PvE De Lievekamp_vastgesteld (1).pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke randvoorwaarden vanuit de stedenbouwkundige context
Steeds is uitgangspunt geweest om de kenmerkende structuur van het gebied rond de Raadhuislaan als vertrekpunt te nemen voor toekomstige transformaties. Het gebied - dat als grootschalige ingreep in de jaren ’70 is ontstaan – was ooit vooral bedoeld als locatie voor nieuwe instellingen, kantoren en cultuur. Passend bij de schaalvergroting die de stad in die periode doormaakte. Vijftig jaar later is de Raadhuislaan in veel opzichten toe aan een tweede leven en biedt de huidige situatie daartoe ook volop kansen. De opzet van een meer gesloten bebouwingswand aan de noordzijde en losse gebouwen in een groene context aan de zuidzijde is een sterk ruimtelijk concept dat ook bij herontwikkeling rondom de Raadhuislaan een helder en bruikbaar uitgangspunt is. Voor het hele gebied wordt daarbij gestreefd naar een veel betere verblijfskwaliteit. Bij de beoogde verdichting met intensiever grondgebruik is deze kwaliteit voor de openbare ruimte ook een belangrijke randvoorwaarde. Het betekent ook dat parkeren niet meer op maaiveld opgelost kan worden, maar in gebouwde parkeervoorzieningen. De ruimtelijke opzet van het gebied Raadhuislaan Zuid als continu, open, groen parklandschap met daarin grootschalige bijzondere gebouwen is uitgangspunt voor de herontwikkeling van het gebied. Zo ontstaat een samenhangende strook met o.a.
Museum Jan Cunen, het Gemeentehuis en de geplande woningbouw en het Kunst- en cultuurcluster. Voor de nieuwe bebouwing vraagt dit een compacte opzet met een alzijdige oriëntatie en goede afstemming tussen openbare en privé ruimte. Ook voor het beoogde Kunst- en cultuurcluster is dit het uitgangspunt. Vanwege het publieke karakter van dit complex is extra aandacht nodig voor de omliggende buitenruimte. Een uitnodigend ‘entreeplein’ binnen de parkachtige totaalopzet is hiervan een noodzakelijk onderdeel. Voor de levendigheid en leefbaarheid van het gebied is het belangrijk dat gebouwen - ook het Kunst- en Cultuurcluster - open, transparante gevels kennen. De invulling aan de spoorzijde, waar de bevoorrading van het Kunst en Cultuurcluster en een gebouwde parkeervoorziening voor het gebied gepland is, vraagt extra aandacht. Daarbij wordt opgemerkt dat de bevoorrading niet per definitie (in zijn geheel) hoeft plaats te vinden aan de achterzijde van het gebouw.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
17 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss 3.2
Gewenste uitstraling en kwaliteitsniveau
Het cultuurcomplex is een belangrijke volgende stap in de vernieuwing van de Raadhuislaan. Het gemoderniseerde gemeentehuis en Museum Jan Cunen met de recente uitbreiding laten zien dat de ambitie hoog is. Aan de noordzijde is bij de ‘Heer van Oss’ een hoge beeldkwaliteit nagestreefd, net als bij het plan Linck voor de toekomstige herontwikkeling van het Belastingkantoor. Het Kunst- en cultuurcluster zal – samen met de geplande woningbouw – een nieuwe smaakmaker aan de Raadhuislaan vormen. Het duurzame en culturele visitekaartje van Oss. Gelet op het publieke karakter mag het gebouw zich in alle opzichten nadrukkelijk in de omgeving tonen. Een open, transparant en vooral uitnodigend complex, waar van buitenaf de reuring binnen zichtbaar is. De meer actieve publieke ruimtes binnen het complex (entree, foyer, horeca) grenzen zo veel mogelijk direct aan de openbare ruimte en zijn vanaf de Raadhuislaan zichtbaar. Een buitenterras zorgt voor extra interactie tussen binnen en buiten. Speciale aandacht is gewenst voor de uitstraling van de meer gesloten, maar nadrukkelijk aanwezige delen van het complex, zoals de toneeltoren en de ruimte voor bevoorrading. Het totaal vraagt een hoog kwaliteitsniveau met hoogwaardige, duurzame materialen, ook vanwege het intensieve gebruik van het complex. 3.3
Karakter van het gebouw
Het zwaartepunt bij de gewenste uitstraling van het Kunst- en cultuurcluster ligt op de culturele functie. Het Theatercafé, de foyerruimtes en de publieksstromen zouden in dit verband van buitenaf (gedeeltelijk) zichtbaar moeten zijn, zodat een levendige en uitnodigende uitstraling wordt bewerkstelligd. Zowel in de dag- als in de nachtsituatie moet het theater herkenbaar aanwezig zijn. Het gebouw wordt zoveel mogelijk (integraal) benut, er is een optimale openstelling, veel inzet op benadering van nieuwe publieksgroepen en werken in een combinatie met vrijwilligers en een professionele staf. Het interieur is een verlengstuk van het karakter van het gebouw en moet duidelijk sfeer hebben. Het moet stijlvol zijn maar ook warmte uitstralen, zodat iedereen zich er thuis voelt. Kernwoorden bij het karakter van het gebouw zijn: toegankelijk, ontmoeten, robuust, duurzaam, ondernemen, levendig, flaneren en de verblijfsduur in het gebied verlengen. Een gebouw dat voldoet aan onderstaande uitgangspunten: •
Een in het oog springend en uitnodigend gebouw
•
Een toekomstbestendig gebouw
•
Een voorbeeld in (zichtbare) duurzaamheid en innovatie
•
Een gebouw met een hoge mate van synergie en flexibiliteit
•
Een gebouw dat ruimte biedt aan (cultureel) ondernemerschap
•
Een transparant gebouw met goede relaties tussen binnen en buiten
•
Een gebouw waar iedereen zich (drempelloos) welkom voelt
•
Een kindvriendelijk gebouw.
In de loop naar het gebouw wordt je al door het gebouw verwelkomd, het heeft een open en drempelloos karakter en voelt als een warm welkom.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
18 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss 3.4
Gezamenlijke eisen aan de directe omgeving
Elkaar ontmoeten begint al op weg naar het Kunst- en Cultuurcluster, in een sfeervolle omgeving die aansluit op de beleving van het binnengebied. Er moet een mogelijkheid zijn om al in het buitengebied tijd voor elkaar te nemen (bijv. met grote en kleine banken, onder grote bomen). Er moeten in de directe omgeving van de entree voorzieningen komen om te kunnen ontmoeten in het voorbijgaan of wellicht zelfs om met elkaar af te spreken. Een all weather oplossing heeft meerwaarde maar deze mag geen gesloten karakter hebben. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met hangjongeren, er dienen maatregelen genomen te worden (in sfeer en uitstraling) welke het vormen van hangroepen tegengaat. Er dient in algemene zin aandacht te worden besteed aan het bevorderen van de sociale veiligheid. Dit betreft met name de openbare ruimten in en om het gebouw. Deze ruimtes moeten overzichtelijk zijn en er moet (informeel) toezicht op zijn. Er dient te worden voorkomen dat publiek en/of medewerkers zich onveilig voelen. Er dienen diverse voorzieningen getroffen te worden die de omgeving schoon, heel en veilig houden. De buitenverlichting/straatverlichting moet dit ondersteunen, het werkt daarnaast ondersteunend naar elkaar zien en het creëren van sfeer, de verlichting is dan ook warm van kleur.
