Sovon rap_2019-89_beerse-overlaat-windturbines.pdf
Tekst van het document
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
Henk Sierdsema Paul van Els Jurrian van Irsel Sovon-rapport 2019/89
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines Henk Sierdsema, Paul van Els & Jurrian van Irsel
Dit rapport is samengesteld in opdracht van de Provincie Noord-Brabant
Colofon © Sovon Vogelonderzoek Nederland 2019 Dit rapport is samengesteld in opdracht van de Provincie Noord-Brabant Wijze van citeren: Sierdsema H., van Els P. & van Irsel J. 2019. Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines. Sovon-rapport 2019/89. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Illustraties omslag: Henk Sierdsema Opmaak: John van Betteray, Sovon Vogelonderzoek Nederland ISSN-nummer: 2212 5027 Sovon Vogelonderzoek Nederland Toernooiveld 1 6525 ED Nijmegen e-mail: info@sovon.nl website: www.sovon.nl Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt d.m.v. druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Sovon.
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
Inhoud Samenvatting
3
1. Inleiding 1.1. Aanleiding
5 5
2. Literatuurstudie effecten ontwikkeling windmolenparken op vogels 2. 1. Risicomechanisme 2.2. Verstoring 2.3. Aanvaring 2.4. Maatregelen om effecten te verminderen
7 7 7 8 9
3. Soorten waarvoor het plangebied van relatief groot belang is
11
4. Hotspotkaarten 4.1. Wat zijn hotspotkaarten? 4.2. Hoe wordt een hotspotkaart gemaakt? 4.3. Hotspotkaarten van vogels van (open) agrarisch gebied
15 15 16 17
5. Gegevens van windturbines
21
6. Ruimtelijke analyse 6.1. Inleiding 6.2. Resultaten ruimtelijke analyse 6.2.1. Broedvogels 6.2.2. Wintervogels
23 23 24 24 25
7. Trendanalyse 7.1. Inleiding trendanalyse 7.2. Resultaten trendanalyse
27 27 27
Literatuur
29
Bijlagen Bijlage 1. Resultaten ruimtelijke analyse broedvogels Bijlage 2. Resultaten ruimtelijke analyse wintervogels Bijlage 3. Resultaten trendanalyse wintervogels Duurzaam Energielandschap Oss - Den Bosch Beerse Overlaat - vleermuizen
31 31 33 34 36
1
Sovon-rapport 2019/89
2
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
Samenvatting Op verzoek van de Provincie Noord-Brabant is in beeld gebracht wat de betekenis van de westelijke Beerse Overlaat is voor broedvogels en wintervogels. Tevens is op verzoek van de Provincie onderzocht of er een relatie is tussen de aanwezigheid of plaatsing van windturbines en de aantallen vogels in het gebied.
relatieve toename en een relatieve afname. Beide analyses laten zien dat er (veel) meer soorten zijn die negatief verband vertonen met de aanwezigheid van windturbines dan positieve. Dat er ook een positief verband wordt gevonden is niet vreemd: door andere factoren dan waar rekening mee gehouden kon worden in de analyses kan het voorkomen en de trend van soorten afwijken van het verwachte patroon. Wat van belang is, is dat een brede range aan soorten van soorten van open gebied een negatieve correlatie vertoont met de aanwezigheid c.q. de plaatsing van de windmolens. Het meest gevoelig lijken broedende weidevogels en overwinterende zwanen en ganzen, maar er daarnaast nog een ruime variatie aan soorten die daar aan toegevoegd kunnen worden. Zowel broedende als overwinterende roofvogels lijken echter in mindere mate of niet verstoord worden door windturbines. Dit is echter wel een soortgroep waarbij relatief veel slachtoffers vallen door aanvaringen met windturbines.
De Beerse Overlaat is een grootschalig open gebied met een relatief groot aandeel grasland. Het gebied is van groot belang voor broedvogels van open agrarisch gebied zoals weidevogels en Patrijs. In de winter is het belang zo mogelijk nog groter voor overwinterende vogels van open agrarisch gebied, in het bijzonder voor roofvogels en reigers. De ruimtelijke analyse van het voorkomen van 26 soorten broedvogels waarvoor de Beerse Overlaat een groot provinciaal belang heeft laat zien dat bijna al deze soorten een negatieve correlatie vertonen met de aanwezigheid van windturbines in de omgeving. Voor 15 soorten is dit verband significant. Ook het totaal aantal broedvogels van vertoont een negatieve correlatie met de aanwezigheid van windmolens. Met name weidevogels, maar ook een aantal soorten zangvogels en eenden vertonen een negatieve correlatie. Voor wintervogels kon met deze analyse geen eenduidige relatie worden vastgesteld.
Het is niet mogelijk om een exacte effect-afstand aan te geven, maar het is waarschijnlijk dat effecten te verwachten zijn tot op ruim een kilometer afstand van de windturbines. Een compensatie van de verstorende effecten is waarschijnlijk mogelijk voor de meeste soorten wanneer op voldoende afstand van de windturbines (inschatting > 300 m) kwalitatief goed habitat voor de vogels wordt ingericht en duurzaam beheerd dat kwalitatief nog beter is dan de huidige situatie. Het gaat hierbij om extensief beheer grasland om te broeden, plas-draslanden om te groeien, brede (>= 12 meter) akkerranden en het laten staan van stoppels in de winter.
De trendanalyse van 94 soorten overwinterende vogels laat zien dat ca. de helft van deze soorten een relatieve negatieve trend vertoont na het plaatsen van windturbines in het gebied, 30% een neutrale trend laat zien en 20% een relatieve toename. De soorten met de sterkste relatieve afname zijn vooral soorten van open gebied zoals roofvogels, ganzen en zwanen en zangvogels van open agrarisch gebied. Onder de eenden en steltlopers en zangvogels van opgaande begroeiing zijn er ongeveer evenveel soorten met een
3
Sovon-rapport 2019/89
4
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
1. Inleiding 1.1. Aanleiding
het bijzonder bekend als belangrijk vogelgebied. In het plangebied (figuur 1) is het bedoeling om tientallen windturbines te plaatsen. De vraag is in hoeverre dit het voorkomen van vogels kan beïnvloeden.
De Gemeenten ’s-Hertogenbosch en Oss gaan samen met de Provincie Noord-Brabant bekijken welke mogelijkheden er zijn om een windmolenpark in de Beerse Overlaat (hier als studiegebied gedefinieerd als de polder tussen Rosmalen, Geffen en Lith) te ontwikkelen. Dit gebied is van provinciaal belang voor verschillende soorten vogels. In dit gebied laten veel soorten een positievere trend zien dan in andere delen van de provincie, met name weidevogels en boerenlandvogels. Vanwege de kwetsbaarheid van de soorten in het gebied is Sovon gevraagd om onderzoek te doen naar de mogelijke effecten van de ontwikkeling van een windpark in de Beerse Overlaat. Hierbij kijken we naar het voorkomen van de belangrijkste soorten binnen de Beerse Overlaat d.m.v. zogenaamde hotspotkaarten en brengen we middels modellering de grootste risico’s in kaart, maar we presenteren hier ook een uitgebreide literatuurstudie naar de verschillende manieren waarop windturbines een effect kunnen hebben op de vogels van de Beerse Overlaat.
Onderzoeksvragen In deze studie gaan we in op een drietal hoofdvragen, die aan de hand van binnenlandse en internationale literatuur beantwoord zullen worden. 1. Op welke manieren vormen windturbines een mogelijke bedreiging voor de kwetsbare vogelsoorten die voorkomen in de Beerse Overlaat? 2. Wat voor (technische, ruimtelijke) maatregelen kunnen worden genomen om de invloed van de windturbines op vogels in het gebied te verminderen/mitigeren? 3. Welke soorten vogels zijn het gevoeligst voor de invloed van windturbines in de Beerse Overlaat? Voor beantwoording van de laatste vraag zullen we een ‘shortlist’ leveren met soorten die van belang zijn binnen de provinciale context en die mogelijk kwetsbaar zijn door de aanwezigheid van windmolens. NB: In dit rapport wordt eveneens de term ‘windmolens’ gebruikt. Hiermee wordt hetzelfde bedoeld als windturbines.
