CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Gemeenteraad 23 mei 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling bestemmingsplan Wijlseweg 11/11a Maren-Kessel26.601 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.4.6 Beleid aan huis gebonden activiteiten Op 22 november 2012 heeft de gemeenteraad het Beleid aan huis gebonden activiteiten – Actualisatie 2012 vastgesteld. Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is opgesteld om mogelijkheden te bieden aan ondernemen vanuit de eigen woning. Door de jaren heen zijn de activiteiten die aan huis worden ondernomen steeds meer divers geworden. Het gaat allang niet meer alleen om een huisarts of accountant aan huis. Er is een breed scala dat aan huis uitgeoefend kan worden. Voorbeelden zijn een adviesbureau, pedicure of afslanksalon. Ook komen er steeds vaker vragen om kleinschalige cursussen te mogen geven, voor kleinschalige kinderopvang, ambachtelijke bedrijfjes of een bed en breakfast. Met het beleid wordt ingespeeld op de veranderende inzichten over aan huis gebonden activiteiten. Er wordt ruimte gegeven aan deze nieuwe vormen om vanuit de thuissituatie te werken. Het gaat dus altijd om een bewoner die de activiteit uitvoert. Een andere belangrijke voorwaarde is steeds dat de activiteit zich goed verhoudt met de woonomgeving. Het beleid aan huis gebonden activiteiten is er op gericht om zoveel mogelijk rechtstreeks toe te staan. Er is een lijst opgesteld met een breed scala aan activiteiten die rechtstreeks mogen worden uitgeoefend in de woning. Deze lijst is als bijlage opgenomen in deze toelichting of bij de regels.

Bij het opstellen van de lijst van rechtstreeks toegestane activiteiten is de woonomgeving het uitgangspunt geweest. Dit houdt in dat er geen bedrijven op staan die veel verkeer aantrekken of activiteiten die milieuhinder veroorzaken, die niet past in een woonomgeving. Het oppervlak van de rechtstreeks toegestane activiteiten is 35m2.

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 27 van 66 Vastgesteld

Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning worden uitgevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig. Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken’. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het toegestane 35 m2, andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen.

Hoofdstuk 5

5.1

Omgevingsaspecten

Landschap

5.1.1 Nota Landschapsbeleid 2015 Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: ▪ Uiterwaarden ▪ Oeverwal ▪ Komgebied ▪ Dekzandrand ▪ Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.

Op basis van de Nota Landschapsbeleid 2015 is het plangebied gelegen in de oeverwal. De oeverwal is een hoger gelegen rug in het landschap en ligt hoog en droog, binnendijks op enige afstand van de rivier de Maas. Het karakter van de oeverwal is kleinschalig en halfopen tot besloten. Het verkavelingspatroon op de overwal is blokvormig en overwegend regelmatig. Bebouwing (veelal geconcentreerd in kleine kernen en in bebouwingslinten), beplantingselementen (houtwallen, een enkele boomgaard) en grondgebruik (grasland, bouwland) bepalen hier de maat van de ruimte. Doorwerking plangebied

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 28 van 66 Vastgesteld

Met onderhavig initiatief wordt de intensieve veehouderij ter plaatse gesaneerd. Ter compensatie van de bedrijfsbeëindiging en het slopen van de bedrijfsbebouwing worden er twee nieuwe woningen opgericht, de onder persoonsgebonden overgangsrecht vallende woning wordt formeel ook voor wonen bestemd. Echter vindt er meer sloop plaats dan er nieuwe bebouwing wordt opgericht. Met het initiatief vindt er dan ook een aanzienlijke ontstening plaats. De ontstening draagt bij aan de openheid van de omgeving en zorg voor meer doorzichten vanuit de kern naar het open buitengebied. In het kader van onderhavig bestemmingsplan is eveneens een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het uitgangspunt hiervoor zijn de kenmerkende landschapselementen van de oeverwal. Voor een nadere uitwerking hiervan wordt verwezen naar paragraaf 3.2.

5.1.2

Kwaliteitsverbetering van het landschap

Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist, bij een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied, een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit staat in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. In januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. Dit regionale afsprakenkader is oorspronkelijk bedoeld als uitwerking van regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte. Het afsprakenkader geldt nog steeds. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die de gemeente Oss regionaal heeft afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is.

Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1. de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: • cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie • cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing • cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden.

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 29 van 66 Vastgesteld

In het kader van onderhavig initiatief geldt dat de ontwikkeling een vergelijkbare tegenprestatie moet hebben als aan de orde bij de ontwikkeling van ruimte voor ruimte-kavels. Deze tegenprestatie wordt ingevuld door sanering van de agrarische bedrijfslocatie, sloop van de bebouwing en de verwijdering van verharding. Deze tegenprestatie is berekend en is niet volledig toereikend. Met die reden is ervoor gekozen een extra landschappelijke inpassing te realiseren. De berekening is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 2). Onderdeel van de ontwikkeling is ook een landschappelijke inpassing. Voor een nadere toelichting van de kwaliteitsverbetering wordt verwezen naar het landschappelijk inpassingsplan en paragraaf 3.2. Voldaan wordt aan de regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’.

5.2

Natuur

5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming.

5.2.2

Groen en natuur/biodiversiteit

Natuur- en landschapsvisie 2005 De visie vormt een toetsings- en ontwikkelingskader voor het natuur- en landschapsbeleid in Oss. Zij geeft richting aan ontwikkelingen en nodigt initiatiefnemers uit om een bijdrage te leveren aan projecten. De visie heeft als bouwsteen bijgedragen aan de Structuurvisie Oss 2020. De ambities die in de visie zijn opgenomen zijn: ▪ Het realiseren van een tweetal natuur- en landschapsparken, te weten: 'Maashorst-Herperduin' en het Maaspark'. ▪ Het realiseren van stevige verbindingen tussen de natuur- en landschapsparken. ▪ Behoud en herstel van natuur- en landschapswaarden in het 'Land van Grutto en Pastinaak' en het 'Land van Dassen en Struweel'. ▪ Het realiseren van een groenblauw lint door de polder rond de Hertogswetering. ▪ Het ontwikkelen van aantrekkelijke groengebieden in en rond Oss en de dorpen, te weten de 'Groenblauwe Slinger door Oss', de 'Groene geledingszone ten zuiden van Oss', de 'Groene dorpen' en de 'Maasband'. Routekaart Groen, Blauw en Natuur

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 30 van 66 Vastgesteld

In deze nota is aangegeven dat we de natuur en de biodiversiteit willen verbeteren door in te zetten op een gemeentelijk natuurnetwerk, aanvullend op het provinciaal netwerk. Het landschap en de ontstaansgeschiedenis van de gemeente Oss vormen daarbij de basis. Daarbij onderscheiden we de vijf gebieden die ook in de Natuur- en Landschapsvisie worden genoemd. Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft er naar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel ‘natuurinclusief’ te bouwen. Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om dit ook te doen. Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist.

De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. Doorwerking plangebied Onderhavig planvoornemen is niet gelegen in een al dan niet te ontwikkelen natuurnetwerk. Daarnaast is er ook geen sprake van bomen die als waardevol zijn aangemerkt. In het plangebied wordt natuurinclusief gebouwd en ook landschappelijk ingepast conform de uitgangspunten zoals gesteld in de nota Landschapsbeleid.

5.2.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden Soorten In het kader van onderhavige ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage behorend bij de quickscan is bijgevoegd bij deze toelichting. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Noord-Brabant een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Wel geldt voor alle amfibieën en zoogdieren de Zorgplicht; deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden wordt aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemene vogels In de opgaande vegetatie en te slopen bebouwing komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen.

Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht.

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 31 van 66 Vastgesteld

Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie en de bebouwing buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen/slopen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Wnb. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf De oostelijke kopgevel van de te slopen koeienstal (stal achterzijde perceel) bevat mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van deze bebouwing kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol te worden onderzocht.

Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig (uit te voeren door 1 onderzoek per ronde): ▪ 3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd 15 mei – 15 juli (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee avonden en tussen één avond en de ochtend); ▪ 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken). Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuisonderzoek alvast vleermuiskasten tegen de nabijgelegen gebouwen op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfsplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijk situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen aanwezig zijn. Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast twee kasten op de hangen.

Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied, onder begeleiding van een deskundige. Als blijkt dat er geen vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. Uitwendige vleermuiskasten zijn in principe niet geschikt als permanente vervanging. Indien blijkt dat er in de te slopen stal vleermuisverblijven aanwezig zijn, dan dient er een veelvoud van het aantal gevonden vleermuisverblijven in de nieuwe situatie te worden gerealiseerd. Vleermuiskasten die geschikt zijn om te dienen als permanente vervanging, dienen zich inwendig in het gebouw te bevinden. Vleermuizen: verstoring vliegroute De bomen aan de Wijlseweg fungeren mogelijk als vaste vliegroute voor vleermuizen. Vleermuizen en hun vaste vliegroutes zijn onder de Wnb beschermd. Doordat de bomen blijven behouden zal een eventuele vaste vliegroute niet noemenswaardig worden aangetast. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van alle voorgenoemde bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen.

Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen of rood licht.

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 32 van 66 Vastgesteld

Aanvullend onderzoek vleermuizen Op basis van het uitgevoerde aanvullende onderzoek naar het eventueel voorkomen van vleermuizen kan concluderend gesteld worden dat door het ontbreken van verblijfsplaatsen en essentieel foerageergebied van vleermuizen binnen het plangebied negatieve effecten op deze beschermde onderdelen zijn uitgesloten. Er is in het kader van de Wet natuurbescherming derhalve geen ontheffing benodigd om de geplande werkzaamheden te mogen uitvoeren. Tijdens de werkzaamheden blijft uiteraard de zorgplicht van kracht. Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, de Rijntakken, ligt op 2 kilometer afstand van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 2 kilometer of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NO x of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000gebied.

Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend.

Gebruiksfase Met onderhavig initiatief worden twee woningbouwkavels gerealiseerd en worden de bestaande bedrijfswoning en het bedrijfsgebouw dat bewoond werd (op basis van het persoonsgebonden overgangsrecht) omgezet naar burgerwoningen. Sinds 1 juli krijgen nieuwe bouwwerken geen gasaansluiting meer. Derhalve vindt de uitstoot vanuit de nieuwe woningen uitsluitend plaats door verkeer van en naar de woningen. De huidige bebouwing is wel nog voorzien van een gasaansluiting. Volgens AERIUS Calculator leidt het gebruik van twee vrijstaande woningen (met gasaansluiting) tot een emissie van 6,1 kg/jaar van NOx. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie is gebruik gemaakt van de CROWpublicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Functie: Koop, huis, vrijstaand; ▪ Gebiedstype: buitengebied in niet stedelijk gebied Op basis van de kencijfers genereerd een dergelijke woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereren vier vrijstaande woningen is dagelijks 34,4 verkeersbewegingen. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s).

Er wordt daarbij tevens van uit gegaan dat het verkeer zo snel mogelijk via de Wijlseweg naar de Provincialeweg rijdt, alwaar het

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 33 van 66 Vastgesteld

verkeer op zal gaan in het heersende verkeer. Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door het verkeer de emissie NOx in dit geval 0,7 kg/jaar bedraagt. Dit leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden. Sloopfase Tijdens de sloopfase kan er sprake zijn van (tijdelijke) stikstofemissie, veroorzaakt door verkeer van en naar de slooplocatie en het gebruik van mobiele werktuigen op de slooplocatie. Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de sloop van bebouwing. Tabel 2. Te gebruiken mobiele werktuigen voor de sloop van de stallen

