CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan Walkwartier Oss 2021.PDF

Adviescommissie Ruimte 14 januari 2021, gemeente OssBij agendapunt: BI Vaststelling bestemmingsplan Walkwartier Oss 202126.766 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Verantwoording Verkeer en Parkeren

Mobiliteit en parkeren De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de richtlijnen die voor deze wegen gelden. De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota Parkeernormen 2017 gemeente Oss geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Verkeersgeneratie De ontwikkelingen in het Walkwartier zorgen voor een extra verkeersgeneratie van bijna 2.000 voertuigbewegingen per etmaal ten opzichte van de huidige situatie (zie bijlage Verkeersgeneratie gewijzigde functies centrum Oss, mei 2020). Hierbij is rekening gehouden met het toevoegen van woningen, Het cultuurhuis, detailhandel en horeca en het vervallen van de aanwezige functies (detailhandel/horeca). De wegen rondom het Walkwartier (Molenstraat, Carmelietenstraat, Walstraat) zijn gekwalificeerd als erftoegangsweg. De norm voor verkeersintensiteiten op dit type weg is maximaal 4.000 voertuigbewegingen per etmaal (bron: Mobiliteitsplan Oss 2020, Bereikbaar, Leefbaar en Verkeersveilig).

De huidige verkeersintensiteiten op genoemde wegen variëren, zie tabel 1. Tabel 1 Huidige verkeersintensiteiten in aantal voertuigbewegingen per etmaal (tellingen juni 2018) Minimaal Maximaal Molenstraat 1.900 3.300 Walstraat 1.663 3.550 Carmelietenstraat 2.758 4.490 Met name op de Carmelietenstraat wordt de norm op de piekmomenten overschreden. Ook op de Molenstraat en Walstraat naderen de huidige verkeersintensiteiten de norm. Met de extra verkeersgeneratie door de ontwikkelingen neemt de verkeersdruk verder toe. Belangrijk uitgangspunt bij de ontwikkelingen in het centrum, en specifiek in het Walkwartier, is dat we meer ruimte bieden voor verblijven. Dit heeft onder meer geleid tot het laten vervallen van het parkeerterrein De Wal. Het parkeerterrein maakt plaats voor een plein waar de verblijfsfunctie centraal staat. Het vervallen van het parkeerterrein leidt naar verwachting tot een afname van de verkeersintensiteiten in het gebied. Het is moeilijk in te schatten hoe groot deze afname zal zijn omdat er wel (langs)parkeren mogelijk blijft aan de Carmelietenstraat en de Molenstraat. Om het verblijfsklimaat te verbeteren en autoverkeer te verminderen, hebben we onderzocht wat het effect is als we de verkeerscirculatie in het plangebied wijzigen (zie bijlage Verkeersaspecten Walkwartier, april 2020). Uitgangspunt hierbij is dat fietsen in tweerichtingen gehandhaafd blijft.

Uit dit onderzoek blijkt dat met circulatiemaatregelen de verkeersintensiteiten op de Carmelietenstraat, Molenstraat en Walstraat terug te brengen zijn naar een niveau dat redelijk past bij een verblijfsfunctie.

Walkwartier – 2021, pag. 46 van 67 vastgesteld januari 2021

Maar dan moeten wel meer rijrichtingen worden aangepast en niet uitsluitend het invoeren van éénrichtingverkeer op de Carmelietenstraat en de Walstraat. Desalniettemin blijft de verkeersintensiteit aan de hoge kant. Het verbeteren van de verblijfskwaliteit staat op gespannen voet met het faciliteren van het (kort)bezoek aan het centrum. Zolang het parkeren wordt gefaciliteerd, is de verwachting dat het verkeer via Molenstraat en Carmelietenstraat niet substantieel zal afnemen. De uitdaging is om de balans te zoeken tussen het faciliteren van de bezoekers aan dit gebied enerzijds en het verbeteren van de verblijfkwaliteit anderzijds. Bij de uitwerking van de inrichting van de openbare ruimte zal een afweging gemaakt worden óf en welke circulatiemaatregelen worden doorgevoerd. Autoparkeren Om het parkeren van deze ontwikkeling in beeld te brengen is een parkeerbalans opgesteld (zie bijlage parkeerbalans). In deze parkeerbalans is in beeld gebracht hoe het parkeren voor de ontwikkeling in het Walkwartier opgevangen kan worden. Hierbij wordt ook rekening gehouden met andere ontwikkelingen in de omgeving, zoals bij het Sheddakencomplex.

Uitgangspunten voor de ontwikkeling De Wal zijn: • voor de woningen wordt er parkeren op eigen terrein in de vorm van een stallingsgarage aangelegd; één pp per woning*; • het bezoekersdeel voor de woningen en cultuurhuis en de werknemers van het cultuurhuis moeten in de openbare ruimte of in parkeergarage Bergoss worden opgevangen; • de werknemers van de detailhandel en de horeca parkeren deels op eigen terrein. Dit wordt ook in de stallingsgarage opgevangen; • in de garage komen 143 parkeerplaatsen/kelderboxen voor woningen en evt. werknemers; • parkeerterrein De Wal (66 parkeerplaatsen met 5 gehandicaptenparkeerplaatsen) wordt opgeheven; • compensatie/parkeerbehoefte zoveel mogelijk in Bergoss oplossen. *) Met deze parkeernorm wijken we af van de parkeernorm zoals vastgesteld in de Parkeernormen 2017, in die zin dat voor het bezoekersdeel van de norm het parkeren niet volledig wordt gerealiseerd. Het bezoek van de woningen moet worden opgevangen door de parkeerplaatsen die ook voor het centrumbezoek gebruikt worden. We vinden dit acceptabel omdat hier dubbelgebruik mogelijk is. Verder is het uitgangspunt dat de (toekomstige) bewoners van het appartementencomplex niet aanmerking komen voor een parkeervergunning. Conclusie is dat de nieuwe ontwikkeling een extra parkeerbehoefte heeft.

