CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Provincie Flevoland motie Windmolens en Bisfenol A.

Gemeenteraad 22 mei 2025, gemeente OssBij agendapunt: Agenda gerelateerd14.128 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Mededeling

Provincie Flevoland 'I

Reg istratien ummer Onderwerp

3341055

Motie Windmolens en Bisfenol A

Datum

10 december 2024 Kern mededeling:

Expertiseteam

Gedeputeerde Staten hebben besloten de motie Windmolens en Bisfenol A niet uit te voeren.

ETMIL

Mededeling:

Openbaar

Openbaarheid

Door de Provinciale Staten is op 8 november 2023 een motie aangenomen waarin gevraagd wordt om: • Een voorstel voor onderzoek om de aanwezigheid van fijnstof, microplastics en bisfenol A (BPA) in het oppervlaktewater en in de grond rondom windmolens te meten. • Dit onderzoeksvoorstel tevens te richten tot op welke afstand van wind­ molens BPA wordt aangetroffen en in welke mate windmolens bijdragen aan de uitstoot van fijnstof, microplastics en BPA. In het rapport "Risico’s windmolens op bodem- en watersysteem" dat is opge­ steld door RoyalHaskoningDHV is onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor een onderzoek zoals voorgesteld door PS. De conclusies die daarin zijn getrok­ ken zijn: • De emissies van microplastic en BPA uit windmolens zijn marginaal ten opzichte van de emissies uit andere bronnen zoals verkeer, industrie en landbouw. • BPA en microplastics kunnen zich in de lucht als fijnstof gedragen en verspreiden zich diffuus over een groot gebied over de gehele provincie. Er wordt geen lokale verhoging in depositie rond de windmolens ver­ wacht. • De concentratie BPA ten gevolge van emissie uit windmolens is waar­ schijnlijk zo laag dat dit niet meetbaar is in het bodem- en watersys­ teem.

Desondanks wordt door de onderzoekers aanbevolen om nader onderzoek uit te voeren vanwege de voortdurende maatschappelijke zorgen (o.a. volksgezond­ heid) vanuit de maatschappij, ook van buiten Flevoland, over de risico’s van windmolens op het milieu.

Gezien de conclusies die zijn getrokken waaruit blijkt dat windmolens als bron van BPA marginaal is, er waarschijnlijk geen oorzakelijk verband kan worden aangetoond, de verspreiding diffuus is over de gehele provincie en verhoogde concentraties als gevolg van emissies uit windmolens naar verwachting niet meetbaar zullen zijn, wordt de motie niet uitgevoerd.

'■r

CD

In plaats daarvan zal, mede vanuit uw geuite zorg omtrent de volksgezondheid, de focus worden gelegd op het genereren van een beter algemeen beeld van de toestand rondom BPA op een kosten-efficiënte manier. Het rapport van RHDHV geeft voor ons aanleiding om bij reguliere monitoring van het grondwater BPA te blijven volgen in het provinciale grondwatermeetnet. We zullen dit ook met het waterschap bespreken, met als doel dat BPA ook in hun oppervlaktewatermonitoring wordt meegenomen, voor zover dat nog niet gebeurt. Hiermee krijgen we een beter inzicht in BPA in de provincie.

Portefeuillehouder Hofstra, H.J.

Lijst ingehomen stuhhen Provinciale Staten

11 december 2024

Mededeling Bladnummer 2 Registratienummer 3341055

Bijlagen

Naam bijlage:

eDocs

Openbaar in de zin

nummer.

van de Woo

(ja/nee aangeven)

Rapport RoyalHaskoningDHV Risico’s windmolens op bodem- en watersysteem____________ Motie 2 (vreemd) - FvD, SLF, 5OPLUS - bodemon­ derzoek Bisfenol A

3341033

Ja

3341061

Ja

RAPPORT Risico's windmolens op bodem- en watersysteem Relatieve bijdrage van BPA en microplastics Klant:

Provincie Flevoland

Referentie:

BJ8156-RHD-003

Status:

Definitief/1

Datum:

28 oktober 2024

Projectgerelateerd

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

Laan 1914 no.35 3818 EX Amersfoort Netherlands Water & Maritime Trade register number: 56515154 Telefoon: +31 88 348 20 00 Fax: +31 33 463 36 52 Email: info@rhdhv.com Website: royalhaskoningdhv.com

Titel document: Sub titel: Referentie: Uw kenmerk Status: Datum: Projectnaam: Projectnummer: Auteur(s):

Risico's windmolens op bodem- en watersysteem Relatieve bijdrage van BPA en microplastics BJ8156-RHD-003 3243633 Definitief/1 28 oktober 2024 BJ8156 BJ8156

Opgesteld door: Gecontroleerd door: Datum:

29 oktober 2024

Goedgekeurd door: Datum:

30 oktober 2024

Classificatie:

Projectgerelateerd

Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 28 oktober 2024

RISICO'S WINDMOLENS

BJ8156-RHD-003

ii

Projectgerelateerd

Inhoud 1

Inleiding

1

1.1

Aanleiding

1

1.2

Doelstelling

1

1.3

Leeswijzer

1

2

Bronnen van BPA, fijnstof en microplastics

2

2.1

Inleiding

2

2.2

Bisfenol-A (BPA)

3

2.3

Microplastics

6

2.4

Fijnstof

8

3

Risico’s op verspreiding

10

3.1

Materiaalgebruik windmolens en erosie

10

3.2

Verplaatsing van deeltjes door de lucht

13

3.3

Depositie naar de grond en het watersysteem

15

4

Aanwezigheid van stoffen in milieu

16

4.1

Oppervlaktewater

16

4.2

Grondwater

18

5

Mogelijk meetprogramma en alternatieve aanpak

21

5.1

Een meetprogramma voor grondwater en oppervlaktewater

21

5.2

Alternatief 1: Brede meetcampagne in de provincie

23

5.3

Alternatief 2: risicogerichte benadering

24

5.4

Alternatief 3: big data deskanalyse

24

5.5

Alternatief 4: laboratoriumtesten

24

6

Conclusies en aanbevelingen

25

6.1

Conclusies

25

6.2

Bruikbaarheid van dit rapport voor andere provincies

26

6.3

Aanbevelingen

26

7

Literatuur

27

Bijlagen Bijlage 1

28 oktober 2024

Review RIVM

BJ8156-RHD-003

iii

Projectgerelateerd

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

In de Provinciale Staten (PS) van Flevoland is zorg ontstaan over de mogelijke verspreiding van fijnstof, microplastics en Bisfenol-A (hierna genoemd BPA) door erosie van windmolens in Flevoland. De verspreiding van deze stoffen leidt mogelijk tot gezondheidseffecten. De Provinciale Staten van de provincie Flevoland hebben 8 november 2023 een motie aangenomen waarin gevraagd wordt om:  Een voorstel voor onderzoek om de aanwezigheid van fijnstof, microplastics en BPA in het oppervlaktewater en in de grond rondom windmolens te meten;  Dit onderzoeksvoorstel tevens te richten tot op welke afstand van windmolens bisfenol A wordt aangetroffen en in welke mate windmolens bijdragen aan de uitstoot van fijnstof, microplastics en BPA. De motie richt zich ‘enkel’ op de zorg over de aanwezigheid van BPA, microplastics en fijnstof in de leefomgeving nabij windturbines. In dit rapport is ook aandacht besteed aan de achterliggende bronnen (niet alleen windmolens) en de mogelijke risico’s voor de omgeving. Dit onderzoek is gericht op de situatie in de provincie Flevoland. Een conceptversie van dit rapport is gedeeld met de provincies Gelderland, Noord-Holland en Utrecht. De bruikbaarheid van de conclusies in dit rapport voor deze provincies wordt toegelicht in paragraaf 6.2.

1.2

Doelstelling

De provincie Flevoland heeft gevraagd om een verkenning uit te voeren naar de mogelijkheden voor de beantwoording van de twee vragen van de PS Flevoland, zoals geformuleerd in voorgaande paragraaf. Op basis van dit onderzoek kunnen vervolgstappen door de provincie genomen worden. In het onderzoek moet aandacht worden besteed aan:  Alternatieve mogelijkheden van onderzoek;  Of een oorzakelijk verband kan worden gelegd tussen de windmolens en de mate van verspreiding van fijnstof, microplastics en BPA;  De geografische reikwijdte van de onderzoeksopzet. Ofwel is deze ook bruikbaar voor andere provincies;  De globale kosten van de voorgestelde onderzoeksopzet(ten).

