CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

NL IMRO 0828 BPuiterwrdddndmn-ON01 Toelichting.PDF

Adviescommissie Ruimte 14 januari 2021, gemeente OssBij agendapunt: BII Ontwerp bestemmingsplan en MER Herinrichting uiterwaarden Demen-Dieden26.728 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Dit betreft met name het verzoek om meer onderbouwing op de onderzoeksaspecten natuur en grondwater. In een aanvulling op het MER4 is invulling gegeven aan het advies van de Commissie. Met deze aanvulling kan het milieubelang volwaardig worden meegewogen in de besluitvorming. 5.2

Milieu- en omgevingsaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. 5.2.1

Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen.

3 Bijlage 10 bij de toelichting 4 Bijlage 11 bij de toelichting

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 41 van 61 Ontwerp 10 november 2020

In een notitie Bedrijven en Millieuzonering5 is nader ingegaan op de systematiek van de handreiking in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling. Het toetsingskader bestaat uit 4 stappen. In stap 1 wordt een afweging gemaakt op basis van de in de publicatie opgenomen richtafstanden. Deze richtafstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In dit geval wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor de aspecten stof en geluid. In de stappen 2 tot en met 4 kan gemotiveerd, op basis van nader onderzoek, worden afgeweken van de richtafstanden. Er is nader onderzoek gedaan naar stof en geluid. Stof In stap 2 wordt de afstand ten opzichte van de bronnen die stof kunnen verspreiden bepaald. Overal waar ontgrondingswerkzaamheden plaatsvinden komt stof vrij. Dit betekent dat de afstand tot de stofbronnen erg afhankelijk is van de plaats waar werkzaamheden worden uitgevoerd. Worst case worden de werkzaamheden echter op de rand van het ontgrondingengebied uitgevoerd en bedraagt de afstand tot de stofbronnen ten hoogste 90 meter. Een overweging op basis van stap 3 is noodzakelijk. In stap 3 wordt nagegaan welke maatregelen mogelijk zijn om stofhinder te voorkomen. Ten eerste wordt opgemerkt dat de meeste ontgrondingsactiviteiten plaats vinden op meer dan 100 meter van de woningen.

Het is de verwachting dat de meeste tijd de activiteiten op voldoende afstand plaats vinden om stofhinder te voorkomen. Indien op kortere afstand van de woningen wordt gewerkt dan ontstaat de kans op stofhinder vooral bij langdurig droog weer. In dat geval blijft stof op de rijbanen liggen en komt stof vrij bij de ontgravingswerkzaamheden. Wanneer de werkzaamheden plaats vinden onder regenachtige omstandigheden dan zal geen stofhinder optreden. De maatregelen om zichtbare stofverspreiding én zichtbare stofneerslag ter plaatse van woningen te voorkomen bestaat uit het vochtig houden van het werkterrein en gedeeltes van de rijroutes indien de weersomstandigheden hiertoe aanleiding geven. Deze maatregelen worden alleen uitgevoerd indien de werkzaamheden op relatief korte afstand van de woningen plaatsvinden waardoor kans op stofhinder bestaat. Geluid Tijdens de ontgraving en inrichting ontstaat enige overlast. In dat kader is een akoestisch onderzoek uitgevoerd6. De duur van de winning bedraagt 7 tot 10 jaar. Ten behoeve van het akoestisch onderzoek wordt uitgegaan van de akoestisch maatgevende situatie. Dit is de situatie waarbij alle werkzaamheden binnen een periode van 7 jaar worden uitgevoerd.

Ontgraven binnen 7 jaar betekent dat op jaarbasis meer activiteiten plaatsvinden; er worden meer dagen per jaar gewerkt en/of er worden meer machines per dag ingezet ten opzichte van een uitvoering in meer dan 7 jaar. Langer werken of inzet van meer materieel leidt tot een hogere geluidbelasting op de omgeving. De geluidbelasting als gevolg van de geluidbronnen in de omgeving is bepaald ter plaatse van de meest nabijgelegen woningen. Aangezien de werkzaamheden uitsluitend in de dagperiode plaatsvinden is uitgegaan van een beoordelingshoogte van 1,5 m boven maaiveld (standaard beoordelingshoogte voor activiteiten in de dagperiode voor grondgebonden woningen, bij appartementen bedraagt de beoordelingshoogte 1,5 m boven de verdiepingsvloer). Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau per woning varieert en bedraagt ten hoogste 55 dB(A). Ter plaatse van 5 van de 60 onderzochte woningen is het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau hoger dan het ambitieniveau van 50 dB(A) voor het betreffende gebied, zoals opgenomen in gemeentelijk geluidbeleid van de gemeente Oss. Uitgaande van 140 werkdagen per jaar en een gemiddeld ontgravingsgebied van 12 ha per jaar, is de geluidbelasting gedurende 2 tot 3 werkweken per jaar hoger dan 50 dB(A). Wel wordt voldaan aan de bovengrens van 55 dB(A) die voor bedrijven wordt gesteld.