Uit de parkeerbalans blijkt dat deze behoefte opgevangen kan worden in de Bergossparkeergarage. Alleen op zaterdagmiddag is er een tekort. De Bergossparkeergarage staat op een afstand van ongeveer 200 meter van het Walkwartier. Verder zijn er op zaterdagmiddag genoeg parkeerplaatsen achter het gemeentehuis. Voor de winkelfunctie en de functie van het cultuurhuis is dit een acceptabele loopafstand. Echter voor het ultrakort bezoek (zoals een boek halen of brengen bij de bibliotheek) is het gewenst om parkeren in de openbare ruimte te bieden binnen of aansluitend aan het plangebied. Deze parkeervraag is moeilijk in te schatten, omdat hiervoor geen parkeernormen beschikbaar zijn. We gaan ervan uit dat het huidige aantal parkeerplaatsen op de Carmelietenstraat voldoende is om deze behoefte op te vangen. Van belang is dat deze parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor kort bezoek. Dit proberen we veilig te stellen door in de parkeerregulering een hoger tarief in te stellen. Verder is van belang dat voor het bezoek aan het cultuurhuis en bibliotheek het parkeren voor minder validen wordt gefaciliteerd. In de huidige situatie zijn er parkeerplaatsen voor minder validen op het parkeerterrein De Wal. Deze komen te vervallen. In de nieuwe situatie worden deze parkeerplaatsen gerealiseerd nabij de ingang van het cultuurhuis en de bibliotheek.

Fietsen Uitgangspunt bij het fiets parkeren is dat de behoefte voor toekomstige bewoners in het Walkwartier inpandig wordt opgelost. In de huidige situatie is sprake van circa 6.200 m2 centrumfuncties (detailhandel/horeca). In de toekomstige situatie is 6.500 m2 centrumfuncties (het cultuurhuis, detailhandel, horeca) gepland. De totale omvang van functies neemt dus beperkt toe. De fietsparkeernorm voor de huidige en geplande functies is vergelijkbaar, zie tabel 2.

Walkwartier – 2021, pag. 47 van 67 vastgesteld januari 2021

Tabel 2 parkeernormen per functie (aantal plaatsen per 100 m2 bvo), bron CROW Winkelen/boodschappen 1,5 tot 4 Bibliotheek 2 tot 5 Ook het gebruik (behoefte aan kort en lang parkeren) wijkt niet erg af. Conclusie is dat het benodigde aantal extra fietsenstallingen door de ontwikkeling te verwaarlozen is. Dit betekent wel dat de stallingsvoorzieningen die nu in het plangebied aanwezig zijn, in de nieuwe omgeving ook weer een plek krijgen. Aandachtspunt hierbij is de locatie van de fietsenstallingen. Met name voor het bezoek aan de bibliotheek is het van belang om deze fietsenstallingen dichtbij de ingang te situeren. Verder is het gewenst om in de planvorming rekening te houden met het realiseren van een bewaakte fietsenstalling. In het plan ‘Verkeersstructuur Centrum Oss’ is dit als ambitie opgenomen en er zijn ook kansen om een bewaakte fietsenstalling in of nabij het plangebied te realiseren. Het bewaakt stallen van fietsen zouden we graag opvangen in een bewaakte fietsenstalling op het terrein van het Titus Brandsma Lyceum. Hierdoor is dubbelgebruik mogelijk. Op tijden dat het druk is in het centrum (op zaterdagen en bij evenementen) is er immers voldoende capaciteit vrij bij de school. Hiervoor wordt de samenwerking met het Titus Brandsma Lyceum opgezocht. Dit zou een meerwaarde betekenen voor deze planontwikkeling.

Daarmee wordt in het centrum extra capaciteit voor het bewaakt stallen van fietsen gerealiseerd. Veiligheid Ten aanzien van de verkeersveiligheid zijn er enkele aandachtspunten. Met de aanwezigheid van een voortgezet onderwijsschool (Titus Brandsma Lyceum) is het aantal fietsers binnen het plangebied groot. Het is niet noodzakelijk om hiervoor extra fietsvoorzieningen te treffen, maar het is wel gewenst om bij de inrichting van de wegen hier rekening mee te houden, bijvoorbeeld door bij de ingang naar de school ruimte vrij te houden om grotere groepen fietsen op te vangen. Verder is de inrit naar de nieuw te bouwen parkeergarage een aandachtspunt. Het is van belang dat er voldoende zicht en opstelruimte is voor de auto’s die de parkeergarage uitrijden. 5.2

Milieu- en omgevingsaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? 5.2.1

Milieueffectrapportage (M.e.r.)

