CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

t NL IMRO 0828 BPhrnwrkvidreorvn-ON01

Adviescommissie Ruimte 8 februari 2024, gemeente OssBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan ‘Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein - 2023’22.763 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In deze gevallen is voor bebouwing een welstandadvies wél verplicht. In het welstandsvrije deel van de gemeente blijft de mogelijkheid bestaan om bouwplannen voor te leggen aan het Adviesteam Architectuur voor een vrijblijvend welstandsadvies. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in het beschermd stadsgezicht van Ravenstein en is deels ook Rijksmonumentaal van belang. Sturing op de ruimtelijke kwaliteit in algemene zin als ook architectonische zin in het bijzonder is daarmee van belang. Er is meermaals overleg geweest met de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit. Tijdens de verdere planvorming van het gebouw zal eveneens overleg gevoerd worden met deze adviescommissie.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 34 van 66 Ontwerp 12-12-2023

Het plan is passend binnen het welstandsbeleid van de gemeente Oss. 4.4.4 Horeca In het Integraal Horecabeleidsplan zijn de sociaal-maatschappelijke, economische en ook ruimtelijke aspecten van de horecabranche betrokken. Ruimtelijk gezien zijn de volgende uitgangspunten uit het horecabeleidsplan van belang: gestreefd wordt naar een clustering van horeca met andere publieksgerichte voorzieningen; gebieden met een overheersende woonfunctie zijn horecaluwe gebieden; het beleid is niet gericht op uitbreiding van de horecafuncties; in de gemengde gebieden met voorzieningen (wijk- en buurtcentra) en langs hoofdstraten waar al meerdere publieksgerichte voorzieningen aanwezig zijn, is horeca met een gebiedsgerichte functie toelaatbaar. voor de wijk- en buurtcentra gaat het vooral om daghoreca die zich richt op het winkelende publiek, zoals een lunchroom of cafetaria. In specifieke situaties kan bij voorzieningenclusters de vestiging van een café als gerichte buurtontmoetingsplek voorstelbaar zijn. De bestaande horecavoorzieningen in de buurten en wijken liggen veelal aan de hoofdstraten waar al meerdere publieksgerichte voorzieningen aanwezig zijn. Het ruimtelijk beleid is hier consoliderend, dat wil zeggen dat deze voorzieningen overwegend gehandhaafd kunnen blijven.

In het beleidsplan wordt verder aangegeven dat het streven erop is gericht om bij de actualisering van bestemmingsplannen de regels te standaardiseren aan de hand van standaardregels. Voor de horeca zijn hiertoe vijf horecabestemmingen geformuleerd. De horecabestemming categorie 1 t/m 3 omvat zogenaamde lichte, winkelondersteunende horeca, zoals een snackbar en een restaurant. De categorieën 4 en 5 betreffen de zogenaamde zware uitgaanshoreca, zoals een café, discotheek en casino (n.b. de definities in dit bestemmingsplan kennen een andere categorie-indeling). Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in het mogelijk maken van horeca bij het te realiseren gemeenschapshuis. Het gemeenschapshuis betreft een publieksgerichte voorziening waarbij de aanwezigheid van horeca passend is binnen het streven van de gemeente Oss deze functies te clusteren. De horeca is hierbij ondergeschikt aan het gemeenschapshuis. Het gebied kent geen overheersende woonfunctie. In de omgeving zijn al enkele horecagelegenheden gevestigd. Het initiatief is passend binnen het horecabeleid van de gemeente Oss. 4.4.5 Voorzieningenkaart De “voorzieningenkaart” is het resultaat van een samenwerking tussen de gemeente Oss en de inwoners, verenigingen en een aantal professionals uit Ravenstein en de omliggende kernen.

Samen hebben zij een lange termijn toekomstperspectief geschetst voor de voorzieningen in Ravenstein en de kernen voor de gemeenteraad. Het doel van het project Voorzieningenkaart 2030 is om vervangingsinvesteringen in maatschappelijk vastgoed zoveel mogelijk te voorkomen en leefbaarheid te behouden of versterken. Dit voorzieningenkaart is als bijlage 7 bij dit bestemmingsplan in te zien. Planspecifiek De plannen om tot een nieuwe locatie voor Vidi Reo te komen staan in de voorzieningenkaart genoemd. Voorliggend bestemmingsplan is daarmee een vervolg op de samenwerking die heeft geleidt tot de voorzieningenkaart.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 35 van 66 Ontwerp 12-12-2023

4.4.6 Dorpsplan Ravenstein Het Dorpsplan Ravenstein slaat een brug tussen het gemeentelijk beleid en de behoeften en wensen in de dorpen. Het Dorpsplan biedt zo een agenda voor de toekomst. Het Dorpsplan bevat de toekomstvisie op het plangebied en een uitvoeringsprogramma. Is dit niet de voorzieningenkaar 2015? Dit dorpsplan is als bijlage 8 bij dit bestemmingsplan in te zien. Planspecifiek De plannen om tot een nieuwe locatie voor Vidi Reo te komen staan in het Dorpsplan genoemd. Voorliggend bestemmingsplan is daarmee een vervolg op dit plan.