Bij alle woningen is het maximale geluidniveau meer dan 10 dB hoger dan het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Bij slechts 15 woningen is het maximale geluidniveau meer dan 60 dB(A). Daarmee wordt voldaan aan de bovengrens van 70 dB(A) voor maximale geluidniveaus.

5 Bijlage 1 bij de toelichting: Lievense, Plantontwikkeling Demen-Dieden, Bedrijven en milieuzonering, d.d. 24 januari 2019); 6 Bijlage 12 bij de toelichting: Lievense, planontwikkeling Demen-Dieden, akoestisch onderzoek, 17M7013.RAP007.NP.RL_V3, d.d.

4 oktober 2018, bijlage 9 bij de toelichting.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 42 van 61 Ontwerp 10 november 2020

Bij het bepalen van de indirecte hinder (hinder als gevolg van vrachtwagens langs de rand van het wingebied of schepen van en naar de laadwal) is uitgegaan van de worstcase situatie. Dit betekent het maximaal aantal transportbewegingen met vrachtwagens of schepen ter plaatse van de woningen. Met een geluidbelasting van ten hoogste 39 dB(A) wordt ruim voldaan aan de normstelling van 50 dB(A) uit de circulaire indirecte hinder. Maatregelen om de geluidbelasting nabij woningen te reduceren zijn lastig. Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren kunnen bestaan uit het treffen van maatregelen aan de bron. Hierbij moet gedacht worden aan het gebruik van stiller materieel (voor zover dit technisch mogelijk is). Het gebruikte materieel voldoet aan de stand der techniek, het is niet de verwachting dat het mogelijk is om gebruik te maken van stiller materieel met een vergelijkbare capaciteit. Gezien het mobiele karakter van de bron zijn maatregelen in de overdracht alleen mogelijk als deze bij de woningen worden getroffen. Gezien de ligging van de woningen op/achter de dijk waarbij de woningen vaak via de dijk worden ontsloten, zijn maatregelen in de overdracht niet realistisch. Omdat maatregelen aan de bron of in de overdracht niet mogelijk zijn en het ambitieniveau slechts gedurende korte tijd wordt overschreden, wordt de geluidbelasting toelaatbaar geacht.

Gebruiksfase Naar verwachting is het aantal verkeersbewegingen van en naar het gebied zeer beperkt aangezien extensieve recreatie van ondergeschikt belang is aan de natuur. De geluidbelasting als gevolg van de verkeersbewegingen van en naar het gebied is verwaarloosbaar. De geluidbelasting tijdens de gebruiksfase wordt daarom niet nader beschouwd. Ditzelfde geldt voor het aspect stof. 5.2.2

Bodem

Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In dit geval is de bodem, vanwege de ligging in de uiterwaarden, te beschouwen als waterbodem. Er is een onderzoek uitgevoerd naar de (water)bodemkwaliteit. 7 Mede op basis van dit onderzoek en de bodemopbouw en geomorfologie zijn vier bodemkwaliteitszones vastgesteld. 8 Per zone is een totaaloverzicht gegeven van de te verwachten ontgravingsklasse en toepassingseis. De toe te passen waterbodem moet minimaal dezelfde kwaliteit hebben als de ontvangende waterbodem, maar mag uiteraard ook schoner zijn. Uit de onderzoeken blijkt dat de bodemkwaliteit goed is, er klei van goede kwaliteit aanwezig is en grond zonder belemmeringen kan worden hergebruikt binnen het projectgebied. Aanvullend is nog onderzoek gedaan naar PFAS 9. De resultaten van dit onderzoek kunnen als aanvulling op de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt. 5.2.3

Externe veiligheid

Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS) het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). 7 Bijlage 13 bij de toelichting: Lievense, 4 december 2018, 17M7013.RAP.WBOv2, Waterbodemonderzoek. Maasuiterwaarden

Demen-Dieden 8 Bijlage 14 bij de toelichting: Lievense, 17 januari 2019, 17M7013.Wbkk, Rapportage Waterbodemkwaliteitskaart. Maasuiterwaarden Demen-Diemen. 9 Bijlage 15 bij de toelichting: Lievense, 18 december 2019, SOB010398-A.RAP001, bodemonderzoek ne actualisatie waterbodemkwaliteitskaart PFAS-verbindingen.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 43 van 61 Ontwerp 10 november 2020

Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt.

