CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

rapport spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith jan 23.PDF

Gemeenteraad 2 maart 2023, gemeente OssBij agendapunt: A Nieuwe vaststelling bestemmingsplan t Heilig Kempke Lith a g v bestuurlijke lus12.739 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

bw/day61 - Dermale opname actieve stof: 0,2% concentraat en 5% oplossing61 - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case – standaardwaarde) - Dampdruk: 2,6 x 10-9 Pa (20 °C)61 Voor de werkzame stof foramsulfuron zijn de volgende gegevens gehanteerd: - Halfwaardetijd (DT50): 9,2 dagen62

59

Ctgb, gebruiksvoorschrift Alternet 1555 N, 9 maart 2018 https://toelatingen.ctgb.nl/nl/authorisations/8932 61 European Food Safety Authority (EFSA). (2016). Peer review of the pesticide risk assessment of the active substance iodosulfuron‐methyl‐sodium (approved as iodosulfuron). EFSA Journal, 14(4), 4453. 62 European Food Safety Authority (EFSA). (2016). Peer review of the pesticide risk assessment of the active substance foramsulfuron. EFSA Journal, 14(3), 4421. 60

Adromi B.V.

wil/R202290/2301c

Pagina 27 van 39

Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith

-

‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,1 mg/kg bw/day62 ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ArfD): niet van toepassing62 Dermale opname actieve stof: 75% concentraat en 75% oplossing62 Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case – standaardwaarde) Dampdruk: 4,2 x 10-11 Pa (20°C) en 1,3 x 10-10 Pa (25 °C)62

De maximum middeldosis bedraagt maximaal 0,15 kg/ha per jaar (ofwel 0,045 kg/ha foramsulfuron en 0,0015 kg/ha joodsulfuronmethylnatrium) in maximaal 1 behandeling63. 4.2.13. Hulpstoffen Middelen zoals Actirob B, Fulvic, Grounded, Robbester en Squall zijn geen gewasbeschermingsmiddelen, maar hulpstoffen welke ervoor zorgen dat gewasbeschermingsmiddelen minder drift veroorzaken, beter aan het gewas hechten (van belang in vochtige weersomstandigheden) en minder snel uitdampen. Volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift mag Actirob B worden toegepast van 0,5 L/ha tot 3 L/ha64. Volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift mag Vulvic worden toegepast van 0,5 L/ha tot 2 L/ha, afhankelijk van de specifieke toepassing65. Volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift mag Grounded worden toegepast tot 0,4 L/ha/toepassing en 1% van het tankmengsel volume66. Volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift mag Robbester worden toegepast tot 0,3-0,5 L/ha/toepassing67. Volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift mag Squall worden toegepast tot 0,5% van het tankmengsel volume68. De hulpstoffen bevatten geen stoffen die relevant zijn in het kader van deze beoordeling. Indien deze hulpstoffen worden toegepast, zal op basis van onderhavige rapportage in principe een overschatting worden berekend van de hoeveelheid drift welke zal kunnen worden veroorzaakt. 4.3.

Resultaten EFSA De effecten van drift van de hiervoor genoemde gewasbeschermingsmiddelen zijn via het EFSA-model in beeld gebracht. Op grond van het toxicologische profiel is het vaststellen van de ARfD niet noodzakelijk geacht. er is in onderhavige rapportage een verdubbeling van de AOEL-waarde gebruikt als worst case scenario. 63 Ctgb, gebruiksvoorschrift MaisTer 12544 N, W.2 11 december 2012 64 Ctgb, gebruiksvoorschrift Actirob B 13796 N, 7 mei 2021 65 Ctgb, gebruiksvoorschrift Vulvic 25, 16060 N, 14 augustus 2020 66 Ctgb, gebruiksvoorschrift Grounded, 14234 N, 17 oktober 2013 67 Ctgb, gebruiksvoorschrift Robbester, 13797 N, 18 januari 2013 68 Ctgb, gebruiksvoorschrift Squall, 14341 N, 24 juli 2015

