CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Oss_Corellistraat_10_BP_TOELICHTING_Hoofdrapport_231123 (2)

Gemeenteraad 25 januari 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling bestemmingsplan Corellistraat 10 Oss - 202333.070 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

5.9

Bodem

Het bodembeleid in Nederland heeft als doel te voorkomen dat als gevolg van een aanwezige bodemverontreiniging onaanvaardbare risico’s ontstaan voor de gebruikers van deze bodem. De Wet bodembescherming stelt dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt daarbij als het ware de benodigde bodemkwaliteit. Toetsing plan Corellistraat 10 In september 2022 verscheen het verkennend- en eindsituatie bodemonderzoek en asbestonderzoek in bodem, zoals uitgevoerd binnen het plangebied Corellistraat 10. Het verkennend bodemonderzoek had als doel om inzicht te verkrijgen in de vraag of en in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de locatie geleid kan hebben tot verontreiniging van de bodem. Het onderzoek wordt zodanig uitgevoerd, dat een milieuhygiënische beoordeling kan worden gegeven ten aanzien van het (toekomstige) gebruik van de locatie. Het eindsituatie bodemonderzoek had als doel het bepalen van de bodemkwaliteit na het beëindigen van de laboratoriumactiviteiten, zodanig dat een vergelijking kan worden gemaakt met de eerder vastgelegde nulsituatie. Door de resultaten van het eindsituatie bodemonderzoek te vergelijken met die van het nulsituatie bodemonderzoek wordt (zo mogelijk) vastgesteld of en in hoeverre in

74

de tussenliggende periode de bodemkwaliteit is aangetast. Tot slot was het doel van het verkennend asbestonderzoek in bodem om vast te stellen of de eerder gedane verdenking van bodemverontreiniging met asbest terecht is. Verkennend- en eindsituatie bodemonderzoek Tijdens het veldwerk is gebleken dat het bodemprofiel tot de geboorde diepte van maximaal 3,70 m-mv hoofdzakelijk bestaat uit siltig fijn tot grof zand. Bij zintuiglijk onderzoek zijn bijmengingen met puin, baksteen, kolengruis en/of grind waargenomen. Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in het opgeboorde bodemmateriaal. De grondwaterstand is waargenomen op een diepte van 1,72, 1,79 en 1,82 m-mv. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat in de grondmengmonsters en in de grondwatermonsters ter plaatse van de voormalige laboratoriumschool voor het eindsituatie bodemonderzoek, geen verhoogde gehalten zijn aangetoond van onderzochte parameters. In de bovengrond onder het pand van de voormalige laboratoriumschool is een licht verhoogd gehalte aan DDD aangetoond. Het betreft een marginale overschrijding van de achtergrondwaarde. In de overige grondmengmonsters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond van onderzochte parameters. De gemeten gehalten aan DDT/DDD/DDE in de overige bovengrondmonsters liggen beneden de achtergrondwaarde. In het grondwater is geen chloormethaan oftewel Freon 40 aangetoond.

Asbestonderzoek Waar tijdens het veldwerk (geringe) puinbijmengingen zijn aangetroffen zijn inspectiegaten gegraven. In de bodem (0,00-0,70 m-mv) is met de visuele inspectie van de opgegraven grond geen asbestverdacht materiaal aangetoond. In de grond uit de inspectiegaten zijn geringe hoeveelheden baksteenpuin en plaatselijk ook resten cement aangetroffen. De kans op aanwezigheid van asbest is op basis van de veldwaarnemingen laag ingeschat. Er zijn twee mengmonsters samengesteld op basis van de ruimtelijke verdeling van de monsterpunten. In geen van beide mengmonsters is asbest aangetoond. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de hypothese ‘verdacht’ voor bodemverontreiniging met OCB slechts gedeeltelijk wordt bevestigd. Onder het schoolpand is een licht verhoogd gehalte DDD gemeten. De overige gemeten gehalten aan DDT/DDE/DDD liggen beneden de achtergrondwaarde. In het grondwater is geen chloormethaan (freon 40) aantoonbaar. Afgezien van de enkele lichte achtergrondwaarde overschrijding voor DDD zijn in de grond op locatie geen verontreinigingen aangetoond. Ook in het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Resumerend wordt de locatie geschikt geacht voor de beoogde bestemming. Conclusie Het aspect Bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.10 Water Het aspect Water betreft met name de waterhuishouding van het plangebied en omgeving. Het gaat dan met name om de wijze waarop waterstromen in een gebied verlopen. Daarbij kan het gaan om de kringloop van het water in de natuur of om het afwateringssysteem, bestaande uit sloten, kanalen, meren en dergelijke. Waterhuishouding omvat daarnaast ook de (technische) organisatie van het afvoeren van regen- en afvalwater alsmede de zuivering daarvan. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang om aan te geven óf en in welke mate de betreffende ontwikkeling gevolgen heeft voor de waterhuishouding in het gebied. Met name de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aspecten van waterbeheersing, zijnde ‘vasthouden – bergen – afvoeren’ (in die volgorde), zijn van belang. Uitgangspunten in dit verband zijn: ˗ Zoveel mogelijk gebiedseigen water vasthouden en de inlaat van gebiedsvreemd water zoveel mogelijk beperken. ˗ Beperking van overlast door (grond)water of tekort aan water.

