CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

t NL IMRO 0828 BPhrnwrkvidreorvn-ON01

Adviescommissie Ruimte 8 februari 2024, gemeente OssBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan ‘Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein - 2023’22.763 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

J. Verwevingsgebied

14,0 Ou

K. Landbouwontwikkelingsgebied

14,0 Ou

Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in het mogelijk maken van een gemeenschapshuis in het plangebied. Daar onderdeel van het gemeenschapshuis ook verblijfruimten voor samenkomst voor diverse groepen bevat is dit een geurgevoelige object in de zin van de Wgv. Echter, door de grote afstand tot agrarische bedrijven vormt agrarische geurhinder in principe geen belemmering voor uitvoering van dit plan. Wel zal er nog een geuronderzoek worden opgesteld.f 5.7.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig;

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 54 van 66 Ontwerp 12-12-2023

-

als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is.

Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in het toevoegen van geurgevoelige objecten (zie ook 5.7.4) maar gelet op de omgeving waarin geen bedrijven naast het plangebied zijn gelegen vormt dat in principe geen belemmering voor het plan. Wel zal er nog een geuronderzoek worden opgesteld. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot geur: industrieel. 5.7.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.).

Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen.

Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 55 van 66 Ontwerp 12-12-2023

De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit.

Planspecifiek Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de gegevens van atlasleefomgeving.nl. Door de concentraties ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De volgende concentraties komen naar voren: NO2 PM10 PM2,5 (fijnere (stikstofdioxide) (fijnstof) fractie van fijnstof) Gemeten totale concentratie 14,7 µg/m³ 16,2 µg/m³ 9,3 µg/m³ jaargemiddelde 2020 (µg/m³) Grenswaarde concentratie 40 µg/m³ 40 µg/m³ 25 µg/m³ (µg/m³) De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (een gemeenschapshuis) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3% toevoegen, gelijk aan 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten beperkte toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het plan, is te concluderen dat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

5.7.8 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Planspecifiek In de omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen gelegen. Hierdoor is ter hoogte van het plangebied geen sprake van een zone met een magnetisch veld van 0,4 microtesla. Straling levert geen belemmeringen op voor het plan. Het plan is uitvoerbaar vanuit het aspect straling. 5.7.10 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein.

In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde)

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 56 van 66 Ontwerp 12-12-2023

opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie.

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Planspecifiek Met voorliggend plan worden geen geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder mogelijk gemaakt. Nadere toetsing aan het aspect geluid die deze nieuwe functie mogelijk op de omgeving uitoefent is nog wel nodig en daarom zal er een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Het plan is in principe uitvoerbaar met betrekking tot geluid. 5.7.11 Gezondheid Gezondheid:

Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.

In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 57 van 66 Ontwerp 12-12-2023

vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b.

terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Planspecifiek Met voorliggend plan worden geen woningen mogelijk gemaakt. Binnen een straal van 2 kilometer rond het plangebied bevinden zich geen geitenhouderijen. Het aspect gezondheid levert geen belemmeringen ten aanzien van het plan. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot gezondheid. 5.7.12 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat.

Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een richtafstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits er een locatie specifiek onderzoek wordt uitgevoerd. Planspecifiek Het plan betreft het mogelijk maken van een gemeenschapshuis. Dit is geen gevoelige functie in het kader van spuitzonering. Binnen een richtafstand van 50 m bevinden zich geen bedrijven die vanuit dit aspect een risico vormen. Spuitzonering levert geen belemmeringen op voor het plan. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect spuitzones.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 58 van 66 Ontwerp 12-12-2023

5.7.13 Niet gesprongen explosieven Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling is de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten binnen het plangebied onderzocht. Het gebied is afgezocht om de in de toekomst geplande werkzaamheden veilig uit te kunnen voeren. In bijlage 6 is de rapportage vindbaar. Bij het onderzoek zijn geen verdachte objecten waargenomen in het onderzoeksgebied. Het onderzochte gebied wordt vrijgegeven van ontplofbare oorlogsresten, zodat eventuele vervolgwerkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd. 5.8 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend.

In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen.

Bovenstaande geldt alleen voor projecten die een stedelijke ontwikkeling zijn. Dat is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Op basis van jurisprudentie is grip ontstaan op de vraag wat substantieel is. Dat is in beginsel en onder meer het geval bij woningplannen van meer dan 11 woningen als ook andere stedelijke plannen met een gebouw van 500 m2 of groter. Verantwoording Onderhavig initiatief betreft geen nieuwe stedelijk ontwikkeling waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling niet nodig is.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 59 van 66 Ontwerp 12-12-2023

Het plan is uitvoerbaar vanuit het aspect milieueffectrapportage. Hoofdstuk 6

Toelichting op de regels

6.1 Algemeen Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan Vidi Reo is gekozen voor een gedetailleerde regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 tot en met 7), de algemene regels (artikelen 8 tot en met 14 en de overgangs- en slotregels (de artikelen 15 en 16). In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht. 6.2 Regels Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen.

Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Gemengd Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Gemengd’ aan. Binnen deze bestemming vindt het gebruik als buurthuis plaats. Zowel de bebouwing (in het bouwvlak) als het gebruik als buitenruimte Artikel 4: Groen Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Groen’ aan. Binnen deze bestemming zijn de groenvoorzieningen, de speel- en verblijfsvoorzieningen en kunstobjecten mogelijk. Tevens zijn voorzieningen voor langzaam verkeer en nutsvoorzieningen mogelijk. Artikel 5: Verkeer – Verblijf Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Verkeer – Verblijf’ aan. Hier zijn de toegangsweg en het parkeerterrein mogelijk. Ook terrein voor markten, standplaatsen, terrassen en evenementen. Maar ook de functies die binnen de bestemming Groen mogelijk zijn.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 60 van 66 Ontwerp 12-12-2023

Artikel 6: Waarde – Archeologie historische kern Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische kern’ aan. Artikel 7: Waarde – Beschermd stadsgezicht Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waarde – Beschermd stadsgezicht’ aan. Artikel 8: Waarde – Rijksmonumentaal terrein Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waarde – Rijksmonumentaal terrein’ aan. Artikel 9: Waterstaat – Waterkering Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ aan. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 10: Anti-dubbeltelregel Dit artikel verhindert dat grond dubbel geteld wordt bij de beoordeling van latere bouwplannen. Artikel 11: Algemene bouwregels Dit artikel regelt algemene regels voor het bouwen binnen het plangebied. Artikel 12: Algemene gebruiksregels Dit artikel regelt algemene regels voor het gebruik binnen het plangebied. Artikel 13: Algemene aanduidingsregels Dit artikel regelt algemene regels rond de aanduidingen in het plangebied. Artikel 14: Afwijken van de bouwregels algemeen Dit artikel regelt zaken waarvoor afgeweken kan worden van de geldende bouwregels.

Artikel 15: Algemene wijzigingsregels Dit artikel regelt de mogelijkheden voor het bevoegd gezag om het plan te wijzigen. Artikel 16: Overige regels Dit artikel regelt de overige regels met betrekking tot het plan. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 17: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 18: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 61 van 66 Ontwerp 12-12-2023

Hoofdstuk 7

Handhaving

7.1 Beleidskader Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: - het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; - het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; - zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.

Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: - het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; - nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven. 7.2 Professionele handhaving en handhavingsprogramma De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd.

Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 62 van 66 Ontwerp 12-12-2023

7.3 Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik.

Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk. Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee mee recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor.

Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 63 van 66 Ontwerp 12-12-2023

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden waarvoor binnen de gemeentelijke begroting budgetten aanwezig zijn. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: • • •

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Bij aanvang 2023 was voor zowel 2023 als 2024 jaarlijks een budget beschikbaar voor de voorbereidingskosten met dekking uit de reserve IVB. Conform de MIP 2023 past het gereserveerde budget van het gebouw binnen de afspraak van het nieuwe kengetal voor ontmoeten zoals besloten in het college advies van 29-08-2023. Vanwege het bijzondere gebied en de bijzondere omstandigheden is het gereserveerde budget hier wat hoger geraamd. In de meerjarenbegroting 2024-2027 is er een reservering opgenomen voor de investering van de realisatie van het nieuwe Vidi Reo te bouwen op het Hoornwerk gepland in 2025 en 2026. Deze zijn terug te lezen in de bijlage bij hoofdstuk 8 economische uitvoerbaarheid (niet openbaar). Voor de investeringen in de openbare ruimte is een bedrag geraamd, ook dit is terug te lezen in bijlage bij hoofdstuk 8 economische uitvoerbaarheid. Met dit bedrag kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd, die nodig zijn om het nieuwe gemeenschapshuis op het Hoornwerk te laten functioneren. De kosten voor het uitvoeren van de gebiedsvisie zijn in dit budget nog niet meegenomen. Doelstelling is om in Q1 2024 het Voorontwerp van het gebouw en het gebied verder uit te werken naar een effectief en efficiënt gebouw. Waarna we in Q2 2024 het Voorontwerp van het gebouw en de gebiedsvisie en de benodigde kosten hiervan inzichtelijk hebben.

Een consequentie van het in ontwikkeling nemen van deze locatie is dat er nieuwe openbare ruimte ontstaat die onderhouden moet worden. Er is namelijk sprake van areaaluitbreiding bij de locatie Hoornwerk. De locatie wordt uiteindelijk door de gemeente onderhouden. Hierdoor stijgen de kosten voor het beheer en onderhoud van de openbare ruimte met een structureel bedrag van circa € 9.000,-. Het gaat hierbij om de kosten van het dagelijks en groot onderhoud van verhardingen, openbare verlichting en het groen. Deze cijfers worden na oplevering in MARAP 2-2026 financieel verwerkt. De openbare ruimte behorend bij het gemeenschapshuis wordt door de initiatiefnemer zelf onderhouden. Mogelijke risico’s met betrekking tot de economische uitvoerbaarheid zijn: • Het archeologisch onderzoeksrapport stelt voor het gehele plangebied ‘behoud in situ, daar waar niet mogelijk en bodemverstoring (dieper dan 0,3 meter beneden maaiveld) plaats gaat vinden is archeologische opgraving nodig. Dit is een extra kostenpost die meetelt bij de uitvoerbaarheid / haalbaarheid.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 64 van 66 Ontwerp 12-12-2023