Rekening moet worden gehouden met een videowall aan of nabij de voorgevel en voldoende straatverlichting rondom het gebouw. De direct aan het Kunst- en cultuurcluster gelegen buitenruimen zijn ook te gebruiken voor activiteiten, bijvoorbeeld tijdens evenementen en of festivals. Hiervoor dienen op strategische plaatsen voorzieningen (water, krachtstroom en riolering) en afsluitbare kabeldoorvoeren naar binnen. Een mogelijkheid tot interactie van binnen naar buiten kan een deels te openen gevel zijn, maar ook bevestigingsmogelijkheden voor een mobiele overkapping die aansluit aan de entree kan ondersteunend werken. Er moet voldoende parkeergelegenheid zijn voor fiets, bromfiets, scootmobiels, invalidenparkeerplaatsen, auto's van bezoekers op loopafstand. Er moeten in de directe (max. 50 meter) omgeving aan de voor én achterzijde voldoende (betrouwbare) fietsenstallingmogelijkheden zijn. Alle in het openbaar gebied toegepaste materialen zijn duurzaam en behouden onder alle (weers)invloeden een nette en goede uitstraling. De materialen zijn, indien nodig, eenvoudig en tegen relatief lage kosten te vervangen. Het aantal externe en interne toegangen naar de diverse delen van het gebouw dient tot een minimum te worden beperkt, zodanig dat een overzichtelijk geheel ontstaat en ter bevordering van de inbraakveiligheid.
Tussen de publieks- en de overige delen moeten bouwkundige barrières zijn, al dan niet elektronisch beveiligd. Een eventueel beveiligingssysteem moet voor gedeelten van het gebouw kunnen worden aan- of uitgeschakeld.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
19 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss 4
RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE EISEN
In dit hoofdstuk worden, naast enkele algemene zaken, per onderdeel en per punt aspecten als ruimtebehoefte, relaties met andere functies en gewenste voorzieningen behandeld. Alle (semi)publieke ruimten moeten een hoge mate van flexibiliteit hebben. Multifunctionele inzet is binnen een gezonde exploitatie van groot belang. Deze ruimten dienen snel om te bouwen zijn naar de indeling die de activiteit vraagt, het gebouw moet flexibel zijn en blijven. Het Kunst- en Cultuurcluster wordt het huis van Theater De Lievekamp en Muzelinck. De verschillende ruimten van het nieuwe Kunst- en Cultuurcluster zijn grofweg opgedeeld in de volgende ruimtesoorten: •
publieksruimten;
•
theater- en zaalfaciliteiten;
•
artiestenvoorzieningen;
•
backstage-voorzieningen;
•
beheersvoorzieningen (kantoren, werkplaatsen en bergingen);
•
foyervoorzieningen (keuken- en dienstruimtes);
•
theatercafé
•
lesruimten
•
techniekruimten en overig.
Het totaal benodigde bruto vloeroppervlak voor het Kunst- en Cultuurcluster is circa 13.000 m2 BVO. Van de gewenste indeling van de ruimten binnen de beschikbare envelop is een ruimtestaat/m2 overzicht en relatieschema gemaakt (zie bijlagen). Voor alle ondergenoemde ruimten geldt dat ze in meer of mindere mate gebruikt worden door beide instellingen, veel van de ruimten dienen dan ook zodanig te worden vormgegeven dat ze niet enkel geschikt zijn voor het beoogd gebruik. Een multifunctionele inzet van ruimten is noodzakelijk voor een goede exploitatie van het complex, hiervoor worden ook zogenaamde breakoutruimten ingezet welke in beginsel een andere functie hebben in het “standaard” gebruik (zie bijlage). Uitgangspunt is dat iedere breakoutruimte opdeelbaar wordt uitgevoerd, in 2 danwel in 4 losstaande ruimten. Deze opdeling zal zich beperken tot de grootste breakoutruimten zoals een artiestenfoyer en groepslesruimten welke beide circa 100m2 groot zijn, in geval van opsplitsing kunnen er dus 4 los in te zetten ruimten ontstaan van elk circa 25m2. In de ruimtestaat worden verder ook de gemeenschappelijke ruimten nader aangeduid. Zie hiervoor de volgende bijlagen: -
Ruimtestaat / m2-overzicht
-
Relatieschema nieuwbouw
-
Overzicht breakout ruimten
In de ruimtestaat worden tevens de hoogtes van de ruimte aangegeven. Van de belangrijkste ruimten wordt, na de paragraaf interne routing, een omschrijving gegeven.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
20 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss 4.1
Interne routing, toegankelijkheid, logistiek en verkeersstromen
4.1.1
Interne routing
De grote zaal dient, zowel op BG-niveau als op de verdiepingen twee ingangen te hebben en direct verbonden te zijn met een foyerruimte. De grote zaal heeft minimaal op 2 niveaus maar bij voorkeur op 3 niveaus ingangen naar de zaal. De middenzaal heeft aan weerszijde ook een toegang boven in de zaal. De vestzakzaal is gesitueerd op de begane grond. De middenzaal heeft een eigen separate routing zodat publieksstromen van de grote zaal en middenzaal elkaar niet kruisen. De foyerruimtes en overige publieksvoorzieningen moeten zodanig worden ontworpen dat er meerdere gedeelten ontstaan die zowel samen als gescheiden van elkaar gebruikt kunnen worden. Op deze wijze zijn de ruimtes zowel geschikt voor grote als voor kleine groepen bezoekers. Dit vereenvoudigt bovendien het gebruik en de beheersbaarheid bij verschillende openingstijden en verhoogt tevens de flexibiliteit van het complex met het oog op verhuringen. In het ontwerp dient een opsplitsing in een publieksruimte (Voorhuis) en een 'backstage' (Achterhuis) te worden gerealiseerd, tussen deze twee lagen in bevinden zich ruimten welke zowel ingezet kunnen worden in het voorhuis als achterhuis (zie relatieschema). Het niet-publieksdeel bevat de ruimten backstage (artiesten en theatertechnici), de dienstruimtes voor de horeca en de kantoorruimtes.
Kruising van publieks- en niet-publieksstromen moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Belangrijk is dat openheid en helderheid wordt gecreëerd en dat gecombineerd gebruik wel mogelijk blijft, bijvoorbeeld bij grote verhuringen waarin ruimtes uit het backstage gebied ook gebruikt kunnen worden voor bezoekers van de verhuring. Bepaalde onderdelen (o.a. artiestenfoyer en vergaderruimtes) dienen dan ook zowel gesloten als open te zijn. Hierdoor ontstaat een flexibele schil in het gebouw. Bezoekers van Muzelinck maken primair gebruik van dezelfde hoofdentree, kassa en eventueel café en begeven zich via het publiek openbaar gebied naar het Muzelinck gedeelte. Daarnaast dient er (b.v. bij grote evenementen) ook een mogelijkheid te zijn voor Muzelinck bezoekers om gebruik te maken van een sub entree welke vanaf het openbaar gebied direct uitkomt in het Muzelinck deel. Deze sub entree kan eventueel ook gebruikt worden op momenten dat het openbaar gebied gesloten is. Het Muzelinck gebied is naast het gezamenlijk openbaar gebied een opzichzelfstaand gebied en kan ook autonoom functioneren. Voorgaande resulteert “van voor naar achteren” in een functionele opdeling van het gebouw, waarbij we 5 zones kunnen aanduiden: 1. Gezamenlijk openbaar gebied, toegankelijk zonder ticket; entree, kassa en café 2. Muzelinck gebied, toegankelijk voor bezoekers Muzelinck; incl. eigen subentree 3.
Publieksgebied Lievekamp, toegankelijk met ticket; zalen en foyer 4. Flexibel gebied, inzetbaar als voor- en achterhuis; artiestenfoyer, keuken, vergader 5. Backstage gebied, niet toegankelijk voor publiek; tonelen, kleedkamers, kantoren etc. De Vestzakzaal heeft een aparte status omdat deze zowel ingezet moet kunnen worden in zone 1 als in zone 3. 4.1.2
Toegankelijkheid
In algemene zin dient het te bouwen of renoveren bouwwerk zodanig te worden vormgegeven dat het bouwwerk door rolstoelgebruikers, en/of mindervalide personen kan worden binnengegaan en zonder beperkingen kan worden gebruikt. Dit is zowel van toepassing op de bezoekers als op personeel én bespelers, toegankelijkheid stopt niet bij het publieksgebied maar ook de overige delen (kantoren,
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
21 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss tonelen, kleedkamers etc.) zijn hier onderdeel van. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de kleinere bezoekers die ook veel gebruik zullen maken van de locatie, ook een kind moet eenvoudig toegang hebben tot alle faciliteiten. Om te komen tot een evenwichtig en bruikbaar geheel van maatregelen ten aanzien van de toegankelijkheid dient al in de ontwerpfase te worden toegezien op toepassingen van hulpmiddelen of uitvoering van prestatie-eisen nodig om een adequaat gebruik door mindervaliden te waarborgen. Verschillende belangenorganisaties kunnen daarvoor worden ingeschakeld. De aandacht richt zich o.a. op de volgende hoofdzaken: •
Toegankelijke entree, artiestenentree
•
De beleving van de bezoeker
•
Toegang tot goederen en diensten, garderobe, horeca, zalen en lesruimten
•
Toegang tot toiletten en andere sanitaire ruimten
•
Assistentie en bejegening
•
Toegankelijkheidsinformatie.
