rapport spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith jan 23.PDF
Tekst van het document
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith Rapportage inzake ruimtelijk acceptabele afstanden
Gemeente Oss
Projectnummer: Status: Datum: Auteur:
wil/R202290/2301c definitief 27-1-2023 J. Wildschut
Geaccordeerd:
Y. Hidskes
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
Inhoudsopgave 1.
2.
3.
4.
5.
Inleiding ........................................................................................................................................... 3 1.1.
Ruimtelijk acceptabele afstanden ........................................................................................... 3
1.2.
Gebruik gewasbeschermingsmiddelen ................................................................................... 5
1.3.
Representatieve invulling van maximale planologische mogelijkheden................................. 5
1.4.
Context rapportage ................................................................................................................. 5
1.5.
Opzet rapportage .................................................................................................................... 6
Locatie, omgeving en (bouw)plan ................................................................................................... 8 2.1.
Projectlocatie en omgeving ..................................................................................................... 8
2.2.
Agrarisch grondgebruik ........................................................................................................... 9
2.3.
Watergangen ......................................................................................................................... 10
Representatieve invulling maximale planologische situatie ......................................................... 11 3.1.
Algemeen............................................................................................................................... 11
3.2.
Bestemmingsregeling omliggende gronden.......................................................................... 11
3.3.
Activiteitenbesluit milieubeheer ........................................................................................... 13
3.4.
Résumé .................................................................................................................................. 14
Spuitzones ..................................................................................................................................... 16 4.1.
EFSA-model ........................................................................................................................... 16
4.2.
Invoergegevens ..................................................................................................................... 19
4.3.
Resultaten EFSA ..................................................................................................................... 28
4.4.
Beoordeling overige factoren ................................................................................................ 31
4.5.
Voorzorg ................................................................................................................................ 33
Conclusie en aanbevelingen .......................................................................................................... 37
Bijlagen .................................................................................................................................................. 39
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 2 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
1.
Inleiding
Onderhavige onderzoekrapportage is opgesteld in opdracht van Ruimtevoorruimte in verband met het bestemmingsplan ‘Heilig Kempke - Lith – 2021’ van 3 juni 2021 van de gemeente Oss. Dit naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 november 2022 (202104861/1/R2 - bestuurlijke lus) waarin de opdracht wordt gegeven om een locatiespecifiek onderzoek uit te (laten) voeren naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een kortere afstand dan 50 meter van de nieuwe woonbestemmingen tot agrarische percelen waar rekening moet worden gehouden met toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, zodanig dat de nieuwe woonbestemmingen geen aanvullende potentiële beperkingen met zich brengen voor de agrarische exploitatie van de betrokken gronden overeenkomstig de geldende bestemming. Het bestemmingsplan laat de bouw van 12 woningen toe. In het plangebied is reeds één woning aanwezig, zodat in totaal 11 nieuwe woningen worden toegelaten. De reeds aanwezige woning is gerealiseerd op basis van het bestemmingsplan ‘Heilig Kempke’ van 27 april 2011. Op grond van dat bestemmingsplan mochten ter plaatse 9 nieuwe woningen worden gerealiseerd.
Met het oog op de beoogde ontwikkeling is onderhavig onderzoek uitgevoerd naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid wat betreft woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen in relatie tot toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij agrarisch grondgebruik dat plaatsvindt in de omgeving van het betrokken plangebied. 1.1. Ruimtelijk acceptabele afstanden In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Aangezien de afstand welke (minimaal) aangehouden moet worden tot gevoelige objecten niet concreet in een regeling is voorgeschreven, dient deze op grond van de Wet ruimtelijke ordening te worden bepaald in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op basis van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een zone aan te houden in verband met het risico op drift (onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen buiten het behandelde perceel via de lucht). In een dergelijke zone dient daarbij gekozen te worden voor bestemmingen welke reguliere / langdurige menselijke aanwezigheid uitsluiten.
Van belang hierbij is, dat blijkens de Afdelingsuitspraken van 30 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:855 Houten) en van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1741 Wijchen) heeft overwogen dat het zogenaamde PRI rapport1 omtrent driftblootstelling afdoende wetenschappelijke basis ontbeert en dat blijkens de uitspraak van 19 oktober 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3023 Beuningen) het EFSA-model (vooralsnog op onderdelen) onderbouwing mist. Uit jurisprudentie blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt2, in het algemeen niet onredelijk vindt. De afstand van 50 meter is blijkens een 1
Wageningen University & Research, rapport “Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen” (PRI-rapport 609, mei 2015) 2 ABRvS 30 maart 2016 ECLI:NL:RVS:2016:855
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 3 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
uitspraak uit 20023 gebaseerd op het toenmalige beleid van de provincie Gelderland voor de goedkeuring van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij nieuwe gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen werden bestemd. Ten tijde van dat beleid gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963, het daarop gebaseerde Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en de bijbehorende Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, een verplichting om driftreductie toe te passen van minimaal 50%. Op grond van het huidige Activiteitenbesluit dient standaard een driftreducerende techniek te worden gehanteerd van minimaal 75%, een norm die kortom de helft strenger is geworden4, waardoor bedoelde afstand van 50 meter thans in principe kan worden gehalveerd tot 25 meter. Verder is van belang dat bedoelde 50 meter werd gehanteerd in een tijd dat gewasbeschermingsmiddelen werden toegelaten welke al geruime tijd vanwege herbeoordelingen zijn uitgefaseerd, terwijl nieuwe middelen met een lagere potentiële schadelijkheid en lagere persistentie hiervoor in de plaats zijn gekomen.
Gelet op de omstandigheid dat bedoeld beleid betrekking had op teelt in boomgaarden en boomteelt, waarbij opwaarts of zijwaarts wordt gespoten, kan bedoelde afstand van 25 meter in principe nogmaals worden gehalveerd tot 12,5 meter op het moment dat uitsluitend sprake is van neerwaarts spuiten zoals in akkerbouw, sierteelt (zoals bloemen en/of bloembollen) of tuinbouw5. Deze afstand is dan in ieder geval voldoende om te spreken van een ruimtelijk aanvaardbaar woon- en leefklimaat waarbij er in principe niet behoeft te worden gevreesd voor (toekomstige) beperkingen6 voor de gevestigde agrarische bedrijven. De betrokken afstand dient in principe te worden aangehouden tussen het perceel waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en locaties van de gevoelige functie waar reguliere menselijke aanwezigheid niet is uitgesloten (zoals een tuin bij een woning). Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand tot percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast ook aanvaardbaar zijn, mits blijkens een locatiespecifiek onderzoek is onderbouwd dat ondanks deze kortere afstand sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de betreffende gevoelige functies. Hierin beoogt onderhavige onderzoeksrapportage te voorzien.
