Nota van Antwoord zienswijzen (NvA) Meanderende Maas
Tekst van het document
Nota van Antwoord zienswijzen
PROJECT
Meanderende Maas PLANUITWERKING
9 februari 2024
Project Opdrachtgever
Document Datum Referentienummer
Planuitwerking Meanderende Maas Stuurgroep Meanderende Maas Nota van Antwoord zienswijzen Februari 2024 WSD-0376
Dit product is opgesteld door waterschap Aa en Maas, waterschap Rivierenland, provincies Noord-Brabant en Gelderland, omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant, gemeentes Oss en West Maas en Waal, Rijkswaterstaat, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en het Project Meanderende Maas.
Revisienummer
Datum
0.1
15-12-2023
0.2
19-1-2024
1.0
9-2-2024
Status Concept ter review door bevoegde gezagen Concept Nota van Antwoord ter eindcheck door bevoegde gezagen Nota van Antwoord t.b.v. besluitvorming door Bevoegde Gezagen
Opmerkingen
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
7
1.1
Het project
7
1.2
Gecoördineerde projectprocedure
7
1.3
Beantwoording zienswijzen
8
1.3.1
8
Reikwijdte van besluiten en wetten
1.4
Hoe verloopt de verdere procedure?
9
1.5
Leeswijzer
9
2
MEEST VOORKOMENDE ZIENSWIJZEN EN BEANTWOORDING
10
2.1
Schade als gevolg van het project Meanderende Maas
10
2.1.1 2.1.2 2.1.3
11 11 13
2.2
Nadeelcompensatie en planschade Schade als gevolg van de uitvoeringswerkzaamheden en voorkomen ervan Grondverwerving
Het kappen en herplanten van bomen
13
2.2.1 2.2.2
13 13
Omgevingsvergunningen kappen en herplant Bakenbomen
2.3
Algemene proces- en procedurele vragen
14
2.4
Verkeersveiligheid van fiets-/wandelpaden
14
2.4.1 2.4.2 2.4.3
15 16 17
Verkeersveiligheid voor fietsers en voetgangers op de dijk Fiets-/wandelpad Macharen Fiets-/wandelpad Megen
2.5
Hondenlosloopgebieden
17
2.6
Bereikbaarheid tijdens de uitvoering
17
2.6.1 2.6.2
17 17
2.7
Ravenstein
17
2.7.1 2.7.2
18
2.7.3 2.7.4 2.7.5 2.8
Werkwegen, werkstroken en planning Bereikbaarheid tijdens de uitvoering
De muur in historische context Ravenstein als hydraulische flessenhals; voorsorteren op lange termijnperspectief De noodzaak van de damwand vanuit waterveiligheid, inclusief de hoogteopgave De effecten op hydrologie (binnendijks) Inpassingsopgave materialisering en groen
Omgevingsmanagement: planning en communicatie
18 19 19 20 20
2.8.1 2.8.2
3
3.1
3.2
Van projectplannen naar uitvoeringsontwerp Communicatie over de realisatie
20 21
WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN ONTWERP-PROJECTPLAN WATERWET DIJKVERSTERKING RAVENSTEIN-LITH
22
Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen
22
3.1.1 3.1.2
22 22
Wijzigingen op de kaarten Wijzigingen in teksten
Ambtshalve wijzigingen
22
3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.5
Klei-inkassingen en vervallen heaveschermen Constructiezones en voorkeurslocatie constructie Tijdelijk ruimtebeslag Antigraverij maatregelen Overige aanpassingen
22 23 24 24 24
3.3
Samenvatting wijzigingen projectplan dijkversterking Ravenstein-Lith
25
4
WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET ONTWERP-PROJECTPLAN WATERWET GEULEN EN WEERDVERLAGING MEANDERENDE MAAS
26
4.1
Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen
26
4.2
Ambtshalve wijzigingen
26
4.2.1 4.2.2
26 27
5
Wijzigingen op kaarten Wijzigingen in de teksten
WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET ONTWERPBESTEMMINGSPLAN GEMEENTE OSS
28
5.1
Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen
28
5.2
Ambtshalve wijzigingen
28
6
WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN ONTWERP-WATERVERGUNNING VEGETATIE UITERWAARDEN
29
6.1
Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen
29
6.2
Ambtshalve wijzigingen
29
7
WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET ONTWERP-BESLUIT ONTGRONDINGENWET NOORD-BRABANT
30
7.1
Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen
30
7.2
Ambtshalve wijzigingen
30
8
WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN DE ONTWERPWATERVERGUNNING HAVEN MEGEN
32
8.1
Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen
32
8.2
Ambtshalve wijzigingen
32
9
WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET ONTWERP-BESLUIT ONTGRONDINGENWET GELDERLAND
33
9.1
Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen
33
9.2
Ambtshalve wijzigingen
33
9.2.1 9.2.2
33 33
10
Wijzigingen in de kaarten Wijzigingen in de teksten
WIJZIGINGEN IN HET ONTWERP-BESLUIT NOTA BODEMBEHEER EN WATERBODEMKWALITEITSKAART
34
10.1
Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen
34
10.2
Ambtshalve wijzigingen
34
11
WIJZIGINGEN IN DE ONTWERP-ONTHEFFING SOORTBESCHERMING WET NATUURBESCHERMING (WNB)
35
11.1
Wijzigingen naar aanleiding van zienswijze
35
11.2
Ambtshalve wijzigingen
35
12
WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN DE ANDERE ONTWERPBESLUITEN
36
13
PROJECT-MER
37
13.1
Voorlopig toetsingsadvies Commissie voor de milieueffectrapportage (8 november 2023)
37
13.2
Definitief toetsingsadvies Commissie voor de milieueffectrapportage
38
13.3
MER-validatie
39
14
RCE ADVIES
41
Bijlage(n) I
Beantwoording individuele zienswijzen
II
Voorlopig toetsingsadvies van de Commissie mer (separaat document)
III
Definitief toetsingsadvies van de Commissie mer (separaat document)
IV
RCE preadvies (separaat document)
V
Rapport ‘Verkeersaspecten Maasdijk’ gemeente Oss (separaat document)
1 INLEIDING
1.1
Het project
Het project Meanderende Maas bestaat uit een dijkversterking, tussen Ravenstein en de stuw bij Lith, de aanleg van geulen en weerdverlaging, natuurontwikkeling en maatregelen die bijdragen aan bevordering van recreatie en economie. De combinatie van dijkversterking, rivierverruiming en gebiedsgerichte maatregelen draagt substantieel bij aan de hoogwaterveiligheid én geeft invulling aan opgaven en ambities op het gebied van waterkwaliteit, natuur, recreatie en economie. Er zijn verschillende besluiten en vergunningen nodig om het project mogelijk te maken, waaronder twee projectplannen Waterwet.
1.2
Gecoördineerde projectprocedure
Besluiten en vergunningen die nodig zijn voor de uitvoering van het projectplan Waterwet dijkversterking Ravenstein-Lith worden gecoördineerd op grond van artikel 5.5 van de Waterwet. Besluiten en vergunningen die samenhangen met het projectplan Waterwet geulen en de weerdverlaging Meanderende Maas worden gecoördineerd op grond van artikel 3.33 van de Wet ruimtelijke ordening. Dit betekent dat 18 besluiten en het projectMER (Milieueffectrapport) gelijktijdig gepubliceerd en ter inzage gelegd zijn. Het projectplan Waterwet dijkversterking Ravenstein-Lith wordt gecoördineerd door Gedeputeerde Staten van NoordBrabant. Voor het projectplan Waterwet geulen en de weerdverlaging Meanderende Maas zijn zowel Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant als Gedeputeerde Staten van Gelderland coördinerend bevoegd gezag. Afgesproken is dat de provincie Noord-Brabant fungeert als loket voor het indienen van alle zienswijzen op de ontwerp-besluiten. Gelet op de samenhang is ervoor gekozen beide gecoördineerde procedures tegelijkertijd in procedure te brengen. Vastgestelde ontwerp-besluiten Voor de realisatie van het project Meanderende Maas zijn twee projectplannen Waterwet, een nieuw bestemmingsplan en een aantal hoofdvergunningen nodig. Deze stukken, onderstaand opgesomd, hebben tegelijkertijd in ontwerp ter inzage gelegen van 17 augustus tot en met 27 september 2023.
