Provincie Flevoland motie Windmolens en Bisfenol A.
Tekst van het document
Onderdeel
Aantal
Kostprijs
Totale kosten
Voorbereiding
7
500
3500
Klic melding
7
100
700
Reiskosten
1
700
700
Boring en peilbuis plaatsen (3 m -mv)
35
200
7000
Inmeten peilbuis
35
10
350
Beschermkoker peilbuis
35
20
700
Monstername oppervlaktewater
14
30
420
Monstername grondwater
35
50
1750
Monstername grondmonster bovengrond
35
20
700
Analyse op Bisfenol-A grondwater
35
555
19425
Analyse op Bisfenol-A grond
35
147
5145
Analyse op Bisfenol-A oppervlaktewater
14
555
7770
Totaal
40.390
Tabel 5-2
Opgegeven prijzen per laboratorium voor BPA in grond en water
Medium
Rapportagegrens
Prijs (€ excl BTW)
Water
0,2 ug/l
147
Water
0,005 ug/l
555
Grond
0,01 mg/kg
147
5.2
Alternatief 1: Brede meetcampagne in de provincie
Een meetprogramma met alleen focus op de gebieden rond de windmolens levert een gefragmenteerd beeld op van de problematiek. Daarom is een alternatief om een breed onderzoek te doen naar de aanwezigheid van BPA en microplastics in grond, oppervlaktewater en grondwater in de gehele provincie. Dit geeft een totaalbeeld van de aanwezigheid van BPA en zo kunnen mogelijke hotspots gesignaleerd worden. Naast windmolens kunnen ook meetpunten worden gebruikt die in de buurt staan van wegen (afspoelend wegwater), jachthavens (uitloging van schepen), RWZI’s (lozing van effluent) en landbouwgebieden (gebruik van microplastics in kunstmest). Doel van dit meetprogramma is om een breed beeld te krijgen van de verspreiding van BPA en microplastics en hun achterliggende bronnen. Voor het meetprogramma kan gebruik worden gemaakt van reguliere meetpunten zoals het meetnet van de provincie (Provinciaal Meetnet Grondwaterkwaliteit), het RIVM (Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit), en het waterschap. Het meetnet kan aangevuld worden met nieuwe meetpunten. De meetnetten van provincie en RIVM meten de grondwaterkwaliteit op een diepte van globaal 10 tot 25 meter onder maaiveld. Metingen op enkele meters diepte vlak onder de grondwaterspiegel zullen een meer actueel beeld geven van de problematiek.
28 oktober 2024
BJ8156-RHD-003
23
Projectgerelateerd
Deze aanpak vergt een grotere meetinspanning dan alleen metingen rond windmolens, maar geeft wel een meer compleet beeld van de aanwezigheid van BPA en microplastics in het milieu. De kosten van een dergelijk meetprogramma zijn waarschijnlijk een factor vier groter dan het meetprogramma alleen gericht op de windmolens.
5.3
Alternatief 2: risicogerichte benadering
Het tweede alternatief is een meer theoretische en risicogerichte benadering. Op basis van de totale hoeveelheid stoffen die kan eroderen van de windmolens kan een risico-inschatting worden gemaakt van gezondheidskundige en ecologische risico’s. Een dergelijk onderzoek kan het beste door kennisinstituten worden uitgevoerd zoals RIVM, TNO, aangevuld met kennis van de windmolenproducenten en de GGD. Dit onderzoek sluit aan op het voorstel van het RIVM (Hof, Bodar, et al., 2023): “Op basis van modelleren een risicobeoordeling maken voor de stoffen die kunnen uitlogen uit de specifieke turbine coatings. Het is mogelijk om een schatting te maken van de hoeveelheid stof die uitloogt. Met behulp van verspreidingsmodellen kan vervolgens een concentratie in het milieu worden berekend. Deze concentraties kunnen dan worden vergeleken met normen om de risico’s voor mens en milieu te beoordelen”. RIVM acht dit een zinvol onderzoek, maar geeft ook de volgende kanttekeningen: Er is meer informatie nodig vanuit de producenten over de samenstelling van de coatings op de windturbines; Aanvullend zijn ook preciezere gegevens over slijtage en/of het gebruik van specifieke erosiewerende coatings nuttig; Het ontbreekt aan normen/risicogrenzen voor BPA in Nederland waardoor een duiding van de risico’s lastig is.
Mogelijk zijn bruikbare risicogrenzen (of vergelijkbare waarden) voor BPA te vinden in andere bronnen, bijvoorbeeld EU-RAR BPA, maar dit vraagt een nadere analyse.