Ten behoeve van de milieueffectrapportage en dit bestemmingsplan is een beoordeling gedaan van het aspect externe veiligheid.10 Het plangebied grenst aan de rivier de Maas die als vaarwegtraject Maascorridor is opgenomen in de Regeling Basisnet (Basisnet Water). Ter plaatse vindt over de Maas vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Uit de regeling blijkt dat de PR 10‐6 -contour voor de Maas op de oever ligt. Op grotere afstand liggen nog een aantal risicobronnen die gezien hun afstand niet van invloed zijn op het plangebied: • Spoorwegtraject Den Bosch – Nijmegen Over deze basisnet spoorweg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. De spoorlijn is op ruim 1 km afstand gelegen. • Rijksweg A50 Over deze basisnet weg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. De weg is op ruim 2 km afstand gelegen. • Hogedruk aardgastransportleidingen Op ca. 2,5 km afstand liggen een aantal buisleidingen die gebruikt worden voor het transport van aardgas. Het voornemen betreft het ontgraven van klei in een gebied dat na de ontgraving volledig als natuurgebied wordt ingericht. Er worden geen mogelijkheden geboden om (beperkt) kwetsbare objecten te realiseren. Na voltooiing van de werkzaamheden zal het bezoek aan het natuurgebied ten opzichte van het huidig bezoek nagenoeg niet toenemen. Er vindt dan ook geen wijziging plaats van het huidige plaatsgebonden- en groepsrisico.

10 Bijlage 9 bij de toelichting: Lievense, 5 september 2018, externe veiligheid uiterwaarden Demen - Dieden

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 44 van 61 Ontwerp 10 november 2020

De ontgraven klei wordt per schip afgevoerd over de Maas. Dit transport is beperkt tot 1 schip per dag (dus twee vaarbewegingen), waarmee de reguliere scheepvaart op de Maas nauwelijks beïnvloed wordt en daarmee geen risico’s ontstaan. Conclusie: Het aspect externe veiligheid is niet van invloed is op de plannen. 5.2.4

Luchtkwaliteit

Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.

Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM 10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Uit berekeningen11 volgt dat in alle jaren van kleiwinning ruimschoots wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor de ten aanzien van luchtkwaliteit meest kritische stoffen NO 2, PM10 en PM2,5. Het gebruik van het terrein (natuurontwikkeling met extensieve recreatie), na afloop van de kleiwinning, draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen 12.

12 Bijlage 8 bij de toelichting: Lievense, 17M7013.RAP006.NP.RL_V3, Planontwikkeling Demen Dieden, onderzoek Luchtkwaliteit,

1 oktober 2018.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 45 van 61 Ontwerp 10 november 2020

5.2.5

Water

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. De ontwikkeling in het plan is deels gericht op waterberging. Het plan levert een bijdrage aan de hoogwaterveiligheid, omdat het zorgt voor een waterstandsdaling bij hoogwater. Het waterschap Aa en Maas en Rijkswaterstaat zijn nauw betrokken bij de planontwikkeling. Grondwater De waterhuishouding binnendijks kan beïnvloed worden door vergravingen aan de buitendijkse zijde. Bij hoge waterstand kan er meer water onder de dijk doorstromen en zo de dijk verzwakken (piping) maar ook wateroverlast in het binnenland veroorzaken. De effecten op grondwaterstanden zijn daarom uitgebreid onderzocht13. De effecten van de vergraving zijn onder gemiddelde en gemiddeld droge en natte omstandigheden in het binnendijkse gebied gering. Grondwaterstands- en stijghoogteveranderingen zijn kleiner dan 5 cm en fluxveranderingen kleiner dan 0.5 mm/dag. Dit komt mede doordat de Maas gestuwd is en in droge perioden niet uitzakt. In gemiddelde omstandigheden wordt daarmee, zelfs in een worst-case berekening, voldaan aan de eisen van het waterschap Aa en Maas.

Tijdens hoogwater T=10 is er wel sprake van een tijdelijke toename van de kwelflux. Het overgrote deel van de toename is kwelflux is echter ook in de referentiesituatie aanwezig. De toename tijdens extreme omstandigheden is voor slechts 1,3% tot 4% het gevolg van de geplande klei-ontgraving. Deze kleine toename blijft onder de drempel en het effect is daarmee neutraal. Er zijn geen grondwaterverontreinigingen bekend binnen- of buitendijks. Tijdens de uitvoeringsfase mogen werkzaamheden vanzelfsprekend niet leiden tot verontreiniging van bodem of grondwater (zorgplicht uit de Wet bodembescherming en Wet milieubeheer). Een beperkte toename van de kwelstroom leidt daarom niet tot aantasting van de grondwaterkwaliteit binnendijks: het effect is neutraal. Natte ecologische verbindingszones Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Ecologische Waardenkaart te zien, voor het plangebied Demen-Dieden. Op deze kaart is te zien waar ecologische waarden aanwezig zijn, die onder andere afhankelijk zijn van hydrologisch gunstige omstandigheden en dus schade kunnen oplopen bij droogval.