Adromi B.V.

wil/R202290/2301c

Pagina 28 van 39

Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith

Tabellen hierna tonen de resultaten van het EFSA-model voor omwonenden van spuitzones, gebruikmakende van de invoergegevens uit paragraaf 4.2. De Acceptable Operator Exposure Level (AOEL) is in eerste instantie bedoeld voor de toepasser van gewasbeschermingsmiddelen, maar is ook gangbaar voor omwonenden, wat in het kader van dit onderzoek wordt gebruikt. Bij percentages onder de 100% wordt het blootstellingsniveau als acceptabel beschouwd. Verwezen wordt naar onderstaande tabel 1, waarin voor de beoordeelde gewasbeschermingsmiddelen per werkzame stof het percentage van de maximaal toegelaten blootstelling (AOEL) is aangegeven. Dit percentage vormt de blootstelling aan drift welke vrij kan komen bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen toegepast bij representatieve teelten ten oosten van de projectlocatie.

Adromi B.V.

wil/R202290/2301c

Pagina 29 van 39

Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith

Tabel 1: Berekende percentages van de 'Acceptable Operator Exposure Level' (AOEL) waaraan een omwonend kind van 3 jaar kan worden blootgesteld zonder schadelijke gezondheidseffecten

Gewasbeschermingsmiddel

Werkzame stof

Akkerbouw en laagblijvende teelt (neerwaartse toediening) Elatus Era benzovindiflupyr prothioconazool Laudis tembotrione Kart fluroxypyr-meptyl florasulam Samson Extra 6% nicosulfuron TEPPEKI flonicamid Karate Zeon Lamba-cyhalotrin Gazelle Acetamiprid Decis Deltamethrin Amistar / Mirador Azoxystrobin Revus Mandipropamid Alternet Definoconazool 52 MaisTer Iodosulfuron-methyl-natrium foramsulfuron Totaal (50% driftreductie)

AOEL% bij en afstand van 2-3 m 5m 10 m 0,5 2,8 5,9 0,7 1,7 0,3 6,4 13,0 2,5 3,6 0,7 0,8 0,9 1,6 3,4 33

0,3 2,0 3,6 0,4 1,6 0,2 5,3 9,9 1,6 3,2 0,6 0,6 0,7 1,6 2,4 26

Het EFSA-model geeft resultaten voor zowel kinderen als volwassenen, maar omdat kinderen gevoeliger zijn voor blootstelling aan giftige stoffen (lager lichaamsgewicht, hogere opnamekans via hand / objecten / mond), worden de AOEL-waarden voor kinderen als bepalend geacht voor een woonsituatie. In lijn hiermee zal voor volwassenen in een woonsituatie of een werksituatie c.q. kinderen die op bezoek komen ook worden voldaan, aangezien kwetsbaarheid c.q. blootstellingsrisico voor deze categorieën van personen lager ligt (zie ook paragraaf 3.3.2). Hierbij is neerwaarts spuiten uitsluitend beschouwd op een afstand van 2-3 meter. Opwaarts spuiten is beschouwd voor de afstanden 5 meter en 10 meter. Zoals blijkt vindt reeds vanaf een afstand van 2-3 geen overschrijding van de AOEL plaats voor iedere afzonderlijke teelt. Daarbij is in deze berekeningen een aanzienlijke marge gehanteerd (50% driftreductie in plaats van 75%, lagere gemiddelde windsnelheden, alleen meewindsituatie, etc.). Hierbij moet tot slot worden opgemerkt dat teelt en gewasbehandeling van verschillende gewassen uit de aard der zaak nooit in hetzelfde jaar op dezelfde locatie plaatsvinden en derhalve in zoverre niet voor cumulatieve drifthoeveelheden kunnen zorgen.