• •

• •

•

•

Aanvullende deelplannen zoals de gebiedsvisie (buiten het plangebied) wegen ook mee als toekomstige kostenpost Vanwege de nabijheid van de gracht zijn extra kosten te verwachten op het gebied van bouwen (stabiliteit, waterdicht, vocht). Mogelijk dat hier ook met een paalfundering gewerkt zou moeten gaan worden. Er moet een akoestisch onderzoek naar het effect van de nieuwe functie op de omgeving worden uitgevoerd. Het bodemonderzoek geeft aan dat er een sterke bodemverontreiniging in de grond aanwezig, het betreft nu nog een oriënterend onderzoek, voor herontwikkeling dient deze verontreiniging aanvullend onderzocht te worden, doordat de grote nog niet bepaald is kan dit een extra kostenpost worden die meetelt bij de uitvoerbaarheid/ haalbaarheid. De watertoets geeft aan dat er een grote hoeveelheid water opgevangen moet kunnen worden, vanwege de kleigrond is infiltratie lastig. Ook dit kan voor een extra kostenpost zorgen die meetelt met de uitvoerbaarheid/ haalbaarheid. Mogelijke samenwerking met de Noord Oost Brabantse Bibliotheek Ravenstein.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 65 van 66 Ontwerp 12-12-2023

Hoofdstuk 9

Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid

9.1 Omgevingsdialoog Voor onderhavige ontwikkeling is een omgevingsdialoog gevoerd. Het plan gemeenschapshuis op het Hoornwerk is meermaals gepresenteerd aan de dorpsraad, geïnteresseerde en omwonenden. (zie bijlage 11 omgevingsdialoog). Bijgaand een overzicht / logboek van de data t.b.v. communicatie Datum 30-09-2023 27-09-2023

25-10-2023 19-10-2023

08-11-2023

Communicatie

Bijlage

Thema avond nieuwe Vidi Reo

Zie presentatie

Website dorpsraad Ravenstein

Zie artikel

Overleg Stichting vestingwerken en Heemkunde kring Uitnodiging inloopbijeenkomst 8 november 2023 Inloopbijeenkomst voor de Buurt

December 2023

Uitnodiging inloopbijeenkomst januari 2024

Januari 2024

Bestemmingsplan ter inzage

Brief met uitnodiging

Verslag vragen/ zorgen omwonende

9.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Het plan wordt normaliter in het kader van het vooroverleg toegezonden aan de relevante instanties. Dit bestemmingsplan is pas begin december afgerond. Voor het vooroverleg is daarom geen ruimte geweest omdat er geen concept-bestemmingsplan kon worden toegezonden. De instanties zullen op basis van dit ontwerpbestemmingsplan om advies worden gevraagd Medio november 2023 is de door de RCE voorgeschreven aanzet tot de Gebiedsvisie afgerond, waar dit bestemmingsplan op gebaseerd moest worden. Eind september is er een eerste vooroverleg geweest met de RCE. Het volgende vooroverleg omtrent het huidige ontwerp van de gebiedsvisie is gepland op 19 december 2023. Er heeft derhalve wel vooroverleg met de RCE plaatsgevonden. .

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 66 van 66 Ontwerp 12-12-2023

9.3 Inspraak De gemeente is wettelijk niet verplicht om een voorontwerpbestemmingsplan te maken en daar een inspraakprocedure voor te volgen. Het gemeentelijke beleid voor de toepassing van inspraak bij ruimtelijke plannen biedt de mogelijkheid om af te zien van inspraak. De gemeente heeft in dit geval geen voorontwerpbestemmingsplangemaakt en dus ook geen inspraakprocedure gevolgd. 9.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ligt op grond van de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht voor iedereen gedurende 6 weken ter inzage. Tegelijkertijd is het plan elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Burgemeester en wethouders hebben de terinzagelegging vooraf meegedeeld in de Staatscourant en op de gemeentelijke website. Omdat de lokale krant Oss Actueel niet verschijnt op het moment dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd, is aan ruim 80 omwonenden een brief gestuurd met de mededeling dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage ligt en waar het kan worden ingezien. In januari 2024 wordt een inloopavond georganiseerd over het ontwerpbestemmingsplan. Geïnteresseerden hebben de mogelijkheid om het bestemmingsplan op die avond in te zien. Hiervoor wordt in december een uitnodiging verstuurd.

Iedereen kan zijn zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad naar voren brengen tijdens de terinzagelegging. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het raadsbesluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=434ee475-6dfd-40f2-9ae7-8356fff1706d