Ruimtelijke motivering tijdelijke woningen Gewandeweg Oss_20221230
Tekst van het document
Ook zijn een aantal bijzondere deelgebieden binnen het stedelijk gebied onderscheiden die nu al in ontwikkeling zijn en waaraan ook de komende jaren nog wordt gewerkt, maar ook nieuwe gebieden waarmee komende jaren aan de slag wordt gaan.
26/57
In de visie Stedelijk gebied Oss-Berghem is specifiek een visie opgenomen voor ‘Nieuw duurzaam woongebied Oss-West.’ Ten noorden van de spoorlijn, aansluitend aan het bestaande stedelijke weefsel wil gemeente Oss gefaseerd en adaptief een nieuw, eigentijds en duurzaam woongebied voor circa 3.000 woningen ontwikkelen. Hiermee kan ook op de middellange termijn worden voorzien in de verwachte woonbehoefte. Uitgangspunt is een duurzaam, groen ontwerp met een eigen signatuur, verbonden met de bestaande stad en het omliggende landschap. Ook een groene wijk met gevarieerde woonmilieus, duurzaam ontsloten en met voorzieningen nabij. Een woongebied met meerwaarde voor het woon-dna van Oss en die de karakteristiek van Oss als ontspannen en groene woongemeente versterkt. Toets project Dit project heeft betrekking op tijdelijke woningen voor de huisvesting van onder andere aandachtsgroepen. Het project voorziet op korte termijn in een actuele behoefte. De woningen zijn tijdelijk en kunnen worden gebruikt in de periode dat het nieuwe woongebied Oss-West wordt gerealiseerd. Bij het stedenbouwkundig ontwerp zijn water, bodem en groen als leidende principes gebruikt en is een verbinding gelegd met het bestaande stedelijk weefsel en het omliggende landschap.
Het project past binnen de kaders die in de gebiedsvisie Stedelijk gebied Oss-Berghem worden gegeven, maar staat tegelijk vanwege de tijdelijkheid ook de (middel)lange termijn doelstellingen in het gebied niet in de weg.
27/57
HOOFDSTUK 4. OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de diverse relevante omgevingsaspecten waarmee voor wat betreft de uitvoerbaarheid van het project rekening dient te worden gehouden.
4.1. Bedrijven en milieuzonering 4.1.1. Wettelijk kader Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Deze afstanden in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering 2009" zijn naast de factoren aard en omvang van het bedrijf mede afhankelijk van de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. Het projectgebied is aan te merken als een rustige woonwijk. Een overschrijding van de wettelijke normen (qua geluidsbelasting, stof, geur en gevaar), zoals besproken in voorgaande en volgende hoofdstukken, is niet toelaatbaar. De betreffende VNG-publicatie vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden. 4.1.2.
Toets project De omgeving van het projectgebied kan worden gekenmerkt als een rustig buitengebied met verspreid liggende agrarische bedrijvigheid en enkele woonbestemmingen in de directe omgeving. Ten oosten ligt een ‘rustige woonwijk’, waar nauwelijks andere functies voorkomen dan de functie wonen met ondergeschikte aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven. Op een afstand van 200 meter of verder van het projectgebied komen geen bedrijven voor die van invloed zijn op dit projectgebied of andersom. Hierna wordt ingegaan op de meest relevante (agrarische) bedrijven en activiteiten binnen 200 meter van het projectgebied. Nutsvoorziening hoek Gewandeweg/Huizenbeemdweg Het betreft een rioolgemaal op ruim 80 meter van de dichtstbijzijnde flexwoningen. Een rioolgemaal (SBI2008-code 3700B) heeft een richtafstand van 30 meter vanwege geur en 10 meter voor geluid. Aan deze afstanden wordt ruimschoots voldaan. Agrarisch bedrijf Mikkeldonkweg 32 Op het adres Mikkeldonkweg 32 rust een agrarische bestemming met aanduiding dat ook een veehouderij is toegestaan. Het gaat om een melkrundveebedrijf met ook (de mogelijkheid tot) akkerbouw. En rundveebedrijf (SBI2008-code: 0141, 0142) heeft volgens de VNG-publicatie een richtafstand van 100 meter vanwege geur en 30 meter vanwege stof en geluid.
Akkerbouw (SBI2008-code: 011, 012, 013) heeft een richtafstand van 30 meter vanwege geluid en 10 meter vanwege geur, stof en gevaar. Het projectgebied ligt op ruim 100 meter ten zuiden van het agrarisch bouwvlak en daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden. Veehouderijen in de omgeving In de omgeving van het plangebied (op meer dan 100 meter) komen nog meer veehouderijen voor. Voor agrarische bedrijven geldt in het algemeen dat de richtafstand vanwege geluid en stof (ongeacht de diersoort of vorm van akker- of tuinbouw) nooit meer dan 50 meter bedraagt en de richtafstand voor gevaar maximaal 10 meter bedraagt. Aan deze richtafstanden
28/57
wordt per definitie voldaan. Voor wat betreft het aspect geur moet worden opgemerkt dat niet de richtafstanden uit de VNG-publicatie maar de afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing zijn. In paragraaf 4.11 wordt hier nader op ingegaan. Gelet op het voorgaande zijn er vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmeringen voor dit project. Ter plaatse kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Voor het aspect geur van veehouderijen wordt verwezen naar paragraaf 4.11.