De eerste schetsen voor Vidi Reo. Bron: Dorpsplan Ravenstein

4.4.7 Erfgoedbeleid Het gemeentelijke erfgoedbeleid komt in paragraaf 5.3.4 aan bod.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 36 van 66 Ontwerp 12-12-2023

Hoofdstuk 5 5.1

Omgevingsaspecten

Landschap

5.1.1 Nota Landschapsbeleid Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.

Planspecifiek Het plangebied is gelegen in de kern Ravenstein, dat volgens de Nota Landschapsbeleid binnen het deelgebied ‘Oeverwal’ ligt. De Maasdijk is door zijn continuïteit een belangrijk visueel element in het landschap. De dijk scheidt de uiterwaarden van de oeverwal en fungeert als ruimteverdeler in het landschap. Vanaf de dijk is er uitzicht op de uiterwaarden en de oeverwal. Het plangebied is gelegen aan deze dijk. Het plangebied ligt op de oeverwal maar maakt ook onderdeel uit van de middeleeuwse vesting. Het plan is daarbij een erg specifieke verbijzondering van de oeverwal. Hier wordt vooral uitgegaan van de kenmerken van de vesting dan dat er een kenmerkend oeverwal landschap wordt genomen als uitgangspunt. Immers we willen juist het hoornwerk herkenbaar maken als afwijkend onderdeel. Waar wel bij wordt aangesloten is dat de dijk als kenmerkend element met zicht op de uiterwaarden en op de vesting. Ook het aansluiten op de kleinschaligheid, het wandelroutenetwerk en het groene karakter zijn aspecten waarmee de aansluiting wordt gezocht met het oeverwallenlandschap. Met het plan wordt het beeld versterkt van de oorspronkelijke situatie van een vestingstadje aan de Maas als kenmerkend onderdeel van het oeverwallenlandschap. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect landschap.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 37 van 66 Ontwerp 12-12-2023

5.2

Natuur

5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 5.2.2 Groen en natuur/biodiversiteit Routekaart Groen, Blauw en Natuur In deze nota is aangegeven dat we de natuur en de biodiversiteit willen verbeteren door in te zetten op een gemeentelijk natuurnetwerk, aanvullend op het provinciaal netwerk. Het landschap en de ontstaansgeschiedenis van de gemeente Oss vormen daarbij de basis. Daarbij onderscheiden we de vijf gebieden die ook in de Natuur- en Landschapsvisie worden genoemd.

Het plangebied is gelegen binnen het deelgebied ‘Maasgebied’. In het Maasgebied is het project Meanderende Maas het belangrijkste project voor het Natuurnetwerk Oss. Hieraan is getoetst in paragraaf 4.3.4. Het plan is daarmee passend binnen de routekaart. Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft er naar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel ‘natuurinclusief’ te bouwen. Dat zal ook bij de realisatie van die plan verder vorm krijgen. 5.2.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat.

De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. Hoewel er geen directe relatie lag en ligt tussen een bestemmingsplan en de PAS, is het sneuvelen van de PAS ook voor RO en bestemmingsplannen van belang, met name ook door de aandacht voor stikstof. Tot nu toe werd als ondergrens waaronder je geen Natuurvergunning nodig had (0,05 Mol/ha) ook in de RO vaak gebruikt om aan te tonen dat stikstof geen probleem was voor de voorgenomen planontwikkeling.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 38 van 66 Ontwerp 12-12-2023

Planspecifiek Gebiedsbescherming Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Uit kaartbeelden blijkt dat het plangebied op circa 10,5 kilometer ten zuiden gelegen is van het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied (Rijntakken). Om de effecten van het plan met betrekking tot stikstof te beoordelen is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase (het rapport is als bijlage 1 bij dit plan te vinden). Voor het planvoornemen is voor zowel de gebruiks- als aanlegfase een berekening gedaan (bijlage 1 bij deze toelichting). Uit de berekening blijkt dat het planvoornemen geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming In het kader van soortenbescherming is een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd (zie bijlage 2). De conclusie is dat er vóór de ingreep aanvullend onderzoek uitgevoerd dient te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: bever, das, marterachtigen, vleermuizen en huismus. Evenwel is ook de conclusie dat mochten deze soorten inderdaad aanwezig zijn, dat hiertoe dan – al dan niet na een ontheffing- rekening mee kan worden gehouden en dat de beoogde planontwikkeling door kan gaan. Het plan is dientengevolge uitvoerbaar met betrekking tot het aspect natuur. 5.3

Archeologie en Cultuurhistorie

5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.

