CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Oss_Corellistraat 10_BP_Aanmeldnotitie mer-beoordeling

Gemeenteraad 25 januari 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling bestemmingsplan Corellistraat 10 Oss - 202312.808 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De brandweer zal om deze reden een redelijke tijd hebben om de tank te kunnen koelen en het gebied te ontruimen. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als goed beoordeeld. ˗ Spoorketelwagons zijn niet voorzien van een isolerende bekleding. Een BLEVE als gevolg van een mechanische impact op de tankwand is niet te bestrijden. Een BLEVE als gevolg van een hoge hittestraling kan na 15 minuten plaats vinden. Het is niet mogelijk om binnen dit tijdsbestek een effectieve koeling te starten. Om deze reden zullen de hulpdiensten defensief optreden. De bestrijdbaarheid voor dit scenario wordt als slecht beoordeeld. Advies Omdat de risicobronnen op beperkte afstand aan weerszijde van het plangebied liggen leiden bouwkundige maatregelen of een andere indeling van het plangebied niet tot een verbetering van de veiligheid in het plangebied. Dit feit in combinatie met de beoordelingen volgt dat het beste ingezet kan worden op het optimaliseren van de zelfredzaamheid in het plangebied. In dit kader worden de volgende punten genoemd: ˗ De individuele woningen worden waarschijnlijkheid van een eigen ventilatieunit worden voorzien. De bewoners moet bekend zijn op welke manier hun unit uit schakelen is. In het technisch ontwerp van de ventilatieunits moet rekening worden gehouden dat dit op een

25

˗

simpele eenvoudige manier mogelijk is, bijvoorbeeld middels een schakelaar of het verwijderen van een stekker. Er is sprake van twee verschillende handelingsperspectieven, vluchten versus binnen blijven én er is sprake van twee verschillende vluchtroutes. Het is van belang om de aanwezige personen te wijzen op de verschillende handelingsperspectieven en voorkeurs vluchtroute bij een dreigende BLEVE en bij een toxische wolk. Informeer de toekomstige bewoners actief over de risico's en het handelingsperspectief. Dit kan bijvoorbeeld door het aanbieden van een informatiebrief/meterkastkaart door de ontwikkelende partij aan (potentiële) kopers / huurders. De bewoners zijn zich bewuster van het risico en weten beter hoe te reageren op een dreiging. Dit heeft een positief effect op het veiligheidsbewustzijn en de mate van zelfredzaamheid.

Tot slot richt het advies zich tot de gemeente Oss, wanneer de Veiligheidsregio Brabant Noord (Brandweer) stelt dat belangrijke veiligheidswinst bereikt kan worden door het saneren van het LPG tankstation. Hiermee vervallen de risicocontouren rondom het LPG tankstation en de veiligheidscontouren liggend aan de route waarover LPG wordt aangevoerd. Dit betekent dat bij de toekomstige ontwikkeling van delen van het Euterpepark er geen rekening meer hoeft te worden gehouden met externe veiligheidsrisico's in relatie met het vervoer en de verlading van LPG over de weg. Ook de veiligheidssituatie voor de woningen en andere objecten liggend aan de Dr. Saal van Zwanenbergsingel verbetert hierdoor. Kwantitatieve risicoanalyse (QRA) Tot slot is in de periode mei-juni 2023 een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd voor het LPG-tankstation aan de Euterpelaan alsook voor het spoortraject Oss – Den Bosch. Het groepsrisico is in beide situaties berekend voor zowel de huidige als beoogde situatie. De QRA toont aan dat in de toekomstige situatie, na realisatie van het plan Corellistraat 10, sprake is van een lichte toename van het groepsrisico (alleen t.a.v. het LPG-tankstation). Het groepsrisico wordt zowel in de huidige als toekomstige situatie overschreden. Voor het groepsrisico is geen harde norm opgesteld, maar geldt een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht.

