PvE De Lievekamp_vastgesteld (1).pdf
Tekst van het document
Vloerbelastingen
Vloerbelastingen conform NEN-EN 1991 deel 1-1. De vloerbelasting van de tonelen van de Grote en Midden zaal en opstelplaats van de oven in de keramiek lesruimte moeten voldoen aan 7,5 kN/m2 met een puntlast van 10 kN. 5.4
Specifieke / nadere eisen t.b.v. de ruimteafmetingen
De minimale breedtemaat van een ruimte is in beginsel 3,6 m (geldt niet voor bijvoorbeeld werkkasten). De minimale hoogtemaat is 2,6 m. De minimale functioneel bepaalde netto ruimtehoogte, dat wil zeggen van bovenkant afgewerkte vloer tot onderkant plafond resp. installaties (indien er geen plafond is), in algemene zin bedraagt ter aanvulling op het Bouwbesluit: - theatertechnische licht- en loopbruggen
2,3 m
- vrachtwagengarage(s)/laad- en loszone
4,25 m
- les- en vergaderruimten
3m
- danszaal
4m
- entreehal / foyer / theatercafé
4m
- kantoren
2,6 m
- keuken
3m
- sanitaire ruimten
2,6 m
- werkplaatsen
4m
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
51 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss
- kleedkamers en artiestenfoyer
2,6 m
- verkeersruimten
2,4 m
Voor de exacte hoogte per ruimte wordt verwezen naar de ruimtestaat. In ruimten waar een t.o.v. de constructievloer verlaagd plafond wordt toegepast, is de minimale plafondspouwhoogte 60 cm, tenzij geen luchtkanalen in de spouw behoeven te worden ondergebracht. 5.5
Gevel
De buitengevels moeten tot een hoogte van 2,5 m worden beschermd tegen beschadigingen en graffiti. De gevels dienen zo min mogelijk gesloten te zijn, visueel contact tussen binnen- en buitengebied is van essentieel belang. In kantoor- en vergaderruimtes dient ten minste één geveldeel geopend te kunnen worden. Dit geveldeel ligt ter hoogte van minimaal 1,80 meter boven de afgewerkte vloer. 5.6
Afbouw
5.6.1
Binnenwanden
De binnenwanden dienen in algemene zin te voldoen aan de geldende brandwerendheidseisen en bieden voldoende bescherming tegen zijdelingse druk. De wanden tussen geluidarme en geluidrijke ruimtes moeten dusdanig zijn uitgevoerd dat contactgeluid, overspraak en omloopgeluiden voorkomen worden. Kritische aangrenzende ruimten zoals vergader- of lesruimtes dienen ter plaatse van de vloerovergangen gedilateerd uitgevoerd te worden. De wanden in de verkeersruimtes dienen voorzien te zijn van voldoende bescherming door middel van een strook hout op de wand of metalen geleiders op de vloer om beschadigingen ten gevolge van transport tegen te gaan. Zie hoofdstuk 9 voor de akoestische eigenschappen. 5.6.2
Wandopeningen
Buitenwandopeningen De afmetingen van de buitenwandopeningen zijn voldoende breed voor de functionele bestemming ervan. Daarbij dient goed rekening te worden gehouden met mindervalide bezoekers. Niet alleen de wandopening dient zonder obstakels te zijn maar ook de directe weg naar de opening mag geen obstakels hebben zodat mindervalide bezoekers in een rolstoel in één lijn naar binnen kunnen. De openingen moeten voldoende afgesloten (naad- en kierdichting) zijn tegen het binnendringen van vocht en vuil, waarbij water van afgesloten geveldelen niet langs glas en kozijnen mag lopen. Daarnaast moeten ze voldoende isolerende bescherming bieden tegen temperatuurverschillen en geluid. Ramen dienen te worden voorzien van een sleutelafsluitbare uitzet- en vastzetinrichting, buitendeuren dienen zelfsluitend te zijn en afsluitbaar via een elektronisch sluitsysteem of cilinderslot. Buitenwandopeningen in vluchtwegen dienen te worden uitgevoerd met een paniekbar (EN 1125). Binnenwandopeningen De afmetingen van de binnendeuren moeten voldoende breed zijn opdat er geen belemmeringen zijn voor decorstukken, grote instrumenten, rolstoelen en horecatrolleys. Niet alleen de wandopening dient zonder obstakels te zijn maar ook de directe weg naar de opening mag geen obstakels hebben zodat mindervalide bezoekers in een rolstoel in één lijn naar binnen kunnen.
De minimale dagmaat dient 900 mm te bedragen. Nabij de podiumperiferie zonodig uit te voeren als dubbelvleugelige deur inclusief kleefmagneet installatie zodat ook mensen met een rollator en rolstoelgebruikers zonder hulp de ruimte kunnen bereiken. Bij de kantoor- en lesruimtes zijn naast deuren zijlichten gewenst.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
52 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss 5.6.3
Vloerafwerking
Vloerafwerking bestaat uit een dekvloer en topvloer (vloerbedekking). In het hele gebouw, maar tenminste in de (theater)zalen, backstageruimten en alle openbare publieksgebieden mogen geen drempels aanwezig zijn, zodat ongehinderd transport kan plaatsvinden. Kleine niveauverschillen tot 150 mm dienen te worden overbrugd met een hellingbaan, uitgangspunt is een drempelloos gebouw. Vloeren dienen voldoende weerstand te bieden tegen mechanische belasting en minimaal te zijn uitgevoerd in de kwaliteit Cw16 of Cw20. Betonvloeren dienen te worden gevlinderd. De sanitaire ruimten en horecaruimten dienen waterdicht te worden uitgevoerd. -
Toneelvloeren en danszaal: verend opgelegde houten parketvloer (keroewing), geolied. Ter plaatse van rijdende tribunedelen, doorgangen, kabelgoten en wanden niet verend opgelegd.
-
Zaalvloeren: harde vloerafwerkingen; marmoleum of houten parketvloer.
-
Verkeersruimte: harde vloerafwerkingen; marmoleum of houten parketvloer.
-
Kantoorruimte: harde vloerafwerkingen (Lievekamp) en vloerbedekking (Muzelinck)
-
Trappen en trappenhuizen gevlinderd beton, of persroosters.
-
Publiekstrappen en trappenhuizen: harde vloerafwerkingen; marmoleum of houten parketvloer.
-
Muziek leslokalen: vloerbedekking met inachtneming van akoestiek
-
Groep/grote leslokalen; harde vloerafwerkingen; marmoleum
-
Technische ruimten: gevlinderd beton.
-
Regieruimte en opnameruimte: verhoogde computervloer met harde vloerafwerkingen.
5.6.4
Plafondafwerking
De plafondafwerking –daar waar toegepast- moet zodanig zijn dat aan de akoestische eisen van geluidabsorptie en overdrachtsgeluidisolatie wordt voldaan. Daarnaast dienen de installaties aangebracht boven de plafondafwerking goed bereikbaar te zijn. In sanitaire of vochtige ruimten dient een vochtbestendige plafondvariant te worden toegepast. -
Tonelen: houtwolcementelementen op glas- of steenwolpakket, n.t.b. akoestische voorzieningen aan de hand van de akoestische eisen.
-
Zaalplafond: n.t.b. aan de hand van de akoestische eisen.
-
Verkeersruimte en kantoren: systeemplafond akoestische tegels of gipskartonplaat.
-
Trappen en trappenhuizen: houtwolcementplaten.
-
Publiekstrappen en trappenhuizen: systeemplafond akoestische tegels of gipskartonplaat.
-
Leslokalen: systeemplafond akoestische tegels of gipskartonplaat
-
Technische ruimten: stucwerk/spuitwerk.