Eisen voor toegankelijkheid zijn verder vastgelegd in de Nederlandse norm NEN 1814:2001 nl: Toegankelijkheid van buitenruimten, gebouwen en woningen. Deze norm geeft eisen voor algemeen toepasbare toegankelijkheidsprestaties om te voorzien in de toegankelijkheidsbehoefte van mensen, met al dan niet persoonsgebonden hulpmiddelen zoals een rolstoel of taststok, maar bijvoorbeeld ook een kinderwagen of een koffer. Het gehele gebouw moet toegankelijk zijn voor mindervaliden, zij moeten drempelloos alle ruimtes kunnen bereiken zonder hulp van derden. Om dit mogelijk te maken moeten bijvoorbeeld ook voorzieningen getroffen worden die het mogelijk maken om het rij- of stoelnummer te voelen. Uitgangspunt is geen ondergrondse bouwlaag, met uitzondering van een orkestbakput. Alle barren, balies, informatiepunten en kassa moeten voorzien zijn van een verlaagd uitgiftepunt zodat ook mensen in een rolstoel op een goede manier zijn te bedienen. Het gebouw moet meer bieden dan de standaard voorzieningen. 4.1.3
Logistiek bezoekers
Onderscheiden worden bezoekers van het theater (zowel van voorstellingen als van activiteiten), bezoekers van Muzelinck, bezoekers van vergaderingen of congressen en in voorkomende gevallen genodigden van recepties en dergelijke. Alle bezoekers komen binnen bij de hoofd-entree. Wenselijk is een toegang zowel vanuit de (toekomstige) parkeergarage achterzijde als vanaf de Raadhuislaan. Er moet als het ware een soort verlengstuk van straat komen waardoor het publiek zich van voor naar achteren kan bewegen, deze straat hoeft niet per definitie een volledig inpandige publieksgang te zijn. Belangrijk is dat mensen zich vanaf de parkeergarage op een sfeervolle en veilige wijze kunnen verplaatsen naar het entreegebied, ook deze weg vanaf parkeergarage naar hoofd-entree maakt onderdeel uit van de totaalbeleving. Belangrijk is dat deze “corridor” goed beheersbaar is en niet per definitie vraagt om extra inzet van personeel. In de entreehal is de kassa/informatiebalie, in principe tegelijk bemenst door zowel De Lievekamp als Muzelinck medewerkers. Belangrijk: de kassa/informatiebalie moet vanuit de entree duidelijk zichtbaar zijn en goed gesitueerd zijn t.o.v. de garderobe, het theatercafé en toegang tot het Muzelinck gedeelte.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
22 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss Vervolgens verspreidt de Lievekamp bezoeker zich via of langs de garderobe over de foyerruimtes, waarbij tussen entreegebied en foyers de kaartcontrole plaatsvindt. De Muzelinck bezoeker begeeft zich via dezelfde entree richting “de ingang” van het Muzelinck gedeelte. De garderoberuimte zou idealiter zodanig moeten zijn gesitueerd, dat deze centraal door een klein aantal medewerkers kan worden bediend. Meerdere afzonderlijke garderobes zijn vanuit exploitatieoogpunt minder gewenst. Bemensing van eventuele meerdere garderobes kan worden afgestemd op de behoefte van de activiteit. Vanuit de foyerruimtes kan men de theaterzalen of andere ruimten bereiken. De foyers en dergelijke dienen multifunctioneel te worden opgezet. Qua horecagebruik dient rekening gehouden te worden met plaats voor lunches, maar steeds vaker ook diners. Een deel/delen van de foyer(s) dient/dienen als vergaderruimte e.d. te separeren te zijn. De logistiek wordt dusdanig vormgegeven dat er logische looplijnen ontstaan naar de diverse ruimtes in het gebouw. De bezoeker moet in principe ook zonder bewegwijzering en/of instructie zijn weg kunnen vinden. 4.1.4
Logistiek artiesten, medewerkers
De ingang voor artiesten en medewerkers dient een aparte ingang te zijn die niet in verbinding staat met de hoofdingang voor het publiek. Wel moet er een kantoorruimte zijn die zicht heeft op de artiesten/personeelsingang (bijvoorbeeld de kantoorruimte van het Hoofd TD of de conciërge(s)). Een luifel bij deze entree is wenselijk er dienen echter wel maatregelen genomen te worden welke hangjongeren voorkomen, hierbij bijvoorbeeld te denken aan de beleving van de plaats welke niet aansluit bij de belevingswereld van hangroepen. De ruimtes moeten zodanig zijn georganiseerd, dat de routes van de artiesten van de kleedkamers naar het toneel en van de medewerkers naar de diverse kantoor- en dienstruimtes niet kruisen met de publieksroutes. De routes naar de kleedkamers dienen goed verzorgd te zijn met brede (1m) deuren. Hoogte van doorgangen is een aandachtspunt i.v.m. kisten van 2 meter hoogte. Het moet voor grote (amateur)dansgroepen in de grote- en middenzaal mogelijk zijn om vanaf één zijde op te komen en via de andere zijde af te gaan, hierdoor ontstaat een soort carrousel zonder dat ze elkaar hoeven te kruisen. De artiestenfoyer en personeelsruimte dienen zo te zijn gelegen dat deze gemakkelijk kunnen worden bediend, dat wil zeggen in de directe omgeving van de centrale bereidingskeuken. De afstand van de artiestenfoyer naar het toneel moet kort zijn.
De centrale bereidingskeuken ligt dus op de lijn tussen publiek en niet-publiek gebied. 4.1.5
Logistiek theatertechniek
Transport van decors, licht- en geluidapparatuur, muziekinstrumenten e.d. geschiedt met vrachtwagens, trailercombinaties die tot 18 m lang kunnen zijn. Het laden en lossen ervan dient omwille van goede arbeidsomstandigheden en het voorkomen van geluidoverlast voor omwonenden inpandig, dus binnen het gebouw, te worden ondergebracht. De laad- en losruimte mag een open karakter hebben en voorzien zijn van ramen. Er dient in het ontwerp rekening te worden gehouden met bestaande en toekomstige bebouwing van het buitengebied. Voor de Grote zaal en middenzaal is een gecombineerde vrachtwagengarage nodig, zodanig dat drie wagens gelijktijdig gelost en/of geladen kunnen worden, waarbij de lading, die vaak uit grote ondeelbare onderdelen bestaat, van en naar het toneel gereden kan worden. Tussen de tonelen en de laadvloer van de vrachtauto zijn geen te overbruggen hoogteverschillen, geen drempels ook, toelaatbaar; de laadvloer dient zich bij lossen en laden ter hoogte van de toneelvloer te bevinden. De
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
23 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss drie vrachtwagens dienen ieder op een eigen dockleveller te worden aangesloten. Bij één van de docklevelers dienen aanvullende maatregelen te worden getroffen welke het laden en lossen van kleinere busjes met een laadvloer op circa 500 mogelijk maakt. De vrije hoogte van laad- en losruimte is minimaal 4,5 meter De verbinding van de laad- en losruimte met het achter- of zijtoneel van de grote zaal en het achterof zijtoneel van de middenzaal moet kort zijn. De vrije doorgang van deze routes dient minimaal 3,5 m hoog te zijn. Een ondeelbare lading van 2,4 m x 2,4m en 12 m x 1,5 m moet van de laad- en losruimte naar de grote- en midden zaal getransporteerd kunnen worden. Het indraaien van ondeelbare lading richting toneel kan gedeeltelijk ook in de vrachtwagen en/of op de dockleveler en/of hefplatform plaatsvinden. Uitgangpunt is dat bij minimaal één vrachtwagenplaats deze ondeelbare lading kan worden getransporteerd naar de toneelhuizen. De laad- en losruimte mag aan de voorzijde van het cultuurcomplex worden gesitueerd mits dat aantrekkelijk in beeld wordt gebracht. In voorkomende gevallen kan sprake zijn van opnamewagens (radio, tv), de verwachting is niet dat dit vaak zal gebeuren.