5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 39 van 66 Ontwerp 12-12-2023

Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument

Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv

Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten

35 m2 / 30 cm -Mv

Historische stads-/dorpskern

50 m2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde

100 m 2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein

1000 m2 / 30 cm -Mv

Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde

5 hectare / 30 cm -Mv

Reeds onderzocht

Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.

Verstoord

Geen onderzoeksplicht

Planspecifiek Volgens de archeologische beleidskaart heeft het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde (historische dorpskern). Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 35 m². Voorliggend plan overschrijdt de vrijstellingsgrenzen en daardoor is onderzoek nodig. Dat komt in de volgende paragraaf aan bod. 5.3.3 Archeologietoets Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Om het archeologisch traject te borgen is aan het bestemmingsplangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie historische kern’ toegekend.

Voor het gebied geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 35 m2 en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is. Planspecifiek Voor dit gebied zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. Hieruit bleek dat er een hoge verwachting was voor het aantreffen van resten van het hoornwerk. In één boring werd een grachtvulling gevonden, wat

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 40 van 66 Ontwerp 12-12-2023

mogelijk de gracht van het hoornwerk zou kunnen zijn. Op basis daarvan werd overgegaan tot een proefsleuvenonderzoek, waarbij één lange proefsleuf was voorzien. Bij het proefsleuvenonderzoek zijn meerdere archeologische sporen aangetroffen en werden vondsten gedaan uit de 17de tot en met de 20ste eeuw. In het noorden van het plangebied is een gracht gevonden. Ten zuiden daarvan zijn puinkuilen, greppels en muurwerk gevonden. De aangetroffen gracht komt qua locatie overeen met een uitstulping van de westelijke gracht van het Hoornwerk, die op de minuutkaart uit 1832 te zien is. Samen vormen de sporen een archeologische vindplaats, die als behoudenswaardig wordt gewaardeerd. Op basis van de onderzoeksresultaten tot nu toe kan de vindplaats nu nog niet begrensd worden. Daarom is voor het gehele plangebied de dubbelbestemming nog van kracht zodat op die wijze geborgd wordt dat vóór realisatie van het project verder onderzoek wordt verricht middels sleuvenonderzoek e.a.. Al naar gelang wat gevonden wordt kan alsdan gekozen worden voor een in of ex situ behoud waardoor de uitvoerbaarheid op archeologisch vlak voor dit bestemmingsplan geborgd is. Er zal vooruitlopend op de realisatie van het te bouwen gemeenschapshuis nader archeologisch onderzoek worden verricht. 3 proefsleuven onder het bouwvlak en 3 proefsleuven ter plaatse van overgang Bovenste Hoornwerk en de Beneden Bleek.

Middels dit aanvullend proefsleuven onderzoek willen we voor het proefsleufonderzoek Hoornwerk: •

Inzicht verkrijgen in de oorspronkelijke positie/aanzet van de aarden wal;

•

Inzicht in de oorspronkelijke opbouw van de aarden vestingwal, omwille van (indien mogelijke) visualisatie en het beleefbaar maken van de aarden wal;

•

Meer inzicht krijgen in de vondstsituatie ter plaatse van de geplande nieuwbouw Vidi Reo, of naderhand bij de uitvoering van de nieuwbouw een opgraving noodzakelijk is.

Voor het proefsleufonderzoek overgang Bovenste Hoornwerk Beneden Bleek: •

Inzicht verkrijgen in de oorspronkelijke begrenzing Hoornwerk en westelijk gelegen grachtverloop;

•

Het leveren van input voor inrichtingswensen Bleekveld zoals de visualisatie en het beleefbaar maken van (delen van) het vroegere grachtverloop.

Voorafgaand aan dit onderzoek wordt er een PVE opgesteld waarin het doel, de vraagstelling en de uitvoeringswijze van het archeologisch veldonderzoek worden verwoord. Dit PVE wordt op dit moment opgesteld.

Het uitgevoerde onderzoek is als bijlage 4 bij dit bestemmingsplan in te zien en het daarop genomen selectiebesluit als bijlage 5.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 41 van 66 Ontwerp 12-12-2023

5.3.4

Cultuurhistorie

Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.

In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.

De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen.

Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 42 van 66 Ontwerp 12-12-2023

omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen het plangebied zijn de cultuurhistorische dubbelbestemmingen ‘Waarde – Beschermd stadsgezicht’ en ‘Waarde – Rijksmonumentaal terrein’ van toepassing. Beschermd stadsgezicht De voor ‘Waarde – Beschermd stadsgezicht’ aangewezen gronden zijn op grond van het vigerende bestemmingsplan mede bestemd voor het behoud, het herstel en het versterken van de cultuurhistorische, natuurlijke, (historisch-) stedenbouwkundige en (historisch-)architectonische waarden in het gebied. De aanwezige waarden zijn beschreven in de Historische Biografie van Ravenstein. Bij de aanwijzing als beschermd stadsgezicht werden de stad en de restanten van de vestingwerken als één geheel bestemd. Hoewel de stad en vestingwerken in het beleid als eenheid worden benaderd, dienen de verschillende identiteiten ervan als uitgangspunt genomen te worden voor ruimtelijke ingrepen. Voorliggend plan maakt daarbij deel uit van de restanten van de vestingwerken (Bovenste Hoornwerk). De contouren van het hoornwerk zijn nog zichtbaar in het landschap. Andere elementen van de vestingwerken zijn minder goed herkenbaar. Rijksmonumentaal terrein Het zuidelijke gedeelte van het plangebied kent de dubbelbestemming ‘Waarde – Rijksmonumentaal terrein’.

Dit betreft het gedeelte van het plangebied rond de als rijksmonument beschermde oevers van de gracht ten zuiden van het plangebied. Deze gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van het rijksmonumentaal terrein. Voor het oprichten van een (bouw)werk of het uitvoeren van werkzaamheden ter plaatse van deze bestemming dient een vergunning ingevolgde de Monumentenwet aangevraagd te worden. Toetsing Met voorliggend plan wordt het Bovenste Hoornwerk als ‘ontbrekende schakel’ van de vestinggordel benut. Door het toevoegen van een publiekelijke functie in het gebied wordt de eenheid van het stadsgezicht versterkt. Het gemeenschapshuis wordt toegevoegd als groene wal in het gebied. Daarmee blijft de verschillende identiteit van het gebied behouden. Met de komst van het gemeenschapshuis wordt het terrein wederom publiek toegankelijk en kan het terrein op een duurzame wijze in stand worden gehouden. De huidige contouren van het hoornwerk worden als een gevolg van het plan geaccentueerd en versterkt. Het binnenterrein blijft, gelijkaardig met de oorspronkelijke structuur, een open terrein. Gelet op het voorgaande wordt voldaan aan de regels uit het vigerende bestemmingsplan. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft naar aanleiding van een eerder ontwerp adviezen ten aanzien van het plan uitgebracht (d.d. 29 november 2022).

Deze brief is als bijlage 2 bij dit plan te vinden. Het advies is dat de planvorming in de basis voorstelbaar is en dat, met rekenschap van de gemaakte opmerkingen, het plan verder gebracht kan worden. De adviezen zijn verwerkt in het architectonisch plan, met daarbij een stedenbouwkundige, verkeerskundige en bouwkundige verdieping voor de toekomstige situatie. De uitgangspunten zijn beknopt beschreven in hoofdstuk 3 van voorliggend plan. In paragraaf 5.4 wordt de verkeerskundige situatie nader beschreven.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 43 van 66 Ontwerp 12-12-2023

In de nota ‘toekomst voor ons erfgoed’ (2021) is het beleid rond erfgoed vastgelegd. We hebben als gemeente Oss de ambitie om met erfgoed bij te dragen aan een mooie en prettige leefomgeving; het erfgoed ontsluiten voor een breed publiek en we willen de samenwerkingsverbanden romdom erfgoed versterken. Er wordt gewerkt vanuit de onderstaande lijnen • Beschermen • Beheren • Behouden • Beleven en • Betrekken De eerste drie gaan over het behoud van de erfgoedwaarden en hoe hier mee wordt omgegaan als je deze aantast. In de aanpak van het project komt dit terug door zorgvuldig om te gaan met (eventueel aanwezige) archeologische resten die aanwezig zijn in het plangebied. Een archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden op het hoornwerk en een aanvullend onderzoek zal nog plaatsvinden om te bepalen of er nog grenzen zijn te vinden van het Hoornwerk en het Ravelijn. De laatste twee gaan over het zichtbaar maken van erfgoed en het vertellen van het verhaal van deze plek. Hier biedt het project uitstekende aanleidingen voor met een gemeenschapshuis op het hoornwerk van waaruit het verhaal van de vesting zichtbaar gemaakt kan worden. Het betrekken van inwoners is hier ook een lijn die goed aansluit bij de opzet van dit project. Met alle verenigingen op het gebied van erfgoed maar ook alle andere bezoekers van het gebied ligt hier een potentie voor het nieuwe Vidi Reo.