Op grond van het Besluit milieueffectrapportage, mede in relatie tot bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, moet voor bepaalde projecten een m.e.r. worden gemaakt of een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Met een m.e.r. worden vooraf de milieugevolgen van een besluit in beeld gebracht. Voor dit bestemmingsplan hoeft op grond van de Wet milieubeheer geen milieueffectrapport te worden gemaakt. Op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling is niet gebleken dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn die leiden tot een m.e.r.-beoordelingsplicht. Hierbij wijzen wij op wat wij elders in deze toelichting over de afzonderlijke milieuaspecten hebben opgemerkt. Er bestaat dan ook geen aanleiding tot het uitvoeren van een m.e.r.beoordeling. De voorgenomen planontwikkeling betreft een stedelijk ontwikkelingsproject dat valt onder onderdeel D 11.2 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (zie onderstaand). Onderdeel D 11.2 betreft: ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingstraject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Als gevolg hiervan dient een vormvrije m.e.r. beoordeling uitgevoerd te worden.

De drempelwaarden van de betreffende categorie worden niet overschreden of zijn niet van toepassing (oppervlakte van 100 ha of meer, 2.000 woningen of meer en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer). Er kan derhalve volstaan worden met een aanmeldnotitie. Door DPA CaubergHuygen is een aanmeldnotitie opgesteld. Een aanmeldnotitie beschrijft de gevolgen van de voorgenomen activiteiten voor het milieu en geeft een conclusie omtrent de noodzaak tot een m.e.r. procedure. Aan de hand van deze informatie kan het bevoegd gezag een beslissing nemen of voor de voorgenomen

Walkwartier – 2021, pag. 48 van 67 vastgesteld januari 2021

activiteiten een MER dient te worden opgesteld. De aanmeldnotitie is aangevuld met de bij de gemeente bekende gegevens op het gebied van externe veiligheid, cultuurhistorie en archeologie. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het milieu en dat een m.e.r. procedure niet noodzakelijk is. De aanmeldnotitie Vormvrije MER met de aanvulling door de gemeente is als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. 5.2.2

Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Het plangebied is gelegen in het centrum van Oss. In de directe omgeving zijn horecabedrijven aanwezig. Het bestemmingsplan laat in de omgeving lichte horeca toe. Naast horeca en detailhandel is in de omgeving een middelbare school aanwezig. Binnen het plangebied is ook horeca toegestaan. Ook worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Door DPA is onderzoek gedaan naar de belemmeringen die de bestaande en nieuwe bedrijvigheid in en om het plangebied kan hebben op de aanwezige en nieuwe gevoelige functies (i.c. wonen). Bij de uitvoering (omgevingsvergunning) van het plan is aandacht nodig voor de nieuwe horeca binnen het plan ten opzichte van de nieuwe en bestaande woningen. Ook is aandacht nodig voor de mogelijke overlast die de middelbare school met sportvelden kan opleveren voor de nieuwe woningen.

Het onderzoek van DPA, Akoestisch onderzoek omgevingsgeluid, is als bijlage 5 opgenomen bij de toelichting. 5.2.3

Bodem

Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Eerder zijn onderzoeken uitgevoerd binnen het plangebied. • Walstraat 1 (Molenstraat 28) het voormalig V&D-pand. Hier is een historisch onderzoek uitgevoerd in 2008 door Van Oort. Ter plaatse van de locatie is van 1953 tot in elk geval 1960 een tankstation aanwezig geweest. In 2009 zijn door NIPA uitpandig 2 boringen en een peilbuis geplaatst ter hoogte van het voormalige tankstation. Zintuiglijk is bij alle boringen de bovengrond matig puin houdend en is bij 1 boring rond grondwaterniveau een lichte olie-waterreactie waargenomen. Analytisch zijn grond en grondwater niet verontreinigd met minerale olie en vluchtige aromaten (benzine). • Parkeerterrein De Wal (Carmelietenstraat ong) Hier is in 2009 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In totaal zijn 11 boringen geplaatst. Bij 3 boringen is een zwakke bijmenging met puin waargenomen.

Analytisch zijn de zintuiglijk als schoon beoordeelde bovengrond en het grondwater niet verontreinigd. Opgemerkt wordt dat de bovengrond ook is onderzocht op DDT. De ondergrond is licht verontreinigd met lood en PAK. In de directe omgeving hebben diverse tanks gelegen (o.a. Molenstraat 11, Walstraat 26-30-32). Conclusie Binnen het plangebied is, op basis van de beschikbare informatie, het voormalige tankstation/ garagebedrijf (voormalige locatie Molenstraat 28) de enige potentieel bodembedreigende activiteit die heeft plaatsgevonden. Niet uitgesloten kan worden dat een bodemverontreiniging met minerale olie en/of vluchtige aromaten aanwezig is. Gezien de aangetroffen bijmengingen met puin in de grond en de historie is de locatie waarschijnlijk asbestverdacht. Een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 is noodzakelijk met het oog op de omgevingsvergunning.

Walkwartier – 2021, pag. 49 van 67 vastgesteld januari 2021

5.2.4

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Externe veiligheid kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Het huidige beleid voor inrichtingen is afkomstig uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het beleid voor transport van gevaarlijke stoffen staat het Bevt. De gemeentelijke ambitie met betrekking tot externe veiligheid is uitgewerkt in een beleidsvisie. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten te beschermen. Wat een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object is, is opgenomen in het Bevi. Bij het normeren van de risico’s wordt een onderscheid gemaakt in twee grootheden: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar op het overlijden van een onbeschermd individu naar aanleiding van bepaalde activiteiten. De PR wordt weergegeven met contouren rondom de risicobron. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans per jaar dat ten minste een aantal personen het slachtoffer wordt van een ongeval. Voor het GR geldt geen harde norm, maar een oriëntatiewaarde. Met betrekking tot externe veiligheid geldt er in bepaalde situaties een verantwoordingsplicht.

