CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting

Gemeenteraad 21 september 2023, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan - 202319.382 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv 35 m2 / 30 cm -Mv 50 m2 / 30 cm -Mv 100 m 2 / 30 cm -Mv 1000 m2 / 30 cm -Mv 5 hectare / 30 cm -Mv Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek. Geen onderzoeksplicht

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 27 van 51

5.2.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is de locatie gelegen binnen de bebouwing Oss verwachtingswaarde. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Toetsing van de plannen In het kader van het Moederplan ‘Talentencampus en Sibeliuspark-Oss-2013’ is een grootschalig archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het voorliggend plangebied is in dit onderzoek meegenomen en hierin is geconcludeerd dat op de locatie van het plangebied geen archeologische resten te verwachten zijn. In het selectiebesluit van het moederplan is daarom besloten om voor de locatie geen dubbelbestemming Waarde-Archeologie op te nemen. In het voorliggend plan wordt eveneens verwezen naar het betreffende archeologische onderzoek. De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde.

Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Middels het archeologisch onderzoek uit het moederplan is aangetoond dat er geen archeologisch verwachtingen zijn voor het plangebied. Op basis van dit onderzoek zal voor het voorliggend bestemmingsplan tevens geen dubbelbestemming archeologie worden opgenomen. 5.2.4 Cultuurhistorie Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald.

Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening. In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd.

Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen erop neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 28 van 51

van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen.

De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Binnen het plangebied zijn geen waarde zoals opgenomen in de cultuurhistorische waardenkaart van zowel de gemeente als de provincie Noord-Brabant gelegen. Om deze reden wordt er met de beoogde ontwikkeling geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische elementen van de gemeente Oss. Het onderdeel cultuurhistorie vormt om deze reden geen bezwaar tegen de beoogde ontwikkeling. 5.3

Mobiliteit en parkeren

5.3.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer De ontsluiting van de nieuw te bouwen woningen in het noordelijk deel van het park zou volgens de oorspronkelijke plannen geschieden via de Beethovengaarde. Hiermee is rekening gehouden in het moederplan ‘Talentencampus en Sibeliuspark-Oss-2013’. Dit zou echter een substantiële toename van de hoeveelheid verkeer op de Beethovengaarde betekenen. Daarom is er een nader onderzoek verricht naar een alternatieve ontsluiting. Hieruit blijkt dat een ontsluiting direct op de Euterpelaan tussen de ROC en de geprojecteerde woningbouw verkeerskundig goed voorstelbaar is. De aansluiting op de Euterpelaan vindt plaats ter hoogte van de een reeds bestaande doorbraak door de middenberm. Met deze nieuwe ontsluiting vervalt de eerder geprojecteerde en deels aanwezige ontsluiting via de Beethovengaarde. Alle nieuwe woningen en het ROC worden direct op de Euterpelaan ontsloten.

Hierdoor krijgt het nieuwe woongebied een eigen herkenbare ontsluiting. Parkeren De beoogde ontwikkeling voorziet in 55 gestapelde woningen en 19 grondgebonden woningen. De 55 gestapelde woningen vallen conform het gemeentelijk in de categorie ‘huur, etage midden/goedkoop < 60 m2. De grondgebonden woningen vallen binnen de categorie ‘huurhuis, sociale huur’.