1.3

Leeswijzer

Na deze inleiding volgt in hoofdstuk 2 een beschouwing van bronnen van de drie beschouwde (groepen van) stoffen: Bisfenol-A, microplastics en fijnstof. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschouwing gegeven van de mogelijke risico’s van deze stoffen van windmolens naar het milieu zoals grond, oppervlaktewater en grondwater. In hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan beschikbare kennis over aanwezigheid van de beschouwde stoffen in oppervlaktewater en grondwater, zowel in Flevoland als in Nederland. Deze inzichten worden gebruikt voor een advies over de meerwaarde van een meetprogramma (hoofdstuk 5). In dit hoofdstuk gaan we ook in op mogelijke alternatieven voor een meetprogramma en geven een schatting van de bijkomende kosten van deze onderzoeken. Het conceptrapport is beoordeeld door het RIVM. Opmerkingen van het RIVM zijn verwerkt in de definitieve versie van het rapport. De memo van het RIVM is opgenomen als bijlage 1 van dit rapport.

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

1

Projectgerelateerd

2

Bronnen van BPA, fijnstof en microplastics

Hoofdboodschap

  

2.1

Schatting is dat alle windturbines op land in Nederland samen jaarlijks voor 2.700 kg microplastics in het milieu emitteren. Dit is naar schatting 0,0005% van de totale emissies microplastics. BPA en microplastics kunnen zich in de lucht als fijnstof gedragen. Voorname bronnen van fijnstof zijn verkeer, industrie en veehouderijen. Bisfenol-A wordt toegepast in veel producten. De hoeveelheid BPA in windmolenbladen is erg klein omdat in de bladen een epoxyhars wordt gebruikt waarin het gebruikte BPA een chemische reactie heeft ondergaan en vrijwel geheel is omgezet.

Inleiding

De vraag naar een meetprogramma komt voort uit de zorgen die zijn geuit na bestudering van de genoemde internetbronnen in onderstaand kader. Hieruit blijkt dat wieken van windmolens eroderen, en waarbij microplastics en BPA houdende coatings kunnen vrijkomen. De keuze om fijnstof te onderzoeken is hierbij niet nader in de motie gespecificeerd. Geraadpleegde internetbronnen voor de motie van PS Flevoland van 1 november 2023        

https://www.windwiki.nl/leading-edge-erosion-and-pollution-from-wind-turbine-blades/ https://www.rivm.nl/fact-sheet-bisfenol-a-bpa https://www.rtlnieuws.nl/economie/artikel/5396751/mogelijk-gevaarlijke-stoffen-coating-windmolens-rivm-noordzee https://www.rivm.nl/sites/default/files/2022-06/Chemische_stoffen_bij_windturbines_op_zee_TG.pdf https://www.efsa.europa.eu/en/topics/topic/bisphenol https://openresearch.amsterdam/nl/page/86261/quickscan-rivm-impact-stoffenwind-op-zee https://factcheck.vlaanderen/factcheck/windturbines-verliezen-geen-62-kg-per-turbine-aan-microplastic https://www.foodpackagingforum.org/news/france-bansbpa#:~:text=On%20January%201%2C%202015%20the,into%20direct%20contact%20with%20food. https://www.almeredezeweek.nl/nieuws/algemeen/55607/zorgen-om-bisfenol-a-in-flevolandse-wateren

In de volgende paragrafen worden de risicostoffen kort ingeleid. Er is gekeken of gegevens beschikbaar zijn vanuit de Emissieregistratie, wat emissiebronnen in Nederland zijn en wat de mogelijke bijdrage van windmolens is aan deze emissies. Landelijke Emissieregistratie De Landelijke Emissieregistratie registreert jaarlijks de emissies van alle relevante Nederlandse bronnen. De Emissieregistratie berekent de meeste emissies zelf en controleert jaarlijks aangeleverde bedrijfsemissies. De emissiedata worden ruimtelijk verdeeld, zodat bekend is waar emissies vrijkomen. Ook worden er jaarlijks rapporten gemaakt volgens internationale afspraken.

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

2

Projectgerelateerd

2.2

Bisfenol-A (BPA)

Bronnen Bisfenol A (2,2-bis(4-hydroxyphenyl)propane, hierna genoemd BPA) is een chemische grondstof die onder meer gebruikt wordt in het vervaardigen van polycarbonaat (PC) plastic en epoxy coatings (Bakker et al., 2014). BPA is een industriële stof die op commerciële schaal al gebruikt wordt sinds 1957. Het is één van de meest geproduceerde chemicaliën ter wereld. In Europa wordt BPA gefabriceerd op zes locaties waaronder Nederland. De productie in Europa is snel gestegen van 1,8 miljoen ton in 2008 tot naar verwachting 8 miljoen ton in 2018 (Bakker et al., 2014). Het wordt voornamelijk gebruikt in polycarbonaat plastic (75%) en epoxyhars (17%) (Bakker et al., 2014). De onderverdeling van gebruik in producten van deze twee categorieën wordt weergeven in Figuur 2-1. Een onderverdeling naar gebruik in coatings in windmolens is niet gegeven in dit overzicht, omdat dit maar om een zeer beperkte hoeveelheid gaat.

12

Constructiemateriaal

36 26

Optische media

Autoindustrie Verpakkingen Medische apparatuur Overig

38

Polycarbonaat

Electronica

10 5

42

300

50

200

Scheepscoatings

Electronica Civiele techniek Spoelencoatings Composieten kleefstoffen

Epoxyharsen

Poedercoatings

200 30 30 200

200

Overig

Figuur 2-1: Gebruik van BPA in producten in Europa in kiloton voor referentiejaar 2008 (op basis van informatie uit (Bakker et al., 2014)).

Epoxyharsen zijn het soort plastic dat aan de binnenkant van blikjes zit of aan de binnenkant van deksels van potjes. Bisfenol-A zit in BPA-houdende materialen die veelvuldig worden gebruikt in de productie van bouwmaterialen, elektronica, beschermende coatings en harde soorten plastic; plastic drinkbekers, broodtrommels, bestek, waterleidingpijpen, PVC en plastic speelgoed. Ook zit BPA vaak in epoxy-verven en lijmen, beschermende coatings voor auto’s en schepen, cd’s, bouwmaterialen en inkt bijvoorbeeld van kassabonnen1. Hierdoor is BPA alomtegenwoordig terug te vinden in het milieu.

1

De toepassing in kassabonnen komt niet meer voor, zodat kassabonnen veilig gerecycled kunnen worden.

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

3

Projectgerelateerd

Zo werd in een screening door Rijkswaterstaat BPA gevonden in alle geanalyseerde zoetwatermonsters uit Rijkswateren (Rijkswaterstaat, 2013). Gebruik van BPA in consumentenproducten wordt door Europese regels steeds verder teruggedrongen. BPA is in de EU verboden als bestanddeel van zuigflessen, sinds 2016 is het gebruik in thermisch papier (zoals kassabonnen) beperkt en geldt nu een grenswaarde voor de hoeveelheid BPA die mag vrijkomen uit speelgoed (Bron: https://chemicalsinourlife.echa.europa.eu/nl/bisphenol-a). De Europese Commissie werkt momenteel aan een voorstel voor een verbod op BPA en andere bisfenolen in materialen die met levensmiddelen in contact komen (European Environment Agency, 2024). De bijdrage van BPA naar het oppervlaktewater in de provincie Flevoland is ontleend aan de emissieregistratie. Het grootste deel van BPA komt via het RWZI effluent in het oppervlaktewater (Figuur 2-2). Een verdere detaillering van emissie naar (sub)sectoren ontbreekt in de emissieregistratie.