3
ABRvS 24 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5754 Zie ook paragraaf 3.3. 5 Dit is een worstcase benadering, gelet op de omstandigheid dat het Activiteitenbesluit voor neerwaarts spuiten uitgaat van 1/3e van de afstand voor opwaarts en zijwaarts spuiten. 6 Dit kunnen beperkingen zijn van planologische aard (zoals het verbieden van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen nabij gevoelige bestemmingen), van milieujuridische aard (zoals nieuwe milieuvoorschriften ten aanzien van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen) en van privaatrechtelijke aard (al dan niet naar aanleiding van door nieuwe bewoners geïnitieerde (civiel)rechtelijke uitspraak). 4
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 4 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
1.2. Gebruik gewasbeschermingsmiddelen Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen dient plaats te vinden in overeenstemming met de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Blijkens artikel 47 en 20 van deze wet jo. de Verordening 528/2012/EU mogen middelen alleen worden gebruikt op grond van een (vereenvoudigde) toelating, welke onder voorschriften / beperkingen kan worden verleend door het College toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt volgens internationale afspraken en in de wetgeving verankerde criteria of gewasbeschermingsmiddelen en biociden – bij juist gebruik – veilig zijn voor mens, dier en milieu en of ze werkzaam zijn. Op grond van deze beoordeling besluit het college of het middel in Nederland verkocht en gebruikt mag worden. Daarbij stelt het ook duidelijke voorschriften verplicht, die minimaal op het etiket moeten staan (het zogenaamde wettelijk gebruiksvoorschrift). Het gebruiksvoorschrift schrijft niet alleen de toepassingswijze voor (professioneel en/of particulier gebruik, aantal toepassingen per jaar, toepassingsintervallen, veiligheidstermijn – d.w.z. minimale termijn tussen toepassing en oogst etc.), maar hierin is ook gelimiteerd voor welke doelstellingen en voor welke teelten een middel mag worden ingezet.
In onderhavige rapportage wordt enkel het professionele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beschouwd in bedrijfsmatige context. Particulier gebruik en professionele inzet van gewasbescherming in niet agrarisch cq. openbaar gebied (zoals op laanbomen, parkvegetatie, sportvelden en begraafplaatsen) is niet beschouwd. 1.3. Representatieve invulling van maximale planologische mogelijkheden Op basis van rechtspraak dient bij het bepalen van de invloed van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op het woon- en leefklimaat te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Deze invulling dient representatief te zijn in die zin dat in principe geen rekening hoeft te worden gehouden met een ingrijpende, of anderszins niet voor de hand liggende, omschakeling in de bedrijfsactiviteiten. De invulling dient daarentegen maximaal te zijn in relatie tot de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Idem dient rekening te worden gehouden met een maximale invulling van de beoogde gevoelige bestemmingen. Doel van deze aanpak is een worstcase benadering waarbij geen beperkingen worden veroorzaakt voor omliggende bedrijvigheid en/of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, gelet op hiermee mogelijk samenhangende gezondheidseffecten (ook op de lange termijn). 1.4.
Context rapportage In onderhavig rapport is gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel van de European Food Safety Authority (EFSA-model). Dit EFSA-model kan worden beschouwd als het Europese standaard verspreidingsmodel. Het EFSA-model is gebaseerd op diverse publicaties van wetenschappelijk onderzoek naar drift (onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen bij toepassing daarvan) voor passanten en omwonenden alsook op publicaties over de blootstellingsrisico’s voor
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 5 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
personen werkzaam op het gewasperceel zelf (al dan niet bij toepassing van die gewasbeschermingsmiddelen of bij andere werkzaamheden zoals oogsten). Het model beschouwt zowel de directe blootstelling aan drift via inademing (inhalatie) en opname via de huid (dermaal) alsook indirecte blootstelling in de vorm van opname via de mond van aan drift blootgestelde objecten. Met het model kunnen de effecten op volwassenen alsook op kinderen in beeld gebracht worden. Kinderen ouder dan één jaar en jonger dan drie jaar worden daarbij als de meest kwetsbare categorie beschouwd. Verwezen wordt naar paragraaf 4.1. Het model biedt evenwel geen inzicht in cumulatieve effecten van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen noch houdt het model rekening met eventuele gecombineerde werking (zoals cumulatie, synergisme of antagonisme) tussen gewasbeschermingsmiddelen onderling. Het model biedt evenmin inzicht in mogelijke blootstellingseffecten op mensen met een bijzondere kwetsbaarheid. Het EFSA-model is hiervoor niet ontworpen, aangezien het aansluit bij internationale standaarden omtrent bloostelling aan stoffen7. Het model biedt wel aanknopingspunten om beperkte conclusies omtrent blootstelling te trekken voor deze groep. Verwezen wordt naar paragraaf 4.4.2.
Het model is ontworpen om de maximale blootstellingsgrenswaarden die zijn vastgesteld voor afzonderlijke werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen als uitgangspunt te bepalen op basis van de fysieke eigenschappen van een middel. Het model biedt niet de mogelijkheid om blootstelling via voedsel in beeld te brengen. Verwezen wordt naar paragraaf 4.4.1. Met het EFSA-model is het tot slot niet mogelijk om afscherming van drift middels een haag of een scherm te modelleren. Het EFSA-model kan worden beschouwd als stand der wetenschap. Het model zal uit de aard der zaak onderhavig zijn aan wijzigingen indien nieuwe wetenschappelijke inzichten daar aanleiding voor geven. Met het rekenmodel zijn meerdere gewasbeschermingsmiddelen beoordeeld welke als representatief kunnen worden beschouwd voor de invulling van de maximale planologische situatie. 1.5. Opzet rapportage In hoofdstuk 2 wordt globaal ingegaan op het projectperceel en de omgeving daarvan, waarbij de aandacht uitgaat naar omliggende gronden waar bedrijfsmatig (professioneel gebruik) gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de in deze context relevante regelgeving in relatie tot de vraag wat dient te worden beschouwd als de representatieve invulling van de maximale planologische situatie. Dat wordt uit de aard der zaak bepaald aan de hand het geldende planologische regime.
7
Zoals o.m. ook wordt gehanteerd door de European Chemicals Agency (Echa).
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 6 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
Echter, ook de relevante milieuregelgeving en daarmee samenhangend regelgeving ten aanzien van oppervlaktewater is in die context relevant. De wettelijke gebruiksvoorschriften van het Ctgb komen aan de orde in hoofdstuk 4, bij de behandeling van de gewasbeschermingsmiddelen welke als representatief worden beschouwd voor de bepaling van de zogenaamde spuitzone. In hoofdstuk 5 komen de uitkomsten van de modelberekeningen aan de orde. Hoofdstuk 6 bevat de conclusies ten aanzien van de aan te houden acceptabele afstanden.
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 7 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
2.
Locatie, omgeving en (bouw)plan
2.1. Projectlocatie en omgeving Het plangebied heeft betrekking op gronden aan de zuidwestrand van de kern Lith. De locatie is kadastraal bekend als: gemeente Lith, sectie A, nummer 4751, 4752 en 4753. De bestaande woning Bellefleur 10 is aanwezig op het perceel gemeente Lith, sectie A, nummer 4603. Ten noorden is sprake van de woonbebouwing van de kern Lith. Ten westen is sprake van bosschages met daarachter sportvelden. Ten zuiden en ten oosten is sprake van agrarisch gebied met hierin enkele woningen (Valkseweg 25 en 27). Verwezen wordt naar figuur 1.