Eenieder kon zienswijzen op deze stukken indienen. 1. Ontwerp-projectplan Waterwet dijkversterking Ravenstein-Lith van waterschap Aa en Maas; 2. Ontwerp-projectplan Waterwet geulen en weerdverlaging Meanderende Maas van Minister van Infrastructuur en Waterstaat; 3. Ontwerp-besluit ontgrondingenwet (Noord-Brabant) van provincie Noord-Brabant; 4. Ontwerp-herziening bestemmingsplan buitengebied Oss van gemeente Oss; 5. Ontwerp-omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan aanleg wegen Oss van gemeente Oss; 6. Ontwerp-omgevingsvergunning kappen en herplant Oss van gemeente Oss; 7. Ontwerp-watervergunning Haven Megen van Infrastructuur en Waterstaat; 8. Ontwerp-watervergunning verleggen Maasbommelse Veerweg van Minister van Infrastructuur en Waterstaat; 9. Ontwerp-watervergunning vegetatie uiterwaarden van Minister van Infrastructuur en Waterstaat; 10. Ontwerp-watervergunning watergang Diedensche Uiterdijk van Waterschap Aa en Maas; 11. Ontwerp-verkeersbesluit afwaarderen Maasakkerstraat Oss van gemeente Oss; 12. Ontwerp-besluit ontgrondingenwet (Gelderland) van provincie Gelderland;
13. Ontwerp-omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan (geul Maasbommel-west, maaiveldverlaging, drempel Appeltern, fietspad Maasbommel) – West Maas en Waal van Omgevingsdienst Rivierenland / gemeente West Maas en Waal; 14. Ontwerp-omgevingsvergunning kappen en herplant West Maas en Waal van Omgevingsdienst Rivierenland / gemeente West Maas en Waal; 15. Ontwerp-watervergunning fietspad Maasbommel van Waterschap Rivierenland; 16. Ontwerp-ontheffing soortenbescherming Wnb van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; 17. Ontwerp-vergunning wet gebiedsbescherming van Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 18. Nota bodembeheer en de Waterbodemkwaliteitskaart van Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Voor dit project is ook een milieueffectrapport (MER) opgesteld en betrokken bij de besluitvorming. Het projectMER brengt de effecten van de beoogde maatregelen van het project Meanderende Maas op het milieu en de leefomgeving in beeld en beschrijft welke maatregelen worden genomen om negatieve effecten te voorkomen, te verkleinen of te compenseren. De Commissie mer adviseert over de inhoud van milieueffectrapporten. Het projectMER en een aanvulling daarop is door de Commissie getoetst, zie hoofdstuk 13.
1.3
Beantwoording zienswijzen
De zienswijzen zijn door de bevoegde gezagen betrokken bij het vaststellen van de verschillende besluiten. De beoordeling en beantwoording van alle zienswijzen is op zorgvuldige wijze uitgevoerd door de bevoegde gezagen in samenwerking met het project Meanderende Maas. Eenieder die een zienswijze heeft ingediend, wordt geïnformeerd over hoe hiermee is omgegaan via deze Nota van Antwoord. Alle zienswijzen zijn individueel beantwoord (zie Bijlage I). Zienswijzen van gelijke strekking zijn in het algemene deel van deze Nota van Antwoord beantwoord; bij de individuele beantwoording is soms naar dit algemene deel verwezen. Zienswijzen kunnen leiden tot wijziging van bovengenoemde besluiten. In deze Nota is aangegeven welke zienswijzen tot wijzigingen leiden. Voor nadere informatie over de Nota en/of de besluiten kan contact worden opgenomen met het Bevoegde Gezag. Contact opnemen met het project Meanderende Maas kan via het mailadres info@meanderendemaas.nl
1.3.1
Reikwijdte van besluiten en wetten
Indieners van zienswijzen hebben op het digitale zienswijzenformulier kunnen aangeven op welke ontwerpbesluiten hun zienswijze betrekking heeft. Het komt voor dat blijkt dat de zienswijze zich feitelijk op een ander besluit richt. Hiermee is bij de beantwoording rekening gehouden. Het komt echter ook voor dat bij lezing van de zienswijze blijkt dat die zienswijze geen betrekking heeft op belangen die de wet, waarop het besluit gebaseerd is, beoogt te beschermen. Dat betekent dat het bevoegd gezag die zienswijze bij de definitieve besluitvorming niet in de belangenafweging kan en mag betrekken. In dat geval wordt de zienswijze beschouwd als een zorg die indiener omtrent de uitvoering van het project heeft. Waar mogelijk wordt in het antwoord op de zienswijze desalniettemin ingegaan op de bij indiener levende zorgen. Voor de volledigheid wordt hieronder aangegeven welke belangen de wetten waarop de besluiten zijn gebaseerd, beogen te beschermen. •
•
•
Waterwet De doelstelling van de Waterwet en de plannen en vergunningen die daaronder vallen is het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen alsmede de vervulling van de maatschappelijke functies van het watersysteem. Ontgrondingenwet De doelstelling van de Ontgrondingenwet is een evenwicht te vinden tussen economische belangen en milieubescherming, met aandacht voor ecologische en landschappelijke aspecten en het vermijden of beperken van de mogelijke negatieve effecten van ontgronding op aspecten zoals bodemkwaliteit, waterkwaliteit, grondwater, luchtverontreiniging. Ontgrondingenwet De doelstelling van de Ontgrondingenwet is een evenwicht te vinden tussen economische belangen en milieubescherming, met aandacht voor ecologische en landschappelijke aspecten en het vermijden of beperken van de mogelijke negatieve effecten van ontgronding op aspecten zoals bodemkwaliteit, waterkwaliteit, grondwater, luchtverontreiniging.
•
•
•
1.4
Wet ruimtelijke ordening De doelstelling van de wet ruimtelijke ordening en de plannen en vergunningen die daaronder vallen is de ruimtelijke ordening en functieverdeling te regelen en daarbij te waarborgen dat een evenwichtige afweging wordt gemaakt tussen verschillende belangen, zoals wonen, werken, recreatie, natuurbehoud en infrastructuur. Wet natuurbescherming – soortenbescherming De doelstelling van deze wet is het beschermen van inheemse planten- en diersoorten. Een ontheffing regelt de voorwaarden waaronder plannen en werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden die -zonder deze voorwaarden- de instandhouding van beschermde soorten in gevaar zouden kunnen brengen. Wegenverkeerswet De doelstelling van de Wegenverkeerswet en verkeersbesluiten volgens die wet is om zorgvuldige besluiten te nemen over verkeersmaatregelen, de toegankelijkheid en geldende verkeersregels, daarbij rekening houdend met diverse aspecten zoals veiligheid, doorstroming en milieu.
Hoe verloopt de verdere procedure?
De projectplannen en besluiten zijn in maart en april 2024 door de bevoegde gezagen vastgesteld op basis van de in de Nota van Antwoord opgenomen overwegingen. Waterschap Aa en Maas heeft het projectplan Waterwet dijkversterking Ravenstein-Lith ter goedkeuring voorgelegd aan Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant. Van het goedkeuringsbesluit en de overige besluiten wordt tegelijkertijd kennisgegeven op de gebruikelijke wijze, via www.officielebekendmakingen.nl. Tegen het goedkeuringsbesluit en/of de overige besluiten kan, binnen zes weken na bekendmaking, in eerste en enige instantie beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op de gecoördineerde projectprocedure is de Crisis en Herstelwet van toepassing. Dat betekent dat na afloop van de termijn van beroep geen (aanvullende) beroepsgronden kunnen worden aangevoerd. Het instellen van pro forma beroep is niet mogelijk.