Werktuig

Bouwjaar

Brandstof

Graafmachine Laadschop Bulldozer

v.a. 2011 v.a. 2011 v.a. 2011

Diesel Diesel Diesel

Vermogen (kW) 200 200 200

Belasting (%) 69 55 55

Draaiuren 100 30 30

Totale emissie 31,7 9,2 9,2

Ten tijde van de sloopfase vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Daarnaast kunnen ook nog overige bezoekers naar de locatie komen. Er is uitgegaan van 15 bedrijfsbusjes per etmaal, dit betreft middelzwaar verkeer. Naar de locatie rijden ook diverse vrachtauto’s voor het aan- en afvoeren van materialen. Er wordt uitgegaan dat op de drukste dag 4 vrachtwagens aanwezig zijn. Met de ingevoerde gegevens geeft AERIUS Calculator aan dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief tijdens de sloopfase (zie bijlage 1). Bouwfase Ook tijdens de bouw is er sprake van (tijdelijke) stikstofemissie, veroorzaakt door verkeer van en naar de bouwlocatie (vrachtwagens die bouwmaterialen komen leveren, vervoer bouwvakkers etc.) en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwlocatie (kraan, betonpomp, etc.). De bouwtijd van de woningen zal in totaliteit 12 weken bedragen (60 bouwdagen). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van een reguliere bouw voor vergelijkbare woningen.

Dit betreffen de volgende gegevens voor twee: ▪ Aanvoer beton voor fundering: 6 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer stenen: 6 vrachtwagens ▪ Aanvoer beton voor vloeren: 12 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer breedplaatvloeren verdiepingen: 4 vrachtwagen ▪ Aanvoer dakplaten: 2 vrachtwagen ▪ Aanvoer dakpannen: 2 vrachtwagen ▪ Aanvoer divers klein materiaal (kozijnen, ramen, deuren, etc.): 5 vrachtwagens en 5 bestelbusjes. ▪ Afvoer afval en materiaal: 5 vrachtwagens en 5 bestelbusjes.

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 34 van 66 Vastgesteld

Uitgaande van een worst-case scenario doen op de meest drukke dag 12 vrachtwagens de bouwlocatie aan (op de dag dat beton wordt gestort voor de betonvloer). In totaliteit doen 10 bestelbusjes de bouwlocatie aan, dat is gemiddeld 0,2 (0,16) bestelbusje per dag. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Het personeel komt over het algemeen gezamenlijk in 1 bestelbusje. Een worst-case scenario is ingevoerd in Aerius Calculator, bestaande uit 12 zware voertuigen en 1,2 middelzware voertuigen per etmaal tijdens de bouwfase.

200 100 200

50 50 60

27,78 14,02 33,09

22 128 40

Totale emissie

Liters diesel per uur*

Diesel Diesel Diesel

Belasting (%)

2014 2015 2014

Vermogen (kW)

Brandstof

Betonpomp Mobiele hijskraan Graafmachine Totaal

Bouwjaar

Op grond van deze uitgangspunten zijn de emissies van de mobiele werktuigen berekend. Werktuig

Draaiuren

Gebruik mobiele werktuigen Voor het bepalen van de emissie afkomstig van mobiele werktuigen op de locatie tijdens de bouwfase is gebruik gemaakt van de volgende gegevens. Dit betreffen de volgende gegevens: ▪ Bouwrijp maken locatie: 1 graafmachine gedurende 40 uur (2 dagen) ▪ Storten beton voor fundering: 1 betonpomp gedurende 10 uur ▪ Monteren staalskelet: 1 kraan gedurende 40 uur (3 dagen) ▪ Storten beton voor betonvloer: 1 betonpomp gedurende 12 uur ▪ Monteren betonpanelen: 1 kraan gedurende 8 uur ▪ Leggen kanaalplaatvloeren: 1 kraan gedurende 12 uur ▪ Monteren wand- en dakbeplating: 1 kraan gedurende 60 uur (5 dagen) ▪ Leggen dakisolatie: 1 kraan gedurende 8 uur

1,0 1,1 1,3 3,4

Tijdens de bouwfase is sprake van een toename van 7,5 kg NO x. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief. Door het saneren van de voormalige veehouderij komt de stikstofdepositie afkomstig van de veehouderij volledig te vervallen. Met het saneren van het agrarisch bedrijf wordt de uitstoot van ammoniak van vee vanuit het plangebied volledig gestaakt. Niet alleen vindt er geen stikstof uitstoot meer plaats omdat de bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd, maar ook ten gevolge van het wegvallen van onder andere het vrachtverkeer van en naar de locatie, neemt de uitstoot van stikstof af. Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden, maar heeft juist een positief effect op de Natura2000-gebieden

5.3

Archeologie en Cultuurhistorie

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 35 van 66 Vastgesteld

5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.