Deze opnamewagens mogen de routing voor in- en uitladen van decors, instrumenten en dergelijke niet blokkeren en maken gebruik van de vrachtwagen opstelplaats in het openbaar gebied. Nabij de opstelplaats voor de opnamewagens moeten in de buitenmuur aansluitpunten voor bekabeling zijn opgenomen. Na melding bij de medewerkers/artiestenentree of via een intercom, wordt de theatertechnische ploeg verder begeleid bij het uitladen en zo nodig intern transporteren. Doorgangen moeten minimaal 4,50 m breed en 3,5 m hoog zijn. Op tijden dat er geen technici aanwezig zijn (bijvoorbeeld in de nacht of vroeg ochtend) moet het voor vrachtwagenchauffeurs ook mogelijk zijn om de laad- en losplaats te openen om zo zijn vrachtwagen binnen te stallen om aldaar de nacht te kunnen doorbrengen. Verdere toegang tot het gebouw moet op dat moment niet mogelijk zijn, wel kan het van meerwaarde zijn als aangrenzend op de laad- en losplaats een toilet aanwezig is. 4.1.6
Logistiek horeca
De horeca maakt gebruik van de 3e inpandige laad- en losvoorziening voor vrachtwagens, er is geen losstaande laad- en losplaats voorzien. Wel moet er een eigen circuit zijn voor de bevoorrading vanuit de keuken en de opslagruimtes van de bar(s) in de foyers, het theatercafé, de artiestenfoyer en dergelijke, zodat men niet of minimaal de publieks- en theatertechnischeroutes behoeft te kruisen. De positie van de horeca opslag moet goed afgestemd zijn op de positie van het uitgiftepunt, kruisende verkeersstromen tussen bevoorrading en publiek moeten vermeden worden. De Na melding bij de medewerkers/artiestenentree of via een intercom, wordt de chauffeur verder begeleid bij het uitladen en zo nodig intern transporteren. Tevens moeten de bijbehorende administratieve handelingen kunnen worden afgewikkeld. Doorgangen moeten ook hier voldoende breed en hoog zijn. Ook Muzelinck kan incidenteel en na overleg met de Lievekamp gebruik maken van deze laad- en losvoorziening, er worden voorlopig weinig tot geen laad- en losactiviteiten voorzien. Niveauverschillen op de route van de ingang naar de opslag- en keukenruimtes en Muzelinck moeten worden vermeden. Bij de horeca speelt niet alleen de aanvoer van nieuwe voorraden een rol, maar ook de afvoer van afval.
Ten behoeve van externe catering moet er een opstelplaats zijn voor mobiele cateringvoorzieningen, met een korte route naar de publieksruimtes.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
24 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss 4.1.7
Bewegwijzering en narrowcasting
De routing in de publieksvoorziening moet dermate overzichtelijk zijn, dat bewegwijzering zo veel mogelijk vermeden kan worden. De architect dient in overleg met de instellingen een bewegwijzeringsplan te ontwerpen en de bewegwijzering integraal vorm te geven. Hierin moeten de wettelijk voorgeschreven aanduidingen voor vluchtroutes (incl. plattegronden) zijn verwerkt. Alle publiekruimten zijn voorzien van een narrowcasting systeem (levering derde), hiervoor dienen alle nodige aansluitingen voor te worden voorzien. Ook in het backstagegebied moeten een aantal narrowcasting schermen komen welke een andere content krijgen dan de schermen in de publieksdelen. De locaties dienen in overleg met de instellingen nader bepaald te worden, alle noodzakelijke aansluitingen zijn onderdeel van deze opgave. Uitgangspunt is dat, naast twee schermen per horeca-uitgiftepunt, elke entree naar zaal en multifunctionele- en vergaderruimte voorzien is van een scherm. De schermen maken het mogelijk om diverse (promotionele) informatie te voorzien. Het is daarnaast ook mogelijk om specifieke content, zoals bijvoorbeeld zaalbeeld en geluid, te tonen op deze schermen en/of de schermen in te zetten ter ondersteuning van de bewegwijzering. Bij de hoofdentree worden één of meerdere informatiezuilen (levering derde) geplaatst. De bezoekers kunnen op deze zuilen informatie krijgen over de programmering.
De zuilen zijn mobiel en moeten op meerdere plaatsen aan te sluiten zijn, hiervoor dienen alle nodige aansluitingen te worden voorzien. Het Kunst- en Cultuurcluster moet voorbereid zijn op een videowall die aan de buitenzijde van het gebouw komt te hangen, hiervoor dienen zowel aansluitingen als constructieve voorzieningen te worden aangebracht. 4.2
Entree en centrale informatiebalie
De hoofdentree van het gebouw dient voorzien te zijn van een ruime, openbare inloopruimte met ten minste 2 paar deuren. De entree moet een open en drempelloos karakter hebben, je voelt je direct welkom en wordt als het ware verder het pand in getrokken. De entreehal heeft een openbaar toegankelijk deel, dat geschakeld is met het theatercafé aan de voorzijde. Het openbaar toegankelijke deel gaat over in een niet openbaar deel. Nabij de entree bevindt zich, op de lijn van de overgang van openbaar naar niet openbaar deel, een informatiebalie gecombineerd met de kassa. De balie is als het ware met zijn rug gelegen tegen het niet openbaar deel en geeft toegang tot de backoffice. De balie mag de constante doorloop van publiek niet hinderen en dient om die reden niet direct voor de entree te liggen. De centrale informatiebalie is zowel voor Muzelinck als het theater. De centrale informatiebalie moet open maar toch ook afsluitbaar zijn, zodat deze niet altijd bij openstelling van het pand bemand hoeft te zijn. De informatiebalie moet goed zichtbaar zijn, ook als er veel mensen aanwezig zijn. Ook in gesloten toestand moet de balie een open karakter houden. Informatievoorzieningen dienen ook toegankelijk te zijn als de balie gesloten is, hierbij te denken aan foldermateriaal en/of (interactieve) informatieschermen.
Voor de opslag van PR materialen wordt per verdieping één vaste afsluitbare kast voorzien. De informatiebalie mag bemand én onbemand nooit als drempel voor verdere toegang tot het pand fungeren en of aanvoelen en is vanaf diverse posities goed zichtbaar. Alle voorzieningen dienen daarnaast ook voor mindervalide personen toegankelijk te zijn zonder concessies aan het functioneel gebruik. De centrale balie moet dusdanig ingericht zijn dat het ook als kantoor werkplek kan functioneren, uitgangspunt is minimaal 4 werkplekken. Er wordt ook voorzien in een direct aansluitende backoffice. In deze backoffice moeten administratieve werkzaamheden kunnen worden verricht, buiten het zicht van publiek en is te gebruiken door beide instellingen (kaartverkoop, cursistenadministratie etc.). De backoffice is toegankelijk vanaf de balie maar ook via een losse zij- of achteringang. De backoffice
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
25 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss doet tevens dienst als EHBO-ruimte en moet voor iedereen goed bereikbaar zijn en voorzien zijn van een wastafel. Er dient, naast de werkplekken, voldoende ruimte te zijn om mensen te kunnen behandelen en het eventueel opstellen van een bed. Daarnaast dient de ruimte voorzien te zijn van de noodzakelijke middelen zoals communicatievoorzieningen, EHBO-koffers, AED, rolstoel en Evacchair (1 op iedere verdieping aanwezig) De kassa/het bespreekbureau is een werkplek welke gelegen is aan de centrale informatiebalie, het is geen losse opzichtzelf staande ruimte. Ondanks het gebruik van glas dient de kassaruimte akoestisch zo 'droog' te zijn, dat een kassamedewerker meerdere gesprekken (telefoon en bezoekers voor de balie) makkelijk tegelijk kan voeren. De verwachting is dat steeds meer kaartverkoop via internet zal gaan plaatsvinden, de kassa moet dan ook niet enkel ingericht worden als kassa maar tevens als volwaardige kantoorwerkplek kunnen functioneren. In de directe nabijheid van de entree en informatiebalie moeten zowel in de buitengevel als binnen mogelijkheden zijn voor publiciteit en het aankondigen van activiteiten (vitrines, affiches, narrowcasting, folders, interactieve schermen e.d.).