75

Naast de waterkwantiteit heeft duurzaam omgaan met water ook betrekking op de kwaliteit van het water. Hierbij staat de trits ‘schoonhouden – scheiden – zuiveren’ centraal. Uitgangspunten in dit verband zijn vervuiling waar mogelijk bij de bron aanpakken en het voorkomen van verspreiding van verontreinigingen. Watertoets Bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen is het van belang om de waterhuishouding van het begin af aan mee te nemen in de planvorming. Om dat te waarborgen is de ‘Watertoets’ in het leven geroepen. Doel van de watertoets is het bewerkstelligen van een goede en evenwichtige afstemming tussen waterbeheer (kwantiteit en kwaliteit) en ruimtelijke plannen. De watertoets is vooral van toepassing bij bouwplannen, waarbij het verhard oppervlak toeneemt en een versnelde afvoer van (hemel)water het gevolg is. Door een toename aan verharding kan hemelwater niet langer infiltreren in de bodem, maar stroomt dit versneld af naar het oppervlaktewatersysteem en wordt dit systeem meer belast. Om deze ongewenste belastingtoename te reduceren hebben veel waterschappen vastgelegd dat er in dergelijke situaties compenserende voorzieningen moeten worden aangebracht.

Waterschap Aa en Maas, verantwoordelijk voor het beheer van het oppervlaktewater in Oss, heeft in het Waterbeheerplan 2022-2027 als missie opgenomen: ‘Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten’. Gekoppeld aan het creëren van een goede balans in water conserveren en afvoeren brengt deze missie met zich mee dat in bebouwd gebied schoon regenwater zo veel mogelijk wordt vastgehouden en geïnfiltreerd in de bodem. Het Waterschap hanteert als regel dat voor plannen met een (toename van het) verhard oppervlak van maximaal 500 m2, groene daken en afkoppelplannen van maximaal 10.000 m2 een vrijstelling geldt voor de realisatie van de compensatie. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt dan de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Bij plannen met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m2 wordt er samen met betreffende initiatiefnemer en de gemeente bekeken hoe er compensatie kan plaatsvinden.

Als het gaat om typen van compensatievoorziening geeft het Waterschap aan dat deze voorziening bijvoorbeeld kan bestaan uit een wadi, poel, geïsoleerde greppel, ondergrondse bergingskratjes, doorlatende verharding, infiltratieriool of een verlaagd maaiveld. Toetsing plan Corellistraat 10 Het plan Corellistraat 10 brengt met zich mee dat bestaande opstallen worden gesloopt en aanwezige verhardingen worden verwijderd. Op de vrijgekomen gronden zal vervolgens nieuwe bebouwing worden gerealiseerd en nieuwe verharding worden aangelegd. Het oppervlak aan bebouwing en verharding in zowel de huidige als beoogde situatie is weergegeven in tabel 5.18.