4.2. M.e.r.-beoordeling 4.2.1.
Wettelijk kader
Wet milieubeheer Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan plan-m.e.r.plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Besluit m.e.r. In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen.
Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Onder de drempelwaarden van de D-lijst kan volstaan worden met een zogenaamde ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling. Met het voorliggende project wordt in flexwoningen voorzien. Gezien de aard van het project kan deze worden ondergebracht in categorie 11.2 van de D-lijst: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ De (relevante) drempelwaarde van categorie D11.2 ziet toe op gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het voorliggende project voorziet in maximaal 112 flexwoningen en overschrijdt daarmee geen van de aangegeven drempelwaarden. Aangezien de activiteit onder de drempelwaarden van D11.2 van de D-lijst blijft moet voor de voorgenomen activiteit een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Initiatiefnemer moet een m.e.r.-beoordelingsnotitie (ook wel aanmeldnotitie genoemd) opstellen.
Het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Oss, moet vervolgens beoordelen of bij de voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden waarvoor een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is. Het besluit op de vormvrije m.e.r-beoordeling maakt onderdeel uit van de aanvraag om een omgevingsvergunning.
29/57
4.2.2.
Toets project
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. De achterliggende gedachte bij de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r. (-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (2014/52/EU) een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Bij de beslissing of voor het project wel of geen m.e.r. nodig is houdt het bevoegd gezag rekening met deze criteria: • kenmerken van het project; • locatie van het project; • soort en kenmerken van het potentiële effect
Criteria Omvang van het project
Beschrijving Het project omvat de bouw van maximaal 112 flexwoningen. Dit valt onder de D lijst, artikel 11.2 van het Besluit m.e.r. (De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.) Daarbij geldende volgende drempelwaarden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De geplande ontwikkeling blijft dus ver beneden de drempelwaarden van de m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor activiteiten die op de D lijst voorkomen maar onder drempelwaarden liggen, dient wel een (vormvrije)m.e.r. beoordeling te worden uitgevoerd.
Cumulatie met andere projecten
Ter plaatse of in de directe nabijheid van het project spelen momenteel geen andere projecten waarmee cumulatie van effecten te verwachten is.
Gebruik natuurlijke bronnen
De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.
hulp-
Productie afvalstoffen
Door de activiteit komen geen relevante afvalstoffen vrij.
Verontreiniging en hinder
Tijdens de bouwfase is mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en -werkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.
Risico voor ongevallen
Er wordt geen toename van het risico op ongevallen verwacht. In het gebied wordt niet gewerkt met gevaarlijke stoffen. De activiteit zelf levert in de aanlegfase en gebruiksfase geen extra risico op ongevallen.
30/57
Criteria
Beschrijving
Bestaand grondgebruik
Het betreft onbebouwde agrarische gronden aan de Gewandeweg met de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’.
Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen van het gebied
De locatie heeft geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen.
Opnamevermogen milieu met aandacht voor: - Beschermde gebieden
De projectlocatie ligt niet in beschermde gebieden krachtens Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland. Er is voldoende aannemelijk gemaakt dat effecten van de plannen op beschermde gebieden in de omgeving uitgesloten zijn. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 9,5 kilometer (gebied Rijntakken) op relatief grote afstand gelegen. Vanwege de afstand tot het Natura 2000-gebied, de aard van de ingreep (het realiseren van flexwoningen) en de aanwezigheid van woningen, infrastructuur en agrarisch landschap tussen het Natura 2000-gebied en het projectgebied kunnen negatieve effecten door trillingen, geluid en visuele verstoring als gevolg van de voorgenomen ingreep worden uitgesloten. Gevolgen vanwege stikstofdepositie zijn ook uitgesloten, middels het stikstofonderzoek in de bijlage bij deze toelichting.
-
Gebieden waarbij vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
Niet van toepassing.
-
Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Het projectgebied is gelegen in een buurt die volgens CBS Wijken en buurten 2022 met 532 adressen per km² kan worden aangemerkt als ‘weinig stedelijk’ (gemiddelde omgevingsadressendichtheid 500 tot 1000 adressen per km²). Het gebied is niet aangewezen als aardkundig of cultuurhistorisch waardevol gebied. Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat er twee vindplaatsen binnen het plangebied aanwezig zijn. Met een selectiebesluit(MP21a84) heeft gemeente Oss besloten beide vindplaatsen opgegraven dienen te worden (behoud ex situ). Deze opgraving heeft reeds plaatsgevonden.