Adromi B.V.

wil/R202290/2301c

Pagina 30 van 39

0,2 0,2 2,9 0,4 1,6 0,2 4,8 8,8 1,3 3,1 0,5 0,6 0,7 1,6 2,1 23

Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith

4.4. Beoordeling overige factoren In deze paragraaf worden de uitkomsten van het EFSA-model nader geduid en in context geplaatst. 4.4.1. Uitspraak Beuningen Op 19 oktober 202269 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak een uitspraak gedaan waarin blootstelling aan stoffen in de context van de ruimtelijke ordening en het gebruik van het Efsa-model in het bijzonder aan de orde is gesteld. Mede op basis van het advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak70 komt de Afdeling bestuursrechtspraak tot de conclusie dat geen sprake kan zijn van goede ruimtelijke ordening voor wat betreft driftblootstelling omdat sprake is van (te grote) wetenschappelijke onzekerheid over: - Effecten van blootstelling aan stoffen van mensen met een bijzondere kwetsbaarheid; - Cumulatieve en geaggregeerde blootstelling aan stoffen; - De factoren die in het Efsa model gehanteerd worden voor bijvoorbeeld druppelverspreiding en nalevering van emissies door uitdamping. - Het driftreducerende effect van een windhaag. Op dit punt is van belang dat het Efsa model de stand der wetenschap vertegenwoordigt, zowel als het gaat om de gehanteerde blootstellingsnormering als wanneer het gaat om driftverspreiding. Gelet hierop kan dit model ondanks de uitspraak nog steeds worden benut om een indruk te geven van de mate van driftblootstelling die naar verwachting zal optreden. 4.4.2.

Cumulatie en interactie In de omgeving zullen verschillende bestrijdingsmiddelen kunnen worden gebruikt. Toekomstige bewoners zullen dan mogelijk blootgesteld worden aan al deze middelen. Ook vindt opname plaats van diverse gewasbeschermingsmiddelen via reguliere etenswaren, waarover het RIVM in 201871, 202072 en 202273 rapporten heeft gepubliceerd. Het Efsa hanteert voor blootstelling aan residuen in voedsel de zogenaamde Monte Carlo Risk Assessment (MCRA) systematiek welke mede door RIVM is ontwikkeld74. De beoordelingssystematiek op dit vlak komt erop neer dat cumulatieve blootstelling door stoffen op te tellen die op hetzelfde orgaan werking hebben. Hierbij werd opgemerkt dat bij de bepaling van cumulatieve blootstelling aan alle in de teelt voorkomende gewasbeschermingsmiddelen eerst een overzicht benodigd is van op alle aangrijpingspunten in het lichaam. Hetzelfde geldt uiteraard ten aanzien van het aspect interactie/synergisme bij blootstelling aan diverse stoffen. In principe is gelet op deze systematiek sprake van een overschatting op het moment dat wordt uitgegaan van de aanname dat alle stoffen uitsluitend hetzelfde aangrijpingspunt hebben. Deze benaderingswijze is in ieder geval meer worst case dan de MCRA. 69

ECLI:NL:RVS:2022:3023 STAB 41286, 30 september 2021 71 RIVM, 2018 Cumulative exposure to residues of plant protection products via food in the Netherlands 72 RIVM, 2020 Cumulative dietary exposure to pesticides in the Netherlands 73 RIVM, 2022 Gelijktijdige blootstelling aan verschillende gewasbeschermingsmiddelen via voedsel 74 EFSA, Proposal for a data model for probabilistic cumulative dietary exposure assessments of pesticides in line with the MCRA software, 19-04-2018, Efsa Journal 2018-15(4);1375 70

Adromi B.V.