76

Tabel 5.18: Bebouwing en verhard oppervlak in huidige en beoogde situatie. HUIDIGE SITUATIE Oppervlakte plangebied Labschool 9.983 Van Dijk 3.942 TOTAAL 13.925 m2 Bebouwd oppervlak (footprint) Labschool 3953 Van Dijk 3058 TOTAAL 7.011 m2

Verhard oppervlak Labschool 2.760 Van Dijk 884 TOTAAL

3.644 m2

Groen Labschool

3.270

Van Dijk TOTAAL

0 3.270 m2

NIEUWE SITUATIE Oppervlakte plangebied

TOTAAL

13.925 m2

Bebouwd oppervlak (footprint)

TOTAAL 4.165 m2 (waarvan 1.260 m2 groene sedumdaken) Verhard oppervlak Parkeren 2.050 Looppaden 2.350 Verhoogde plint 500 Binnentuin verhard 870 TOTAAL 5.770 m2 Groen Omgeving Binnentuin groen TOTAAL

2.730 1.260 3.990 m2

Tabel 5.18 toont aan dat het totale oppervlak aan bebouwing en verhard terrein in de beoogde situatie gelijk is aan het oppervlak in de huidige situatie, zijnde 10.655 m2. Per saldo leidt het plan Corellistraat 10 dan ook niet tot een toename van het verhard oppervlak. Compensatieplicht in het kader van de Watertoets is daarmee niet aan de orde. Ondanks het gelijk blijvende oppervlak aan verharding kan worden gesteld dat het plan Corellistraat 10 tot een verbetering leidt van de waterhuishoudkundige situatie. Dit vanwege het gegeven dat het plan onder meer voorziet in een verruiming van het oppervlak aan groen met circa 720 m2, waaronder de aanleg van een groene binnentuin. Binnentuinen worden in het waterbeheerplan van het Waterschap, al dan niet in de vorm van (groene) vegetatiedaken, beoordeeld als onverhard oppervlak. Tot slot wordt met de realisatie van circa 1.260 m2 aan groene sedumdaken (circa 30% toekomstig bebouwd oppervlak) impliciet bijgedragen aan het verruimen van het oppervlak aan groen. Conclusie Het aspect Water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie Op grond van het door Nederland ondertekende Verdrag van Valletta (1992) dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Het Verdrag is in 2008 geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving via de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Deze wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem alsmede de inpassing ervan in ruimtelijke ontwikkelingen. Het Verdrag van Valletta geeft aan dat het belangrijk is dat in de ruimtelijke ordening rekening wordt gehouden met het belang van de archeologie. In de Wamz is daarom

77

vastgelegd dat gemeenten bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen aan moeten geven welke archeologische waarden er in de bodem zitten en hoe zij daarmee denken om te gaan. Het archeologisch beleid van de provincie Noord-Brabant is onder meer neergelegd op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het archeologisch beleid van de gemeente Oss is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. In 2015 heeft de gemeenteraad van Oss het huidige archeologiebeleid vastgesteld. Onderdeel van deze vaststelling is het rapport ‘Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziende archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss’. In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoek plicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Toetsing plan Corellistraat 10 Het plangebied Corellistraat 10 heeft op grond van de archeologische beleidskaart in beginsel een (middel)hoge archeologische verwachtingswaarde.

Volgens het gemeentelijke archeologiebeleid geldt voor gebieden met deze verwachtingswaarde dat er (in beginsel) een onderzoekverplichting is bij projectgebieden groter dan 100 m2 binnen een aaneengesloten, onverstoord gebied van 0,5 ha en bij bodemingrepen dieper dan 30 m. In de Toelichting van het vigerende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Euterpelaan Oss 2013’ wordt onder het aspect Archeologie geconstateerd dat dit bestaande gebied nagenoeg geheel bebouwd en dus reeds verstoord is. Aansluitend wordt geconcludeerd dat daarmee de archeologische verplichting vevalt. Conclusie Het aspect Archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.12 Natuur Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet en heeft als doel te komen tot één integrale regeling van de natuurbescherming, met als uitgangspunt de Europese regelgeving. In de Wnb is nog steeds sprake van gebieds- en soortenbescherming. Gebieden die bescherming genieten zijn Natura2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn) en gebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Als het gaat om soortenbescherming kent de Wnb een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogel- en de Habitatrichtlijn voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Toetsing plan Corellistraat 10 Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt ten noorden van het plangebied op circa 11 km afstand. Op grotere afstand (circa 16 km) ligt het Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven Moerputten & Bossche Broek’.

78

Figuur 5.12: Afstand plangebied tot Natura2000-gebieden (Bron: AERIUS Calculator).