Criteria
Beschrijving
Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking)
Het betreft de aanleg van flexwoningen. De activiteit is zeer lokaal, de aard en omvang zijn beperkt. Dit betekent dat het woon- en leefklimaat van omwonenden niet negatief wordt beïnvloed. De effecten hebben geen landsgrensoverschrijdende effecten.
Grensoverschrijdend karakter
Orde van grootte en complexiteit effect
31/57
Effecten zijn verwaarloosbaar of middels maatregelen mitigeerbaar en lokaal van aard.
Waarschijnlijkheid effect
Hindereffecten in de aanlegfase zijn te verwachten in verband met uitvoeringswerkzaamheden. In de gebruiksfase zijn geen belangrijke nadelige effecten te verwachten.
Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect
De aanlegfase levert tijdelijk effecten op in verband met de uitvoeringswerkzaamheden. Na planrealisatie verdwijnen deze effecten. Er treden geen effecten op in de gebruiksfase. Er is sprake van een tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van maximaal 30 jaar. Daarna zullen de woonunits worden verwijderd.
4.3. Akoestiek 4.3.1. Wettelijk kader De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximumhoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bron- en/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's.
Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen. 4.3.2.
Toets project
Industrielawaai Het projectgebied is niet gelegen binnen de wettelijke geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Dit aspect is dan ook niet aan de orde voor dit project. Spoorweglawaai Het projectgebied ligt op ongeveer 1,5 km van de spoorlijn ‘s-Hertogenbosch – Nijmegen en ligt daarmee buiten de geluidzone van deze spoorlijn. Dit aspect is dan ook niet aan de orde voor dit project. Wegverkeerslawaai Het voorliggende project voorziet in realisatie van maximaal 112 flexwoningen binnen de wettelijke geluidzone van meerdere wegen. Tijdelijke omgevingsvergunningen hoeven niet aan de Wet geluidhinder te worden getoetst. De goede ruimtelijke ordening eist echter wel dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om die reden is voor dit project een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.
32/57
Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege de gezoneerde Huizenbeemdweg en Mikkeldonkweg voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder. Het laten vaststellen van hogere waarden is voor beide wegen niet aan de orde. De geluidbelasting vanwege Gewandeweg is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar lager dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Doelmatige maatregelen om de geluidbelasting te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zijn om stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke en financiële redenen niet gewenst. Een effectieve maatregel om de geluidbelasting op alle woningen te reduceren is de Gewandeweg te voorzien van geluidreducerend asfalt in plaats van standaard asfalt. Het laten vaststellen van hogere waarden blijft nodig. Ook het verlagen van de wettelijke snelheid naar 30 km/uur is een effectieve maatregel gebleken. Bij deze maatregel is het laten vaststellen van hogere waarden niet meer aan de orde. Deze maatregelen zijn ter overweging aan de gemeente en kunnen bij een eventuele herinrichting van deze weg om de verkeersveiligheid te verbeteren worden meegenomen. De locatie ligt in het gebiedstype ‘landelijk gebied met lage geluiddruk’ van de gemeentelijke Geluidnota. In dit gebiedstype zijn hogere waarden met uitzondering mogelijk.
De gemeente Oss heeft aangegeven voor deze tijdelijke woningen een uitzondering te maken en te willen afwijken van het geluidbeleid door hogere waarden toe te staan voor de nieuwe woningen op de locatie Gewandeweg. Toetsing heeft aangetoond dat er wordt voldaan aan de voorwaarden voor het vaststellen van hogere waarden conform de gemeentelijke Geluidnota. Het vaststellen van hogere waarden is nodig vanwege de Gewandeweg voor 9 grondgebonden woningen en 15 appartementen van variërend van 49 dB t/m 55 dB. De procedure voor het vaststellen van deze hogere waarden loopt gelijk op met de procedure van de omgevingsvergunning voor de flexwoningen. De gevelweringen van de te realiseren flexwoningen zijn niet berekend. Het betreft momenteel een ruimtelijke procedure waarvoor in eerste instantie een berekening gevelbelasting aan de orde is. De berekeningen van de gevelwering zal deel uitmaken van de later te volgen vergunningprocedure voor bouwen.
4.4. Bodem 4.4.1. Wettelijk kader In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij nieuwe plannen en projecten waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. In dit geval gaat het weliswaar om een tijdelijke functie, maar er is wel sprake van een gevoeliger functie. Om te kunnen beoordelen of de bodemkwaliteit geschikt is voor de functie wonen heeft initiatiefnemer verkennend bodemonderzoek uit laten voeren. Deze rapportage is als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing gevoegd. 4.4.2. Toets project Het bodemonderzoek heeft plaatsgevonden in twee fasen. Ten eerste het milieuhygiënisch vooronderzoek inclusief terreininspectie om de onderzoeksstrategie te bepalen, gevolgd door een verkennend bodemonderzoek conform die strategie. Bij de terreininspectie bleek een puinveld aanwezig ter plaatse van een voormalige boerderij. Omdat geen informatie bekend is over de sloop van die boerderij, is binnen een gebied van circa één hectare rondom het puinveld onderzoek naar asbest de bodem noodzakelijk. Tijdens het milieuhygiënisch vooronderzoek is bovendien gebleken dat de onderzoekslocatie binnen deelgebied A ( Nota Bodembeheer gemeente Oss 2018-2023) ligt met betrekking tot verontreiniging met bestrijdingsmiddelen.