De Beerse Overlaat is een belangrijk gebied voor vogels van open graslanden. Het gebied staat bekend om zijn, voor Brabantse begrippen, grote aantallen broedende weidevogels. Ook in de winter bezoeken grote aantallen watervogels en reigers het gebied. Het plangebied vormt het grootste deel van het open gebied van de westelijke Beerse Overlaat en staat in
De Beerse Overlaat wordt gekenmerkt door een grootschalige openheid met relatief veel grasland voor een kleigebied.
Figuur 1.1. Begrenzing plangebied 5
Sovon-rapport 2019/89
Kaart van de zichtbare openheid. Hoe lichter groen de kleur, hoe opener het gebied. De Beerse Overlaat, en in het bijzonder het plangebied, is een van de meest open gebieden van Brabant.
Kenmerkend beeld van de Beerse Overlaat: weidse landschappen met relatief veel grasland.
6
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
2. Literatuurstudie effecten ontwikkeling windmolenparken op vogels 2. 1. Risicomechanisme
bestaat uit reactieve manoeuvres om windturbines, maar niet de directe omgeving ervan, uit de weg te gaan. Vermijding tenslotte beslaat uit voorbedachte bewegingen die windturbines vermijden tijdens bewegingen (trek, slaaptrek, foerageerbewegingen) in de omgeving van windturbines.
Afgezien van directe aanvaringen, is het erg moeilijk om empirisch na te gaan waarom vogels windturbines mijden. Er is echter een kleine hoeveelheid werk dat erop duidt dat vogels afgeschrikt worden door verticale structuren in het landschap (Larsen & Guillemette 2007), meer dan door bewegende rotors, in het bijzonder soorten die van nature in open landschappen voorkomen, zoals weides of steppen (Johansson 2001, Leddy et al. 1999, Pruett et al. 2009, Reichenbach & Steinborn 2011, Wallander et al. 2006), waaronder Anatidae (zwanen, ganzen, eenden), weidevogels en enkele zangvogels van open landschappen. In enkele gevallen ontstaat een afschrikwekkende werking doordat windturbines door vogels worden aangezien als uitkijkpunten voor roofvogels (Pruett et al. 2009), hoewel deze werking ook vaak optreedt zonder gebruik door predatoren (Walters et al. 2014). Ook geluid van windturbines kan een afschrikwekkende werking hebben op vogels (Zwart et al. 2015).
2.2. Verstoring Over dit aspect is relatief weinig literatuur beschikbaar en uit Nederland zelfs niets. De beschikbare literatuur uit het buitenland wijst op gemengde effecten (Buij et al. 2018), welke waarschijnlijk te wijten zijn aan lokale verschillen in voedselbeschikbaarheid (Douglas et al. 2011), ecologische verschillen tussen soorten, analytische verschillen en site-specifieke eigenschappen. Een probleem hierbij is dat effecten van habitatverlies soms pas jaren na de bouw van windturbines zichtbaar worden. Zo kan pas na vele jaren vermijdingsgedrag van Veldleeuweriken worden waargenomen (Reichenbach & Steinborn 2011). Vermijdingsgedrag kan variëren gedurende het jaar, deels door een veranderende voedselsituatie (Douglas et al., 2011). Overwinterende eenden en ganzen worden tot 800 m verstoord door windturbines (Pedersen & Poulsen 1991), maar Madsen & Boertmann (2008) vonden dat Kleine Rietganzen na jaren gewennen aan windturbines, waardoor de verstoringsafstand na verloop van tijd verminderde. In Schotland wijst onderzoek uit dat broedvogels windturbines vermijden door minimaal 500 m afstand te houden. Het gaat hierbij vooral om roofvogels (Buizerd, kiekendieven), steltlopers (Watersnip, Goudplevier, Wulp) en Tapuit (Pearce-Higgins et al. 2009) en dit resulteert in een lokale afname van 15-53%.
Ook was er een afname van broedende boerenlandvogels direct rond windturbines, inclusief Kievit, Veldleeuwerik, Geelgors, Grasmus en Gele Kwikstaart (Rosin et al. 2016). Er is ook direct bewijs voor minder nestelende Goudplevieren rond windturbines (Pearce-Higgins et al. 2008). Bij een andere studie zijn er geen effecten van windturbines op broedende Goudplevieren en Rode Patrijzen (Douglas et al. 2011). Uit Noord-Amerika is er bewijs dat o.m. Bartrams Ruiter, prairiehoenders en verschillende gorzen de omgeving (>100 m) van windturbines mijden als broedgebied (Shaffer & Buhl 2016, Pruett et al. 2009), en verschillende roofvogels het gebied rond windturbines vermijden als foerageergebied (Garvin et al. 2011) en als trekbaan (Johnston et al. 2014), terwijl Hale et al.
Doordat vogels het gebied rondom windturbines mijden, treedt effectief habitatverlies op. Ook de plaats van constructie van windturbines kan worden gezien als habitatverlies, hoewel dit qua oppervlakte relatief minimaal is (Fox et al. 2006). De risico’s van windmolens voor vogels zijn als volgt samen te vatten (Madders & Whitfield 2006, May 2015):
Hierbij wordt onder verstoring verstaan alle effecten die voortkomen uit de fysieke aanwezigheid van windturbines en onder aanvaring direct fysiek contact tussen windturbines en vogels (aanvaring), leidend tot mortaliteit of verminking. Hieronder vatten we de effecten van deze factoren samen. Verplaatsing is de meest radicale vorm van verstoring, welke inhoudt dat vogels hun lokale broed-, rui-, rust-, of foerageeractiviteiten verplaatsen naar een locatie buiten de invloedssfeer van windturbines. Uitwijking 7
Sovon-rapport 2019/89
(2014) bij een net iets andere soortenset van NoordAmerikaanse graslandvogels geen significante effecten vonden. Er treedt over het algemeen geen gewenningseffect op bij broedvogels, waardoor windturbines broedvogelpopulaties blijvend beïnvloeden (Shaffer & Buhl 2016). Het volledige lokale verdwijnen van broedvogelsoorten als respons op de aanwezigheid van windturbines is ook een mogelijk effect, blijkt uit een studie waarin ‘intacte habitats’ vergeleken werden op avifaunistische diversiteit met habitats met windturbines (Villegas-Patraca et al. 2012).
’s nachts vliegende of trekkende soorten. Overdag actieve soorten blijken namelijk een hogere vliegintensiteit rond windturbines te vertonen dan nacht-actieve soorten (Krijgsveld et al. 2009, Balotari-Chiebao et al. 2016). Vooral in gebieden met hoge nestintensiteit vallen relatief veel slachtoffers (Everaert & Stienen 2006). Over het algemeen kan gesteld worden dat soorten die op rotorhoogte vliegen en weinig uitwijkmogelijkheden hebben, het zwaarst getroffen worden (Drewitt & Langston 2006), waaronder grote soorten van open landschappen. Soorten die in Nederland een relatief hoog aanvaringsrisico hebben zijn roofvogels (kiekendieven, Zeearend, valken), uilen, meeuwen en sterns, reigers en steltlopers (Buij et al. 2018). Dit zijn vooral soorten die vaak relatief langzaam manoeuvreren, een groot lichaamsoppervlak hebben, lage reproductie en lokaal voorkomen en door een combinatie van deze factoren kwetsbaar zijn (Desholm 2009). Veel van deze soorten hebben een blinde vlek in hun gezichtsveld omdat ze vaak alleen naar beneden of opzij kijken en zelden naar boven, waar turbinebladen zich bevinden (Martin et al. 2012, Dahl et al. 2013). Ook horen veel soorten de windturbines ook niet (Dooling 2002), waardoor mortaliteit optreedt.
Hiertegen kunnen fluitjes, die op de windturbine worden bevestigd om extra geluid te genereren, worden ingezet (Dooling 2002), naast een analyse van de hoeveelheid geluid die een windturbine opbrengt.
In een studie naar wintervogels werden bij veel soorten (o.a. kraaiachtigen, Veldleeuwerik) geen directe vermijdingseffecten gevonden, enkel bij Fazant (Devereux et al. 2008). Bij trekvogels is vermijdingsgedrag ook meerdere malen aangetoond (Dierschke et al. 2016, Plonczkier & Simms 2012). Overwinterende ganzen kunnen ook worden verstoord door de aanwezigheid van windturbines, waarbij verstoringsafstanden variabel zijn, van 800 m bij de Kolgans (Kruckenberg & Jaene 1999) tot slechts 100-200 m bij de Kleine Rietgans (Larsen & Madsen 2000). Ook kunnen windmolens bewegingen tussen foerageer-, rust-, rui- en broedgebieden frustreren, met nadelige gevolgen voor metabolisme en mogelijk voortplanting en overleving (Drewitt & Langston 2006). Vooral soorten met dagelijkse bewegingen tussen foerageer- en rustplaatsen, zoals ganzen, steltlopers en kraanvogels (Hötker et al. 2005) worden gehinderd door de zogenaamde barrièrewerking van windturbines. Ooievaars passen hun vliegroutes aan tussen nest- en foerageerplekken (Langgemach & Dürr 2013). Ook meeuwen, zwanen en kieviten vermijden op deze manier windturbines (Reichenbach & Steinborn 2011, Fijn et al. 2012, Everaert 2014).