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 29 van 51

parkeertoets Sibeliuspark Euterpelaan

Matig stedelijk Rest

Functie

Omvang

Eenheid

Norm

eenheid

Aantal pp

Aandeel bezoekers

Aantal pp

Huurhuis, sociale huur Huur, etage midden/goedkoop <60 m2

19

per woning per woning

1,8

per woning per woning

28,5

0,3

5,7

71,5

0,3

16,5

55

1,3

Totaal Afgerond naar boven Benodigd op eigen terrein

100

22,2 23

77

Binnen het plangebied worden 77 parkeerplaatsen gerealiseerd. Het streven is het bewoners parkeren binnen de schil op te vangen. Het onderdeel bezoekers parkeren wordt ten zuiden van de schil in een gezamenlijke parkeervoorziening gerealiseerd. Op deze gecombineerde parkeervoorziening moet rekening worden gehouden met de 39 bezoekersparkeerplaatsen als gevolg van de 130 woningen in de woonscherven, 23 parkeerplaatsen als gevolg van de 74 sociale huurwoningen en de normatieve parkeerbehoefte van het ROC, 96 parkeerplaatsen. Deze dient in de parkeervoorziening gecompenseerd worden. In totaal zijn er minimaal 158 parkeerplaatsen benodigd. In de directe omgeving van het plangebied worden in totaal 209 parkeerplaatsen gerealiseerd buiten de woonschillen. Op deze manier voldoet de beoogde ontwikkeling aan de parkeernormen van de gemeente Oss. Verkeergeneratie Verkeersgeneratie Sibeliuspark - Euterpelaan

Matig stedelijk Rest

Functie

Omvang

Eenheid

Norm

eenheid

Vk gen.

Huurhuis, sociale huur

19

4,9

55

Verplaatsingen per woning Verplaatsingen per woning

93.1

Huur, etage midden/goedkoop <60 m2

per woning per woning

Totaal

3,6

198

292

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 30 van 51

De Euterpelaan is conform het Mobiliteitsplan Oss een gebiedsontsluitingsweg type I. Dit type wegen hebben een intensiteit die hoger is dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal. De gemodelleerde intensiteit in 2030 op de Euterpelaan ter hoogte van het Sibeliuspark de bedraagt 11.400 motorvoertuigen per etmaal. Dit betekent dat de Euterpelaan de geplande ontwikkeling goed kan opvangen.

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 31 van 51

5.4

Water

5.4.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 20232029). Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. In bebouwd gebied vraagt de zorg voor oppervlaktewater extra aandacht. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘ Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen.

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 32 van 51

Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2.

Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. 5.4.2 Watertoets In het plangebied is de waterhuishouding, de geohydrologie en de bodemopbouw onderzocht. Dit is beschreven in het waterhuishoudkundig onderzoek van Arcadis d.d. 2 juli 2020. Bepaling verhard oppervlak In de plansituatie worden binnen het gebied een aantal woningen gerealiseerd. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie is 4.941 m2, waarvan 2.985 m2 terreinverharding en 1.957 m2 daken.

Over de inrichting van de tuinen is geen informatie, voor een robuust ontwerp is aangenomen dat alle tuinen volledig worden verhard. De totale toename aan verharding bedraagt 4.501 m2 ten opzichte van de bestaande situatie. Conform het beleid van het waterschap dient er uitgegaan te worden van een bergingseis van T=100 (60 mm) voor de toename aan verhard oppervlak. Hierbij heeft de gemeente de eis dat private verharding de eerste 10 mm op eigen terrein bergt.

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 33 van 51

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 34 van 51

Bodemopbouw Uit boringen net buiten het plangebied (Dinoloket B45E0483 en B45E0479) kan worden afgeleid dat de ondiepe ondergrond tot 3,0 meter onder maaiveld bestaat uit fijn zand. Dit wordt ook onderbouwd door de gegevens in het REGIS II bodemmodel (Tabel 3). Formatienaam

Samenstelling

Dikte [m]