Voor (spoor)wegen geldt dat de verantwoordingsplicht nader moet worden ingevuld indien het groepsrisico toe neemt of indien de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Bij ieder ruimtelijk binnen het invloedsgebied van een transport as dienst ingegaan te worden op de mogelijkheden tot zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Bij BEVI-inrichtingen geldt een verantwoordingsplicht bij het vaststellen van een ruimtelijk plan. In de gemeentelijke beleidsvisie is de verantwoordingsplicht verder uitgewerkt Of er externe veiligheidsaspecten spelen binnen het projectgebied kan worden nagegaan op de signaleringskaart externe veiligheid. Zie onderstaande afbeelding.

Signaleringskaart externe veiligheid Oss 2016 Over het plangebied valt alleen het invloedsgebied van het spoor. Binnen dit invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd indien het groepsrisico toeneemt of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. De planologische mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan zijn vergelijkbaar met de nieuwe planologische mogelijkheden. Als gevolg van dit bestemmingsplan zal geen sprake zijn van een toename van het groepsrisico. Maar als gekeken wordt naar de feitelijke invulling van de locatie dan is er wel een verschil. Op dit moment is geen gebruik gemaakt van de planologische mogelijkheid om woningen te realiseren. De nieuwe ontwikkeling gaat uit van de bouw van ongeveer 100 woningen

Walkwartier – 2021, pag. 50 van 67 vastgesteld januari 2021

(appartementen). Ook dan zal, gezien de afstand tot het spoor, de toename van de personendichtheid slechts een geringe invloed hebben op het groepsrisico. De locatie ligt op een afstand van meer dan 300 meter vanaf het spoor. Volgens de gemeentelijke beleidsvisie geldt hiervoor een standaardverantwoording. Op deze afstand wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. Voor deze ontwikkeling speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt schuilen de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen het indringen van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken zijn blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie die zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van toxisch gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie waardoor toxisch gas naar binnen kan worden gezogen, dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem eenvoudig uit te schakelen. Deze voorwaarde wordt opgelegd aan de ontwikkelaar.

Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem als onderdeel van de Algemene Rampenbestrijding. De bebouwde kom van Oss valt geheel binnen het dekkingsgebied van het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem. 5.2.6

Geur: industrieel

Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: • als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; • als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; • de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Over het plangebied vallen geen geurcontouren van bedrijven. 5.2.7

Luchtkwaliteit

Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-

Walkwartier – 2021, pag. 51 van 67 vastgesteld januari 2021

project is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoek zone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelde toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Door DPA is onderzoek gedaan naar de actuele luchtkwaliteit. Zie Bijlage 4 aanmeldnotitie. De conclusie van het onderzoek is dat, na realisering van het plan en ten gevolge van het plan, er geen mensen worden blootgesteld aan concentraties luchtverontreinigende stoffen die de grenswaarden overschrijden. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het plan. 5.2.8

Straling

Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijks advies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Het plangebied ligt niet binnen een zone van 80 meter vanaf een hoogspanningsleiding. 5.2.9

Water

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijks wateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets.

Walkwartier – 2021, pag. 52 van 67 vastgesteld januari 2021

Het plangebied is 100% verhard. De planontwikkeling gaat uit van loskoppeling van het hemelwater van het riool. Het hemelwater moet binnen het plangebied worden opgevangen. Door bureau Tauw B.V. is een watertoets uitgevoerd. Deze watertoets is als bijlage 6 toegevoegd. In de watertoets worden de volgende conclusie en aanbevelingen gedaan. Conclusie Het ontwerp van het Walkwartier is getoetst aan de eisen en wensen van de gemeente ten aanzien van water en klimaat. De gemeente eist minimaal 10 mm waterberging (60 m3) voor particuliere terreinen en zoveel mogelijk afkoppelen en infiltreren van verharding van openbaar terrein. De gemeente wil zoveel mogelijk waterberging creëren in de openbare ruimte om ook bestand te zijn tegen extreme neerslagsituaties. Ze prefereert een kleinere voorziening die vaker wordt gebruikt en op tijd leeg is boven een grote voorziening die niet voldoet aan de ledigingseis. Waterberging Het inrichtingsplan voorziet vijf groene daken van in totaal 1.685 m2. Met een minimaal waterbergend vermogen van 36 l/m2 kan aan de bergingseis voldaan worden. Het is daarbij nodig om het water van de ‘gewone’ daken af te laten wateren naar de groene daken. Tevens moeten de daken van een overloop voorzien en dient het bovengronds oppervlakkig (zichtbaar) af te stromen. Het inrichtingsplan voorziet ook een infiltratievoorziening van 578 m3 (43 mm).

Echter voldoen de ontwerpen niet aan de maximale leeglooptijd van 24 uur. Door de infiltratievoorziening als meerdere langgerekte voorzieningen te realiseren kan wel voldaan worden aan de maximale leeglooptijd. Nadere uitwerking van de infiltratievoorziening moet blijken of kabels en leidingen en bomen geen probleem vormen. Naast de infiltratievoorziening uit het inrichtingsplan is het ook mogelijk om een waterbergend wegcunet (aquaflow) te realiseren. Wanneer deze in de Walstraat, Molenstraat, Carmelietenstraat en een gedeelte van de parkeerplaats aangelegd wordt kan een waterberging van 55 mm worden gerealiseerd. Bovendien voldoet het aan de maximale leeglooptijd van 24 uur. Afvalwater Het extra afvalwater vanuit het Walkwartier past op de huidige leiding, doordat het onder vrijverval afwatert naar de zuivering. Grondwater Het grondwater staat gemiddeld op +5,0 m NAP met een GHG van +5,6 m NAP. Het maaiveld is circa +7,0 m NAP. Daarmee voldoet het aan de ontwateringsdiepte van 70 cm -mv. De kelder staat wel in het grondwater bij een gemiddelde grondwaterstand. Daarom moet de kelder waterdicht zijn. Bovendien moet bij het aanleggen van de kelder grondwater worden onttrokken. De kans is aanwezig dat het grondwater vervuild. Dit is een aandachtspunt dat meegenomen dient te worden in het bemalingsadvies. Hitte In de nieuwe situatie wordt 540 m2 onthard en als groen gerealiseerd.