De instellingen krijgen hiermee de mogelijkheid om zich als het ware te introduceren, een uitnodiging om het pand verder te betreden en kennis te maken met de diverse mogelijkheden. Er dient daarnaast ook ruimte aan een wand gereserveerd te worden voor het plaatsen van de zogenaamde “wall of fame” waarop sponsoren en donateurs van het Kunst- en cultuurcluster worden gepresenteerd. De kaartcontrole kan plaatsvinden op één locatie per zaal. Buiten, nabij de ingang, dienen in- en uitstapfaciliteiten voor het publiek (taxi, rolstoelbusje, touringcar) aanwezig te zijn. 4.3
Decentrale informatiebalie
Als onderdeel van de opgave dient een losse en verplaatsbare balie te worden voorzien, op een aantal plaatsen dienen de daarvoor noodzakelijke aansluitingen te worden voorzien. Muzelinck krijgt in voorkomende gevallen de beschikking over een eigen in- en uitgang, bijvoorbeeld bij sluiting van de hoofdentree of grote evenementen. In dat geval dient er een simpele vaste balie te zijn bij deze entree. Dit kan in de vorm van een “opengewerkt” kantoor worden voorzien. Deze is gelegen op de begane grond bij de toegang tot het Muzelinck gedeelte. Voordeel van dit “opengewerkt” kantoor is dat deze medewerker ook goed zicht heeft binnenkomende en vertrekkende bezoekers, wat de beheersbaarheid van de locatie ten goede komt. 4.4
Garderobe
Er dient een centrale afgesloten en bemande garderobe te worden voorzien. Deze garderobe heeft een zeer open karakter en heeft voorzieningen en een indeling welke een snelle afhandeling mogelijk maakt dit alles met tot doel een ongecompliceerde en drempelloze entree. De garderobe moet wel de mogelijkheid hebben om ook onbemand te gebruiken, de garderobe moet hiervoor aan de voorzijde/balie zijde over minimaal 80% van de breedte te openen zijn. De garderobe wordt in de nabijheid van de entree gesitueerd maar mag de doorstroming van publiek niet hinderen. De garderobe is gelegen tussen de centrale hal en café en niet tussen zalen en café, hiermee wordt het nog even blijven hangen in het café gestimuleerd. Verspreid over foyer en theatercafé moeten aanvullende garderobevoorzieningen worden getroffen. In totaal dient er ruimte te zijn voor 1.700 jassen. De uitgiftepunten van de garderobe moeten zo ruim zijn dat het mogelijk is na afloop van de voorstellingen in betrekkelijk korte tijd de jassen aan het publiek terug te geven, zodat lange rijen worden voorkomen. De voorzieningen moeten zodanig zijn gesitueerd, dat de kans op diefstal zo klein mogelijk is. Dit wil zeggen dat het (horeca)personeel goed zicht moet hebben op de plekken
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
26 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss waar de jassen hangen. Wellicht is het wenselijk om 'lockers' met pandslot aan de bezoekers beschikbaar te stellen, als toevoeging op de garderobe. In de foyer en/of centrale entree dient een opstelruimte voor dergelijke lockers te zijn om dit mogelijk te maken, er dient een wand voorzien te zijn voor de plaatsing van circa 40 lockers (levering derde). 4.5
De foyer en centrale hal
De foyerruimte moet zo worden ingedeeld dat een ruimtelijk geheel ontstaat, maar dat ook bij een kleine bezetting een intieme sfeer aanwezig is. Dit wordt bereikt door middel van het verdelen van de foyers over meerdere verdiepingen. De centrale hal is onderdeel van het altijd publiek toegankelijk en openbaar deel de achterliggende foyer zijn niet altijd openbaar en worden afgeschermd van het openbaar deel. Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk om publieksgroepen te scheiden en of kaartcontrole uit te voeren tussen hal en foyer. Doormiddel van hoogte, vides, doorkijkjes en dergelijke kan het aspect zicht worden versterkt en wordt het daarnaast mogelijk om de verschillende foyerruimtes naast elkaar te laten functioneren. De foyer op de begane grond mag echter geen niveauverschillen hebben. Minimaal één gedeelte moet afschermbaar zijn in de vorm van een VIP-ruimte. Er dient één duidelijk zichtbare plaats aangewezen te worden die gebruikt kan worden voor het verkopen van merchandise van bezoekende gezelschappen en artiesten, bij de zalen en centraal bij de ingang en in het café. De centrale en decentrale infrastructuur maakt onderdeel uit van dit PvE, evenals de gebouwgebonden (inrichtings)componenten. In de ruimtestaat en onderstaand wordt al wel indicatief aangegeven wat de basiseisen zijn. Voor de volgende ruimtes foyers voorzien: -
een opdeelbare foyer (op verschillende niveaus) voor de grote zaal
-
een foyer bij de middenzaal
-
een foyer bij de vestzakzaal.
Net als in entree, zalen en horecaruimtes moet de bezoeker zich ook in de foyers thuis voelen. De ruimtes moeten robuust, ruim en stijlvol zijn, maar toch een warme en intieme uitstraling hebben. De gasten moeten er zich gemakkelijk kunnen bewegen en zich aan elkaar laten zien. De ruimtes zijn daar waar mogelijk een verlengstuk van de centrale hal en zodanig op te zetten dat grootschalige culturele feestactiviteiten kunnen plaatsvinden. Publiek moet kunnen zitten, hangen of staan. Er moeten dus loungeplekken zijn voor wat langer verblijf, maar ook plekken waar je met een groepje kortstondig kan verblijven. Van groot belang is dat het gebouwgebonden meubilair tegen een stootje kan, niet snel beschadigd raakt en toch sfeervol is en makkelijk schoon te houden. Bij de keuze van toe te passen materialen dient rekening te worden gehouden met het feit dat deze bestand moeten zijn tegen mechanische beschadigingen, inkrassen etc. Verder moeten ze onderhoudsarm zijn. De detaillering moet zodanig zijn dat geen beschadigingen aan kledingstukken of persoonlijk letsel kunnen ontstaan. In alle foyerruimtes moet zich op een strategische plaats een aantal vaste horeca-uitgiftepunten bevinden waar het publiek in zo kort mogelijke tijd van koffie en dergelijke kan worden voorzien.
Deze uitgiftepunten moeten gelegen zijn tegen een achterwand met achtergelegen de brasseerruimte en niet midden in de ruimte, en zijn voorzien van water, afvoer en aansluiting op de kelderbierinstallaties. In iedere foyerruimte op verschillende plaatsen tevens enkele afvoerpunten ten behoeve van mobiele taps aan te brengen. Er dienen faciliteiten aanwezig te zijn om er recepties, congressen, (catering)buffetten en diners, beurzen, feesten en exposities te kunnen organiseren. Bij de installaties dient hier terdege rekening
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
27 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss mee te worden gehouden. Rekening te houden met bar/drankuitgiftepunten en voorzieningen voor het serveren van bijv. een warm/koud buffet of een sit-down diner. Dit laatste vereist een directe ruimtelijke relatie naar de keuken en de drankuitgiftebuffetten. Bij de ruimte-indeling rekening houden met strategisch te kiezen opslagruimten of zogenaamde servicegang die de publieksruimte niet doorkruist. In de directe nabijheid van de foyers eveneens additionele sanitaire voorzieningen opnemen. De foyer en de centrale hal dienen te beschikken over sfeerlicht dat centraal wordt geregeld maar ook lokaal dimbaar (te 'finetunen') is. De temperatuur van de ruimtes wordt centraal geregeld. In deze publieksruimtes dient, met betrekking tot de warmtelast, rekening te worden gehouden met een grote piek afkomstig van gasten/bezoekers en van evenementen. Voor de aankleding van speciale evenementen dient het verder mogelijk te zijn om 'live muziek' in beperkte zin in de foyers te verzorgen. De akoestische afscherming en noodzakelijke theatertechnische voorzieningen worden in separate hoofdstukken nader uitgewerkt. In de foyers zijn tevens diverse beeldschermen te zien met daarop informatie over toekomstige voorstellingen, beelden van evenementen in de toekomst, live beelden van evenementen op dat moment en/of commerciële (sponsor)boodschappen.