De verantwoording van het groepsrisico ligt bij alle betrokkenen (gemeente, Veiligheidsregio en initiatiefnemer), waarbij de eindverantwoording bij de gemeente ligt. Navolgend zijn maatregelen opgenomen voor de verantwoording van het groepsrisico, een en ander reeds in overeenstemming met het advies van de brandweer Brabant-Noord ("Advies: Ontwerpbestemmingsplan Corellisstraat 10 Oss" d.d. 5 september 2022). Maatregelen ter beperking van het groepsrisico Bij een verantwoording van het groepsrisico (minimaliseren van de risico's, gemaakte afwegingen om het groepsrisico te verlagen) komen de volgende punten aan bod: • Bouwkundige maatregelen Tegen overdrukeffecten van een BLEVE zijn binnen het invloedsgebied van 150 meter van het LPG-tankstation geen maatregelen te nemen. Buiten de 150 meter kunnen bouwkundige maatregelen worden doorgevoerd om gebouwen beter te beschermen tegen de drukgolf van de BLEVE. Gezien de omvang van de risico’s en de hoge kosten van dergelijke maatregelen wordt dit niet haalbaar geacht. Over het spoor kunnen toxische stoffen worden vervoerd. Het invloedsgebied van deze stoffen is zodanig groot dat deze stoffen bij het ongewild vrijkomen het onderhavige plangebied kunnen bereiken (ook al in de huidige situatie). De aanwezigen dienen hiervan op de hoogte te zijn.

Aanwezige ventilatiesystemen in de nieuwbouw dienen in geval van het vrijkomen van deze stoffen derhalve centraal (per gebouw) afgeschakeld te kunnen worden. • Zelfredzaamheid en ontvluchting De beoogde woningen en commerciële c.q. werkruimten zijn bestemd voor een brede doelgroep personen. Er wordt aangenomen dat er binnen de nieuwbouw in zeer beperkte mate personen met een lichamelijke of geestelijke beperking zonder begeleiding aanwezig zullen zijn. Er zal aldus geen sprake zijn van een concentratie van zogenaamde “verminderd zelfredzame”

26

personen. Dit betekent dat personen die aanwezig zijn zelfstandig kunnen vluchten ten tijde van een ongeval met LPG. Het nieuwbouwplan dient zodanig ontworpen te zijn dat vluchten van de bron af mogelijk is. • Hulpverlening Belangrijk bij een ongeval met brandbare gassen is dat de brandweer zo snel mogelijk bij de calamiteit aanwezig is om deze te bestrijden. De hulpdiensten kunnen het LPG-tankstation middels meerdere toegangswegen bereiken. Ook zijn er voldoende opstelplaatsen (openbare wegen) beschikbaar voor de hulpdiensten. Ook de nieuwbouw is goed bereikbaar voor hulpverleningsdiensten. Middels meerdere wegen is de nieuwbouwlocatie bereikbaar. • Organisatorische mogelijkheden De toekomstige aanwezigen dienen op de hoogte worden gebracht van de aanwezige risico’s en hoe te handelen bij een incident. Hierbij zal aandacht moeten worden besteed aan de ontruiming (het ontvluchten) van de gebouwen. Beoordeling en conclusie De nieuwbouw van het plan Corellistraat 10 dient als beperkt kwetsbare object te worden beoordeeld. Ten aanzien van het plaatsgebonden risico van zowel het spoor als het LPGtankstation kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de wettelijke grenswaarde.

Ten aanzien van het groepsrisico kan worden geconcludeerd dat de invloed van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor zo beperkt is dat het groepsrisico als gevolg van de nieuwbouw niet wijzigt en onder de oriëntatiewaarde is gelegen. Ten aanzien van het LPG-tankstation is een geringe invloed op het groepsrisico berekend. Zowel in de huidige als de toekomstige situatie wordt de oriëntatiewaarde overschreden. In de toekomstige situatie is sprake van een toename van het groepsrisico. In de uitgevoerde QRA is voor enkele aspecten, in het verlengde van het reeds gegevens advies van de brandweer, een nadere toelichting gegeven ter onderbouwing van het groepsrisico. De eindverantwoording is een taak van het bevoegd gezag. Conclusie Het aspect ‘Externe Veiligheid’ vormt geen aanleiding voor het uitvoeren van een milieueffectrapportage (m.e.r.) met inbegrip van het opstellen van een Milieu Effect Rapport (MER).