Huishoudelijk afvalwater via IBA (0,07 kg) Overstorten (0,02 kg) Regenwaterriolen (0,34 kg) Effluenten RWZI's (3,6 kg)

Figuur 2-2: Emissie van BPA naar het oppervlaktewater in de provincie Flevoland (Bron: data.emissieregistratie.nl)

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

4

Projectgerelateerd

BPA in windmolenbladen Voor de bladen van windmolens wordt een epoxy coating gebruikt. Door het mengen van twee componenten, meestal BPA en epichloorhydrine, verhardt de vloeibare hars geleidelijk tot een harde, op glas lijkende kunststof. Tijdens dit productieproces ondergaat BPA een chemische reactie waardoor het polymeren vormt en, als het ware, ‘weg reageert’. ‘Deze kunststof, diglycidylether van Bisfenol A, afgekort tot DGEBA of BADGE, bevat nog maar 0,001 – 0,01% van het ongebonden BPA. Dit zou kunnen uitlogen naar de omgeving. De mate van uitloging is sterk afhankelijk van het gebruikte product, wat ook blijkt uit bio-assay experimenten met verschillende epoxy coatings (Vermeirssen et al., 2017). Risico’s BPA heeft effect op het hormoonsysteem en immuunsysteem van de van mens. Bisfenol A kan ook een hormoonontregelende werking hebben op gewervelden dieren en vissen. Er is geen sprake van bio accumulatie, BPA verdwijnt weer uit het milieu (European Environment Agency, 2024). De risico’s van BPA worden tegenwoordig hoger ingeschat dan vroeger. Dit was de reden voor de European Food Safety Authority (EFSA) om de veilige drempel voor dagelijkse inname van BPA met een factor 20.000 te verlagen (Bron: https://www.efsa.europa.eu/en/topics/topic/bisphenol). De algemene toelaatbare dagelijkse inname (TDI) is nu gesteld 0,2 ng/kg lg/dag2.

Inname van BPA vindt in het algemeen voornamelijk plaats via voeding die in contact is geweest met BPA-houdende plastics, maar kan ook via inademing van verontreinigde lucht. In het “Besluit activiteiten leefomgeving” geldt een emissiegrenswaarde voor de uitstoot van BPA naar de lucht van 1 mg/Nm³, vanaf een onderwaarde van een emissie van 1,25 kg/jaar. Deze regeling heeft geen betrekking op windmolens, maar geeft een idee bij welke grenswaarde regelgeving geldt voor bedrijven. Sinds 2017 is BPA opgenomen in de lijst zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Dat heeft gevolgen voor het verlenen van vergunningen voor emissies van installaties en processen die onder deze richtlijn vallen. Gebruik van BPA wordt steeds meer aan banden gelegd, daarom zouden achtergrondconcentraties in het milieu op langere termijn moeten gaan afnemen. Specifieke bronnen van BPA zijn lastig aan te wijzen. Dit komt door de diffuse, lage concentraties die in het milieu aanwezig zijn als gevolg van veel (veelal onbekende) diffuse verontreinigende bronnen. Wel worden rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) doorgaans aangewezen als een belangrijke emissiebron voor BPA. Metingen van RWZI-effluent geven een geaggregeerd beeld van het bovenstroomse watersysteem waar BPA-verontreiniging zich verzamelt vanuit het rioleringsstelsel.

In de afgelopen jaren is veel aandacht uitgegaan naar de milieunormen van BPA in oppervlaktewater. Er is nog geen officiële milieukwaliteitsnorm (MKN) voor BPA vastgesteld. Het RIVM hanteert een ad hoc maximaal toelaatbaar risico (MTR)-norm van 64 µg/L. Deze norm zal waarschijnlijk drastisch bijgesteld worden. Dit is al gedaan voor mariene milieus, waarbij een nieuwe jaargemiddelde milieukwaliteitsnorm (JG-MKN) van 3,4 × 10-5 µg/L is voorgesteld vanuit de Europese Commissie (Hof, Bakker, et al., 2023). Om dit te kunnen meten in het oppervlaktewater moet de meetmethode nog aanzienlijk verbeterd worden. Metingen in opdracht van waterschap Zuiderzeeland hadden in 2023 een rapportagegrens van 0,1 µg/l; in 2025 is dit verbeterd tot 0,0005 µg/l, nog altijd ruim boven de nieuw voorgestelde norm. BPA maakt deel uit van het standaard analysepakket voor grondwater van de provincies. Deze stof is opgenomen in perceel 4 (overig verontreinigende stoffen) van het laboratorium Omegam met een rapportagegrens van 0,005 µg/l (meetronde van 2021). Voor grondwater bestaat er nog geen norm voor BPA.

2

lg staat voor lichaamsgewicht in kg

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

5

Projectgerelateerd

Bijdrage van windmolens In de quickscan analyse van het RIVM (Hof, Bodar, et al., 2023) is een inschatting gemaakt van de BPA uitstoot van windturbines. Hierbij is aangenomen dat de uitstoot van BPA door windturbines aannemelijk is, op basis van studies die gedaan zijn naar BPA-uitstoot van beschermende coatings op staal in drinkwater, wegen- en waterbouwsectoren. Daarbij valt onderscheid te maken tussen directe uitloging van BPA vanuit coatings van windturbines en indirecte uitstoot door uitloging uit microplastics afkomstig van windturbines. De hoeveelheid uitloging van BPA is sterk afhankelijk van de gebruikte coatings en de omstandigheden zoals windsnelheid en locatie van de windmolen op zee of land.

2.3

Microplastics

Definitie van microplastics Voor de term microplastics bestaan verschillende definities. In dit rapport gaan we uit van de definitie zoals deze is gegeven door het RIVM: deeltjes kleiner dan 5 mm die bestaan uit vaste, synthetische polymeren die nauwelijks afbreken en slecht wateroplosbaar zijn (Verschoor, 2015). Hieronder worden niet alleen daadwerkelijke plastics verstaan, maar ook elastomeren zoals rubber. De daadwerkelijke samenstelling van microplastics is divers en de meest gebruikte synthetische polymeren in Europa zijn polyethyleen (PE), polypropyleen (PP), polyvinylchloride (PVC), polyurethaan (PU), polyethyleentereftalaat (PET) en polystyreen (PS). BPA en microplastics kunnen zich in de lucht als fijnstof gedragen. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen ‘primaire’ en ‘secundaire’ microplastics (Quik et al., 2023). Primaire microplastics worden bewust geproduceerd, d.w.z. het microplastic is het beoogde product. Een voorbeeld hiervan zijn microplastics die toegevoegd zijn aan gewasbeschermingsmiddelen in de land- en tuinbouwsector of aan persoonlijke verzorgingsproducten zoals scrubs. Secundaire microplastics zijn niet intentioneel geproduceerd en ontstaan dankzij de fysische verwering van materialen, bijvoorbeeld door slijtage en uitloging (het oplossen en uitspoelen van een vaste stof).

In het voorliggende rapport ligt de focus op secundaire microplastics die ontstaan door de verwering van materialen waaruit windturbines bestaan. Bronnen van microplastics Verreweg de meeste microplastics die we in het milieu tegenkomen zijn secundaire microplastics (Verschoor & De Valk, 2018). Uit onderzoeken van TNO en het RIVM blijkt dat het grootste gedeelte van deze microplastics afkomstig zijn van rubberbanden, gevolgd door verpakkingsmaterialen en de land- en tuinbouw (Urbanus et al., 2022; Verschoor & De Valk, 2018). Wanneer alle bronnen samengenomen worden zijn ze goed voor ongeveer 5.000 ton aan microplastic-uitstoot in Nederland. De bijdrage in de akkerbouw en bloementeelt in Nederland heeft een grote bandbreedte van 90 tot 670 ton microplastics (Bool, M., 2021). Deze stoffen worden gebruikt in kunstmest, als beschermend plastic laagje in zaden en gewasbeschermingsmiddelen. Zulke schattingen hebben grote foutmarges, omdat ze voornamelijk gebaseerd zijn op aannames en modelschattingen. Daadwerkelijke metingen en betrouwbare data over emissies zijn zeer schaars (Quik et al., 2023). De uitstoot van microplastics is niet opgenomen in de Emissieregistratie en richtlijnen voor monitoring zijn nog in ontwikkeling.