In het ontwerp zijn nieuw te plaatsen bomen opgenomen. Bovendien blijven de bestaande bomen behouden. Daarmee is er een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Naast bomen zijn in het ontwerp ook groenperken en groene daken opgenomen die zorgen voor verkoeling. Toch kan het plan nog hittebestendiger door groene gevels en een groendak aan te leggen onder de zonnepanelen. Aanbeveling Geadviseerd wordt om de groene daken uit het voorlopig ontwerp en waterberging in de wegfundering te realiseren. Omdat infiltratie niet mogelijk is op particulier terrein, bieden de groene daken als goed alternatief. In het vervolg moet besloten worden of gekozen wordt voor een infiltratievoorziening of waterberging in de wegfundering. Het voordeel van waterberging in de wegfundering is dat het water meer verspreid geborgen wordt. Aangezien de doorlatendheid van de bodem niet zeker is, kan niet met zekerheid de leeglooptijd van de infiltratievoorziening bepaald worden. Als uitgangpunt is een doorlaatbaarheid van 2,5 m/dag aangehouden. Om de doorlaatbaarheid nauwkeuriger te bepalen, wordt geadviseerd infiltratiemetingen te verrichten op locatie. De gemeente hanteert het uitganspunt dat de eerste 10 mm op eigen terrein geborgen wordt.

Walkwartier – 2021, pag. 53 van 67 vastgesteld januari 2021

Dit kan behaald worden wanneer de afwatering van de ‘gewone’ daken gekoppeld wordt aan de groene daken en wanneer het groendak een minimaal waterbergend vermogen heeft van 36 l/m2. Daarom wordt geadviseerd om de ‘gewone’ daken af te laten voeren op de groene daken. In theorie is dit mogelijk omdat de groene daken lager liggen dan de ‘gewone’ daken. Het is ook mogelijk om alle daken als groen dak te realiseren. Deze daken hebben dan een waterbergend vermogen nodig van minimaal 10 l/m2. Daarnaast is het aangeraden om een groendak te realiseren op de plaats van de zonnepanelen. De zonnepanelen kunnen blijven staan. Die worden gevestigd boven het groendak. Het groendak zorgt voor verkoeling, waardoor de zonnepanelen minder warm worden en het groendak zorgt bovendien voor meer berging op eigen terrein. 5.2.10 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen.

Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie.

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Door DPA is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai in relatie tot de geluidgevoelige functies (wonen) binnen het plangebied. Het onderzoek is als bijlage 5 opgenomen bij de toelichting. Het plangebied valt buiten de geluidzone van de bedrijventerreinen Moleneind, Landweer en Danenhoef. Toch wordt voor de hoger gelegen woningen een geluidbelasting van maximaal 52 dB berekend. De geluidbelasting ten gevolge van de Oostwal is maximaal 46 dB. Een ontheffing hogere geluidwaarde is niet nodig.

De geluidbelasting van de aanliggende 30 km wegen is wel vrij hoog. Hier moet rekening mee worden gehouden bij de realisatie van de woningen. De geluidbelasting ten gevolge van het spoor is maximaal 49 dB en blijft beneden de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. De gecumuleerde geluidbelasting (weg, spoor, industrie bedraagt 69 dB. Hier moet rekening mee worden gehouden bij de realisatie van de woningen. 5.2.11 Stikstofdepositie Door Rho is een berekening gemaakt van de stikstofdepositie als gevolg van het plan. Dit onderzoek is als bijlage 7 opgenomen bij de toelichting.

Walkwartier – 2021, pag. 54 van 67 vastgesteld januari 2021

Uit de berekeningen blijkt dat de realisatie van het project Wal Kwartier in Oss niet leidt tot significant negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Op grond van de Wet Natuurbescherming geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming vormt géén belemmering. 5.2.12 Bezonning Door DOK architecten is een bezonningsstudie uitgevoerd. Deze is als bijlage 8 opgenomen. De uitgebreide bezonningsstudie van het plan Walkwartier laat zien wat het effect is op de bezonning van de nieuwe bebouwing op de omgeving. Uiteraard betekent de keuze voor een intensievere, hogere bebouwing dat er sprake is van meer schaduwwerking dan in de bestaande situatie. De huidige bebouwing van max. 2 bouwlagen geeft alleen in de winterperiode – bij een lage zonnestand – veel schaduwwerking op de omgeving. De schaduwwerking betreft in zowel de bestaande als in de nieuwe situatie vooral de Walstraat als het plein De Wal. Op De Wal wordt de schaduwwerking mede bepaald door de grote platanen, die ook in de nieuwe situatie blijven gehandhaafd. De schaduwwerking heeft invloed op de openbare ruimte en op de omliggende bebouwing. De bezonningsstudie laat zien dat in de periode van 21 maart tot 21 september de schaduwwerking van de nieuwe bebouwing op de Walstraat en De Wal acceptabel is.