Een ander kenmerk van deze soorten is dat velen lang leven en lange afstanden afleggen, waardoor hun kwetsbaarheid alleen maar groter wordt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de zeer gevoelige Zeearend (Dahl et al. 2013). Ook de Rode Wouw is zeer gevoelig, in Zwitserland sterft jaarlijks tot 3% van de totale populatie door windturbines (Schaub 2012, Bellebaum et al. 2013). Een klein aantal sterftegevallen door aanvaringen met turbines kan al een sterk negatief effect hebben op kwetsbare roofvogelpopulaties (Martinez-Abrain et al. 2012).
Het vermijdingsgedrag van windturbines is sterker bij clusters windturbines dan bij rijen, waarbij vogels zelden door een cluster heen vliegen (Larsen & Madsen 2000). Het geluid dat windturbines produceren wordt door veel vliegende vogels niet opgemerkt (Dooling 2002), maar kan wel overheersen over de zang, en beïnvloedt daarmee de reproductie, van lokale broedvogels (Zwart et al. 2015).
Bij niet-roofvogels zijn vooral nachtactieve en snelvliegende soorten relatief vaak slachtoffer en vaak draait het, net als bij roofvogels, om grote, slecht wendbare soorten. Soorten met een groot territorium (vaak ook fysiek grote soorten) zijn gevoeliger dan soorten met een klein territorium omdat deze hoger vliegen om verschillende delen van het territorium te bezoeken (Gue et al. 2013). Voor bijv. sterns geldt ook dat ze tijdens bepaalde levensstadia gevoeliger zijn voor aanvaringen dan anders; dit risico is hoger in de tijd dat ze jongen hebben, waarschijnlijk door frequentere vliegbewegingen om voedsel te zoeken (Henderson et al. 1996)
2.3. Aanvaring De rotors van windturbines kunnen door hun snelheid grote fysieke schade en mortaliteit veroorzaken onder vogels. Dit effect is het grootst bij overdag actieve soorten en bij lokale broedvogels en minder bij 8
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
In het algemeen geldt dat rond lijnelementen in het landschap (Katzner et al. 2012, De Lucas et al. 2012), in gebieden met veel prooi (Martinez-Abrain et al. 2012) en in de buurt van broedgebieden (Eichhorn et al. 2012) de risico’s op aanvaringen het grootst zijn.
aantallen meer mortaliteit veroorzaken dan kleine turbines, veroorzaken ze per rotoroppervlak en per eenheid geproduceerde energie minder sterfte (Krijgsveld et al. 2009). Het gebruik van minder, maar grotere turbines kan om deze reden vogelsterfte voorkomen (Everaert 2014). Lage rotatiesnelheden kunnen in sommige gevallen ook negatieve effecten dempen (Smallwood & Thelander 2008). Toch kunnen de risico’s op aanvaringen sterk verschillen tussen individuele turbines. De reden van deze variatie in vlieggedrag ten opzichte van turbines is nog slecht begrepen, onder meer door gebrek aan informatie over het ontwijkingsgedrag.
2.4. Maatregelen om effecten te verminderen Lokale mitigatiemaatregelen zoals het tijdelijk stopzetten van turbines tijdens piektrekperioden, het verminderen van aantrekkende verlichting, of het opvallender maken van turbines hebben veelal geen significant effect, veel effectiever is het vermijden van belangrijke vogelgebieden (Langston 2013), hoewel dit vaak gepaard gaat met een belangenconflict, omdat turbines ook niet in de buurt van menselijke bewoning mogen/kunnen staan (Eichhorn & Drechsler 2010). Belangrijke vogelgebieden hangen vaak samen met goede foerageermogelijkheden (Martinez-Abrain et al. 2012), goede omstandigheden om te rusten (van den Bremer et al. 2008), goede broedomstandigheden (Eichhorn et al. 2012) of met andere elementen die het voorkomen van veel vogels stimuleren, zoals de aanwezigheid van rivieren, bomenrijen of andere lineaire landschapselementen die door trekkende vogels worden gevolgd (Katzner et al. 2012, De Lucas et al. 2012).
Hoewel er een sterk verband is tussen het aantal windturbines in het landschap en het aantal slachtoffers door windturbines, is het aggregeren van windturbines volgens simulaties een maatregel die het aantal slachtoffers terug kan dringen (Schaub 2012). Wat precies het mechanisme hierachter is, is onbekend, maar heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat vogels een cluster windmolens als een grotere barrière ziet dan verspreide windturbines, waardoor meer vermijding plaatsvindt en minder aanvaringen. Dit positieve effect is waarschijnlijk sterker wanneer clusters windmolens geplaatst worden waar geen of weinig essentiële activiteiten (broeden, trek, rui, slapen, foerageren) van kwetsbare groepen vogels (roofvogels, watervogels, andere zwaarlijvige soorten).
In enkele gevallen is vermindering van de negatieve effecten wel mogelijk. Zo kan het hoger maken van turbines in enkele gevallen een dempend effect hebben op mortaliteit onder vogels, waarbij nietbroedvogels meer beïnvloed worden dan broedvogels (Hötker 2006). Hoewel grote turbines in absolute
Slecht weer (mist, regen) kan ook leiden tot meer slachtoffers door een verminderde zichtbaarheid (Buij et al. 2018). Het plaatsen van windturbines op plekken waar dit soort omstandigheden vaak te vinden zijn kan dan ook beter vermeden worden.
9
Sovon-rapport 2019/89
10
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
3. Soorten waarvoor het plangebied van relatief groot belang is Om inzicht te krijgen voor welke soorten het gebied nu specifiek van belang is, is van elke soort een schatting gemaakt van het populatieaandeel van de Brabantse vogels die voorkomen in het plangebied. Hiervoor zijn met de verzamelde gegevens van de Sovon Vogelatlas 2012-2015 verspreidingskaarten op een schaal van 250x250 meter gemaakt. Vervolgens is bepaald welk aandeel van de populatie binnen het plangebied voorkomt. Van soorten die maar een paar
een beperkt aantal locaties binnen de provincie voorkomen is daarnaast nog aanvullende informatie uit broedvogeltellingen, nestbescherming, watervogeltellingen en losse waarnemingen uit waarneming.nl gebruikt om het belang van het plangebied voor elke vogelsoort te bepalen. Uit de analyse komt overzicht in tabel 3.1 naar voren. Dit betekent dat het onderzoek naar verstorende invloeden zich vooral op deze soorten zal richten.
Tabel 3.1. Vogels waarvoor de Beerse Overlaat van relatief groot belang is Deze lijst is gebaseerd op het procentueel aandeel van de provinciale populatie per vogelsoort (>=2%). In sommige gevallen is hiervan afgeweken (*), waarbij het vooral gaat om soorten die geconcentreerd voorkomen in de provincie en waarvoor de Beerse Overlaat relatief belangrijk is of door hun ecologie/levenswijze extra kwetsbaar zijn voor de aanwezigheid van windturbines. broedvogels
wintervogels
Tureluur Tringa totanus Grutto Limosa limosa Zomertaling Mareca querquedula Roek Corvus frugilegus Bergeend Tadorna tadorna Graspieper Anthus pratensis Slobeend Spatula clypeata Kluut Recurvirostra avosetta Watersnip Gallinago gallinago Knobbelzwaan Cygnus olor Meerkoet Fulica atra Kwartel Coturnix coturnix Ooievaar Ciconia ciconia Ringmus Passer montanus Visdief Sterna hirundo Krakeend Mareca strepera Kievit Vanellus vanellus Bruine Kiekendief Circus aeruginosus Wulp Numenius arquatus Steenuil Athene noctua Kleine Plevier Charadrius dubius Scholekster* Haematopus ostralegus Torenvalk* Falco tinnunculus Buizerd* Buteo buteo Kuifeend* Aythya fuligula Patrijs* Perdix perdix
Smient Mareca penelope Kolgans Anser albifrons Brandgans Branta leucopsis Wintertaling Anas crecca Wilde Zwaan Cygnus cygnus Grauwe Gans Anser anser Grote Zilverreiger Ardea alba Stormmeeuw Larus canus Knobbelzwaan Cygnus olor Koperwiek Turdus iliacus Kleine Zwaan Cygnus bewickii Kokmeeuw Chroicocephalus ridibundus Spreeuw Sturnus vulgaris Kievit Vanellus vanellus Steenuil Athene noctua Tafeleend Aythya ferina Pijlstaart Anas acuta Kramsvogel Turdus pilaris Blauwe Kiekendief Circus cyaneus Waterpieper Anthus spinoletta Patrijs * Perdix perdix Torenvalk* Falco tinnunculus Buizerd* Buteo buteo Grote Lijster* Turdus viscivorus
11
Sovon-rapport 2019/89
Figuur 3.1. Gevonden weidevogelnesten in de Beerse Overlaat in 20172019. Elk jaar is met een andere kleur weergegeven. Het plangebied is omlijnd.