Meten van microplastics in het milieu Microplastics ondergaan tal van veranderingen in het milieu, zoals uitloging, afbraak, fragmentatie, samenklontering en vorming van een biofilm op de deeltjes. Hierdoor verschillen microplastics sterk in vorm en samenstelling, wat de monitoring bemoeilijkt. Technieken om microplastics te bemonsteren in het milieu zijn daarom nog volop in ontwikkeling. Een recent rapport van Rijkswaterstaat beschrijft de geschiktheid van enkele technieken om zwevende stof te bemonsteren, voor de bemonstering van microplastics (Freriks et al., 2023). Hieruit blijken sedimentkisten geschikt om rivieren te bemonsteren op

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

6

Projectgerelateerd

zwevende stof van >0,5 µm. Deze monstermethode vergt een monsternameperiode van 2 weken of herhaaldelijke monsternames (2 x 1 week of 14 x 1 dag) om tot een representatief resultaat te komen. In tegenstelling tot aquatische systemen is er minder bekend over concentraties van microplastics in de grond. Eén van de oorzaken is het ontbreken van goede, robuuste en kosteneffectieve methoden om microplastics te scheiden van gronddeeltjes en vervolgens te meten (Rutgers et al., 2022). Desalniettemin zijn er wel enkele technieken beschikbaar, waarbij bijvoorbeeld de massahoeveelheid van polymeren bepaald kan worden (verder beschreven in Rutgers et al., 2022). Er komt meer nationale en internationale aandacht voor microplastics in het watermilieu. In januari 2024 is een akkoord bereikt over de herziening van de Europese Richtlijn Stedelijk Afvalwater, oftewel de Urban Wastewater Treatment Directive (UWWTD) met een verplichting om op termijn microplastics bij RWZI's en andere diffuse stedelijke bronnen te monitoren, inclusief aanwezigheid van microplastics in hemelwater en slib. De Europese Drinkwaterrichtlijn is in 2020 herzien waarin ook monitoring van microplastics is opgenomen. Microplastics van windmolens Zoals eerder beschreven zullen microplastics van windturbines voornamelijk vrijkomen als secundaire microplastics.

In een quickscan-studie heeft het RIVM een inschatting proberen te maken hoe windturbines op land bijdragen aan de totale hoeveelheid microplastic-uitstoot in Nederland (Hof, Bodar, et al., 2023). De bron van deze uitstoot staat beter bekend als leading edge erosion (LEE): erosie van de voorkant van de bladen van windturbines vanwege het contact met regen, zand- en stofdeeltjes in de lucht. Het RIVM maakt op basis van LEE een inschatting dat één windturbine een emissie heeft van 1,01 kg (micro)plastics/jaar. Voor alle windturbines op land samen zou dit 2.700 kg/jaar zijn, ofwel 0,0005% van de totale geschatte emissie van microplastics. Door producenten van windturbines worden nog lagere hoeveelheden genoemd. Vleemo, een Vlaams windenergiebedrijf, noemt 640 gram per molen en het Deense bedrijf Vestas 150 gram voor een turbine met 3 rotorbladen. Uitgaande van 622 windturbines en een emissie van 1,01 kg (micro)plastics/jaar per turbine is de totale geschatte emissie van microplastics in de Provincie Flevoland ten gevolge van erosie van windturbines daarmee 628 kg/jaar. In dit stadium is het niet mogelijk om een uitspraak te doen wat de bijdrage is van windturbines in de provincie Flevoland aan de totale uitstoot van microplastics. In het landelijke beeld is de bijdrage van windturbines slechts 0,0005%.

In Flevoland staan relatief veel windmolens, de relatieve bijdrage zal hier groter zijn, maar nog steeds een marginaal deel uitmaken van de totale emissie aan microplastics binnen de provincie. Andere bronnen zoals bandenslijtage, landbouwfolie en microplastics in meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen zullen waarschijnlijk een groter deel uitmaken van de emissie microplastics in Flevoland (Rutgers et al., 2022). Risico’s Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en het RIVM is er nog onvoldoende informatie bekend over het effect van microplastics op de mens. Er is nog veel onduidelijk; bijvoorbeeld of de microplastic deeltjes zich ophopen in het menselijk lichaam en in welke organen deze terechtkomen. Er is wel meer bekend over ecologische risico’s, plastic deeltjes kunnen invloed hebben op het ademhalen, bewegen en de voedselopname van dieren.

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

7

Projectgerelateerd

2.4

Fijnstof

Definitie van fijnstof Fijnstof is een verzamelnaam voor alle vaste stofdeeltjes in de lucht met een doorsnede kleiner dan 10 µm (PM10). Fijnstof bestaat uit allerlei soorten: chemische stoffen, fijn zand, zeezout, metaaldeeltjes en zouten. Over het algemeen bestaan de chemische stoffen uit zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak, maar ze kunnen ook elementair koolstof en andere koolstofverbindingen (zoals roet) bevatten (RIVM, n.d.). Microplastics zijn niet altijd fijnstof, daarvoor zijn de deeltjes te groot. Microplastics begint bij een korrelgrootte van 5 mm. De kleinst aangetroffen diameter van microplastic is 1,6 µm (in oceanen). Dus, microplasticdeeltjes kunnen uiteenvallen in zeer kleine deeltjes die zich als fijnstof kunnen gedragen. Bronnen van fijnstof De aanwezigheid van fijnstof is in Nederland sterk gecorreleerd aan verkeer, industrie en intensieve veehouderij. Metingen van de luchtkwaliteit tonen de hoogste concentraties fijnstof langs de drukke snelwegen, grote industrieterreinen zoals de Maasvlakte en intensieve veehouderijgebieden zoals de Gelderse Vallei en de Peel.

Figuur 2-3: Achtergrond fijnstofconcentraties kleiner dan 10 µm (PM10) in 2022, bron: Atlas Leefomgeving.

Er zijn twee fracties fijnstof te onderscheiden PM10 en PM2,5, namelijk: primair en secundair. De primaire fractie fijnstof is de fractie fijnstof dat direct de lucht in is gebracht door een natuurlijke of antropogene bron. Voorbeelden van antropogene bronnen zijn verkeer, industrie en landbouw. Terwijl fijnstof van natuurlijke oorsprong bijvoorbeeld ontstaat uit opwaaiend zeewater (zeezout) en bodemstof. Naast primair fijnstof bestaat er ook secundair fijnstof (met een doorsnede kleiner dan 2,5 µm), dat zich in de atmosfeer vormt door chemische processen. Hierbij spelen ammoniak, stikstofoxiden, zwaveldioxide en vluchtige organische stoffen een belangrijke rol. Fijnstof is opgenomen in de Emissieregistratie en wordt ook gemeten door het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit van het RIVM. Zo was volgens de Emissieregistratie in 2022 de landelijke uitstoot PM10 29,56 kt waarvan 16,84 kt als PM2,5. De grootse bijdrager hieraan was de sector verkeer en vervoer, namelijk 8,46 kt PM10, gevolgd door de sectoren “consumenten” (6,64 kt PM10), landbouw (5,53 kt PM10) en overige industrie (5,41 kt PM10). De energiesector heeft een bijdrage van 0,12 kt PM10 (0,4%).

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

8

Projectgerelateerd

Over de uitstoot van fijnstof door windturbines is in de literatuur niets bekend. Vanuit de beschikbare informatie is het wel denkbaar dat microplastics en bisfenol A vrijkomen vanuit de coatings van windmolens, en als zodanig gezien kunnen worden als fijnstof. Risico’s Inademen van fijnstof is slecht voor de gezondheid. Via inademing komt fijnstof terecht in neus, de bovenste en onderste luchtwegen en in de longen. Hoe kleiner de diameter van het stof, hoe dieper dit de longen binnendringt. PM10 (fijnstof) kan bij inademen binnendringen tot in de bovenste luchtwegen, PM2,5 (fijnstof) tot in de diepere luchtwegen en ultrafijn stof kan tot in de longblaasjes binnendringen en hier in het bloed worden opgenomen (Bron: website RIVM). De Europese Unie bepaalt de wettelijke normen (grenswaarden) voor de hoeveelheid fijnstof die in de lucht mag zitten. De fijnstof normen zijn vastgelegd voor jaar- en daggemiddelden. Naast de wettelijke normen heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gezondheidskundige advieswaarden voor fijnstof. Dit zijn waarden waarop beleid zich zou moeten richten (inspanningsplicht) om schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en/of het milieu te vermijden, te voorkomen of te verminderen. Tabel 2-1: EU-grenswaarden en WHO-advieswaarden voor PM10 en PM2,5 Soort waarde

Jaargemiddelde

Daggemiddelde

EU-grenswaarde PM10

40 µg/m3

50 µg/m3 Overschrijding is toegestaan op maximaal 35 dagen per jaar

WHO-advieswaarde PM10

20 µg/m3

50 µg/m3 Overschrijding is toegestaan op maximaal 35 dagen per jaar

EU-grenswaarde PM2,5

25 µg/m3

-

WHO-advieswaarde PM2,5

10 µg/m3

25 µg/m3 Overschrijding is toegestaan op maximaal 35 dagen per jaar

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

9

Projectgerelateerd

3

Risico’s op verspreiding

Hoofdboodschap  

 