5.4
Alternatief 3: big data deskanalyse
Meetdata van grondwater en oppervlaktewater in geheel Nederland worden verzameld. Het gaat dan met name om BPA, van microplastics is nog weinig data beschikbaar. Met deze data kan een vlakdekkend beeld worden gekregen van mogelijke hotspots. Zo kan worden nagegaan of er ook significante afwijkingen zijn in meetresultaten in gebieden waar veel windmolens staan. In voorliggend rapport staat al een kaart met gemeten concentraties BPA in grondwater (Figuur 4-3). Om goede conclusies te kunnen trekken is een betere uitsplitsing nodig naar diepteniveau van meten en moet rekening worden gehouden met verschillende rapportagegrenzen. Voor oppervlaktewater kan een soortgelijke analyse gedaan worden. In tegenstelling tot de grondwaterdata zijn meetdata voor oppervlaktewater verspreid opgeslagen bij verschillende waterschappen. Dit vraagt veel inspanning om alle Nederlandse data bij elkaar te brengen. De vraag is of deze aanpak zinvol is omdat gegevens in oppervlaktewater beperkt beschikbaar zijn en in grondwater vaak onder de rapportagegrens liggen.
5.5
Alternatief 4: laboratoriumtesten
In het laboratorium wordt nader onderzocht hoeveel materiaal erodeert. Aanname is dat dit materiaal in het milieu terechtkomt. Met dit onderzoek wordt niet in beeld gebracht waar dit precies plaatsvindt. Een dergelijk onderzoek moet uitgevoerd worden door een onderzoeksinstituut met voldoende testfaciliteiten. De verantwoordelijkheid hiervoor zou primair bij het bedrijfsleven moeten liggen (“product stewardship”). Meer inzichten over de mate van slijtage van de turbinebladen kunnen dan ingebracht worden in de risicogerichte benadering (Alternatief 2).
28 oktober 2024
BJ8156-RHD-003
24
Projectgerelateerd
6
Conclusies en aanbevelingen
Dit hoofdstuk geeft de conclusies (paragraaf 6.1), een uitspraak van de waarde van de gegeven conclusies voor andere provincies (paragraaf 6.2) en aanbevelingen voor een meetprogramma en mogelijke alternatieven (paragraaf 6.3).
6.1
Conclusies
Hoofdboodschap
De emissies van microplastic en BPA uit windmolens zijn marginaal ten opzichte van de emissies uit andere bronnen zoals verkeer, industrie en landbouw. BPA en microplastics kunnen zich in de lucht als fijnstof gedragen en verspreiden zich diffuus over een groot gebied over de gehele provincie. Er wordt geen lokale verhoging in depositie rond de windmolens verwacht. De concentratie BPA ten gevolge van emissie uit windmolens is waarschijnlijk zo laag dat dit niet meetbaar is in het bodem- en watersysteem.
Over de bronnen: Schatting is dat alle windturbines op land in Nederland samen jaarlijks voor 2,700 kg microplastics in het milieu emitteren. Dit is naar schatting 0,0005% van de totale emissies microplastics. BPA en microplastics kunnen zich in de lucht als fijnstof gedragen. Voorname bronnen van fijnstof zijn verkeer, industrie en veehouderijen. BPA wordt toegepast in veel producten. De hoeveelheid BPA in windmolenbladen is erg klein omdat in de bladen een epoxyhars wordt gebruikt waarin het gebruikte BPA een chemische reactie heeft ondergaan en vrijwel geheel is omgezet. Over de verspreiding door de lucht naar bodem en water: Emissie van microplastic en BPA vindt plaats uit de coatings van de rotorbladen. De coatings verschillen en informatie over de exacte samenstelling is beperkt aanwezig. Emissie van microplastic en BPA deeltjes vindt plaats door de lucht over een groot gebied (vele kilometers) rond de windmolens. Microplastic kan zich verspreiden in hele kleine deeltjes (fijnstof) en grotere deeltjes (tot 5 mm). Emissie per windmolen is maximaal 14 kg microplastic en 2 gram BPA per windmolen per jaar. Het is meer waarschijnlijk dat dit ongeveer 1 kg microplastic en 0,2 gram BPA per windmolen per jaar is. De deeltjes microplastic worden sterk verdund in de lucht dat door de windturbine stroomt (het zog).
Concentraties microplastic en BPA in de lucht direct achter de rotorbladen nemen af tot 0,03 µg/m3 microplastic en 0,005 ng/m3 BPA. Microplastic inclusief BPA verspreidt zich diffuus over het land en wateroppervlak van de provincie. De maximale emissie BPA (uitgaande van 14 kg microplastic per jaar) van alle windmolens in Flevoland per jaar is 0,1 tot 1 µg/m2. Er wordt geen lokale verhoging rond de windmolens verwacht. De verwachte verhoogde concentraties BPA in de grond en het watersysteem zijn in de orde van nanogrammen per liter grond of water en zijn zo laag dat deze niet te meten zijn. Over de aanwezigheid van stoffen: In Flevoland wordt BPA niet aangetroffen in het oppervlaktewater, maar de gebruikte meetmethodes zijn onvoldoende nauwkeurig om uit te sluiten dat de nieuwe Europese KRW-norm wordt overschreden.