13 Bijlage 16 bij de toelichting: Acacia water, d.d. 29 januari 2019 geohydrologisch onderzoek

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 46 van 61 Ontwerp 10 november 2020

Figuur 13 uitsnede keurkaart Ecologische waardenkaart De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een verdroging van het gebied. De effecten van de vergraving zijn onder gemiddelde en gemiddeld droge en natte omstandigheden in het binnendijkse gebied gering. Zie ook het onderdeel ‘grondwater’. Beschermde gebieden waterhuishouding Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de keurkaart ‘beschermde gebieden waterhuishouding’ te zien. Deze status geldt voor een groot deel van het plangebied. De beschermde gebieden zijn overgenomen uit de Provinciale Verordening water Noord Brabant. Hieronder valt het Natuurnetwerk Brabant (Natuurnetwerk Brabant is onderdeel van Natuurnetwerk Nederland, voorheen de ecologische hoofdstructuur), inclusief de ecologische verbindingszones (EVZ). In deze gebieden gelden aanvullende kwaliteitseisen, onder andere vanuit de Kaderrichtlijn Water. Waterbeheerders moeten dit in hun regelgeving verwerken en provincies nemen deze gebieden op in de provinciale regelgeving.

Figuur 14 uitsnede keurkaart Beschermde gebieden

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 47 van 61 Ontwerp 10 november 2020

Onderdeel van de beoogde ontwikkeling in het plangebied is het herstellen van het ecosysteem van de Maas, vanuit de Kaderrichtlijn Water. Rijkswaterstaat investeert in het gebied vanuit deze doelstelling. Gezien het feit dat ‘waterkwaliteit’ één van de doelstellingen van het project is, past dit in de beschermde status die het plangebied heeft. 5.2.6

Rivierkunde

Rivierverruiming is niet het primaire doel, maar het project beoogt wél een proportionele bijdrage te leveren aan de verruiming van de afvoercapaciteit bij hoogwater. Daarom zijn verschillende vergelijkingsvarianten onderzocht en is, na een aantal optimalisaties, een voorkeursontwerp doorgerekend14. Voor de effectbeoordeling is gekeken naar de effecten van het plan op de verschillende (hoog)waterstanden, morfologie, en hinder voor de scheepvaart. Waterstand Het voorkeursontwerp realiseert een waterstandsdaling van ca. 5 cm, ten koste van een opstuwingspiek centimeter. Uit de verschillende berekeningen (optimalisatieslagen) blijkt dat dit een realistisch ontwerp is met de meeste waterstandsdaling. Het effect is daarmee positief. Dwarsstroming Door water wat de nevengeulen in- en uitstroomt kunnen zogenaamde dwarsstromen ontstaan die hinder veroorzaken voor de scheepvaart. Uit berekeningen blijkt dat dwarsstroming op de rechteroever afneemt en dat de kleine toename op de linkeroever voldoet aan de criteria en daarmee niet significant is. Het effect is daarmee positief. Morfologie In eerste instantie is gebruik gemaakt van een model (WAQmorf) om de effecten op de morfologie te bepalen. Door verlaging van de uiterwaard kan de stroomsnelheid namelijk dalen waardoor sedimentatie optreedt.

Uit de onderzoeken blijkt dat de modelresultaten niet representatief zijn en dat een beperkte sedimentatie wordt verwacht door afname van stroomsnelheden. Op enkele plaatsen is, door beperkte toename, helemaal geen sedimentatie te verwachten. Het effect op de morfologie van de vaargeul is daarmee neutraal. 5.2.7

Primaire waterkering, beschermingszones en dijkveiligheid

De dijk mag geen schade lijden, niet verzwakken of slechter beheerbaar worden. In het Startdocument is hierop reeds een toelichting gegeven. Deze eisen hebben mede geleid tot de optimalisatie en daarmee tot het voorkeursontwerp. Een negatief effect resulteert in een onhaalbaar ontwerp. In overleg met waterschap Aa en Maas is daarom goed afgestemd hoe de dijkveiligheid onderzocht moet worden. Hierbij is afgesproken dat het risico op piping leidend is. Daarnaast dient er voldoende ruimte te zijn voor toekomstige dijkversterking/dijkverhoging én moet de dijk goed beheerbaar blijven. Doordat er niet gegraven wordt in de binnenbeschermingszones van de dijk blijft en voldoende ruimte voor toekomstige dijkversterkingen én is de dijk goed bereikbaar en beheerbaar. Op deze twee aspecten scoort het plan dus neutraal: geen significant effect. Uit de onderzoeken naar piping15 is gebleken dat de dijk in de referentiesituatie, dus zonder uitvoering van het plan voor de uiterwaard Demen-Dieden, niet aan de eisen voldoet: er is een te grote kans dat door piping de dijk verzwakt. Er is onvoldoende ruimte in de uiterwaard om de dijk daar zodanig te versterken dat het risico op piping tot een acceptabel niveau vermindert.