Ten opzichte van de huidige situatie zie we een grote verbetering om dit deel van de vesting weer onderdeel te maken van Ravenstein en daarmee van de belevingswereld van de bewoners. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot cultuurhistorie. 5.4

Mobiliteit en parkeren

5.4.1 Mobiliteit De Koersnota Mobiliteit (2023) heeft als doel het versterken van de kwaliteit van de openbare ruimte, het toegankelijk en bereikbaar houden van basisvoorzieningen, het verduurzamen van de mobiliteit, het versterken van het economisch vestigingsklimaat, het vergroten van de verkeersveiligheid en het terugdringen van de hinder. Van belang is de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot extra verkeersbewegingen, of deze toename van verkeersbewegingen past binnen de normen die voor de verschillende typen wegen gelden en hoe het perceel aansluit op de openbare weg. Planspecifiek Voorliggend plan betreft het realiseren van een gemeenschapshuis aan De Bleek in Ravenstein. Dit betreft feitelijk een verplaatsing van (de functies) uit het huidige gemeenschapshuis aan de Van Kesselplaats 2 naar onderhavig plangebied. Het huidige gemeenschapshuis is met circa 1.050 m2 kleiner dan het toekomstige gemeenschapshuis. Het beoogde bouwplan is ca. 1.355 m2 groot en planologisch wordt er, omwille van enige uitvoeringsvrijheid, 1.500 m2 mogelijk gemaakt. Uitgaande van 40 verkeersbewegingen per 100 m2 (bron: CROW-publicatie 381) zal de verkeersdrukte met maximaal circa 180 verkeersbewegingen toenemen.

In het kleine en soms drukke centrum is dat soms lastig, maar door de betere ontsluiting op deze nieuwe plek aan de rand van Ravenstein treedt per saldo een verbetering op van de verkeersontsluiting. De belangrijkste ontsluitingswegen tot het plangebied zijn de Veersingel en de Maasdijk. Deze wegen kunnen de verwachte verkeerstoename goed verwerken.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 44 van 66 Ontwerp 12-12-2023

Het plan is uitvoerbaar voor wat betreft het onderdeel mobiliteit. 5.4.2 Parkeren Van belang is om inzicht te krijgen in de behoefte naar parkeervoorzieningen, van zowel auto als fiets, als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling en op welke wijze deze in het ontwerp worden ingepast. Het aantal (extra) parkeerplaatsen als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling moet worden berekend aan de hand van de Nota Parkeernormen (2023). In deze nota is aangegeven welke parkeernormen gelden voor de verschillende functies en gebieden. Planspecifiek Omdat het plan voorziet in het toevoegen van nieuwe functies aan het plangebied, dient het plan te voorzien in voldoende autoparkeergelegenheid in de toekomstige situatie. Het beoogde bouwplan is ca. 1.355 m2 groot en planologisch wordt er, omwille van enige uitvoeringsvrijheid, 1.500 m2 mogelijk gemaakt. Voor een gemeenschapshuis is geen parkeernorm opgenomen in de Nota Parkeernormen 2023. Voor deze functie wordt daarom de parkeernorm voor een ‘cultureel centrum/wijkgebouw’ uit de Nota Parkeernormen 2017 gehanteerd. Deze bedraagt 3,0 parkeerplaats per 100 m2 bvo. Uitgaande van deze norm bedraagt de parkeereis in totaal 45 autoparkeerplaatsen. Op het aangrenzende terrein van het gemeenschapshuis is voldoende ruimte om deze parkeerplaatsen te realiseren.

Ook het aantal fietsparkeerplaatsen als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling moet worden berekend. Voor een gemeenschapshuis is geen parkeernorm opgenomen in de Nota Parkeernormen 2023. Daarom wordt voor fietsparkeren uitgegaan van een parkeernorm van 3,5 fietsparkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Deze norm is afgeleid van een enigszins vergelijkbare voorziening (bibliotheek 2,0 – 5,0 fietsparkeerplaatsen per 100 m2 bvo). Dit betekent dat in totaal 53 fietsparkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Op het aangrenzende terrein van het gemeenschapshuis is voldoende ruimte om deze parkeerplaatsen te realiseren. Het plan is uitvoerbaar voor wat betreft het onderdeel parkeren.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 45 van 66 Ontwerp 12-12-2023

5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: 1. Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; 2. Voorkomen van vervuiling van water; 3. Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: a. Hergebruik b. Infiltratie/bergen c. Afvoer

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 46 van 66 Ontwerp 12-12-2023

4.

Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: a. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; b. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; c. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; d. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; e. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

5.5.2 Watertoets Voor onderhavige ontwikkeling is de digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat hiervan is te vinden in bijlage 9. Beschermde waterkeringen Uit de watertoets blijkt dat het plangebied zich binnen een waterkering (Maasdijk) bevindt. De bescherming van deze watergang is geborgen door middel van de aanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’. Binnen deze gebiedsaanduiding worden geen bouwwerken toegevoegd. Materiaal gebruik Het advies naar aanleiding van de watertoets luidt om af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Hiermee wordt in het plan rekening gehouden. Hemelwater De gemeente Oss heeft het beleid dat, ongeacht de bestaande situatie, bij voorkeur toekomstige verharding gecompenseerd moet worden. Als eis wordt 25 mm per m2 verharding gehanteerd. Het gemeenschapshuis wordt als groene wal toegevoegd en tevens worden ten aanzien van de verkeersvoorzieningen (half)verhardingen toegevoegd. Uitgegaan wordt daarom van een toename van verharding van 50% * oppervlakte plangebied (ca. 13.150 m2) = ~329 m3. Bij het aanvragen van de vergunning wordt de exacte voorziening uitgewerkt (op basis van verhard oppervlak zoals opgenomen in het bouwplan). Uitgangspunt van het plan is dat hemelwater op eigen terrein wordt geïnfiltreerd en geborgen. Aangenomen wordt dat hiervoor op het terrein ruim voldoende ruimte beschikbaar is.

Infiltratievoorzieningen worden niet binnen Beschermingszone A van de waterkering toegevoegd. Afvalwater Het hemelwater wordt gescheiden van het afvalwater. Het afvalwater wordt aangesloten op het bestaande rioleringsnetwerk. Hiervoor is voldoende capaciteit beschikbaar. Een aansluitvergunning wordt bij het bevoegd gezag aangevraagd. Uit de watertoets volgt dat het doorlopen van een normale procedure voldoende is waarbij, op basis van de uitkomsten van deze watertoets, contact is geweest met het waterschap. Daarnaast heeft het Waterschap aanvullende opmerkingen op het aspect Water. - er ontbreekt een onderbouwing/onderzoek van de grondwaterhuishouding. Graag het verzoek om dit op te nemen. - de onderbouwing van de grondwaterstand bepaalt ook de ruimte die er is voor de hemelwaterbergingsopgave. De huidige beschrijving van het hydrologisch neutraal ontwikkelen is niet

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 47 van 66 Ontwerp 12-12-2023

onderbouwd en daarmee niet aannemelijk of dit plan dan haalbaar is. Er wordt ook half verharding als maatregel beschreven, waardoor er wordt uitgegaan van 50% van het toename van het verhard oppervlak wordt berekend. Dit is ook niet onderbouwd. Bij half verharding zien wij dan graag ook een kwalitatieve onderbouwing hoe dit ook op lange termijn functioneert. Hoe wordt dit bijvoorbeeld onderhouden en wie is daarvoor verantwoordelijk? Op basis van de onderbouwing hoeveel toename verharding er plaatsvindt, dient er ook een beschrijving opgenomen te worden van hoe er invulling wordt gegeven aan het hydrologisch neutraal ontwikkelen. - de keringszone is in de verbeelding goed planologisch verankerd, maar in de toelichting wordt niet beschreven wat er in deze keringszone wordt gerealiseerd en hoe zich dit verhoudt tot de regelgeving vanuit de Keur. - er is ook een A-watergang van toepassing met bijbehorende beschermingszone. Ten zuiden van het plangebied is een A-watergang gesitueerd. Aan beide zijden van deze watergang geldt een beschermingszone met een breedte van 5 meter ten behoeve van het doelmatig beheer en onderhoud. Binnen deze beschermingszone is onze Keur van toepassing. Deze stelt onder andere beperkingen aan het aanbrengen van obstakels, in welke vorm dan ook. In het betreffende plan staan binnen deze beschermingszone, mogelijk een obstakel beoogd.

Het realiseren van obstakels binnen de beschermingszone mag alleen als hiervoor door ons een (water)vergunning is verleend. Een vergunning hiervoor wordt alleen verleend indien het beheer en onderhoud van de watergang niet belemmerd wordt. In de beleidsregel de beleidsregel 3 “werken en objecten in de watergang en beschermingszone” is opgenomen aan welke voorwaarden voldaan moet worden. Om te voorkomen dat hier onduidelijkheid over ontstaat vragen wij u om in de verbeelding de A-watergang op te nemen en in de toelichting op te nemen dat er in de zone van 5 meter restricties gelden vanuit de Keur. Naar aanleiding van deze opmerkingen zal nader overleg met het Waterschap Aa en Maas plaatsvinden en zal de toelichting worden aangevuld. 5.6

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Planspecifiek Het plangebied ligt niet in een gebied waar één of meerdere van voorgaande aandachtspunten van belang zijn. Een nadere toetsing van het initiatief vanuit het aspect defensie is niet aan de orde. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect defensie.