Figuur 1: Situering projectgebied (bron: ruimtelijkeplannen/kadaster)
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 8 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
2.2. Agrarisch grondgebruik Blijkens de basisregistratie gewaspercelen is op de aanliggende agrarische gronden uitsluitend sprake van de teelt van maïs. Voor het direct aangrenzende perceel ten oosten is geen teelt geregistreerd. Op verzoek van de opdrachtgever zijn in dit onderzoek enkel de agrarische gronden ten oosten in het onderzoek betrokken. Verwezen wordt naar figuur 2 voor een overzicht. Bedoelde basisregistratie vormt een momentopname en heeft voor het overige enkel een indicatie van bestaand agrarisch grondgebruik.
Figuur 2: Basisregistratie gewaspercelen 2021, projectlocatie indicatief rood omlijnd (bron: PDOK)
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 9 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
2.3. Watergangen Blijkens de Legger Wateren van het Waterschap Aa en Maas e Dommel is sprake van een secundaire watergang aan de noord- en westzijde van het plangebied. In de legger is geen profielbreedte vastgelegd van deze watergang. Ten zuiden en westen is planzijdig langs de Valkseweg sprake van een primaire watergang met een breedte van 4,6 meter. Verwezen wordt naar figuur 3.
Figuur 3: Uitsnede Legger wateren, plangebied indicatief rood omlijnd (bron: Waterschap de Dommel)
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 10 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
3.
Representatieve invulling maximale planologische situatie
3.1. Algemeen Zoals aangegeven dient bij de bepaling van het risico op milieuhinder te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische situatie. Hiervoor is uiteraard primair het bestemmingsplan relevant dat geldt voor de betrokken agrarisch in gebruik zijnde gronden. Echter ook bij de invulling van de (toekomstige) hindergevoelige functies dient te worden uitgegaan van de representatieve maximale planologische situatie, in de gegeven omstandigheden de nieuwe woningen. Ter verdere bepaling van de maximale representatieve invulling dient ook te worden ingegaan op de regelgeving welke relevant is bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Dit betreft de milieuregelgeving welke is opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Tot slot zijn de al genoemde wettelijke gebruiksvoorschriften van het Ctgb relevant. Deze gebruiksvoorschriften komen niet aan de orde in dit hoofdstuk maar in hoofdstuk 4 waar nader wordt ingegaan op het (representatieve) gebruik van concrete gewasbeschermingsmiddelen. 3.2. Bestemmingsregeling omliggende gronden 3.2.1. Buitengebied Voor de omliggende gronden geldt het bestemmingplan “Buitengebied Oss 2020”, vastgesteld op 16 april 2020. Verwezen wordt naar figuur 4.
De betrokken omliggende agrarische gronden zijn aangeduid voor ‘Agrarisch met waarden landschap’ alsook deels voor ‘Waarde - archeologie verwachtingswaarde hoog’ en ‘Waarde – archeologie monument’. Verder is sprake van de aanduidingen ‘beperkingen voor veehouderijen’, ‘stads- en dorpsranden’. Tot slot is deels sprake van de aanduiding ‘oeverwal’ en deels ‘komgebied’. Langs de Valkseweg is sprake van een aanduiding voor een beschermingszone van een rioolleiding. Op grond van de desbetreffende aanduiding is sprake van een algemene agrarische bestemming. Het beplanten van gronden met opgaande vegetatie van meer dan 1,5 meter hoogte is gebonden aan een wabo-aanlegvergunningenstelsel. Teeltondersteunende voorzieningen zijn toegelaten tot een hoogte van 3 meter, waarbij is voorzien in een afwijkingsbevoegdheid tot 6 meter. Er zijn geen vergunningen aangevraagd voor realisatie van teeltondersteuning bij open teelten, zoals de teelt van druiven of hop. 3.2.2. Heilig Kempke Lith 2021 Het plan ‘Heilig Kempke Lith 2021’ voorziet in de aanwezigheid van 12 woningen, waarvan 7 woningen in een bouwvlak aan de noordzijde en 5 woningen in een bouwvlak aan de zuidzijde. Het plan voorziet tot slot in de nodige ontsluiting welke centraal in het plangebied is geprojecteerd. Aan de voorzijde van de bouwvlakken en deels ook op de kopse kanten is voorzien in een tuinbestemming.
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 11 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
Verwezen wordt naar figuur 5. De woonbestemming grenst aan de oostzijde aan de waterbestemming van de aldaar aanwezige secundaire watergang met een breedte van circa 1 meter. De afstand tussen de agrarisch bestemde gronden en de betrokken woonbestemming bedraagt hier dus circa 1 meter. Aan de zuidzijde is langs de Valkseweg voorzien in een groenbestemming, met aansluitend de waterbestemming van de aldaar aanwezige primaire watergang. De minimale afstand tussen de woonen tuinbestemming en de agrarische gronden aan de overzijde van de Valkseweg bedraagt hier circa 25 meter. 3.2.3. Overig Daarnaast geldt een voorbereidingsbesluit in verband met huisvesting van medewerkers en een voorbereidingsbesluit dat nieuwvestiging van hyperscale datacenters uitsluit. Deze laatste planologische besluiten zijn in onderhavige context verder niet van belang. 3.2.4. Conclusie In de context van onderhavige rapportage kan worden uitgegaan van teelten welke neerwaarts worden bespoten, zoals akkerbouw of laagblijvende sierteelt of fruitteelt, als representatief worden beschouwd voor wat betreft het risico op driftverspreiding.
Figuur 4: uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’ (verbeelding exclusief herzieningen) (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 12 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
Figuur 5: bestemmingsplan Heilig Kempke Lith 2021 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
3.3. Activiteitenbesluit milieubeheer Als een bedrijf geen relevante bestrijdingsmiddelen zou toepassen (biologische productie en/of met zogenaamde laag risico stoffen8, alternatieve bestrijding van plagen), dan hoeft uit de aard der zaak ook geen spuitzone te worden aangehouden. Echter in het kader van dit onderzoek dient het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als maximale representatieve invulling van de planologische mogelijkheden te worden beschouwd. Relevant hierbij is verder dat biologische gewasbeschermingsmiddelen ook toelating van het Ctgb nodig hebben voor professionele toepassing, waarbij voor die middelen eveneens maximaal acceptabele blootstellingsnormen gelden. Bij bedrijfsmatige toepassing van gewasbeschermingsmiddelen dient te worden voldaan aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hierbij geldt verder dat bepaalde gewasbeschermingsmiddelen enkel voor professionele toepassingen zijn toegelaten en niet voor huis-, tuin- en keukengebruik. In een dergelijke hobbymatige context zal verder hoogstens sprake zijn van individuele handmatige bespuitingen, niet van integrale behandeling van een perceel (rijbehandeling met een spuitmachine). 3.3.1.
Driftreductie In artikel 3.78a, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is vastgelegd dat in ieder geval een driftreductie moet worden bereikt van 75%, bepaald volgens Meetprotocol voor het vaststellen van de driftreductie van neerwaartse en op- en zijwaartse spuittechnieken, versie van 1 juli 2017 (artikel 8
Gewasbeschermingsmiddel dat blijkens toelating voldoet aan de criteria van bijlage II, punt 5 van Verordening EU/1107/2009.