De Beerse Overlaat is het belangrijkste gebied in Brabant voor overwinterende roofvogels. Elk jaar overwinteren er vele tientallen Buizerds en Torenvalken en ca. 10 Blauwe Kiekendieven in het gebied. Torenvalk, Tweede Hoefsteeg, 17-11-2019 (Henk Sierdsema)
12
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
De Beerse Overlaat is één van de belangrijkste gebieden voor Patrijzen in de provincie. Empselsehoefweg, 17-11-2019 (Henk Sierdsema)
In de Beerse Overlaat overwinteren grote aantallen Blauwe en Zilverreigers. Hertogswetering, 3-11-2019 (Henk Sierdsema)
13
Sovon-rapport 2019/89
14
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
4. Hotspotkaarten 4.1. Wat zijn hotspotkaarten?
tot de waarde van 25% van de populatieomvang is bereikt. Alle gridcellen die tot dan toe bij elkaar zijn opgeteld vormen dan het 25%-kwantielgebied. In dat gebied komt dan dus 25% van de populatie voor op een zo klein mogelijke oppervlakte. Op deze manier kan voor elke soort afzonderlijk in beeld worden gebracht wat de meest belangrijke gebieden voor deze soort zijn. Voor de kans-op-voorkomen-kaarten kan een vergelijkbare procedure worden toegepast. Hiervoor worden alle kansen bij elkaar opgeteld en op een vergelijkbare manier kwantielkaarten gemaakt. De gekozen kwantielwaarde hangt af van de toepassing van de kaarten. Indien alleen de echte topgebieden in beeld gebracht moeten worden kan de 10%-kwantielwaarde worden gebruikt. Maar wanneer de belangrijkste gebieden voor een soort in beeld gebracht moeten worden dan blijkt meestal de 35%-kwantielkaart goed bruikbaar te zijn. Met de kwantielbenadering kunnen soorten met grote verschillen in talrijkheid en geheel verschillende typen kaarten toch bij elkaar worden opgeteld om tot een totaalbeeld over een groot aantal soorten te komen. Door middel van de kwantielbenadering worden dus de verspreidingskaarten omgezet in voor alle soorten vergelijkbare kaarten die de belangrijkste en minder belangrijke gebieden voor een soort in beeld brengen.
Door nu de afzonderlijke kwantielkaarten per soort op te tellen, kan een kaart gemaakt worden die in detail de lokale ‘soortenrijkdom’, of beter, diversiteit, weergeeft. ‘Soortenrijkdom’ tussen aanhalingstekens omdat door de verwerking van verschillen in abundantie en kans op voorkomen in de kaarten, deze een informatiever beeld geven over de biodiversiteit dan simpelweg soortenrijkdom. Om verwarring te voorkomen met de gangbare kaarten die soortenrijkdom weergeven, gebruiken voor we
Hiervoor is beschreven voor welke soorten de Beerse Overlaat van groot provinciaal belang is. Maar waar komen die soorten nu precies voor? In plaats van tientallen kaarten van de afzonderlijke soorten te tonen, is het ook mogelijk om kaarten te maken die de gecombineerde verspreiding laten zien in zogenaamde ‘hotspotkaarten’. De kaarten echter niet zonder meer worden opgeteld. Voor abundantiekaarten geldt dat de dichtheden tussen de soorten zeer sterk verschillen: optelling van de kaarten zou ertoe leiden dat deze vooral het voorkomen van een aantal zeer algemene soorten in beeld brengt. De meest eenvoudige manier om de kaarten vergelijkbaar te maken tussen soorten is om deze om te zetten in een kaart met aan- en afwezigheid. De optelling van de kaarten levert dan een kaart op met de soortenrijkdom. Alle informatie over verschillen in abundantie die beschikbaar is in de abundantiekaarten gaat dan echter verloren. Dit is op te lossen door in plaats van aan- of afwezigheid van een soort, gebieden met een hoge- en lage dichtheden te onderscheiden of gebieden met een hoge en lage kans op voorkomen. Maar hoe doe je dat? Voor elke soort zullen immers soort- en zelfs kaart-specifieke criteria nodig zijn. Dat is opgelost door het maken van zogenaamde kwantielkaarten. Deze kaarten laten zien wat de kleinst mogelijke gebied is waar zich bijvoorbeeld 10% of 25% van de populatie bevind.
Om bijvoorbeeld een 25%-kwantielkaart voor een provincie te maken wordt daarvoor eerst het totale aantal in de hele provincie berekend. Vervolgens wordt bepaald wat hiervan 25% is. Vervolgens worden alle waarden van de afzonderlijke gridcellen gesorteerd van groot naar klein. Deze worden dan één voor één bij elkaar opgeteld van groot naar klein, net zo lang Figuur 4.1. Voorbeeld van veldwaarnemingen van de Patrijs in de broedtijd in Noord-Brabant zoals verzameld tijdens het vogelatlasproject van 2013-2015. Open rondjes geven de bezochte kilometerhokken weer waar de soort niet is aangetroffen tijdens twee bezoeken van een uur, rode symbolen hebben betrekking op de waargenomen aantallen Patrijzen tijdens deze bezoeken. 15
Sovon-rapport 2019/89
Figuur 4.2. De verwachte dichtheden van broedparen Patrijzen per 100 ha in de provincie NoordBrabant.
deze kaarten de term ‘hotspotkaarten’. Met behulp van hotspotkaarten wordt dus aangegeven waar zich het zwaartepunt van de verspreiding van een groep van soorten bevind.
vooral van belang bij kaarten waar maar een beperkt aantal soorten worden samengevoegd: de keuze van de soorten kan namelijk een behoorlijke invloed op het kaartbeeld hebben. Een brede selectie aan soorten leidt daarentegen tot een robuuster beeld van de lokale biodiversiteit, maar het is dan weer moeilijker om precies te duiden om wát voor biodiversiteit het nu gaat.
4.2. Hoe wordt een hotspotkaart gemaakt? Een hotspotkaart van bijvoorbeeld agrarisch gebied begint met het maken van een lijst van soorten die in overwegend voorkomen in agrarisch. De keuze van de soorten bepaalt daarom mede waar hotspots in beeld komen en is dus een belangrijk onderdeel van het proces om te komen tot hotspotkaarten. Er bestaat echter niet zoiets als dé lijst van agrarische vogelsoorten. Welke soorten gecombineerd gaan worden, hangt namelijk ook af van het doel van de kaart: moet deze hotspots kwaliteit in het algemeen laten zien, of bijvoorbeeld hotspots voor soorten natte, open graslanden? Voor alle landschappen of biotopen geldt dan ook dat eerst bedacht moet worden wat het doel of de toepassing van de kaart is. Dit is
Figuur 4.1 laat zien waar in Noord-Brabant in 20132015 Patrijzen zijn aangetroffen in een steekproef van gridcellen van 1 x 1 km, zogenaamde kilometerhokken. Kilometerhokken waar de soort niet is aangetroffen tijdens twee bezoeken van een uur in het voorjaar zijn aangegeven met witte cirkels. In kilometerhokken waar de soort wel is aangetroffen, is het gevonden aantal weergegeven door rode symbolen van verschillende grootte. Door middel van de ruimtelijke statistiek en omgevingsinformatie is hiermee een gebiedsdekkend beeld van het voorkomen gemaakt in figuur 4.2.
