodkleurige verlichting, beperkte hoogte van lichtmasten en verlichting naar beneden gericht en convergeren
-
In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten zoals turkse tortel, scholekster, kauw en kleine zangvogels werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren, medio maart t/m medio juli. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door de planlocatie vlak voorafgaand aan de werkzaamheden te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten
-
In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna”
Natuur vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.2
Archeologie en Cultuurhistorie
5.2.1
Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet
De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden.
In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt.
Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: -
vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten.
-
verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie.
-
bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.
5.2.2
Archeologiebeleid
Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid.
Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebiedvan de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld.
Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv
Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten
35 m2 / 30 cm -Mv
Historische stads-/dorpskern
50 m2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde
100 m 2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein
1000 m2 / 30 cm -Mv
Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde
5 hectare / 30 cm -Mv
Reeds onderzocht
Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.
Verstoord
Geen onderzoeksplicht
Volgens de archeologische beleidskaart is het plangebied aangeduid als historische stads-/dorpskern. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 50 m².
5.2.3
Archeologietoets
Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is het bestemmingsplangebied als historische stads-/dorpskern aangeduid. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 50 m².
Toetsing van de plannen Met het planvoornemen worden de vrijstellingsgrenzen overschreden. Door Transect is de situatie beoordeeld (bijlage 3):
“Conclusie De archeologische verwachting en waarde wordt bepaald door van de geomorfologie en de aanwezigheid van historische bebouwing: -
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied zeer waarschijnlijk op een dekzandrug ligt. De veldonderzoeken uit de omgeving in combinatie met het AHN wijzen hierop. Hierdoor vormde het plangebied vanaf het Laat-Paleolithicum mogelijk een aantrekkelijke vestigingsplaats. In de omgeving van het plangebied is een vondst uit het Neolithicum bekend, maar vuursteenvindplaatsen met haardkuilen zijn in de omgeving van het plangebied vooralsnog niet aangetroffen. Dit kan samenhangen met bodemverstoringen in de omgeving. Verder zijn in de omgeving van het plangebied op het dekzand huisplaatsen uit de IJzertijd, Romeinse Tijd, Vroege- en LateMiddeleeuwen en Nieuwe Tijd bekend. Sommige plekken in de omgeving zijn bijna continu bewoond geweest vanaf de IJzertijd tot nu toe. Op basis van bovenstaande (ligging op een dekzandrug en vondsten en sporen uit de omgeving) heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting op archeologische resten en/of sporen uit de periode Laat-Paleolithicum-Vroege-Middeleeuwen.
-
Verder ligt het plangebied in de historische kern van Oss (terrein van hoge archeologische waarde). Het plangebied ligt binnen de 14e eeuwse gracht en omwalling. De gracht zelf wordt niet binnen het huidige plangebied verwacht, maar mogelijk dat nog een dunne uitloper van de omwalling in het zuiden van het huidige plangebied aanwezig is (op basis van het onderzoek van Van Nuenen, 2006). Hier zijn echter geen werkzaamheden gepland. Het plangebied heeft vanwege de ligging in de historische kern een hoge archeologische waarde. Deze waarde heeft betrekking op archeologische resten en/of sporen uit de periode Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd.
Archeologische resten en/of sporen uit de periode Laat-Paleolithicum-VroegeMiddeleeuwen worden verwacht in de top van het dekzand. Uit onderzoek uit de omgeving blijkt dat de historische kern in verschillende fasen is opgehoogd en dat in de omgeving van het plangebied historische ophooglagen van ongeveer 1 m dik zijn waargenomen. De top van het dekzand wordt dus vanaf ongeveer 1,0 m -Mv verwacht. Archeologische resten en/of sporen uit de periode Late-Middeleeuwen en Nieuwe Tijd kunnen in en onder het historische ophogingspakket aanwezig zijn. In de omgeving is dit pakket soms afgedekt door een recent ophogingspakket van 0,1 à 0,5 m -Mv. In welke mate nog daadwerkelijk archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de ondergrond. De niveaus, de top historische ophogingslagen en de top van het dekzand, kunnen namelijk als gevolg van bodemverstoringen zijn aangetast. Uit het milieukundige onderzoek blijkt dat in het nieuw te bouwen gedeelte een kleine sanering heeft plaatsgevonden (figuur 10). Of hierbij alle archeologische niveaus zijn verdwenen is niet bekend. Verder is het hele plangebied bebouwd. Uit de bouwtekeningen blijkt dat de Galerij gefundeerd is op poeren die tot 2,0 m -peil reiken. Tussen de funderingspoeren zouden nog archeologische resten aanwezig kunnen zijn.