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 13 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
3.78a, lid 2 Activiteitenbesluit milieubeheer jo. artikel 3.81 Regeling omgevingsrecht - Rarim)9. Driftreductie kan ook worden bereikt door het toepassen van schermen (artikel 3.79, lid 7 onder b ten 2e Barim) of door toepassing van een vanggewas (vegetatiescherm - artikel 3.80a, lid 2 onder a Barim). 3.3.2. Teeltvrije zone Op grond van het Activiteitenbesluit worden beperkingen gesteld aan de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op korte afstand van oppervlaktewater, in de vorm van een teeltvrije zone en/of aanvullende driftreducerende technieken. Uitgaande van artikel 3.80 van het Activiteitenbesluit milieubeheer dient voor diverse laagblijvende teelten (neerwaarts spuiten) te worden uitgegaan van een teeltvrije zone van 1 meter overeenkomstig artikel 3.80, lid 1 onder b van het Activiteitenbesluit milieubeheer, mits een driftreductie wordt bereikt van 90%. Zou gekozen worden voor een standaard driftreductie van 75%, dan dient een teeltvrije zone van 1,50 meter te worden aangehouden. Voor handmatige spotsgewijze onkruidbestrijding met afscherming geldt in principe geen teeltvrije zone. Er is zoals aangegeven sprake van een secundaire watergang op de oostelijke erfgrens met de agrarische gronden. Deze watergang is evenwel niet jaarrond watervoerend. In de gegeven situatie zal niet worden uitgegaan van een teeltvrije zone. 3.3.3.
Vanggewas en scherm Een vanggewas is in het Activiteitenbesluit milieubeheer gedefinieerd als zijnde “een barrière van bomen, struiken of andere gewassen, die het verwaaien van spuitvloeistof bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen naar een oppervlaktewaterlichaam beperkt”. Een emissiescherm wordt in het Activiteitenbesluit gedefinieerd als: “scherm ter beperking van het verwaaien van spuitvloeistof bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen”. Uit artikel 3.82, lid 1a jo. artikel 3.79 lid 5 en 3.80, lid 2 van de Regeling omgevingsrecht dient een scherm of vanggewas minimaal 50 centimeter hoger te zijn van de gewashoogte. In het kader van onderhavige rapportage wordt ervan uitgegaan dat (nog) geen scherm of vanggewas wordt toegepast, maar dat driftreductie volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer plaatsvindt. Dit omdat geen vanggewas of scherm aanwezig is rondom de overige agrarisch bestemde percelen. 3.4. Résumé Samenvattend kan worden uitgegaan van: - Laagblijvende teelten op agrarisch bestemde gronden ten oosten van het plangebied (neerwaarts spuiten, integrale machinale gewasbehandeling); - Geen relevante tussengelegen watergangen en geen teeltvrije zones; 9
Door toepassing van bijvoorbeeld een tunnelspuit, een dwarsstroomspuit of axiaalspuit met schermen aan de installatie zelf of driftarme doppen. Het Activiteitenbesluit bevat op dit punt een aanvullende regeling voor wat betreft de toe te passen spuitdoppen (artikel 3.83, lid 4 Activiteitenbesluit milieubeheer).
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 14 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
-
Driftreductie van 75% overeenkomstig het Activiteitenbesluit milieubeheer (worst case wordt modelmatig uitgegaan van 50% driftreductie).
In volgend hoofdstuk wordt ingegaan op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het licht van de door het Ctgb vastgestelde wettelijke gebruiksvoorschriften.
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 15 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
4.
Spuitzones
4.1. EFSA-model Voor de beoordeling van de onderhavige situatie is gebruik gemaakt van het zogenaamde EFSArekenmodel. Op 17 oktober 2014 heeft de European Food Safety Authority (EFSA) een handreiking vastgesteld voor de beoordeling van blootstelling aan pesticiden. Op 24 april 2015 is een herziening hiervan gepubliceerd. In januari 2022 is de geüpdatete handreiking gepubliceerd met bijbehorende (online) versie van de EFSA-OPEX calculator. Deze openbaar beschikbare calculator kan worden gebruikt voor een beoordeling van de driftblootstelling bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen (bespuiten van gewassen). Het EFSArekenmodel biedt de mogelijkheid om de maximale blootstelling te bepalen van medewerkers, omwonenden, passanten en personen die recreatief verblijven op en in de nabijheid van terreinen waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast. De handreiking en het rekenmodel zijn tot stand gekomen op basis van bijdragen van experts uit alle Europese landen op basis van tal van onderzoeksgegevens en studies. Het rekenmodel is gebaseerd op meerdere modellen en databases. Voor de omwonenden is gebruik gemaakt van BREAM10 in het geval van landbouwgronden en van Lloyd et al. (1987)11 in het geval van boomgaarden. Tevens wordt Lloyd et al. (1987) in EUROPOEM12 gebruikt vanwege de representatieve omstandigheden.
EUROPOEM werd ontwikkeld om de blootstelling te beoordelen van bestrijdingsmiddelen op de toepassers ervan en is ook als basis gebruikt voor het EFSA-model. In het EFSA-model is een toepassingsmethode gekoppeld aan bepaalde gewassen: boomgaarden, andere opgaande gewassen of teelten met ondersteunende voorzieningen kunnen worden gemodelleerd als een vorm van ‘upward spraying’ en lagere gewassen, zoals diverse akker- en tuinbouwgewassen, heesters, groenten, knol- en bolgewassen, sierteeltgewassen en bloemen kunnen 10
Gebaseerd op meerdere studies: Butler Ellis MC, Lane AG, O’Sullivan CM, Miller PCH and Glass CR, 2010a. Bystander exposure to pesticide spray drift: new data for model development and validation Biosystems Engineering, 107, 162–168. Butler Ellis MC and Miller PCH, 2010. The Silsoe Spray Drift Model: a model of spray drift for the assessment of non-target exposures to pesticides. Biosystems Engineering, 107, 169–177. Glass CR, Mathers JJ, Harrington P, Miller PCH, Butler Ellis C and Lane A, 2010. Generation of field data for bystander exposure and spray drift with arable sprayers. Aspects of Applied Biology, 99, 271–276. Glass CR, Mathers JJ, Hetmanski MT, Sehnalova M and Fussell RJ, 2012. Development of techniques to measures vapour concentrations of pesticides to determine potential bystander & resident exposure. Aspects of Applied Biology, 114, 79–86. Kennedy MC, Butler Ellis MC and Miller PCH, 2012. Probabilistic risk assessment of bystander and resident exposure to spray drift from an agricultural boom sprayer. Aspects of Applied Biology, 114, 87–90. 11 Lloyd GA, Bell GJ, Samuels SW, Cross JV and Berry AM, 1987. Orchard sprayers: comparative operator exposure and spray drift study. Agricultural Science Service, Agricultural Development and Advisory Service, Ministry of Agriculture Fisheries and Food, UK. 12 Van Hemmen JJ, 2008.