Figuur 4.3. Weergave van de 35 % beste gridcellen voor de Patrijs in NoordBrabant. 16
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
Figuur 4.4. Hotspot gebieden voor vogels van agrarisch gebied in Noord-Brabant, uitgaande van honderd soorten.
Figuur 4.2 toont de verwachte dichtheid in broedparen Patrijzen per 100 ha variërend van 0 tot 9 paren per 100 ha. De celgrootte van de kaart is 250 x 250 meter. In deze kaart zijn gebieden te onderscheiden waar de soort heel talrijk is; deze worden aangegeven met donkerrode gridcellen. Daarnaast zijn er gebieden waarin Patrijzen veel minder voorkomen, wat met groenblauwe gridcellen wordt weergegeven.
minder hoge biodiversiteit hebben, maar toch voor enkele tientallen soorten van groot belang zijn. Dit kunnen heel andere soorten zijn dan de soorten van de biodiversiteitshotspots. Om welke soorten het op de verschillende locaties gaat is te achterhalen door naar de afzonderlijke kwantielkaarten van de soorten te kijken en bijvoorbeeld een overzicht te maken voor welke soorten een gridcel tot de top-35% behoort. Op deze manier kan snel inzicht verkregen worden voor welke soorten een locatie van bijzondere betekenis is.
In figuur 4.3 is dat weergegeven in kwantielkaarten: de groene vlakken geven de gridcellen weer waar in een zo klein mogelijk aantal cellen 35% van de Noord-Brabantse populatie voorkomt. Of anders gezegd: de 35% beste gridcellen voor de Patrijs in Noord-Brabant. Op een vergelijkbare manier zijn ook voor meer dan honderd andere soorten vogels van het agrarisch gebied kwantielkaarten gemaakt. Door per gridcel op te tellen voor hoeveel soorten deze gridcel behoort tot top-35% ontstaat de hotspotkaart (kaart 4.4). Gebieden met een grote biodiversiteit aan bosvogels zijn hierin te herkennen doordat zij voor meer dan vijftig soorten onderdeel vormen van de top-35% voor deze soort. De blauwe vlekken op de kaart zijn agrarische gebieden die een
4.3. Hotspotkaarten van vogels van (open) agrarisch gebied De Beerse Overlaat dankt zijn bijzondere waarden voor vogels in het bijzonder aan het rijkelijk voorkomen van vogels van open gebied. Er zijn daarom afzonderlijke hotspotkaarten gemaakt voor de broeden wintervogels van agrarisch gebied én hotspotkaarten van de soorten van open agrarisch gebied. Ter vergelijking zijn niet alleen kaarten van Brabant, maar ook van heel Nederland opgenomen.
Figuur 4.5. Hotspotkaart van broedvogels van open agrarisch gebied. 17
Sovon-rapport 2019/89
Figuur 4.6. Detailkaart met de begrenzing van het plangebied.
Figuur 4.7. Landelijke hotspotkaart van broedvogels van open agrarisch gebied. Het plangebied ligt in het rood omcirkelde gebied en is te herkenning aan het grote aantal soorten waarvoor het een hotspot is. Uit de kaart blijkt dat de Beerse Overlaat, en het plangebied in het bijzonder, een van de belangrijkste gebieden voor broedvogels van open agrarisch gebied is zuidoost-Nederland is.
18
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
Figuur 4.8. Hotspotkaart van wintervogels van open agrarisch gebied.
Figuur 4.9. Detailkaart van de hotspotkaart van wintervogels van open agrarisch gebied.
Uit de hotspotkaarten blijkt dat de Beerse Overlaat zowel in de broedtijd als in de winter één van de belangrijkste gebieden van vogels van open agrarisch in zuidoost- Nederland is. In Noord-Brabant zijn geen andere gebieden die in agrarisch gebruik zijn
met een vergelijkbare kwaliteit. De Hilver ofwel de ‘Nieuwe Reuselbeemden’, vrijwel geheel natuurgebied, heeft een vergelijkbare kwaliteit voor broedvogels, maar is veel minder van belang voor overwinteraars.
19
Sovon-rapport 2019/89
20
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
5. Gegevens van windturbines Voordat een analyse mogelijk is tussen het voorkomen van vogels en windturbines, is naast informatie over de vogels, vanzelfsprekend ook informatie nodig over het voorkomen van windturbines. Voor een juiste analyse volstaat het niet om te weten dat er ergens een windturbine staat, maar ook in welk jaar de turbine is geplaatst en in welk jaar eventueel weer verwijderd. Hoewel er bronnen beschikbaar zijn op het internet over windmolens, bleek geen enkele bron volledig te zijn. Aanvullende informatie kon onder meer worden verkregen uit de verschillende versies van de topografische kaart van Nederland (Kadaster): de top10vector en zijn opvolger, TOP10NL. Het maken van een goed bestand met windturbines bleek een omvangrijke taak te zijn, die meerdere werkweken in beslag heeft genomen. Het resultaat hiervan is nu wel dat Sovon beschikt over een zo adequaat en up-to-date mogelijk bestand met het voorkomen van windturbines in Nederland (figuur 5.1).
Figuur 5.1. Overzichtskaart windturbines.
21
Sovon-rapport 2019/89
22
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
6. Ruimtelijke analyse 6.1. Inleiding
met een hele serie landschapskenmerken, maar zonder informatie over het voorkomen van windturbines. Dit regressiemodel levert voor elke onderzochte locatie een verwachte waarde op van het aantal vogels gegeven de lokale landschapskenmerken. Het verschil tussen de werkelijk getelde aantallen en de verwachting (predictie) van het regressiemodel wordt aangeduid met de term ‘residue’. De verwachting is, dat op locaties nabij windturbines dit residue negatief zal zijn: er zijn dan minder vogels geteld dan verwacht op basis van de landschapskenmerken alleen.
De ruimtelijke analyse is er op gericht om te bepalen of de dichtheden van vogels in de buurt van windturbines afwijken van locaties zonder windmolens. In de literatuur is hier weinig over te vinden (zie literatuurstudie), maar de resultaten van onderzoek elders tonen dat een deel van de soorten windmolens in hun omgeving mijdt. De oorzaken hiervoor zijn onder meer toename van predatie (weidevogels), geluidsverstoring en bewegingsverstoring. Om te bepalen of in Nederland ook sprake is van een negatief effect van de aanwezigheid van windmolens op het voorkomen van soorten is een ruimtelijke analyse uitgevoerd met landelijke gegevens. Idealiter worden daarvoor exact vergelijkbare locaties met en zonder windmolens met elkaar vergeleken. In de praktijk is dat echter maar zeer beperkt mogelijk, in het bijzonder wanneer de analyse op basis van reeds beschikbare gegevens moet plaatsvinden. Zo worden grote windturbines bij voorkeur geplaatst in gebieden waar weinig mensen en dat zijn nu precies gebieden waar veel vogels, in het van open gebieden, het liefste komen.