-
Regieruimte: systeemplafond akoestische tegels of gipskartonplaat.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
53 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss 6
BOUWFYSICA EN BRANDVEILIGHEID
De bouwfysische aspecten hebben betrekking op: 1. Omgeving: windhinder, zonreflectie, lichtuitstraling 2. Binnenmilieu: koudebruggen, ventilatie, luchtvochtigheid, thermisch comfort, uitzicht, daglichttoetreding, kunstlicht, lichtwering 3. Energiezuinigheid: thermische isolatie, luchtdichtheid en energiebesparing. Na realisatie van het Kunst- en Cultuurcluster dient minimaal te worden voldaan aan de in het Bouwbesluit vermelde eisen, alsmede aan de nadere bouwfysische eisen die zijn opgenomen in dit hoofdstuk. 6.1
Omgeving
6.1.1
Windhinder
Ter plaatse van het nieuw te realiseren Kunst- en Cultuurcluster dient windhinder te worden voorkomen. NEN 8100:2006 nldient bij de beoordeling van windhinder of het nemen van maatregelen als uitgangspunt te worden genomen. Uitgangspunt is minimaal de kwaliteitsklasse: 'goed'. 6.1.2
Zonreflectie
Materiaalkeuzen in de buitenschil mogen niet leiden tot hinderlijke zonreflecties naar de omgeving. Indien er redenen bestaan tot het vermoeden van hinderlijke zonreflecties dient een bezonningsonderzoek te worden verricht. Nieuwe beglazing heeft aan de buitenzijde een lichtreflectiefactor (LRbu) van ten hoogste 0,15. 6.1.3
Bezonning/beschaduwing omliggende woningen
Voor de bezonning dan wel beschaduwing van woonfuncties zijn geen wettelijke eisen gesteld. In de waarderingsrichtlijn, die is afgeleid uit het rapport Woningwaardering, zoals opgesteld door TNO (1962) en de Haagse bezonningsrichtlijn, zijn richtlijnen opgenomen ten aanzien van de bezonningsduur. Bij de beoordeling van de bezonning van woningen dient de waarderingsrichtlijn als uitgangspunt te worden gehanteerd. In de richtlijn worden eisen gesteld aan de bezonningsduur van woningen. Het betreffende criterium van de waarderingsrichtlijn is als volgt: "TNO-richtlijn": de mogelijke bezonningsduur voor het hoofdwoonvertrek (woonkamer) in de periode tussen 19 februari en 23 oktober (zelfde zonnestand) dient minimaal twee uur (120 minuten) te bedragen. Als aanvulling op deze richtlijn wordt gesteld dat de zonshoogte tenminste 10 graden moet zijn, anders mogen de uren niet als bezonningsduur worden geteld. Dit omdat bij een lage zonnestand (zonnehoek < 10 graden) de omliggende bebouwing en begroeiing al voor beschaduwing zal zorgen. De mogelijke bezonningsduur is de tijd dat de desbetreffende gevel wordt beschenen door de zon op een onbewolkte dag. De mogelijke bezonningsduur is afhankelijk van de oriëntatie en de datum.
Indien de ligging van de hoofdwoonvertrekken niet bekend is, dient ervan te worden uitgegaan dat de hoofdwoonvertrekken eenzijdig georiënteerd zijn (de meest nadelige situatie). Indien het hoofdwoonvertrek tweezijdig is georiënteerd (bijvoorbeeld 'doorzonwoning' of hoekwoning), kan er meer zon op het hoofdwoonvertrek vallen en wordt eerder aan de bovenstaande criteria voldaan.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
54 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss 6.1.4
Lichtuitstraling
Indien verlichting / aanlichting / lichtelementen op de buitenzijde van het gebouw en/of aankleding met opvallend beeldmateriaal wordt toegepast, dient een balans gevonden te worden tussen de lichtuitstraling die daarmee gepaard gaat en de consequenties daarvan voor de directe omgeving. 6.2
Binnenmilieu
6.2.1
Koudebruggen
Bij de detaillering van de gebouwschil dienen koudebruggen te worden vermeden. Onvermijdbare, minder goed geïsoleerde constructie-onderdelen dienen te worden getoetst op hygrische en thermische aspecten. Daarbij dient de zogenaamde temperatuurfactor (f) conform het Bouwbesluit te worden aangetoond (conform NEN 2778:2015 nl). 6.2.2
Ventilatie
Een goed ventilatiesysteem zorgt voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen. Door de aanscherping van de energieprestatie-eisen, wordt het steeds ingewikkelder om deze balans te waarborgen. Hierdoor worden ventilatiesystemen complexer. Het actuele Bouwbesluit geeft een aantal basiseisen aan zaken als spuivoorzieningendebiet, comfort, kwaliteit van de ventilatielucht en richting van de stroming voor bijeenkomstgebouwen. Vanwege de coronapandemie zijn de ventilatievoorzieningen onder een vergrootglas komen te liggen, ventilatie is meer dan ooit een aandachtspunt binnen het ontwerp. Er dient dan ook niet slechts uitgegaan te worden van de minimale vereisten, er dient gekeken te worden of en in welke mate deze ventilatievoud verbeterd kan worden. Hierbij wordt specifiek verwezen naar de door het RIVM opgestelde LCI-richtlijn Covid-19, zie Ventilatie en COVID-19 | LCI richtlijnen (rivm.nl) Voor de ventilatie van verblijfsruimten geldt: -
de minimum hoeveelheid te verversen lucht moet afhankelijk van de functie voldoen aan het Bouwbesluit;
-
de te verversen lucht moet tochtvrij in de ruimte gebracht worden;
-
de luchtverversing moet zodanig geschieden dat een goede doorstroming van de ruimte gewaarborgd is;
-
de ventilatie in de Grote en Middenzaal te voorzien middels plenuminblaas;
-
de ventilatie in de Vestzakzaal te voorzien vanaf onderzijde telescooptribune en/of via geperforeerde zijwanden (vanwege activiteiten zonder tribune zoals staconcerten).
Berekeningen van de ventilatiehoeveelheid moeten worden gebaseerd op de capaciteit van de ventilatievoorzieningen, gemeten conform de NEN 1087 volgens opgave van de fabrikant, en/of een berekening op basis van het gerealiseerde ventilatievoud door de mechanische installatie. De ruimtes die niet op het luchtbehandelingssysteem zijn aangesloten dienen voorzien te zijn van mechanische ventilatie. De sanitaire ruimtes, werkkasten en technische ruimtes zijn hiervan voorbeelden. Kantoren / (theater)zalen / danszaal / lesruimtes Om hinder door tocht te voorkomen bedraagt de maximale Draught Rate (DR) op basis van NEN–ISO 7730, in de verblijfszone van verblijfsruimtes niet meer dan 20% (klasse B). Deze eis geldt niet bij geopende ramen. Onder de verblijfszone wordt verstaan de ruimte van 0,1 m tot 1,8 m boven het vloeroppervlak, 0,3 m vanaf de binnenwanden en 0,5 m vanaf de binnenzijde van de gevel.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
55 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss 6.2.3
Luchtvochtigheid
De relatieve luchtvochtigheid moet tussen 30% en 70% zijn. 6.2.4
Thermisch comfort
Het samenspel van gebouw, gebouwinstallaties, regelingen en het te verwachten gebruik van het gebouw moet tijdens de gebruiksuren in de verblijfsruimtes een temperatuur bepaald conform NENISO 7730 klasse B bewerkstelligen, tenzij anders vermeld voor een specifieke ruimte. In geval van tegenstrijdigheden tussen deze norm en PvE is de strengste eis van toepassing. In verblijfsruimtes mag tijdens gebruiksuren het percentage ontevreden mensen (PPD) maximaal 10% bedragen. Daarvoor dient de PMV-waarde tussen -0,5 en + 0,5 te liggen. Een en ander is verdisconteerd in het seizoensafhankelijke aantal toelaatbare gewogen temperatuur overschrijdingsuren (GTO-uren) voor beide comfortgrenzen: -
voor verblijfsruimtes met een kantoorfunctie is gedurende de zomerperiode een PMV groter dan +5 toegestaan tot een maximum van 150 GTO uren
-
voor verblijfsruimtes met een kantoorfunctie is gedurende de winterperiode een PMV kleiner dan -5 toegestaan tot een maximum van 150 GTO uren.