3.1

Emissie van microplastic en BPA vindt plaats uit de coatings van de rotorbladen. De coatings verschillen en informatie over de exacte samenstelling is beperkt aanwezig. Emissie van microplastic en BPA deeltjes vindt plaats door de lucht over een groot gebied (vele km’s) rond de windmolens. Microplastic kan zich verspreiden in hele kleine deeltjes (fijnstof) en grotere deeltjes (tot 5 mm). Emissie per windmolen is maximaal 14 kg microplastic en 2 gram BPA per windmolen per jaar. Het is meer waarschijnlijk dat dit ongeveer 1 kg microplastic en 0,2 gram BPA per windmolen per jaar is. De deeltjes microplastic worden sterk verdund in de lucht dat door de windturbine stroomt (het zog). Concentraties microplastic en BPA in de lucht direct achter de rotorbladen nemen af tot 0,03 µg/m3 microplastic en 0,005 ng/m3 BPA. Microplastic inclusief BPA verspreidt zich diffuus over het land en wateroppervlak van de provincie. De maximale emissie BPA (uitgaande van 14 kg microplastic per jaar) van alle windmolens in Flevoland per jaar is 0,1 tot 1 µg/m2. Er wordt geen lokale verhoging rond de windmolens verwacht. De verwachte verhoogde concentraties BPA in de grond en het watersysteem zijn in de orde van nanogrammen per liter grond of water en zijn zo laag dat deze niet te meten zijn.

Materiaalgebruik windmolens en erosie

Productsamenstelling van windmolens De productsamenstelling van windturbines verschilt sterk per type, model en producent. Daardoor kan de eventuele emissies van stoffen per windturbine verschillen. Er is geen compleet overzicht beschikbaar van de producten die zijn gebruikt bij het vervaardigen van windturbines op land in Nederland. De exacte samenstelling van de coatings wordt niet vrijgegeven door de producenten. Desalniettemin heeft het RIVM in haar quickscan een inschatting gemaakt van de materialen die gebruikt worden bij het vervaardigen van windturbines en de emissies die hier mogelijk bij vrij kunnen komen (Hof, Bodar, et al., 2023). Het grootste gedeelte van een windturbine bestaat uit beton, staal en ijzer. Hiervan maken staal en ijzer ongeveer 85% uit van het totale gewicht. Daarnaast bestaat zo’n 6% uit glas- of koolstofvezel en 5% uit polymeren, welke vooral verwerkt zijn in de bladen en coatings. Het overige gewicht bestaat uit aluminium, koper, elektronica, olie en koelvloeistoffen. Tot slot heeft een windmolenpark ook nog randapparatuur nodig zoals bekabeling, schakelaars en transformators. Hierbij worden beton, plastic, aluminium, koper en isolatiegas (voor de transformators) gebruikt.

Emissiebronnen van windmolens De meest aannemelijke emissiebronnen van BPA en microplastics van een windturbine zijn de turbinebladen en coatings die gebruikt worden aan de buitenzijde van de windturbine (Figuur 3-1). (Delen van) deze materialen kunnen in het milieu terechtkomen door erosie (slijtage, kleine hoeveelheden materiaal brokkelen af) en door uitloging (kleine hoeveelheden materiaal lossen langzaam op in vloeistof, zoals regenwater. Afhankelijk van het materiaal dat slijt, komen hier ook microplastics bij vrij. Uitloging kan ook plaatsvinden uit materiaal dat door erosie in het milieu is terechtgekomen, zoals microplastics. Afhankelijk van het type coating komen meer of minder stoffen vrij. Het RIVM schrijft in haar quickscan dat het coatingsysteem van een windturbinemast uit drie lagen bestaat. Van binnen naar buiten zijn dit een epoxylaag met metaalzouten, een epoxy tussenlaag en een topcoating op basis van polyurethaan. Ook bij de turbinebladen wordt polyurethaan gebruikt in de topcoating. Bij de vervaardiging van zowel epoxy en polyurethaan kan BPA gebruikt zijn. De uiteindelijke hoeveelheden BPA in het eindproduct zijn echter laag (< 0.1%), waardoor BPA niet is opgenomen in de productspecificaties. We hebben hiervoor de productspecificaties gecontroleerd van Vestas (Vestas, 2022) en AKZO (AKZO Nobel, 2020).

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

10

Projectgerelateerd

Samengevat vormen windturbines een potentiële bron voor BPA (slijtage/uitloging na erosie) en microplastics (erosie). De hoeveelheden BPA en microplastics die vrijkomen hangen af van de mate van erosie (voornamelijk bij turbinebladen) en uitloging (coatings of uit materiaal dat middels erosie in het milieu terechtkomt).

Figuur 3-1: Onderdelen van een windturbine en mogelijke emissies (Bron RIVM quickscan (Hof, Bodar, et al., 2023)).

Uitloging van coating De mate van uitloging en verspreiding van uitgeloogde producten is sterk afhankelijk van de gebruikte coating. Op basis van wetenschappelijke studies heeft het RIVM een overzicht gemaakt van de mate van uitloging van BPA bij verschillende coatings van staal (Hof, Bodar, et al., 2023). De conclusies zijn gebaseerd op eerder Zwitsers onderzoek waarin coatings zijn aangeleverd door de producenten en in de rapportage zijn geanonimiseerd (Vermeirssen et al., 2017). Conclusie was dat de uitloging voor 15 van de geteste 16 epoxy-coatings, minimaal was, dat wil zeggen niet of nauwelijks te meten. Maar voor één coating was de uitloging hoog (15 mg/m2/dag), een factor 280 hoger dan de andere producten. Depositie van uitgeloogd BPA kan plaatsvinden nabij de windmolen (directe uitstoot) of het verspreidt zich diffuus doordat de uitloging plaatsvindt na erosie. Deeltjes (met bijvoorbeeld BPA) verspreiden zich dan eerst in het milieu en zijn moeilijk terug te herleiden naar de bron.

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

11

Projectgerelateerd

Erosie Depositie van microplastics vanuit windturbines vindt daarnaast plaats door verweringsprocessen (erosie, zie Figuur 3-2). Dit zal slechts in zeer lichte mate plaatsvinden op de mast van de windturbine. Volgens fabrikanten gaan coatings van windturbinemasten de gehele levensduur van de windturbine mee. De voornaamste emissiebron voor erosieproducten zoals microplastics zijn daarom de windturbinebladen. De erosie verschilt voor windmolens op zee en op land. De mate van erosie op zee is groter vanwege de meer ruwe weersomstandigheden. Resultaten van erosie van windmolens op zee mogen daarom niet gebruikt worden voor de risico’s van windmolens op land. De mate van erosie is sterk afhankelijk van de bescherming van de voorkant van de bladen, de zogenaamde leading edge protection (LEP). Het RIVM schat dat gemiddeld 1,01 kg (micro)plastic/jaar vrij kan komen per windturbine (Hof, Bodar, et al., 2023). Voor alle windturbines op land in Nederland (2679 in het rapportagejaar) telt dit op tot 2700 kg/jaar. Daarbij maakt het RIVM de kanttekening dat, afhankelijk van de toepassing van LEP, deze schatting aan de hoge kant is. Slechts een miniem gedeelte (maximaal 0,0155%) van het microplastic bestaat uit BPA. Dit resulteert in een emissie van 0,2 gram BPA per jaar.

Als wordt uitgegaan van de bovenkant van de bandbreedte van een emissie van 14 kg microplastic per jaar, dan geeft dit een emissie van 2 gram BPA per windmolen per jaar. De rotorbladen bestaan uit lagen van PET (polyetheentereftalaat) en balsahout die bij elkaar gehouden worden door een mix van glasvezel en epoxy resin. De epoxy vormt het risico voor het milieu. Een suboptimale mix van PET/balsa, bijvoorbeeld te veel PET, kan leiden tot meer scheuren en breuken, waardoor ze meer epoxyemissie veroorzaken. Rotorbladen moeten voldoen aan de ISO 12944 norm. Deze richtlijn geeft informatie over verftechnologieën, de criteria voor de selectie van verf en vereisten voor de voorbereiding van oppervlakken.