Voor dit gebied dient de parameter OCB meegenomen te worden bij een bodemonderzoek volgens de gemeente Oss. Gelet op het voorgaande geldt voor het verkennend bodemonderzoek de onderzoeksstrategie “verdacht, heterogeen, niet lijnvormig (VED-HE-NL)”, waarbij op het gebied met puin van 1 ha asbest in bodem wordt toegevoegd.
33/57
De onderzoeksresultaten van het milieuhygiënisch vooronderzoek, terreininspectie, verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem is in één rapportage gebundeld en als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen van het verkennend bodem- en asbestonderzoek. Verkennend bodemonderzoek Uit het verkennend bodemonderzoek is zintuiglijk geconstateerd dat de bovengrond zwak baksteen- en betonhoudende is en plaatselijk licht tot sterk verontreinigd is met zink en PCB en verder licht verontreinigd met lood, PAK, som DDT, som DDD en som DDE. De zintuiglijk schone boven- en ondergrond is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. Het grondwater is licht verontreinigd met barium plaatselijk tevens licht verontreinigd met naftaleen. De aangetoonde lichte metaalverontreiniging is hoogstwaarschijnlijk te relateren aan het regionaal voorkomen van verhoogde concentraties van metalen in het grondwater. Voor de lichte verontreiniging met naftaleen heeft bodemadvies- en onderzoeksbureau Econsultancy vooralsnog geen verklaring. Econsultancy adviseert om de aard en de omvang van de vastgestelde sterke zink- en PCB-verontreiniging ter plaatse van boring A06 nader te onderzoeken. Dit zal dan gebeuren voorafgaand aan de realisatie van het project.
Het nader onderzoek naar de aard en omvang van de vastgestelde sterke zink- en PCB-verontreiniging ter plaatse van boring A06, is als voorwaarde aan de vergunning verbonden. Verkennend onderzoek asbest in bodem Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. In het opgeboorde en opgegraven materiaal zijn eveneens geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Analytisch is in één grondmengmonster een verhoogd gehalte (4,03 mg/kg d.s.) aan niet hechtgebonden asbest aangetoond. Het verhoogde asbestgehalte is, gelet op de analyseresultaten, te relateren aan de aanwezigheid van een enkel stukje verweerd asbestboard in het betreffende mengmonster. Het gemeten asbestgehalte ligt ver onder de helft van de hergebruikswaarde (100 mg/kg d.s.). Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. 4.4.3 Explosieven Het plangebied is geheel onverdacht van ontplofbare oorlogsresten uit WOII op basis van de bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten en het daaraan gekoppelde vooronderzoek van AVG uit 2016. Dit wil zeggen dat de kans dat tijdens grondwerkzaamheden binnen het plangebied explosieven of munitie wordt gevonden zeer klein is.
Het is niet nodig om hier onderzoek naar te doen. Echter kan het voorkomen dat bij toeval toch een artikel wordt gevonden wat er uit ziet als een explosief of munitie. In dat geval geldt het protocol toevalsvondsten: stop de werkzaamheden, iedereen verlaat lopend het werkterrein (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) en bel de politie op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of Teamleider Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat.
4.5. Natuur Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Daarmee is de integratie van de Natuurbeschermingswet (Nbw), de Flora- en faunawet (Ffw) en de Boswet een feit. In de Wnb is zowel de gebiedsbescherming als de soortenbescherming geregeld. Bij gebiedsbescherming gaat het om aangewezen natuurgebieden en bij soortenbescherming gaat het om de bescherming van vogels en andere diersoorten en planten. 4.5.1. Gebiedsbescherming Het meest nabijgelegen stukje beschermde natuur is gelegen op ruim 120 meter ten noordoosten van het projectgebied en betreft Natuur Netwerk Brabant (NNB). De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB,
34/57
indien een plan of project leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. Gelet op de aard (tijdelijke woonbuurt) en omvang (112 woningen) van dit project in relatie tot de afstand van het NNB-gebied zal van aantasting in dit geval geen sprake zijn (zie quickscan Wet natuurbescherming voor meer duiding). Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (Rijntakken) is met circa 9,6 kilometer op relatief grote afstand gelegen. Directe negatieve effecten van dit project op dit natuurgebied is vooral gelet op de afstand van het projectgebied tot aan het natuurgebied niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om uit te sluiten dat het project directe negatieve gevolgen voor de natuur is een stikstofberekening uitgevoerd. Deze berekening is als bijlage bij deze toelichting toegevoegd. In de Aerius berekening is worst case de totale bouwfase en gebruiksfase in één berekening bij elkaar gevoegd. Uit de stikstofberekening met AERIUS Calculator blijkt dat er ten gevolge van het beoogde project geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt.