1.5 • • • • • • •
•
Leeswijzer De beantwoording van de (geanonimiseerde) individuele zienswijzen is te vinden in Bijlage I. Hoofdstuk 2 beschrijft de meest voorkomende zienswijzen en de beantwoording daarvan. In hoofdstuk 3 tot en met 12 worden per besluit de wijzigingen beschreven. Het betreft wijzigingen naar aanleiding van de zienswijzen en ambtshalve wijzigingen. In hoofdstuk 3 gaat het specifiek over de wijzigingen aangaande het ontwerp-projectplan Waterwet dijkversterking Ravenstein-Lith. Hoofdstuk 4 beschrijft de wijzigingen die zien op het ontwerp-projectplan Waterwet geulen en weerdverlaging Meanderende Maas. Hoofdstuk 5 tot en met Hoofdstuk 12 omschrijven de wijzigingen in de andere ontwerp-besluiten. Hoofdstuk 13 gaat in op het voorlopig toetsingsadvies van de Commissie mer, de aanvulling op het Milieueffectrapport (MER) die naar aanleiding daarvan is opgesteld en het definitieve toetsingsadvies van de Commissie. Hoofdstuk 14 beschrijft het advies van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
Bijlagen • Bijlage I bevat de beantwoording van (geanonimiseerde) individuele zienswijzen. • Bijlage II en III bevatten de toetsingsadviezen van de Commissie mer. • Bijlage IV betreft het RCE advies. • Bijlage V bevat het rapport ‘Verkeersaspecten Maasdijk’.
2 MEEST VOORKOMENDE ZIENSWIJZEN EN BEANTWOORDING In totaal zijn 121 zienswijzen ingediend. Alle zienswijzen zijn, voor een goede beantwoording, gesplitst in de verschillende onderwerpen die in de zienswijzen zijn aangekaart. Dit heeft geleid tot 375 vragen en reacties die stuk voor stuk zijn beantwoord. Onderstaande figuur geeft een overzicht van het type reacties.
Figuur 1 Analyse van de verdeling van onderwerpen van de zienswijzen
In het vervolg van dit hoofdstuk wordt ingegaan op een aantal zienswijzen die vaak naar voren zijn gebracht. Het betreft zienswijzen over schade, grondverwerving, bomen, het algemene proces en procedure, verkeersveiligheid van gecombineerde fiets- en wandelpaden, hondenlosloopgebieden, bereikbaarheid tijdens uitvoering, Ravenstein, planning en communicatie. Bij de individuele beantwoording in Bijlage I is waar van toepassing naar onderstaande paragrafen verwezen.
2.1
Schade als gevolg van het project Meanderende Maas
Verschillende indieners vrezen een vorm van schade of hinder als gevolg van de werkzaamheden in het kader van project Meanderende Maas en willen duidelijkheid over de (wijze van) vergoeding van schade. Zienswijzen hebben betrekking op schade door wateroverlast, verminderde bereikbaarheid, verlies van pachtrecht, schade aan gebouwen door het inbrengen van damwanden, of waardevermindering door verlies van uitzicht als gevolg van de dijkverhoging. Het uitgangspunt is om schade zoveel mogelijk te voorkomen. Desalniettemin kan het voorkomen dat er schade ontstaat tijdens de uitvoering of als gevolg van het plan zelf. Deze schade wordt volgens de geldende wetten en regels behandeld. Er zijn verschillende vormen van schade te onderscheiden, waarbij niet elke vorm van schade volledig wordt vergoed.
In paragraaf 2.1.1 wordt ingegaan op nadeelcompensatie en planschade en in paragraaf 2.1.2 schade als gevolg van de uitvoeringswerkzaamheden en het voorkomen ervan. In paragraaf 2.1.3 wordt ingegaan op grondverwerving.
2.1.1
Nadeelcompensatie en planschade
Burgers en bedrijven kunnen financiële schade lijden als gevolg van de werkzaamheden. Een bedrijf kan door de werkzaamheden tijdelijk of permanent verminderd bereikbaar zijn (zie ook paragraaf 2.6), waardoor de ondernemer een verlies aan omzet heeft (inkomensschade). Een woning kan in waarde dalen door het verlies van uitzicht. In dit soort gevallen ontstaat schade als gevolg van rechtmatig handelen door de overheid. Burgers en bedrijven kunnen dan aanspraak maken op nadeelcompensatie of planschadevergoeding. Deze schade wordt meestal niet volledig vergoed. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het concrete geval blijft de schade geheel of gedeeltelijk voor eigen rekening, op basis van voorzienbaarheid en risicoaanvaarding en/of ‘normaal maatschappelijk risico’. Dit laatste wil zeggen dat het gaat om maatschappelijke ontwikkelingen en nadelen waarmee men rekening kan houden, ook al is vooraf niet duidelijk in welke vorm, omvang of op welk moment ze zich voor zullen doen. Voor het in behandeling nemen en afhandelen van planschade- of nadeelcompensatieclaims zijn voor project Meanderende Maas verschillende verordeningen relevant. Voor schades die te maken hebben met de dijkversterking geldt de ‘Verordening schadevergoeding waterschap Aa en Maas 2015’.
Voor schades die te maken hebben met de geulen en weerdverlaging (oftewel de rivierverruiming) is artikel 15.1 van de Omgevingswet relevant. Voor schades die te maken hebben met het bestemmingsplan geldt de ‘Verordening advisering planschade gemeente Oss 2008’. Een aanvraag voor nadeelcompensatie kan worden ingediend bij het project Meanderende Maas (www.meanderendemaas.nl). Dit kan zodra de betreffende besluiten (projectplannen Waterwet, herziening bestemmingsplan buitengebied Oss) in werking zijn getreden. Elke claim zal op een eenduidige wijze worden beoordeeld door een onafhankelijke deskundigencommissie en zal zoveel mogelijk naar dezelfde maatstaven worden beoordeeld. Op voorhand zijn hierover nog geen uitspraken te doen. Burgers of bedrijven die betrokken zijn bij de grondverwerving maar die daarnaast ook een nadeelcompensatieclaim willen indienen, kunnen kiezen voor een gelijktijdige afwikkeling van deze schadeclaim met de grondverwerving. Deze gecombineerde behandeling kan alleen plaatsvinden op basis van vrijwilligheid. Wanneer het bedrijf of de burger daarna nogmaals een beroep doet op een nadeelcompensatie, zal dit verzoek worden afgewezen omdat de schade dan reeds is vergoed in het kader van de grondverwerving (zie ook paragraaf 2.1.3).
In het overgangsrecht van de Omgevingswet is vastgelegd dat voor ontwerp-besluiten welke ter inzage zijn gelegd vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet (per 1 januari 2024), geldt dat op een verzoek om schadevergoeding (ná inwerkingtreding Omgevingswet) het oude recht van toepassing is, als dat is ingediend binnen vijf jaar nadat het besluit is vastgesteld (artikel 4.17, tweede lid, Invoeringswet Omgevingswet). Op die gevallen blijven ook de oude verordeningen (hierboven genoemd) van toepassing.
2.1.2
Schade als gevolg van de uitvoeringswerkzaamheden en voorkomen ervan
Tijdens de realisatie kunnen hinder en schade ontstaan door de trillingen die de werkzaamheden met zich meebrengen, bijvoorbeeld door grondwerkzaamheden, werkverkeer dat op en neer rijdt, of door het aanbrengen van damwanden. Een belangrijk hulpmiddel bij het voorkomen van hinder of schade door trillingen is de Stichting Bouwresearch(SBR)-richtlijn “meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen”. Binnen het project Meanderende Maas is deel A (schade aan gebouwen) van toepassing. In het Milieueffectrapport (MER) Meanderende Maas en in het projectplan Waterwet dijkversterking Ravenstein-Lith zijn de effecten van de te verwachten werkzaamheden op het gebied van trillingen onderzocht. Hierbij zijn grens- en streefwaarden voor zowel hinder als schade zoals die in de SBR-richtlijn zijn opgenomen aangehouden.
Monitoringsgegevens worden voor, tijdens en waar nodig na de werkzaamheden geregistreerd. Wanneer de grens-/streefwaarden overschreden worden tijdens de uitvoering, wordt bekeken welke vervolgacties nodig zijn. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat de gekozen uitvoeringsmethode wordt stopgezet en dat wordt overgeschakeld op een andere methode om de kans op schade te verkleinen. Monitoringsplan Voor de start van de realisatie wordt een monitoringsplan opgesteld, waarin wordt vastgelegd wat het protocol is bij het uitvoeren van (trillingsgevoelige) werkzaamheden, zoals het uitvoeren van grondwerkzaamheden of het aanbrengen van damwanden. Aan de hand van de bekend zijnde gegevens van woningen en opstallen zijn deze door een specialistisch bureau in een categorie ingedeeld. Afhankelijk van de categorie, en van de geotechnische en geohydrologische situatie ter plekke, wordt bepaald welke trillingswaarden zijn toegestaan. In mei 2023 is een damwandproef uitgevoerd, waarbij op twee locaties, met verschillende ondergrond, met verschillende technieken is getest welke trillingen er worden gemeten op verschillende afstanden van het punt waar de constructie in de ondergrond is ingebracht. Er is gekozen voor twee locaties om een spreiding te hebben qua grondopbouw welke representatief is voor de projectlocatie (gehele traject van 26 km).