Voor de ruimtelijke analyses is gebruik gemaakt van de gegevens van de Vogelatlas 2012-2015, PTTwintervogeltellingen en MAS-tellingen van vogels in het agrarisch gebied (tabel 6.1). De ruimtelijke analyses zijn uitgevoerd met behulp van Random Forest. Met behulp van een GLM is vervolgens bepaald of er een relatie is tussen de residuen en het aantal windturbines binnen 200m, 1000 meter en 2000 meter van de tellocatie. Ook is er bepaald of er een relatie is tussen de residuen en de afstand tot de dichtstbijzijnde windturbine. Bij een negatief verband tussen de residuen en de aanwezigheid van windturbines is daarom sprake van een negatief verband tussen de aanwezigheid van vogels en windturbines waarbij is gecorrigeerd voor verschillen in omgevingskenmerken. Bij een positief verband tussen de residuen en de afstand tot de dichtstbijzijnde windturbine is er daarentegen een negatief verband met de hoeveelheid vogels: immers,
Om de relatie tussen de aanwezige vogels en de aanwezigheid van windturbines te kunnen bepalen, moet er dus ook rekening worden gehouden met allerlei andere landschapskenmerken die anders kunnen zijn. Om die reden is eerst een regressiemodel gemaakt waarmee de aantallen vogels per soort op elke onderzochte locatie in verband worden gebracht
Tabel 6.1. Overzicht van gebruikte gegevens in de ruimtelijke analyse. Bron
Type telling
Broedvogels
Wintervogels
Vogelatlas 2012-2015 Vogelatlas 2012-2015 PTT wintervogeltelling MAS telling
Kilometerhoktelling x x Punttelling x x Punttelling x Punttelling x
Aantal meetpunten 11450 11450 14900 1340
Tabel 6.2. Variabelen die de aanwezigheid van windturbines beschrijven. Variabele
Beschrijving
Nearest_windturbine
Afstand van het telpunt of het middelpunt van het kilometerhok tot de dichtstbijzijnde windturbine
Windturbines_200m
Aantal windturbines binnen 200 meter van het telpunt of binnen 200 meter van de rand van het kilometerhok
Windturbines_1000m
Aantal windturbines binnen 1000 meter van het telpunt of binnen 1000 meter van de rand van het kilometerhok
Windturbines_2000m
Aantal windturbines binnen 2000 meter van het telpunt of binnen 2000 meter van de rand van het kilometerhok 23
Sovon-rapport 2019/89
hoe groter de effectafstand is hoe meer vogels er aanwezig zijn waren op de tellocatie. De ruimtelijke analyse is uitgevoerd met behulp van gegevens uit de periode 2013-2018. Van elk meetpunt is voor elke soort het gemiddelde voorkomen in die periode berekend. Voor het bepalen van de aanwezigheid van windturbines is alleen uitgegaan van alle windturbines die er in de periode 2013-2018 stonden. Dit betekent, dat het effect kan zijn onderschat omdat ook windturbines zijn meegenomen in de analyse die er niet die hele periode stonden. De analyse is alleen uitgevoerd voor meetlocaties die een openheid van ten minste 200 ha hadden. De resultaten hebben dus alleen betrekking op windmolens in open gebieden.
6.2. Resultaten ruimtelijke analyse 6.2.1. Broedvogels De analyse is uitgevoerd voor die soorten waarvoor de Beerse Overlaat een relatief groot provinciaal belang heeft. Tabel 6.3 toont de resultaten voor de broedvogels voor de variabelen Windturbines_1000m, ofwel het aantal windturbines binnen 1 kilometer. Een volledig overzicht is opgenomen in bijlage 1.
Figuur 6.1. Ligging van de meetlocaties. Atlaskilometerhokken en Atlas-telpunten in grijs, overige meetlocaties in rood.
Tabel 6.3. Resultaten voor de variabelen Windturbines_1000m, ofwel het aantal windturbines binnen 1 kilometer en het voorkomen van broedvogels. De soorten zijn gesorteerd op afnemende negatief verband met het voorkomen van windturbines. De t value is de toets-waarde: hoe negatiever deze is, hoe sterker het negatieve verband met het voorkomen van windturbines. Een t-waarde kleiner dan -2 of groter dan 2 duidt op een significant verband. De bijbehorende P-waarden staan in de kolom ‘Pr(>|z|)’ Model
Soort
Windturbines_1000m Bergeend Windturbines_1000m Kwartel Windturbines_1000m Kleine Plevier Windturbines_1000m Slobeend Windturbines_1000m Steenuil Windturbines_1000m Scholekster Windturbines_1000m Meerkoet Windturbines_1000m Ringmus Windturbines_1000m Tureluur Windturbines_1000m Grutto Windturbines_1000m Visdief Windturbines_1000m Broedvogels Windturbines_1000m Kuifeend Windturbines_1000m Roek
t value
Pr(>|z|)
Model
t value
Pr(>|z|)
-10.54 -9.95 -6.92 -6.24 -5.44 -5.17 -4.90 -4.70 -4.51 -4.29 -4.05 -3.13 -2.42 -2.17
5.4E-26 2.5E-23 4.4E-12 4.5E-10 5.5E-08 2.3E-07 9.8E-07 2.6E-06 6.5E-06 1.8E-05 5.0E-05 1.7E-03 1.6E-02 3.0E-02
Windturbines_1000m Wulp -2.14 Windturbines_1000m Kievit -2.06 Windturbines_1000m Krakeend -1.87 Windturbines_1000m Kluut -1.55 Windturbines_1000m Bruine Kiekendief -1.42 Windturbines_1000m Zomertaling -1.21 Windturbines_1000m Patrijs -1.09 Windturbines_1000m Torenvalk -1.07 Windturbines_1000m Watersnip -0.49 Windturbines_1000m Knobbelzwaan -0.39 Windturbines_1000m Buizerd 0.04 Windturbines_1000m Graspieper 8.55 Windturbines_1000m Ooievaar 8.72
3.3E-02 4.0E-02 6.2E-02 1.2E-01 1.6E-01 2.2E-01 2.8E-01 2.8E-01 6.3E-01 7.0E-01 9.6E-01 1.2E-17 2.9E-18
24
Soort
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
6.2.2. Wintervogels Een vergelijkbare ruimtelijke analyse is uitgevoerd voor de wintervogels. De resultaten voor de relatie van de residuen met het aantal windturbines binnen 1000 meter zijn opgenomen in tabel 6.4.
turbines. De relaties met de verschillende variabelen die de aanwezigheid met windturbines beschrijven (afstand, 200 meter, etc) is in grote lijnen vergelijkbaar, maar voor sommige soorten zoals de Patrijs zijn er negatieve korte-afstandseffecten, maar positieve lange-afstandseffecten. Op basis van de ruimtelijke analyses kunnen deze dus geen uitspraken worden gedaan over het mogelijke verstorende effect op de aanwezigheid van wintervogels.
In tegenstelling tot de broedvogels leveren de ruimtelijke analyses van de wintervogels geen eenduidige indicatie op voor het verstorende effect van wind-
Tabel 6.4. Resultaten voor de variabelen Windturbines_1000m, ofwel het aantal windturbines binnen 1 kilometer en het voorkomen van wintervogels. De soorten zijn gesorteerd op afnemende negatief verband met het voorkomen van windturbines. De t value is de toets-waarde: hoe negatiever deze is, hoe sterker het negatieve verband met het voorkomen van windturbines. Een t-waarde kleiner dan -2 of groter dan 2 duidt op een significant verband. De bijbehorende P-waarden staan in de kolom ‘Pr(>|z|)’ Model
Soort
t value
Pr(>|z|)
Windturbines_1000m Wintertaling -2.18 Windturbines_1000m Waterpieper -1.99 Windturbines_1000m Kievit -1.63 Windturbines_1000m Buizerd -1.34 Windturbines_1000m Stormmeeuw -1.26 Windturbines_1000m Blauwe Kiekendief-1.24 Windturbines_1000m Steenuil -1.02 Windturbines_1000m Grote Zilverreiger -0.64 Windturbines_1000m Pijlstaart -0.58 Windturbines_1000m Smient -0.37 Windturbines_1000m Torenvalk -0.08 Windturbines_1000m Tafeleend 0.28 Windturbines_1000m Kramsvogel 0.34 Windturbines_1000m Kleine Zwaan 0.62
0.029 0.047 0.104 0.182 0.207 0.214 0.307 0.523 0.561 0.712 0.934 0.783 0.732 0.538
Model
Soort
Windturbines_1000m Kokmeeuw Windturbines_1000m Grote Lijster Windturbines_1000m Spreeuw Windturbines_1000m Brandgans Windturbines_1000m Wilde Zwaan Windturbines_1000m Koperwiek Windturbines_1000m Grauwe Gans Windturbines_1000m Kolgans Windturbines_1000m Brandgans Windturbines_1000m Kolgans Windturbines_1000m Brandgans Windturbines_1000m Knobbelzwaan Windturbines_1000m Kolgans Windturbines_1000m Patrijs
25
t value
Pr(>|z|)
0.62 0.71 1.15 1.60 1.60 1.61 1.83 1.98 2.12 2.20 2.27 2.34 2.98 5.07
0.536 0.477 0.250 0.109 0.109 0.108 0.067 0.048 0.034 0.028 0.023 0.019 0.003 0.000
Sovon-rapport 2019/89
26
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
7. Trendanalyse 7.1. Inleiding trendanalyse
ker. In doorsnee agrarisch gebied lagen tot voor enkele jaren geleden maar weinig monitoringgebieden. Dat is met de komst van het meetnet MAS aanzienlijk verbeterd, maar dit meetneet loopt pas tien jaar. De beide bronnen van informatie zijn te beperkt om met een generieke analyse zoals uitgevoerd voor de wintervogels effectuitspraken te kunnen doen. Dit is wellicht wel mogelijk met een meer uitgebreide analyse van de gegevens, maar dat viel buiten het bestek dit project.