Formatie van Boxtel

Zand, matig fijn tot matig grof

Ca. 1.5

Formatie van Kreftenheye

Zand, matig grof tot uiterst grof

6

Formatie van Beegden

Zand, matig grof tot uiterst grof

5

Formatie van Peize en Formatie van Waalre

Zand, matig grof tot uiterst grof Zand uiterst fijn tot uiterst grof

Ca. 30

Formatie van Oosterhout

Zand, zeer fijn tot zeer grof

Ca. 20

In aanvulling van bovenstaande gegevens is door Heijmans Infra Techniek in september 2010 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Binnen het huidige plangebied zijn 8 boringen gedaan. Ook hieruit is gebleken dat de ondiepe ondergrond tot een diepte van 3,5 meter voor het grootste deel uit (zwak siltig en matig humeus) fijn zand bestaat. De doorlatendheid is aan de hand van bodemonderzoek nader onderzocht. Tijdens het bodemonderzoek is op 12 locaties over het gehele Sibeliuspark de doorlatendheid van de bodem gemeten op basis van de constant head methode. De voornaamste doelstelling van het onderzoek was de mogelijkheid tot infiltratie van hemelwater in de bodem te bepalen door het doen van doorlatendheidsproeven in de onverzadigde zone. De gemeten doorlatendheid in de onverzadigde zone varieert tussen 1,0 en 10,0 m/dag. De minimale doorlatendheid van de bodem is hiermee goed doorlatend. Grondwater De grondwaterstand en de fluctuatie hiervan zijn van grote betekenis voor de water- en luchthuishouding van de grond en spelen een rol in de beoordeling van de gebruikswaarde van de grond. Voor de ontwikkeling van bestemmingsplannen is vooral de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) belangrijk. Binnen het plangebied zijn geen grondwatermetingen bij dinoloket bekend (dinoloket.nl; 29-042020).

De dichtstbijzijnde grondwaterpeilbuizen zijn B45E0479-001 en B45E0486, en bevinden zich op circa 200 m afstand van het plangebied. Op deze locaties is er gemeten van respectievelijk 1952-1970 en 1950-1986. Dit betekent dat er in de directe omgeving van het projectgebied geen recente grondwaterreeksen beschikbaar zijn in dinoloket. Een meer recente informatiebron is de grondwaterkaart die is opgesteld door de gemeente Oss (“Gemeente Oss, ontwerp grondwatermeetnet”, 28 juni 2010), die het grondwaterstandverloop toont (Figuur 5). Op basis van deze kaart is de gemiddeld hoogste grondwaterstand in het projectgebied ingeschat op 5,75 m+ NAP. Op basis van de laagst voorkomende maaiveldhoogte binnen het plangebied van ca. 7,15 m+ NAP, is er een minimale ontwateringsdiepte van ca. 1,4 m.

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 35 van 51

Bergingsopgave Op basis van het doorlatendheidsonderzoek en de GHG op ca. 1,4 m-mv is geconcludeerd dat hemelwater vanaf verharding in de bodem kan worden geïnfiltreerd. Het totaal verhard oppervlak neemt toe met ca. 4.501 m². Om de afstroom hiervan te compenseren moet voor openbaar terrein 60 mm geborgen worden. Voor private terreinen geldt dat voor de eerste 10 mm op eigen terrein een voorziening wordt gerealiseerd alvorens het kan overstorten in een berging van 50 mm openbaar terrein. De gevoeligheidsfactor voor de afstroming van hemelwater is 1 voor het plangebied (Legger Aa en Maas; 29-04-2020). In totaal komt de bergingseis daarmee op 270 m3.

Toename verharding (m2) Te bergen hemelwater privaat [m3] Te bergen hemelwater openbaar gebied [m3]

Openbaar 2.315 m2 *

Privaat 2.185 m2

Totaal 4.501 m2

Nvt

22 m2 (10 mm)

22 m3

139 m3 (60 mm)

109 m2 (50 mm)

248 m3

*Totaal verhard oppervlak plansituatie – 440 m2 verharding huidige situatie

Bergingsopgave privaat terrein Per woning dient, conform gemeentelijk beleid, een voorziening met 10 mm statische berging op eigen terrein gerealiseerd te worden. Hiermee dient de voorziening op privaat terrein 22 m³ hemelwater te bergen binnen het plangebied. Gezien de afwezigheid van oppervlaktewater in de nabije omgeving wordt een infiltratievoorziening geadviseerd. De voorziening mag wel een overloop hebben naar de voorziening in het openbaar gebied. Er kan gedacht worden aan een grindkoffer of infiltratiekratten. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de beschikbare holle ruimte per voorziening. Bijvoorbeeld; grindkoffers hebben gemiddeld zo’n 40% holle ruimte beschikbaar voor waterberging, waar infiltratiekratten of Rockflow tot 90% holle ruimte bevatten. Voor Rockflow of infiltratiekratten is dus minder ruimte nodig dan bij het gebruik van grondkoffers.