Gedurende de damwandproef is op beide locaties een kijkdag georganiseerd om de omgeving kennis te laten maken met de voor de damwand benodigde werkmethoden. Met het resultaat van de damwandproef en de nulopnames wordt per locatie bekeken welke voorkeursmethode wordt toegepast voor het inbrengen van de damwanden in relatie tot schadebeperking van de woning. De keuze welke woningen gemonitord worden, wordt bepaald op basis van de afstand en het risicoprofiel. Dit wordt in het monitoringsplan per dijksectie verduidelijkt en inzichtelijk gemaakt. Het monitoringsplan wordt met behulp van kennis van geohydrologen, geotechnici, bouwkundigen, trillingsexperts en uitvoeringsspecialisten opgesteld. Zodra het monitoringsplan gereed is, wordt hierover aan belanghebbenden meer informatie verstrekt. Opnames voorafgaand aan de werkzaamheden Er is een actuele bouwkundige opname en inmeting uitgevoerd voorafgaand aan de werkzaamheden (nulopname) van onder woningen aanwezige kelders langs de dijk. Dit geldt voor woningen met kelders die binnen een afstand van 50 meter van de dijk liggen. Kort voor de start van de werkzaamheden wordt nabij alle woningen en opstallen een nulopname uitgevoerd welke als vertrekpunt geldt voor de werkzaamheden.
Op basis van de actuele bouwkundige staat van de woning, het soort werkzaamheden dat uitgevoerd gaat worden en de geotechnische gegevens van de ondergrond kan het zijn dat er ook trillingsmetingen voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden worden uitgevoerd. Hiervoor worden trillingsmeters geplaatst en waar nodig scheurmeters aangebracht op een aantal representatieve woningen en opstallen om de huidige situatie in beeld te brengen en om inzicht te krijgen in de huidige status van de woning (dus zonder dat er werkzaamheden plaatsvinden). Methodieken voor inbrengen van damwanden in de grond Er zijn verschillende manieren om een stalen damwand in de grond aan te brengen: trillen, fluïderen en drukken. Het trillingsvrij aanbrengen van een stalen damwand is niet mogelijk, maar er zijn wel methoden die trillingsarm zijn. De meest toegepaste methode voor het plaatsen van een damwand is met behulp van een trilblok. De damwandplanken worden door middel van een trillende beweging de grond in gebracht. Meestal wordt gebruik gemaakt van een ‘hoogfrequent trilblok’, waardoor veel minder trillingen ontstaan dan bij het aanbrengen van een damwand met een heiblok. Het risico op schade aan aangrenzende woningen, opstallen is dan ook veel kleiner. Waar dit risico nog te hoog is, worden damwanden drukkend aangebracht.
Vergoeding van schade veroorzaakt door de uitvoering Indien tijdens werkzaamheden onverhoopt schade aan eigendommen optreedt, kan de uitvoeringsschade bij het project Meanderende Maas, via www.meanderendemaas.nl, worden gemeld. Op werkdagen wordt er binnen 48 uur na de melding contact met de melder opgenomen om de schade te bespreken. Zo nodig wordt een onafhankelijk schadedeskundige ingeschakeld die bepaalt voor welke vergoeding de schade in aanmerking komt.
2.1.3
Grondverwerving
Het ontwerp is zodanig vormgegeven dat daarbij enkel het voor de maatregelen noodzakelijke ruimtebeslag is opgenomen. Daarmee wordt de grondverwerving zoveel mogelijk beperkt. Desalniettemin is het onvermijdelijk dat in sommige gevallen eigendommen benodigd zijn voor het project dan wel dat grondgebruik (tijdelijk) niet kan worden voortgezet. Bij de betrokken eigendommen taxeert een deskundig taxateur de schade die het gevolg is van het project. Een aankoper voert vervolgens gesprekken met rechthebbenden resulterend in formele biedingen. De rechthebbende kan hierbij een adviseur inschakelen, waarvan de kosten naar redelijkheid worden vergoed. Bij overeenstemming wordt een koopovereenkomst gesloten die notarieel wordt vastgelegd. Vanuit het project Meanderende Maas is het streven om in alle gevallen een minnelijke overeenstemming te bereiken. Lukt dat ondanks alle inspanningen niet dan kan worden overgaan tot onteigening. Het eigendom wordt dan na tussenkomst en vonnis van de rechter in bezit genomen om de plannen uit te voeren. Schade als gevolg van, 1) een rechtstreeks en noodzakelijk verlies van eigendom (permanent), 2) grondgebruik voor het plan (tijdelijk), wordt op basis van de Onteigeningswet en bijbehorende jurisprudentie vergoed.
Diverse schadecomponenten worden in de gesprekken tussen de gerechtigde of diens adviseur met de aankoper besproken en zijn onderdeel van de volledige schadeloosstelling. Voor het project Meanderende Maas kan terrein/grond ook tijdelijk nodig zijn, waarbij het niet noodzakelijk is om de gronden in eigendom te verkrijgen. Ook hiervoor wordt minnelijk overleg gevoerd met de rechthebbenden. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, kan de rechthebbende worden verplicht om bepaalde projectvoorzieningen of -werkzaamheden op de grond toe te staan. Dit is een zogenaamde gedoogplicht. Dit is van toepassing op situaties waar de belangen van de rechthebbende geen onteigening vorderen. De minnelijke verwerving en, als partijen geen overeenstemming weten te bereiken, een onteigeningstraject staan los van de rechtmatigheid van voorliggende besluiten. Zienswijzen die betrekking hebben op grondverwerving kunnen in een eventuele procedure inzake de onteigening worden ingebracht. In deze Nota van Antwoord wordt niet ingegaan op individuele grondverwervingsdossiers.
2.2
Het kappen en herplanten van bomen
Door een aantal indieners is een zienswijze ingebracht aangaande bomen en het proces van vervangen en kappen van bomen. Ook zijn zienswijzen ingediend met betrekking tot het behouden van (baken)bomen.
2.2.1
Omgevingsvergunningen kappen en herplant
Bij de besluiten zijn twee omgevingsvergunningen voor het kappen en herplanten van bomen in het projectgebied gevoegd. Zowel van de gemeente West Maas en Waal als van de gemeente Oss. Beiden hebben betrekking op de uitvoeringsperiode tot september 2025. Voor bomen die ná september 2025 gekapt worden zal een aparte omgevingsvergunning kappen en herplant worden aangevraagd. Dat is de standaard werkwijze omdat de natuurlijke omstandigheden aanpassing kunnen vereisen. De onderbouwing voor de kap en de aan te planten vervangende bomen – zoals onderdeel van de twee omgevingsvergunningen (West Maas en Waal en Oss) - beslaat wel het gehele project dat gerealiseerd wordt in de periode tot eind 2029. De bomen worden gekapt omdat de constructie van de dijk dit vereist of omdat de natuur op die plek als gevolg van de uitvoering van het project veel natter wordt.
2.2.2
Bakenbomen
Langs de Maas is in de tijd van de Maasverbetering (jaren 30 van de twintigste eeuw) de langste aaneengesloten laanstructuur van Nederland aangeplant: bakenbomen als navigatiehulp voor de scheepvaart. Het plan voor Meanderende Maas wil bereiken dat dit toonaangevend landschapselement behouden blijft. De bomen die oorspronkelijk geplant zijn raken aan het eind van hun levensduur, bij elke storm of hoog water vallen er bomen om. Het plan gaat niet uit van behoud van elke individuele boom, maar richt zich op behoud/restauratie van de laanstructuur als geheel.