4.7

Straling Toetsingskader Op nationaal niveau is het beleid voor elektromagnetische velden opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4) en de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico’s, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005 en verder toegelicht in een brief van november 2008. Op gemeentelijk niveau heeft Oss in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Toetsing plan Corellistraat 10 Ten noorden van het plangebied Corellistraat 10, op een afstand van circa 1,8 kilometer, bevindt zich een hoogspanningsleiding. Deze is ruimschoots gelegen buiten het invloedsgebied c.q. de beleidsmatig vastgelegde zone van 80 meter voor een bovengrondse hoogspanningslijn.

27

Conclusie Het aspect ‘Straling’ vormt geen aanleiding voor het uitvoeren van een milieueffectrapportage (m.e.r.) met inbegrip van het opstellen van een Milieu Effect Rapport (MER).

4.8

Bodem Toetsingskader Het bodembeleid in Nederland heeft als doel te voorkomen dat als gevolg van een aanwezige bodemverontreiniging onaanvaardbare risico’s ontstaan voor de gebruikers van deze bodem. De Wet bodembescherming stelt dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt daarbij als het ware de benodigde bodemkwaliteit. Toetsing plan Corellistraat 10 In september 2022 verscheen het verkennend- en eindsituatie bodemonderzoek en asbestonderzoek in bodem, zoals uitgevoerd binnen het plangebied Corellistraat 10. Het verkennend bodemonderzoek had als doel om inzicht te verkrijgen in de vraag of en in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de locatie geleid kan hebben tot verontreiniging van de bodem. Het onderzoek wordt zodanig uitgevoerd, dat een milieuhygiënische beoordeling kan worden gegeven ten aanzien van het (toekomstige) gebruik van de locatie. Het eindsituatie bodemonderzoek had als doel het bepalen van de bodemkwaliteit na het beëindigen van de laboratoriumactiviteiten, zodanig dat een vergelijking kan worden gemaakt met de eerder vastgelegde nulsituatie. Door de resultaten van het eindsituatie bodemonderzoek te vergelijken met die van het nulsituatie bodemonderzoek wordt (zo mogelijk) vastgesteld of en in hoeverre in de tussenliggende periode de bodemkwaliteit is aangetast.

Tot slot was het doel van het verkennend asbestonderzoek in bodem om vast te stellen of de eerder gedane verdenking van bodemverontreiniging met asbest terecht is. Verkennend- en eindsituatie bodemonderzoek Tijdens het veldwerk is gebleken dat het bodemprofiel tot de geboorde diepte van maximaal 3,70 m-mv hoofdzakelijk bestaat uit siltig fijn tot grof zand. Bij zintuiglijk onderzoek zijn bijmengingen met puin, baksteen, kolengruis en/of grind waargenomen. Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in het opgeboorde bodemmateriaal. De grondwaterstand is waargenomen op een diepte van 1,72, 1,79 en 1,82 m-mv. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat in de grondmengmonsters en in de grondwatermonsters ter plaatse van de voormalige laboratoriumschool voor het eindsituatie bodemonderzoek, geen verhoogde gehalten zijn aangetoond van onderzochte parameters. In de bovengrond onder het pand van de voormalige laboratoriumschool is een licht verhoogd gehalte aan DDD aangetoond. Het betreft een marginale overschrijding van de achtergrondwaarde. In de overige grondmengmonsters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond van onderzochte parameters. De gemeten gehalten aan DDT/DDD/DDE in de overige bovengrondmonsters liggen beneden de achtergrondwaarde. In het grondwater is geen chloormethaan oftewel Freon 40 aangetoond.

Asbestonderzoek Waar tijdens het veldwerk (geringe) puinbijmengingen zijn aangetroffen zijn inspectiegaten gegraven. In de bodem (0,00-0,70 m-mv) is met de visuele inspectie van de opgegraven grond geen asbestverdacht materiaal aangetoond. In de grond uit de inspectiegaten zijn geringe hoeveelheden baksteenpuin en plaatselijk ook resten cement aangetroffen. De kans op aanwezigheid van asbest is op basis van de veldwaarnemingen laag ingeschat. Er zijn twee mengmonsters samengesteld op basis van de ruimtelijke verdeling van de monsterpunten. In geen van beide mengmonsters is asbest aangetoond. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de hypothese ‘verdacht’ voor bodemverontreiniging met OCB slechts gedeeltelijk wordt bevestigd. Onder het schoolpand is een

