t_NL.IMRO.0828.BPveldekestraatoss-VG01
Tekst van het document
Bij uitvoering van de werkzaamheden gaan geen verblijfplaatsen of essentiële onderdelen van het leefgebied van beschermde soorten verloren. Om de voorgenomen ontwikkeling te kunnen realiseren zijn verder ook geen procedurele vervolgstappen noodzakelijk. Wel worden onderstaande voorzorgsmaatregelen voorgeschreven ter voorkoming van schade aan soorten. De maatregelen zijn bindend van toepassing bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Het niet toepassen van deze maatregelen leidt mogelijk tot overtreding van de Omgevingswet. Afwijken van onderstaande maatregelen kan alleen plaatsvinden na afstemming met een deskundig ecoloog. 1. Maatregelen vleermuizen Beperk verlichting: vleermuizen zijn gevoelig voor verlichting en vermijden locaties met kunstlicht. Bij toepassing van tijdelijke bouwplaats verlichting en permanent verlichting in de nieuwe situatie is het daarom noodzakelijk terughoudend te zijn in het toepassen van verlichting en gebruik te maken van objectgerichte armatuur. Op deze wijze wordt uitstraling van licht naar de omgeving voorkomen en blijft het maximaal donker in en om het plangebied; met name in de zone waar vleermuizen foerageren. 2.
Algemene broedvogels Werk buiten het broedseizoen: om de vestiging van algemene broedvogels te voorkomen kunnen werkzaamheden aan bomen en struiken (rooien of snoeien) en de sloop van gebouwen het beste worden uitgevoerd in de periode tussen half augustus en half maart. Op deze wijze wordt gewerkt buiten het seizoen waarin de meeste vogels broeden. Wanneer wel rooi- of sloopwerkzaamheden plaatsvinden in het broedseizoen (tussen half maart en half augustus) dient het plangebied vooraf door een ecoloog te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van algemene broedvogels en broedvogels uit categorie 5 (ekster). In verband met de aanwezigheid en ligging van het plangebied ten opzichte van aangetroffen broedvogels is tijdens de werkzaamheden ecologische begeleiding noodzakelijk. Deze dient, afgestemd op de werkzaamheden en het seizoen twee tot vier wekelijks plaats te vinden. 3. Algemene zorgplicht Pas de algemene zorgplicht toe: Bij uitvoering van werkzaamheden is te allen tijde en voor alle soortgroepen de zorgplicht van toepassing. Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen van ruimtelijk inrichting en ontwikkeling (en bestendig beheer en onderhoud) voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden.
Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden algemeen beschermde soorten als konijn, egel of gewone pad worden aangetroffen, zij de ruimte en tijd moeten krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren voorzichtig verplaatst worden naar een naastgelegen locatie waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden.
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 30 van 58
Verder wordt bij het uitvoeren van de werkzaamheden en de toekomstige inrichting van het plangebied aanbevolen zo veel als mogelijk rekening te houden met flora en fauna. Specifiek gelet op de huidige functie van het plangebied voor vleermuizen en broedvogels. Toepassing van onderstaande aanbevelingen vindt plaats op vrijwillige basis en draagt bij aan de algemene bescherming en ontwikkeling van biodiversiteit in ons land (er geldt geen wettelijke plicht voor het toepassen van deze aanbevelingen). Wij adviseren voor dit project de volgende maatregelen: • Waar mogelijk behouden of ontwikkelen van bomen en groenstructuren in het plangebied. Specifiek de bomenrij parallel aan de Van Veldekestraat en Coornhertstraat. Door in de toekomstige situatie te zorgen voor perken en andere onverharde delen van het terrein (gazons, borders etc.) en waar mogelijk bomen of struiken te sparen of aan te planten blijft het leefgebied van soorten behouden of wordt het verder versterkt. • Bij het uitwerken van een inrichtingsplan voor de buitenruimte verdient het aanbeveling zo veel als mogelijk te kiezen voor inheemse bloem en/of bes dragende soorten. Hiermee ontstaan voedselbronnen voor zoogdieren, vogels en insecten. Tevens is het voor veel fauna de aanwezigheid van ongestoorde (natuurlijke) begroeiing belangrijk.