28 oktober 2024
BJ8156-RHD-003
25
Projectgerelateerd
6.2
BPA is een stof die relatief vaak in het grondwater in Nederland wordt aangetroffen (19% van de meetpunten op een diepte van ongeveer 10 meter). Het beeld in Flevoland is vergelijkbaar (23%). Microplastics en fijnstof in oppervlaktewater en grondwater zijn niet eerder onderzocht in de provincie Flevoland. Fijnstof kan niet apart gemeten worden. Microplastics komen steeds meer in de aandacht te staan en worden in de toekomst mogelijk wel gemeten.
Bruikbaarheid van dit rapport voor andere provincies
Dit rapport geeft een beeld van de bronnen en aanwezigheid van BPA, microplastic en fijnstof. De beschrijving van bronnen is generiek en is ook van toepassing op de rest van Nederland. Ook voor andere provincies geldt dat de bijdrage van BPA en microplastics in windmolens slechts een klein deel uitmaakt van de totale bijdrage in het milieu. Verschil met Flevoland ten opzichte van andere provincies is dat windmolens hier relatief veel voorkomen. De bijdrage van windmolens zal in Flevoland relatief groter zijn, maar naar verwachting nog steeds niet meetbaar zijn. De verwachting is dat ook met een apart meetprogramma rond windmolens in andere provincies geen significant verband wordt gevonden tussen windmolens en BPA in het milieu.
6.3
Aanbevelingen
Vanwege de voortdurende maatschappelijke zorgen vanuit de maatschappij, ook van buiten Flevoland, over de risico’s van windmolens op het milieu is het goed om hier nader aandacht aan te besteden. Dit kan op de volgende manieren: Met een (getrapt) meetprogramma rond vijf windmolenlocaties en twee referentielocaties gericht op BPA. We denken op voorhand dat er geen verband tussen windmolens en de omliggende milieukwaliteit zal worden gevonden, gezien de relatief grote bijdrage van andere bronnen van BPA. Een meetprogramma kan dit beeld ondersteunen en zo mogelijk geruststellen. Indien er wel aanwijzingen zijn voor verhoogde concentraties rond windmolenlocaties dan kan het meetprogramma worden uitgebreid om nader onderzoek te doen. Met een provinciedekkend meetprogramma (Alternatief 1) gericht op BPA en microplastics. Voordeel van deze aanpak is dat er een meer compleet beeld wordt verkregen van de aanwezigheid van BPA, dat er beter conclusies kunnen worden getrokken over de ruimtelijke verbreiding van BPA en microplastics in grondwater en oppervlaktewater. Zo kunnen beter verbanden worden gelegd tussen de belangrijkste bronnen van BPA en de aanwezigheid van deze stof in het milieu en geeft dit meer handelingsperspectief om milieurisico’s te beperken. Dit geldt ook voor de aanwezigheid van microplastics. Dit vormt waarschijnlijk een groter risico dan BPA.
Tot op heden is er nog weinig onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van microplastics in grond- en oppervlaktewater. Het ontbreekt nog aan voldoende inzicht in de slijtage van windturbinebladen. Windmolenproducenten kunnen helpen door testresultaten te delen. Met een theoretische risicogerichte benadering (Alternatief 2) kan een risico-inschatting worden gemaakt van de gezondheidskundige en ecologische risico’s. Het bedrijfsleven kan helpen met het aandragen van testresultaten over materiaaleigenschappen (Alternatief 4). Een bigdata analyse (Alternatief 3) omdat er (nog) te weinig gegevens zijn.
28 oktober 2024
BJ8156-RHD-003
26
Projectgerelateerd
7
Literatuur
AKZO Nobel. (2020). Safety datasheet. RELEST Wind HS Topcoat RAL7035 I306-7135. AKZO Nobel. Bakker, J., Te Biesenbeek, J. D., Boon, P., Bos, P., Van Broekhuizen, F., Geertsma, R., Geraets, L., De Jong, W., Mennes, W., Palmen, N., Piersma, A., Schuur, G., Sijm, D., Van der Ven, L., Verbist, K., Wouters, M., & Zellmaker, M. (2014). Bisphenol A Part 1. Facts and figures on human and environmental health issues and regulatory perspectives (601351001/2014). RIVM. Bool, M. (2021). Reducing intentionally added microplastics in the Dutch Agricultural Innovation System A contribution to mitigate plastic pollution? [Master Thesis]. Science, Management & Innovation master specialization Faculty of Science, Radboud University Nijmegen. Committee on the Environment, Public Health and Food Safety. (2023). REPORT on the proposal for a directive of the European Parliament and of the Council amending Directive 2000/60/EC establishing a framework for Community action in the field of water policy, directive 2006/118/EC on the protection of groundwater against pollution and deterioration and Directive 2008/105/EC on environmental quality standards in the field of water policy (A9-0238/2023). European Environment Agency. (2024). Interview. EEA onderzoekt openbare blootstelling aan bisfenol A. Freriks, I., Van Oversteeg, C., & Zemmelink, H. (2023). Op weg naar microplastics monitoring in rivieren.