Derhalve zijn ‘significante (negatieve) effecten’ op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten. Een vergunning in het kader van de Wnb is derhalve niet aan de orde. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert voor het beoogde project. 4.5.2. Soortenbescherming Om te bepalen of de geplande activiteiten binnen het projectgebied mogelijk een negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden, is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De resultaten van deze quickscan zijn gerapporteerd en opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste conclusies van het onderzoek ingegaan. Quickscan flora en fauna De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in navolgende tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
35/57
36/57
Op basis van de onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient voorafgaand aan de werkzaamheden middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de functie van het direct aangrenzende perceel van de onderzoekslocatie voor de kerkuil en steenuil. Als gevolg van de voorgenomen plannen treedt, zonder het treffen van maatregelen in de bouwfase en eindsituatie, mogelijk een overtreding op de Wet natuurbescherming op ten aanzien van vliegroute(s) van vleermuizen en migratieroute(s) en/of verblijfplaatsen van steenmarter en/of kleine marterachtigen. Het wordt daarom geadviseerd om maatregelen op te nemen in het inrichtings- en beheersplan (zie bijlage) als onderdeel van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Het inrichtingsen beheersplan zal beoordeeld worden door een begeleidend ecoloog om te borgen dat de maatregelen afdoende zijn om een overtreding op voorhand te voorkomen. De te nemen maatregelen worden vervolgens door de ecologisch deskundige opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Het kan incidenteel voorkomen dat een migrerend individu van de alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker op de onderzoekslocatie aanwezig is. Tevens kunnen door werkzaamheden zoals het bouwrijp maken ondiepe plassen ontstaan waardoor de onderzoekslocatie alsnog geschikt wordt voor de rugstreeppad en deze zich hier kan vestigen.
Om overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soorten te voorkomen wordt geadviseerd een amfibieënscherm te plaatsen en deze maatregel door de ecologisch deskundige op te laten nemen in een ecologisch werkprotocol. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen (lopend globaal van maart tot half augustus) te starten. Indien de voorgenomen werkzaamheden toch binnen het broedseizoen zullen starten, zal het terrein actief vanaf het begin van het broedseizoen tot aan de start van de werkzaamheden broedvrij gehouden moeten worden en/of dient er een vogelinspectie uitgevoerd moeten worden. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Nadere inspectie kerk- en steenuil Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan Wet natuurbescherming heeft een aanvullende inspectie plaatsgevonden ten aanzien van kerkuil en steenuil. Daarbij is specifiek gelet op de aanwezigheid van sporen (zoals braakballen, ruiveren en uitwerpselen) van de kerkuil en/of steenuil.
Er zijn geen sporen gevonden die wijzen op het gebruik van het perceel de kerkuil en steenuil. Op basis van deze bevindingen kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten ten aanzien van de kerkuil en steenuil, als gevolg van de voorgenomen plannen, zijn uitgesloten. Er is dan ook geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de kerkuil en steenuil en nader ecologisch onderzoek is ten aanzien van deze soorten is niet noodzakelijk. Nadere inspectie das en kleine marterachtigen De functie van de onderzoekslocatie en de directe omgeving is beoordeeld op functie voor de das. De reden hiervoor is omdat er drie dassenburchten in de omgeving van de onderzoekslocatie gelegen zijn. Deze zijn op 29 januari 2024 geïnspecteerd op gebruik, sporen en waar mogelijk op functie en op wissels in de omgeving van de burchten. Op de onderzoekslocatie is daarnaast de meest westelijk gelegen greppel, ter hoogte van de voorgenomen wandelpanden, geïnspecteerd op aanwezigheid van muizenholen of andere elementen die kunnen dienen als verblijfplaats voor kleine marterachtigen. Een memo hiervan is als bijlage opgenomen bij deze onderbouwing.
Geconcludeerd kan worden voor de das dat door de afstand van de onderzoekslocatie tot de burchten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie, directe verstoring als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op voorhand uit te sluiten is. De greppels aan de randen van de onderzoekslocatie vormen een geschikte migratieroute voor kleine marterachtigen. Bij de voorgenomen werkzaamheden vinden er mogelijk graafwerkzaamheden plaats bij de meest westelijk gelegen greppel.