Deze kan worden gerealiseerd door bijvoorbeeld de randen van het terrein niet of alleen extensief te beheren. Op deze manier ontstaan spontane groeiplaatsen van inheemse soorten en kan zich een vegetatie structuur ontwikkelen waarin fauna kan schuilen of foerageren. • Realiseer in de nieuwbouw geïntegreerde broed- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende soorten zoals gierzwaluw, huismus, zwarte roodstaart, witte kwikstaart en vleermuizen. De locatie van het plangebied en de voorgenomen ontwikkeling lenen zich uitstekend voor het aanbrengen van dergelijke verblijfplaatsen voor bovengenoemde soorten die als gevolg van de hedendaagse efficiënte woningbouw moeilijk een broed- of verblijfplaats kunnen vinden. Op deze manier kan de lokale populatie op een duurzame manier worden ondersteund. De voorzorgsmaatregelen zullen worden opgevolgd in de sloop- en bouwfase. Voorts worden de aanbevelingen meegenomen ter overweging in de verdere uitwerking van het bouwplan. 5.2
Archeologie en Cultuurhistorie
5.2.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 31 van 58
Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.
5.2.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld.
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 32 van 58
Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten Historische stads-/dorpskern Hoge verwachtingswaarde Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde Reeds onderzocht Verstoord
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv 35 m2 / 30 cm -Mv 50 m2 / 30 cm -Mv 100 m 2 / 30 cm -Mv 1000 m2 / 30 cm -Mv 5 hectare / 30 cm -Mv Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek. Geen onderzoeksplicht
5.2.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is de locatie gelegen binnen het gebied ‘bebouwing Oss’. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Toetsing van de plannen Door Synthegra Archeologie is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Concluderend wordt er gesteld dat in het plangebied naar verwachting sprake is van een terrasvlakte (Formatie van Kreftenheye) met daarop dekzand (Formatie van Boxtel). Mogelijk heeft in het dekzand bodemvorming plaatsgevonden. Naar verwachting is de bodem alleen ter hoogte van de bebouwing deels verstoord, met een maximale diepte van 1 meter beneden maaiveld. In het plangebied kunnen archeologische vindplaatsen verwacht worden. Op basis van het bureauonderzoek kunnen deze in het gehele plangebied voorkomen, en kunnen de resten zich ook al vanaf het maaiveld voordoen, tot diep in de C-horizont, of in de intacte bodemhorizonten. Eventueel kunnen oudere resten zich nog bevinden in de top van de terrasvlakte. Verder kunnen er naar verwachting vuurstenenvindplaatsen uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum en Nederzettingsresten vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd worden aangetroffen.
Naar verwachting zal het echter voornamelijk gaan om nederzettingsresten vanaf het Laat Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Aangezien de bodem tot ca. 2/3 meter verstoord zal worden, komen eventuele archeologische resten in gevaar. Vervolgonderzoek is daarom noodzakelijk. Op grond van het bureaonderzoek wordt een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) geadviseerd om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Voor dit proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het proefsleuvenonderzoek vastgelegd. Hierbij moet ca. 12% van het plangebied onderzocht worden. Het plangebied is 6500m2, waardoor het advies is om vier sleuven van 4x50 meter te leggen door het plangebied. Dit komt uit op 800m2, wat voldoende is (12% van 6500m2 komt neer op 780 m2). Selectiebesluit Door de gemeentelijk archeoloog is een besluit genomen ten aanzien van het archeologisch vervolgtraject (adviesnummer MP23a55). Uit het besluit volgt dat de gemeente Oss het advies van Synthegra overneemt. In het gehele plangebied is archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek noodzakelijk.
Op basis van dit proefsleuvenonderzoek kan dan worden bepaald of er verder onderzoek nodig is en hoe dit er dan uit dient te zien (sloopbegeleiding en/of opgraving).
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 33 van 58
Het hiervoor genoemde proefsleuvenonderzoek wordt momenteel uitgevoerd conform de in het besluit genoemde richtlijnen. De uitkomsten en eventuele vervolgstappen worden richting vaststelling opgenomen in deze toelichting. Zolang het plangebied een (te verwachte) archeologische waarde heeft en deze nog niet volledig is onderzocht (definitief vrijgegeven), dienen deze planologisch beschermd te blijven door middel van een dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie verwachtingswaarde hoog’. In onderhavig ontwerpbestemmingsplan is deze dubbelbestemming dan ook opgenomen.
5.2.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.