Addendum to the TNO Report V7333: effective personal protective equipment (PPE). Default setting of PPE for registration purposes of agrochemical and biocidal pesticides. Covering the literature published in the period 2005 to early 2008. TNO Quality of Life, TNO Chemistry, Food & Chemical Risk Analysis, Chemical Exposure assessment, Zeist, The Netherlands.
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 16 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
worden gemodelleerd als ‘downward spraying’. Onkruidbestrijding vormt uit de aard der zaak een vorm van ‘downward spraying’ aangezien daarbij het te telen gewas zelf niet wordt behandeld. 4.1.1. Driftreductie In het model kan verder rekening gehouden worden met toepassing van driftreducerende technieken, welke in de onderhavige situatie ook verplicht zijn vanwege gebruiksvoorschriften en/of het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het EFSA-model hanteert een lagere driftreductie van óf 0% óf 50% in tegenstelling tot de 75% of 90% waar het Activiteitenbesluit in Nederland toe verplicht, hetgeen van belang is bij de beoordeling van de berekeningsresultaten van dit model13. Immers gelet op de driftreductie die het Activiteitenbesluit verplicht stelt, zal het EFSA-model leiden tot een overschatting van de driftblootstelling. 4.1.2. Invloed van wind Verder wordt in het model rekening gehouden met de factor wind, hetgeen is gebaseerd op de ‘Code of practice for using plant protection products’14 van het Britse Department for Environment, Food and Rural Affairs. In voornoemd document wordt onderscheid gemaakt in verschillende ‘spraying conditions’, te weten acceptabel, ideaal, risicovol etc. BREAM en gevolglijk het EFSA-model maken gebruik van een windsnelheid van 2,7 m/s, wat in de Code of practice als bovengrens geldt voor acceptabele spuitcondities.
Uit artikel 3.83, lid 5 van het Activiteitenbesluit volgt een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s. Hieruit volgt dat er situaties kunnen voorkomen waarbij bestrijdingsmiddelen worden gespoten bij een hogere windsnelheid dan in het EFSA-rekenmodel wordt beschouwd. In Nederland ligt de jaargemiddelde windsnelheid tussen de 2,2 m/s landinwaarts tot 5,6 m/s aan de kust15. Een windsnelheid van 2,7 m/s, zoals in het EFSA-model wordt gehanteerd, kan als representatief worden gehanteerd voor een scenario waarin langdurige blootstelling dient te worden beschouwd, mede in aanmerking nemend dat bij hogere windsnelheden de blootstelling lager zal zijn. Immers bij een maximale windsnelheid van 5 m/s volgens het Activiteitenbesluit wordt drift verspreid over een groter oppervlak, waardoor verdunning optreedt en de belasting op een individuele locatie afneemt16. Het Efsa model rekent daarbij standaard driftblootstelling uit vanuit een meewindsituatie. Ook op dit vlak leidt deze conservatieve aanname uit het EFSA-model qua windbelasting tot een overschatting van de driftblootstelling. 13
EFSA, Guidance on the assessment of exposure of operators, workers, residents and bystanders in risk assessment for plant protection products, EFSA Journal 2014;12(10):3874, 25 14 https://www.hse.gov.uk/pesticides/using-pesticides/codes-of-practice/code-of-practice-for-using-plantprotection-products.htm, paragraaf 4.7.3 15 KNMI, Klimaatviewer 1991-2020, https://www.knmi.nl/klimaat-viewer/grafieken-tabellen/meteorologischestations/stations-maand/stations-maand_1991-2020, voor Lith kunnen de meetdata van weerstation Gilze Rijen als representatief worden beschouwd en kan worden uitgegaan van gemiddelde windsnelheden tussen 3,1 en 4,7 m/s, zie https://www.knmi.nl/klimaat-viewer/grafieken-tabellen/klimaattabellen-per-station/gilzerijen/klimaattabel_gilze-rijen_1991-2020 16 Ook bij hogere windsnelheden dient te worden voldaan aan de vereiste driftreductie, zodat bij hogere windsnelheden geen grotere drift mag ontstaan dan bij lagere windsnelheden, terwijl de maximale dosis per toepassing/teeltseizoen ook is gemaximeerd in de gebruiksvoorschriften.
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 17 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
4.1.3. Rekenafstanden De driftblootstelling kan voor neerwaarts spuiten worden berekend op afstanden van 2-3 meter, 5 meter en 10 meter, gerekend uit de rand van het behandelde gewas. Voor opwaarts spuiten kan de driftblootstelling worden berekend op afstanden van 5 en 10 meter. Om een indruk te geven van de driftblootstelling op een kortere afstand van 2-3 meter is het effect van neerwaarts spuiten op dergelijke lagere teelten beschouwd. Het EFSA-model biedt inzicht hoe gewasbeschermingsmiddelen via blootstelling aan drift via verschillende routes door het menselijk organisme kunnen worden opgenomen: - Inhalatoir, dus door inademing van aërosolen en dampen; - Oraal, bijvoorbeeld doordat dingen in de mond worden gestoken welke zijn blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen (met name relevant voor kinderen die meer handmondbewegingen maken en eerder geneigd zijn dingen in de mond te stoppen); - Dermaal, dus via de huid. De blootstelling aan dampen wordt berekend aan de hand van Britse17 en Duitse methoden18. De hand-mondblootstelling voor kinderen is gebaseerd op de Modified Californian Method19,20 en data van de Environmental Protection Agency van de Verenigde Staten (2001)21.