Ook zijn verschillende kelders aanwezig waarvoor de bodem tot 2,3 m -Mv ontgraven is. Ter plaatse van de kelders zijn de archeologische niveaus zeer waarschijnlijk al verdwenen. Onder de rest van de bebouwing zouden nog archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Van een deel van de huidige bebouwing in het plangebied is onbekend tot welke diepte de panden gefundeerd zijn. Advies In het noorden van het plangebied zal de bestaande bebouwing worden gesloopt en nieuwe bebouwing worden gerealiseerd (totaal circa 1620 m2). De funderingen van de nieuwbouw reiken tot ongeveer 0,9 m -Mv. De overige bebouwing zal blijven staan (circa 4840 m2).
Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging: -
Geadviseerd wordt om ter plaatse van de bestaande kelders de onderzoeksgrens voor de dubbelbestemming archeologie te verruimen naar 50 m2 en dieper dan 2,3 m –Mv). Hier kunnen alleen nog zeer diepe sporen in het dekzand aanwezig zijn.
-
In de rest van het plangebied kunnen nog archeologische resten en/of sporen aanwezig zijn. Hier kan de bestaande onderzoeksgrens (50 m2 en dieper dan 30 cm -Mv) gehandhaafd blijven.
Voor wat betreft de voorgenomen werkzaamheden (sloop en nieuwbouw) wordt geadviseerd hiervoor een vervolgonderzoek uit te voeren. Dit beslaat een deel van het plangebied en betreft ongeveer 1620 m2. In de rest van het plangebied zijn geen graafwerkzaamheden voorzien en wordt dus ook geen vervolgonderzoek geadviseerd. Gezien de archeologische waarde van het plangebied en de hoge archeologische verwachting, wordt geadviseerd om ter plaatse van de sloop- en nieuwbouw werkzaamheden een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Dit proefsleuvenonderzoek moet worden uitgevoerd na de bovengrondse sloop van de bestaande panden. Het doel van het proefsleuvenonderzoek is om de aan -of afwezigheid van een vindplaats vast te stellen. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kan dan bepaald worden hoe verdere traject zal verlopen. Voor dit vervolgonderzoek is op voorhand een Programma van Eisen (PvE) nodig, waarin de wijze van onderzoek en de randvoorwaarden zijn vastgelegd. Dit PvE dient voor aanvang van het onderzoek te zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag.
Bovenstaande is een advies. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Oss, om op basis van de resultaten van dit rapport te bepalen welke archeologische dubbelbestemmingen moeten worden opgenomen en/of in welke vorm vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd. Het rapport dient daarom ter toetsing te worden voorgelegd aan de gemeente. De gemeente heeft bepaald dat na de bovengrondse sloop een proefsleuvenonderzoek moet worden uitgevoerd.”
De gemeente Oss heeft het bureauonderzoek beoordeeld en een selectiebesluit genomen (bijlage 9 bij deze toelichting). Op basis van het selectiebesluit is het nodig om een Programma van Eisen voor een proefsleuvenonderzoek op te stellen. Na goedkeuring van het Programma van Eisen door het bevoegd gezag en de sloop van de bebouwing kan vervolgens het proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd.
Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met
deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend.
In onderhavige situatie is ter hoogte van het plangebied de vigerende dubbelbestemming overgenomen, er is namelijk via archeologisch onderzoek nog niet aangetoond dat in de bodem geen archeologische waarden aan de orde zijn. Via de dubbelbestemming is het nog te doorlopen archeologische vervolgtraject geborgd.
5.2.4
Cultuurhistorie
Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.
De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen.
Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang.
Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.