wil/R202290/2301c

Pagina 31 van 39

Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith

In de vastgestelde Acceptable Exposure Levels (maximaal toelaatbaar blootstellingsniveau) is niet specifiek rekening gehouden met cumulatieve of elkaar versterkende effecten. Tegelijkertijd wordt bij het vaststellen van het maximaal toelaatbare blootstellingsniveau uit voorzorg wel rekening gehouden met een extra onzekerheidsmarge. Hoewel cumulatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, hebben de verschillende bestrijdingsmiddelen vaak een ander aangrijpingspunt op het metabolisme van een insect, een schimmel of een plant. In lijn daarmee ligt niet voor de hand dat er sprake zal zijn van (volledige) cumulatieve effecten op het menselijke organisme. Onderzoek naar cumulatieve blootstelling is in zeer beperkte mate beschikbaar, onder meer vanwege de complexiteit van de onderlinge werkingen van relevante stoffen75 ook al zou gelden dat voor iedere individuele stof het maximaal toelaatbare blootstellingsniveau niet zou worden overschreden. Van belang is hierbij, dat er geen wetenschappelijke consensus bestaat over een aanvaardbaar cumulatief blootstellingsniveau. Op basis van de uitkomsten van de berekeningen met het EFSA-model is wel duidelijk dat de blootstelling aan individuele stoffen ver onder het maximale blootstellingsniveau zullen liggen.

De blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen door het wonen in agrarische omgeving is kortom – als individuele blootstellingsbron – maatschappelijk aanvaardbaar te achten omdat de blootstelling in ieder geval niet hoger is dan blootstelling die tevens kan/mag plaatsvinden vanuit andere bronnen, zoals voedsel en arbeidsgerelateerde blootstelling. Hierbij wordt opgemerkt dat er geen overschrijding van de AOEL optreedt als ter indicatie de hoogste AOEL-waarde per teelt wordt gesommeerd als indicatie voor cumulatieve blootstelling. 4.4.3. Bijzondere kwetsbaarheid Het EFSA model beschouwt geen mensen met een bijzondere kwetsbaarheid. Het gaat dan om kinderen jonger dan 1 jaar, zwangeren alsook om mensen met een bepaalde ziekte (en eventueel bijbehorende afwijkende blootstelling aan stoffen vanwege medicijngebruik), tabaksafhankelijken en dergelijke. De blootstelling van kinderen jonger dan 3 jaar maar ouder dan 1 jaar kan evenwel in principe als bepalend in een woonsituatie worden beschouwd.

De reden hiervoor is meerledig: - In algemene zin zijn kinderen meer kwetsbaar dan volwassenen omdat zij in de groei zijn en hun stofwisseling hierop is ingericht; - Kinderen in deze leeftijdscategorie hebben ten opzichte van oudere kinderen en volwassenen de verhoudingsgewijs grootste blootstelling (laag lichaamsgewicht bij gelijkblijvende blootstellingshoeveelheid); - Kinderen in deze leeftijd zijn zelfstandig mobiel, waardoor sprake zal zijn van een groter blootstellingsrisico ten opzichte van kinderen jonger dan 1 jaar; - Vanwege de hogere zelfstandigheid zullen deze kinderen meer fysieke inspanningen leveren en een dito relatief hogere inhalatoire opname kennen dan kinderen jonger dan 1 jaar;

75

Cumulatie zal een rol spelen in relatie tot blootstelling aan tal van stoffen (verbrandingsgassen, depositie van industriële bedrijvigheid, uittredende stoffen van bouwmaterialen, meubels en gebruiksvoorwerpen, voedingsmiddelen, genotsmiddelen, medicijnen, cosmetica, bekleding, verpakkingen etc.

Adromi B.V.

wil/R202290/2301c

Pagina 32 van 39

Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith

-

Kinderen uit deze leeftijdscategorie kennen relatief veel hand-mondcontact en mondcontact met objecten die blootgesteld kunnen zijn geweest aan gewasbeschermingsmiddelen.