Rijkswaterstaat. Hof, M., Bakker, J., & Spanbroek, N. (2023). Beoordeling mogelijke risico’s van chemische stoffen en plastic deeltjes van windturbines op zee. https://doi.org/10.21945/RIVM-2022-0241 Hof, M., Bodar, C., & de Kort, T. (2023). Eerste inzicht in emissies van chemische stoffen bij wind op land (Resultaten quickscan) (2022–0235). RIVM. https://doi.org/10.21945/RIVM-2022-0235 Jonker, M. T. O. (2022). Geneesmiddelen en matig polaire verbindingen in de Rijkswateren: Visualisatie monitoringdata 2010-2020. Institute for Risk Assessment Sciences, Universiteit Utrecht. Katsaprakakis, D. Al., Papadakis, N., & Ntintakis, I. (2021). A Comprehensive Analysis of Wind Turbine Blade Damage. Energies, 31. Mintenig, S. M., Kooi, M., Erich, M. W., Primpke, S., Redondo- Hasselerharm, P. E., Dekker, S. C., Koelmans, A. A., & Van Wezel, A. P. (2020). A systems approach to understand microplastic occurrence and variability in Dutch riverine surface waters. Water Research, 176, 115723. https://doi.org/10.1016/j.watres.2020.115723 Panno, S. V., Kelly, W. R., Scott, J., Zheng, W., McNeish, R. E., Holm, N., Hoellein, T. J., & Baranski, E. L. (2019). Microplastic Contamination in Karst Groundwater Systems. 2. Quik, J., Faber, M., Ridder, J., & Waaijers-van der Loop, S. (2023). Wat weten we over microplastics in het milieu? Kennisagenda Microplastics in het milieu (2022–0188). RIVM.
https://doi.org/10.21945/RIVM2022-0188 Rijkswaterstaat. (2013). Evaluatie screening RWS 2011-2012, rapportage screeningsonderzoek van microvertonreinigingen in de Nederlandse oppervlaktewateren van Rijkswaterstaat (A309550). Rijkswaterstaat, KWR Watercycle Research Institute.
28 oktober 2024
BJ8156-RHD-003
27
Projectgerelateerd
RIVM. (n.d.). Wat is fijnstof? Retrieved March 18, 2024, from https://www.infomil.nl/onderwerpen/luchtwater/luchtkwaliteit/thema%27/fijn-stof/fijn-stof/ RIVM. (2019). Factsheet microplastics in Nederlandse wateren. https://www.rivm.nl/sites/default/files/201906/Factsheet%20Microplastics%20in%20Nederlandse%20wateren.pdf Rutgers, M., Faber, M., Waaijers-van der Loop, S., & Quik, J. (2022). Microplastics in soil systems, from source to path to protection goals. State of knowledge on microplastics in soil (2021–0224). RIVM. https://doi.org/10.21945/RIVM-2021-0224 Sjerps, Rosa, Maessen, Mario, Raterman, Bernard, Ter Laak, Thomas, & Stuyfzand, Pieter. (2017). Grondwaterkwaliteit Nederland 2015-2016 Chemie grondwatermeetnetten en nulmeting nieuwe stoffen (KWR 2017.024). Urbanus, J. H., Brunner, A., Boersma, A., Henke, S., Kooter, I., Lensen, S., Parker, L., Schwarz, A., Imhof, P., Dortmans, A., & Wijngaard, M. (2022). Microplastics are everywhere: 70% reduction achievable [Whitepaper]. TNO. van Loon, A., Pronk, T., Raterman, B., & Ros, S. (2020). Grondwaterkwaliteit Nederland 2020: Anorganische parameters, bestrijdingsmiddelen, farmaceutica en overige verontreinigende stoffen in de grondwatermeetnetten van de provincies. KWR. Verhagen, F., Kleingeld, E., & Avis, L. (2020). Grondwaterkwaliteit provincie Flevoland. Vermeirssen, E. L. M., Dietschweiler, C., Werner, I., & Burkhardt, M.
(2017). Corrosion protection products as a source of bisphenol A and toxicity to the aquatic environment. Water Research, 123, 586–593. https://doi.org/10.1016/j.watres.2017.07.006 Verschoor, A. J. (2015). Towards a definition of microplastics (2015–0116). RIVM. Verschoor, A. J., & De Valk, E. (2018). Potential measures against microplastic emissions to water (2017– 0193). RIVM. https://rivm.openrepository.com/rivm/handle/10029/622058 Vestas. (2022). Vestas Prohibited and Restricted Substance Management.