Een tweede methode om de relatie tussen het voorkomen van vogels en windturbines te bepalen is door middel van trendanalyses. Hiervoor wordt gekeken of de trend op locaties waar windturbines zijn geplaatst binnen 1000 meter van de meetlocatie vóór het plaatsen van de windturbines afwijkt van de trend na het plaatsen van de windturbines. Bij soorten die gevoelig zijn voor windturbines wordt dan verwacht dan de trend na de plaatsing negatiever is dan daarvoor. Dat betekent niet noodzakelijkerwijs dat de soort dan afneemt: het gaat hier om de relatieve trend. Bij soorten die toenemen verwachten we dus, dat deze in elk minder toenemen na de plaatsing wanneer er sprake is van een negatief verband.
7.2. Resultaten trendanalyse Figuur 7.1 toont als voorbeeld de (landelijke) trend van Wulpen in de winter op locaties waar windturbines zijn geplaatst. Het jaar ‘0’ geeft het moment van plaatsing van een windturbine in de omgeving van het telpunt aan. Negatieve jaren zijn de jaren voor de plaatsing, positieve jaren de jaren na de plaatsing. Het daadwerkelijke jaartal dat hoort bij het jaartal ‘0’ is voor elke locatie verschillend: zo kan op de ene locatie de windturbine geplaatst zijn in 2000 en op een andere locatie in 2010.
De trendanalyse is uitgevoerd met behulp van de wintervogel-punttellingen van het PTT-project. Dit monitoringproject is gestart in 1980 en levert over een lange termijn gestandaardiseerde monitoringgegevens van overwinterende vogels. Een analyse van broedvogelgegevens is veel moeilij-
Figuur 7. 1. Trend (aantalsontwikkeling) van Wulpen in de winter voor en na het plaatsen van één of meer windturbines in een gebied.
27
Sovon-rapport 2019/89
Wintervogels De trendanalyse is uitgevoerd voor 94 soorten vogels in de winter. Hiervan vertoont ca. 50% een negatieve respons, 30% is neutraal en 20% een positieve respons (figuur 7.2)
Figuur 7.2. Samengevatte respons van de 94 overwinterende vogelsoorten waarvoor de trendanalyse is uitgevoerd.
Tabel 7.1 en figuur 7.3 laat zien in hoeverre de trends verschillen tussen soortgroepen. Tabel 7.1. Relatieve trend van vogels, gegroepeerd in taxonomische groepen, in de winter voor en na het plaatsen van windturbines in het gebied. Soortgroep Roofvogels, kraaien, duiven en hoenders Ganzen en zwanen Zangvogels van open agrarisch gebied Eenden en steltlopers Zangvogels van bos
Negatief
Neutraal
Positief
12 13 7 10 6
3 8 5 4 6
2 2 2 9 5
Figuur 7.3. Relatieve trend per soortgroep van 94 overwinterende vogelsoorten.
28
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
Literatuur Balotari-Chiebao F., Brommer J. E., Niinimäki T. & Laaksonen T. 2016. Proximity to wind-power
Eichhorn M., Johst K., Seppelt R. & Drechsler M. 2012. Model-Based Estimation of Collision Risks
plants reduces the breeding success of the white-tailed eagle. Animal Conservation, 19(3), 265-272.
of Predatory Birds with Wind Turbines. Ecology and Society, 17(2). Everaert J. & Stienen E. W. 2006. Impact of wind turbines on birds in Zeebrugge (Belgium). In Biodiversity and Conservation in Europe (pp. 103-117). Springer, Dordrecht. Everaert J. 2008. Effecten van windturbines op de fauna in Vlaanderen. Onderzoeksresultaten, discussie en aanbevelingen. Rapportnr. INBO.R.2008.44. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Everaert J. 2014. Collision risk and micro-avoidance rates of birds with wind turbines in Flanders. Bird Study, 61(2), 220-230.
Bellebaum J., Korner-Nievergelt F., Dürr T. & Mammen U. 2013. Wind turbine fatalities approach a level of concern in a raptor population. Journal for Nature Conservation, 21(6), 394-400.
van den Bremer L., Klaassen O. & van Roomen M. 2008. Slaapplaatsen van vogels: toekomstig verspreidings-en monitoringonderzoek. Sovon Vogelonderzoek Nederland.
Buij R., Jongbloed R., Geelhoed S., van der Jeugd H., Klop E., Lagerveld S. & Tamis J. 2018. Kwetsbare soorten voor energie-infrastructuur in Nederland: overzicht van effecten van hernieuwbare energie-infrastructuur en hoogspanningslijnen op de kwetsbare soorten vogels, vleermuizen, zeezoogdieren en vissen, en oplossingsrichtingen voor een natuurinclusieve energietransitie (No. 2883). Wageningen Environmental Research.
Fijn R. C., Krijgsveld K. L., Tijsen W., Prinsen H. A. & Dirksen S. 2012. Habitat use, disturbance and collision risks for Bewick’s Swans. Wildfowl, 62(62), 97-116.
Fox A.D., Desholm M., Kahlert J., Christensen T.K. & Krag Petersen I.B. 2006. Information needs
Dahl E.L., May R., Hoel P.L., Bevanger K., Pedersen H.C., Røskaft E. & Stokke B.G. 2013.
to support environmental impact assessment of the effects of European marine offshore wind farms on birds. Ibis, 148(1), 129-144.
White-tailed eagles (Haliaeetus albicilla) at the Smøla wind-power plant, Central Norway, lack behavioral flight responses to wind turbines. Wildlife Society Bulletin, 37(1), 66-74. De Lucas M., Ferrer M. & Janss G. 2012. Using Wind Tunnels to Predict Bird Mortality in Wind Farms: The Case of Griffon Vultures. PLoS ONE, 7(11), p.e48092 Desholm M. 2009. Avian sensitivity to mortality: Prioritising migratory bird species for assessment at proposed wind farms. Journal of Environmental Management, 90(8), 2672-2679. ngham M. J. 2008. Minimal effects of wind turbines on the distribution of wintering farmland birds. Journal of Applied Ecology, 45(6), 1689-1694. Dierschke V., Furness R. W., & Garthe S. 2016. Seabirds and offshore wind farms in European waters: Avoidance and attraction. Biological Conservation, 202, 59-68. Dooling R. 2002. Avian hearing and the avoidance of wind turbines (No. NREL/TP-500-30844). National Renewable Energy Lab., Golden, CO.(US). Douglas D., Bellamy P. & Pearce-Higgins J. 2011. Changes in the abundance and distribution of upland breeding birds at an operational wind farm. Bird Study, 58(1), 37-43. Drewitt A.L. & Langston R. H.W. 2006. Assessing the impacts of wind farms on birds. Ibis 148: 29-42. Eichhorn M. & Drechsler M. 2010. Spatial trade-offs between wind power production and bird collision avoidance in agricultural landscapes.
Ecology and Society, 15(2).
Garvin J.C., Jennelle C. S., Drake D. & Grodsky S.M. 2011. Response of raptors to a windfarm. Journal of Applied Ecology, 48(1), 199-209.
Gue C.T., Walker J.A., Mehl,K.R., Gleason J.S., Stephens S.E., Loesch C.R., Reynolds R.E. & Goodwin B.J. 2013. The effects of a large-scale wind farm on breeding season survival of female mallards and blue-winged teal in the Prairie Pothole Region. The Journal of Wildlife Management, 77(7), 1360-1371. Hale A., Hatchett E., Meyer J. & Bennett V. 2014. No evidence of displacement due to wind turbines in breeding grassland songbirds. The Condor, 116(3), 472482.
Henderson I. G., Langston R. H. & Clark N. A. 1996. The response of common terns Sterna hirundo to power lines: an assessment of risk in relation to breeding commitment, age and wind speed. Biological Conservation, 77(2-3), 185-192. Hötker H. 2006. Auswirkungen des ‘Repowering’ von Windkraftanlagen auf Vögel und Fledermäuse. Michael-Otto-Institut im NABU-Forschungs- und Bildungszentrum für Feuchtgebiete und Vogelschutz, Berghusen. Johansson T. 2001. Habitat selection, nest predation and conservation biology in a Black-tailed Godwit (Limosa limosa) population (Doctoral dissertation, Acta Universitatis Upsaliensis). Johnston N.N., Bradley J.E. & Otter K.A. 2014. Increased flight altitudes among migrating Golden Eagles suggest turbine avoidance at a Rocky Mountain 29
Sovon-rapport 2019/89 wind installation. PloS one, 9(3), e93030.
lative impacts of wind farms on peatland birds: a case study of golden plover Pluvialis apricaria in Scotland. Mires & Peat, 4.