Op een gedeelte van het plangebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ van toepassing. De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en herstel van op of in die gronden aanwezige cultuurhistorische waarden. Met het planvoornemen wordt dit gedeelte gesloopt en opnieuw opgebouwd. Het betreft het gedeelte aan de voorzijde van het plangebied, waar de voorgevel gesitueerd is. De voorgevel zelf heeft geen bijzondere cultuurhistorische waarden, maar is wel gesitueerd aan een cultuurhistorisch waardevolle omgeving. Het gaat dan om de historische structuur van de straten, paden en pleinen waaraan het plangebied is gesitueerd. Het planvoornemen is met respect voor de aanwezige cultuurhistorische waarden ontworpen en vormt daardoor geen belemmering voor de aanwezige waarden.
5.3
Mobiliteit en parkeren
5.3.1
Verkeer
De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden.
Verkeer: extra verkeersbewegingen Het planvoornemen betreft de transformatie van leegstaande winkelruimten in een bestaand pand in het centrum van Oss naar 3 stadswoningen, 35 appartementen en 3 winkels. Het plangebied ligt in een voetgangersgebied.
Het gebied kan worden getypeerd als centrum, zeer sterk stedelijk. Met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking van voorliggend plan geldt aan de hand van de CROW-normen de in de tabel opgenomen worst-case verkeersaantrekkende werking per etmaal.
Functie
Aantal stuks of m2 BVO
Norm
Totaal
Koop, huis, vrije sector
3
5,3
15,9
Huur, appartement,
10
1,6
16
16
5,3
84,8
Koop, appartement, duur
9
5,3
47,7
Winkels | Binnenstad of
440 m2
28,6 per 100 m2
125,84
midden/goedkoop (incl. sociale huur) Koop, appartement, midden
hoofdwinkel(stads)centrum
BVO
50.000 – 100.000 inwoners 290,24 mvt/ etmaal
Daar de bebouwing waarvoor het nieuwe programma in de plaats komt al een lange periode leeg staat kan geen realistische rekenvergelijking worden gemaakt met de toekomstige situatie. Ten opzichte van de huidige situatie is daarom per saldo sprake van een toename van ca. 291 motorvoertuigen per etmaal. Het gaat dan om een toename op wegen rondom het voetgangersgebied.
De reeds aanwezige infrastructuur kan de verkeerstoename van 296 motorvoertuigen per etmaal prima afwikkelen. Deze verkeerstoename is gezien de vigerende situatie ter plaatse namelijk zo klein dat deze nauwelijks merkbaar is. Belemmeringen worden derhalve niet verwacht. Het wegprofiel en de ontsluiting zijn afdoende.
Verkeer: ontsluitingswegen Het plangebied is ontsloten aan de Heuvel en Galerij, die allebei in voetgangersgebied zijn gelegen. Het plangebied zelf is daardoor in principe alleen toegankelijk per fiets of te voet. Er kan incidenteel wel met een gemotoriseerd voertuig worden geladen en gelost. Ook is het plangebied in geval van calamiteiten voor gemotorisieerd verkeer toegankelijk (brandweer, ambulance et cetera).
De Heuvel en Galerij zijn gemotoriseerd vanaf de Oostwal (één van de ontsluitingswegen van het centrum van Oss) via de Hooghuisstraat te bereiken. De Galerij is verder gemotoriseerd ook via de Walstraat te bereiken. Op de afbeelding hieronder is het profiel van beide wegen zichtbaar. Hooghuisstraat:
Walstraat:
Gezien het planvoornemen, dat prima passend is in een voetgangersgebied, vormt het aspect verkeer geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.3.2
Parkeren
In het plangebied – gelegen middenin het kernwinkelgebied dat een voetgangersgebied is - is geen ruimte om parkeerplaatsen te realiseren. Er kan daarom niet voldaan worden aan de parkeernormen van de gemeente Oss. Voor dit planvoornemen en voor andere ontwikkelingen in het centrum van Oss heeft het college van B&W in oktober 2022 dan ook besloten dat zij afwijkt van haar beleid en geen parkeereis stelt. De reden hiervoor is dat die projecten een substantiële bijdrage leven aan de doelstellingen die voor het centrum zijn vastgesteld. Aan deze afwijking zijn enkele voorwaarden gesteld, namelijk: -
de ontwikkelaar betaalt geen afkoopsom voor het niet-gerealiseerde tekort aan parkeerplaatsen;
-
de ontwikkelaar heeft een informatieplicht aan de (toekomstige en/of potentiële) bewoners dat zij niet in aanmerking komen voor een bewonersparkeervergunning in de openbare ruimte. Dit is, inclusief een kettingbeding, onderdeel van de (toekomstige) koop- en/of huurovereenkomsten;
-
bewoners komen niet in aanmerking voor een bewonersparkeervergunning in de openbare ruimte.