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 36 van 51

Bergingsopgave openbaar terrein Gezien het hoogteverschil en de beperkte onverharde ruimte is een volledig bovengrondse inpassing van de bergingsopgave lastig in te passen. Om toch bovengronds te bergen kan gedacht worden aan een zaksloot aan de randen van het plangebied. Vanwege het maaiveldverloop in het ontwerp dient er kritisch gekeken te worden naar de manier waarop het water van de laag gelegen bestrating, via bovengrondse afvoer, naar de voorziening wordt afgevoerd. Ter illustratie; Bij een slootprofiel van 3,5 beter breed, bodembreedte 0,5, diepte 0,5 en een talud van 1:3 is er 1 m³ berging per strekkende meter beschikbaar. Om aan de bergingsopgave te voldoen is er bij een dergelijke sloot dus circa 250 meter sloot nodig. Hierbij is nog geen rekening gehouden met een eventuele ontwateringsdiepte. Andere mogelijkheden om de bergingsopgave in te passen zijn; • Ondergrondse berging middels infiltratiekratten of Rockflow onder de bestrating. • Verkennen of er in het watersysteem van de ontwikkeling ten zuiden van het plangebied overcapaciteit berging beschikbaar is. Mogelijk kan hier (een deel van) het hemelwater naar afgevoerd worden. Dit biedt ook kansen om de huidige wateroverlast, zoals beschreven in hoofdstuk 2.4, mee te nemen in de uitwerking van het waterhuishoudkundig plan.

Daarnaast dient er in het waterhuishoudkundig plan nagedacht te worden over een noodvoorziening voor neerslaggebeurtenissen groter dan 60 mm. 5.5

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. 5.6

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie?

5.6.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 37 van 51

voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. In de VNG-brochure is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. In de lijst is op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, geur en gevaar) een indicatie gegeven van de afstand tussen bedrijven en hindergevoelige functies waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Het doel van de milieuzonering is tweeledig; - door het toepassen van milieuzonering wordt hinder ter plaatse van woningen of andere gevoelige objecten al in het ruimtelijk spoor voorkomen; - door het toepassen van milieuzonering wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun activiteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Op basis van de indicatieve afstanden zijn de bedrijven op de bedrijvenlijst in de VNG-handreiking ingedeeld in milieucategorieën die variëren van categorie 1 (indicatieve afstand van 10 meter) tot categorie 6 (indicatieve afstand van 1.500 meter). Als aan de indicatieve afstand kan worden voldaan, is een activiteit qua milieuhinder inpasbaar.

Enerzijds is dan ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten (waaronder woningen) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, anderzijds heeft het bedrijf voldoende zekerheid dat de bedrijfsactiviteiten binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen worden uitgeoefend. In de VNG-brochure worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/’rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden uit de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een daarmee vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied). De indicatieve afstanden zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een 'rustige woonwijk'. Voor woningen in een 'gemengd gebied' mag de indicatieve afstand worden gecorrigeerd en kan de afstand met één trede worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. In de directe omgeving van het plangebied komen diverse bedrijfsmatige activiteiten voort. Zo is ten noorden van het plangebied het bedrijventerrein Euterpelaan Oss gelegen waar diverse bedrijven aanwezig zijn. Ten oosten van het plangebied is ROC-opleiding de Leigraaf gelegen. In zuidelijke en westelijke richting van het plangebied zijn woningen gelegen. Het gebied kan worden beschreven als overgangsgebied tussen het bedrijventerrein en de rustige woonwijk.