Het plangebied Corellistraat 10 ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De dichtstbij gelegen NNB-percelen bevinden zich op circa 1,5 km van het plangebied. Figuur 5.13: Afstand plangebied tot het Natuurnetwerk Brabant (Bron: provincie Noord-Brabant).

Natura2000 versus stikstofdepositie Natura2000 versus stikstofdepositie In 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld om economische ontwikkelingen te kunnen verbinden met het op termijn realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van de 70 voor stikstof gevoelige habitattypen en (leefgebieden van) soorten voor Natura 2000-gebieden die zijn opgenomen in dit programma. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State echter beslist dat het PAS niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een toename van stikstof ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Deze beslissing heeft consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder (recreatie)woningbouw, die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Nu het ecologisch onderzoek (de ‘passende beoordeling’) van het PAS niet meer als basis voor toestemmingverlening kan worden gebruikt, is voor veel ruimtelijke ontwikkelingen nodig dat zij op een andere manier gaan aantonen, dat het project of plan op voorhand geen significant schadelijke effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. De passende beoordeling van het PAS kan daarvoor sinds voornoemde uitspraak niet meer worden gebruikt.

Op 9 oktober 2019 verscheen vanuit BIJ12, de uitvoeringsorganisatie voor de 12 provincies, de publicatie dat nieuwe beleidsregels zijn vastgesteld voor het verlenen van vergunningen op grond van de Wnb. Concreet kunnen er vanaf 11 oktober 2019 weer vergunningen verleend worden. Toestemming voor stikstofgerelateerde activiteiten wordt weer mogelijk, zolang de activiteiten

79

niet leiden tot een stijging en in veel gevallen feitelijk tot een daling van stikstofbelasting. Kern van de nieuwe regels is dat door het wegvallen van het PAS nu van tevoren moet worden aangetoond dat emissie en depositie met zekerheid afnemen of niet stijgen. Samengevat betekent dat (onder meer) dat initiatiefnemers, die aan kunnen tonen dat hun projecten per saldo geen stikstof uitstoten of aan kunnen tonen dat deze geen significante effecten op Natura 2000-gebieden hebben, weer vergund kunnen worden. Tot slot is op 1 juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze wet regelt onder meer 3 resultaatverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura-2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft onder meer de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering maakte een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. De vrijstelling gold voor de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten van projecten.

Op 2 november 2022 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zaak Porthos echter de partiële vrijstelling van tafel geveegd. Dit betekent dat bij het maken van een stikstofberekening (AERIUS) voor de gebruiksfase van projecten, tevens de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten van projecten meegenomen zullen moeten worden. AERIUS Calculator Om voor afzonderlijke projecten het effect op Natura 2000-gebieden aan te tonen is het rekeninstrument AERIUS in het leven geroepen. Met dit rekeninstrument kan de uitstoot van stikstof/ammoniak en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. De uitkomst van de berekening geeft inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan voor wat betreft stikstof en ammoniak. Op 21 november 2023 heeft Ad Fontem BV de AERIUS-berekening uitgevoerd voor het plan Corellistraat 10. De berekening is uitgevoerd met het vigerende programma AERIUS Calculator 2023.0.1 Hoewel er NOx en NH3 vrijkomt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, is door de uitvoering van de AERIUS berekening aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In zowel de aanleg- als gebruiksfase ligt de emissie dan ook niet hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de realisatie en het gebruik van de nieuwe appartementen. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De rapportage AERIUS Calculator 2023.0.1 als bijlage aan deze Toelichting toegevoegd. Soortenbescherming Quickscan Flora & Fauna In augustus 2018 is in het kader van de Wnb een quickscan Flora & Fauna binnen het plangebied uitgevoerd. Deze quickscan resulteerde in (met name) de volgende bevindingen: ˗ Flora: Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde soorten aangetroffen. ˗ Vogels: Er zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Er dient rekening te worden gehouden met broedende vogels binnen het plangebied. ˗ Grondgebonden zoogdieren: Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van niet-vrijgestelde nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Door de provincie vrijgestelde soorten kunnen echter voorkomen. ˗ Vleermuizen: Er zijn geen concrete verblijf- en/of voortplantingsplaatsen vastgesteld binnen het plangebied, maar deze zijn op basis van het veldbezoek ook niet uit te sluiten.