Dit betekent dat de oplossing voor de dijk (ongeacht het voorkeursontwerp Demen-Dieden) gezocht moet worden in technische maatregelen zoals schermen/wanden die buiten het ontwerp van Demen-Dieden vallen. Deze maatregelen zijn evenzeer nodig als het risico op piping zou toenemen door de uitvoering van het plan voor de uiterwaarden Demen – Dieden. De beschermingszones van de waterkering zijn op de verbeelding opgenomen en de bescherming hiervan is dus niet alleen via de Keur, maar ook via het bestemmingsplan geregeld.

14 Bijlage 17 bij de toelichting: Lievense, 17M7013.RAP004, 18 februari 2020 Rivierkundige rapportage 15 Bijlage 18 bij de toelichting: Lievense, Geotechniek, 17M7013-R-001, 04-04-2019.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 48 van 61 Ontwerp 10 november 2020

5.3

Waarden

Binnen het plangebied voorkomende waarden op het vlak van natuur, archeologie of cultuurhistorie dienen te worden gerespecteerd en beschermd, mogelijk zelfs bevorderd. Bij ontwikkelingen moet proactief rekening worden gehouden met de aanwezige waarden. Achtereenvolgens komen aan bod: - Archeologie en cultuurhistorie (§ 5.3.1) - Natuur (§ 5.3.2) - Kwaliteitsverbetering van het landschap (§ 5.3.3) 5.3.1

Archeologie

Volgens de archeologische verwachtings- en beleidskaart van de gemeente Oss ligt het bestemmingsplangebied in een archeologisch interessant gebied (Goddijn, 2012). Op basis van landschappelijke en historische gegevens, in combinatie met de bekende archeologische vindplaatsen in de directe omgeving, geldt voor het bestemmingsplangebied deels een hoge en deels een middelhoge archeologische verwachting. In het gebied is al een aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd. Hierna volgt eerst een samenvatting van elk onderzoek. Vervolgens wordt op basis daarvan bepaald hoe het vervolgtraject eruit dient te zien. Uitgevoerd onderzoek Er zijn al verschillende archeologisch onderzoeken in het gebied uitgevoerd om de reeds bekende, dan wel te verwachten archeologische waarden in kaart te brengen: - Heunks, E., 2008. Plangebied Eerbosche Maasakkers te Dieden – zuidoever Maas. Archeologisch vooronderzoek: bureauonderzoek. Adviesdocument EH-032008 (rapport mogelijk nog onder embargo). - Osinga M. 2016: Gebiedsontwikkeling Demen Dieden, Bureauonderzoek archeologie, aardkundige waarden en cultuurhistorie, GRA-rapport 2016.03, Greenhouse advies BV, Huissen, versie 01-12-2016 (bijlage 5 bij deze toelichting). - Osinga, M., 2018: Archeologisch onderzoek gebiedsontwikkeling Demen-Dieden Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O). GRA-rapport 2018.19, Greenhouse Advies BV, Huissen.

versie 01-112018 (bijlage 6 bij deze toelichting). - Boshoven, E.H., S. van der Veen& B.J.G. van Snippenburg, 2018. Integrale verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap. RAAP-rapport 3383. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp (bijlage 7 bij deze toelichting). Resultaten Heunks, 2008 Heunks heeft reeds in 2008 een bureauonderzoek uitgevoerd voor een deel van het plangebied. Het betreft het gebied dat in het bestemmingsplan Buitengebied Oss 2020 geen archeologische dubbelbestemming heeft gekregen. Het rapport is toendertijd onder embargo uitgebracht. Het is onduidelijk wat de status hiervan nu is. Uit dit onderzoek blijkt in ieder geval niet dat het onderzochte gebied vrij is van archeologische waarden. Het gebied is op basis van het onderzoek niet vrijgegeven! In het bestemmingsplan Buitengebied Oss 2020 is dit per abuis wel gebeurd. Dit wordt hierbij hersteld. Resultaten Osinga, 2016 en 2018 Osinga heeft achtereenvolgens in 2016 en in 2018 een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied. Op basis van het bureauonderzoek gold voor het plangebied een middelhoge verwachting voor archeologische resten vanaf de (vroege) middeleeuwen. Eventuele resten konden direct vanaf maaiveld worden verwacht. Mogelijke oudere resten zijn vermoedelijk verspoeld of geërodeerd.