Figuur 3-2: Voorbeelden van verschillende type schade aan rotorbladen

Fabrikanten werken aan een betere bescherming van de rotorbladen om zo erosie te minimaliseren. Een voorbeeld is het aanbrengen van kunststof of elastomere corrosiewerende beschermtapes of een polyurethaancoating coating op de voorrand van het blad (Katsaprakakis et al., 2021). Verspreiding verontreinigingen tijdens onderhoud Microplastics en BPA-deeltjes kunnen ook vrijkomen tijdens onderhoudswerkzaamheden. Ten behoeve van onderhoud worden de bladen gedemonteerd en verplaatst naar de grond in de nabije omgeving of een onderhoudswerkplaats, in geval er meer schade is aan het rotorblad. Daar worden de bladen machinaal geschuurd en wordt een nieuwe laag epoxy aangebracht. Het gebruik van een schuurmachine met een directe afzuiging kan de emissie van stofdeeltjes tijdens onderhoud beperken tot nul. Dit is echter geen standaardprocedure in de windenergiesector.

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

12

Projectgerelateerd

Windmolens in Flevoland In 2022 stonden er in de Provincie Flevoland 622 windturbines op land (openbare data). De toekomstvisie van de provincie is dat dit aantal door vervanging terugloopt naar 474 windturbines. Het totale materiaaloppervlak van de windturbines zal naar verwachting groter worden. De trend richting 2030 is minder turbines, maar grotere vermogens en diameters van de rotorbladen. Grotere turbines zijn meer vatbaar voor rotorbladschade als gevolg van hevigere vibraties. Emissies van stoffen zouden hiermee kunnen toenemen. Aan de andere kant zullen emissies afnemen door verbeterde coatings.

Figuur 3-3: Locaties van windmolens in provincie Flevoland op basis van data uit 2024 (Bron: ESRI Nederland, https://lnkd.in/eXT7Zu-d)

3.2

Verplaatsing van deeltjes door de lucht

Deeltjes kunnen zich op verschillende manieren door de lucht verplaatsen: (1) via turbulente stroming rond de windmolen en (2) door de heersende windrichting.

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

13

Projectgerelateerd

Turbulente stroming in periode van neerslag Erosie kan plaatsvinden als gevolg van neerslag (regen, hagel, sneeuw). Deze deeltjes komen in een beperkt gebied terecht rond de windmolens. Een vuistregel is dat het verspreidingsgebied voor microplastics gelijk is aan vijfmaal de rotordiameter. Bij de huidige diameters van de rotorbladen in Flevoland van 52 tot 136 meter wordt een verspreiding verwacht van 260 tot 680 meter in oostnoordoostelijke richting. Bij grotere diameters kan dit beïnvloedingsgebied in de toekomst toenemen (Figuur 3-4).

Figuur 3-4: Locaties van windmolens in 2022 en 2023 (Bron: Wind - Provincie Flevoland) en heersende windrichting

Verspreiding microplastics door de wind Wanneer deeltjes microplastic (BPA) vrijkomen uit de windmolen, dan wordt dit sterk verdund in de lucht. Dit heeft te maken met het grote volume lucht dat door de windturbine stroomt (het zog). Deze luchtstroom bedraagt minimaal enkele tientallen miljoenen m³/uur. De concentratie microplastic en BPA direct achter de rotorbladen wordt daarom sterk verdund en de fijne deeltjes zullen zich verder met de natuurlijke windstroming verspreiden. Rekening houdend met deze verdunningsfactor in de lucht zullen concentraties microplastic en BPA in de lucht direct achter de rotorbladen afnemen tot 0,03 µg/m3 microplastic en 0,005 ng/m3 BPA. Dit zijn concentraties veel lager dan de gestelde grenzen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van 1 mg/m3 (zie paragraaf 2.2). Om inzicht te krijgen in de verspreiding van microplastics via de lucht naar de omgeving en de grond is gerekend met de Stacks D module in het programma Geomilieu. De volgende aannames zijn gedaan;  Deeltjesgrootte: kleiner dan 10 µm (PM10)  Emissie van 14 kg microplastic als PM10 per jaar per windmolen  Bronhoogte van emissie: 80 meter  Onderzoeksgebied dat is doorgerekend: 6 bij 10 km. Uit de berekening volgt dat er een sterke verdunning optreedt en dat in heel Flevoland depositie plaatsvindt. Rond de windmolens is niet een lokale verhoging in depositie te verwachten.

De depositie bedraagt tussen de 0,01 en 0,1 gram microplastic per hectare per jaar. Voor BPA is dit nog veel lager: 0,015 tot 0,0015 mg/ha, ofwel 0,15 tot 1,5 ng/m2. Het betreft een berekening voor één enkele windmolen. Opgeteld voor de 622 windmolens in Flevoland komt dit uit op een totaal van ongeveer 0,1 tot 1 µg/m2 per jaar. Met een deeltjesgrootte van PM10 hebben we een lichte vorm van microplastic gemodelleerd. De berekening is indicatief. Wanneer met andere deeltjesgroottes wordt gerekend zullen de uitkomsten anders zijn. Als de deeltjes zwaarder zijn zal er meer depositie dichter bij de windmolen plaatsvinden.

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

14

Projectgerelateerd

3.3

Depositie naar de grond en het watersysteem

In de voorgaande paragraaf is met het theoretisch model uitgerekend dat microplastics en BPA zich over een grote afstand van vele kilometers zouden kunnen verspreiden en dan op de grond terecht zouden kunnen komen. Als dit zo is, zal gezien de grote transportafstand dit een dunne laag van depositie in zeer lage concentraties zijn. Uitgaande van een maximale depositie van 1 µg/m2 per jaar in een periode van 20 jaar en een accumulatie in de bovenste 50 centimeter van de bodem geeft dit een concentratie van 40 µg/m3 grond. Maar BPA zal zich ook verder verspreiden naar diepere lagen en oppervlakkig uitspoelen naar het oppervlaktewatersysteem. Dat geeft lagere concentraties in de grond. De verwachte concentraties in grond en (grond)water zijn zo laag, in de orde van nanogrammen per liter, dat deze niet te meten zijn.

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

15

Projectgerelateerd

4

Aanwezigheid van stoffen in milieu

Hoofdboodschap   

4.1

In Flevoland wordt BPA niet aangetroffen in het oppervlaktewater, maar de gebruikte meetmethodes zijn onvoldoende nauwkeurig om uit te sluiten dat de nieuwe Europese KRW-norm wordt overschreden. BPA is een stof die relatief vaak in het grondwater in Nederland wordt aangetroffen (19% van de meetpunten op een diepte van ongeveer 10 meter). Het beeld in Flevoland is vergelijkbaar (23%). Microplastics en fijnstof in oppervlaktewater en grondwater zijn niet eerder onderzocht in de provincie Flevoland. Fijnstof kan niet apart gemeten worden; Microplastics komen steeds meer in de aandacht te staan en worden in de toekomst mogelijk wel gemeten.

Oppervlaktewater

Bisfenol-A (BPA) De waterkwaliteit wordt door het waterschap gecontroleerd ten behoeve van de Europese Kaderrichtlijn Water. Hiervoor is een speciaal meetnet ingericht. Waterschap Zuiderzeeland heeft in de jaren 2014, 2017 en 2023 op vier KRW Toestand en Trendmonitoringslocaties onderzoek gedaan naar BPA. In alle gevallen waren de meetresultaten lager dan de rapportagegrens van 0,1 µg/L BPA (Waterinformatieloket Zuiderzeeland). Deze rapportagegrens ligt veel hoger dan de nieuwe conceptnorm voor de KRW (een jaargemiddeld maximum van 3,4 × 10-5 µg/L). In 2024 heeft waterschap Zuiderzeeland analyses naar BPA uitgevoerd met een lagere rapportagegrens van 0,005 µg/l (door laboratorium Eurofins). Twee meetpunten lagen bij ‘oude windmolens’, één meetpunt aan het ‘eind’ van de Lage Vaart en één meetpunt was een KRW Toestand en Trend meetpunt. In de Lage Vaart werd BPA in een concentratie van 0,006 µg/l gevonden. Bij de windmolens werd BPA niet aangetoond. Waterschap Zuiderzeeland investeert nu in het eigen laboratorium om daar BPA nauwkeurig te kunnen meten. Detectiegrens, rapportagegrens en signaleringswaarde De detectiegrens is de laagste concentratie waarbij de aanwezigheid van een bepaalde stof in het monster kan worden opgemerkt. De rapportagegrens is de laagste getalswaarde van een bepaling van een stof in een laboratorium die nog kwantitatief goed kan worden vastgesteld.