28

licht verhoogd gehalte DDD gemeten. De overige gemeten gehalten aan DDT/DDE/DDD liggen beneden de achtergrondwaarde. In het grondwater is geen chloormethaan (freon 40) aantoonbaar. Afgezien van de enkele lichte achtergrondwaarde overschrijding voor DDD zijn in de grond op locatie geen verontreinigingen aangetoond. Ook in het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Resumerend wordt de locatie geschikt geacht voor de beoogde bestemming. Conclusie Het aspect ‘Bodem’ vormt geen aanleiding voor het uitvoeren van een milieueffectrapportage (m.e.r.) met inbegrip van het opstellen van een Milieu Effect Rapport (MER).

4.9

Water Toetsingskader Het aspect Water betreft met name de waterhuishouding van het plangebied en omgeving. Het gaat dan met name om de wijze waarop waterstromen, zoals sloten en kanalen, in een gebied verlopen. Waterhuishouding omvat daarnaast ook de (technische) organisatie van het afvoeren van regen- en afvalwater alsmede de zuivering daarvan. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang om aan te geven óf en in welke mate de betreffende ontwikkeling gevolgen heeft voor de waterhuishouding in het gebied. Met name de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aspecten van waterbeheersing, zijnde ‘vasthouden – bergen – afvoeren’ (in die volgorde), zijn van belang. Naast de waterkwantiteit heeft duurzaam omgaan met water ook betrekking op de kwaliteit van het water. Hierbij staat de trits ‘schoonhouden – scheiden – zuiveren’ centraal. Uitgangspunten in dit verband zijn vervuiling waar mogelijk bij de bron aanpakken en het voorkomen van verspreiding van verontreinigingen. Waterschap Aa en Maas, verantwoordelijk voor het beheer van het oppervlaktewater in Oss, heeft in het Waterbeheerplan 2022-2027 opgenomen dat in bebouwd gebied schoon regenwater zo veel mogelijk wordt vastgehouden en geïnfiltreerd in de bodem.

Het Waterschap hanteert als regel dat voor plannen met een (toename van het) verhard oppervlak van maximaal 500 m2, groene daken en afkoppelplannen van maximaal 10.000 m2 een vrijstelling geldt voor de realisatie van de compensatie. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt dan de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Bij plannen met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m2 wordt er samen met betreffende initiatiefnemer en de gemeente bekeken hoe er compensatie kan plaatsvinden. Toetsing plan Corellistraat 10 Het plan Corellistraat 10 brengt met zich mee dat bestaande opstallen worden gesloopt en aanwezige verhardingen worden verwijderd. Op de vrijgekomen gronden zal vervolgens nieuwe bebouwing worden gerealiseerd en nieuwe verharding worden aangelegd. Het oppervlak aan bebouwing en verharding in zowel de huidige als beoogde situatie is weergegeven in tabel 4.11.

29

Tabel 4.11: Bebouwing en verhard oppervlak in huidige en beoogde situatie. HUIDIGE SITUATIE

NIEUWE SITUATIE Oppervlakte

Oppervlakte plangebied Labschool

plangebied

9.983

Van Dijk

3.942

TOTAAL

13.925 m2

TOTAAL

13.925 m2

Bebouwd oppervlak (footprint)

Bebouwd oppervlak (footprint)