Tijdens het booronderzoek zijn in totaal 470 boringen uitgevoerd tot 1,20 m beneden maaiveld met een dichtheid van 6 boringen per hectare. Een aantal boringen is doorgezet naar 3,0 of 7,0 m beneden maaiveld. In het grootste deel van het plangebied komt een gelijksoortige bodemopbouw voor bestaande uit siltige klei. In het westelijke deel van het plangebied is een zone met hoogopgeslibde kronkelwaardafzettingen aangetroffen met sterk zandige klei in de ondergrond. In het centrale deel van het plangebied ligt een strang/restgeul met een relatief ondiepe zandondergrond die deels uit grind bestaat.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 49 van 61 Ontwerp 10 november 2020

Tijdens het booronderzoek is één vondst aangetroffen (VN1) gevonden in boring 88 op 1,1 m beneden het maaiveld. Het betreft een fragment aardewerk van circa 1 bij 1,5 cm. De scherf is te fragmentarisch om te dateren en is sterk afgerond, waarschijnlijk door verspoeling. Advies Osinga (2018): Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is vervolgonderzoek niet noodzakelijk. De kans op het aantreffen van (onverstoorde) archeologische resten wordt klein geacht. In januari 2019 heeft de gemeentelijk archeoloog van de gemeente Oss (dhr. R. Jansen) een selectiebesluit opgesteld naar aanleiding van de resultaten en conclusies van het uitgevoerd verkennend booronderzoek (bijlage 6 bij de toelichting). Hieruit blijkt het volgende (citaat uit het selectiebesluit): Het aanpassen van de archeologische verwachting naar laag voor het gehele gebied wordt niet overgenomen omdat: 1. de onderbouwing van voldoende boordichtheid als te mager wordt beschouwd; 2. de verschillende zones van siltige kleibodems, kronkelwaardafzettingen en geul(en) niet (ook niet bij benadering) zijn weergegeven op de kaartbijlage. Deze worden nu allemaal afgeschreven maar hebben verschillende verwachtingen; 3. kronkelwaardafzettingen en restgeulen (potentiele kans op het aantreffen van water gerelateerde vondsten) een specifieke archeologische verwachting hebben; in het rapport wordt nu niets over gezegd.

Op kronkelwaardafzettingen kan zeker archeologie verwacht worden; 4. de gedane vondst niet wordt meegenomen, omdat dat de vondst meer waarde zou geven dan hij heeft; 5. er geen rekening wordt gehouden met archeologische vondsten uit de (directe) omgeving zoals bijvoorbeeld de vindplaatsen Kessel16 en Over de Maas17. Hier is sprake van grote en unieke vondstcomplexen onder kleipakketten in een zelfde landschappelijke context met kronkelwaardafzettingen, oeverwallen en opgevulde (rest)geulen. Op 19-5-2019 is bovenstaande bij een 2e beoordeling onderzoeken en toelichting bestemmingsplan Herinrichting Uiterwaarden Demen-Dieden + MER bevestigd door dhr. F. Kortlang, interim gemeentelijk archeoloog in die periode. Resultaten Boshoven, 2018 Gelijktijdig met de hiervoor genoemde onderzoeken is in het kader van het project Meanderende Maas een bureauonderzoek uitgevoerd door RAAP (Boshoven, E.H., S. van der Veen& B.J.G. van Snippenburg, 2018. Integrale verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap. RAAP-rapport 3383. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp), waarbij het plangebied van Demen-Dieden ook is meegenomen. Uit het onderzoek van RAAP blijkt dat in het plangebied diverse Holocene stroomgordels in de ondergrond voorkomen (zie figuur b). Het betreft de stroomgordel van Huisseling-Demen en de stroomgordel van de Maas (zie verder).

Vanaf 2 tot 6 meter beneden het maaiveld is het pleistocene terras aanwezig, afgesloten door de laag van Wijchen. Volgens RAAP (blz. 38) is de top hiervan vrijwel overal weg/verstoord. Indien hier toch nog archeologische resten op aanwezig zijn, dan betreft het resten uit het mesolithicum en midden neolithicum. Daarna is het terras afgedekt met de Holocene afzettingen.

16 Hier is sinds de jaren zeventig een indrukwekkend vondstcomplex ten behoeve van delfstofwinning zonder archeologisch

onderzoek weggegraven, waaronder een bijzondere Romeins tempelcomplex. 17

O.a. de recentere vondst van meer dan tien scheepswrakken uit de Romeinse tijd tot en met de Late Middeleeuwen, tijdens delfstofwinning van Nederzand BV aan de overzijde van de Maas bij Dreumel en Alphen http://www.expeditie-overdemaas.nl/. Een ‘onverwachtse’ en in de zin van risico onwenselijke situatie, die zich ook goed kan voordoen in het bestemmingsplangebied.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 50 van 61 Ontwerp 10 november 2020