Deze schermen maken het tevens mogelijk om bijvoorbeeld laatkomers, en personen die door omstandigheden de zaal hebben verlaten, de voorstelling te laten volgen. Hiervoor afdoende aansluitingen opnemen. Er dient eveneens rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van (door derden) tijdelijk te plaatsen professionele geluid- en lichtapparatuur, dit bijvoorbeeld tijdens inleidingen op een voorstelling, evenementen of lezingen. Voor deze functie dient op een nader te bepalen locatie een vaste verhoging te worden voorzien. Het podium is een verhoging van circa 400 mm ten opzichte van vloerniveau. De ruimte zodanig indelen dat er tot circa 100 stoelen voor het podium kunnen worden geplaatst. Het podium zodanig situeren dat dit de directe doorgang naar de overige ruimtes niet belemmert. 4.6
Grote zaal
De Grote theaterzaal is van het zaaltype dat in veel Nederlandse schouwburgen aangetroffen wordt, met een lijsttoneel en een orkestbak. De orkestbak kan hierbij tevens dienst doen als verlengstuk van het voortoneel, waarmee de zogenaamde “flexibele prosceniumzone” wordt bereikt. De grote zaal heeft een stoelenplan in een vaste opstelling op de parterre en één balkon, een deel van de stoelen is uitneembaar (o.a. regieplaats, orkestbak en mindervalideplaatsen) Deze zaal krijgt in theateropstelling minimaal 950 zitplaatsen (waarvan circa 55 op de orkestbak), waarbij wordt gestreefd naar een aantal van 980 zitplaatsen zodat ook bij gebruik van de regie- en mindervalideplaatsen er minimaal 950 zitplaatsen beschikbaar zijn. Overige eisen aan het stoelenplan zijn: •
stoelbreedte 550 mm, gemeten aan de achterzijde (rugleuning) over een rechte lijn van de stoel.
•
rijdiepte parterre Grote zaal minimaal 930 mm, en minimaal 1000 mm op het optionele balkon
•
ten behoeve van meenemen van consumpties naar de zaal moeten de stoelen voorzien zijn van bekerhouders
•
aaneengesloten stoelenrijen met alleen aan weerszijden een gangpad dat wil zeggen: ‘continental seating’, zonder middenpad
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
28 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss •
gebogen stoelenrijen, richtpunt voor de gebogen stoelenrijen is het punt op de middenas van zaal en toneel, gelegen ca. 12 m achter ‘Koperen Kees’
Er dient onderzoek te worden uitgevoerd naar het mogelijk hergebruik van de Zuiderstrand stoelen, in dat geval is het toegestaan om af te wijken van de voorgeschreven stoelbreedte van 550 mm. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de huidige stoelen in breedte variëren van 500 mm tot 550 mm. Ook bij het terugplaatsen van eventueel hergebruikte stoelen dient om voorgaande reden onderzoek plaats te vinden naar welke stoel breedte waar moet worden toegepast, dit om te voorkomen dat de zichtlijn wordt beperkt door de voorzittende persoon. De stoelen moeten in een goed ritmisch verloop te worden geplaatst waardoor je tussen de voorgelegen stoelen doorkijkt. Een deel van de stoelen is dus eenvoudig wegneembaar en te verplaatsen naar een berging op hetzelfde niveau: de orkestbakstoelen en de stoelen ter plaatse van de zaalregieplek en die t.b.v. mindervaliden. Een deel van de mindervalidenplaatsen bevindt zich achter in de zaal. Een mindervalidenopstelplaats dient ruimte voor de eigen rolstoel te bieden en de persoon die hen vergezelt dient ernaast plaats te kunnen nemen. Minimaal 2% van de zaalcapaciteit dient geschikt te zijn voor mindervaliden en hun begeleiders. Deze bezoekers moeten zonder hulp van theatermedewerkers hun plek kunnen bereiken. Alle zaaluitgangen moeten met een lift bereikbaar zijn voor rolstoelen. In geval van brand moeten de rolstoelen snel ontruimd kunnen worden.
De rolstoelplaatsen bevinden zich niet op zogenaamde slechtzichtplaatsen in de zaal en moeten in omvang aan te passen zijn naar het gewenste aantal plaatsen door bijvoorbeeld een volledige rij uitneembaar te maken. Minimaal twee plaatsen zijn direct naast een entreedeur gelegen zodat mensen met een hulphond de zaal eenvoudig kunnen verlaten. Toegang tot de zaal wordt geboden via geluid- en lichtsluizen, want hinderlijk licht en geluid afkomstig uit andere ruimtes moet uit de zaal geweerd worden: zogenoemde 'steeksluizen'. Het optionele balkon dient met een lift bereikbaar te zijn voor mensen die slecht ter been zijn. Mindervaliden moeten zonder hulp van theatermedewerkers hun plaats kunnen bereiken en zonder obstakels in een rechte doorlopende lijn de zaal (o.a. vanaf de lift) kunnen bereiken zonder abstakels. Voor de bediening van de lichttechniek is in de grote zaal een licht/regiecabine (inspiciëntenruimte) nodig. Hierbij moet aandacht worden besteed aan de hoek tussen lichtcabine en toneel. De cabine moet goed zicht hebben op toneel én zaal. De cabine mag daarom vooral niet te hoog liggen. De regiecabine moet plaats bieden aan 2 à 3 personen. De voorzijde van de regiecabine moet een ruit bevatten die kan wegzakken in de borstwering. Vanuit de regiecabine moeten deursluitingen van de zaal centraal te regelen zijn. Ook moet hier het zaallicht bediend kunnen worden.
De regiecabine is tevens in te richten als een kantoorwerkplek bijvoorbeeld voor het draaien van zogenaamde regiediensten waarbij het personeel zicht moet hebben op de zaal maar tevens ander (kantoor)werk kan doen. Voor de geluidstechniek is in de theaterzaal een geluideiland/regieplek nodig van minimaal 2 m diep en 3 meter breed. Er dienen voorzieningen te zijn die het creëren van een kleine en grote regieplek mogelijk maken, zodat bijv. in geval van cabaret extra kaarten verkocht kunnen worden. Deze plaats voor de geluidtafel moet worden geïntegreerd in het zaalontwerp. De opstelplaats voor het geluideiland moet bij een breder-middenpad liggen en zodanig verzonken zijn, dat de rijen direct er achter er geen hinder van ondervinden. Daarbij moet rekening worden gehouden met mogelijkheden voor transport van de apparatuur. Geluidtafels zijn rijdend, of anders mechanisch te plaatsen op het geluideiland/regieplek (in verband met Arbo-eisen). Een mogelijkheid hiervoor is dat het dwarspad links en rechts zonder hoogteverschil of met een hellingbaan met het toneel verbonden is. Voor de bekabeling moeten links en rechts kabelgoten aanwezig zijn. Tegen de achterwand van de zaal wordt een tweede regieplek voorzien die, bijv. als geluidversterking van minder groot belang is, gebruikt kan worden als alternatief voor de standaard regieplek.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
29 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss In de Grote zaal zijn de theaterfauteuils in een vaste oplopende stoelopstelling gesitueerd op de parterre en op één optioneel balkon. Ten opzichte van de eerste stoelenrij is het toneel 0,9 meter hoger gelegen, achter een bouwkundige ‘lijst’. Aan de voorzijde van de toneellijst steekt de toneelvloer niet meer dan 30 cm uit om de afstand tussen de artiesten en het publiek zo veel mogelijk te verkleinen. De eerste vijf rijen liggen ten opzichte van de toneelvoer verdiept, vanaf rij 6 zijn de niveaus hoger dan toneelnivau. De zesde rij wordt bij voorkeur van een breder gangpad voorzien zodat toegang tot de zaalregieplaats mogelijk is. Een andere mogelijkheid is het eenvoudig verplaatsbaar maken van de stoelenrij zodat een breder gangpad eenvoudig voorzien kan worden. Het overstek van het (optionele) balkon boven de parterre is niet meer dan vier (plaatselijk vijf) stoelenrijen diep, om de beleving van de ruimte en de voorstelling voor het onder het balkon gezeten publiek zoveel mogelijk te intensiveren. Bezoekers willen ook ‘elkaar’ kunnen zien, voor aanvang en na afloop van de voorstelling, als het zaallicht aan is. Tijdens voorstellingen is in de zaal alleen oriëntatielicht in de vorm van tredenverlichting zichtbaar. Een intiem karakter wordt voor een succesvolle exploitatie van deze zaal erg belangrijk gevonden.