5.7

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 48 van 66 Ontwerp 12-12-2023

-

Bodem Externe veiligheid Geurhinder: agrarisch Geur: industrieel Luchtkwaliteit Straling Weg-, spoor-, en industrielawaai Gezondheid Spuitzones

5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Planspecifiek Het plan voorziet in het mogelijk maken van een gemeenschapshuis. In het gemeenschapshuis bevinden zich een jeugd- en ouderensoos en een zaal met podium, dat voor verschillende culturele activiteiten gebruikt kan worden. Tevens wordt naast het gemeenschapshuis een terras mogelijk gemaakt. Dit betreft functies die in het kader van milieuzonering getoetst kunnen worden aan de richtafstanden van de VNG. In de omgeving van het plangebied bevinden zich reeds horecagelegenheden, een jachthaven en woningen. Daarmee is sprake van een gemengd gebied. De richtafstanden van de VNG kunnen daarom met 1 afstandsstap verkleind worden.

Een gemeenschapshuis is in lijn met voornoemde VNG-uitgave een milieucategorie 2-functie (SBI-code 2008 9004 “Theaters, schouwburgen, concertgebouwen, evenementenhallen” en SBI-code 2008 94991 “Buurt- en clubhuizen”). De grootste afstand is daarbij 30 m welke, doordat het hier een gemengd gebied is, verkleint kan worden met een stap tot 10 m. Op circa 35 m ten zuiden van het plangebied is een woonwijk gelegen. Deze woningen vallen buiten de richtafstand. De woning (gelegen aan Doolhof 32) grenst rechtstreeks aan het plangebied maar de afstand tot de geluidproducerende functies zelf is ruim voldoende. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering. 5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Planspecifiek Ten behoeve van onderhavig initiatief is een bodemonderzoek uitgevoerd (Anteagroup 29 mei 2019, bijlage 6).

Op basis van resultaten van voorgaande onderzoeken worden op het westelijke deel van de onderzoekslocatie licht tot sterk verhoogde gehalten aan hoofdzakelijk zware metalen en licht verhoogde

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 49 van 66 Ontwerp 12-12-2023

gehalten aan diverse ander parameters verwacht. Op het oostelijk gelegen NCCterrein worden hoofdzakelijk licht verhoogde gehalten aan diverse parameters verwacht. Tijdens de voorgaande onderzoeken zijn tot een diepte van 3,0 m-mv lichte tot sterke bijmengingen met puin waargenomen. Op basis van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de locatie als asbestverdacht wordt aangemerkt omdat er aanwijzingen zijn voor bodembelastende activiteiten waarbij asbest op of in de bodem terecht is gekomen. Op een gedeelte van de locatie is in het verleden een gracht gedempt. Daarnaast is een puinpad aanwezig ter plaatse van de camping. Asbest Ter plaatse van proefgat 306 afkomstig van het op de camping aanwezige puinpad is een asbesthoudend materiaal aangetroffen. In de geanalyseerde grond- en puinmonsters is geen asbest aangetoond. De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat het gehalte aan chroom en zink en de concentratie asbest de betreffende interventiewaarde overschrijden. Het vervolgonderzoek dient uitsluitsel te geven over de mate en omvang van het geval en de aanwezigheid van risico’s.

Uit het onderzoek komt naar voren dat de bodem grotendeels geschikt is voor de beoogde plannen maar dat voor enkele parameters op een specifieke locatie verder onderzoek nodig is De Omgevingsdienst Brabant Noord heeft op 29 november 2023 geadviseerd over het aspect bodem en heeft hierbij het eerdergenoemde bodemonderzoek betrokken. Het bodemonderzoek geeft aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen: •

•

•

•

•

Het bodemonderzoek betreft niet het gehele plangebied zoals weergegeven in de verbeelding. Zo is de parkeerplaats gelegen aan de westzijde van het plangebied niet meegenomen in het bodemonderzoek van Antea Group. Uit Nazca blijkt dat bodemonderzoek uitgevoerd op dit terreindeel >10 jaar geleden is uitgevoerd. Verder is aan de noordzijde van het plangebied een strook van circa 10 meter breed en 180 meter lang niet meegenomen in het bodemonderzoek. Op zowel de parkeerplaats als de noordzijde van het plangebied dient nog een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd te worden. Zoals vermeld in het bodemonderzoek van Antea Group is in 2001 indicatief bepaald dat de verharding (asfalt, slijtlaag en fundering) ter plaatse van de parkeerplaats niet herbruikbaar is. Hoewel formeel geen onderdeel van de bodem raden wij aan om, samen met het bodemonderzoek, hier tevens een asfalt- en verhardingsonderzoek uit te laten voeren. Uit de verbeelding blijkt dat een deel van de verharding verwijderd zal worden, waarvoor de hergebruiksmogelijkheden vastgesteld dienen te worden. Het bodemonderzoek uitgevoerd door Antea Group van 29 mei 2019 is niet conform de NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd. Het aantal geplaatste boringen en asbest proefgaten wijkt echter slechts voor enkele van de deellocaties lichtelijk af van de norm. Verder zijn er geen peilbuizen geplaatst.