Op het nieuwe maaiveld wordt daartoe een nieuwe generatie bomen in laanstructuur aangeplant. Gekozen is voor de inheemse Zwarte Populieren, die een veel grotere ecologische waarde hebben als waardplant dan de exotische Canadese populier. Een waardplant is een plant waarop insecten of andere organismen essentiële bestanddelen vinden die nodig zijn om te groeien of voort te planten. Bekende soorten die de Zwarte populier als waardplant hebben zijn het Vliegend Hert en de Grote IJsvogelvlinder. De nu vaak aanwezige exotische boomsoorten zoals Canadese Populieren hebben niet dezelfde waarde voor diverse bedreigde soorten als inheemse boomsoorten. Ook is meegewogen dat het behoud van alle huidige oude bakenbomen in de verder verlaagde uiterwaarden zou leiden tot een groot aantal kleine met stortsteen beschermde terpen. Dat zou leiden tot minder waterstandsverlaging dan het nieuw aanplanten van bomen op het verlaagde maaiveld. De terpen zouden bovendien geen duurzame groeiplaats voor de bomen bieden.
2.3
Algemene proces- en procedurele vragen
Door een aantal indieners is een zienswijze ingebracht aangaande de hoeveelheid aan documenten en ontwerp-besluiten die ter inzage zijn gelegd. Een opmerking is dat het aantal documenten talrijk is. Dit heeft te maken met de integraliteit van het project (dijkversterking, rivierverruiming, natuurontwikkeling, waterkwaliteit en recreatie) en de gecoördineerde planprocedures. Voor het projectplan Waterwet dijkversterking Ravenstein-Lith is een gecoördineerde voorbereiding door Gedeputeerde Staten op grond van artikel 5.5 van de Waterwet verplicht. Omdat deze coördinatieregeling niet kan worden toegepast op een projectplan dat ziet op geulen en weerverlaging (rivierverruiming), hebben de Provinciale Staten van de provincies Noord-Brabant en Gelderland besloten om de coördinatieregeling uit de Wet ruimtelijke ordening van toepassing te verklaren. De beide gecoördineerde procedures lopen gelijktijdig op. Een voordeel van gecoördineerde besluitvorming is dat dit zorgt voor stroomlijning van de procedure, zoals de voorbereiding, het nemen van de samenhangende besluiten en de rechtsbescherming daartegen. Doordat de procedure wordt gecoördineerd, kan iedereen kennisnemen van de samenhang tussen de (ontwerp-)besluiten en de gemaakte afwegingen.
Dit komt de helderheid voor eenieder ten goede en voorkomt dat belanghebbenden op verschillende tijdstippen op verschillende besluiten moeten reageren die wel met elkaar samenhangen. Alle gecoördineerde besluiten doorlopen dezelfde beroepsprocedure, waarbij uiteindelijk dezelfde rechter (de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) in beroep uitspraak doet. Dat brengt, gelet op de omvang van het project, wel met zich mee dat het een aanzienlijk aantal ontwerp-besluiten en daarop betrekking hebbende stukken betreft. Bij de terinzagelegging van de stukken is de website van Meanderende Maas, onder “ter inzage”, daarom zo opgebouwd dat eenieder op een eenvoudige en overzichtelijke manier door de stukken wordt geleid. Daarnaast is een viertal inloopbijeenkomsten georganiseerd om belangstellenden zo goed mogelijk bij de inzage te begeleiden. Daarbij was het mogelijk om een afspraak te maken, om de stukken op een later moment met hulp van een projectbegeleider door te nemen. Daarnaast zijn er verzoeken ingediend om van de verdere procedure op de hoogte gehouden te worden. Middels deze Nota van Antwoord ontvangt iedere indiener van een zienswijze, na besluitvorming door de bevoegde gezagen, een inhoudelijke reactie. In paragraaf 1.4 is beschreven hoe de procedure verder verloopt.
2.4
Verkeersveiligheid van fiets-/wandelpaden
Een aantal indieners heeft specifiek vragen over veiligheid van voetgangers die gebruik maken van het fietspad op de tuimeldijk rond Megen en Macharen. In het kader van de dijkversterking langs de Maas tussen Ravenstein en Lith heeft de gemeente Oss het voornemen om het gebied langs de Maas een recreatieve impuls te geven. De gemeente wil de dijkversterking daarbij aangrijpen als kans om met name het recreatieve (langzaam) verkeer beter te faciliteren. De werkzaamheden aan de Maasdijk bieden de kans om het gebied een impuls te geven op het vlak van recreatie en toerisme. Vanuit het oogpunt van verkeer kan dit door veilige en comfortabele voorzieningen te creëren voor fietsers en voetgangers in het gebied. Om fietsers en voetgangers zo goed mogelijk te
faciliteren, wordt ingezet op maximaal comfort en veiligheid op de recreatieve routes op de dijk. Deze routes bestaan bij voorkeur uit vrijliggende voorzieningen voor langzaam verkeer over zo lang mogelijke afstanden (met een breedte van minimaal 2,50 meter). Bij vrijliggende voorzieningen zijn er geen conflicten met gemotoriseerd verkeer en ervaren de weggebruikers minder overlast van dit verkeer. Het is belangrijk dat alle wegen en paden in het gebied nu en in de toekomst veilig gebruikt kunnen worden door alle verkeersdeelnemers. Om dit mogelijk te maken moeten de wegen en paden voldoen aan de landelijke richtlijnen. Met behulp van verkeerstellingen (Bijlage V: rapport ‘Verkeersaspecten Maasdijk’) is bepaald of de inrichting van de wegen en paden tussen Ravenstein en Lith voldoet aan de richtlijnen en of een verkeersveilige situatie bestaat.
2.4.1
Verkeersveiligheid voor fietsers en voetgangers op de dijk
In deze paragraaf wordt beschreven wat vanuit verkeersveiligheid en diverse richtlijnen de onderbouwing is bij de gekozen inrichting van de fiets-/wandelpaden. Voetgangers In het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV 1990) is opgenomen dat voetgangers het trottoir of het voetpad gebruiken. Voetgangers gebruiken het fietspad of het fiets/bromfietspad indien trottoir en voetpad ontbreken. Indien ook een fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt, dan gebruiken zij de berm of de uiterste zijde van de rijbaan. In de publicatie ‘Mengen fietsers en voetgangers?’ van het CROW is opgenomen dat als het aantal voetgangers tijdens het maatgevende moment laag is, ervoor gekozen kan worden dat voetgangers te gast zijn op een fietspad en niet voorzien wordt in een apart voetpad. Het gaat hierbij om minder dan 450 voetgangers per uur bij een pad met een breedte van 2,5 meter. Bij de verkeerstellingen van de gemeente Oss zijn geen voetgangers geregistreerd. Het is echter niet aannemelijk dat 450 voetgangers per uur gebruik maken van de paden (en wegen) in het projectgebied. Voorwaarde voor een goed samengebruik is dat de situatie helder is voor iedereen, zowel qua bebording als in het ontwerp. Fietsers moeten voetgangers verwachten en omgekeerd moeten voetgangers rekening houden met de aanwezigheid van fietsers.
Met officiële bebording is dit mogelijk door het aanwijzen van het pad als ‘onverplicht fietspad’ (G13).
Figuur 2 Officiële bebording bij 'onverplicht fietspad' (G13)
Het bord G13 wordt gebruikt om fietsers de keuze te bieden of ze het pad of de weg gebruiken. Door het bord wordt voorkomen dat brom- en snorfietsers gebruik mogen maken van het pad. Fietsers moeten ook op de rijbaan van de dijk kunnen fietsen in verband met de bereikbaarheid van de woningen. Met het gebruik van dit verkeersbord voorkomen we tevens doorsteekjes vanaf de tuimeldijk. Grote groepen fietsers/wielrenners wordt het zo mogelijk gemaakt om gebruik te maken van de rijbaan. Fietsers Volgens de richtlijnen van het CROW (Handboek wegontwerp – erftoegangswegen) maken fietsers in beginsel gebruik van de rijbaan. Bij verkeersintensiteiten hoger dan 2000 à 2500 motorvoertuigen per etmaal worden fietsvoorzieningen noodzakelijk geacht. In de periode van 2019 tot nu zijn zeer regelmatig verkeerstellingen verricht op diverse plaatsen op het traject langs de Maas. Deze tellingen geven een goed beeld van het gebruik van de wegen. Aan de hand van de resultaten van de tellingen kan vastgesteld worden in hoeverre de huidige en toekomstige inrichting voldoet aan het beleid en de richtlijnen. Er zijn bij de tellingen representatieve locaties en tijdstippen gekozen, zo is er bijvoorbeeld tijdens de piekdagen in het voorjaar gemeten. Een veel gemaakte opmerking is dat juist in het voorjaar (Pinksteren, Pasen enz.) de drukte extreem is. De metingen omvatten: 1.
de hoeveelheid voertuigen die gebruik maakt van de wegen; 2. wat voor voertuigen gebruik maken van de wegen; en 3. de snelheid waarmee deze voertuigen gebruik maken van de wegen.