De detectiegrens is per definitie gelijk aan of lager dan de rapportagegrens. De hoogte van de rapportagegrens verschilt per analysemethode. De signaleringswaarde is een indicatieve waarde van 0,1 µg/l die wordt gehanteerd voor stoffen waar nog geen norm voor het grondwater beschikbaar is. Om een beeld te vormen van de gemeten concentraties rondom de provincie Flevoland hebben we gekeken naar metingen van RWS bij KRW-monitoringslocaties in de periode 2011 – 2012 (Rijkswaterstaat, 2013) en 2010 – 2020 (Jonker, 2022). De gemiddelde concentratie in Nederlandse zoetwaterlichamen in 2012 was 0,034 µg/L met een maximum van 0,186 µg/L. In de meetreeks 20102020 is voor de KRW-monitoringslocaties Kampen, Ketelmeer, Vrouwezand en Andijk ook BPA meegenomen in het meetpakket (Figuur 4-1; Jonker, 2022). De concentraties BPA die hier zijn waargenomen liggen grofweg tussen 0,01 tot 0,05 µg/L.

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

16

Projectgerelateerd

Figuur 4-1: Metingen van Rijkswaterstaat Kaderrichtlijn Water (KRW)-monitoringslocaties. De rode lijn geeft de signaleringswaarde weer (0,1 µg/L).

Microplastics Voor de provincie Flevoland zijn geen meetresultaten voor microplastics bekend. Daarentegen zijn er wel landelijke- en meer regionale datasets beschikbaar. De schatting van de emissies van microplastics in Nederlandse wateren zijn gebaseerd op verschillende beschikbare monitoringsgegevens en modellen, waardoor deze gepaard gaan met grote onzekerheden (RIVM, 2019). Aan de andere kant kunnen de concentraties van microplastics in het milieu wel met genoeg zekerheid gemeten worden (gegeven de toepassing van de juiste technieken). De gemeten concentraties zijn niet homogeen verspreid over oppervlaktewaterlichamen en kunnen dus sterk variëren per meetlocatie (Mintenig et al., 2020). Zo werden in het stroomgebied van de Maas en de Dommel waarnemingen gedaan van 67 tot 11.532 deeltjes/m3, met een totale massa van 51 tot 7.270 µg/m3. Redenen voor deze grote verschillen in microplastic concentraties zijn de nabijheid van stedelijk gebied, hogere waterafvoer bij regenachtig weer en de nabijheid van RWZI’s (effluent concentraties 941 tot 1.741 deeltjes/m3). Fijnstof Fijnstof is een verzamelnaam voor deeltjes in lucht kleiner dan 10 µm (PM10) en kan bestaan uit verschillende stoffen, waaronder zwaveloxiden, stikstofoxiden, koolstofverbindingen maar ook microplastics.

Verkeer en industrie zijn de voornaamste bronnen van fijnstof in het milieu en achtergrondconcentraties van fijnstof zijn daarom vaak het hoogst rond verkeersaders en in het stedelijk gebied (Figuur 2-3). In de provincie Flevoland is de achtergrondconcentratie PM10 in 2022 gemiddeld tussen de 14 en 16 µg/m3, gemeten in lucht. In oppervlaktewater, grondwater of bodem wordt fijnstof niet gemeten. Sommige bestanddelen van fijnstof zijn namelijk wateroplosbaar, terwijl anderen als vaste stof aanwezig

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

17

Projectgerelateerd

blijven. Zo zal een gedeelte van de fijnstof aanwezig blijven in de fractie zwevend stofgehalte (zoals elementair koolstof en microplastics). Andere verbindingen zoals ammoniak, stikstofoxiden en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) zullen in oplossing gaan. Voor PAK en ammoniak wordt gemeten ten behoeve van de KRW. Hiervoor zijn meetgegevens beschikbaar via het Waterinformatieloket Zuiderzeeland. Verwacht wordt dat deze stoffen niet relevant zijn voor emissie vanuit windturbines.

4.2

Grondwater

De kwaliteit van het grondwater wordt bewaakt met een Landelijk Meetnet Grondwater (LMG) beheerd door het RIVM en een Provinciaal Meetnet Grondwater (PMG) van de provincie Flevoland. Een deel van deze meetgegevens wordt gebruikt voor de rapportage voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De kwaliteit van de bodem wordt alleen op verdachte locaties onderzocht, zoals mogelijke bodemsaneringslocaties. Er is geen meetnet dat onderzoek doet naar de algemene bodemkwaliteit van de provincie. Fijnstof Fijnstof wordt niet als aparte parameter in het grondwater gemeten. In paragraaf 4.1 is voor oppervlaktewater al uitgelegd wat de redenen hiervoor zijn. Microplastics Microplastics worden al langere tijd onderzocht in oppervlaktewater. In grondwater wordt hier nog weinig onderzoek naar gedaan. Pas in 2019 zijn voor het eerst microplastics onderzocht en aangetoond, in dit geval in kalksteen aquifers in Illinois in de Verenigde Staten (Panno et al., 2019). De EU heeft een voorstel gedaan voor het opstellen van een zogenaamde Watch List (Committee on the Environment, Public Health and Food Safety, 2023). Op deze lijst komen te monitoren stoffen in zowel oppervlaktewater als grondwater die mogelijk een risico vormen voor het milieu. Ook microplastics zijn op deze lijst geplaatst. Tot op heden heeft er in Nederland geen onderzoek plaatsgevonden naar microplastics in grondwater.

De verwachting van onderzoeksinstituut KWR is dat grondwater minder microplastics bevat dan oppervlaktewater, maar dit moet in Nederland nog aangetoond worden. We weten hier dus nog onvoldoende van af en achtergrondconcentraties zijn onbekend. Aanvullende monitoring in Nederland moet tot beter inzicht leiden. Bisfenol-A (BPA) In 2018 is in Flevoland uitgebreid onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van verontreinigende stoffen in het grondwater (Verhagen et al., 2020). Er is alleen onderzoek gedaan in het ondiepe grondwater (tot ongeveer 10 meter diep). Er zijn 39 verschillende vreemde stoffen in het grondwater aangetroffen (van de 118 totaal onderzochte stoffen). Van deze stoffen kwam BPA op de tweede plaats van meest aangetroffen stoffen3. BPA is in Flevoland in 12 grondwatermonsters (23%) aangetoond (Figuur 4-3). Er bestaan geen normen, daarom wordt getoetst op een signaleringswaarde (0,1 µg/l). Op één locatie was de gemeten concentratie hoger dan de signaleringswaarde. 4

3

Van alle stoffen was EDTA verreweg het meeste aangetroffen.

4 Concentratie was 0,26 µg/l in peilbuisfilter B26A0244-1, ten noorden van Almere

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

18

Projectgerelateerd

Figuur 4-2: Locaties waar BPA in het grondwater is aangetroffen boven de rapportagegrens in de provincie Flevoland in 2018 (Bron: (Verhagen et al., 2020)). Er is alleen onderzoek gedaan in het ondiepe grondwater (filter 1). Het kaartje toont waar BPA in het ondiepe grondwater is aangetoond

Landelijke beeld BPA komt dus regelmatig voor in het grondwater van Flevoland. Dit komt overeen met het landelijke beeld. In een onderzoek van meetresultaten van 2016 werd in 19% van de meetlocaties in Nederland BPA aangetroffen (Sjerps, Rosa et al., 2017). Dit landelijke onderzoek is herhaald in 2018-2019 en toen werd in bijna 19% van de onderzochte filters BPA aangetoond (van Loon et al., 2020). Kortom, BPA is breed aanwezig in het grondwater in Nederland. De stof wordt verspreid in Nederland boven de signaleringswaarde aangetroffen (Figuur 4-3). Er is geen ruimtelijk patroon met hogere concentraties in een bepaalde regio of bevolkingsconcentratie.

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

19

Projectgerelateerd

Figuur 4-3: Locaties in Nederland waar BPA in het grondwater is aangetroffen boven de (signaleringswaarde van 0,1 µg/l). In de figuur moet norm als signaleringswaarde worden gelezen. Er is gebruik gemaakt van meetdata van 2015 -2019 van het Informatiehuis Water.