Ter bepaling van het thermisch comfort zijn temperatuur overschrijdingsberekeningen op basis van de NEN-ISO 7730, ISSO publicatie 5 en 32 noodzakelijk. De verticale temperatuurgradiënt mag niet meer bedragen dan 3°C/m. De genoemde eisen zijn van toepassing op de verblijfszone. Onder de verblijfszone wordt verstaan de ruimte van 0,1 m tot 1,8 m boven het vloeroppervlak, 0,3 m vanaf de binnenwanden en 0,5 m vanaf de binnenzijde van de gevel. Tussen een verblijfsruimte en een, via een deur toegankelijke, andere verblijfsruimte of verkeersgebied (foyer) moet een temperatuurverschil van meer dan 3°C worden voorkomen. Ter voorkoming van stralingsasymmetrie en koudeval bij ramen wordt in gevels HR+++ beglazing toegepast. Gevelbeglazing met een glasoppervlak < 1 m2 mag worden uitgevoerd in HR++ beglazing. De thermische kwaliteit van de toegepaste beglazing dient te worden afgestemd op het voldoen aan de BENG-norm, waarbij tevens de akoestische randvoorwaarden worden behaald. Verblijfsruimtes (kantoren, kleedkamers etc.) worden voorzien van te openen delen met minimaal 0,5 m2. De oppervlaktetemperatuur van de vloer moet zijn: -
tijdens gebruiksuren tussen 19 en 26 oC;
-
bij vloerverwarmingssystemen en in zones waar men weinig verblijft, zijn oppervlaktetemperaturen van 29 oC toelaatbaar;
-
gedurende maximaal 50 uur per winterperiode mag de oppervlaktetemperatuur beneden de 19 oC liggen, waarbij de temperatuur van 19 oC uiterlijk 3 uur na aanvang van de gebruikstijd moet worden bereikt.
Gebruiksperiode: -
het gehele jaar
-
7 dagen per week van 8:00 tot 1:00 uur.
(theater)zalen, danszaal en lesruimten popmuziek
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
56 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss Aanvullend op voorgaande algemeen van toepassing zijnde eisen geldt voor bovenstaande ruimtes het volgende. Buitencondities winter: -
Luchttemperatuur
-7 oC
-
Windsnelheid
8 m/sec.
-
relatieve vochtigheid
92%
Buitencondities zomer: -
luchttemperatuur
+28 oC
-
relatieve vochtigheid
50%
De volgende resulterende temperaturen op 1,5 m hoogte in de verblijfszone van de diverse ruimtes moeten in de winter makkelijk en gelijktijdig kunnen worden bereikt en onderhouden bij de aangegeven buitentemperatuur en windsnelheid: -
(theater)zalen (incl. tonelen en cabines) 20 oC
-
danszaal 21 oC
-
lesruimten popmuziek 20 oC
-
lesruimten klassieke muziek 20 oC
-
lesruimten overig 20 oC
Tevens is het volgende van toepassing: -
tijdens voorstellingen en repetities mag de temperatuur niet hoger worden dan 24 ºC bij volledige publieksbezetting en normaal gebruik van de (theatertechnische) installaties
-
op lichtbruggen e.d. mag de temperatuur niet hoger worden dan 28 oC
-
er mag geen koudeval in de zaal kunnen optreden
-
over- en onderdruk verschillen tussen zaal en toneel dienen vermeden te worden
-
de temperatuur van de lierenkamers/computer- en versterkerruimten mag niet hoger worden dan 28 oC.
Indien noodzakelijk dient het voldoen aan deze eisen te worden aangetoond door middel van een dynamisch simulatieprogramma. Het bovenstaande geldt ten aanzien van de (theater)zalen met inachtneming van de volgende gebruiksperioden: -
het gehele jaar
-
7 dagen per week van 10.00 tot 1.00 uur
-
voorstellingsduur: 2 x 1 à 2 uur met daartussen een 20 minuten pauze.
Voor de overige ruimtes is de standaard benoemde gebruiksperiode van toepassing. 6.2.5
Uitzicht
De interactie tussen het binnen- en buitengebied is voor het Kunst- en Cultuurcluster van essentieel belang. Het uitzicht vanuit de publieks-, personeels- én backstageruimten dient dan ook in grote
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
57 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss mate gericht te zijn op het openbaar gebied. Daarbij dient niet enkel het uitzicht vanuit binnen naar buiten als uitgangpunt te worden genomen, het zicht van buiten naar binnen is van even groot belang. Daarbij wordt opgemerkt dat direct zicht van buitengebied naar binnen niet bij alle functies gewenst is, zoals o.a. bij de danszaal, lesruimten, kleedkamers en artiestenfoyer. 6.2.6
Daglichttoetreding
De daglichttoetreding van verblijfsruimtes dient naast de eisen conform Bouwbesluit, ook te voldoen aan artikel 6.4 van het ARBO-besluit. Dit geldt voor ruimtes waar mensen langer dan 2 uur verblijven. Uitzondering kan worden gemaakt voor ruimtes waar uit functioneel oogpunt geen daglicht is gewenst, zoals bijvoorbeeld de zalen en toneelgebieden waarbij de daglichttoetreding volledig verduisterbaar moet zijn. De daglichtfactor op permanente werkplekken dient groter of gelijk te zijn aan 1% (werkplek op 800 mm hoogte). 6.2.7
Lichtwering
Het daglicht en de zonnestraling die in een gebouw toetreden mogen voor gebruikers of bezoekers geen hinder veroorzaken door bijvoorbeeld te grote helderheidsverschillen, verblinding, reflecties of directe zonnestraling. Daar waar dit wel kan optreden dient een lichtwering te worden voorzien. 6.3
Energiezuinigheid
De eisen aan de energieprestatie van het Kunst- en Cultuurcluster is hoog, het doel is het duurzaamste cultuurcluster van Nederland te worden. Het gebouw dient geheel te voldoen de eisen Energie Neutrale Gebouwen (ENG). Hierbij wordt specifiek verwezen naar paragraaf 7.2 “Duurzaam bouwen” waar een groot aantal handvatten worden gegeven. 6.3.1
Thermische isolatie
Goede isolatie van een gebouw zorgt voor meer comfort en lagere energiekosten. Het Bouwbesluit stelt eisen aan de thermische isolatie van een gebouw. Voor gevels, daken en vloeren worden verschillende thermische isolatie-eisen (Rc) gesteld. Voor nieuwbouw van dichte delen in de buitenschil van verblijfsruimtes wordt een minimale warmteweerstand gerealiseerd volgens het Bouwbesluit, of indien van toepassing, strengere van toepassing zijnde (nieuwe) wet- en regelgeving. Voor de U-waarde van de kozijnen respectievelijk de beglazing geldt: –
kozijnen: ≤ 1,65 W/mK.
–
beglazing: ≤ 1,1 W/mK.
6.3.2
Lucht- en waterdichtheid
Het doel van luchtdicht bouwen is om de openingen in de 'schil' van het gebouw zoveel mogelijk te beperken door middel van kierdicht te bouwen. In het Bouwbesluit wordt gesproken over luchtdichtheid in de vorm van een vangneteis. Dat wil zeggen dat ongeacht de uitkomst van de BENG-berekening, waarbij ook de luchtdoorlatendheid een rol speelt, de luchtdoorlatendheid niet groter mag zijn dan de in het Bouwbesluit aangegeven waarde. De VMRG-Kwaliteitseisen en Adviezen vormen de basis voor het VMRG-Keurmerk. Het omvat een bundel kwaliteitseisen en afspraken waaraan een productieketen zich moet houden. Bij keuze van de uitvoeringsvorm van gevels, gevelelementen of andere relevante gevelonderdelen dient deze te voldoen aan het VMGR keurmerk.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
58 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss De luchtdoorlatendheid van de nieuw te realiseren gevels van verblijfsruimten moet voldoen aan tabel 2a van de VMRG branchegids "VMRG-Kwaliteitseisen en Adviezen 2015". De waterdichtheid van de nieuw te realiseren gevels van verblijfsruimtes moet voldoen aan paragraaf 2.3 van de VMRG branchegids "VMRG-Kwaliteitseisen en Adviezen 2015". 6.4
Brandveiligheidseisen
De brandveiligheidsvoorzieningen moeten voldoen aan het Bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening en dienen in overleg met de brandweer van de gemeente te worden bepaald. De architect dient het bevoegd gezag in iedere fase van het ontwerp te betrekken. De brandmeldinstallatie dient aangepast te zijn aan de functie van het gebouw. Zo dient in overleg met de instellingen een logische zonering te worden vastgesteld, hierbij bijvoorbeeld te denken aan: Grote zaal/Middenzaal/Vestzakzaal/foyer/lesruimtes/kantoren. Het toneelhuis en zaal moeten een mogelijkheid hebben om rook op een snelle manier kwijt te raken, dit bijvoorbeeld door een mogelijkheid tot het schakelen naar een hoogtoerenafzuiging en/of op afstand te openen dakluiken. Binnen het ontwerp dient daarnaast rekening gehouden te worden met niet vandalismegevoelige installaties, in het bijzonder in de publieksdelen waar ook veel jongeren aanwezig zullen zijn. De uitgangspunten voor het overbruggen en/of vertragen van een meldergroep moet met het bevoegd gezag besproken worden, dit om bijvoorbeeld het gebruik van rookmachines en/of pyrotechniek op de tonelen te kunnen ondervangen. De architect moet zijn ontwerp voorleggen aan een brandveiligheidsgespecialiseerd bedrijf, welk bedrijf een capaciteitsberekening voor het ontvluchten van het pand moet uitvoeren.