Dit leidt ertoe dat de parkeernormen van de gemeente Oss op het planvoornemen niet van toepassing zijn. Op basis hiervan zijn in het juridisch bindende gedeelte van dit bestemmingsplan (regels en/of verbeelding) geen parkeerregels opgenomen.
5.4
Water
5.4.1
Wetgeving en beleid
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 20232029). Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. In bebouwd gebied vraagt de zorg voor oppervlaktewater extra aandacht. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod.
Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1.
Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
2.
Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
3.
Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: -
schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;
-
de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;
-
de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;
-
de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen.
Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels.
Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm.
De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: -
Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater;
-
Voorkomen van vervuiling van water;
-
Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer
-
Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1.
De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie;
2.
De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt;
3.
Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties;
4.
De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied;
5.
Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
5.4.2
Watertoets
Op de www.dewatertoets.nl is de digitale watertoets ingevuld. Hiervan zijn drie mogelijke uitkomsten/ procedures: •
Geen waterbelang: Er is een functiewijziging zonder relevante wateraspecten
•
Verkorte procedure: U heeft een klein plan met weinig relevante wateraspecten
•
Normale procedure: U heeft een groot plan met meerdere relevante wateraspecten.
Na het invullen van de digitale watertoets werd direct aangegeven dat voor het planvoornemen geen waterbelang geldt. Het plangebied valt buiten de ruimtelijk begrensde waterbelangen. Bijgevoegd bij deze toelichting is het toetsresultaat en de samenvatting van www.dewatertoets.nl (bijlage 5). Dit komt onder andere omdat in het plangebied geen watergang aanwezig is, ook is geen sprake van een beschermingszone of andere relevante zaken waarmee rekening moet worden gehouden. Verder is het plangebied op dit moment volledig verhard, waardoor geen sprake is van toename van verharding en de Keur op basis daarvan niet van toepassing is voor wat betreft eisen in het kader van hemelwaterberging. Conform het gemeentelijk beleid gelden ook eisen. Namelijk dat in nieuwbouwsituaties de eerste 25 mm van het verhard oppervlak moet worden gecompenseerd.
Het planvoornemen bestaat uit 1.865 m2 verharding. De rekensom voor het berekenen van de te bergen en infiltreren m3’s hemelwater is dan als volgt: compensatie-eis verhard oppervlak (25 mm) x verhard oppervlak (1.865 m2) = 46,6 m3. In onderhavige situatie betekent dat, dat 46,6 m3 water op eigen terrein tijdelijk moet worden geborgen, zodat het vervolgens langzaam kan infiltreren in de bodem.
Op het perceel is doordat het overdekte karakter dat in de bestaande situatie aan de orde is verdwijnt voldoende ruimte aanwezig voor een hemelwaterbergingsvoorziening van minimaal 46,6 m3. Ook is de verwachting dat de K-waarde (zandgronden) en GHG (dieper dan 1 m-mv) zodanig is dat geen sprake is van beperkingen aan de hemelwaterbergingsvoorziening. Voor de hemelwaterbergingsvoorziening legt de initiatiefnemer groene daken aan eventueel i.c.m. infiltratiekratten met een overstort/overloop op de erfgrens die er bij hevige regenval voor zorgt dat het water dat niet op eigen terrein verwerkt kan worden bij de openbare ruimte wordt aangeboden. Het bergen van de voorgeschreven hoeveelheid hemelwaterberging vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
De aanvraag omgevingsvergunning activiteit ‘Bouwen’ voor het planvoornemen is nog niet voorbereid. Er is daarom nog geen exact inzicht in de te realiseren hemelwaterbergingsvoorziening. In het kader van de voorbereiding van de aanvraag omgevingsvergunning activiteit ‘Bouwen’ wordt dit uitgewerkt en voor vooroverleg aangeboden bij de afdeling IBOR van de gemeente Oss. Bij de aanvraag omgevingsvergunning activiteit ‘Bouwen’ zal vervolgens het definitieve ontwerp van de hemelwaterbergingsvoorziening worden bijgevoegd.