Ook in de wetenschap dat de bomen in die periode op De Wal voor veel schaduw zorgen. Een deel van de schaduw van de nieuwe bebouwing valt hiermee samen. In de Walstraat is er door de hogere bebouwing meer schaduw, maar ook in de huidige situatie - met beperkte bouwhoogtes - ligt deze winkelstraat een groot deel van de dag in de schaduw. De hogere bebouwing betekent vooral dat de begane grond van de tegenoverliggende panden in het voor- en najaar rond 13 uur vaker in de schaduw ligt. Dit heeft effect op enkele horecaterrassen in de Walstraat. Op De Wal heeft de nieuwe bebouwing een schaduweffect op het plein. Deze wordt bepaald door de bebouwing die direct aan het plein grenst en in zekere mate door de geplande woontoren aan de Carmelietenstraat. In het voor- en najaar heeft de schaduw van de nieuwe bebouwing aan het einde van de middag (17 uur) een korte periode effect op de omliggende bebouwing. Dit betreft met name de panden aan de Carmelietenstraat, waar op de verdiepingen ook gewoond wordt. De schaduw van de woontoren valt min of meer samen met die van de lagere nieuwe bebouwing aan De Wal en geeft dus geen extra effect op de omgeving. Als opgemerkt hebben ook de grote bomen een sterk schaduweffect op De Wal en aanliggende bebouwing. Een belangrijk deel van de dag ligt De Wal goed in de zon en kan de verblijfsfunctie als groen stadsplein prima ingevuld worden.

De schaduwwerking als gevolg van het plan is dus beperkt. Zeker als gekeken wordt naar de reeds bestaande bouwmogelijkheden en de aanwezige bomen. Voor de omgeving is nog steeds sprake van een goed woon- en leefmilieu. 5.2.13 Windhinder Door Ingenieursbureau Nelissen is een QuickScan windhinder uitgevoerd. Dit rapport is als bijlage 9 opgenomen. In dit rapport is het plan Walkwartier te Oss beoordeeld op het gebied van windhinder en windgevaar. Er is met het Beslismodel van NEN 8100 de afweging gemaakt of windhinderonderzoek met windtunnel of CFD noodzakelijk is op basis van de volgende aspecten: • geografie • lokale situatie • gebouwconfiguratie • windgevoeligheid Voor de noordelijke vleugel met de winkels en drie lagen appartementen wordt voldaan aan alle voorwaarden van Beslismoment 1, waardoor windhinderonderzoek niet als noodzakelijk wordt beschouwd. De zuidelijke vleugel ligt in de directe invloedsfeer van de maatgevende zuidwesten wind. Uitgaande van de geografie, lokale situatie en gebouwconfiguratie is de kans op windhinder rondom de woontoren aanzienlijk. Aangezien in dit gebied zowel binnentuinen gelegen zijn waar men langdurig verblijft, als de ingang van de woontoren aan de Carmelietenstraat, is dit een belangrijk aandachtspunt in het windhinderonderzoek. Om de kans op winderhinder te beperken kan er gekozen worden om op

Walkwartier – 2021, pag. 55 van 67 vastgesteld januari 2021

windgevoelige posities (plaatselijke) maatregelen te treffen. Dit advies kan worden overgenomen door de ontwikkelaar. Daarnaast is er kans dat wind over en rondom de zuidelijke vleugel gaat en windhinder veroorzaakt ter plaatse van het plein ‘de Wal’. Voor zover dit noodzakelijk is zal hier bij de inrichting van het plein rekening mee worden gehouden. 5.3

Waarden

Binnen het plangebied voorkomende waarden op het vlak van natuur, archeologie of cultuurhistorie dienen te worden gerespecteerd en beschermd, mogelijk zelfs bevorderd. Bij ontwikkelingen moet proactief rekening worden gehouden met de aanwezige waarden. 5.3.1

Archeologie en cultuurhistorie

Beleidskader: Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Verordening ruimte en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Overigens is het gemeentelijk beleid getoetst door de provincie en akkoord bevonden. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘Archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid (opnieuw) vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziende archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoek plicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde

Vrijstellingsgrenzen

Archeologisch beschermd rijksmonument

0 m2 / 30 cm -Mv

Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten Historische stads-/dorpskern Hoge verwachtingswaarde Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde Reeds onderzocht Verstoord

35 m2 / 30 cm -Mv 50 m2 / 30 cm -Mv 100 m 2 / 30 cm -Mv 1000 m2 / 30 cm -Mv 5 hectare / 30 cm -Mv Geen onderzoek plicht Geen onderzoek plicht

Vanuit het archeologiebeleid geldt voor het bestemmingsplangebied een archeologische onderzoek plicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm – het maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan respectievelijk 50 m2 (westelijk deel bestemmingsplangebied) en 100 m2 (meest oostelijk deel bestemmingsplangebied).

Walkwartier – 2021, pag. 56 van 67 vastgesteld januari 2021

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Oss. Legenda: Paars = historische kern (vrijstellingsgrenzen van 50 m2 en 30 cm –Mv); Roze = verwachtingswaarde hoog, bebouwing Oss (vrijstellingsgrenzen van 100 m2 en 30 cm –Mv). Het verdient aanbeveling om aan de ‘voorkant’, dat wil zeggen voordat de ruimtelijke onderbouwing of plantoelichting wordt opgesteld, onderzoek te doen. Afhankelijk van de verwachtingswaarde van het gebied waarin de ontwikkeling is voorgenomen, kan dat een bureauonderzoek, een booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek of een daadwerkelijk opgravingsonderzoek zijn. In geval van onderzoek vooraf is wellicht, uiteraard afhankelijk van de uitkomst daarvan, geen bescherming nodig door het opnemen van een zogenaamde dubbelbestemming in de planregels. Daarover hieronder meer. Indien vooraf geen onderzoek is gedaan is het in elk geval noodzakelijk dat de archeologische (verwachting)waarde beschermd wordt door borging in de planregels. Verantwoording waarden: Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente ligt een groot deel van het bestemmingsplangebied binnen de historische (stads)kern van Oss (zie uitsnede archeologische beleidskaart). Het meest oostelijke deel van het bestemmingsplangebied ligt hier net buiten. Aan dit gebied is een hoge verwachtingswaarde toegekend.