Het EFSA-model biedt niet de directe mogelijkheid om conclusies te trekken voor wat betreft de blootstelling van kinderen jonger dan 1 jaar en ongeboren kinderen. Op dit vlak is aangesloten bij de stand der wetenschap welke bijvoorbeeld ook gehanteerd wordt voor luchtkwaliteitsnormering. Voor de kinderen jonger dan 1 jaar kan ervan worden uitgegaan dat blootstelling primair plaatsvindt door inhalatie en in beperkte mate via directe blootstelling van de huid / mond. Kinderen jonger dan 1 jaar hebben daarbij een kleinere longinhoud, waardoor blootstelling via inhalatie ook lager zal zijn. Tegelijkertijd is wel sprake van hogere kwetsbaarheid vanwege het lagere gemiddelde lichaamsgewicht. Als voor wat betreft de beoordeelde gewasbeschermingsmiddelen bij wijze van indicatie geen rekening wordt gehouden met opname via de mond en alleen rekening wordt gehouden met blootstelling via inhalatie en de huid, dan is sprake van een ruime marge tot aan de maximaal toegelaten blootstellingsnormen. Voor wat betreft ongeboren kinderen geldt dat het lichaam van de moeder in eerste instantie bescherming biedt tegen blootstelling. De maximale blootstelling overschrijdt daarbij hoe dan ook niet de AOEL omdat de blootstelling van de foetus kan worden beschouwd als een klein percentage van de blootstelling die de moeder ondervindt.

Uitgaande van een woonsituatie zullen kinderen jonger dan 1 jaar die ter plaatse worden geboren maximaal 1 jaar en 9 maanden blootgesteld staan aan drift, waarna v.w.b. langdurige blootstelling wordt voldaan aan de uitkomsten van het Efsa-model. Over personen met aan andere specifieke kwetsbaarheid zijn geen onderzoeksgegevens voorhanden, mede nu oorzakelijke verbanden vanuit bijvoorbeeld een onderliggende gezondheidsbeeld en/of invloed van tal van stoffen, waarvan gewasbeschermingsmiddelen maar een klein aandeel in hebben, lastig zijn na te gaan, terwijl onderzoek vanwege in principe gebrek aan voldoende referentie ook grotendeels anekdotisch zal blijven. Op dit vlak wordt in bijvoorbeeld normering voor luchtkwaliteit, geluid en dergelijke geen rekening gehouden met dergelijke specifieke kwetsbaarheden. In de context van de ruimtelijke ordening zouden daarbij geen ontwikkelingen van betekenis meer mogelijk zijn op het moment dat rekening dient te worden gehouden met een onbepaalde groep personen met diverse bijzondere kwetsbaarheden (of combinaties daarvan). 4.5. Voorzorg Hiervoor is aan de orde gekomen dat mogelijk niet alle effecten van stoffen in gewasbeschermingsmiddelen en andere stoffen en stofcombinaties in alle omstandigheden bekend zijn.

In lijn met conclusies uit het Efsa-model, blijkt uit onderzoek van RIVM dat mensen in de nabijheid van agrarische gronden blootgesteld staan aan kleine hoeveelheden stoffen afkomstig uit

Adromi B.V.

wil/R202290/2301c

Pagina 33 van 39

Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith

gewasbeschermingsmiddelen die niet alleen uit voedsel afkomstig zijn76. Uit onderzoek van RIVM blijkt eveneens, dat mensen die dichtbij landbouwpercelen wonen, gemiddeld iets gezonder lijken te zijn dan personen die daar verder vandaan wonen. Wel is er een associatie gevonden qua luchtwegaandoeningen nabij maisteelt77. Het is onbekend of het gebruik van bestrijdingsmiddelen hiervan de oorzaak is. In algemene zin vindt maisteelt plaats bij veehouderijen t.b.v. kuilvoerproductie. Van veehouderijen zijn de nodige fijnstofemissies te verwachten welke ook een effect op de luchtwegen kunnen hebben. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan emissies van enzymen uit veevoer, een blootstellingscategorie waar nog onvoldoende onderzoek naar is gedaan. Alhoewel het RIVM aanvullend onderzoek aanbeveelt, blijkt op basis van voorhanden onderzoeksgegevens niet van een algemeen en direct gezondheidseffect door het wonen nabij gewaspercelen. Dat niet alle mogelijke effecten bekend zijn, geldt eveneens voor personen die mogelijk een bijzondere kwetsbaarheid hebben (zie paragraaf 4.4.2). In een dergelijke situatie schrijft het voorzorgbeginsel voor dat men zich ervoor moet inspannen om de blootstelling zo klein mogelijk te maken, ook al is er volgens beschikbare inzichten geen sprake van een te hoge blootstelling en/of aantoonbare gezondheidseffecten.