Afvalwater Aangaande de afvoer van afvalwater is de gemeente bevoegd gezag. Er moet gescheiden (afvalwater apart van overstort/ overloop hemelwater) worden aangeboden. De initiatiefnemer is ervoor verantwoordelijk dat hij een dwa (droogweerafvoer) rioolstelsel aanlegt. Daarnaast is hij ervoor verantwoordelijk dat dit wordt aangesloten op het hoofdriool. Hierbij is hij ook aan zet voor de daarvoor benodigde voorzieningen en de eventueel benodigde aanpassingen op de bestaande voorzieningen buiten het plangebied. Hiervoor moet de initiatiefnemer een aansluitvergunning aanvragen. Voorafgaand daaraan is over het ontwerp overleg gewenst met de afdeling IBOR van de gemeente Oss (vooroverleg), zodat bij de aansluitvergunning een definitief (informeel al goedgekeurd) ontwerp kan worden
aangevraagd.
5.5
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: -
Radarverstoringsgebieden;
-
Obstakelbeheergebieden;
-
Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen;
-
Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen.
Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling.
Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
5.6
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: -
Bedrijven en milieuzonering
-
Bodem
-
Externe veiligheid
-
Geurhinder: agrarisch
-
Geur: industrieel
-
Luchtkwaliteit
-
Straling
-
Weg-, spoor-, en industrielawaai
-
Gezondheid
-
Spuitzones
5.6.1
Bedrijven en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen.
Het plangebied is gelegen in het centrum van Oss. In het plangebied en eraan grenzend zijn diverse functies toegelaten. Het gaat om detailhandel, horeca in diverse categorieën en publiekgerichte dienstverlening. Het gebied waarin het plangebied is gelegen kan op basis van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering worden getypeerd als een ‘gemengd gebied’. In een gemengd gebied gelden op basis van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering voor alle toegelaten functies (uitgezonderd horeca- en evenementenlawaai) – ook die in het plangebied worden gerealiseerd - geen in acht te nemen richtafstanden tussen de gevoelige en milieubelastende functies. Voor die functies geldt dan ook dat het planvoornemen (39 gevoelige objecten) geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van milieubelastende functies (uitgezonderd horeca- en evenementenlawaai) in de omgeving van het planvoornemen en intern binnen het planvoornemen zelf. Ook de milieubelastende functies ter plaatse van het planvoornemen vormen geen belemmering voor nabijgelegen gevoelige objecten.
Om aan te tonen dat ten aanzien van horeca- en evenementenlawaai sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de gevoelige functies in het plangebied is door Nipa Milieutechniek een akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 6). Hieronder is de conclusie van het akoestisch onderzoek opgenomen.
“In verband met de realisatie van nieuwe woningen en het daarvoor aan te passen bestemmingsplan is voor de locatie hoek Heuvel/Galerij in Oss een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het plan omvat de realisatie van 3 winkels, 35 appartementen en 3 stadswoningen.
Deze nieuwe woonfuncties zijn geprojecteerd nabij de akoestische invloedsfeer van bedrijfsfuncties. Doel van het onderzoek is aan de hand van een prognoseberekening de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen te bepalen als gevolg van het relevante geluidbronnen in de omgeving van het plan.
In dit onderzoek zijn de geluidniveaus van deze geluidbronnen berekend en getoetst in het kader van een goed woon- en leefklimaat conform de VNG-publicatie: “Bedrijven en milieuzonering”.