5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde

Vrijstellingsgrenzen

Archeologisch beschermd rijksmonument

0 m2 / 30 cm -Mv

Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten

35 m2 / 30 cm -Mv

Historische stads-/dorpskern

50 m2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde

100 m 2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein

1000 m2 / 30 cm -Mv

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 36 van 66 Vastgesteld

Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde

5 hectare / 30 cm -Mv

Reeds onderzocht

Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.

Verstoord

Geen onderzoeksplicht

Volgens de archeologische beleidskaart heeft het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m².

5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied een hoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Toetsing van de plannen De ontwikkeling overschrijdt bovenstaande vrijstellingsgrenzen. Er wordt meer geroerd dan 100 m² dieper dan 30 cm beneden maaiveld. Derhalve is archeologisch onderzoek uitgevoerd. In het kader van onderhavige ontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan geconcludeerd worden dan geen sprake is van een hoge archeologische verwachting maar een lage archeologische verwachting. Een nader archeologisch onderzoek wordt dan ook niet zinvol geacht. De archeologische dubbelbestemming kan dan ook verwijderd worden van het plangebied. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde.

Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend.

5.3.4

Cultuurhistorie

Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 37 van 66 Vastgesteld

de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening. In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen.

Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningsvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010.

Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is onderhavige locatie gelegen in de regio Maaskant. Deze regio maakt onderdeel uit van het jonge rivierkleilandschap van de Maas met zodanige oeverwallen en donken en lager gelegen open komgronden. Een gedeelte van regio Maaskant is onderdeel

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 38 van 66 Vastgesteld

van het cultuurhistorisch landschap Beerse en Baardwijkse Overlaat. Zo ook onderhavig plangebied. De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is: ▪ Behoud open landschap; ▪ Behoud en beleefbaar maken van eendenkooien, dijken, waterlopen, wielen en terpen; ▪ Natuurontwikkeling, waterberging en stedelijke uitbreiding afstemmen op de cultuurhistorische identiteit van de Beerse Overlaat; ▪ Vergroten cultuurhistorische waardering door vergroting van beleving. Onderhavige ontwikkeling tast de cultuurhistorische waarden in en rondom het plangebied niet aan.

5.4

Mobiliteit en parkeren

5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen Thans is op de locatie een kalvermesterij gevestigd. Voor deze functie zijn geen kencijfers beschikbaar voor het bepalen van de huidige verkeersgeneratie. Er wordt vanuit gegaan dat een kalvermesterij elke dag minimaal door 3 lichte voertuigen en 1 zwaar voertuig wordt bezocht. Een bedrijfswoning genereert 8 verkeersbewegingen. In totaal bedraagt de verkeersgeneratie in de huidige situatie 24 verkeersbewegingen per etmaal. De nieuwe situatie zorgt voor een wijziging in de verkeersstromen. Ten eerste vervalt het vrachtverkeer van en naar de locatie volledig met het saneren van de kalvermesterij. Conform de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ genereerd één vrijstaande woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen.

Uitgaande van een worst-case benadering genereren vier vrijstaande woningen is dagelijks 34,4 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 17,2 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de reeds bestaande in/uitrit op de Wijlseweg. Er worden geen nieuwe in/uitritten gerealiseerd ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Met het saneren van de intensieve veehouderij komen de transportbewegingen van en naar de locatie te vervallen met name zware verkeersbewegingen. Hiervoor in de plaats worden drie nieuwe woningen (waarvan één bestaand) mogelijk gemaakt. Verkeer: ontsluitingswegen De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de reeds bestaande in/uitrit op de Wijlseweg. Er worden geen nieuwe in/uitritten gerealiseerd ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Vanwege het initiatief zal weliswaar het aantal verkeersbewegingen toenemen. De omvang van de verkeersbewegingen zal echter afnemen aangezien het uitsluitend om personenauto’s gaat. Vrachtverkeer ten behoeve van de kalvermesterij zullen niet meer plaatsvinden.