De Euterpelaan is hiernaast aan te merken als hoofdinfrastructuur. Het plangebied kan om bovenstaande redenen worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. De nieuwe woningen vormen geen bedrijfsmatige activiteiten ten opzichte van de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. De woonbestemming is zelf wel kwetsbaar voor bedrijfsactiviteiten in de directe omgeving. Op het bedrijventerrein Euterpelaan Oss worden in het vigerend bestemmingsplan bedrijven mogelijk gemaakt binnen categorie 1 en 2. Uitzondering op deze bedrijven zijn de bedrijven met een specifieke aanduiding. Er zijn binnen het vigerend bestemmingsplan voor het bedrijventerrein Euterpelaan diverse bedrijven aangeduid met een categorie 3.2 bedrijfsaanduiding. De richtafstand van een bedrijf in categorie 3.2 bedraagt 100 meter. Aangezien het plangebied kan worden aangeduid als gemengd gebied kan hier één stap terug worden gedaan met betrekking tot de maximale richtafstand. Hiermee wordt de richtafstand maximaal 50 meter tussen het betreffende bedrijf en de nieuw te bouwen woningen. De afstand tussen het meest nabij gelegen bedrijf (Van Pinxteren Auto’s B.V.) en de nieuwe woningen bedraagt circa 80 meter.

Hiernaast dient het bedrijf in de huidige bedrijfsvoering ook reeds rekening te houden met de maatvoerende woningen aan de Euterpelaan die op circa 67 meter van het bedrijf gelegen zijn. Om deze reden vormt de nieuwbouwontwikkeling geen belemmering voor de bedrijfsactiviteiten van de op het bedrijventerrein Euterpelaan gevestigde bedrijven. Het ROC De Leigraaf is in oostelijke richting het meest nabij gelegen bedrijf. Scholen voor beroeps, hoger en overig onderwijs hebben een richtafstand van 30 meter ten opzichte van kwetsbare objecten met geluid als maatvoerend onderdeel. Aangezien de locatie van het plangebied kan worden aangeduid als gemengd gebied kan ook hiervoor één stap terug worden gedaan in relatie tot de bedrijfsmilieuzonering. Hiermee wordt de maximale richtafstand 10 meter. De afstand tussen het ROC en de beoogde woningbouwontwikkeling is circa 30 meter. Het ROC De Leigraaf wordt om deze reden niet in de huidige bedrijfsvoering gehinderd.

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 38 van 51

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering. 5.6.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (verkennend bodemonderzoek (OCB) Euterpelaan te Oss, Heijmans infra, kenmerk 20.0206, 22 december 2022). Op basis van de gegevens verkregen in het huidige vooronderzoek blijkt dat de bodem mogelijk heterogeen verontreinigd is met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Na het asbestonderzoek uit 2010 hebben activiteiten plaats gevonden, waaronder tijdelijke bebouwing. Gelet op de recente periode van deze activiteiten is hiervoor geen verdenking op bodemverontreiniging. De bodem bestaat tot 2,0 m-mv hoofdzakelijk uit zand. Er zijn in de bovengrond bijmengingen aangetroffen met baksteen en puingranulaat.

Deze bijmengingen zijn te relateren aan de sloopwerkzaamheden uit 2007 en de recent aangelegde tijdelijk verharding. Het freatisch grondwater is tijdens het veldwerk niet aangetroffen tot een diepte van 2,0 m-mv. Op basis van de onderzoeksresultaten overschrijden OCB de achtergrondwaarde niet. De locatie is daarmee niet meer verdacht op het voorkomen van mogelijke verontreinigingen met bestrijdingsmiddelen en voldoet hiermee aan de generieke normstelling Altijd toepasbaar. De milieuhygiënische bodemkwaliteit is in voldoende mate vastgesteld en vormt geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling. De onderzoeksresultaten hoeven geen belemmering te vormen voor de voorgenomen herinrichting van de locatie. Nader bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Indien grond en/of puin van de locatie verwijderd wordt, zal door middel van een partijkeuring conform Besluit bodemkwaliteit bepaald moeten worden of de vrijkomende grond geschikt is voor hergebruik. Bij het werken op de locatie wordt het nemen van maatregelen conform Publicatie 400 van CROW aanbevolen. Hierbij kan de basishygiëne gehanteerd worden. 5.6.3 Externe veiligheid Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving.

Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 39 van 51

gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.

Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. De bouw van 74 woningen verdeeld over 19 grondgebonden woningen en 55 gestapelde woningen wordt aangemerkt als beperkt kwetsbaar object. Risicovolle inrichtingen Ten westen van het plangebied bevindt zich een risicovolle inrichting, namelijk een LPG-tankstation. Rondom het vulpunt, tanks en LPG-afleverinstallatie zijn PR-contouren aanwezig. Het plangebied is ruim buiten deze PR-contouren gelegen. De straal van het GR-invloedgebied is 150 meter rondom het vulpunt en het reservoir. De afstand tussen het LPG-station en het plangebied is circa 300 meter. Hiermee is de planlocatie niet gelegen binnen het invloedsgebied van dit LPG-station en is het berekenen of nader verantwoorden niet aan de orde. Buisleidingen Buisleidingen geven geen beperkingen voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling.

Vervoer van gevaarlijke stoffen Het plangebied is niet gelegen binnen een invloedzone. De eerder aangewezen transportroute voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de Dr. Saal van Zwanenbergsingel is komen te vervallen. Over deze weg zal nog incidenteel vervoer van bijvoorbeeld LPG plaatsvinden. De afstand ten opzichte van het spoor is 340 meter. Over de spoorlijn ’s-Hertogenbosch – Nijmegen worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het invloedgebied van deze transportroute is 3 kilometer. Om deze reden dient het groepsrisico verder te worden verantwoord. Hiervoor wordt aangesloten bij de standaard verantwoording van de gemeente Oss. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid De ontwikkeling leidt het oprichten van een appartementengebouw en enkele grondgebonden woningen. Uit het plan blijkt niet dat grotere groepen verminderd- of niet zelfredzame personen in het plangebied zullen verblijven. Nieuwe woningen bieden als gevolg van energie prestatie eisen een goed bescherming tegen het binnen dringen van schadelijke stoffen. Bij een dreigende BLEVE moet men vluchten. Via de omliggende paden kan men afstand van de Euterpelaan nemen. Aangenomen mag worden gezien de aard van de ontwikkeling de zelfredzaamheid als goed kan worden beoordeeld. De bewoners moeten in staat worden geacht om op de juiste manier op instructies te handelen

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 40 van 51

Beoordeling bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid van het scenario BLEVE wordt als voldoende beoordeeld. Tankwagens voor het vervoer van LPG zijn voorzien van een isolerende bekleding. Hierdoor heeft de brandweer voldoende tijd om de tank effectief te koelen. Er kan over voldoende bluswater beschikt worden. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit oogpunt van externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling. 5.6.4 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant.

De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Aangezien aan de bedrijfs- en milieuzonering van de omliggende bedrijven kan worden voldaan kan worden geconcludeerd dat het onderdeel geur industrieel geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 5.6.5 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten.

Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg.

Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 41 van 51

bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Het voornemen is om in het uitwerkingsplan ‘Euterpelaan’ te Oss in totaal 74 woningen te realiseren, bestaande uit 19 huurwoningen en 55 huurappartementen. De berekeningen zijn uitgevoerd met de AERIUS Calculator 2022. Uit de berekening blijkt dat de bouwfase en de toekomstige gebruiksfase van de nieuwe woningen niet leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000gebieden. Op grond van de Wet Natuurbescherming geldt een vrijstelling van de vergunningplicht en is nader onderzoek niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming vormt dan ook geen belemmering. 5.6.6 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004).

Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Het plangebied is op circa 2 kilometer van het dichtstbijzijnde hoogspanningstracé gelegen en is hiermee ver buiten de invloed zone van een bovengrondse hoogspanningsleiding gelegen. Om deze reden vormt het onderdeel straling geen beperkende factor voor de beoogde ontwikkeling. 5.6.7 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen.

Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie.

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 42 van 51

geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Railverkeer en industrielawaai De afstand tussen de spoorlijn ’s-Hertogenbosch – Nijmegen is circa 340 meter. Op basis van het gemeentelijk verkeersmodel kan de verwachte gevelbelasting inzichtelijk worden gemaakt. Het model schat een gevelwaarde van 50 dB op een hoogte van 5 meter. De voorkeursgrenswaarde voor railwegverkeer is 55 dB. Hiernaast is tevens de geluidskaart Spoorwegen binnen de PDOK viewer geraadpleegd. Deze geeft aan dat de 55 dB grens ver buiten het plangebied gelegen is. Gezien deze inschatting, de afstand tussen het spoor en het plangebied en de diverse tussengelegen bouwwerken kan worden gesteld dat spoorweglawaai geen betekende mate zal bijdrage aan de gevelbelasting op de beoogde woningen.

Het plangebied is daarnaast op grote afstand gelegen van een geluidgezoneerd industrieterrein. Om deze reden is een onderzoek industrielawaai niet aan de orde. Onderzoek wegverkeerslawaai Voor de realisatie van in totaal 74 woningen binnen het plangebied is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (Stantect, projectnummer 327200581, 12 januari 2023) uitgevoerd omdat het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van de Euterpelaan en de Dr. Saal van Zwanenbergsingel. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de Beethovengaarde en de nieuwe ontsluitingsweg (beide 30 km/uur) in het onderzoek betrokken. Euterpelaan Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op de Euterpelaan leidt tot een overschrijding van de voorkeurswaarde tot maximaal 57 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Het treffen van geluidreducerende maatregelen voor deze weg is onvoldoende doeltreffend of wordt niet reëel geacht. Om deze reden dienen hogere waarden te worden vastgesteld voor het bouwplan. Dr. Saal van Zwanenbergsingel Door het wegverkeer op de Dr. Saal van Zwanenbergsingel wordt de hoogst toelaatbare geluidbelasting niet overschreden en is het vaststellen van hogere waarden niet benodigd.

Cumulatie In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidbelasting berekend, welke varieert van 45 dB tot maximaal 62 dB. De daarbij behorende MKM Lden ligt tussen de classificatie ‘goed’ en ‘tamelijk slecht’. Bij het vaststellen van hogere waarden wordt over de cumulatieve

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 43 van 51

geluidbelastingen een oordeel gegeven. 5.6.8 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.

In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij.

Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Het plangebied is op meer dan 2 kilometer gelegen van een geitenhouderij. Om deze reden kan worden geconcludeerd dat de nabijheid van een geitenhouderij geen belemmeringen biedt voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling.

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 44 van 51

5.7

Milieueffectrapportage (M.e.r.)

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.

Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording Het planvoornemen maakt geen activiteiten mogelijk, die zijn opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Daarom is er geen sprake van een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. De activiteiten zijn wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit m.e.r. De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar valt onder de drempelwaarden. Het programma bedraagt de realisatie van 74 woningen. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan de Bijlage bij het Besluit m.e.r.

De ontwikkeling van de woningen valt onder de activiteit stedelijk ontwikkelingsproject (D 11.2): de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 hectare of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling van het gebied met het beoogde programma ver beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Daarom is enkel een vormvrije m.e.r.- beoordelingsplicht aan de orde. Dit betekent dat voordat het plan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitie moet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld, e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer. Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3.

de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 45 van 51

potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

Bestemmingsplan Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan – 2023, pag. 46 van 51

Hoofdstuk 6 6.1

Toelichting op de regels

Algemeen

Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan ‘Woningbouw Sibeliuspark Euterpelaan’ is gekozen voor een gedetailleerde regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 2 tot en met 7), de algemene regels (artikelen 8 tot en met 13) en de overgangs- en slotregels (de artikelen 14. en 15). Bij de regels hoort een bijlage, te weten lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht. 6.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=c97e1483-d209-4dfb-8f40-f6c285b0f303