Labschool

3953

Van Dijk

3058

TOTAAL

7.011 m2

TOTAAL

4.165 m2

(waarvan 1.260 m2 groene sedumdaken) Verhard oppervlak

Verhard oppervlak

Labschool

2.760

Parkeren

2.050

Van Dijk

884

Looppaden

2.350

Verhoogde TOTAAL

3.644 m

2

plint

500

Binnentuin

Groen Labschool

verhard

870

TOTAAL

5.770 m2

Groen 3.270

Omgeving

2.730

Binnentuin Van Dijk

0

groen

1.260

TOTAAL

3.270 m2

TOTAAL

3.990 m2

Tabel 4.11 toont aan dat het totale oppervlak aan bebouwing en verhard terrein in de beoogde situatie gelijk is aan het oppervlak in de huidige situatie, zijnde 10.655 m2. Per saldo leidt het plan Corellistraat 10 dan ook niet tot een toename van het verhard oppervlak. Compensatieplicht in het kader van de Watertoets is daarmee niet aan de orde. Ondanks het gelijk blijvende oppervlak aan verharding kan worden gesteld dat het plan Corellistraat 10 tot een verbetering leidt van de waterhuishoudkundige situatie. Dit vanwege het gegeven dat het plan onder meer voorziet in een verruiming van het oppervlak aan groen met circa 720 m2, waaronder de aanleg van een groene binnentuin. Binnentuinen worden in het waterbeheerplan van het Waterschap, al dan niet in de vorm van (groene) vegetatiedaken, beoordeeld als onverhard oppervlak. Tot slot wordt met de realisatie van circa 1.260 m2 aan groene sedumdaken (circa 30% toekomstig bebouwd oppervlak) impliciet bijgedragen aan het verruimen van het oppervlak aan groen. Conclusie Het aspect ‘Water’ vormt geen aanleiding voor het uitvoeren van een milieueffectrapportage (m.e.r.) met inbegrip van het opstellen van een Milieu Effect Rapport (MER).

30

4.10

Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Op grond van het door Nederland ondertekende Verdrag van Valletta (1992) dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Het Verdrag is in 2008 geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving via de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Deze wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem alsmede de inpassing ervan in ruimtelijke ontwikkelingen. In de Wamz is vastgelegd dat gemeenten bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen aan moeten geven welke archeologische waarden er in de bodem zitten en hoe zij daarmee denken om te gaan. In 2015 heeft de gemeenteraad van Oss het huidige archeologiebeleid vastgesteld. Onderdeel van deze vaststelling is het rapport ‘Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziende archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss’. In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoek plicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Toetsing plan Corellistraat 10 Het plangebied Corellistraat 10 heeft op grond van de archeologische beleidskaart in beginsel een (middel)hoge archeologische verwachtingswaarde.

Volgens het gemeentelijke archeologiebeleid geldt voor gebieden met deze verwachtingswaarde dat er (in beginsel) een onderzoekverplichting is bij projectgebieden groter dan 100 m2 binnen een aaneengesloten, onverstoord gebied van 0,5 ha en bij bodemingrepen dieper dan 30 m. In de Toelichting van het vigerende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Euterpelaan Oss 2013’ wordt onder het aspect Archeologie geconstateerd dat dit bestaande gebied nagenoeg geheel bebouwd en dus reeds verstoord is. Aansluitend wordt geconcludeerd dat daarmee de archeologische verplichting vevalt. Conclusie Het aspect ‘Archeologie en cultuurhistorie’ vormt geen aanleiding voor het uitvoeren van een milieueffectrapportage (m.e.r.) met inbegrip van het opstellen van een Milieu Effect Rapport (MER).

4.11

Natuur Toetsingskader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet en heeft als doel te komen tot één integrale regeling van de natuurbescherming, met als uitgangspunt de Europese regelgeving. In de Wnb is nog steeds sprake van gebieds- en soortenbescherming. Gebieden die bescherming genieten zijn Natura2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn) en gebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Als het gaat om soortenbescherming kent de Wnb een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogel- en de Habitatrichtlijn voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Toetsing plan Corellistraat 10 Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt ten noorden van het plangebied op circa 11 km afstand. Op grotere afstand (circa 16 km) ligt het Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven Moerputten & Bossche Broek’. Het plangebied Corellistraat 10 ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De dichtstbij gelegen NNB-percelen bevinden zich op circa 1,5 km van het plangebied. Natura2000 versus stikstofdepositie Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze wet

31

regelt onder meer drie resultaatverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura-2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. Voor de zogeheten PAS melders en initiatiefnemers die onder het PAS vergunningvrij waren is in de wet bepaald dat zij alsnog gelegaliseerd worden. De wet maakte een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. De vrijstelling was van toepassing voor de bouw-, aanleg en sloopactiviteiten van projecten. Op 2 november 2022 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zaak Porthos echter de partiële vrijstelling van tafel geveegd. Dit betekent dat bij een stikstofberekening (AERIUS) zowel de aanleg- als gebruiksfase meegenomen moeten worden. In 25 april 2023 heeft Ad Fontem BV de AERIUS-berekening uitgevoerd voor het plan Corellistraat 10. De berekening is uitgevoerd met het vigerende programma AERIUS Calculator 2022.