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 39 van 66 Vastgesteld

Gezien de relatief lage intensiteit is de kans dat twee voertuigen elkaar tegenkomen relatief klein. Mocht in incidentele gevallen kunnen motorvoertuigen elkaar passeren bij zijwegen, inritten of af en toe in de berm. Dit zijn normale verkeerssituaties die zich op plattelandswegen voordoen. Het verloop van deze wegen met een aantal kruispunten en bochten heeft een gunstig effect op de snelheid.

5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Voor een vrijstaande woning geldt een parkeereis van 2,4 parkeerplaatsen. Er is op eigen terrein meer dan voldoende ruimte om deze parkeerplaatsen te realiseren. In dit stadium van het plan is de indeling van de woonkavels nog niet vastgelegd, hierdoor is de exacte locatie van deze parkeerplaatsen dan ook niet bekend. Aannemelijk is dat deze parkeerplaatsen bij ieder woonperceel aan de voorzijde c.q. zijkant worden gerealiseerd. Per woning zullen 3 parkeerplaatsen aanwezig zijn, hiermee wordt voldaan aan de geldende parkeernormen.

5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGRP een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 40 van 66 Vastgesteld

waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: ▪ Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; ▪ Voorkomen van vervuiling van water; ▪ Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer ▪ Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied.

Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

5.5.2

Watertoets

In onderhavige situatie is sprake van een afname van verharding. Er wordt circa 2.160 m² aan bebouwing gesloopt in het kader van onderhavig initiatief. De nieuw te realiseren bebouwing bedraagt slechts 300 m². Derhalve is er sprake van een aanzienlijke afname van verharding van 1.860 m². In het kader van onderhavig initiatief is een watertoets uitgevoerd. Op basis van de invoerde gegevens blijkt dat het planvoornemen één of meerdere waterbelangen raakt. Derhalve dient de normale procedure gevolgd te worden. Waterschap Aa en Maas wil graag meedenken over de voorgenomen ontwikkeling.

5.6

Defensie

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 41 van 66 Vastgesteld

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.

5.7

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: ▪ Bedrijven en milieuzonering ▪ Bodem ▪ Externe veiligheid ▪ Geurhinder: agrarisch ▪ Geur: industrieel ▪ Luchtkwaliteit ▪ Straling ▪ Weg-, spoor-, en industrielawaai ▪ Gezondheid ▪ Spuitzones

5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen.

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 42 van 66 Vastgesteld

Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. De richtafstandenlijst; 2. Twee omgevingstypen; 3. Een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd.

Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kan de ondergeschikte lichte bedrijvigheid milieuhinder veroorzaken voor de omgeving. De ondergeschikte bedrijvigheid betreffen uitsluitend bedrijfsfuncties uit milieucategorie 1 of 2. Dergelijke functies hebben een dermate beperkte milieubelasting dat deze naast milieugevoelige functies kunnen plaatsvinden. De lichte bedrijvigheid die deels binnen het plangebied wordt gefaciliteerd vormt daarmee geen belemmering voor woningen in de directe omgeving. De (nieuwe) woningen kunnen dus milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van bestaande milieubelastende functies. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar. De afstand is gemeten vanaf het bestemmingsvlak van de milieubelastende functie tot aan het bouwvlak van de (nieuwe) woningen. In de nabijheid van het plangebied (binnen een straal van 350 meter rondom het plangebied) zijn de volgende milieubelastende functies gelegen. Tabel 3.

Onderzoek naar de milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied Bedrijf Adres SBI-2008 Aan te houden afstanden

Afstand tot plangebied

Hovenier

Marenseweg 2

190 meter

Bedrijf max. categorie 2

Dijkstraat 6

016

Geur: 30 meter Stof: 10 meter Geluid: 50 meter Gevaar: 10 meter Grootste richtafstand: 100 meter

190 meter

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 43 van 66 Vastgesteld

Melkveehouderij

Liesdaalweg 8

0141,0142

Paardenhouderij

Provincialeweg 81

0143

Hotel

Provincialeweg 85

5510

Paardenhouderij

Marenseweg 1

0143

Varkenshouderij

Wijlseweg 13

0146

Geur: Stof: Geluid: Gevaar: Geur: Stof: Geluid: Gevaar: Geur: Stof: Geluid: Gevaar: Geur: Stof: Geluid: Gevaar: Geur: Stof: Geluid: Gevaar:

100 meter 30 meter 30 meter 0 meter 50 meter 30 meter 30 meter 0 meter 10 meter 0 meter 10 meter 0 meter 50 meter 30 meter 30 meter 0 meter 200 meter 30 meter 50 meter 0 meter

230 meter

240 meter

280 meter

280 meter

340 meter

Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Er is géén hindercontour die het plangebied overlapt. Omliggende bedrijven vormen daarmee geen belemmering voor het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat in de bestaande en nieuw te bouwen woningen.