28 oktober 2024
BJ8156-RHD-003
28
Bijlage 1 Review RIVM
RIVM-reactie op RHDHV-rapport ‘Risico’s windmolens. Emissies van stoffen naar de omgeving’ Definitieve versie, 21 augustus 2024 Opdrachtgever: provincie Flevoland Financiering: Ministerie van Economische Zaken (RVO bijdrage RIVM aan Expertpool RES 22) Auteurs: , en 1. Inleiding De Provinciale Staten Flevoland heeft in november 2023 een motie aangenomen waarin om meer duidelijkheid wordt gevraagd over de aanwezigheid van bisfenol A (BPA), microplastics en fijnstof nabij windturbines in Flevoland. In opdracht van de provincie Flevoland is door RoyalHaskoningDHV (RHDHV) een concept-rapport opgesteld, getiteld ‘Risico’s windmolens. Emissies van stoffen naar de omgeving’. Dit rapport beschrijft de (on)mogelijkheden voor het uitvoeren van een onderzoek naar de emissies en risico’s van bovengenoemde stoffen/deeltjes als gevolg van de erosie van windturbines. De provincie Flevoland heeft vervolgens het RIVM gevraagd om een technischwetenschappelijke reactie op het RHDHV-rapport (versie 1 juli 2024). Het gaat om de volgende vier specifieke vragen: 1. Heeft RHDHV in hun concept-rapport relevante literatuurbronnen gebruikt? Zo nee, welke relevante informatie ontbreekt? 2. Heeft RHDHV het RIVM correct geciteerd daar waar naar RIVM onderzoek wordt verwezen? 3.
RHDHV stelt naast de in het concept-rapport beschreven meetprogramma ook alternatieve methoden voor: • Risicogerichte benadering, • Big data analyse, • Laboratoriumtesten. Hoe beoordeelt het RIVM het nut en de haalbaarheid van dit meetprogramma en deze alternatieven methoden in het licht van de gestelde vragen door Provinciale Staten? 4. Ziet het RIVM nog andere mogelijkheden om een antwoord te krijgen op de door de Provinciale Staten gestelde vragen? 2. RIVM reactie Algemeen Het RIVM beperkt zich tot het beantwoorden van de vier vragen die zijn gesteld vanuit de Provincie Flevoland. We geven geen inhoudelijk of redactioneel detail-commentaar (paginagewijs) op het rapport. Hetzelfde geldt voor financiële aspecten, zoals de geschatte kosten voor het meetprogramma en de alternatieve onderzoeksmethoden. De aangenomen motie die de aanleiding vormt van dit onderzoeksvoorstel richt zich ‘enkel’ op de zorg over de aanwezigheid van BPA, microplastics en fijnstof in de leefomgeving nabij windturbines. Het RHDHV-voorstel breidt dit uit met ook de gevaars- en risicoaspecten als gevolg van de mogelijke aanwezigheid van de stoffen/deeltjes in de leefomgeving. Het RIVM reageert nu ook op deze aspecten, maar het is uiteindelijk aan de provincie om te bepalen hoe ver het onderzoek moet
1
strekken. Op zich denken we dat het goed is om, wanneer BPA wordt aangetroffen, de concentraties te vergelijken met de aanwezige risicogrenzen/normen (zie ook hieronder).
Windenergie is een belangrijk onderdeel van de ingezette energietransitie. Het staat voorop dat deze transitie op een veilige manier moet gebeuren en het RIVM onderschrijft daarom het Safe-andSustainable-by-Design principe. Het is daarbij belangrijk dat de veiligheidsaspecten, i.c. de risico’s van stoffen/deeltjes, in het juiste perspectief worden gezet ten opzichte van de duurzaamheidsaspecten, zoals CO2-reductie. Dit geldt ook voor afwegingen ten aanzien van de gebruiksfase van windturbines. We denken dat de uitkomsten van het meetprogramma (zie onder) in Flevoland in indicatieve zin representatief zijn voor de situatie elders in Nederland. Vanzelfsprekend kunnen er verschillen zijn als gevolg van de lokale bodemsamenstelling en geohydrologie, ouderdom windturbine, type windturbine, etc. Ad 1 Het RIVM heeft in het kader van deze opdracht geen aanvullend literatuuronderzoek uitgevoerd. Het is daarom niet mogelijk om met zekerheid te stellen dat ‘alle’ relevante (inter)nationale informatie is meegenomen door RHDHV. Desondanks lijken de nu gebruikte literatuurbronnen een voldoende basis te kunnen bieden om conclusies te trekken. Punt is en blijft dat de producenten van windturbines belangrijke informatie hebben over de samenstelling en coatings van de bladen van windturbines, maar deze gegevens tot op heden niet of onvoldoende beschikbaar lijken te stellen.