Deze minimalisatie van de driftblootstelling kan worden bereikt door bijvoorbeeld: Enkel gebruiken van laagrisico stoffen voor gewasbescherming; Het toepassen van aanvullende driftreducerende maatregelen (d.w.z. meer dan het wettelijke minimum van 75%); Het aanhouden van meer afstand tussen teeltperceel en de woonpercelen; Het maken van extra afscherming. In de context van onderhavige rapportage is geen rekening gehouden met andere maatregelen welke ter overweging van het bevoegd gezag zijn, zoals: - enkel laagrisico stoffen te laten gebruiken voor gewasbescherming; - extra driftreducerende technieken toe te laten passen; - enkel middelen toe te laten passen in meewindsituaties (dus dat drift van woonpercelen wordt afgeblazen). Wat wel een optie is, is het toepassen van extra afstand en afscherming.

76

RIVM Rapport 2019-0052 Onderzoek Blootstelling Omwonenden (OBO) Bestrijdingsmiddelen en omwonenden Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten 77 RIVM 2018-0068, Health survey on people living in the direct vicinity of agricultural plots

Adromi B.V.

wil/R202290/2301c

Pagina 34 van 39

Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith

4.5.1. Afscherming Op het vlak van de effectiviteit van afscherming zijn enige gegevens voorhanden78 en hier wordt in het PRI 201579 ook naar verwezen. Op basis hiervan kan rekening worden gehouden met een driftreductie door toepassing van een windhaag, welk effect kan worden vergroot door toepassing van een dubbele windhaag. Op basis van middeling van onderzoeken houdt PRI 2015 bij toepassing een enkele windhaag rekening met een gemiddelde driftreductie van 83 procent bij kale bomen en 97 procent in de situatie dat de bomen bladeren hebben. Bedoelde onderzoeken hebben betrekking op boomgaarden, welke werden afgeschermd met een elzenhaag met een hoogte van 4 meter (1 meter hoger dan het gewas), maar zijn in principe ook relevant voor lagere teelten, te meer nu in lagere teelten niet zijwaarts of opwaarts wordt gespoten en evenmin sprake zal zijn van relevante gewasbehandelingen buiten de volbladperiode. Het effect van dergelijke windhagen wordt in de bedoelde onderzoeken beschouwd wanneer deze direct naast de perceelgrens dan wel (enkele meters) uit het gewas(perceel) zijn geplaatst. In principe is hierbij van belang te kiezen voor een gewas dat een egale dichtheid biedt, waarbij sprake is van een zodanige dichtheid dat objecten aan de andere zijde van de haag kunnen worden waargenomen, maar niet kunnen worden herkend.

Bij een dergelijke bladerdichtheid zal een luchtstroom maximaal worden afgeremd waarbij eventueel aanwezige drift in druppelvorm zo veel mogelijk in de haag zelf zal achterblijven80. Het aansluitend effect van uitdamping uit de haag en aansluitende respiratoire blootstelling wordt verwaarloosbaar geacht, gelet op de omstandigheid dat dit aspect ook is beschouwd in het Efsa model aan de hand van de dampdruk voor gewasbeschermingsmiddel dat op het behandelde gewas terecht komt. Daarnaast is relevant dat uitdamping voornamelijk kan plaatsvinden op droge zonnige dag, dus op het moment dat afbraak van de betrokken stoffen onder invloed van de zon ook maximaal is. De werking van een dergelijke haag komt erop neer dat de haag de luchtstroom (wind) doorlaat en drift in de bladeren en takken wordt afgevangen. Een dergelijke haag dient voldoende open te zijn om averechtse effecten te voorkomen, namelijk dat de luchtstroom juist over de haag heen slaat en drift daarmee juist over grotere afstand transporteert. In situaties dat sprake is van een grotere afstand (meer dan 10 meter) tot de relevante gewaspercelen, zal de drift vooral bestaan uit aerosolen/dampen, zoals ook blijkt uit de resultaten van de EFSA