De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 34 van 58
omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Binnen het plangebied zijn geen waarden zoals opgenomen in de cultuurhistorische waardenkaart van zowel de gemeente als de provincie Noord-Brabant gelegen. Om deze reden wordt er met de beoogde ontwikkeling geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische elementen van de gemeente Oss. Het onderdeel cultuurhistorie vormt om deze reden geen bezwaar tegen de beoogde ontwikkeling.
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 35 van 58
5.3
Mobiliteit en parkeren
5.4.1 Verkeer In juli 2023 is de Koersnota Mobiliteit Oss vastgesteld. In de nota omschrijft het college in grote lijnen hoe het de komende jaren met verkeer en mobiliteit in de stad wil omgaan. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Op basis van CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’ kan een inschatting worden gemaakt van de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie. Uitgangspunt is de gemiddelde norm. Conform de gemeentelijke ‘Nota Parkeernormen Oss 2023’ wordt uitgegaan van de stedelijkheidsgraad ‘sterk stedelijk’ en ligging in ‘rest bebouwde kom’. Verkeersgeneratie nieuwe situatie Functie Omvang Huur, 74 appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)
Eenheid Per woning
Norm 3,6
Eenheid Motorvoertuigen per etmaal
Verkeersgeneratie 266,4
Het plangebied ontsluit over de Van Veldekestraat. Met de beoogde ontwikkeling neemt de verkeersbelasting met maximaal 266,4 mvt/etmaal toe. Aangenomen wordt dat de Van Veldekestraat de geplande ontwikkeling goed kan opvangen. 5.4.2 Parkeren Beoogd is de bestaande bebouwing op de planlocatie te slopen en hier in een tweetal woongebouwen 74 appartementen te realiseren. Deze ontwikkeling brengt een parkeerbehoefte voor auto en fiets met zich mee waarvoor voldoende parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. De gemeente Oss heeft gemeentelijk parkeerbeleid vastgesteld. De ‘Nota Parkeernormen Oss 2023’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Het plangebied is gelegen binnen de kern van Oss, waarvoor de stedelijkheidsgraad ‘sterk stedelijk’ geldt. Meer specifiek ligt het plangebied binnen ‘Rest bebouwde kom Oss’. De beoogde appartementen worden gerealiseerd in de prijsstelling ‘sociale en middenhuur’. Autoparkeren Functie
Omvang
Eenheid
Norm
Eenheid
Appartementen, sociale en middenhuur, 50 - 75 m2 GBO Totaal afgerond
74
Per woning
0,8
Per woning
Aantal p.p. 59,2
60
Aandeel bezoekers 0,15
Aantal p.p. 11,1
12
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is parkeren op eigen terrein het uitgangspunt. Echter, gelet op de ligging van het plangebied in het groene Elzeneindpark is het realiseren van een groot aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied ongewenst. Om na te gaan of de parkeerplaatsen in de openbare ruimte gebruikt kunnen worden om (een deel van) de parkeerbehoefte van de nieuwbouwwoningen op te vangen, is door Tritium Advies middels een parkeeronderzoek de huidige parkeerdruk in de directe
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 36 van 58
omgeving van het plangebied in beeld gebracht. De conclusies uit het parkeeronderzoek zijn hierna weergegeven. Het parkeeronderzoek is uitgevoerd binnen een loopafstand van 100 meter vanaf het plangebied. Er zijn in totaal vier tellingen uitgevoerd op maatgevende momenten (werkdagavond en werkdagnacht). Uit de telmomenten is gebleken dat de hoogste bezettingsgraad 47,0% bedroeg. Conform de gemeentelijke parkeernota mag de bezettingsgraad in de omgeving, inclusief de nieuwe ontwikkeling, niet hoger worden dan 85%. Dit betekent dat er nog maximaal 75 parkeerplaatsen benut kunnen worden in de openbare ruimte, binnen een loopafstand van 100 meter vanaf het plangebied, zonder dat de parkeerdruk te hoog wordt en de maximale bezettingsgraad van 85% wordt overschreden. De restcapaciteit van 75 parkeerplaatsen in openbaar gebied is meer dan de totale parkeerbehoefte van 72 parkeerplaatsen. Binnen onderhavig plangebied worden tenminste nog 8 parkeerplaatsen gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling voldoet hiermee ruimschoots aan de gemeentelijke parkeernormen. Fietsparkeren Functie
Omvang
Eenheid
Norm
Eenheid
Appartementen, sociale en middenhuur, 50 - 75 m2 GBO Totaal afgerond
74
Per woning
2,25
Per woning
Aantal p.p. 166,5
167
Aandeel bezoekers 0,5 (vanaf 21e woning in 1 bouwblok 0,25)
Aantal p.p. 28,5
29
De totale fietsparkeerbehoefte bedraagt 196 parkeerplaatsen. Op de begane grond van de woongebouwen komt een collectieve fietsenstalling met voldoende ruimte om in deze behoefte te voorzien. In de nadere uitwerking van de collectieve fietsenstalling zal worden voldaan aan de gemeentelijke eisen zoals benoemd in de Parkeernota.