In het EFSA-model is voor onderhavige onderzoek de maximale blootstelling per jaar van kinderen van 1 tot 3 jaar in een woonsituatie22 bepalend, omdat kinderen gevoeliger zijn voor blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Voor kinderen jonger dan één jaar is door de EFSA verondersteld dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen lager is, aangezien diverse blootstellingsroutes uit het rekenmodel, zoals hand-mond contact, voor deze groep niet plausibel worden geacht. Dit punt komt nog nader, in 4.4.2, aan de orde. Op basis van het EFSA-rekenmodel heeft het Ctgb alle in Nederland toegelaten bestrijdingsmiddelen aan een herbeoordeling onderworpen. De conclusie van het Ctgb was, dat zich bij geen van de toegelaten bestrijdingsmiddelen een risico voordoet voor omwonenden23. Vanaf 1 januari 2016
17
CRD (The Chemical Regulation Directorate, UK), 2008. Bystander Exposure Guidance. Martin S, Westphal D, Erdtmann-Vourliotis M, Dechet F, Schulze-Rosario C, Stauber F, Wicke H and Chester G, 2008. Guidance for exposure and risk evaluation for bystanders and residents exposed to plant protection products during and after application Journal für Verbraucherschutz und Lebensmittelsicherheit, 3, 272–281. 19 Fuller R, Klonne D, Rosenheck L, Eberhart D, Worgan J and Ross J, 2001. Modified California Roller for measuring transferable residues on treated turfgrass. Bulletin of Environmental Contamination and Toxicology, 67, 787–794. 20 Rosenheck L, Cowell J, Mueth M, Eberhart D, Klonne D, Norman C and Ross J, 2001. Determination of a standardized sampling technique for pesticide transferable turf residues. Bulletin of Environmental Contamination and Toxicology, 67, 780–786. 21 US EPA (US Environmental Protection Agency), 2001. Science Advisory Council for Exposure, policy number 12, recommended revisions to the standard operating procedures (SOPs) for residential exposure assessments. Office of Pesticide Programs, Health Effects Division, Washington, DC, USA. 22 Met name verblijf / spelen in de tuin. 23 Ctgb, brief d.d. 21 oktober 2015 aan de Staatssecretaris van het ministerie IenM, nummer 20L5LO21Ot49, de achterliggende berekeningen zijn opgevraagd, maar niet verkregen. 18
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 18 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
worden de EUROPOEM-modellen niet meer gebruikt voor de beoordeling van bestrijdingsmiddelen, maar is het Ctgb overgeschakeld op het EFSA-model. Hierbij is er steeds van uitgegaan dat de teeltpercelen (gronden waarop bestrijdingsmiddelen worden toegepast) niet door de toekomstige bewoners zal worden betreden24, maar dat enkel de blootstelling aan drift in het plangebied zelf relevant is. De uitkomsten van de modelberekening zijn bij deze rapportage gevoegd25. 4.2. Invoergegevens Op basis van het toelatingenregister van het Ctgb is duidelijk dat bij de betrokken teelt(en) tal van gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. In de regel zal preventief kunnen worden gespoten tegen schimmelziekten en zal periodiek worden gespoten tegen onkruiden. Hierbij zullen voor een teeltseizoen meestal maar één of twee min of meer vaste middelen nodig zijn. Verder zal sprake zijn van een meer gerichte bestrijding van insecten. Toepassing van gewasbescherming zal hierbij meer ad hoc zijn, waarbij de keuze van het middel ook meer afhankelijk is van de soort plaag. Door de betrokken teler is aangegeven dat bij de teelt van tarwe en mais de volgende middelen zijn ingezet.
- Prodax is een groeiregulator welke op diverse granen is toegelaten; - Elatus Era is een fungicide dat eveneens op granen is toegelaten; - Fulvic is een toevoegingsmiddel dat zorgt voor betere werking van fungiciden en herbiciden (m.n. betere bladhechting); - OPF is een meststof; - Laudis is een herbicide voor toepassing in mais; - Kart is eveneens een herbicide voor toepassing in mais en granen; - Gardo Gold is een herbicide dat na 1 april 2022 is uitgefaseerd; - Samson Extra 6% is eveneens een herbicide. Gelet op het voorgaande zijn in ieder geval de door de teler opgegeven toegelaten herbiciden en Elatus Era beoordeeld. Aangezien deze middelen mogelijk een eenzijdig beeld geven, nu dit in hoofdzaak herbiciden betreffen, is aanvullend een selectie gemaakt van diverse middelen die als representatief kunnen worden beschouwd voor de betrokken situatie. Hierbij geldt dat deze middelen niet allemaal gedurende één seizoen zullen worden toegepast op één teelt. 4.2.1. Elatus Era Elatus Era (toelatingsnummer: 15483, expiratiedatum: 2-3-2024) is een emulgeerbaar concentraat en wordt als fungicide gebruikt in granen26. Het middel bevat twee werkzame stoffen, te weten benzovindiflupyr en prothioconazool. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens: 24
‘Entry into treated crops’ – hierbij behoort het ook niet specifiek/noodzakelijkerwijs tot de woonsituatie ter plaatse als de gewaspercelen conform de groenbestemming en/of de bestemming voor cultuur en ontspanning zouden worden betreden. 25 Een overzicht van de uitkomsten is in de bijlage toegevoegd als .pdf, maar de desbetreffende Excel-bestanden van de berekeningen met het EFSA-model behoren uitdrukkelijk ook tot onderhavige rapportage. 26 Ctgb, gebruiksvoorschrift Elatus Era, 1 december 2017
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 19 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
Werkzame stof: 7,5% benzovindiflupyr (CAS-nummer 1072957-71-1)27 - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Watervolumeschaal: o 200 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 284 dagen - Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,04 mg/kg bw/day - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): niet nodig - Dermale opname actieve stof: 1% concentraat en 2% oplossing / verdunning - Orale opname 60% en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde) - Dampdruk: 3,2 x 10-9 Pa (25˚C) - Molaire massa: 398,2 g/mol Werkzame stof: 15% prothioconazool (CAS-nummer 178928-70-6)42 - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Watervolumeschaal: o 200 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 46 dagen - Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,01 mg/kg bw/day - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): 0,1 mg/kg bw/day - Dermale opname actieve stof: 20% concentraat en 20% oplossing / verdunning - Orale opname en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde) - Dampdruk: < 4 x 10-7 Pa (20oC) - Molaire massa: 344,2 g/mol De maximaal toegelaten dosering bedraagt 1 liter per hectare (middeldosis) in maximaal één behandeling per teeltseizoen. De veiligheidstermijn bedraagt 42 dagen28. Nabij watergangen is toepassing van 90% driftreductie voorgeschreven. 4.2.2.