De bevindingen uit de rapportage dienen gezamenlijk met het ontwerp aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd. Het gebouw dient te voldoen aan brandbeveiliging en -preventie. De belangrijkste brandveiligheidseisen komen samengevat op het volgende neer: •
brandcompartimentering: brandwerendheid scheiding tussen compartimenten volgens regelgeving
•
brandveiligheidsklasse van toe te passen materialen en bekleding van de (hoofd)draagconstructie volgens de regelgeving
•
brandmeldinstallatie verbonden met de brandweer
•
ontruimingsinstallatie met gesproken woord, voorzien van zone-indeling en (semi-) automatische ontruimingsprocedure
•
brandventilatie volgens NEN 6093:2022 nl
•
noodverlichting
•
vluchtwegaanduiding
•
ter plaatse van de nooduitgangen buiten het gebouw ruimte vrijhouden voor vluchten
•
brandweerliften en trappen
•
blusmiddelen (repressieve voorzieningen).
•
multicriteriamelders (smart melders) toegepast in de drie zalen en aangrenzende ruimten
•
de voor- en achterzijde moeten bereikbaar zijn voor de hulpdiensten.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
59 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss Het gebouw dient zodanig te zijn ontworpen dat het binnen 15 minuten geheel kan zijn ontruimd. Gang- en trapbreedten dienen hierop te zijn afgestemd. Vluchttrappen dienen bij voorkeur uit te komen in de nabijheid van de gebouwuitgangen. Het gebouw moet bestaan uit brandcompartimenten van maximaal 1.000 m2 vloeroppervlak. Het is gewenst om de gebruiker te laten meedenken over de indeling in brandcompartimenten, vluchtroutes en de draairichtingen van (vlucht)deuren. De regiecabines van de zalen zijn onderdeel van het zaalcompartiment. Uitgangspunt is dat de grote- en midden- zaal een eigen brandcompartiment zijn. Er dienen voldoende noodverlichting en vluchtwegaanduidingen te worden gerealiseerd. De noodstroomverlichting is aangesloten op een noodstroomvoorziening (centraal en/of decentraal), die binnen 15 seconden na het uitvallen van de elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een verlichtingssterkte kan geven van 1 Lux. De trede- en loopverlichting dient 100% uitgestuurd te zijn als de noodverlichting aangaat. Boven de pictogrammen voor de uitgangen en de nooduitgangen moet transparantverlichting worden aangebracht. In alle gevallen dient de ontwerper er rekening mee te houden dat een automatisch (niet te reguleren) testsysteem van de aanwezige armaturen niet is toegestaan.
Deze noodverlichtingsbordjes kunnen de sfeer in de (theater)zalen en het toneelbeeld verstoren, want de zaal en het toneel worden dan o.a. niet donker genoeg. Overleg over alternatieve oplossingen door de adviseur gebouwinstallaties met het bevoegd gezag hierover is noodzakelijk. Er zijn speciale typen noodverlichting armaturen te verkrijgen die zo min mogelijk storend zijn uitgevoerd. De ontwerper dient in zijn ontwerp zorg te dragen voor de brandbeveiligingen. Het betreft hier in hoofdzaak de leveringen en aansluitingen van de benodigde brandslanghaspels en brandblussers (schuimblussers én in voorkomende gevallen CO2 blussers). 6.4.1
Branddetectie
In het gehele gebouw dient een branddetectie- en alarmeringssysteem aangebracht te worden conform de normen en eisen die door de brandweer zijn vastgesteld (alarmeringssysteem conform de NEN 2575). Hierbij rekenen op een centraal digitaal brandmeldpaneel nabij de hoofdentree welke voorzien is van alle noodzakelijke functionaliteiten. Daarnaast dienen ook nog minimaal drie subpanelen te worden opgenomen, de exacte locaties en functionaliteiten moeten in overleg met het bevoegd gezag en de instellingen worden bepaald (hierbij voorlopig uitgaande van; entree backstage/lesruimten). De richtlijnen waaraan de centrale dient te voldoen (o.a. vertraagde doormelding vanaf de centrale voor het ontgrendelen van sloten, het schakelen van het ventilatiesysteem, aanschakelen van slowwhoop en het handmatig vrijgeven van een gesproken woord 'ontruiming'), worden vastgesteld in afstemming met het bevoegd gezag.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
60 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss 7
TECHNISCHE GEBOUWINSTALLATIES
Technische gebouwinstallaties dienen zodanig vormgegeven en gedimensioneerd te zijn dat zij de logistiek en de bedrijfsuitvoering niet belemmeren en worden in centrale technische ruimten opgesteld. De installaties moeten eenvoudig door de gebruikers te bedienen en te beheersen zijn. Hierbij valt te denken aan het voorkómen van automatisch in- en uitschakelen tijdens de gebruiksperiodes en de mogelijkheid om installaties, los van het standaard programma, te schakelen (o.a. bij gebruik van rookmachines, Hazers e.d.). Tevens dient het mogelijk te zijn kleedkamers, lesruimten, kantoren voorstellingsruimten en de gangen daartussen apart te kunnen regelen, zie ook de opvolgende sub paragraaf 'groepering installaties'. De ontwerpende partijen dienen reeds vanaf de aanvang van het ontwerp rekening te houden met voldoende benodigde ruimtes ten behoeve van de aanleg van de uit dit Programma van Eisen voortvloeiende benodigde installaties, evenals met een indeling en uitwerking die aangepast is aan de eisen die door de overheid (onder andere brandweer) zijn en/of worden gesteld. Dit betreft onder andere schachten, leidingwegen, meterkasten, technische ruimten, trappenhuizen en verkeersgebieden. Ten behoeve van eventuele nog in de toekomst in te brengen installaties dienen de schachten met voldoende reserve-oppervlak ontworpen te worden.
Mogelijke 'sick building'-kenmerken, ten gevolge van de te ontwerpen klimaatinstallaties, dienen absoluut voorkomen te worden. Hierbij dient onder andere aandacht te worden besteed aan:
7.1
•
een onderhoudsbewust ontwerp
•
toegankelijkheid van installaties voor personen en (onderhouds)materialen (o.a. filters)
•
materiaalkeuzes
•
luchtfiltering
•
in geval van luchtbevochtiging een systeem kiezen op basis van stoom, ultrasoon of infrasoon (geen waterbevochtiging)
•
geen recirculatie in het ventilatiesysteem. Groepering installaties
Er moet een logische bediening van verlichting, verwarming, ventilatie en dergelijke mogelijk zijn. De installaties worden in groepen ingedeeld, zodat alleen die ruimten kunnen worden verwarmd en verlicht die in gebruik zijn. Bij het bepalen van de groepenindeling is het gewenst om dit in overleg met de gebruikers te doen. De zonering moet minimaal bestaand uit: Grote zaal Middenzaal Vestzakzaal Horeca- en foyerruimtes Danszaal, lesruimtes en overige Muzelinck ruimtes Gezamenlijke ruimtes Kantoren De Lievekamp Kantoren Muzelinck. De groepen moeten zodanig ingedeeld zijn dat het uitlezen van het energieverbruik van de 'eigen ruimten' mogelijk is, de gezamenlijke en overige ruimten vallen onder één of maximaal twee uit te lezen groepen.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
61 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss 7.2
Duurzaamheidsambities
Zowel De Lievekamp als Muzelinck als de gemeente Oss hebben een hoge ambitie op het brede aspect van duurzaamheid en circulariteit. De gemeente handhaaft natuurlijk wat wettelijk moet, echter heeft een brede ambitie en kijkt vooruit naar nieuwe wettelijke kaders en daagt in ontwikkelingen graag uit om de ontwerpende en realiserende partijen het beste te laten doen. De gemeente wil met het nieuwe theater het duurzame en culturele visitekaartje van Oss afgeven. Het Kunst- en cultuurcluster wil het meest duurzame cultuurgebouw van Nederland worden, waar alle facetten van duurzaamheid – van gebouw en directe omgeving tot gebruik en bewust gedrag van personeel en bezoekers- in de praktijk zichtbaar zijn en positief uitpakken. Zo kan het Kunst en Cultuurcluster een inspiratiebron en een etalage worden voor anderen. Een voorbeeld van oplossingen en mogelijkheden. Binnen de gebiedsontwikkeling van Raadhuislaan Zuid fungeert het Kunst en Cultuurcluster zowel letterlijk als figuurlijk als Batterij voor de wijk en geeft energie aan de stad die groeit naar 100.000 inwoners.