37/57
Echter zijn dit beoogde werkzaamheden die benodigd zijn voor het aanleggen van wandelpaden naar het voedselbos. Deze werkzaamheden maken geen onderdeel uit van de onderhavige omgevingsvergunnigaanvraag. Hetzelfde geldt mogelijk voor het aanleggen van het fietspad, buiten het plangebied, aan de oostzijde van het plangebied op de Brasem. Hier is in het verleden een rustplaats van een wezel waargenomen. Hier moet in de toekomst met het realiseren van een fietspad rekening mee gehouden worden. Voor beide locaties zal een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit worden aangevraagd en zullen maatregelen worden getroffen. Het aanvragen van een vergunning voor kleine marterachtigen zonder aanvullend ecologisch onderzoek is sinds kort mogelijk naar aanleiding van het kennisdocument voor kleine marterachtigen dat recent is gepubliceerd (Bij 12, 2024). 4.5.3. Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11.
In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
4.6. Externe veiligheid 4.6.1.
Wettelijk kader
Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) • het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risico-ontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan.
Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen 38/57
om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. 4.6.2.
Toets project
Buisleidingen In de nabijheid van het projectgebied komen geen relevante buisleidingen voor gevaarlijke stoffen voor. De dichtstbijzijnde buisleiding (aardgasleiding) ligt immers op bijna 3 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied. Het projectgebied ligt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied van deze buisleiding. Inrichtingen In de nabijheid van het projectgebied komen geen relevante risicovolle inrichtingen voor. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting (benzineservicestation met LPG) ligt op ruim 2 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied. Het projectgebied ligt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied van deze of andere risicovolle inrichtingen. Transportroutes Zowel over de spoorlijn ’s-Hertogenbosch-Nijmegen als de rijksweg A59 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het projectgebied ligt op ongeveer 1,8 kilometer van de spoorlijn en op ongeveer 4,1 km van de rijksweg A59. Beide transportroutes hebben geen plaatsgebonden risicocontour of plasbrandaandachtsgebied. Het projectgebied ligt echter wel binnen het invloedsgebied van het spoor. Omdat het projectgebied op een afstand van meer dan 300 meter van de spoorlijn, ligt het projectgebied daarmee volgens de Beleidsvisie Externe Veiligheid Oss in zone IV. In zone IV geldt de standaardverantwoording uit de beleidsvisie.
Verantwoording groepsrisico Volgens de beleidsvisie wordt bij zone IV alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. Vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident en de aard van het incident (blootstelling aan toxisch gas) zal het groepsrisico niet significant toenemen. Omdat de toename van de personendichtheid geen significant effect heeft op het groepsrisico in de kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen hier bijzonder klein is, is de mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid geen item. Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde ‘risicoprofiel’. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen.
Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is
39/57
sprake van een steeds betere isolatie, die zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen, dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwingsen AlarmeringsSysteem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het beoogde project op deze locatie. De inrichting van het gebied bepaalt de mogelijkheden voor de reguliere brandbestrijding en hulpverlening. Bij de uiteindelijke inrichting van het projectgebied zal de ‘Interregionale adviesleidraad Bluswater voorzieningen en Bereikbaarheid 2022’ als uitgangspunt worden gehanteerd.
4.7. Luchtkwaliteit 4.7.1.
Wettelijk kader
Wet milieubeheer Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals scholen en verzorgings- en verpleegtehuizen, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo een onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.
40/57
Gemeentelijk beleid De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. 4.7.2. Toets project Gezien het aantal woningen dat (tijdelijk) wordt mogelijk gemaakt draagt het project ‘niet in betekenende mate bij’ aan de luchtkwaliteit. Bovendien wordt geen ‘gevoelige bestemming’ conform het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Een luchtkwaliteitsonderzoek kan dan ook achterwege blijven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet wel nog worden beoordeeld of ter plaatse van het projectgebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Dat kan met behulp van de kaarten ‘Stikstofdioxide 2020 (NO2)’, ‘Fijn stof 2020 (PM10)’ en ‘Fijn stof 2020 (PM2,5)’ van het RIVM, te raadplegen via Atlas Leefomgeving. Hieruit blijkt dat ter plaatse van het plangebied de luchtkwaliteit zich ruimschoots onder de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties bevindt:
Stikstof (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Grenswaarden 40 µg/m³ 40 µg/m³ 25 µg/m³
Maximale waarden plangebied 12,7 µg/m³ 17,1 µg/m³ 10,3 µg/m³
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat gelet op de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.8. Mobiliteit en parkeren 4.8.1. Gemeentelijk kader De Koersnota Mobiliteit (2023) heeft als doel het versterken van de kwaliteit van de openbare ruimte, het toegankelijk en bereikbaar houden van basisvoorzieningen, het verduurzamen van de mobiliteit, het versterken van het economisch vestigingsklimaat, het vergroten van de verkeersveiligheid en het terugdringen van de hinder. Van belang is de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot extra verkeersbewegingen, of deze toename van verkeersbewegingen past binnen de normen die voor de verschillende typen wegen gelden en hoe het perceel aansluit op de openbare weg. Daarnaast is het van belang om inzicht te krijgen in de behoefte naar (extra) parkeervoorzieningen, van zowel auto als fiets, als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling en op welke wijze deze in het ontwerp worden ingepast. 4.8.2.