Dit belemmert een goede inschatting van de emissies naar de leefomgeving en de bijbehorende risico’s voor mens en milieu. Ad 2 De verwijzingen naar eerder uitgevoerd RIVM-onderzoek naar de emissies van stoffen en deeltjes door erosie van windturbinebladen zijn grotendeels correct. In twee gevallen (zie Bijlage 1) hebben we een correctie gemaakt in de overgenomen getallen uit het RIVM-rapport “Eerste inzicht in emissies van chemische stoffen bij windturbines op land”. Deze correcties hebben geen invloed op de bevindingen. De verwijzingen naar meer algemene RIVM-rapporten over BPA en emissies/risico’s van microplastics zijn juist. Ter info: In het RHDHV rapport wordt verwezen naar de informatiepagina over BPA van het RIVM. Het RIVM heeft deze pagina onlangs geactualiseerd naar aanleiding van de recente European Food Safety Authority (EFSA)-opinie over BPA: Bisfenol A (BPA) | RIVM Ad 3 Meetprogramma In de inleiding van hoofdstuk 5 schrijft RHDHV het nut van een onderzoek min of meer weg, omdat de verwachting is dat er geen BPA-verhoging rondom windturbines waarneembaar is. Vervolgens wordt ‘om toch een idee te hebben’ de opzet van een meetprogramma geschetst, inclusief alternatieve aanpakken. We denken dat het sowieso zinvol is om een (getrapt) meetprogramma voor te stellen en uit te voeren, ondanks dat er geen verhoging van BPA te verwachten is rondom windturbines.
Dit om gehoor te geven aan de steeds terugkerende zorgen vanuit de maatschappij, ook van buiten Flevoland, over dit onderwerp. Belangrijk is wel om van begin af aan duidelijk te zijn 2
naar derden over wat dit meetonderzoek wel en niet oplevert. We benadrukken dat de aanwezigheid van BPA niet één-op-één gekoppeld is aan risico’s voor mens en milieu (zie boven). Bovendien ontbreken op dit moment normen/risicogrenzen in Nederland voor BPA in grond en grondwater, en de in KRW-verband voorgestelde oppervlaktewaternorm is aanmerkelijk lager dan de detectie-/rapportagegrens voor BPA. RHDHV richt zich in het voorgestelde meetprogramma primair op BPA en niet of nauwelijks op microplastics en fijnstof. Dat vinden we een logische keuze, omdat BPA de meest zinvolle ‘marker’ lijkt te zijn voor dit doel (met bijbehorende beperkingen). Microplastics en fijnstof zijn vanuit analytisch oogpunt absoluut niet geschikt, omdat metingen in de milieucompartimenten grond en (grond)water te complex zijn en een veel te gering onderscheidend vermogen zullen hebben. Verder zijn de risico’s van fijnstof vooral relevant in het compartiment lucht (inhalatie mens) en totaal niet in grond en (grond)water. De keuze voor BPA metingen in de milieucompartimenten grond en grondwater lijkt valide. RHDHV verwijst naar recente metingen in oppervlaktewater door Waterschap Zuiderzeeland. Deze laten zien dat de BPA-concentraties in Flevoland op één uitzondering na niet meetbaar zijn, ook in de nabijheid van windmolens. Dit is een goed uitgevoerd onderzoek, maar beperkt van omvang.
We denken dat het daarom nuttig is om naast de voorgestelde metingen in grond en grondwater ook nog enkele metingen te doen in nabijgelegen oppervlaktewater. Waar mogelijk zou dan meetpunten moeten worden genomen in wateren met geringe doorstroming om de beïnvloeding door andere bronnen zo klein mogelijk te houden. De geschetste opzet van het meetprogramma met de meetraaien, bemonsteringsfrequentie, etc. lijkt valide als eerste screening. Afhankelijk van de uitkomsten zou dan later eventueel een vervolgonderzoek kunnen plaatsvinden. Bij negatieve resultaten, d.w.z. geen BPA aangetroffen of geen verschil met referentiepunten/achtergrond, lijkt zo’n follow-up niet aan de orde. Een kanttekening bij de geschetste opzet van het meetprogramma is dat we ons afvragen of de beïnvloeding door andere windturbines moet worden uitgesloten. Vergroot dit niet de kans om BPA terug te vinden bij de metingen en zijn daar dus de mogelijke risico’s het grootst? Risicogerichte benadering De door RHDHV voorgestelde risicogerichte benadering lijkt in eerste instantie op wat het RIVM in het onderzoeksrapport uit 2023 heeft voorgesteld, namelijk “Op basis van modelleren een risicobeoordeling maken voor de stoffen die kunnen uitlogen uit de specifieke turbine coatings (zie bovenstaande bullet). Het is mogelijk om een schatting te maken van de hoeveelheid stof die uitloogt.