Masterplan Raadhuislaan Zuid In het masterplan Raadhuislaan Zuid (bijlage) dat in september 2021 inhoudelijk positief ontvangen is door de raad van de gemeente Oss, staat over het thema duurzaamheid en circulariteit onder andere het volgende: “De gemeente Oss en De Lievekamp hebben een hoge ambitie op de thema’s duurzaamheid
en circulariteit. De benadering is op integrale wijze. Niet alleen wat betreft het gebouw en de techniek, maar ook met logistieke oplossingen en bovenal in bewustwording en gedrag van personeel en bezoekers.” In het masterplan voor Raadhuislaan Zuid is veelvuldig verwezen op het bouwen met een zo klein mogelijke ‘carbon footprint’ en om zoveel mogelijk biobased materialen te gebruiken. Het nieuwe theater als een energieneutraal gebouw is de minimale ambitie; CO-2 neutraal. Naast duurzaamheid zijn begrippen als klimaatadaptief en biodiversiteit belangrijk. In het plan krijgt groen in alle facetten ruim baan: van beperkte verharding tot hemelwateropvang, en van huisvesting voor dieren tot een biodiverse beplanting. De bestaande en nieuwe bomen zorgen samen voor beschutting tegen hittestress en maximale CO2-opname. In het masterplan worden zaken genoemd als: -
Water wordt op eigen terrein opgevangen en geborgen
-
Er wordt natuurinclusief ontworpen, dus verblijf en fourageerplekken voor vogels en insecten worden integraal meegenomen
-
Afval wordt ter plaatse verwerkt of gescheiden afgevoerd.
In het masterplan Raadhuislaan Zuid is behalve het Kunst- en Cultuurcluster plek voor wonen inclusief sociaal programma, wonen met zorg, parkeren, voorzieningen in de plint en recreëren in een parkachtige omgeving. Een duurzaam en circulair gebouw is een gezamenlijke wens. Stappen naar een concrete ontwikkeling Duurzaamheid en circulariteit zijn uiterst belangrijke onderdelen van de ontwerpopgave. Een vraag is hoe duurzaamheid en circulariteit vorm krijgt in het programma van eisen. Het lijkt vanzelfsprekend dat heldere prestatie-eisen en randvoorwaarden de basis vormen voor een succesvol project. Toch is het de vraag hoe deze context er uit ziet. Ten aanzien van dit PvE worden er twee benaderingswijzen onderscheiden. Van het duurzame PvE dat:
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
62 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss a.
Voorafgaand aan het ontwerp wordt ontwikkeld
b.
Parallel aan het structuurplan wordt ontwikkeld
Zoals in de inleiding is aangegeven is dit PvE voor het Kunst- en Cultuurcluster bedoeld als kader en als document om de ontwerpende partij en de adviseurs en leveranciers uit te nodigen het beste te bedenken. Juist dit onderwerp van duurzaamheid en circulariteit leent zich voor een proces waarin samen met de ontwerpers (en straks de bouwende partij) een betaalbaar duurzaam en circulair concept gaat ontstaan. Om het (technisch) maximale uit het project te halen, is de keuze om nu zo min mogelijk materiaalkeuze en detaillering te eisen een logische. Voor deze benadering is harde randvoorwaarde het tonen van -
bevlogen opdrachtgever- en nemerschap
-
transparant werken
-
professionaliteit in het ontwerpteam
Dit PvE gaat dus vooral om het beschrijven van de onderdelen en de methoden die er zijn om het ontwerpproces zo duidelijk mogelijk te ondersteunen en te kaderen op het thema duurzaamheid en circulariteit. Het accent ligt bij benaderingswijze b. met de toevoeging van uitgangspunten en methodiek. Een eis blijft uiteraard dat wat wettelijk bepaald is, uitgevoerd moet worden. Daar waar mogelijk wordt de bredere ambitie gekoppeld aan normen. Definitie Duurzaamheid is een verzamelbegrip. Het wordt vaak verdeeld in fysieke, economische en sociale duurzaamheid. (CBS, laatste zin eerste alinea, Wikipedia, Brundtland). Hernieuwbaar, herbruikbaar en geen vermindering van kansen voor komende generaties staan daarin centraal. Ook circulariteit wordt regelmatig met wisselende context gebruikt. Voorkomen moet worden dat het diverse gebruik van begrippen leidt tot verwarring tijdens het ontwerpproces. Belangrijk is bij de start te bepalen wat onderling met de gebruikte begrippen bedoeld wordt en wat de keuze is om wel of niet bij het plan voor het nieuwe cultuurgebouw te betrekken. Er moet op dit thema een gemeenschappelijke taal ontstaan voor het project. Voor de gemeente is de fysieke duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkeling de kern. Logischerwijs komen er ook aspecten van sociale (gebruikers) en economische (gebruik, exploitatie) duurzaamheid bij.
Dat maakt dat duurzaamheid integraal in de planontwikkeling aanwezig is. Duurzame kwaliteit kent niet alleen het perspectief gericht op gebouwprestaties ten aanzien van energie en soms ook water, maar wordt ook in breder perspectief geplaatst (bijvoorbeeld ‘gezond en inclusief bouwen’ en het welbevinden van de gebruiker). Deze ambitie vraagt om een integrale benadering van duurzaamheid in het PvE. Waar duurzaamheid brede betrekking heeft op mensen, de planeet en economie (people, planet , profit) focust circulariteit zich op kringlopen van grondstoffen. Je zou kunnen zeggen dat circulariteit bijdraagt een duurzamere wereld, maar niet alle duurzaamheidsinitiatieven dragen bij aan circulariteit. Uitgangspunten, onderdelen en methoden Met uitgangspunten moet duurzaamheid in dit PvE verankerd worden en een systematiekkeuze gemaakt worden om de ambities te operationaliseren.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
63 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss Om grip te krijgen op het complete duurzaamheidsspectrum staat hieronder een aantal principes opgenomen om een idee te geven over hoe het kader verder gestructureerd kan worden. Waar en hoe systemen met elkaar gecombineerd kunnen worden, zodat ze complementair aan elkaar werken is nader te bepalen. Energieneutraal gebouw Een duidelijk prestatie voor deze bouwopgave is de energetische ambitie. Het gebouw moet aardgasloos en energieneutraal (ENG) zijn. Om voor een volledig energieneutraal cultuurgebouw te opteren zal mogelijk ook buiten het object en terrein van het theater gezocht moeten worden naar oplossingen om zo voldoende energieopwekking te kunnen realiseren. Het masterplan biedt mogelijkheden om meer dan suboptimale duurzame oplossingen te realiseren (bijvoorbeeld als het gaat om voldoende stroomopwekking, door uitwisseling met de parkeergarage). Trias energetica In alle afwegingen van het toekomstig gebouwontwerp staat de trias energetica centraal. De praktijk is soms weerbarstiger dan de theorie. Daarom blijft het noodzakelijk om de eerste stap uit de trias energetica, voorkom onnodig gebruik (van grondstoffen, materialen, energie), altijd als basisprincipe te hanteren.