78

Porskamp H.A.J., Michielsen, J.M.G.P., Huismans, J.F.M., De invloed van een windhaag op emissies bij fruitteeltspuiten, 1999, IMAG-DLO Rapport 94-29, pag. 29 en Wenneker, M., Heijne, B., Van de Zande, J.C., Effect of natural windbreaks on drift reduction in orchard spraying, Communications of Applied Biology Science, Universiteit Gent, 70(2005)4 pag. 961. 79 Plant Research International, Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen, maart 2015 80 Vergelijk in dit verband ABRvS 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3904, waarin is overwogen dat aannemelijk is dat een driftreducerende voorziening bestaande uit dubbele hagen leidt tot een ruime driftreductie.

Adromi B.V.

wil/R202290/2301c

Pagina 35 van 39

Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith

modellen (een groter deel van de totale AOEL bestaat op grotere afstand uit “spray drift” ten opzichte van “vapour” en “surface deposits”) en zoals ook blijkt uit onderzoek41, 44. Op grotere afstand zal een (relatief) open windhaag dus minder effect hebben dan in de beschreven onderzoeken, doordat druppelvormige drift bij toenemende afstand voor een steeds groter deel gedeponeerd wordt en drift in de vorm van dampen en aerosolen niet of nauwelijks afneemt. Een windhaag zal op deze afstand echter nog wel een positief effect hebben op de blootstelling aan de gewasbeschermingsmiddelen in de vorm van aerosolen/dampen, mits wordt gekozen voor een andere configuratie: Een dichte windhaag kan enerzijds zorgen voor de opstuwing van de lucht en anderzijds voor turbulentie die ontstaat wanneer de lucht afgeremd wordt door de vegetatie. Dit zal eraan bijdragen dat in de lucht aanwezige dampen en aerosolen voor een deel op veel grotere hoogte over de tuinen en over de woningen zal verwaaien en dat de concentratie schadelijke stoffen daalt door de turbulente menging van de met drift belaste lucht en schone achtergrondlucht81. Op leefniveau betekent dit een lagere blootstelling aan de schadelijke stoffen. Kortom, gewasbeschermingsmiddelen hebben op deze afstand met name hun negatieve gezondheidseffecten via inademing van de aerosolen.

Ondanks dat de windhagen slechts beperkte remming bieden aan deze kleine aerosolen, zal een dichte windhaag zorgen voor een verbeterd leefklimaat. In dit geval zal een windhaag met een zo hoog mogelijke dichtheid zorgen voor een lager risico op blootstelling aan schadelijke stoffen, doordat een dichte haag voor meer opstuwing en meer turbulentie kan zorgen. Een windhaag met dergelijke dichtheid kan in ieder geval worden bereikt door de keuze in plantensoort(en) (i.e. plantensoorten die van nature dichter zijn zoals bijvoorbeeld het geval is bij coniferen zoals Thuja en Leylandii). Verder kan ook in deze configuratie worden gedacht aan toevoeging van een tweede bomenrij in de haag (hoe dikker men de haag kan uitgroeien, hoe meer bladeren, stammen en takken en dus hoe dichter de haag in totaliteit). Op deze wijze kan een haag met een zo hoog mogelijke dichtheid worden vorm gegeven. Uiteraard dient onderhoud plaats te vinden zodat bedoelde hagen de gewenste configuratie behouden. Gelet op de beschikbare ruimte is het niet mogelijk om een grotere afstand aan te houden tussen de beoogde tuinen en erven van de nieuwe woningen en de agrarische gronden ten oosten. Mede om die reden zal worden voorzien in afscherming om het risico op driftblootstelling te minimaliseren.