Met behulp van verspreidingsmodellen kan vervolgens een concentratie in het milieu worden berekend. Deze concentraties kunnen dan worden vergeleken met normen om de risico’s voor mens en milieu te beoordelen”. Deze onderzoekslijn acht het RIVM in dit verband zinvol, maar staat of valt met meer informatie vanuit de producenten over de samenstelling van de coatings op de windturbines. Preciezere gegevens over slijtage en/of het gebruik van specifieke erosiewerende coatings zijn ook nuttig. Verder ontbreken diverse normen/risicogrenzen voor BPA in Nederland (zie boven) waardoor een duiding van de risico’s lastig is. Mogelijk zijn bruikbare risicogrenzen (of vergelijkbare waarden) voor BPA te vinden in andere bronnen, bijvoorbeeld EU-RAR BPA, maar dit vraagt een nadere analyse. RHDHV noemt verder het belang van het meenemen van cumulatieve aspecten door blootstelling aan BPA via andere bronnen, en van het rekening houden met blootstellingspaden zoals inname van 3
via gras-koe-melk-mens. We denken dat dit additionele aspecten zijn die op zich waardevol zijn, maar het voor dit screeningsdoel onnodig complex maken. Big data analyse Het idee achter een big data analyse is dat op basis van ‘alle’ aanwezige BPA-meetresultaten in Nederland wordt gekeken of er een verband is tussen BPA-concentraties en de nabijheid van windturbines. Het aantal BPA-metingen in oppervlaktewater is naar verwachting zeer beperkt en bovendien deels verouderd, dus de kans is zeer klein dat daar causale verbanden worden gevonden. Voor grondwater zijn er meer gegevens beschikbaar en ook meer recentere gegevens. Figuur 4-3 in het RHDHV-rapport waarin veel grondwater meetresultaten voor BPA zijn weergegeven, lijkt echter niet onderscheidend. Nagenoeg alle meetwaarden liggen immers beneden de signaleringswaarde van 0,1 ug/L. Het RIVM acht een big data analyse weinig of niet kansrijk om een antwoord te krijgen op de onderzoeksvraag. Laboratoriumtesten RHDHV stelt laboratoriumonderzoek voor naar de hoeveelheid materiaal dat erodeert bij windturbines. Een nadere omschrijving van dit onderzoek ontbreekt echter waardoor het RIVM niet in staat is om hier een reactie op te geven. We vragen ons bovendien af of dit onderzoek wel vanuit de overheid moet worden geïnitieerd. De verantwoordelijkheid hiervoor zou primair bij het bedrijfsleven moeten liggen (product stewardship).
Voor alle duidelijkheid: zoals eerder gemeld is betere informatie welkom over de mate van slijtage van de turbinebladen.
4
Bijlage 1. Correcties RHDHV-rapport (versie 1 juli 2024)
Pagina 10. N.B. Dit betreft een fout in het RIVM-rapport.
Pagina 11.
5
MOTIE VREEMD AAN DE ORDE VAN DE DAG Artikel 21.c van Reglement van Orde Provinciale Staten van Flevoland Motie nr.: 2 (In te vullen door de griffier)
Onderwerp: Bodemonderzoek Bisfenol A Agendapunt: 11
Aan de voorzitter van Provinciale Staten Provinciale Staten van Flevoland in vergadering bijeen op: 01 november 2023 Constaterende dat: − In 2014 en 2017 bisfenol A in Flevolandse wateren is aangetroffen; − In 2018 tijdens de meetronde, 1 meetpunt boven de signaleringswaarde van 0,1 µg/l. uit is gekomen (0,26ug/l in B26A0244-1, ten noorden van Almere); − In 2021 een Noorse studie waarschuwt voor de hormoon verstorende en kankerverwekkende eigenschappen van bisfenol A1; − Factcheck Vlaanderen dit onderzoek corrigeerde en via Rotorbladspecialisten Vleemo, een Vlaams windenergiebedrijf, tot de conclusie kwam dat het vrijkomend materiaal van windmolenwieken 640 gram per molen per jaar bedraagt; − Het RIVM in haar onderzoeken tevens bevestigt dat windmolens eroderen; − RTL nieuws in haar nieuwsbericht van 18 juni j.l. constateert dat fabrikanten geen inzage willen verschaffen in de samenstelling van de gebruikte coating; − Bisfenol A door het RIVM aangemerkt wordt als ZZS (Zeer Zorgwekkende Stof); − Uit de technische sessie over dit onderwerp op 11 oktober j.l.