Katzner T., Brandes D., Miller T., Lanzone M., Maisonneuve C., Tremblay J., Mulvihill R. & Merovich G. 2012. Topography drives migratory
Pearce-Higgins J.W., Stephen L., Langston R.H., Bainbridge I.P. & Bullman R. 2009. The
flight altitude of golden eagles: implications for onshore wind energy development. Journal of Applied Ecology, 49(5), pp.1178-1186.
Krijgsveld K.L., Akershoek K., Schenk F., Dijk F. & Dirksen S. 2009. Collision risk of birds with modern large wind turbines. Ardea, 97(3), 357-367.
Kruckenberg H. & Jaene J. 1999. Zum Einfluss eines Windparks auf die Verteilung weidender Bläßgänse im Rheiderland (Landkreis Leer, Niedersachsen). Natur und Landschaft, 74(10), pp.420-427. Langgemach T. & Dürr T. 2013. Informationen über Einflüsse der Windenergienutzung auf Vögel– Stand 09.10. 2013. Staatliche Vogelschutzwarte des Landesamts für Umwelt, Gesundheit und Verbraucherschutz Brandenburg, Nennhausen. Langston R. H. 2013. Birds and wind projects across the pond: A UK perspective. Wildlife Society Bulletin, 37(1), 5-18. Larsen J. K. & Guillemette M. 2007. Effects of wind turbines on flight behaviour of wintering common eiders: implications for habitat use and collision risk. Journal of Applied Ecology, 44(3), 516-522. Larsen J. K. & Madsen J. 2000. Effects of wind turbines and other physical elements on field utilization by pink-footed geese (Anser brachyrhynchus): A landscape perspective. Landscape ecology, 15(8), 755-764. Leddy K.L., Higgins K.F. & Naugle D.E. 1999. Effects of wind turbines on upland nesting birds in Conservation Reserve Program grasslands. The Wilson Bulletin, 111, 100-104. Madders M. & Whitfield D. P. 2006. Upland raptors and the assessment of wind farm impacts. Ibis, 148, 43-56. Madsen J. & Boertmann D. 2008. Animal behavioral adaptation to changing landscapes: springstaging geese habituate to wind farms. Landscape ecology, 23(9), 1007-1011.
Martin G.R., Portugal S.J. & Murn C.P. 2012. Visual fields, foraging and collision vulnerability in Gyps vultures. Ibis, 154(3), 626-631.
Martínez-Abraín A., Tavecchia G., Regan H.m., Jimenez J., Surroca M. & Oro D. 2012. Effects of wind farms and food scarcity on a large scavenging bird species following an epidemic of bovine spongiform encephalopathy. Journal of Applied Ecology, 49(1), 109-117. May R. F. 2015. A unifying framework for the underlying mechanisms of avian avoidance of wind turbines. Biological Conservation, 190, 179-187.
distribution of breeding birds around upland wind farms. Journal of Applied ecology, 46(6), 1323-1331. Pedersen M. & Poulsen E. 1991. Impact of a 90m/2MW wind turbine on birds: Avian response to the implementation of the Tjaereborg Wind Turbine at the Danish Wadden Sea. Danske Vildtundersoegelser (Denmark). Plonczkier P. & Simms I. C. 2012. Radar monitoring of migrating pink-footed geese: behavioural responses to offshore wind farm development. Journal of Applied Ecology, 49(5), 1187-1194. Pruett C.L., Patten M.A. & Wolfe D.H. 2009. Avoidance behavior by prairie grouse: implications for development of wind energy. Conservation Biology, 23(5), 1253-1259. Reichenbach M. & Steinborn H. 2011, May. Wind turbines and meadow birds in germany—results of a 7 year baci-study and a literature review. In Presentation held at the “conference on wind energy and wildlife impacts”, Trondheim, Norway (pp. 2-5).
Rosin Z. M., Skórka P., Szymański P., Tobolka M., Luczak A. & Tryjanowski P. 2016. Constant and seasonal drivers of bird communities in a wind farm: implications for conservation. PeerJ, 4, e2105. Schaub M. 2012. Spatial distribution of wind turbines is crucial for the survival of red kite populations. Biological Conservation, 155, 111-118. Shaffer J.A., & Buhl D.A. 2016. Effects of wind-energy facilities on breeding grassland bird distributions. Conservation Biology, 30(1), 59-71. Smallwood K. & Thelander C. 2008. Bird Mortality in the Altamont Pass Wind Resource Area, California. Journal of Wildlife Management, 72(1), 215-223.
Villegas-Patraca R., Macgregor-Fors I., OrtizMartínez T., Pérez-Sánchez C., Herrera-Alsina L. & Muñoz-Robles C. 2012. Bird-Community Shifts in Relation to Wind Farms: A Case Study Comparing a Wind Farm, Croplands, and Secondary Forests in Southern Mexico. The Condor, 114(4), 711-719. Wallander J., Isaksson D. & Lenberg, T. 2006. Wader nest distribution and predation in relation to man-made structures on coastal pastures. Biological Conservation, 132(3), 343-350 Walters K., Kosciuch K. & Jones J. 2014. Can the effect of tall structures on birds be isolated from other aspects of development?. Wildlife Society Bulletin, 38(2), 250-256.
Zwart M.C., Dunn J.C., Mcgowan P.J. & Whittingham M.J. 2015. Wind farm noise sup-
Pearce-Higgins J.W., Stephen L., Langston R.H.W. & Bright J.A. 2008. Assessing the cumu-
presses territorial defense behavior in a songbird. Behavioral Ecology, 27(1), 101-108.
30
Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines
Bijlagen Bijlage 1. Resultaten ruimtelijke analyse broedvogels Model
Soort
Model
t value Pr(>|z|)
Nearest_turbine Patrijs -9.18 Nearest_turbine Ooievaar -5.87 Nearest_turbine Torenvalk -5.57 Nearest_turbine Grutto -1.64 Nearest_turbine Kluut -1.24 Nearest_turbine Bruine Kiekendief -1.15 Nearest_turbine Broedvogels -0.50 Nearest_turbine Scholekster -0.34 Nearest_turbine Roek -0.28 Nearest_turbine Meerkoet 0.04 Nearest_turbine Tureluur 0.08 Nearest_turbine Buizerd 0.17 Nearest_turbine Visdief 0.29 Nearest_turbine Graspieper 0.74 Nearest_turbine Knobbelzwaan 1.07 Nearest_turbine Steenuil 1.09 Nearest_turbine Krakeend 1.17 Nearest_turbine Kievit 1.29 Nearest_turbine Kwartel 1.42 Nearest_turbine Zomertaling 2.50 Nearest_turbine Ringmus 2.78 Nearest_turbine Kuifeend 3.88 Nearest_turbine Bergeend 4.04 Nearest_turbine Slobeend 5.32 Nearest_turbine Wulp 5.61 Nearest_turbine Watersnip 6.88 Nearest_turbine Kleine Plevier 10.43 Windturbines_1000m Bergeend -10.54 Windturbines_1000m Kwartel -9.95 Windturbines_1000m Kleine Plevier -6.92 Windturbines_1000m Slobeend -6.24 Windturbines_1000m Steenuil -5.44 Windturbines_1000m Scholekster -5.17 Windturbines_1000m Meerkoet -4.90 Windturbines_1000m Ringmus -4.70 Windturbines_1000m Tureluur -4.51 Windturbines_1000m Grutto -4.29 Windturbines_1000m Visdief -4.05 Windturbines_1000m Broedvogels -3.13 Windturbines_1000m Kuifeend -2.42 Windturbines_1000m Roek -2.17 Windturbines_1000m Wulp -2.14 Windturbines_1000m Kievit -2.06 Windturbines_1000m
Krakeend -1.87 Windturbines_1000m Kluut -1.55 Windturbines_1000m Bruine Kiekendief -1.42 Windturbines_1000m Zomertaling -1.21 Windturbines_1000m Patrijs -1.09 Windturbines_1000m Torenvalk -1.07 Windturbines_1000m Watersnip -0.49 Windturbines_1000m Knobbelzwaan -0.39