Geluidsniveaus industrielawaai Uit de berekeningen volgt dat niet in alle waarneempunten wordt voldaan aan de geluidtoetsingswaarde (stap 2) voor de optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus overeenkomstig hoofdstuk 2. Ter plaatse van waarneempunten 1, 2, 3 en 4 zoals op onderstaande afbeelding weergegeven wordt niet voldaan.
De hoogste overschrijding bedraagt 14 dB en ontstaat in de avondperiode. Aan de toetsingswaarde van 55 dB(A) van stap 3 kan evenmin worden voldaan. Indien het bevoegd gezag het plan toch wil doorzetten zal een vergaande motivatie moeten worden opgesteld waarbij cumulatie van geluid aan de orde moet komen. In hoofdstuk 4.3 is onderbouwd op welke voorwaarde dit plan gerealiseerd kan worden.
Toetsing woon- en leefklimaat en maatregelen De gecumuleerde langtijdgemiddelde geluidbelastingen van alle betrokken geluidbronnen bedraagt ten
hoogste 64 dB(A) (etmaalwaarde). Het woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen wordt met eventuele aanvullende akoestische maatregelen gewaarborgd. Daarom wordt verzocht de berekende geluidbelasting zoals berekend in dit project op voorwaarde van gevelmaatregelen toe te staan. Hierbij moet ook worden afgewogen dat in het kader van het Activiteitenbesluit de geluidbelasting van de maatgevende geluidbron, het stemgeluid van een buitenterras niet wordt beoordeeld.”
Voor 8 woningen is het berekende langtijdgemiddelde geluidsniveau hoger dan 55dB(A) en het geluidsniveau in de avondperiode hoger dan 70 dB(A). Met dergelijke waardes is het toevoegen van geluidgevoelige objecten doorgaans niet mogelijk zonder maatregelen te treffen en een zwaarwegende motivering. Extra maatregelen aan de maatgevende geluidbronnen zijn vanuit de initiatiefnemer niet te realiseren. Een effectieve maatregel is in het algemeen het oprichten van een geluidscherm tussen geluidbronnen en ontvanger. Echter stuit dit in deze specifieke situatie gezien de benodigde afmetingen (voor 3 bouwlagen) op bezwaren van stedenbouwkundige aard. Evenmin zal het toepassen van dove gevels (zonder te openen delen) de realisatie van het plan vrijwel onmogelijk maken. Met de berekende langtijdgemiddelde geluidbelastingen van ten hoogste 64 dB(A) (etmaalwaarde) is het woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen zonder nader onderzoek naar de gevelgeluidwering en eventuele aanvullende akoestische maatregelen niet gewaarborgd. De geluidwering van de hoogst belaste gevel dient (64-35=)29 dB te bedragen. Op basis van het huidige bouwbesluit is de geluidwering van de gevel doorgaans 22 dB, er zal 7 dB door extra maatregelen moeten worden overbrugd, dit is feitelijk en financieel gezien niet onmogelijk (blijkens ervaring), maar vraagt extra inspanning.
Met een akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevel zal dit moeten worden aangetoond. Een dergelijk onderzoek wordt overlegd in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning waarbij moet worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar binnengeluidsniveau van 35 dB(A). Gezien het belang van de ontwikkeling voor het centrum van Oss is het bevoegd gezag bereid om voor 8 van de 39 woningen in het planvoornemen het stemgeluid van een buitenterras zoals geformuleerd in het Activiteitenbesluit buiten beschouwing wordt gelaten en toe te laten dat het langtijdgemiddelde geluidsniveau hoger is dan 55dB(A) en het geluidsniveau in de avondperiode hoger is dan 70 dB(A). Een en ander in het licht dat het binnengeluidsniveau van 35 dB(A) gehaald wordt, potentiële kopers/gebruikers van de woningen worden geïnformeerd over de geluidssituatie ter plaatse zodat zij zelf de afweging kunnen maken om de woning te betrekken en voldaan wordt aan het gemeentelijk geluidbeleid.
Horecabedrijven en evenementen worden door het planvoornemen niet belemmerd, namelijk er zijn al woningen op dezelfde afstand tot de geluidsbronnen aanwezig. Deze woningen zijn maatgevend.
Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling, mits voor 8 van de 39 woningen bij de aanvraag omgevingsvergunning een onderzoek naar geluidwering van de gevel kan worden overlegd waaruit blijkt dat sprake is van een aanvaardbaar binnengeluidsniveau van niet meer dan 35 dB(A). Bovendien geldt voor deze woningen dat voldaan kan worden aan het gemeentelijk geluidbeleid: • de woningen in de Galerij beschikken over een gevel aan de geluidluwe zijde; • de woningen in de Galerij verblijfsruimten aan de zijde van de geluidluwe gevel hebben;
• de buitenruimte van de woningen aan de Galerij aan de geluidluwe zijde liggen. Hieraan kan worden voldaan, doordat alle buitenruimten (loggia’s) aan de zijde van de Heuvel nabij de rekenpunten T01, T02 en T04 op alle woonlagen sprake is van een geluidluwe buitenruimte. De loggia’s worden namelijk uitgevoerd met een serreachtige constructie met 20 dB geluidwering die naar wens open en dicht kan worden gezet. Met de berekende geluidbelasting van ten hoogste 64 dB is het geluidniveau op de gevel inclusief deze voorziening in gesloten toestand (64-20=) 44 dB. Dit is als zodanig aanvaardbaar. Dit is via voorwaardelijke verplichting in de bouw- en gebruiksregels van dit bestemmingsplan geborgd.
5.6.2
Bodem
Bodemkwaliteit Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.
Door Nipa Milieutechniek is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage (7) bijgevoegd bij deze toelichting. De samenvatting van dit onderzoek en het advies zijn als volgt:
“Uit de resultaten van het historisch bodemonderzoek uitgevoerd op diverse panden gelegen aan de noordzijde van de Galerij te Oss blijkt dat sprake is van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van bodemverontreiniging.
De bodem ter plaatse van Heuvel 25 en 27 is verdacht met betrekking tot het voorkomen van een verontreiniging met o.a. olieproducten en zware metalen in verband met de aanwezige/of aanwezig geweest zijnde ondergrondse tanks. Tevens wordt de verdenking veroorzaakt door de in het verleden gebezigde bedrijfsactiviteiten op Heuvel 27, wetende een motor- en rijwielreparatiebedrijf. Geadviseerd wordt om een verkennend bodemonderzoek op de onderzoekslocatie uit te laten voeren.”
De gemeente Oss heeft ingestemd met het uitgevoerde historisch bodemonderzoek en geconcludeerd dat na de sloop een verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Als hieruit blijkt dat sprake is van belemmeringen voor het beoogde gebruik ter plaatse dient de kwaliteit van de bodem geschikt gemaakt te worden voor de nieuwe functies. Dit is via een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan geborgd. Op basis van de resultaten van het historisch bodemonderzoek is een worstcase raming gemaakt van de kosten die een eventuele sanering met zich meebrengt. Hieruit blijkt dat geen sprake is van belemmeringen voor de financiële haalbaarheid van het planvoornemen.
Ontplofbare oorlogsresten in de bodem Op basis van de bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten en het daaraan gekoppelde
vooronderzoek van AVG uit 2016 blijkt dat het plangebied geheel onverdacht is van ontplofbare oorlogsresten uit WOII. De afbeelding hieronder, dat een uitsnede van de bodembelasingkaart ter hoogte van het plangebied is, maakt dit inzichtelijk.
Dit wil zeggen dat de kans dat tijdens grondwerkzaamheden binnen het plangebied explosieven of munitie wordt gevonden zeer klein is. Het is niet nodig om hier onderzoek naar te doen. Daarnaast is de grond verstoord als gevolg van de huidige bebouwing. Echter kan het voorkomen dat bij toeval toch een artikel wordt gevonden wat er uit ziet als een explosief of munitie. In dat geval geldt het protocol toevalsvondsten: stop de werkzaamheden, iedereen verlaat lopend het werkterrein (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) en bel de politie op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of Teamleider Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat.
5.6.3
Externe veiligheid
Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit:
-
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
-
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
-
het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest.
Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.