De volgorde van de trias energetica geldt: 1: beperk de energievraag (gebruik zo min mogelijk energie/isoleren) 2: gebruik duurzame energie en grondstoffen 3: gebruik (fossiele) energiebronnen verstandig Het derde punt verdient een extra toelichting, namelijk het uitgangspunt in Oss is: ‘ we gebruiken geen fossiele brandstoffen voor het energieverbruik van het cultuurgebouw’.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
64 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss De gemeente Oss hanteert bij (de uitwerking van) andere projecten al de begrippen: 1. Milieu (bodem, water, lucht) (dit is aanwezig en moet behouden, al dan niet verbeterd worden) 2. Klimaat (CO2-reductie, adaptatie van gevolgen) 3. Biodiversiteit (dit is aanwezig en moet behouden, al dan niet verbeterd worden) 4. Grondstoffen (wat aanwezig is te gebruiken (sloop bestaande gebouw) en wat aangevoerd wordt zo duurzaam mogelijk) 5. Energie (noodzakelijke energie voor verwarmen, verlichting, apparaten, bedrijfsvoering met auto’s etc.) Deze begrippen kunnen ook bij de verdere uitwerking van het project De Lievekamp gehanteerd worden. Per onderwerp wordt een bepaalde aanpak uitgewerkt. GPR Eerder gebruikte de gemeente de GPR als instrument om duurzaamheid te meten. In de nieuwe versie (4.4) van de GPR wordt naast energie ook materiaal ‘ gemeten’ op impact duurzaam bouwen. Dat maakt het tot een complete tool. Dit digitale instrument maakt op gebouwniveau onderscheid in: 1. Energie – prestatie 2. Milieu – materiaal, water, ruimte en natuur 3. Gezondheid – akoestisch comfort, luchtkwaliteit, thermisch comfort, visueel comfort 4. Gebruikskwaliteit – toegankelijkheid, functionaliteit, technische kwaliteit, sociale waarde 5.
Toekomstwaarde – aanwezige kwaliteit, adaptiviteit gebouw, klimaat adaptiviteit, belevingswaarde MPG Het gebruik van de MPG wordt vaak gedaan en past goed bij dit project. MPG gaat over energie én materiaal. Voor het gebouw is de MPG waarde (milieuprestatie gebouwen) een logische richting om te beoordelen. Er kan een concreet doel genoemd worden zoals bijvoorbeeld de MPG van maximaal 0,75. Dat betekent een maximale milieubelasting ( schaduwkosten) per m2 BVO op gebouwniveau per jaar van € 0,75. Nu is deze waarde in het bouwbesluit gemaximeerd op € 1,00. De MPG biedt houvast en gevraagd wordt dit ontwerpprincipe te betrekken in het ontwerpproces. Voordeel van de MPG is dat keuzemogelijkheden inzichtelijk blijven, ook wanneer de keuze voor materiaal en energie in de afweging misschien op gespannen voet komen te staan, bijvoorbeeld bij de keuze voor het isolatiemateriaal. Een andere kanttekening die gemaakt wordt bij dit instrument voor normering is dat het nog steeds gericht is op de realisatie aan het begin en het afvalscenario aan het einde van de levensduur van het gebouw. Maar het is ook interessant om een inschatting te doen op de toekomstige aanpassingen in/aan het gebouw gedurende de gebruiksfase. De uitdaging is om de bouwelementen en de techniek zo te organiseren dat veranderingen eenvoudig zijn.
Er bestaat ook een rekentool Gebouwflexibiliteit die interessant is omdat daarmee een berekening gemaakt kan worden van de verkavelbaarheid, aanpasbaarheid en multifunctionaliteit.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
65 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss Andere instrumenten om aan duurzaamheid en circulariteit te rekenen zijn bijvoorbeeld de Building Circularity Indez (BCI) en de losmaakbaarheidsindex. Puntensysteem biodiversiteit Het is van groot belang om de natuur- en groeninclusieve maatregelen vroegtijdig in het project mee te nemen. Hoe vroeger in het planproces, hoe meer mogelijkheden om natuurinclusieve maatregelen in te passen zonder kostenverhogende werking. De gemeente Oss heeft – naast de wettelijke bepalingen volgens de Wet natuurbescherming – een hoge ambitie om natuurinclusief bouwen te bevorderen. Het behouden en ontwikkelen van groen is van belang voor de bescherming en ontwikkeling van diersoorten, voor een biodiverse stad en voor welzijn en gezondheid. Maar ook klimaatverbetering speelt een belangrijke rol, zoals het tegengaan van hittestress, wateroverlast of juist droogte. Het gaat dus om een brede scope van natuurinclusief bouwen. Met natuurmaatregelen voor biodiversiteit worden ook de noodzakelijke maatregelen voor klimaatadaptatie genomen. Duurzame functies in een maatregel zijn dus ‘stapelbaar’. Het vinden van maatregelen die meerdere doelen van duurzaamheid dienen is de gezamenlijke opgave.
Om binnen natuurinclusief bouwen maatwerk te realiseren wordt gekeken naar het Puntensysteem dat Arcadis in 2018 ontwikkelde voor de gemeente Den Haag en dat sindsdien door meer gemeenten is opgezet. De gemeente Oss wil het puntensysteem inzetten als een lijst met maatregelen die helpt om te komen tot keuzes waar biodiversiteit baat bij heeft. Het Kunst- en cultuurcluster kan op dit gebied een voorbeeldproject worden, cursussen en expertmeetings organiseren en bewonersinitiatieven bevorderen. De S-lagen van Brand Om circulariteit en circulaire principes in het gebouw toe te passen is het nodig deze goed te definiëren. Het schillen-model van Stewart Brand biedt goede handvatten, onder andere omdat Brand gebouwen niet ziet als statische objecten, maar als constant veranderende objecten. In het S-lagen model beschrijft Brand het gebouw bestaand uit diverse schillen. Iedere schil brengt eigen specs mee, elk met een andere functionele levensduur: site, structure, skin, services, space-plan en stuff oftewel in goed Nederlands: terrein, constructie, gevel, installaties, inbouw en inrichting. De prioriteit en uitwerking is voor iedere laag anders en daarom is het goed deze specifiek uit te werken. Via deze lagen kunnen verschillende principes onderscheiden worden en de principes kunnen ingedeeld worden naar bijvoorbeeld circulair materiaalgebruik of circulair ontwerpen.
In alle lagen is het gebruik van hernieuwbare of hergebruikte materialen een hoge prioriteit. Een aantal van de principes hangt bijvoorbeeld samen met: 1. Het ontwerpen voor lange levensduur 2. Ontwerpen voor optimaal beheer en onderhoud 3. Uitgangspunten voor gebouwgebonden- en gebruiksgebonden installaties 4. Demontabel en aanpasbaar 5. Gebruik van materialen die gifvrij zijn en minder milieubelastend Voor het ontwerpen en het demontabel gebruik is madaster een voorbeeld van het goed organiseren van de grondstoffen. De gebouwgebonden en gebruiksgebonden jaarlijkse effecten moeten meetbaar gemaakt worden.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
66 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss Landelijke input Landelijk ontwikkelt men steeds meer documenten voor kaderstelling. Er wordt bijvoorbeeld gewerkt aan documenten zoals de woonstandaard van het Netwerk Conceptueel Bouwen of Het Nieuwe Normaal (HNN) van BZK en Cirkelstad. Er wordt breder gekeken naar prestaties zoals hieronder is beschreven. De prestaties die vet gedrukt zijn, zijn ook van toepassing op het cultuurcluster: -
Maximale schaduwkosten (HNN = 0.75)*
-
Het aandeel van materialen met een biobased herkomst (HNN = 30%)
-
Het percentage hergebruik vs gerecycled vs gestort of verbrand materiaal aan het einde van de levensduur (HNN >30% vs 0-70% vs < 15%)
-
De losmaakbaarheidsindex (HNN = 0,4)
-
De indelingsflexibiliteit (HNN = 30%)
-
Het percentage materialen dat volledig vrij is van toxische materialen (HNN = 90%)
-
Het percentage reductie energievraag (HNN = 25%)
-
De duurzame opwekking van energie (HNN = NoM)
-
Het percentage reductie drinkwatergebruik (HNN = 25%)
-
Het percentage gebruik regen- en grijswater (HNN = 30%)
* waarbij voor de materialen uit het Zuiderstrandtheater met een MKI = 0 wordt gerekend.