Hoewel er NOx en NH3 vrijkomt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, is door de uitvoering van de AERIUS berekening aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In zowel de aanleg- als gebruiksfase ligt de emissie dan ook niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de realisatie en het gebruik van de nieuwe appartementen. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De rapportage AERIUS Calculator 2022 als bijlage aan deze Toelichting toegevoegd. Soortenbescherming Quickscan Flora & Fauna In augustus 2018 is in het kader van de Wnb een quickscan Flora & Fauna binnen het plangebied uitgevoerd. Deze quickscan, uitgevoerd door EcoTierra, resulteerde in (met name) de volgende bevindingen: ˗ Flora: Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde soorten aangetroffen. ˗ Vogels: Er zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Er dient rekening te worden gehouden met broedende vogels binnen het plangebied.

˗ Grondgebonden zoogdieren: Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van niet-vrijgestelde nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Door de provincie vrijgestelde soorten kunnen echter voorkomen. ˗ Vleermuizen: Er zijn geen concrete verblijf- en/of voortplantingsplaatsen vastgesteld binnen het plangebied, maar deze zijn op basis van het veldbezoek ook niet uit te sluiten. ˗ Amfibieën, reptielen en vissen: Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van niet-vrijgestelde nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Door de provincie vrijgestelde amfibiesoorten kunnen echter voorkomen. ˗ Ongewervelden/ overige soorten: Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. De quickscan Flora & Fauna toonde de noodzaak aan van een nader onderzoek naar vleermuizen. Nader onderzoek vleermuizen Conform wettelijk onderzoeksprotocol heeft in de perioden juni-juli en augustus-september 2021, een en ander conform het wettelijk vleermuisprotocol 2021. nader onderzoek plaatsgevonden naar de potentiële aanwezigheid van de volgende functies voor vleermuizen: ˗ Zomerverblijfplaats. ˗ Winterverblijfplaats. ˗ Kraamverblijfplaats. ˗ Paarverblijfplaats (gewone en ruige dwergvleermuis). ˗ Massa winterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis).

32

Uit het nader onderzoek, uitgevoerd door Natuurbank Overijssel, is gebleken dat vleermuizen geen vaste rust- of voortplantingsplaats bezetten in de te slopen bebouwing. Als gevolg van de verbouwing van de gebouwen wordt geen vleermuis gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een vleermuis verstoord, beschadigd of vernield. Tevens vormt het plangebied geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen en maakt het plangebied geen deel uit van een (essentiële) vliegroute van vleermuizen. Om de voorgenomen activiteiten uit te voeren, in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten, hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Conclusie Het aspect ‘Natuur’ vormt geen aanleiding voor het uitvoeren van een milieueffectrapportage (m.e.r.) met inbegrip van het opstellen van een Milieu Effect Rapport (MER).

33

5

CONCLUSIE De herontwikkeling van de planlocatie Corellistraat 10 in Oss, waarbij de percelen van de (voormalige) laboratoriumschool en het aangrenzende groothandelsbedrijf Van Dijk worden omgezet in een gebied met 201 appartementen en een (bruto) vloeroppervlak van in totaal circa 2.032 m2 ten behoeve van kleinschalige (ambachtelijke) werkzaamheden alsmede commerciële en/of maatschappelijk georiënteerde voorzieningen resulteert niet in belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarbij is de afstand tussen de planlocatie en (milieu)gevoelige gebieden, hier verbijzondert tot het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Natura2000-gebieden, dermate groot dat een significant negatieve impact vanuit het plan Corellistraat 10 op deze gebieden kan worden uitgesloten. Het uitvoeren van een milieueffectrapportage (m.e.r.) met inbegrip van het opstellen van een Milieu Effect Rapport (MER) is derhalve niet noodzakelijk.

34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=d5267e85-cc3c-4182-84b3-1e9396fc0432