Uit Nazca blijkt dat het meest recente grondwateronderzoek <20 jaar oud is. De kwaliteit van het grondwater ter plaatse van het plangebied dient door middel van een onderzoek in beeld gebracht te worden. Daarnaast is tijdens het bodemonderzoek ter plaatse van een drietal boringen een sterke verontreiniging aan chroom en/of zink aangetoond. Eén van deze boringen (108) is gelegen ter plaatse van een bekende verontreinigingscontour. De andere twee boringen liggen hier niet ver naast. De verontreinigingscontour dient door middel van een actualiserend bodemonderzoek opnieuw vastgesteld te worden. Uit het bodeminformatiesysteem Nazca blijkt dat de met asbest verontreinigde puinpaden gelegen ter plaatse van de voormalige camping in 2020 reeds voldoende gesaneerd zijn.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 50 van 66 Ontwerp 12-12-2023

Voor de uitvoering van de overige voorgenomen werkzaamheden in het plangebied, (aanpassingen aan verhardingen en groenvoorzieningen) zoals weergegeven in de verbeelding, gelden de volgende voorwaarden: • De kwaliteit van het grondwater dient in beeld gebracht te worden middels aanvullend bodemonderzoek. • Het nader onderzoek naar de sterke verontreiniging gelegen aan de noord- /noordwestzijde van het plangebied dient te worden geactualiseerd. • De kwaliteit van de grond en het grondwater ter plaatse van de nog niet-onderzochte terreindelen dient onderzocht te worden middels bodemonderzoek. Uit het bodemonderzoek van Antea Group is gebleken dat de grond ter plaatse van de toekomstige nieuwbouw in het bouwvlak voldoet aan de achtergrondwaarden. Resumerend wordt gesteld dat de bodemkwaliteit de functiewijziging in het plangebied niet in de weg lijkt te staan. Wel moet er aanvullend onderzoek worden gedaan. 5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 51 van 66 Ontwerp 12-12-2023

Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Planspecifiek Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart. Onderhavig plangebied is hierop aangegeven met de rode cirkel.

Buisleidingen Op circa 800 meter ten oosten van het plangebied is een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen gelegen (hogedrukaardgasleiding). Deze buisleiding heeft een diameter van 914 mm en een maximale werkdruk van 6620 kPa. De 1%-letaliteitsgrens bij dit type hogdrukaardgasleidingen bedraagt 430 meter. Het plangebied ligt ruimschoots buiten deze contour. De buisleiding vormt daarmee geen belemmering voor het initiatief. Transportroutes gevaarlijke stoffen • Maas: Het plangebied is op circa 130 meter ten zuiden van de Maas gelegen. Voor de Maas geldt een risicocontour (PR 10-6) van 0 meter. Het plangebied ligt hier ruimschoots buiten. Uit de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen blijkt verder dat voor de Maas (categorie: zware vaarroute) een invloedsgebied van 1070 meter geldt, gebaseerd op het vervoer van toxische stoffen. Voor dit invloedsgebied geldt volgens de Beleidsvisie Externe veiligheid van de gemeente Oss de ‘standaard verantwoording bij grotere afstand’.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 52 van 66 Ontwerp 12-12-2023

• A50 Op circa 430 meter ten zuidoosten van het plangebied loopt de A50. Vanuit het gemeentelijke veiligheidsbeleid volgt dat ten aanzien van de weg een invloedsgebied van 950 meter van toepassing is. Het plangebied valt hierbij in zone IV (> 300 meter). Hierbij wordt enkel rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied zijn geen functies uitgesloten. Ten aanzien van de Maas en A50 geldt het volgende: Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat:  vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijk incident  de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas), het groepsrisico niet significant zal toenemen. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item.  Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico.  De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen hier bijzonder klein. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde 'risicoprofiel'.

Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS29 als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. Risicovolle bedrijven/inrichtingen Op voorgaande kaart is zichtbaar dat op circa 590 meter ten noorden van het plangebied een risicovolle inrichting gelegen is. Dit betreft de meest nabijgelegen risicovolle inrichting.

Op het terrein is een opslagtank propaan gelegen. Hiervoor geldt een vaste afstand, waarbij de PR-contour (10-6) zichtbaar is op de kaart. Te zien is dat het plangebied hier ruimschoots buiten ligt. Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit risicovolle bedrijven/inrichtingen. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot externe veiligheid. 5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 53 van 66 Ontwerp 12-12-2023

landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1.

Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss

1,0 Ou

B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij

2,0 Ou

C. Plangebied (bij kern A en B)

3,0 Ou

D. Woonkern met intensieve veehouderij

6,0 Ou

E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal

6,0 Ou

F. Recreatiegebieden

8,0 Ou

G. Extensiveringsgebieden

8,0 Ou

H. Bedrijventerreinen

8,0 Ou

I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk

12,0 Ou

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=434ee475-6dfd-40f2-9ae7-8356fff1706d