Overigens is in deze standaarden de connectiviteit met biodiversiteit en klimaatadaptatie (nog) niet optimaal benoemd. Voor de hiervoor omschreven methoden geldt dat er een apart document moet worden opgesteld waarin de onderlinge afstemming met toepassing en begrenzing van de systemen en aspecten worden aangegeven. Certificering Er zijn verschillende certificaten waarmee prestaties bevestigd worden. BREEAM (good en very good), GPR, Greencalc, WELL Platinum, LEED Platinum, etc. Als richtlijn voor het ontwerp wordt gesteld dat het meetbaar en certificeerbaar moet zijn. Voor Het Kunst- en cultuurcluster is er gekozen om met GPR gebouw te werken, waarbij certificering is vereist. Businesscase en life cycle cost analyses en verdienmodellen Het is uitdagend om de stichtingskosten op basis van kentallen geactualiseerd te krijgen in een circulair businessmodel en een mogelijkheid voor een variantenstudie in te bouwen. Dit om de life circle cost in relatie tot de circulaire ambitie te berekenen. Belangrijk uitgangspunt is het vasthouden van het huidige budget en waar mogelijk de duurzaamheidsprestaties te verbeteren. In de businesscase wordt in relatie tot de exploitatie onder andere de intensiteit van beheer en onderhoud berekend. In de zoektocht naar de beste oplossing kunnen ook alternatieve verdienmodellen geïntroduceerd worden.
Hiervoor is het belangrijk de mogelijkheden in de markt op te sporen. Van verkoop van een product, tot verlengde garantie of lease en terugkoop. Essentiële mogelijkheden die het optimale mogelijk maken.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
67 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss De (financiële) projectkaders zullen uiteraard een belangrijke factor zijn in het goedkeuren van de voorstellen. Dat betekent dat er naast het maximale ook de alternatieve (mindere) voorstellen worden benoemd. Zo kan de opdrachtgever een weloverwogen keuze maken in de voorstellen. Voorkomen moet worden dat er kansen worden gemist doordat alternatieven onbesproken bleven. De kostenkant gaat over de stichtingskosten én over de exploitatiekosten. Beeldkwaliteit Voor het ontwerpproces mag tenslotte de beeldkwaliteit niet ontbreken. De verwachting is dat de materialen die hergebruikt en ingepast gaan worden zo groot mogelijk is. Het gaat dan om het gehele gebouw. Zowel buitenkant en de binnenkant als de inrichting. Het Kunst- en Cultuurcluster wil een voorbeeld zijn voor een zo duurzaam mogelijke toepassing en gebruik. Daarom is het de uitnodiging aan de ontwerper om zoveel mogelijk zichtbaar te maken, zonder dat het gebouw en de omgeving de indrukt wekt dat het een mengelmoes van hergebruikte materialen is. Het is de kunst om een gebouwontwerp met gebruikte zaken zo te ontwerpen dat hergebruik niet onder doet voor nieuw. Dat hergebruik in feite onzichtbaar is. Het gaat om de juiste interpretatie. Een transparant, uitnodigend gebouw hoeft niet per definitie veel glas te betekenen waar dat haaks komt te staan op de trias.
Hergebruik van groen hoeft niet te betekenen dat de daktuin minder mooi wordt. Het toepassen van een stramienmaat (en meer standaardprincipes) hoeft niet te betekenen dat het een saai gebouw wordt. En of het gebouw juist compact moet zijn of meer grondoppervlak in verband met energieverbruik en logistiek zijn thema’s om verder te onderzoeken.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
68 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss
7.3
Duurzaamheidseisen
In de onderstaande tabel zijn de duurzaamheidseisen vastgelegd als concretisering van de hiervoor beschreven ambitie. Er wordt als duurzaamheidsmaatlat voor GPR gekozen, inclusief certificering. De eisen zijn daarom gerubriceerd aan de hand van de GPR thema’s. Thema
Eis
Nadere specificatie/toelichting
Algemeen
GPR voor alle thema's 8,0 of hoger en gemiddeld 8,5
GPR wordt gekozen als duurzaamheidsmaatlat. Energie en milieu mogen integraal met DPG worden beschouwd. Daarnaast geldt: Score thema milieu zonder PVpanelen > 8,0. De berekening moet worden gevalideerd door een assessor, dus GPR certificering is vereist.
Energie
BENG 2 = 0, ofwel ENG (en dus BENG 3 = 100%) In kaart brengen wat extra nodig is voor NOM
Bepaald volgens NTA 8800. De gebruikersenergie in kaart brengen op basis van de op dit moment verwachte programmering. Oplossingsrichting bepalen voor opwekking van deze energie op de locatie (het gebouw of, indien dit niet mogelijk is, elders in de wijk). Onderzoeken mogelijkheden drievoudig glas in relatie met akoestische eisen. Hoge isolatiewaarden en een zeer goede luchtdichtheid realiseren.
Optimaliseren schil, inclusief beperken warmte door zoninstraling
Milieu
MPG < 0,75. (Uitgaande van hergebruikte materialen uit Zuiderstrandtheater als MKI = 0 en hergebruikte zaal en kelder als renovatie)
Losmaakbaarheidsindex minimaal 0,4, focus op interieur t.b.v. flexibiliteit Gebruik van biobased materials
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
Bij renovatie wordt niet met MKI is 0 gerekend, maar met een levensduurverlenging en daarbij behorende verminderde afschrijving van de MKI. Bij materialen uit "Urban Mining" is er geen uitgangspunt vastgelegd, hier wordt gekozen voor een impact van 0, omdat een gebouw dat als tijdelijk was beoogd nu wordt omgezet in een permanente voorziening op een andere locatie. De LI moet worden bepaald met de MAT Toepassen van hout en andere natuurlijke materialen (bijvoorbeeld isolatie). Vanwege het toepassen van veel hergebruikte materialen uit het Zuiderstrandtheater wordt voor biobased geen percentage vereist.
69 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss Gezondheid
Ventilatie > 35 m3/h per persoon. Geen recirculatie Capaciteit foyer afstemmen op gebruikstijd: 30 m3/h per persoon en gebruiken “change over” met zalen (dus geen dubbele capaciteit). Capaciteit verdelen door middel van VAV, niet uitgaan van 100% gelijktijdige maximale bezetting Thermisch comfort conform NEN-ISO 7730, klimaatklasse B
Gebruikskwaliteit
Toekomstwaarde
100% verse luchttoevoer tijdens gebruikstijd. Recirculatie bij aanwarmen van zalen is wel toegestaan. Toiletten separaat afzuigen bij toepassing van warmtewielen. Iets lagere capaciteit in foyer vanwege kortere verblijfsduur. Ventilatie sturen op basis van CO2.
Materialen met geen of zeer lage VOS-emissie
Hiertoe ook zoninstraling beperken, bij voorkeur met buitenzonwering op zonbelaste gevels. Conform BREEAM HEA 02, tabel HEA02.3
ITS totaal, met lift ter ontsluiting van alle verdiepingen
Certificaat is vereist.
Sociale veiligheid: zicht creëren op de aanwezigen in het gebouw
Dit betreft zicht vanuit de gangen in de lesruimten, overzichtelijke gangen zonder plaatsen om je te verschuilen, zicht rondom op de gevel.
Flexibel interieur
Indeling is aanpasbaar, behalve voor de zalen (dit zijn vaststaande volumes) Dit dient deels door een bufferkelder te worden voorzien. De bufferkelder dient als reservoir voor het grijswatersysteem. Capaciteit reservoir te berekenen, zodanig dan 30% van het watergebruik wordt vervangen door het grijswatersysteem.