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 37 van 58
5.4
Water
5.4.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 20232029). Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. In bebouwd gebied vraagt de zorg voor oppervlaktewater extra aandacht. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.
In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘ Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 38 van 58
waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m 2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm.
De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1 Hergebruik 2 Infiltratie/bergen 3 Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1 De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2 De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3 Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4 De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5 Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
5.5.2 Watertoets Ten behoeve van het planvoornemen is de Digitale Watertoets doorlopen. Het resultaat hiervan is opgenomen als bijlage bij onderhavige plantoelichting. Bepaling verhard oppervlak In de gewenste situatie worden binnen het plangebied in een tweetal woongebouwen 74 appartementen gerealiseerd. Het plangebied kent een totaal oppervlak van 6470 m 2. Het dakoppervlak in de bestaande situatie bedraagt 1000 m2 (totaal van twee gebouwen) en de huidige parkeeroplossing geeft 175 m 2 aan verharding. In de toekomstige situatie is het dakoppervlak 1100 m 2 (totaal van twee gebouwen) en geeft de nieuwe parkeeroplossing 190 m2 aan verharding. De totale toename aan verharding bedraagt 115 m 2 ten opzichte van de bestaande situatie en komt hiermee uit 1290m2 verharding in totaal.
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 39 van 58
Bodemopbouw Er is door BOOT organiserend ingenieursbureau een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Binnen het huidige plangebied zijn 16 boringen gedaan. In navolgend figuur is de regionale bodemopbouw weergegeven.
Grondwater De grondwaterstand en de fluctuatie hiervan zijn van grote betekenis voor de water- en luchthuishouding van de grond en spelen een rol in de beoordeling van de gebruikswaarde van de grond. Binnen het plangebied zijn geen grondwatermetingen bij dinoloket bekend (dinoloket.nl; 25-09- 2023). De dichtstbijzijnde grondwaterpeilbuis is B45E0484, welke zich op circa 200 m afstand van het plangebied bevindt. Op deze locatie is er gemeten van 1968-1980. Dit betekent dat er in de directe omgeving van het projectgebied geen recente grondwaterreeksen beschikbaar zijn in dinoloket. Een meer recente informatiebron is het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door BOOT organiserend ingenieursbureau. In de onderzoeksrapportage is gesteld dat het grondwater zich bevindt op circa 160 cm-mv. De hoogte van het maaiveld op de onderzoekslocatie bevindt zich op circa 7 meter boven NAP. Afvalwater Per woongebouw zal één afvalwaterleiding naar buiten komen voor aansluiting op de bestaande inspectieput(ten). Voorts wordt rekening gehouden worden met de minimale afstand van de nieuwbouw tot de bestaande riolering. Op deze locatie is dat minimaal 2,5m t.o.v. het hart van de aanwezige riolering (beton rond 400mm). In de nadere uitwerking van de plannen zal hier in samenspraak met de gemeente rekening mee worden gehouden.
Bergingsopgave Binnen het plangebied zal voldoende ontwateringsdiepte zijn om het hemelwater vanaf verharding in de bodem te infiltreren. Het gemeentelijk beleid is leidend op deze locatie omdat de toename van verharding kleiner is dan 500m2. In totaal is hier sprake van een totale verharding van 1290m 2 met een beringseis van 25mm per m2 verhard oppervlak. Dit resulteert in (1290m2 * 0,025 =) 32,3m³ waterberging op eigen terrein te realiseren. De waterberging dient op eigen terrein, ter hoogte van de woongebouwen, te worden gerealiseerd. Concreet kan worden gedacht aan het toepassen van groene daken, inpandig waterhergebruiksysteem of bergingskelder. In de nadere uitwerking van de plannen zal in samenspraak met de gemeente invulling worden gegeven aan de bergingsopgave. 5.5
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn:
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 40 van 58
-
Radarverstoringsgebieden; Obstakelbeheergebieden; Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen.
Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 41 van 58
5.6
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? 5.6.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. In de VNG-brochure is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. In de lijst is op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, geur en gevaar) een indicatie gegeven van de afstand tussen bedrijven en hindergevoelige functies waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden.
Het doel van de milieuzonering is tweeledig; door het toepassen van milieuzonering wordt hinder ter plaatse van woningen of andere gevoelige objecten al in het ruimtelijk spoor voorkomen; door het toepassen van milieuzonering wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun activiteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Op basis van de indicatieve afstanden zijn de bedrijven op de bedrijvenlijst in de VNG-handreiking ingedeeld in milieucategorieën die variëren van categorie 1 (indicatieve afstand van 10 meter) tot categorie 6 (indicatieve afstand van 1.500 meter). Als aan de indicatieve afstand kan worden voldaan, is een activiteit qua milieuhinder inpasbaar. Enerzijds is dan ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten (waaronder woningen) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, anderzijds heeft het bedrijf voldoende zekerheid dat de bedrijfsactiviteiten binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen worden uitgeoefend. In de VNG-brochure worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/’rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden uit de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een daarmee vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied).
De indicatieve afstanden zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een 'rustige woonwijk'. Voor woningen in een 'gemengd gebied' mag de indicatieve afstand worden gecorrigeerd en kan de afstand met één trede worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Gezien het plangebied is gelegen binnen een woonwijk en derhalve hoofdzakelijk wordt omgeven door woonbestemmingen, is het plangebied aan te merken als ‘rustig gebied’. De nieuwe woningen vormen geen bedrijfsmatige activiteiten ten opzichte van de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. De woonbestemming is zelf wel kwetsbaar voor eventuele bedrijfsactiviteiten in de directe omgeving. Naast woonbestemmingen liggen in de directe omgeving van het plangebied enkele maatschappelijke bestemmingen. Gelet op de beperkte bedrijfsactiviteiten die hier toelaatbaar zijn en de (ruim) voldoende onderlinge afstand ontstaan hier echter wederzijds geen belemmeringen en/of hinder. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering.
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 42 van 58
5.6.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Er is door BOOT organiserend ingenieursbureau een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5740. De conclusies van dit onderzoek zijn hierna weergegeven. • •
• •
In de bovengrond zijn bijmengingen met baksteen en beton aangetroffen, de bijmengingen met beton zijn mogelijk asbestverdacht. In de bovengrond zijn, met uitzondering van PCB (som) in monster BG02, geen overschrijdingen geen van de onderzochte parameters aangetoond. Alle monsters van de boven- en ondergrond voldoen aan de achtergrondwaarden. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties ten opzichte van de streefwaarde aangetoond. De aangetoonde concentraties in de bodem vormen in milieuhygiënische zin geen belemmering voor het toekomstig gebruik als appartementencomplex.
Op basis van onderhavig onderzoek is de bodemkwaliteit voldoende vastgelegd. Geadviseerd wordt om na sloop van de bestaande panden een aanvullend verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uit te voeren ter plaatse van de gesloopte locaties. Daarnaast wordt geadviseerd om verkennend asbestonderzoek conform NEN5707 uit te voeren ter plaatse van de gesloopte locaties, alsmede op de plekken waar in onderhavig onderzoek beton is aangetoond.
5.6.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.
In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 43 van 58
ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt.
Onderhavige ontwikkeling met de bouw van 74 woningen wordt aangemerkt als kwetsbaar object. Risicovolle inrichtingen In de direct omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Risicovolle inrichtingen geven geen beperkingen voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Buisleidingen In de direct omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Buisleidingen geven geen beperkingen voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen Het plangebied is niet gelegen binnen een invloedzone. De afstand ten opzichte van het spoor is ruim 570 meter. Over de spoorlijn ’s-Hertogenbosch – Nijmegen worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het invloedgebied van deze transportroute is 3 kilometer. Om deze reden dient het groepsrisico verder te worden verantwoord. Deze verantwoording is in advies afgegeven door Veiligheidsregio Noord-Brabant en hierna opgenomen. Het relevante scenario i.r.t het plangebied is een toxische wolk. Een toxische wolk wordt veroorzaakt door een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank. Hierdoor ontstaat een gat in de tank. waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Voor het scenario toxische wolk is schuilen het beste handelingsperspectief. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Indien schuilen niet mogelijk is dient het plangebied eenvoudig ontvlucht te kunnen worden. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Beoordeling bestrijdbaarheid
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 44 van 58
Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit oogpunt van externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling. 5.6.4 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid.
Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Aangezien aan de bedrijfs- en milieuzonering van de omliggende bedrijven kan worden voldaan kan worden geconcludeerd dat het onderdeel geur industrieel geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 5.6.5 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren.
Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 45 van 58
aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit.
Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft in principe niet getoetst te worden aan de grenswaarden.
Luchtkwaliteit ter plaatse Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De waarden zijn afkomstig van de digitale Atlas Leefomgeving van de Rijksoverheid. Stof NO2
Jaar 2021 14,8 μg/m3
Grenswaarde 40 μg/m3
Advieswaarde 10 μg/m3
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 46 van 58
PM10 PM2,5
17,8 μg/m3 10,7 μg/m3
40 μg/m3 20 μg/m3
15 μg/m3 5 μg/m3
Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO 2, PM10 en PM2,5. De huidige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.
5.6.6 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Het plangebied ligt op ruim 2 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde hoogspanningstracé en is hiermee ver buiten de invloed zone van een bovengrondse hoogspanningsleiding gelegen. Om deze reden vormt het onderdeel straling geen beperkende factor voor de beoogde ontwikkeling. 5.6.7 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten.
De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden.
Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 47 van 58
Railverkeer en industrielawaai De afstand tussen de spoorlijn ’s-Hertogenbosch – Nijmegen is ruim 570 meter. De voorkeursgrenswaarde voor railwegverkeer is 55 dB. Uit de geluidskaart spoorwegen binnen de PDOK-viewer blijkt dat de 55 dB grens ver buiten het plangebied gelegen is. Gezien deze inschatting, de afstand tussen het spoor en het plangebied en de diverse tussengelegen bouwwerken kan worden gesteld dat spoorweglawaai niet in betekende mate zal bijdrage aan de gevelbelasting op de beoogde woningen.
Het plangebied is daarnaast op grote afstand gelegen van een geluidgezoneerd industrieterrein. Om deze reden is een onderzoek industrielawaai niet aan de orde. Onderzoek wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, in de geluidzone van de Schaepmanlaan. Voor de Bilderdijkstraat, de Van Veldekestraat en de Coornhertstraat geldt een maximale rijsnelheid van 30 km/uur. Ondanks het feit dat er geen sprake is van een geluidzone langs deze wegen, zal de geluidbelasting vanwege deze wegen toch worden beschouwd. De overige wegen liggen op grotere afstand van het plangebied en/of de verkeersintensiteit is er dusdanig gering, dat deze wegen niet relevant zijn met betrekking tot de geluidbelasting. Door SPA WNP ingenieurs is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting bij de nieuwe woningen, ten gevolge van het verkeer op de: • •
Schaepmanlaan ruim lager is dan de voorkeurswaarde van 48 dB. De Wet geluidhinder vormt dan ook geen belemmering voor het realiseren van de nieuwe appartementen; 30 km/uur wegen ruim lager is dan de voorkeurswaarde van 48 dB. Op basis hiervan wordt gesteld dat de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de 30 km/uur wegen aanvaardbaar is.
De gecumuleerde geluidbelasting, zonder aftrek 110g Wet geluidhinder, bedraagt maximaal 48 dB. Dit betekent dat de karakteristieke geluidwering van de verblijfsgebieden minimaal 20 dB moet bedragen.
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 48 van 58
Normaliter wordt met moderne standaard bouwmaterialen (dubbele beglazing, geïsoleerd dak, normale ventilatie voorzieningen, die voldoen aan een geluideis van Rq;a ≥ 0 dB), voldaan aan de minimale geluidwering van de gevels. 5.7.9 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is.
Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen).
Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan
Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024, pag. 49 van 58
het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Het plangebied is op meer dan 2 kilometer gelegen van een geitenhouderij. Om deze reden kan worden geconcludeerd dat de nabijheid van een geitenhouderij geen belemmeringen biedt voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling.
5.7
Milieueffectrapportage (M.e.r.)
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.