˗ Amfibieën, reptielen en vissen: Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van niet-vrijgestelde nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Door de provincie vrijgestelde amfibiesoorten kunnen echter voorkomen. ˗ Ongewervelden/ overige soorten: Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen.

80

De quickscan Flora & Fauna toonde de noodzaak aan van een nader onderzoek naar vleermuizen. De rapportage van de quickscan, uitgevoerd door EcoTierra-ecologisch adviesbureau, is als bijlage aan deze Toelichting toegevoegd. Nader onderzoek vleermuizen Conform wettelijk onderzoeksprotocol heeft in de perioden juni-juli en augustus-september 2021, een en ander conform het wettelijk vleermuisprotocol 2021. nader onderzoek plaatsgevonden naar de potentiële aanwezigheid van de volgende functies voor vleermuizen: ˗ Zomerverblijfplaats. ˗ Winterverblijfplaats. ˗ Kraamverblijfplaats. ˗ Paarverblijfplaats (gewone en ruige dwergvleermuis). ˗ Massa winterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis). Uit het nader onderzoek is gebleken dat vleermuizen geen vaste rust- of voortplantingsplaats bezetten in de te slopen bebouwing. Als gevolg van de verbouwing van de gebouwen wordt geen vleermuis gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een vleermuis verstoord, beschadigd of vernield. Tevens vormt het plangebied geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen en maakt het plangebied geen deel uit van een (essentiële) vliegroute van vleermuizen. Om de voorgenomen activiteiten uit te voeren, in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten, hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden.

De rapportage van het nader onderzoek vleermuizen, uitgevoerd door Natuurbank Overijssel, is als bijlage aan deze Toelichting toegevoegd. Conclusie Het aspect Natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. Desalniettemin geldt voor alle soorten een zorgplicht, hetgeen inhoudt dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Het gaat dan bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in kwetsbare perioden zoals winterslaap, voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.

5.13 Defensie Uit oogpunt van defensie kunnen er vanuit het Rijk beperkingen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten in relatie tot het defensiebelang zijn: ˗ Radarverstoringsgebieden; ˗ Obstakelbeheergebieden; ˗ Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; ˗ Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Toetsing plan Corellistraat 10 Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 m boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. Conclusie Het aspect Defensie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

81

5.14 Milieueffectrapportage (m.e.r.) In de Wet milieubeheer en het hieraan verbonden Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaande aan een ruimtelijke plan, dat voorziet in een (grootschalige) ontwikkeling met (belangrijke) nadelige milieugevolgen, een milieueffectrapprt (MER) moet worden opgesteld. De activiteiten waarvoor een MER moet worden opgesteld zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r.. Conform het Besluit m.e.r. kan een plan/project m.e.r.(beoordelings)plichtig kan zijn op (met name) de volgende manieren: ˗ Een plan/project is m.e.r.-plichtig als er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 van deze onderdelen. ˗ Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Ten aanzien van woningbouw is in het Besluit m.e.r.

een koppeling gelegd met de omschrijving onder D-11.2, kolom 1: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (drempelwaarde), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: ˗ Oppervlakte van 100 hectare of meer, ˗ Aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of ˗ Bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Blijft de ontwikkeling onder de drempel, dan is sprake van een informele m.e.r.-beoordeling. Dit wordt ook wel de vormvrije m.e.r.-beoordeling genoemd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt uitgevoerd middels een zogenoemde ‘Aanmeldingsnotitie’, waarin aandacht moet worden besteed aan twee onderdelen: ˗ Een beschrijving van de voorgenomen activiteit c.q. ontwikkeling, met name een beschrijving van de fysieke kenmerken van de activiteit en een beschrijving van de locatie hiervan, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn. ˗ Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijkste gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, voor zover er informatie over deze gevolgen beschikbaar is.

Toetsing plan Corellistraat 10 Het plan Corellistraat 10 kan worden gezien als een activiteit waarvoor een vormvrije m.e.r.beoordeling dient te worden uitgevoerd. De hierbij van toepassing zijnde aspecten komen inhoudelijk aan bod in voorliggende Toelichting. Conclusie Voorliggende Toelichting geeft inhoudelijk invulling aan de aspecten, zoals die aan de orde komen in een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Aanvullend op voorliggend bestemmingsplan is voor het plan Corellistraat 10 een separate ‘Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling’ opgesteld. Hierin wordt geconcludeerd dat er geen negatieve milieueffecten zijn te verwachten.