Toets project
Verkeersgeneratie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’ (incl. kencijfers over verkeersgeneratie); • De gemeente Oss heeft een stedelijkheidsgraad 3 (matig stedelijk); • Het projectgebied valt onder de categorie ‘rest bebouwde kom’; • De kencijfers voor verkeersgeneratie worden uitgedrukt in aantal motorvoertuigen per weekdag. Voor het omzetten van deze cijfers naar aantal motorvoertuigen per werkdag wordt factor 1,11 gebruikt; • Het project omvat de bouw van maximaal 100 goedkope huurwoningen(kencijfer CROW: Huur app midden/goedkoop (incl. sociale huur)) • Tevens wordt voorzien om 12 tiny houses (kencijfer CROW: Huur app midden/goedkoop (incl. sociale huur)) te realiseren in de toekomst in de berekening meegenomen. Hiervoor worden dezelfde kencijfers aangehouden als voor de 100
41/57
goedkope huurwoningen, de bijbehorende verkeersgeneratie bedraagt gemiddeld 3,6 voertuigbewegingen per weekdag per woning; Op basis van bovenstaande uitgangspunten resulteert dit in een toename van de verkeersgeneratie met circa 448 voertuigbewegingen per werkdag. Verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling is gebruik gemaakt van navigatiesoftware van google maps. Hiermee is bepaald via welke wegen het verkeer vanaf de planlocatie wordt afgewikkeld over het omliggende wegennet. Het meeste verkeer zal in westelijke richting de Gewandeweg op rijden (90%) en bij het kruispunt met de Huizenbeemdweg in zuidelijke richting rijden (75%). Het overige deel van het verkeer dat in westelijke richting de Gewandeweg op rijdt vervolgt de Gewandeweg in de richting van Den Bosch (10%) of rijdt de Huizenbeemdweg op in noordelijke richting naar Lith (5%). De overige 10% rijdt de Gewandeweg op in oostelijke richting. Uitgaande van een verkeersgeneratie van 448 mvt/etmaal betekent dit in het drukste uur in de spits dat 10% van deze verkeersgeneratie het plangebied zal verlaten. In het drukste uur (10% van de etmaal waarde) betekent het dat er circa 45 mvt/uur de Gewandeweg op rijden. Dat betekent dat gemiddeld circa 1 auto per minuut in het drukste uur de Gewandeweg op rijden vanaf het plangebied.
Deze geringe toename zal geen negatieve gevolgen hebben voor de verkeersafwikkeling. Het plangebied ontsluit met één ontsluiting op de Gewandeweg. Ter hoogte van deze ontsluiting worden snelheidsremmende maatregelen getroffen in de vorm van een plateau. De bebouwde komgrens die nu vóór de geplande ontsluitingsweg ligt (ter hoogte van de Brasem), wordt verschoven richting de kruising Gewandeweg/Huizenbeemdweg. De maximum snelheid wordt hiermee teruggebracht van 60 km/uur naar 50 km/uur. Deze maatregelen worden uitgewerkt in het inrichtingsplan. Een verkeersveilige aansluiting van het plan op de Gewandeweg is hiermee geborgd. Autonome verkeersgroei Gewandeweg De verkeersintensiteit op de Gewandeweg leidt met circa 10.500 in 2023 al tot knelpuntengezien de inrichting en functie van de weg. In 2034 zal de intensiteit verder toenemen naar bijna 11.500. Het huidige wegprofiel waarbij fietsers de rijbaan delen met het gemotoriseerde verkeer en er geen voetpaden aanwezig zijn, wordt als gevolg van deze autonome ontwikkeling herzien om knelpunten in de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid te voorkomen. Verder is de verkeersveiligheid op de kruising Huizenbeemdweg/Gewandeweg al langere tijd onderwerp van gesprek binnen de gemeente en tussen gemeente en wijkbewoners. Deze kruising wordt betrokken in de planvorming van de woningbouwontwikkeling Amsteleind (3000 woningen).
De verkeerstoename van het plan op de Gewandeweg is echter met circa 448 mvt/etmaal gering ten opzichte van de autonome verkeersintensiteit. De planbijdrage is dan ook geen aanleiding voor knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. Vanwege het beperkte aantal conflictpunten op de Gewandeweg en de geringe verkeerstoename zijn op voorhand geen verkeersonveilige situaties als gevolg van dit project te verwachten. Bereikbaarheid fiets De afwikkeling van fietsers en voetgangers van/naar het plangebied via de Gewandeweg moet worden beperkt vanwege het ontbreken van goede langzaam verkeersvoorzieningen. Daarom wordt het plangebied voor fietsers en voetgangers ontsloten op de Visstraat. Van daaruit kan men via de Meerval en de Mekelenkamplaan en de Gewandeweg het centrum van Oss met de vele voorzieningen en treinstations bereiken.