Figuur 15 Schematische doorsnede door de stroomgordel van een meanderende rivier (natuurlijke situatie) met bijbehorende terminologie. Voor de verwachting voor het rivierenlandschap, waarbinnen ook het plangebied ligt, geldt in hoofdlijnen: hoog en droog is hoge archeologische verwachting; laag en nat is lage archeologische verwachting. Vooral de holocene stroomgordels (zoals die van Huisseling-Demen en de Maas), waren hoge en goed herkenbare elementen in het overwegend moerasachtige en dichtbegroeide rivierenlandschap. In het verleden werden zowel oeverwallen als (rest)geulen gebruikt als verbindingsroute tussen verschillende gebieden.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 51 van 61 Ontwerp 10 november 2020

Figuur 16 Verwachtingskaart RAAP, deelgebied Dieden (boven) en deelgebied Demen (onder)

Op basis van de aanwezigheid van deze stroomgordels geldt volgens RAAP voor het plangebied de volgende archeologische verwachting (zie bovenstaand figuur 16): • Gele zone (deelgebied Dieden): Hier ligt de stroomgordel van Huisseling-Demen (nr. 75). Volgens Cohen & Stouthamer18 ligt de top van de zandige beddingafzettingen op een diepte van 6,1-5,1 m +NAP (zo’n 1,5 tot 2,5 meter onder het huidige maaiveld). Voor dit gebied geldt een hoge verwachting voor bewoningsresten (en bijbehorende begravingen) vanaf de IJzertijd (mogelijk ook al Bronstijd). In eventuele restgeulen moet rekening worden gehouden met watergerelateerde resten. • Groene zones (deelgebied Dieden en klein deel van deelgebied Demen): Hier ligt de stroomgordel van de Maas, bovenstrooms Lith (nr. 309). Volgens Cohen & Stouthamer komen afzettingen van de stroomgordel van de Maas vanaf maaiveld (maar mogelijk ook dieper) voor. Het gebied is verland in de loop van de vroege-late middeleeuwen (fig. 2.4 RAAP). Voor dit gebied geldt een lage tot middelhoge verwachting voor bewoningsresten vanaf de Middeleeuwen. In eventuele restgeulen (zoals bijv. de restgeul die door Heunks werd benoemd, zie hiervoor) moet rekening worden gehouden met watergerelateerde resten uit deze periode. Dieper in de ondergrond komen mogelijk nog resten voor van de stroomgordel van HuisselingDemen.

De verwachting is echter dat de Maas deze over een groot oppervlak heeft opgeruimd. • Roze zone (deelgebied Demen): Hier ligt eveneens de stroomgordel van de Maas. Dit gebied is echter al verland in de loop van de Romeinse tijd (fig. 2.4 RAAP). Voor dit gebied geldt een hoge verwachting voor archeologische resten vanaf de Romeinse tijd. Op de hogere delen van de stroomgordel (met name de oevers) worden bewoningsresten (en bijbehorende begravingen) verwacht, in de restgeulen moet rekening worden gehouden met watergerelateerde resten. Dieper in de ondergrond komen mogelijk nog resten voor van de stroomgordel van HuisselingDemen (vanaf de Bronstijd bewoonbaar) en van vroeg holocene geulen (vanaf het meso-/vroeg neolithicum bewoonbaar, fig. 2.1 en 3.1 RAAP). De verwachting is echter dat de Maas deze over een groot oppervlak heeft opgeruimd.

18 Cohen, K.M. en E. Stouthamer, 2012. Digitaal Basisbestand Paleografie van de Rijn-Maas Delta, Utrecht.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 52 van 61 Ontwerp 10 november 2020

•

Donkerblauwe zone (beide deelgebieden): deze smallere zones direct langs de Maas betreft de historische Maasloop die pas buiten gebruik is gesteld in de 20e eeuw (fig. 2.4 RAAP). RAAP stelt dat hier een hoge verwachting geldt op het aantreffen van water-gerelateerde archeologische resten.

Conclusies en besluit ten aanzien van het vervolgtraject archeologie Tijdens een overleg tussen de provincie, initiatiefnemer (vertegenwoordigd door K3Delta) en gemeente (d.d. 11-3-2020) is besloten dat het onderzoek van RAAP als uitgangspunt zal worden genomen bij het bepalen van het vervolgtraject. Voor de verdere planvorming betekent dit het volgende: • In het gehele bestemmingsplangebied (ook het reeds onderzochte gebied door Heunks, 2008) is archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk. • Het booronderzoek dat al is uitgevoerd door Osinga (2018) heeft – mede door de beperkte diepte van de boringen – onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke plaatsen en tot op welke diepte, bepaalde geo(morfo)logische en bodemkundige formaties in het plangebied voorkomen, zoals kronkelwaarden, opgevulde restgeulen, oeverwallen, siltige kleibodems en dergelijke. Qua verwachting is eigenlijk alleen rekening gehouden met de kans op bewoning en begraving vanaf de vroege middeleeuwen. Het voormalige dynamische karakter van dit landschap moet archeologisch echter in een bredere context en in een ruimere omgeving worden bekeken. Het is dus van belang om hier meer inzicht in te krijgen.