Om in de Grote zaal ook een klein publiek te kunnen ontvangen, moet de ruimte visueel kunnen worden verkleind, zodat men zich niet in de ruimte verloren voelt. Bij een kleine bezetting dient de zaal dan toch een gevulde indruk te maken. Behalve dat dit voor publiek en artiesten prettig is, heeft het ook een zakelijke reden: een lege zaal leidt tot nog legere zalen, een volle zaal stimuleert de kaartverkoop. Een bijzondere kwaliteit wordt gerealiseerd door in de theaterzalen daglicht te laten binnenvallen. Omdat de theaterfunctie zelf volledige duisternis vraagt, dient daglichttoetreding te allen tijde snel en eenvoudig en op afstand bestuurd tenietgedaan kunnen worden. 4.6.1
Het toneel
Het toneel, ook wel als 'podium' aangeduid, beslaat het speelvlak en de zij- en achtertonelen. De toneelopening is minimaal 16 m breed en 8 m hoog. Om strooilicht zoveel mogelijk te absorberen is de toneellijst en de naastliggende wanden uitgevoerd in een matte donkere kleur. De afmetingen van het speelvlak zijn 16 m breed en 14 m diep. Rond het speelvlak in de toneeltoren, d.w.z. het voor het publiek zichtbare deel van het toneel, hangen gordijnen die dit gebied driedimensionaal kaderen. Boven het speelvlak bevinden zich de lijntrekken (roeden/trussen) voor decors, licht- en geluidapparatuur, theatergordijnen enz. Aan de zijkanten van het trekkenveld bevinden zich zijtonelen van respectievelijk 7 en 12 m breed. De totale podiumbreedte komt dan uit op 35 m. Achter het speelvlak is een achtertoneel van 6 m. De totale podiumdiepte bedraagt 23 m. De vrije hoogte van zij- achtertoneel is 9 m (incl. leidingen en kanalen). De toneelvloer uit te voeren als verende, 'zelfherstellende' houten opbouwvloer met in het vloeroppervlak op te nemen te openen kabelgoten rondom het trekkenveld. De toneeltoren is 30 m breed (gecentreerd aan de as van het speelvlak) en 17,5 m diep en 23 m hoger dan podiumniveau en is geheel gevuld met allerlei theatertechnische installaties zoals die in hoofdstuk 8 Theatertechniek zijn beschreven.
Kolommen op het podium op de hoeken van de toneeltoren zijn toegestaan. Er dienen faciliteiten te zijn voor het gebruik van het toneel door publiek, dit maakt de zogenaamde “toneel op toneel” voorstellingen mogelijk. Hiervoor worden mobiele stoelen opgesteld op de vloer voor het publiek, in de grote zaal kunnen tevens de orkestbakstoelen ingezet worden. Geldend voor alle theaterzalen wordt benadrukt dat vluchtroutes voor het publiek niet over de tonelen mogen voeren. Niettemin wordt één uitzondering op de regel toegestaan: de veelzijdige programmering die men voor de beide zalen beoogt, vraagt de mogelijkheid publiek op het toneel te plaatsen, zittend op
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
30 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss voor de gelegenheid opgebouwde tribunes direct rond het speelvlak. Te denken valt bijvoorbeeld aan een klassieke toneelopstelling, maar ook aan een opstelling van een boksring of een circusarena. Bij een dergelijk evenement bevinden zich op het toneel maximaal 300 bezoekers op het Grotezaalpodium en 100 bezoekers bij dezelfde situatie op het Middenzaalpodium. Het vluchten kan dan wellicht niet anders dan via de tonelen. Die situatie zou zich ook kunnen voordoen bij de aanwezigheid van een groot gezelschap op het toneel, bijvoorbeeld koor en orkest. Voor het toneel moet een daglichtvoorziening zijn, die kan worden verduisterd bij voorstellingen. Het toneel heeft aan de linker- en rechterzijde wateraan- en afvoeraansluitingen voor een mobiele bar. Deels onder het toneel komt het vaste deel van de orkestbak, de toegang van de orkestbak vind plaats via het achterhuis. 4.7
Middenzaal
De zaal wordt een flexibele zaal, die naast en gelijktijdig met de Grote theaterzaal, als geheel autonome 'Middenzaal' 1 moet kunnen functioneren. Er moet dus een eigen verbinding zijn van de entreehal en de garderobe met de foyer van de vestzak zaal. Terwijl de stoelen in de Grote zaal in een vaste opstelling worden gemonteerd, voorziet de Middenzaal in een telescopisch uitschuifbare tribune. De ingeschoven tribune, met de neergeklapte stoelen erop, maakt dat de Middenzaal vrij van obstakels is te gebruiken. Deze zaal krijgt in theateropstelling minimaal 350 zitplaatsen, waarbij wordt gestreefd naar een aantal van 370 zitplaatsen zodat ook bij volledig gebruik van de regieplaatsen er minimaal 350 zitplaatsen beschikbaar zijn. De zaal (incl. toneel) is ook te gebruiken zonder telescooptribune en beschikt dan over 600 staanplaatsen waarbij per 1,5 persoon minimaal 1m2 oppervlak beschikbaar is, het hefpodium van 8 x 4 meter maakt geen onderdeel uit van het publieksgebruiksoppervlak. Het is daarbij belangrijk dat de toegangen en vluchtwegen niet op minimale capaciteit worden gedimensioneerd. Dit om bij piekmomenten ook de maximale goede beleving te houden, hiervoor dienen de vluchtwegen 15% overgedimensioneerd te zijn. Overige eisen aan het stoelenplan zijn: •
stoelbreedte 550 mm, gemeten aan de achterzijde (rugleuning) over een rechte lijn van de stoel
•
rijdiepte minimaal 950 mm
•
Automatisch om- en opklapbare stoelen bij telescoop bediening
•
Ten behoeve van meenemen van consumpties naar de zaal moeten de stoelen voorzien zijn van bekerhouders
•
aaneengesloten stoelenrijen met alleen aan weerszijden een gangpad dat wil zeggen: ‘continental seating’, zonder middenpad
•
ca. 13 rijen op de inschuifbare tribune
•
ca. 5 rijen op het balkon.