In principe betekent dit dat er een archeologische onderzoekplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan respectievelijk 50 m² (historische kern) en 100 m2 (daarbuiten). In het oostelijk deel van het plangebied heeft al een archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Het betreft een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek dat door ACVU - HBS in 2009 is uitgevoerd (E. Norde, 2009; Zuid-Nederlandse Archeologische Notities 203). Uit dit onderzoek blijkt dat dit deel van het bestemmingsplangebied volledig verstoord is. Hier worden geen archeologische resten meer verwacht en geadviseerd werd om het gebied vrij te geven. Dit advies werd door de gemeentelijk archeoloog (dhr. R. Jansen) onderschreven. In dit gebied is archeologisch onderzoek dan ook niet meer noodzakelijk.

Walkwartier – 2021, pag. 57 van 67 vastgesteld januari 2021

Gebied dat in 2009 werd onderzocht en werd vrijgegeven. De boringen 1t/m 3 zijn in het oostelijk deel van het bestemmingsplangebied gezet. In het westelijk deel van het plangebied is nog geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het gebied ligt net buiten de vroegere stadsomwalling en -gracht. Met name aan de kant van de Walstraat kunnen nog resten hiervan worden aangetroffen. In dit deel van het plangebied heeft in het verleden al diverse bebouwing gestaan: • het pand van V&D is begin jaren ’70 gebouwd (opening 1973). Dit pand is niet onderkelderd; • de Winkelstrip aan De Wal, dus achter V&D, is begin jaren ’90 gebouwd. Waarschijnlijk is deze bebouwing eveneens niet onderkelderd; • voor de bouw van V&D stond op deze plek een kleine protestantse kerk en een grote pastorie aan de Molenstraat. Het kerkje is in 1817 gebouwd. Blijkbaar stond op dezelfde plek al in 1672 een katholieke schuilkerk; • naast de pastorie stonden nog enkele villa’s aan de Molenstraat. Deze gebouwen zijn ten behoeve van de V&D gesloopt. Onderstaand een aantal foto’s van de situatie met kerk en pastorie, bouw van de V&D, kadastrale minuutkaart 1832 en het V&D pand direct na de opening.

Walkwartier – 2021, pag. 58 van 67 vastgesteld januari 2021

Hoewel in het gebied dus bebouwing heeft gestaan, is de mate van verstoring van het bodemarchief mogelijk beperkt. De recentere bebouwing was (grotendeels) niet onderkelderd en zoals uit bovenstaande foto duidelijk wordt, was de fundering van de V&D mogelijk beperkt. Dit betekent dat in het gebied nog rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische resten, zoals resten van de gracht en omwalling en resten van het oude kerkje. Daarnaast kunnen ook andere archeologische resten (andere complextypen en perioden) voorkomen. Toetsing van de plannen In het oostelijk deel van het bestemmingsplangebied (zie bovenstaande figuur) is archeologisch onderzoek dus niet meer aan de orde. Hier geldt wel een meldingsplicht. De mogelijkheid dat hier toch archeologische vondsten worden gedaan, wordt namelijk niet uitgesloten. Er is een wettelijke verplichting (Erfgoedwet; paragraaf 5.4) om archeologische vondsten te melden. Bij het doen van vondsten waarvan vermoedt wordt dat het om archeologische vondsten of sporen gaat is men verplicht deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente. Eventuele vondsten kunnen worden gemeld bij de gemeentelijk archeoloog M. Peeters en aan de gemeentelijk projectleider of de gemeentelijk contactpersoon van uw project.

In het westelijk deel van het bestemmingsplangebied is nog geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het lijkt niet realistisch om de werkzaamheden (> 30 cm –Mv) die in het kader van de herontwikkeling in dit deel van het gebied gaan plaatsvinden te beperken tot maximaal 50 m². Vandaar dat archeologisch onderzoek voor dit deel van het gebied verplicht wordt gesteld. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd voorafgaand aan de vergunningverlening van de bouw. De uitkomst van dit onderzoek kan namelijk leiden tot nader onderzoek of nadere voorwaarden die in deze vergunning worden opgenomen. Dit onderzoek dient te bestaan uit een bureauonderzoek. Op basis van dit onderzoek kan vervolgens worden bepaald of verder (gravend) archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in de bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met

Walkwartier – 2021, pag. 59 van 67 vastgesteld januari 2021

deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Om het archeologisch traject te borgen is aan het westelijk deel van het bestemmingsplangebied een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie historische kern’ toegekend. Voor dit gebied geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 50 m² en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is. Het oostelijke deel van het bestemmingsplangebied kent geen archeologische beperkingen meer. Dit gebied is dan ook niet voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Verbeelding Op de verbeelding dient het bestemmingsplangebied te worden voorzien van een dubbelbestemming Waarde archeologie historische kern. Een klein deel van het gebied is vrijgesteld (al onderzocht) en hoeft geen dubbelbestemming meer te krijgen (blauw op onderstaande figuur).