82

6

6.1

TOELICHTING OP DE REGELS

Algemeen

De in hoofdstuk 3 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

6.2

Regels

Opbouw In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: Bestemmingsomschrijving De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart). Afwijken van de gebruiksregels Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen.

83

Wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen. Algemene gebruiksregels Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin. Algemene aanduidingsregels In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels in de vorm van gebiedsaanduidingen voor het plangebied beschreven. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Ten behoeve van het behoud van in het plan voorkomende waarden is de uitvoering van bepaalde werken en/of werkzaamheden aan een vergunning gebonden (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden). Algemene wijzigingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro.

Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

84

Bestemmingen Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, is de volgende bestemming in dit plan opgenomen: Bestemming ‘Gemengd’ De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de functie wonen in combinatie met lichte bedrijvigheid, bedrijven genoemd in de categorieën 1 en 2 van de milieuzoneringslijst met uitzondering van geluidzoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen, passend bij de woonfunctie. Daarnaast is binnen deze bestemming de vestiging mogelijk van horeca (categorie 3) en een Sport Medisch Centrum. Naast de hoofdfuncties zijn nutsvoorzieningen en ondergeschikte waterhuishoudkundige voorzieningen, verkeers- en groenvoorzieningen, tuinen, erven en terreinen toegestaan. Gebouwen zijn toegestaan binnen het bouwvlak. Er is een afwijkingsmogelijkheid en een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor flexibiliteit in functies binnen het plan.

85

7

HANDHAVING

7.1

Beleidskader

Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: Elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: - Het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels. - Het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken. - Zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten. Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: - Het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes.

- Nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven.

7.2

Professionele handhaving en handhavingsprogramma

De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.

86

7.3

Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht

De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. De gemeente geeft hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik.

Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk. Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee meer recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor.

Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.

87

8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de financiële haalbaarheid van het plan te worden aangetoond te worden. Dit om te voorkomen dat recht gaat gelden dat niet realistisch blijkt te zijn. Met het oog op artikel 6.12 Wro is er geen aanleiding om een exploitatieplan vast te stellen, omdat de kosten anderszins verzekerd zijn middels een tussen de gemeente en de initiatiefnemer afgesloten anterieure overeenkomst. Het bestemmingsplan is hiermee financieel uitvoerbaar en wordt geconcludeerd dat het kostenverhaal verzekerd

88

9

9.1

OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Maatschappelijke aspecten

Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Gelijktijdig met dit wettelijke vooroverleg vindt ook de publieke inspraak plaats. In januari 2022 is de gebiedsvisie Euterpepark vastgesteld door de gemeenteraad van Oss. Hierin is het voorliggende plan Corellistraat 10 impliciet opgenomen. De totstandkoming en vaststelling van deze gebiedsvisie heeft mede plaatsgevonden aan de hand van een omgevingsdialoog met de inwoners van Oss. Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft een omgevingsdialoog uitgevoerd, conform de ‘Handreiking omgevingsdialoog’ van de gemeente Oss. Er is op 4 juni 2023 een inloopbijeenkomst georganiseerd waarbij een ruime cirkel ten opzichte van het plangebied is aangehouden voor wat betreft het verzenden van uitnodigingen. De opmerkingen die die avond zijn gemaakt zijn beantwoord en toegezonden aan de aanwezigen. Hiermee heeft er een passende omgevingsdialoog plaatsgevonden. De uitgevoerde omgevingsdialoog is als bijlage opgenomen bij deze Toelichting.

Vooroverleg Artikel 3.1.1 Bro bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Daarom is het concept ontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan de provincie NoordBrabant, het Waterschap Aa en Maas, Veiligheidsregio Brabant-Noord en de Wijkraad Ruwaard. Provincie Noord-Brabant In het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het concept-ontwerpbestemmingsplan op 10 oktober 2022 voorgelegd aan de provincie. De reactie was dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen. Waterschap Aa en Maas Het waterschap heeft op 24 april 2023 aangegeven dat er geen ruimtelijke waterschapsbelangen van toepassing zijn in het plangebied. Het waterschap heeft dan ook geen opmerkingen. Veiligheidsregio Brabant-Noord De Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft op 5 september 2022 het volgende advies gegeven: Omdat de risicobronnen op beperkte aftstand aan weerszijde van het plangebied liggen leiden bouwkundige maatregelen of een andere indeling van het plangebied niet tot een verbetering van de veiligheid in het plangebied. Dit feit i.c.m.