42/57
Verkeersafwikkeling projectgebied
Parkeren Voor het bepalen van de parkeervraag als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Het document “Parkeernormen 2023” van de gemeente Oss; • Het project omvat de bouw van maximaal 112 betaalbare huurwoningen (norm: sociale middenhuur kleiner dan 50 m² gbo), de bijbehorende parkeernorm bedraagt 0,85 parkeerplaats per woning inclusief bezoek. Parkeernorm De tijdelijke woningen worden toegewezen door Brabant Wonen. De woningen zullen worden verhuurd aan urgenten, statushouders en starters. Ervaring op andere locaties waar Brabant Wonen tijdelijke woningen toewijst aan deze doelgroep leert dat de parkeerbehoefte van deze groep vaak ligt tussen de 0,6 en 0,8 parkeerplaatsen per woning, afhankelijk van de ligging van de locatie ten opzichte van de voorzieningen. Per woning worden echter 0,85 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast wordt in het plan ruimte gereserveerd voor 0,15 parkeerplaatsen per woning. Mocht de parkeervraag na realisatie van het plan hoger blijken te liggen dan 0,85 parkeerplaats per woning, kunnen vrij eenvoudig extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Parkeerbehoefte Voor alle woningen (100 huurwoningen + 12 tiny houses) komt de parkeervraag uit op 96 (85 parkeerplaatsen voor de huurwoningen en 11 voor de tiny houses) parkeerplaatsen die direct zullen worden gerealiseerd.
Daarnaast zal ruimte worden gereserveerd in het plan voor in totaal 17 parkeerplaatsen (15 voor de huurwoningen en 2 voor de tiny houses. Afhankelijk van de ervaringen met parkeren na realisatie wordt middels monitoring een op ervaring gebaseerde keuze gemaakt voor het vervolg. Binnen het projectgebied is voldoende ruimte gereserveerd om alle parkeerplaatsen aan te leggen. Fietsparkeren Er zullen conform de Parkeernormen 2023 voldoende fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd binnen het plan.
43/57
4.9. Archeologie 4.9.1.
Wettelijk kader
Erfgoedwet en overgangsregeling Omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.
Provinciaal archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom boven het provinciale archeologisch beleid. Gemeentelijk archeologiebeleid Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde
Vrijstellingsgrenzen
Archeologisch beschermd rijksmonument Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten Historische stads-/dorpskern Hoge verwachtingswaarde Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde Reeds onderzocht Verstoord
0 m2 / 30 cm -Mv
44/57
35 m2 / 30 cm -Mv 50 m2 / 30 cm -Mv 100 m 2 / 30 cm -Mv 1000 m2 / 30 cm -Mv 5 hectare / 30 cm -Mv Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek. Geen onderzoeksplicht
4.9.2. Toets project In het kader van woningbouwontwikkeling op de projectlocatie (Amsteleind) heeft eerder al archeologisch vooronderzoek plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan is in 2021 een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven uitgevoerd. Daarbij is vastgesteld dat er zich binnen het plangebied twee vindplaatsen bevinden: een grafveld uit de bronstijdijzertijd in het zuidoosten en nederzettingssporen uit de dezelfde periode in het oosten en noorden van het plangebied. Aangezien behoud in situ niet mogelijk is en de geplande ontwikkeling een bedreiging vormt voor de aanwezige resten heeft de gemeente Oss in haar rol als bevoegd gezag met een selectiebesluit (MP21a84) besloten dat beide vindplaatsen opgegraven dienen te worden (behoud ex situ). Op deze plaats volstaat een verwijzing naar het bijgevoegde tussentijds evaluatierapport van de opgraving en selectieadvies (MP22a58) van de gemeente Oss, en de conclusie dat de archeologische waarden binnen het projectgebied in voldoende mate zijn vastgesteld.
4.10. Water 4.10.1.
Wettelijk kader
Rijkskader De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. Gemeentelijk kader De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 2023-2029). Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. In bebouwd gebied vraagt de zorg voor oppervlaktewater extra aandacht. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. Waterschap Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied.
Het gaat om het waterkwantiteitsen waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Sinds 1 april 2021 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: • Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; • Voorkomen van vervuiling van water; • Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: o Hergebruik o Infiltratie/bergen o Afvoer
45/57
•
Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het projectgebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: o De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; o De grondwateraanvulling in het projectgebied gelijk blijft of toeneemt; o Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; o De (grond)waterstanden in het projectgebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het projectgebied; o Het projectgebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het projectgebied.
4.10.2. Toets project Het project maakt de realisering van maximaal 112 flexwoningen inclusief parkeerplaatsen mogelijk op onbebouwde agrarische grond aan de rand van de stad. In de huidige situatie is het projectgebied volledig onverhard. In de toekomstige situatie voorziet het project in 10.700 m² aan verharding, waarvan 3.500 m² bebouwing, 2.200 m² parkeerterreinen, 2.500 m² ontsluitingsweg en 2.500 m² (halverhard) overige buitenruimte (pleintjes, wandelpaden etc). •