Met uitzondering van de Maasdijk in Ravenstein is de etmaalintensiteit op een gemiddeld weekend op de onderzochte wegen minder dan 800 voertuigen. De intensiteiten op de betreffende wegen binnen het projectgebied zijn daarmee laag. Ten gevolge van de plannen wordt een toename van het recreatief verkeer verwacht van 25 á 30%. Door middel van gebiedsentrees wordt gemotoriseerd verkeer naar parkeerplekken geleid, zodat recreanten zoveel mogelijk worden gestimuleerd om het gebied verder per fiets of te voet te betreden. De gewenste breedte van een fietspad is mede afhankelijk van de hoeveelheid fietsers op het drukste uur. In de ‘Ontwerpwijzer fietsverkeer’ van het CROW is opgenomen dat bij een tweerichtingenpad met een maximale intensiteit van 50 fietsers per uur, een breedte van 2,5 meter passend is. Deze spitsuurintensiteit mag zelfs toenemen tot 150 fietsers per uur, voordat een breedte van 2,5 meter niet meer volstaat volgens de richtlijnen. Bij de verkeerstellingen is het aantal tweewielers geregistreerd, het exacte type tweewieler is niet vastgelegd. Op nagenoeg alle locaties in het projectgebied van de Meanderende Maas maken op een gemiddelde weekenddag minder dan 800 tweewielers gebruik van de onderzochte wegen. In het drukste uur zijn dit minder dan 50 fietsers waardoor 2,5 meter voldoet.
Dijkwegen Om bovenstaande redenen heeft gemeente Oss de dijkwegen in het projectgebied, conform het Mobiliteitsplan Oss 2020, categorisch ingedeeld als erftoegangsweg type II. Een erftoegangsweg type II heeft volgens de inrichtingskenmerken uit het gemeentelijk beleidsplan buiten de bebouwde kom een breedte van 2,50 tot 4,50 meter en geen markering. Binnen de bebouwde kom is de gewenste breedte van een erftoegangsweg type II 5,00 meter en wordt er geen markering toegepast. Op plaatsen waar het dijklichaam volledig vervangen wordt en de rijbaan dus geheel vernieuwd wordt, bestaat de nieuwe inrichting uit een rijbaan van 3,70 meter asfalt en aan weerszijden een grasbetonstrook van 40 cm. De totale verhardingsbreedte bedraagt hiermee 4,50 meter. Voor achtergrondinformatie over de verkeersveiligheid wordt verwezen naar het rapport ‘Verkeersaspecten Maasdijk’ van de gemeente Oss in Bijlage V.
2.4.2
Fiets-/wandelpad Macharen
Door een aantal indieners is een zienswijze ingebracht aangaande de gecombineerde fiets- en wandelpaden in Macharen. Zij vragen naar nadere onderbouwing en spreken zich uit tegen het gecombineerde pad. Bij de keuze voor een gecombineerd fiets-/wandelpad zijn het brede draagvlak, extra verkeersveiligheid en het vergroten van de beleving voor het recreatieve langzaam verkeer (fietsers en wandelaars) doorslaggevend geweest. In samenspraak met de omgeving (zie Participatieverslag Verkenning en Planuitwerking) is tijdens de verkenningsfase in 2018, voorgesteld om te kiezen voor een vrijliggend fietspad bij Macharen. Dit vrijliggend fietspad wordt aangelegd op de plek waar een tuimeldijk komt. Hiervoor is onder andere gekozen, vanuit verkeersveiligheid. Het fietspad zorgt ervoor dat er een scheiding is tussenautoverkeer en fiets/wandelverkeer. Dit voorstel is vervolgens meegenomen in het Voorkeursalternatief van 2019 (VKA). Ook is het vastgelegd in de Interprovinciale Structuurvisie Meanderende Maas. Om tot het VKA te komen, is er uitgebreid en intensief gesproken met de omgeving, en andere belanghebbenden. De gesprekken vonden plaats in de werkplaatsen, aan de dijktafels en via een klankbordgroep die bestond uit omwonenden. Hieruit kwam breed draagvlak voor het vrijliggende fiets/wandelpad naar voren.
In overleg met omwonenden is bij de nadere uitwerking van het Voorkeursalternatief (september 2020) voor een deel van het dijktraject in Macharen (waar de tuimeldijk omgebouwd gaat worden naar een moderne gronddijk) gekozen voor een vrijliggend fiets-/wandelpad op het buitentalud. Voor de onderbouwing over de verkeersveiligheid wordt verwezen naar paragraaf 2.4.1. Hierna is er met omwonenden nog gesproken over een extra vrijliggend wandelpad. Dit vanuit de behoefte van een aantal omwonenden die regelmatig met de hond wandelen, en dit liever niet doen op het fietspad in de nieuwe situatie. Deze wens voor een vrijliggend wandelpad is uitgebreid bekeken en onderzocht. Om dit op te nemen in het ontwerp zou de omvang van de dijk daardoor fors toenemen, waardoor niet meer gesproken zou kunnen worden van een “sober en doelmatig” ontwerp, wat wel een uitgangspunt is voor het project. Vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid is er ook geen noodzaak, zie hiervoor paragraaf 2.4.1. Wel is nu gekeken naar hoe de beschikbare ruimte in het ontwerp benut kan worden om tegemoet te komen aan
de zorgen die er leven. Zo wordt waar het kan een onverhard struinpad in het maaiveld gecreëerd door hier vaker te maaien. Hierdoor kunnen wandelaars lokaal naast het fietspad wandelen. Om het struinpad voldoende begaanbaar te houden, wordt dit vier keer – in plaats van de gebruikelijke twee keer – per jaar door de gemeente Oss gemaaid. Dit betreft het stuk dijk tussen dijkpaal 528 en dijkpaal 535.
2.4.3
Fiets-/wandelpad Megen
Ook ten aanzien van de fiets-wandelpaden bij Megen zijn er een aantal zienswijzen ingediend. De keuze voor de fiets-/wandelpaden bij Megen kent dezelfde onderbouwing als die voor Macharen (paragraaf 2.4.2). Net als in Macharen zal daar waar de situatie het toelaat een struinpad in het maaiveld worden aangelegd. Zie ook voorgaande paragraaf. Dit betreft het stuk dijk tussen dijkpaal 492 tot dijkpaal 497. Zie voor de nadere toelichting paragraaf 2.4.1 en 2.4.2. Uitzondering is het wandelpad langs de Kloostermuur en het vrijliggend wandelpad in het buitentalud, omdat daar geen aanpassingen gaan plaatsvinden
2.5
Hondenlosloopgebieden
Door een aantal indieners is een zienswijze ingebracht aangaande het behoud van hondenlosloopgebieden en de behoefte aan nieuwe hondenlosloopgebieden. In het projectgebied zijn op dit moment geen (formele) hondenlosloopgebieden aanwezig. Vanuit het project komen er geen nieuwe gebieden bij en verdwijnen er ook geen. Er verandert hiermee niets aan de bestaande situatie. Verder dienen honden binnen de bebouwde kom altijd aangelijnd te zijn, tenzij het om een afgeschermde hondenuitlaatplek gaat. Volgens de plaatselijke Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Oss is het ook buiten de bebouwde kom niet toegestaan om een hond los te laten lopen, tenzij er een hondenlosloopgebied is aangewezen.
2.6
Bereikbaarheid tijdens de uitvoering
Door een aantal indieners is een zienswijze ingediend aangaande de bereikbaarheid tijdens de uitvoering van de dijkversterking. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het transport van materieel, aanvoer van materiaal en het gebruik van werkstroken, werkwegen (transportbanen) rondom en nabij woningen/gebouwen. In de volgende paragrafen wordt toegelicht hoe hiermee omgegaan wordt.