Laudis Laudis (toelatingsnummer: 13287, expiratiedatum 30-4-2025) is een olie dispersie en wordt als herbicide gebruikt in mais29. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens30: - Werkzame stof: 4,4% tembotrione (CAS-nummer 335104-84-2) 27
EFSA, Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance benzovindiflupyr, EFSA Journal 2015;13(3):4043 28 EFSA, Conclusion regarding the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance prothioconazole, 12 juli 2007 EFSA Journal (2007) 106, 1-9 29 Ctgb, gebruiksvoorschrift Laudis, 8 februari 2018 30 EFSA, Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance tembotrione, EFSA Journal 2013;11(3):3131
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 20 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
-
Neerwaarts spuiten Spuittechniek: DRT 50 Watervolumeschaal 100-400 liter/ha Halfwaardetijd (DT50): 73 dagen Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,007 mg/kg bw/day ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): 0,1 mg/kg bw/day Dermale opname actieve stof: 2% concentraat en 5% oplossing / verdunning Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde) Dampdruk: 1,1x10-8 Pa (20oC) Molmassa: 440,8 g/mol
Voor de maisteelt bedraagt de maximaal toegelaten dosering 2,25 l/ha, naar keuze in 1 of 2 behandelingen per teeltseizoen, met een interval van 7 dagen31. 4.2.3. Kart Kart (toelatingsnummer: 13290, expiratiedatum: 31-12-2025) is een suspo-emulsie wordt als herbicide gebruikt in granen en mais32. Het middel bevat twee werkzame bestanddelen, fluroxypyr-meptyl en florasulam. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens: - Werkzame stof: 14,44% fluroxypyr-meptyl (CAS-nummer 81406-37-3)33 - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Watervolumeschaal afhankelijk van teelt: o 200-400 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 153 dagen - Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,8 mg/kg bw/day - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): niet vereist - Dermale opname actieve stof: 4% concentraat en 22% oplossing / verdunning - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde) - Dampdruk: 2.0 x 10-5 Pa (25˚C) - Molmassa: 255,03 g/mol -
Werkzame stof: 0,1% florasulam (CAS-nummer 145701-23-1)34 Neerwaarts spuiten Spuittechniek: DRT 50 Watervolumeschaal afhankelijk van teelt:
31
Ctgb, gebruiksvoorschrift Laudis, 8 februari 2018 Ctgb, gebruiksvoorschrift Kart, 4 november 2022 33 EFSA, Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance fluroxypyr (evaluated variant fluroxypyr-meptyl), EFSA Journal 2011;9(3):2091 34 EFSA, Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance florasulam, EFSA Journal 2015;13(1):3984 32
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 21 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
-
o 200-400 l/ha Halfwaardetijd (DT50): 24,77 dagen Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,05 mg/kg bw/day35 ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): niet vereist Dermale opname actieve stof: 12% concentraat en 23% oplossing / verdunning42 Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde)42 Dampdruk: 1 x 10-5 Pa (25) Molmassa: 359,3 g/mol
Worst case is uitgegaan van een gebruik bij de teelt van granen in een middeldosis van 1,8 l/ha in 1 behandeling per teeltseizoen. Op mais is een middeldosis van 1,2 l/ha per teeltseizoen toegelaten in maximaal 2 behandelingen met een interval van 14 dagen. Afhankelijk van de betrokken teelt dient 95% respectievelijk 90% driftreductie te worden toegepast op percelen langs watergangen36. 4.2.4. Samson Extra 6% OD Samson Extra 6% OD (toelatingsnummer: 12987, expiratiedatum: 1-3-2024) is een olie dispersie en wordt als herbicide gebruikt in mais37. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens: - Werkzame stof: 6% nicosulfuron (CAS-nummer 111991-09-4)38 - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Watervolumeschaal: o 200 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 271 dagen42 - Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,8 mg/kg bw/day - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): niet vereist - Dermale opname actieve stof: 100% concentraat en 100% oplossing / verdunning (worst case - standaardwaarde) - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 40% respectievelijk 100% (worst case standaardwaarde) - Dampdruk: < 8 x 10-10 Pa (25˚C) - Molmassa: 410,4 g/mol
35
EFSA, Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance flonicamid, 2010; 8(5):1445 36 Ctgb, gebruiksvoorschrift Kart, 4 november 2022 37 Ctgb, gebruiksvoorschrift Samson Extra 6% OD, 2 april 2021 38 EFSA, Conclusion regarding the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance nicosulfuron, 29 januari 2008, j.efsa.2008.120r
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 22 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
Voor de teelt van bovengenoemde akkerbouwgewassen bedraagt de maximaal toegelaten dosering 0,67 l/ha in 1 behandeling per teeltseizoen39. Voor dit middel wordt geen specifiek wettelijk gebruiksvoorschrift gegeven buiten de maximaal toelaatbare concentraties. Worst case is in onderhavig onderzoek uitgegaan van behandeling 0,16 kg/ha. 4.2.5. Teppeki TEPPEKI (toelatingsnummer: 12757, expiratiedatum: 1-5-2024) is een in water dispergeerbaar granulaat en wordt als insecticide gebruikt voor de bestrijding van bladluizen voor een breed scala aan gewassen, waaronder voederbieten (c.q. suikerbiet), zetmeelaardappels en sluitkool40.
Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens: - Werkzame stof: 50% flonicamid (CAS-nummer 158062-67-0) - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Watervolumeschaal afhankelijk van teelt41: o 200-400 l/ha (zetmeelaardappels) o 200-500 l/ha (suikerbiet) o 200-800 l/ha (sluitkool) - Halfwaardetijd (DT50): 1,8 dagen42 - Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,025 mg/kg bw/day42 - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): 0,025 mg/kg bw/day42 - Dermale opname actieve stof: 7,46% concentraat en 13% oplossing / verdunning42 - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde)42 - Dampdruk: 9,43 x 10-7 Pa (20°C) en 2,55 x 10-6 Pa (25˚C)42 Voor de teelt van bovengenoemde akkerbouwgewassen bedraagt de maximaal toegelaten dosering 0,14 kg/ha (ofwel 0,07 kg/ha flonicamid) in 2 behandelingen met een interval van 14 dagen (sluitkool) dan wel 0,16 kg/ha (ofwel 0,08 kg/ha flonicamid) in 2 behandelingen met een interval van 21 dagen (zetmeelaardappels) per 12 maanden43. Voor dit middel wordt geen specifiek wettelijk gebruiksvoorschrift gegeven buiten de maximaal toelaatbare concentraties. Worst case is in onderhavig onderzoek uitgegaan van behandeling tot 0,16 kg/ha. 4.2.6.
Karate Zeon Karate Zeon (100 g/l lambda-cyhalothrin) is een insectenbestrijdingsmiddel (kevers, bladluis, trips, etc.) voor gebruik in veel akkerbouwteelten en groenteteelten, maar ook sierteelten44.
39
Ctgb, gebruiksvoorschrift Samson Extra 6% OD, 2 april 2021 Ctgb, gebruiksvoorschrift TEPPEKI, 2 augustus 2019 41 https://toelatingen.ctgb.nl/nl/authorisations/9201 42 EFSA, Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance flonicamid, 2010; 8(5):1445 43 Ctgb, gebruiksvoorschrift Teppeki 12757 N, W.13 8 april 2022 44 Ctgb, Gebruiksvoorschrift Karate Zeon, 30 augustus 2019 40
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 23 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens: - Werkzame stof: lambda-cyhalothrin - Neerwaarts spuiten, machinaal - Spuittechniek: DRT 50 - Watervolumeschaal: 200 tot 800 l/ha44 - Halfwaardetijd (DT50): 163 dagen45 - Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,00063 mg/kg bw/day45 - Dermale opname actieve stof: 25% concentraat en verdunning25 - Orale opname actieve stof: 50-64%45 - Inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case – standaardwaarde) - Dampdruk: 2 x 10-7 Pa (20 °C)45 - Molmassa: 449.85 g/mol De maximaal toegelaten dosering alsmede de hoeveelheid behandelingen per jaar bedraagt 0,05 l/ha per middeldosis met 2 behandelingen per 12 maanden en een tussenliggend interval van 7 dagen 44. 4.2.7. Gazelle Gazelle (20% acetamiprid) is insecticide voor de bestrijding van bladluis in verschillende soorten teelten, waaronder aardappelen en bloemisterijgewassen46.
Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens: - Werkzame stof: acetamiprid - Neerwaarts spuiten, machinaal - Spuittechniek: DRT 50 - Watervolumeschaal: 250 (worst-case) tot 925 l/ha46 - Halfwaardetijd (DT50): 663 dagen47 - Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,025 mg/kg bw/day48 - Dermale opname actieve stof: 15,9% concentraat en 33,7 verdunning49 - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case – standaardwaarde) - Dampdruk: < 1 x 10-6 Pa (verwacht bij 25 °C)49 De maximaal toegelaten dosering alsmede de hoeveelheid behandelingen per jaar bedraagt 0,23 kg/ha per middeldosis met 3 behandelingen per 12 maanden en een tussenliggend interval van 30 dagen46. 45
European Food Safety Authority (EFSA). (2014). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance lambda-cyhalothrin. EFSA Journal 2014; 12(5):3677, 170 pp. doi:10.2903/j.efsa.2014.3677 46 Ctgb, Gebruiksvoorschrift Gazelle, 31 maart 2020 47 Betreft de hoogste halfwaardetijd van een van de metabolieten van acetamiprid, IM-1-5. Zie volgende voetnoot voor bronvermelding. 48 European Food Safety Authority (EFSA). (2016). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance acetamiprid. EFSA Journal 2016; 14(11):4610, 26 pp. doi:10.2903/j.efsa.2016.4610 49 European Commission, 2004. Review report for the active substance acetamiprid. Finalised in the Standing Committee on the Food Chain and Animal Health at its meeting on 29 June 2004 in view of the inclusion of acetamiprid in Annex I of Council Directive 91/414/EEC. SANCO/1392/2001 -Final, 16 June 2004, 34 pp.
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 24 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
4.2.8. Decis Voor het spuiten van Decis (deltamethrin 25 g/l)50 geldt een wettelijk gebruiksvoorschrift dat gebruik toelaat als insectenbestrijdingsmiddel in veel akkerbouwteelten en groenteteelten. De werkzame stof van Decis is deltamethrin. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens: - Werkzame stof: deltamethrin - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Watervolumeschaal: 200 tot 400 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 231 dagen51 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,03 mg/kg bw/day27. - Dermale opname actieve stof: 2% concentraat en 12% verdunning27 - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde) - Dampdruk: 1,1 x 10-6 Pa (20 °C)9 De maximaal toegelaten dosering (uitgaande van aardappelteelt) alsmede de hoeveelheid behandelingen per jaar bedraagt 0,9 l/ha per middeldosis met 3 behandelingen per 12 maanden en een tussenliggend interval van 14 dagen26. 4.2.9. Amistar / Mirador Amistar52 of Mirador53 (werkzame stof bij beide middelen 25% azoxystrobin) is een suspensie concentraat en wordt uitsluitend voor het professionele gebruik toegestaan als schimmelbestrijdingsmiddel bij diverse teelten, waaronder aardappelen, sla, koolgewassen, uien, en prei.
Voor de invoer in het EFSA-model is gebruik gemaakt van de volgende gegevens: - Werkzame stof: 250 g/l azoxystrobin - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Watervolumeschaal: 150 tot 400 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 360 dagen54 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,2 mg/kg bw/day54 - Dermale opname actieve stof: 0,3% voor concentraat en 0,5% voor verdunning54 - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde)54 50
Ctgb, gebruiksvoorschrift Decis, N 7774 N, 6 augustus 2021 European Food Safety Authority, Renewal Assessment Report prepared according to the Commission Regulation (EU) N° 1107/2009, 8 december 2017 52 Ctgb, gebruiksvoorschrift Amistar, 5 maart 2021 53 Ctgb, gebruiksvoorschrift Mirador, 5 maart 2021 54 European Food Safety Authority; Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance azoxystrobin. EFSA Journal 2010; 8(4):15421542. [110 pp.]. doi:10.2903/j.efsa.2010.1542 51
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 25 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
-
Dampdruk: 1,1 x 10-10 Pa (20 °C)54
De maximaal toegelaten dosering alsmede de hoeveelheid behandelingen per jaar bedraagt 1,5 l/ha per middeldosis met 3 behandelingen per 12 maanden en een tussenliggend interval van 7 dagen 28, 29 (uitgaande van aardappelteelt). Dit is een worst-case uitgangspunt, omdat hierbij gewasbehandeling (t.o.v. rijenbehandeling) wordt toegepast. Rijenbehandeling veroorzaakt 0% drift55. 4.2.10. Revus Revus (250 g/l mandipropamid) is een suspensie concentraat en uitsluitend als professionele gebruik toegestaan als schimmelbestrijdingsmiddel van de aardappelziekte (Phytophthora infestans). Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens: - Werkzame stof: 250 g/l mandipropamid - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Watervolumeschaal: 150-400 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 29,2 dagen (maximum)56 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,17 mg/kg bw/day56 - Dermale opname actieve stof: 0,2% concentraat en 0,6% verdunning56 - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case – standaardwaarde, hoewel 70% voor orale absorptie geldt)56 - Dampdruk: 9,4x10-7 Pa (20-25˚C)56 Voor de teelt van aardappelen bedraagt de maximaal toegelaten dosering 0,6 l/ha met 6 behandelingen per teeltcyclus en een tussenliggende interval van 7 dagen57. 4.2.11.
Alternet Alternet (250 g/l difenoconazool) is een emulgeerbaar concentraat uitsluitend als professionele gebruik toegestaan als schimmelbestrijdingsmiddel (fungicide) van de bladvlekkenziekte (Alternaria spp.) bij aardappelen. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens: - Werkzame stof: 250 g/l ofwel 25% difenoconazool (CAS-nummer: 119446-68-3) - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Watervolumeschaal: 200 tot 350 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 235 dagen (maximum)58
55
Milieubelastingskaart Aardappel 2016. Onkruid en Insectenbestrijding. CLM, 2016. European Food Safety Authority (EFSA). (2012). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance mandipropamid. EFSA Journal, 10(11):2935. 57 Ctgb, gebruiksvoorschrift Revus 12969 N, 21 februari 2020 58 European Food Safety Authority (EFSA). (2011). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance difenoconazole. EFSA Journal, 9(1):1967. 56
Adromi B.V.
wil/R202290/2301c
Pagina 26 van 39
Spuitzone onderzoek Heilig Kempke Lith
-
‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,16 mg/kg bw/day58 Dermale opname actieve stof: 2% concentraat en 4% verdunning58 Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case)58 Dampdruk: 3,32x10-8 Pa (25˚C)58
Voor de teelt van aardappelen bedraagt de maximaal toegelaten dosering 0,5 l/ha (werkzame stof 0,125 l/ha) met 4 behandelingen per teeltcyclus en een tussenliggende interval van 7 dagen59. 4.2.12. Maister MaisTer (toelatingsnummer: 12544, expiratiedatum: 1-8-2023) is een in water dispergeerbaar granulaat en wordt als herbicide, c.q. onkruidbestrijding in mais, toegepast. Het middel wordt ingezet met een veresterende plantaardige olie (Actirob B, zie voor vergelijkbare middelen paragraaf 4.2.13), dat de werkzaamheid verbetert (hechting op plant, tegengaan van afregenen). Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model is op middelniveau uitgegaan van de volgende gegevens: - Werkzame stoffen: 10,0 g/kg ofwel 1% iodosulfuron-methyl-natrium (ook wel joodsulfuronmethylnatrium, CAS-nummer 144550-36-7) en 300,0 g/kg ofwel 30% foramsulfuron (CAS-nummer 173159-57-4) - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Bladsituatie: niet relevant - Watervolumeschaal: 200–400 l/ha60 Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model is voor de werkzame stof iodosulfuron-methylnatrium uitgegaan van de volgende gegevens: - Halfwaardetijd (DT50): 23,1 dagen61 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,05 mg/kg bw/day61 - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): 3,15 mg/kg