de beoordelingen volgt dat het beste ingezet kan worden op het optimaliseren van de zelfredzaamheid in het plangebied. Hiertoe worden de volgende punten genoemd: - De individuele woningen worden waarschijnlijkheid van een eigen ventilatieunit voorzien. De bewoners moet bekend zijn op welke manier hun unit uit schakelen is. In het technisch ontwerp van de ventilatieunits moet rekening worden gehouden dat dit op een simpele eenvoudige manier mogelijk is bijvoorbeeld d.m.v. een schakelaar of het verwijderen van een stekker.

89

-

-

-

-

Er is sprake van twee verschillende handelingsperspectieven, vluchten versus binnen blijven én er is sprake van twee verschillende vluchtroutes Het is van belang om de aanwezige personen te wijzen op de verschillende handelingsperspectieven en voorkeurs vluchtroute bij een dreigende BLEVE en bij een toxische wolk. Informeer de toekomstige bewoners actief over de risico's en het handelingsperspectief. Dit kan bijv. door het aanbieden van een informatiebrief/meterkastkaart door de ontwikkelende partij aan (potentiële) kopers/huurders Deze informatie kan worden meegewogen in het besluit om zich hier te vestigen. De bewoners zijn zich bewuster van het risico en weten beter hoe te reageren op een dreiging. Dit heeft een positief effect op het veiligheidsbewustzijn en de mate van zelfredzaamheid. Belangrijke veiligheidswinst kan bereikt worden door het saneren van het LPG tankstation. Hiermee vervallen de risicocontouren rondom het LPG tankstation en de veiligheidscontouren liggend aan de route waarover LPG wordt aangevoerd. Dit betekent dat bij de toekomstige ontwikkeling van delen van het Euterpepark er geen rekening meer hoeft te worden gehouden met externe veiligheidsrisico's in relatie met het vervoer en de verlading van LPG over de weg. Ook de veiligheidssituatie voor de woningen en andere objecten liggend aan de Dr. Saal van Zwanenbergsingel verbetert hierdoor.

Uit de gebiedsvisie blijkt onderwerpen als klimaatadaptie, duurzaamheid en de energietransitie belangrijke thema's zijn bij de transformatie van het gebied. Wij ondersteunen initiatieven graag en kunnen adviseren over de (nieuwe) risico's en maatregelen die genomen kunnen worden om ook veiligheidsaspecten in het ontwerp mee te kunnen nemen.

Wijkraad Ruwaard De wijkraad Ruwaard is geïnformeerd over het bestemmingsplan. Inspraak De gemeente is wettelijk niet verplicht om een voorontwerpbestemmingsplan te maken en daar een inspraakprocedure voor te volgen. Het gemeentelijke beleid voor de toepassing van inspraak bij ruimtelijke plannen biedt de mogelijkheid om bij kleine plannen af te zien van inspraak. Dit is aan de orde bij plannen die een beperkte impact hebben. In dit geval gaat het om het samenvoegen van twee bouwpercelen en de activiteit kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten bij een woning. De gemeente heeft in dit geval geen voorontwerpbestemmingsplan gemaakt en dus ook geen inspraakprocedure gevolgd. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft ingevolge afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met ingang van donderdag 22 juni 2023 gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen en is tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website (ruimtelijkeplannen.nl). Hiervan is op woensdag 21 juni 2023 mededeling gedaan in het plaatselijke blad Oss Actueel en op de gemeentelijke website. Er zijn 5 zienswijzen naar voren gebracht. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het raadsbesluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan.

In voorliggende Toelichting is een aanvulling aangebracht binnen het onderwerp ‘Hoogteopbouw en hoogteaccenten’ in relatie tot de ruimtelijke opbouw van het beoogde Euterpepark. Deze is tevens opgenomen en benoemd in de Nota van zienswijzen en wijzigingen.

90

9.2

Procedurele aspecten

Na vaststelling van dit bestemmingsplan door de gemeenteraad van Oss wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

91

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=64e63f63-5ea0-4b7a-9870-58cc9bbb77e4