naar voren is gekomen dat de voorgestelde norm voor de rapportagegrens van BPA in het oppervlaktewater een jaargemiddeld gehalte van 34 × 10-6 µg/l (34 miljoenste x miljoenste gram/l) wordt voorgesteld en door het Waterschap als onmeetbaar wordt geacht; − De ESFA adviseert de norm voor inname van BPA 20.000x te verlagen; − Het waterschap jaarlijks grondwater-metingen verricht; − Het Waterschap maandelijks onderzoek doet naar chemie in het oppervlaktewater; − De Omgevingsdienst onderzoek kan doen naar fijnstof rondom windmolens; − Exploitanten van windmolens onderhoudsrapporten kunnen verkrijgen met daarin de jaarlijkse erosie aan microplastics, fijnstof en BPA op basis van gewichtsverlies vermeld; − Exploitanten toegang hebben tot gegevens betreffende de hoeveelheid epoxyhars en BPA per molenwiek; − De wet Bodembescherming stelt dat er een zorgplicht geldt vanuit de Omgevingsdienst, wanneer er sprake is van mogelijk ernstige bodemverontreiniging die risico’s vormen voor mens, het ecosysteem en het grondwater; Overwegende dat: − Er in de gemeente Almere vragen gesteld zijn over metingen naar bisfenol A, waaruit naar voren kwam dat er sinds het laatste onderzoek geen metingen meer gedaan zijn naar deze schadelijke stof; − Er dichtbij windmolens woningen worden gebouwd; − Bewoners van deze woningen vanwege hun geringe afstand tot windmolens een hoger risico lopen om in aanraking
te komen met bisfenol A; − Bisfenol A, bij extreem kleine hoeveelheid, vele liters water verontreinigt − De nieuwe voorgestelde norm vanuit het waterschap 1000000x lager ligt dan de huidige norm; − Indien de voorstelde norm in werking treedt, alle monster de norm overschrijden; − Er vanuit het waterschap geen uitsluitsel gegeven kan worden dat het gehalte BPA in het oppervlakte automatisch tussen de 0 en 0,1 µg/l ligt; − Er windmolens staan in onze Flevolandse wateren, welke kunnen worden aangewend als waterbron in tijden van nood; − Het in belang van de volksgezondheid is dat duidelijk wordt in welke mate deze gevaarlijke stof zich in ons milieu bevindt en in welke mate windmolens hieraan bijdragen.
X Verzoeken het college (dictum) − −
− − −
/
□ Dragen het college op (dictum) / □ Spreken uit (dictum)
Te komen met een voorstel voor onderzoek om de aanwezigheid van fijnstof, microplastics en BPA in het oppervlaktewater en in de grond rondom windmolens te meten; Dit onderzoeksvoorstel tevens te richten tot op welke afstand van windmolens bisfenol A wordt aangetroffen en in welke mate windmolens bijdragen aan de uitstoot van fijnstof, microplastics en BPA; Dit voorstel voor te leggen aan Provinciale Staten; Dit voorstel tevens te voorzien van een passende dekking in de Zomernota 2024; De uitkomsten van dit onderzoek te delen met de Provinciale Staten.
en gaan over tot de orde van de dag. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
https://www.windwiki.nl/leading-edge-erosion-and-pollution-from-wind-turbine-blades/ https://www.rivm.nl/fact-sheet-bisfenol-a-bpa https://www.rtlnieuws.nl/economie/artikel/5396751/mogelijk-gevaarlijke-stoffen-coatingwindmolens-rivm-noordzee https://www.rivm.nl/sites/default/files/202206/Chemische_stoffen_bij_windturbines_op_zee_TG.pdf https://www.efsa.europa.eu/en/topics/topic/bisphenol https://openresearch.amsterdam/nl/page/86261/quickscan-rivm-impact-stoffenwind-op-zee https://factcheck.vlaanderen/factcheck/windturbines-verliezen-geen-62-kg-per-turbine-aanmicroplastic https://www.foodpackagingforum.org/news/france-bansbpa#:~:text=On%20January%201%2C%202015%20the,into%20direct%20contact%20with%20food. https://www.almeredezeweek.nl/nieuws/algemeen/55607/zorgen-om-bisfenol-a-in-flevolandsewateren
Naam initiatiefnemer: R. Woensdregt (FvD), W. Jansen (SterkLokaalFlevoland), M.G.J.H. van Rooij (50PLUS)
Handtekening initiatiefnemer:
De motie wordt ondersteund door: PARTIJ
Stemverhouding Totaal BBB VVD PVV PvdA GroenLinks ChristenUnie D66 CDA JA21 PvdD Forum voor Democratie SP SGP SterkLokaalFlevoland 50PLUS De motie is:
NAAM ONDERTEKENAAR
HANDTEKENING
Voor
Tegen
Aangenomen
Aldus besloten in de openbare vergadering van Provinciale Staten van 01 november 2023. Statengriffier, mr. A. Kost
Voorzitter voor deze, T.A. Smetsers vicevoorzitter
Verworpen