Rood: begrenzing bestemmingsplangebied. Blauw: Vrijgegeven gebied (hoeft niet te worden voorzien van een dubbelbestemming Waarde-Archeologie). 5.3.2

Natuur

Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Beschermde plant- en diersoorten ontlenen hun bescherming onder andere aan opname in de Flora- en faunawet. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet.

Walkwartier – 2021, pag. 60 van 67 vastgesteld januari 2021

Ten behoeve van deze ontwikkeling is in september 2018 een QuickScan uitgevoerd naar de aanwezige natuurwaarden en de invloed die de ontwikkeling hierop kan hebben. De volgende natuurwaarden zijn geïnventariseerd: Flora Er werden tijdens een eenmalige inventarisatie geen beschermde soorten aangetroffen relevant in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Deze worden op basis van het aangetroffen biotoop op deze locatie ook niet verwacht. Fauna • Vogels De verwachting is dat er geen broedvogels op de planlocatie aanwezig zijn waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. De kans dat nesten van andere vogelsoorten aanwezig zijn wordt klein geacht. De kans dat jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in de nabijheid van de planlocatie is groter. • Vleermuizen De planlocatie biedt geringe mogelijkheden voor vaste verblijfplaatsen van deze soortgroep. De planlocatie zal naar verwachting vrijwel zeker wel door enkele soorten gebruikt worden als onderdeel van hun foerageergebied. Belemmering van migratieroutes van vleermuizen door de voorgenomen ontwikkeling is op de voorhand niet uit te sluiten. • Overige soorten Er worden geen andere soorten of soortgroepen verwacht op de planlocatie die een in dit kader relevante beschermingsstatus hebben.

De effecten van het plan op de aanwezige natuurwaarden zijn: • Broedvogels Indien toch broedvogels op de planlocatie aanwezig zijn, is er kans op verstoring van nesten. Wat betreft vogelsoorten waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn, is een nadelig effect relatief eenvoudig te vermijden door het nemen van preventieve maatregelen, o.a. door een goede fasering van de activiteiten en het hanteren van een werkprotocol. Als nesten van soorten met een jaarrond beschermde nestlocatie op de planlocatie aanwezig zijn (Huismus, Gierzwaluw), is de kans op verstoring die niet op eenvoudige wijze te voorkomen is beduidend groter. Daarbij moet ook gedacht worden aan de aanwezigheid van deze vogelsoorten in of op aan de planlocatie grenzende gebouwen die een negatief effect ondervinden van de ontwikkeling op de planlocatie. • Vleermuizen Als er vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn op de planlocatie, dan zal de ontwikkeling leiden tot verstoring of vernietiging van deze verblijfplaatsen. Wat betreft foerageergebied leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot een effect van enige betekenis voor vleermuizen, daarvoor is de planlocatie te gering van grootte en is de kwaliteit als voedselgebied te gering. De mogelijkheid is aanwezig dat op of langs het plangebied vleermuizen migreren tussen foerageergebied en verblijfplaats, die beide buiten het plangebied aanwezig zijn.

Het is mede afhankelijk van de inrichting van de buitenruimte op de planlocatie of, als een migratieroute aanwezig is, er sprake kan zijn van negatieve beïnvloeding relevant in het kader van de natuurwetgeving. Zoals eerder genoemd bij broedvogels geldt ook voor vleermuizen dat een ruimtelijke ontwikkeling ook schade kan veroorzaken indien een verblijfplaats zich direct buiten de planlocatie bevindt. Dit kan veroorzaakt worden door fysieke aanwezigheid van bebouwing en/of buitenverlichting. Advies: Op basis van de QuickScan kan niet geheel worden uitgesloten dat er geen overtreding van de Wet natuurbescherming optreedt bij de voorgenomen ontwikkeling. Geadviseerd wordt aanvullende informatie te verzamelen over het voorkomen en het gebruik van de planlocatie en de directe omgeving door vleermuizen, Huismus en Gierzwaluw. De kans op daadwerkelijke negatieve effecten en daarmee overtreding van de Wet natuurbescherming wordt klein geacht maar de omvang van het project rechtvaardigt zeker nader onderzoek. Uit de resultaten moet duidelijk worden of gerichte maatregelen noodzakelijk zijn wat betreft de inrichting van het plangebied. Of indien dit niet mogelijk is, een ontheffingsaanvraag noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming.

Mede omdat niet altijd een ontheffing verkregen kan worden, is het advies ook vroegtijdig met deze invalshoek naar de inrichting van de projectlocatie te kijken. Met deze werkwijze is de kans dat de Wet natuurbescherming een blijvend obstakel is voor de ontwikkeling gering. De QuickScan is als bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen.

Walkwartier – 2021, pag. 61 van 67 vastgesteld januari 2021

5.4

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: • radarverstoringsgebieden; • obstakelbeheergebieden; • laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; • geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. De toegestane bebouwing is niet hoger dan 53 meter.

Walkwartier – 2021, pag. 62 van 67 vastgesteld januari 2021

Walkwartier – 2021, pag. 63 van 67 vastgesteld januari 2021

Hoofdstuk 6 6.1

Handhaving

Beleidskader

Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: • het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; • het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; • zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.

Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: • het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; • nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhaving programma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de voorschriften en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven. 6.2

Professionele handhaving en handhavingsprogramma

De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma. 6.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=bf11c5c6-c210-4f3e-ae25-9af972903323