2.6.1
Werkwegen, werkstroken en planning
Materialen worden zoveel mogelijk via het water aangevoerd. Daarvoor worden loslocaties langs de Maas gerealiseerd. Toch zullen er ook materialen over de weg moeten worden aangevoerd. Om het werk veilig te kunnen uitvoeren zijn er werkstroken gedefinieerd, specifiek voor transport van materieel en uitvoeringspersoneel. De breedtes van deze stroken zijn gebaseerd op de gezamenlijke kennis en ervaring uit eerdere dijkversterkingsprojecten van de aannemer en het waterschap. Op de werkstroken zal niet continu werkverkeer rijden. Deze stroken dienen voornamelijk als werkruimte voor de machines die de dijk aanleggen, als veiligheidszone voor bijvoorbeeld het aanbrengen van grond op en tegen de dijk. Tijdens het realiseren van de constructies, kan kortdurend intensiever gebruik worden gemaakt van de werkstrook voor aanvoer van materialen (bijvoorbeeld voor damwandplanken). Zie paragraaf 2.6.2 voor informatie over communicatie van de planning.
2.6.2
Bereikbaarheid tijdens de uitvoering
Vanaf het voorjaar 2024 wordt de uitvoeringsplanning en het inzicht in de te verwachten hinder steeds concreter. De werkzaamheden buiten zijn voorzien vanaf de tweede helft van 2024 tot 2030. Woningen en bedrijven blijven te allen tijde bereikbaar. Het is niet mogelijk nu al aan te geven welke hinder er in bijvoorbeeld 2027 op welke locatie optreedt. Het is daarom van belang dat bewoners en bedrijven hierin worden meegenomen. Daarnaast zal zoveel mogelijk worden voorkomen dat werkzaamheden zonder tijdige aankondiging starten of dat ze langer duren dan eerder aangegeven. Afhankelijk van het gebruik (wonen, bedrijvigheid, recreatie) treft de aannemer maatregelen om hinder te minimaliseren. Voor communicatie over de planning zie paragraaf 2.8.2.
2.7
Ravenstein
Door een aantal indieners is een zienswijze ingebracht aangaande Ravenstein. Deze hebben onder anderen betrekking op de vestingmuur in het ontwerp, het voorsorteren op een toekomstige strang (nevengeul), de
hoogte van de kering en noodzaak van een damwand, de effecten op hydrologie/wateroverlast, de inpassingsopgave en het aanwezige groen.
2.7.1
De muur in historische context
Er is veel discussie geweest over de vraag of er in het verleden wel of geen muur dan wel stenen bekleding aan de Maaszijde van de vesting Ravenstein aanwezig is geweest. De schets ‘t Casteel tot Ravensteijn (door het Rijksmuseum toegeschreven aan Barend Klotz uit 1674) en jongere afbeeldingen van de vestingstad Grave, tonen opmerkelijke overeenkomsten in de opbouw en toegang via een poort vanaf de rivier naar de stad. Dit maakt de aanwezigheid van een stenen muur of bekleding aan de Maaszijde plausibel; dit wordt bevestigd door diverse deskundigen die hierover zijn geraadpleegd, zoals de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, de gecombineerde Monumentencommissie / adviescommissie ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Oss en archeoloog Eric van der Kuijl (Hamaland Advies). Naast deze beschouwing van de vesting van Grave als vergelijk voor Ravenstein, leert de ontwikkeling van Grave ons ook dat de ruimtelijke condities van de vesting en de verdediging ervan voortdurend aan veranderingen onderhevig zijn. Dit bij elkaar opgeteld, legitimeert de uitwerking van de kering in de vorm van een muur, die als eigentijdse toevoeging aan de stad herkenbaar is en qua materiaalgebruik aansluit op de karakteristieken van de vestingstad. Naast het bovengenoemde argument over de historische juistheid, speelt er nog een erfgoed-aspect dat de keuze voor een muuroplossing versterkt.
Indien de kering in grond zou worden vormgeven, zouden de rondelen voor een groot deel onder het grondlichaam van de dijk verdwijnen. Dat effect speelt al bij de oplossing voor het zichtjaar 2075 en wordt alleen maar sterker bij een verdere ophoging van de dijk waarvan we nu verwachten dat die in de verre toekomst nodig zal zijn. Het opmetselen van een muur bij een verhoging vraagt geen extra ruimtebeslag en laat de rondelen ongemoeid. Omdat dergelijke rondelen zeldzaam zijn en een bijzondere periode vertegenwoordigen uit de Nederlandse krijgsgeschiedenis, wordt het vormgeven van de kering in grond vanuit het inpassingsvraagstuk niet acceptabel geacht. Daarnaast worden de rondelen zelf aan weerzijden verlengd om een goede aansluiting op de nieuwe muur te kunnen maken. Daarmee wordt hun zichtbaarheid boven maaiveld groter en krijgen ze een belangrijkere plek in de stedenbouwkundige structuur en openbare ruimte van Ravenstein.
2.7.2
Ravenstein als hydraulische flessenhals; voorsorteren op lange termijnperspectief
De passage van de Maas langs Ravenstein is te duiden als een flessenhals. De afstand tussen de Gelderse en Brabantse dijk is hier slechts een kleine 400 meter, waarbij de terp van de mengvoederfabriek en het landhoofd van de spoorbrug extra obstakels vormen voor de afvoer bij hoogwater. Het verruimen van de flessenhals is onderzocht in het kader van de zogenoemde Adaptieve Uitvoeringsstrategie Maas (AUM) en beleidsmatig vastgelegd in het Deltaprogramma en het Nationaal Waterplan; niet als blauwdruk voor 2050, maar om zicht te bieden op de potentiële waterstandverlaging in het riviersysteem van de Maas. Het wegnemen van obstakels in de flessenhals bij Ravenstein maakt daarbij onderdeel uit van een van de pakketten waarvan in het AUM geconcludeerd is dat het in de rede ligt deze te benutten voor het opstellen van een programma in het kader van het Rijksprogramma Integraal Riviermanagement (IRM). Het ontwerpprogramma IRM is in december 2023 vrijgegeven voor inspraak. De komende jaren worden de beleidskeuzes van dit IRM concreet uitgewerkt tot maatregelpakketten inclusief de benodigde financiering. Naast de wens obstakels in de flessenhals weg te nemen, is het gewenste lange termijn perspectief om de strang (nevengeul) terug te brengen die tot circa 1950 vlak langs Ravenstein liep. Dit perspectief is in de Toekomstvisie 'Waterfront Ravenstein’ van de Gemeente Oss vastgesteld.
Geen van bovenstaande zaken is nu in de ruimtelijke plannen voor Meanderende Maas opgenomen. Tijdens de planuitwerkingsfase tot de start van de uitvoeringsfase is er nog onvoldoende duidelijkheid over het Rijksprogramma IRM. Ook is er nog geen zicht op concrete investeringen in het spoorwegnet die effect hebben op de spoorbrug en het daaraan verbonden landhoofd, noch op het beëindigen van productie in de fabriek in de uiterwaarden van Ravenstein. Het lange termijnperspectief is echter van dusdanig groot belang dat er is gekozen voor een uitwerking die al zo veel mogelijk voorsorteert op deze gewenste ontwikkelingen. Deze visie wordt gedeeld door het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Met het toepassen van een damwandconstructie kan de terp van de mengvoederfabriek worden verwijderd, zonder dat dit de hoogwaterveiligheid van de dijk aantast. Een
damwand in combinatie met een kademuur heeft als bijkomend voordeel dat er zo min mogelijk buitenwaarts wordt uitgebreid en daarmee ook zo min mogelijk ruimte van het rivierbed wordt afgenomen. Een oplossing in grond komt zo ver naar buiten te liggen dat het reconstrueren van de strang op zijn oorspronkelijke plek, redelijkerwijs niet mogelijk is. Dit is wel mogelijk met de keuze voor een damwand in combinatie met een kademuur.