Klimaatadaptief: waterretentie 70mm op bebouwd oppervlak Toepassing grijswatersysteem voor de toiletspoeling
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
70 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss
7.4
Werktuigbouwkundige installaties
7.4.1
Verwarmingsinstallaties
De verwarmingsinstallatie moet voldoende capaciteit hebben om de in dit PvE vermelde temperaturen te bereiken en te handhaven. Vanwege de geluidproductie en NEN-normeisen, dient de opstellingsruimte van de warmtebron zover mogelijk van de publieksruimten geplaatst te worden, terwijl een locatie aan buitengevel c.q. dakkap de voorkeur verdient. De technische ruimte dient 60 minuten brandwerend te zijn en voorzien te worden van een dubbele deur en hijsinrichting, indien ketels, drukvaten en/of boilers vanwege calamiteiten vervangen moeten worden en de ruimte zich niet op maaiveldniveau bevindt. De klimaatinstallatie is gekoppeld aan het gebouwbeheersysteem (GBS). De ruimteverwarming dient te geschieden met een weersafhankelijke voorregeling en individuele naregeling. De verwarming dient per zone regelbaar te zijn. Er dient in overleg met de instellingen een logische zonering te worden vastgesteld, hierbij bijvoorbeeld te denken aan; Grote zaal/Middenzaal/kleine zaal/horecaruimten/lesruimten/kantoren. 7.4.2
Gasinstallatie
Het gebouw krijgt geen gasnetaansluiting. 7.4.3
Luchtbehandelingsinstallatie
De luchtbehandelingsinstallatie en de ventilatie verzorgen de noodzakelijke luchtverversing en voldoende primaire luchtvolumestroom om te voldoen aan de, in dit PvE, vermelde eisen. De vereiste ventilatiecapaciteit van voorzieningen voor de toe- en afvoer van ventilatielucht van de verblijfsruimtes en –gebieden is in onderstaande tabel weergegeven. De eisen voor de ventilatie zijn gerelateerd aan de bezettingsgraadklassen volgens tabel 1 van het Bouwbesluit. Bij de verdere uitwerking van het ontwerp dient de bezettingsgraadklasse per ruimte te worden bepaald en de daarbij behorende minimale ventilatiecapaciteit. Tabel 1:
Vereiste ventilatiecapaciteit
Gebruiksfunctie
Vereiste luchtverversing
Bijeenkomstfunctie, met alcohol, verblijfsgebied
4,8 dm3/s per m2 vloeroppervlak met een minimum van 7 dm3/s
Bijeenkomstfunctie, met alcohol, verblijfsgebied
3,8 dm3/s per m2 vloeroppervlak met een minimum van 7 dm3/s
Bijeenkomstfunctie, overig verblijfsgebied
B1: 4,8 dm3/s per m2 vloeroppervlak met een minimum van 7 dm3/s B2: 1,9 dm3/s per m2 vloeroppervlak met een minimum van 7 dm3/s B3: 0,8 dm3/s per m2 vloeroppervlak met een minimum van 7 dm3/s
Bijeenkomstfunctie, overig verblijfsgebied
B1: 3,8 dm3/s per m2 vloeroppervlak met een minimum van 7 dm3/s B2: 1,5 dm3/s per m2 vloeroppervlak met een minimum van 7 dm3/s B3: 0,6 dm3/s per m2 vloeroppervlak met een minimum van 7 dm3/s
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
71 | 124
Kunst- en Cultuurcluster - Oss
Kantoorfunctie, verblijfsgebied
1,3 dm3/s per m2 vloeroppervlak met een minimum van 13 dm3/s
Kantoorfunctie, verblijfsgebied
1,0 dm3/s per m2 vloeroppervlak met een minimum van 10 dm3/s
De waarden volgens deze tabel zijn minimumwaarden. Ten behoeve van het thermisch comfort kan het noodzakelijk zijn een grotere ventilatiecapaciteit te realiseren. Dit dient in de ontwerpfase, wanneer het volume, de materialisatie en de installaties van het gebouw vorm beginnen te krijgen, afgestemd te worden met de adviseur bouwfysica. Het kanalensysteem dient - daar waar nodig - te worden geïsoleerd. Het kanalensysteem zodanig ontwerpen, dat dit te allen tijde inwendig gereinigd kan worden. De ventilatielucht mag echter nergens in contact komen met het isolatiemateriaal. Het ontwerp dient te voorzien in voldoende inspectie- en reinigingsmogelijkheden van het kanalensysteem. Indien luchtbevochtiging noodzakelijk is, dienen bacteriële, chemische en fysische verontreinigingen vermeden te worden. De luchtbehandeling dient zodanig te worden gedimensioneerd en ingesteld dat de relatieve vochtigheid tussen de 35 en 65% blijft (incidentele onder- c.q. overschrijding bij extreme buitenklimaatomstandigheden uitgezonderd). In verband met het vrijkomen van warmte en eventuele schadelijke stoffen bij apparatuur, heeft een afgescheiden opstelling van deze apparaten de voorkeur. Er dient dan ook rekening gehouden te worden met afzuiging van schadelijke stoffen, dampen en warmte. Emissie naar de omgeving moet worden voorkomen.
Tocht en vervuiling in de kanalen dient te worden voorkomen, hierbij dient speciaal aandacht te zijn voor de in de (theater)zalen veelvuldig toegepaste rook- en nevelmachines. De geluidproductie van het ventilatiesysteem moet binnen de onder het hoofdstuk akoestiek benoemden waarden blijven. De mechanisch toegevoerde lucht voor de verblijfs- en werkruimten dient te worden gereinigd met behulp van filters in de luchtbehandelingskasten. De luchtverversing in de (theater)zalen en in de danszaal moet snel kunnen worden bijgesteld, onafhankelijk van een centraal regelsysteem. 7.4.4
Koelinstallatie
Mede uit oogpunt van het streven naar een duurzaam gebouw, dienen het gebouw- en installatieontwerp gebaseerd te zijn op het realiseren van de klimaateisen met een, qua energieverbruik, geminimaliseerde mechanische koelinstallatie. De benodigde ruimtekoeling, om aan de in dit PvE gestelde eisen te voldoen, dient bepaald te worden aan de hand van onder andere de interne warmtelast. De interne warmtelast wordt voor elke ruimte bepaald door: •
de warmte die in een ruimte vrijkomt door de verlichting
•
het aantal in de ruimte aanwezige personen
•
het beoogde gebruik van de ruimte
•
de in de ruimte opgestelde apparatuur.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
72 | 124
Kunst- en Cultuurcluster - Oss
7.4.5
Mechanische luchtafzuigvoorzieningen
Daar waar ruimtes niet op het balansventilatiesysteem aangesloten moeten worden, vanwege de beperkte bezettingsgraad danwel een verlaagde bedrijfstijdenstructuur, dient toch een mechanische afzuiginstallatie geleverd en aangebracht te worden. Het betreft werkkasten, toiletten, bergruimten, technische ruimten en boilerruimte / onderstations. 7.4.6
Regelinstallaties
De regelinstallaties dienen in hoofdzaak te omvatten: •
de bedieningskasten in opstellingsruimten en luchtbehandelingsruimtes
•
het centrale signaleringspaneel
•
de vereiste besturing van de centrale en lokale mechanische ventilatiestelsels
•
de elektrische leidingaanleg compleet met schakel-, regel- en bedieningscomponenten
•
de regeling en besturing van de individuele airconditioning
•
het controlepaneel dient op een nader te bepalen locatie te worden geplaatst.
7.4.7
Sanitaire installaties
Alle drinkwaterinstallaties dienen te voldoen aan NEN 1006+A1:2018 nl “Algemene voorschriften voor leidingwaterinstallaties”. Er dienen diverse toiletruimtes te worden voorzien, zie verder paragraaf 4.15. Leidingen in ruimtes waar stilstaand water is te verwachten, zoals bij wastafels, moeten worden voorzien van een spoelvoorziening ten behoeve van legionellapreventie. In verband met legionellapreventie zijn de brandslanghaspels afgesloten met een kraan en aangesloten op de drinkwatervoorziening. Op diverse plaatsen, zoals in de sanitaire ruimtes (douches/wastafels), werkkasten, uitstortgootstenen toneel en dergelijke, dienen warmwatervoorzieningen te worden getroffen. Dit kan zowel lokaal als centraal geregeld worden. Indien er wordt gekozen voor een centrale installatie, zal de wachttijd op warmtapwater binnen redelijke termijnen moeten vallen, conform de NEN 1006+A1:2018 nl. 7.4.8
Hemelwaterafvoer / vuilwaterafvoer
Voor hemelwater- en vuilwaterafvoer dient een gescheiden systeem te worden voorzien. De berekening van de hemelwaterafvoeren uitvoeren volgens de onderstaande normen: • Bouwbesluit • Lozingsverordening riolering • NEN 3215+C1:2014+A2:2022 nl De ontwerp-neerslagcapaciteit bedraagt 300 l/s.ha met inachtname van de relevante correctiefactoren voor de afvoerende vlakken. Hemelwaterafvoeren bij voorkeur buiten het gebouw projecteren. Afvoeren van goten en daken voorzien van noodoverstorten, kiezel- en vuilvangers. Standleidingen voorzien van 'antiklimvoorzieningen'. Eventuele inpandige hemelwaterafvoeren dienen dampdicht, en ter plaatse