Aan deze zijde kan worden gekozen voor een dubbele, bladverliezende haag, zoals elzen, welke 1 meter hoger dan het geteelde gewas dient te zijn. Uitgaande van mais als qua hoogte bepalend akkerbouwgewas betekent dit een hoogte van circa 3 meter.

81

Van Blokland, G., Hooghwerff, J., & Tollenaar, C. (2009). Impact of screens on air quality. Final report of a study on the performance of (sound) screens on the air quality along highways; Invloed schermen op de luchtkwaliteit. Eindrapport onderzoek naar de werking van (geluids) schermen op de luchtkwaliteit langs snelwegen. Weliswaar heeft dit onderzoek betrekking op dampen en aerosolen afkomstig van het wegverkeer, maar qua fysische eigenschappen van deze dampen en aerosolen vergelijkbaar.

Adromi B.V.

wil/R202290/2301c

Pagina 36 van 39

Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith

5.

Conclusie en aanbevelingen

In de context van het bestemmingsplan Heilig Kempke te Lith heeft onderzoek plaatsgevonden naar de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen door drift vanwege agrarisch bestemde gronden welke aangrenzend aan het plangebied zijn gelegen. Er is hierbij uitgegaan van akkerbouw en andere neerwaarts gespoten teelt als representatieve invulling van de maximale planologische situatie. Er is gebruik gemaakt van het Efsa-model om op basis van de stand der wetenschap een indicatie te geven van de driftblootstelling. Hierbij is een aantal middelen onderzocht welke in de representatieve situatie kunnen worden gebruikt. Er is geen overschrijding van gangbare blootstellingsnormen geconstateerd. Vanuit het voorzorgbeginsel geldt evenwel dat driftblootstelling zo klein mogelijk moet worden gehouden. Op deze wijze kan een situatie worden bereikt waarin blootstelling aan drift van gewasbeschermingsmiddelen kan worden beschouwd als onderdeel van het maatschappelijk risico, vergelijkbaar met blootstelling aan stoffen afkomstig uit intensieve veeteelt en verbrandingsgassen82. In lijn daarmee wordt geadviseerd om afscherming toe te passen in de vorm van een dubbele, relatief open, haag aan de oostzijde waarmee driftdruppels kunnen worden afgevangen. De aanleg en instandhouding van deze afscherming kan in de planregels worden opgenomen als voorwaardelijke verplichting.

Verwezen wordt naar figuur 6 waarop een en ander schetsmatig is weergegeven.

82

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Brief beantwoording “Feitelijke vragen advies Gezondheidsraad ultrafijn stof”, kenmerk I E NW/BSK-2022/35148, d.d. 17-02-2022.

Adromi B.V.

wil/R202290/2301c

Pagina 37 van 39

Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith

Figuur 6: overzicht aanvullende afscherming aan zijde agrarisch bestemde perceel ten oosten

Adromi B.V.

wil/R202290/2301c

Pagina 38 van 39

Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith

Bijlagen 1) 2) 3) 4) 5) 6) 7) 8)

Berekening op basis van het EFSA-model voor Teppeki Berekening op basis van het EFSA-model voor Karate Zeon Berekening op basis van het EFSA-model voor Gazelle Berekening op basis van het EFSA-model voor Decis Berekening op basis van het EFSA-model voor Amistar/Mirador Berekening op basis van het EFSA-model voor Revus Berekening op basis van het EFSA-model voor Alternet Berekening op basis van het EFSA-model voor Maister

De tot deze rapportage behorende berekeningen zijn aangeleverd / bijgevoegd als Zip-bestand dat kan worden ingelezen in de webapplicatie van Efsa.

Adromi B.V.

wil/R202290/2301c

Pagina 39 van 39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=5afb9dd3-2b52-4bad-a9ba-c4b594dec388