5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat zintuigelijk tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen waargenomen. Plaatselijk zijn in de bovengrond resten met puin (baksteen) waargenomen. Met laboratoriumonderzoek is aangetoond dat de boven- en ondergrond licht verontreinigd zijn met zware metalen. Plaatselijk zijn in een veldschuur daarnaast lichte verontreinigingen met PAK, PCB en minerale olie aangetoond. Ter plaatse van de onbedekte drupzone van de veldschuur en stallen is zowel in de grove als fijne fractie zintuigelijk en analytisch geen asbest aangetroffen. Het grondwater is matig verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met barium, cadmium en kobalt.

Naar aanleiding van het matig verhoogd nikkelgehalte in het grondwater dient in principe een aanvullend onderzoek te worden aanbevolen. Vanwege het ontbreken van een bron van verontreiniging en het gegeven dat regionaal in het grondwater verhoogde gehaltes zware metalen voor kunnen komen wordt aanvullend grondwateronderzoek niet zinvol geacht.

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 44 van 66 Vastgesteld

De vastgestelde kwaliteit van de bodem geeft geen bezwaren voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Voor de omgevingsvergunning bouw (twee nieuwe woningen op de locatie) dient wel rekening te worden gehouden met aanvullend bodemonderzoek. Dit bodemonderzoek is noodzakelijk binnen de contouren van de bebouwing die op termijn worden gesloopt. Het onderzoek zal na voltooiing van de sloop en voor de bouw van de woningen uitgevoerd moeten worden. Het onderzoek dient te voldoen aan de NEN 5740. 5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.

Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar.

Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt.

Wijlseweg 11-11a – 2023, pag. 45 van 66 Vastgesteld

Met onderhavig initiatief worden er twee nieuwe woningen opgericht. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar burgerwoning en wordt de woning vallend onder het persoonsgebonden overgangsrecht gelegaliseerd. Derhalve is er sprake van in totaliteit vier kwetsbare objecten. Dit betekend dat er zeer zorgvuldig gekeken moet worden naar eventuele externe veiligheidsbronnen nabij het plangebied. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Noord-Brabant is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van deze risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen risicovolle bedrijven. Echter is het plangebied op basis van de beleidskaart Externe Veiligheid Oss wel gelegen binnen het invloedsgebied van de Provincialeweg (N625) en het invloedsgebied van de Maas. Invloedsgebied Provincialeweg N265 Het plangebied is gelegen op een afstand van 150 meter tot de Provincialeweg (N265). Conform het gemeentelijk beleid zijn langs waterwegen provinciale en gemeentelijke wegen, vanwege de beperkte vervoersomvang van gevaarlijke stoffen, geen kaders opgenomen. Het risico op een ongeval van gevaarlijke stoffen is hier dusdanig klein dat er voor is gekozen om niet van tevoren ruimtelijke keuzes te maken.

Inventarisatie invloedsgebied rivier de Maas Onderhavige ontwikkeling valt binnen het invloedsgebied van rivier de Maas. De afstand tussen het plangebied en de Maas bedraagt 750 meter. Conform het gemeentelijke beleid is bij een afstand van meer dan 300 meter sprake van zone IV. Bij zone IV wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In het gemeentelijk beleid is hiervoor een standaardverantwoording opgenomen. Deze verantwoording wordt hieronder beschreven.

Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: ▪ vanwege de afstand tot de plaats een mogelijk incident; ▪ de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas), het groepsrisico niet significant zal toenemen. Mogelijkheden tot beperking groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item. ▪ Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico; ▪ De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde ‘risicoprofiel’. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende risico is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=9da054bb-87e5-4193-a64a-897098852e6c