De term 'Middenzaal' verwijst naar de grootte van de theaterzaal, kleiner dan de Grote zaal maar groter dan de in Nederland gangbare kleinere, meestal 'vlakke-vloerzalen' met 200 tot 300 zitplaatsen. Een middenzaal heeft doorgaans tussen ca. 350 en 600 zitplaatsen. 1
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
31 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss Ook hier dient een deel van de stoelen in een eenvoudig te demonteren uitvoering te worden geleverd, ten behoeve van de zaalregieplaats en 8 mindervaliden en hun begeleiders. Een deel van de stoelen is dus eenvoudig wegneembaar en te verplaatsen naar een berging op hetzelfde niveau. Een mindervalidenopstelplaats dient ruimte voor de eigen rolstoel te bieden en de persoon hen vergezelt dient ernaast plaats te kunnen nemen. Minimaal 2% van de zaalcapaciteit dient geschikt te zijn voor mindervaliden en hun begeleiders. Deze mindervalidenplaatsen bevinden zich op 2 locaties van de zaal. Deze bezoekers moeten zonder hulp van theatermedewerkers hun plek kunnen bereiken. Alle zaaluitgangen moeten met een lift bereikbaar zijn voor rolstoelen. In geval van brand moeten de rolstoelen snel ontruimd kunnen worden. De rolstoelplaatsen bevinden zich niet op zogenaamde slechtzichtplaatsen in de zaal en moeten in omvang aan te passen zijn naar het gewenste aantal plaatsen door bijvoorbeeld een volledige rij uitneembaar te maken. Minimaal twee plaatsen zijn direct naast een entreedeur gelegen zodat mensen met een hulphond de zaal eenvoudig kunnen verlaten zonder het overige publiek te veel te storen. Bij eventuele opstellingen met losse stoelen dienen vanwege brandveiligheidsvoorschriften de stoelen gekoppeld te kunnen worden.
Voor de bediening van de lichttechniek is in de Middenzaal een licht-/regiecabine (inspiciëntenruimte) nodig. Hierbij moet aandacht worden besteed aan de hoek tussen lichtcabine en toneel. De cabine moet goed zicht hebben op toneel én zaal. De cabine mag daarom vooral niet te hoog liggen. De regiecabine moet plaats bieden aan 2 personen. De voorzijde van de regiecabine moet een ruit bevatten die kan wegzakken in de borstwering. Vanuit de regiecabine moeten deursluitingen van de zaal centraal te regelen zijn. Ook moet hier het zaallicht bediend kunnen worden. De regiecabine is tevens in te richten als een kantoorwerkplek bijvoorbeeld voor het draaien van zogenaamde regiediensten waarbij het personeel zicht moet hebben op de zaal maar tevens ander (kantoor)werk kan doen. Naast of boven de regiecabine zit een gekoelde projectorruimte voor filmvoorstellingen, ook hier dient goed oog te zijn voor de hoek waaronder de projectie komt te staan. In de Middenzaal moet een daglichtvoorziening zijn, die kan worden verduisterd bij voorstellingen. De Middenzaal dient zowel uitgangen te hebben aan weerszijden, beneden, voorste rij zaal, als achterin boven bij de laatste rij van de publiekstribune. Publiek komt aan weerszijden binnen; de tribune staat centraal op het midden van het speelvlak uitgelijnd.
De gangpaden vanaf het balkon dienen, bij gebruik van de parterretelescooptribune, door te lopen. Bij het doorlopen van de rijen moet ook gekeken worden naar het eventueel aanwezige rijbreedte verschil tussen balkon en parterre gedeelte. Het balkon dient daarnaast ook losstaand van de telescooptribune gebruikt te kunnen worden. Dit vereist dan ook een te openen en te sluiten doorgang van balkon naar de telescooptribune. De Middenzaal is voorzien van een loopbruggenstelsel met allerlei theatertechnische aansluitingen zoals die in hoofdstuk 8 Theatertechniek zijn beschreven. In deze zaal is het van essentieel belang dat alle voorzieningen op publieksniveau zijn weggewerkt in daarvoor afsluitbare en in de wanden geïntegreerde kasten. De regieplaats is flexibel en kan zowel gelegen zijn op als voor het balkon, bij geen gebruik van de tribune komt de regieplek in het midden van de zaal voor het balkon te liggen. Voor een goed flexibel gebruik worden diversie vaste aansluitingen aangebracht in de balkonrand, vanaf deze aansluitingen zijn de in voorgaande benoemde locatie goed bereikbaar. In de parterre en balkon moeten aansluit- en afvoerpunten aanwezig zijn voor mobiele bars.
K151TT2058.R01.0-PvE De Lievekamp_vastgesteld - Programma van Eisen nieuwbouw - definitief
32 | 123
Kunst- en Cultuurcluster - Oss 4.7.1
Het toneel
Het toneel, ook wel als 'podium' aangeduid, is minimaal 16 m breed en 10 m diep en 14 m hoog. Om strooilicht zoveel mogelijk te absorberen zijnde naastliggende wanden uitgevoerd in een matte, wat donkere kleur. Rond het toneel hangen aan rails en/of hijsvoorzieningen gordijnen die dit gebied driedimensionaal kaderen. Boven het speelvlak bevinden zich de lijntrekken (roeden/trussen) voor decors, licht- en geluidapparatuur, theatergordijnen enz. De zaal heeft bij voorkeur een zijomloop welke, naast de standaard entrees naar de tribune, toegang tot de zaal mogelijk maakt. Naast het toneel is een expeditieruimte voorzien die in beperkte vorm ook kan dienstdoen als zijtoneel. De toneelvloer uit te voeren als verende, 'zelfherstellende' houten opbouwvloer met in het vloeroppervlak op te nemen te openen kabelgoten rondom het speelvlak. Het toneel kan bij evenementen ook dienst doen als publieks-/dansvloer (bijv. bij popconcerten, carnaval). Er dient dan ook rekening gehouden te worden met de nodige kierafdichtingen waarmee vervuiling door drank voorkomen wordt. Maar ook de stoffering en aanwezige tribune moet op een goede manier zijn te verwijderen of zijn af te schermen.
De toneelvloer is voorzien van een in hoogte instelbare podiumheffer, deze heffer is in aan de achterzijde van de podiumvloer gelegen en is 8 meter breed en 4 meter diep (zie paragraaf 8.5.2) Geldend voor alle theaterzalen wordt benadrukt dat vluchtroutes voor het publiek niet over de tonelen mogen voeren. Het toneel heeft aan de linker- en rechterzijde wateraan- en afvoeraansluitingen voor een mobiele bar. 4.8
Vestzaktheater
Het Vestzaktheater is een rechthoekige multifunctionele vlakkevloerzaal met inschuifbare tribune met minimaal 100 zitplaatsen op bankjes voor volwassenen en 300 staanplaatsen. De tribune met 100 zitplaatsen moet tevens geschikt zijn voor 150 zitplaatsen voor kinderen. De zaal dient in een zekere mate afgestemd te zijn op het gebruik van de kleinere bezoekers zodat deze ook geschikt is voor kleutervoorstellingen en/of uitvoeringen van Muzelinck, daarbij wordt specifiek aandacht gevraagd voor de zichtlijnen. De telescooptribune bestaat uit 2 handmatig in te schuiven delen en heeft geen stoelen maar comfortabele bankjes. Deze banken zijn eenvoudig inklapbaar en zijn voorzien van een doorlopend kussen. De tribune delen kunnen door de zaal verplaatst worden waardoor de zaal ook op een andere manier is te gebruiken, hierbij bijvoorbeeld te denken aan een debatopstelling en of gebruik van slechts één tribunedeel. Ook is de tribune inzetbaar met een beperkt aantal rijen, bijvoorbeeld door alleen de eerste twee rijen uit te schuiven. Er dient onderzocht te worden of en in welke mate het mogelijk is om de tribune delen verplaatsbaar te maken naar de foyer. Op de bovenste rij van de inschuifbare tribune moet ruimte vrij worden gelaten voor een zaalregiepost. Minimaal 2% van de zaalcapaciteit dient geschikt te zijn voor mindervaliden en hun begeleiders.
Deze bezoekers moeten zonder hulp van theatermedewerkers hun plek kunnen bereiken. Alle zaaluitgangen moeten met een lift bereikbaar zijn voor rolstoelen. In geval van brand moeten de rolstoelen snel ontruimd kunnen worden. De multifunctionele Vestzakzaal is geschakeld met de entreehal en kan bij de entreehal worden betrokken en is aan minimaal één lange zijde voor 80% te openen naar entreehal of foyer. Hierdoor ontstaat een koppeling tussen de publieksruimte. De ontsluiting dient zodanig te zijn dat er een gevoel van één geheel ontstaat. Ook in gesloten toestand moet er enige transparantie blijven, waardoor interactie en beleving mogelijk blijft.