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

20

Projectgerelateerd

5

Mogelijk meetprogramma en alternatieve aanpak

In de voorgaande hoofdstukken is bekende kennis samengevat over mogelijke verspreiding van BPA in de vorm van microplastics en fijnstof. BPA komt in het milieu, zoals grond- en oppervlaktewater voor, omdat dit middel in vele consumenten- en industriële producten gebruikt wordt. Door uitloging en erosie kunnen microplastics vrijkomen uit de bladen van windmolens. Per windturbine is dit ongeveer 1 kg microplastic per jaar; het gehalte aan BPA hierin is kleiner dan 0,01%. BPA kan zich via de lucht over een groot oppervlak verspreiden. Waarschijnlijk zullen de deeltjes in de gehele provincie op de grond en het wateroppervlak terechtkomen (hoofdstuk 3). Aanwezigheid van BPA in lage concentraties in het grondwater (Hoofdstuk 4) is daarom waarschijnlijk een optelsom van veel verschillende bronnen, zoals uitloging uit consumentenproducten, coatings van auto’s en schepen en bouwmaterialen (Hoofdstuk 2). Een meetprogramma rond windmolens is alleen zinvol als hiermee aangetoond kan worden dat rond de windmolens significant meer BPA wordt teruggevonden. Op voorhand is dit niet te verwachten omdat de achtergrondbelasting hoog is ten opzichte van de bijdrage van BPA uit windmolens. Uit metingen van waterschap Zuiderzeeland in 2024 bleek ook dat BPA niet in hogere concentraties voorkwam in het oppervlaktewater rond windmolens.

In de motie van de Provinciale Staten (PS) van Flevoland is gevraagd om een onderzoeksvoorstel uit te werken met een meetprogramma om de aanwezigheid van fijnstof, microplastics en BPA in het oppervlaktewater en in de grond rondom windmolens te meten. Op voorhand levert een dergelijk meetprogramma waarschijnlijk weinig informatie op omdat de bijdrage van windmolens erg klein is ten opzichte van andere bronnen en omdat BPA in lage concentraties voorkomt die soms niet meetbaar zijn. Het is daarom waarschijnlijk niet mogelijk om de bijdrage van windmolens uit de metingen te destilleren. Om een idee te hebben van een mogelijke opzet van het meetprogramma en de kosten is een voorbeeld in paragraaf 5.1 uitgewerkt. Er zijn ook alternatieve onderzoeksmethoden die met een andere en soms bredere blik naar de problematiek kijken. Deze onderzoeksmethoden worden beschreven in de volgende paragrafen.

5.1

Een meetprogramma voor grondwater en oppervlaktewater

De relatie tussen windmolens en de aanwezigheid van BPA in het milieu kan gecontroleerd worden met een getrapt meetprogramma. In de eerste meetronde wordt gecontroleerd of er mogelijk invloed van de windmolens terug te zien is in de metingen. Als er toch aanwijzingen zijn dat dit mogelijk wel het geval is kunnen de metingen uitgebreid worden naar meer locaties of met een meer gedetailleerd meetprogramma in de locaties waar verhogingen zijn aangetroffen. Een eerste meetprogramma kan er als volgt uitzien: 

 

Een meetraai met vijf meetpunten van dichtbij de windmolen tot verder weg. Metingen worden gedaan van de bodemkwaliteit en het grondwater. Voor meting van het grondwater worden peilbuizen geplaatst met filters tot drie meter onder het maaiveld. Op voorhand zal er waarschijnlijk beïnvloeding zijn van andere windmolens, omdat de dichtheid aan windmolens in Flevoland hoog is en molens vaak in een raai zijn geplaatst (zie Figuur 3-3). In de raai wordt gecontroleerd of concentraties significant afnemen verder weg van de locatie van de windmolen. Er moet rekening worden gehouden met mogelijke invloed van andere windmolens in de directe nabijheid van de meetlocatie. Een enkele meetraai geeft onvoldoende zekerheid. Eenzelfde meetraai moet ook bij andere meetlocaties worden uitgevoerd. We gaan uit van vijf meetlocaties. Bij de selectie van meetraaien moet rekening worden gehouden met de representativiteit van de locatie. Verschillende hoogte van de windmolens, gebruikte coating, ligging ten opzichte van elkaar, bodemopbouw en geohydrologische situatie kunnen van invloed zijn op de meetresultaten.

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

21

Projectgerelateerd

 

Om voldoende zekerheid te hebben over de achtergrondconcentraties zijn ook metingen nodig van een referentielocatie die niet beïnvloed is door windmolens. We gaan uit van twee referentielocaties. Een dergelijke locatie is in Flevoland moeilijk te vinden, omdat er veel windmolens staan in Flevoland (Figuur 3-4). Metingen in oppervlaktewater. Bij voorkeur is dit een locatie met weinig doorstroming en weinig aanvoer van bovenstrooms. Als dit wel het geval is moet rekening worden gehouden met de aanvoer van milieuvreemde stoffen van bovenstrooms, de verspreiding in benedenstroomse richting en transportprocessen onderweg. Er worden twee meetpunten voorgesteld per meetlocatie (totaal 14 monsters in oppervlaktewater). Zeven meetraaien met elk vijf meetpunten geven 35 meetlocaties. Hier wordt (voorlopig) eenmaal de concentratie BPA in grond, grondwater en oppervlaktewater gemeten. Metingen zijn gericht op BPA omdat dit een bekende risicostof is in grondwater en oppervlaktewater. Er moet een laboratorium worden uitgekozen dat deze stof met voldoende nauwkeurigheid kan meten. Analyse op microplastics is achterwege gelaten omdat dit te weinig onderscheidend zal zijn ten opzichte van andere bronnen en omdat dit moeilijk te meten is in oppervlaktewater en grondwater. Analyse van fijnstof is relevant in het compartiment lucht (inhalatie mens) en niet in grond en (grond)water.

Daarom is dit ook achterwege gelaten.

Kortom een dergelijk onderzoek is niet eenvoudig en vraagt een cyclische aanpak. Een goede monitoringstrategie vergt eerst verkennend onderzoek waarna het meetplan verder verfijnd kan worden als de eerste data verzameld is. Verder moet er een deugdelijke statistische analyse gebruikt worden om met bovengenoemde factoren rekening te kunnen houden. Kosten eenmalige bemonstering De kosten van een eenmalige bemonstering en analyse op alleen BPA in grond en grondwater is geschat op ongeveer 40.000 euro (Tabel 5-1). Hiernaast moet ook rekening worden gehouden met de opzet van een meetplan en de (statistische) analyse en rapportage. Deze aanvullende kosten zijn naar verwachting ongeveer 30.000 euro. Bij de kostenraming kunnen de volgende opmerkingen worden gemaakt:  Voor de voorbereiding is nu een bedrag van 500 euro aangehouden per meetpunt. Op voorhand zijn deze kosten moeilijk te schatten. Overleg met de landeigenaar over toestemming en voorwaarden voor het uitvoeren van het werk kunnen veel tijd in beslag nemen.  De grootste kostenpost zijn de analysekosten voor BPA (32.000 euro). We hebben prijzen opgevraagd bij verschillende laboratoria en deze verschillen sterk en zijn mede afhankelijk van de geleverde rapportagegrens (Tabel 5-2). Concentraties beneden deze grens kunnen niet betrouwbaar bepaald worden door het laboratorium en worden niet meegeleverd.

We hebben gekozen voor de meest nauwkeurige rapportagegrens (0,005 µg/l) omdat de hogere rapportagegrens (0,2 µg/l) waarschijnlijk nauwelijks verhoogde waarden zal opleveren en daarom weinig nuttige informatie oplevert. Bij de prijzen is geen rekening gehouden met kortingen die verkregen kunnen worden bij het laboratorium, bijvoorbeeld via een raamcontract. Prijzen voor analyse van BPA in water kunnen dan mogelijk teruggebracht worden tot € 150 euro per monster.

28 oktober 2024

BJ8156-RHD-003

22

Projectgerelateerd

Tabel 5-1: Globale kosten van eenmalige bemonstering en analyse op BPA op grond, grondwater en oppervlaktewater bij zeven meetlocaties

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=c26c927e-2c94-43e0-8a7c-b6901b98e42e