2.7.3
De noodzaak van de damwand vanuit waterveiligheid, inclusief de hoogteopgave
Op dit moment voldoet de dijk tussen Ravenstein en Lith niet aan de in de Waterwet opgenomen overstromingskansnorm van 1:10.000. Bij een eventuele overstroming kan een groot gebied inclusief Oss en ‘s-Hertogenbosch onder water komen te staan, met kans op veel slachtoffers en grote economische schade. Daarom moet de dijk worden versterkt. Daarnaast is rekening gehouden met klimaatverandering. Voor de Maas betekent klimaatverandering onder meer dat rekening gehouden moet worden met hogere piekafvoeren en meer en intensievere neerslag. In het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) is het dijktraject Ravenstein-Lith opgenomen als een van de top 14 meest urgente dijktrajecten om te versterken. In de Verkenningsfase van het project Meanderende Maas zijn ‘nut en noodzaak’ van de dijkversterking nader onderbouwd. De aanleghoogte van de dijk bij Ravenstein van 11,90+NAP is onder meer bepaald door de waterstand die de dijk moet keren bij extreem hoogwater. Deze waterstand is berekend aan de hand van: a. de wettelijke veiligheidsnorm die voor dit dijktraject geldt; b. de verwachte ontwikkeling van de rivierafvoer in de komende 50 jaar; c. de effecten van de rivierverruimende maatregelen op de Maas. De dijk aan de Gelderse zijde is lager dan de voorgestelde hoogte van de kering aan Brabantse zijde en bij een eventuele dijkdoorbraak zijn de gevolgen er kleiner.
De dijk aan de Gelderse zijde heeft daarom een andere veiligheidsnorm en zal pas in een later stadium versterkt worden. Dit heeft echter geen effect op de aanleghoogte van de dijken aan Brabantse zijde. Een aantal zienswijzen gaan in op de noodzaak van een damwand. Vanuit hoogwaterveiligheid is ter hoogte van de oude stad van Ravenstein een damwand niet strikt noodzakelijk. Hoewel andere minder kostbare oplossingen denkbaar zijn, wordt er soms toch voorkeur gegeven aan het treffen van een duurdere maatregel, omdat het bij een dergelijk vraagstuk om meer gaat dan waterveiligheid alleen. Op die manier zijn bij de vorige dijkversterking de twee rondelen ook opgegraven en opgemetseld zodat ze in het maaiveld zichtbaar werden. Voor de huidige opgave voor Ravenstein is vormgeving van de kering in grond een alternatief, dat weliswaar minder kostbaar zou zijn, maar onacceptabel vanuit het inpassingsvraagstuk van de rondelen en een toekomstige reconstructie van de strang (het lange termijnperspectief). Zoals in de bovenstaande paragrafen ook is beschreven. In het projectplan Waterwet is daarom een damwand opgenomen. Deze damwand had naast bovengenoemde argumenten, op het moment van in procedure brengen van het ontwerp-projectplan Waterwet, een stabiliteitsfunctie en óók een functie in het oplossen van het pipingprobleem van het betreffende dijktraject.
Dit is ook zo aan de bewoners en omgeving gecommuniceerd. Tot medio december was namelijk het inzicht dat er voor dit deel van de kering ook een pipingvraagstuk1 aanwezig was, alleen op te lossen met een damwand met een diepte tot circa 1 meter onder NAP. Recent aanvullend bodemonderzoek heeft aangetoond dat er sprake is van grote hoeveelheden klei in het voorland, waardoor geconcludeerd is dat het risico op piping op deze locatie te verwaarlozen is (zie hiervoor ook paragraaf 3.2.1). Om die reden krijgt de damwand voor Ravenstein alleen een stabiliteitsfunctie. Aan weerszijden van Ravenstein, ten noorden van het spoor en ten zuiden van het Bokrondeel, is nog wel een pipingopgave aanwezig en worden damwanden in de dijk aangebracht om deze veilig te maken.
2.7.4
De effecten op hydrologie (binnendijks)
Van de dijkversterkende maatregelen zijn voor de hydrologie met name de constructies relevant. Het effect van de constructies op de hydrologie is minimaal, doordat de beoogde damwanden relatief ondiep in de zandige ondergrond zullen steken. De onderliggende zandlagen zijn zo'n dertig meter dik en bestaan uit
1
Zie de websitepagina Wat is: Piping? - Meanderende Maas voor een toelichting op het begrip piping.
matig grof tot zeer grof zand, waardoor grondwater zeer goed doorgelaten kan worden. Ter hoogte van de oude stad is bovendien geen sprake van tussenliggende, afsluitende kleilagen. Om die reden heeft het plaatsen van damwanden ter plekke nauwelijks gevolgen voor het doorlaatvermogen van het watervoerend pakket. Het effect van de voorgestelde damwanden op binnendijkse grondwaterstanden is verwaarloosbaar. Zie ook het geohydrologisch onderzoek.
2.7.5
Inpassingsopgave materialisering en groen
De dijkversterking heeft ook impact op de openbare ruimte; hier zitten meerdere aspecten aan: Zichtbaarheid van de rondelen. Het kasteelrondeel en bokrondeel zullen aan weerszijden verlengd worden, daarbij de onderliggende fundamenten volgend. Hierdoor krijgen ze een prominentere plek in de openbare ruimte. In samenspraak met de gemeente wordt nog nagedacht over een aanvullende markering van de rondelen in het wegdek van de Maasdijk. Verkeersveiligheid. Naar aanleiding van ingediende zienswijzen zullen er aanvullende maatregelen worden opgenomen in het uitvoeringsontwerp om een veilige oversteek van het wandelpad over de toerit naar de mengvoederfabriek te kunnen garanderen. Groenvoorzieningen. Aan de hand van de artists impressions van de toekomstige situatie is in beeld gebracht dat de aanblik van de nieuwe kering, vanuit de stad gezien, overwegend groen blijft. Naar aanleiding van ingediende zienswijzen over dit onderwerp, zullen in de volgende fase van het uitvoeringsplan nog aanvullende groenvoorzieningen worden toegevoegd aan het ontwerp. Wegdek Maasdijk. Als onderdeel van de werkzaamheden aan de dijk (maar niet als onderdeel van het project Meanderende Maas) wordt naar verwachting ook een deel van het asfalt op de Maasdijk vervangen.
De Gemeente Oss bekijkt de komende periode, in samenspraak met de projectorganisatie Meanderende Maas, wat hiervan de implicaties zijn voor de riolering, de afwatering, de markering van erfgoed en het parkeren op het wegdek. Op basis daarvan wordt beslist en hoe dit eventueel betrokken kan worden in het uitvoeringsontwerp.
2.8
Omgevingsmanagement: planning en communicatie
2.8.1
Van projectplannen naar uitvoeringsontwerp
Door een aantal indieners is een zienswijze ingediend aangaande het ontwerp van de dijk en zorgen over individuele situaties, met name het ontwerp van de dijk nabij de woning. Er is behoefte aan meer details over bijvoorbeeld de exacte ligging van een oprit, toegang tot percelen, verkeersveiligheid, het behoud van bomen, uitzicht, grondverwerving en maatregelen om wateroverlast te voorkomen. Het huidige ontwerp heeft nog niet het detailniveau dat nodig is om hier een volledig antwoord op te geven. De huidige detailniveaus van het projectplan Waterwet dijkversterking Ravenstein-Lith en het projectplan Waterwet geulen en weerdverlaging zien op het detailniveau dat nodig is voor: • rechtszekerheid van de belanghebbenden; • bepaling van de effecten en de gemaakte afwegingen; en • grondverwerving De projectplannen bevatten nog niet alle details. Deze details komen aan de orde in het zogeheten uitvoeringsontwerp. Uit jurisprudentie van de Afdeling van de Raad van State 1 volgt ook dat er in een projectplan enige flexibiliteit wordt geboden bij de definitieve uitvoering van het werk. Deze uitvoering kan bijvoorbeeld, zoals in onderhavig geval ook aan de orde is, via een uitvoeringsontwerp worden geregeld. Een aantal zienswijzen geeft aanleiding tot verbeteringen die worden uitgewerkt en opgenomen in het uitvoeringsontwerp. Dit is benoemd bij de individuele beantwoording in Bijlage I.
In het uitvoeringsontwerp wordt nader gekeken naar bijvoorbeeld materiaalgebruik, maar ook naar afwatering rond bebouwing. Bij de verdere uitwerking van de projectplannen naar een uitvoeringsontwerp worden de bewoners met een direct belang betrokken. Het ontwerp zal met hen worden gedeeld en er wordt besproken welke aandachtspunten