Dit kan op verschillende manieren: o Aanvullend verkennend booronderzoek, eventueel aangevuld met proefputjes, waarbij de verschillende landschappelijke eenheden gedetailleerder in kaart worden gebracht, rekening houdend met ontgravingsdieptes tot 7,5 meter beneden huidig maaiveld (6,5 meter obv ontgrondingsvergunning plus 1 meter buffer). Op basis van dit onderzoek wordt vervolgens bepaald hoe het vervolgonderzoek eruit dient te zien. o Er kan ook direct met een proefsleuvenonderzoek worden gestart, waarbij eventueel een fasering wordt aangehouden (fase 1: gericht op landschapsonderzoek [dekkingsgraad van 2,5 tot 5 %] en fase 2: gericht op waardering [dekkingsgraad van 7,5 tot 10%]). In principe worden beiden fasen uitgevoerd, tenzij daar goed onderbouwd van kan worden afgeweken. Deze optie is inmiddels ook afgestemd met de provincie in het kader van de ontgrondingsvergunning, waarvan de procedure parallel aan dit bestemmingsplan loopt (overleg van d.d. 3-11-2020). De proefsleuven dienen op archeologisch niveau (of meerdere archeologische niveaus) te worden aangelegd. Volgens Cohen en Stouthamer ligt de top van de zandige beddingafzettingen van de Huisseling-Demen stroomgordel op zo’n 6,1-5,1 m +NAP. Dit kan echter lokaal variëren en ook kunnen er meerdere (ook diepere) niveaus aanwezig zijn.

Hiermee moet met de diepteligging van de archeologische vlakken rekening worden gehouden. Aangezien dieper liggende fasen en restgeulen met dit onderzoek mogelijk gemist worden, is het wenselijk om dit proefsleuvenonderzoek te combineren met een booronderzoek (boringen die in en tussen de sleuven worden gezet) om ook meer zicht te krijgen op de diepere ondergrond en het verloop van lagen. Op basis van dit onderzoek wordt vervolgens bepaald hoe het vervolgonderzoek eruit dient te zien. o Indien bovenstaande onderzoeken niet mogelijk/uitvoerbaar blijken te zijn, is een archeologische opgraving (variant archeologische begeleiding) noodzakelijk. Dit onderzoek mag bij hoge uitzondering worden ingezet in het kader van de AMZ. Hier moet dan ook een goede motivering aan ten grondslag liggen.

Indien hiertoe wordt besloten, gelden in ieder geval de volgende richtlijnen (vast te leggen in het Programma van Eisen): ▪ Bij alle graafwerkzaamheden is de archeologie leidend (zowel in ruimte als in tijd); ▪ Er wordt uitgegaan van een intensieve archeologische begeleiding (continue aanwezigheid van minimaal 2 personen), tenzij daarvan gemotiveerd kan worden afgeweken; ▪ De archeologen moeten in staat worden gesteld om een (of meerdere) archeologisch vlak(ken) aan te leggen op het gewenste archeologische niveau en deze vlakken conform de KNA (protocol 4004; Opgraven) af te werken; ▪ De graafwerkzaamheden dienen te gebeuren met een graafmachine met een gladde bak, om zodoende betere waarnemingsmogelijkheden voor het uitvoerend archeologisch bedrijf te creëren; ▪ Indien op meerdere locaties gelijktijdig gegraven wordt, zijn er meerdere begeleidingsteams gelijktijdig in het veld aanwezig;

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 53 van 61 Ontwerp 10 november 2020

▪ ▪

Indien de aangelegde putten vollopen met grondwater, moet bronnering worden ingezet, zodat de archeologen de gelegenheid hebben om de putten te onderzoeken; Ontgravingen beneden de archeologisch relevante niveaus hoeven niet begeleid te worden.

In aanvulling hierop geldt het volgende: - Aangezien er sprake is van een zeer complex landschap en het vooralsnog inventariserende veldonderzoeken betreft, moeten de onderzoeken worden uitgevoerd door personen die zijn gespecialiseerd in archeologisch onderzoek in het rivierengebied (door CV aan te tonen). In het veld is zowel de expertise van een ervaren en op het rivierengebied bekwaam fysisch geograaf als van een archeoloog gewenst en noodzakelijk. Een senior-KNA prospector en een senior-KNA archeoloog dienen in ieder geval lid te zijn van het veldteam en in principe ook continu aanwezig te zijn (vast te leggen in het Plan van aanpak en Programma van Eisen). - Het aanvullend booronderzoek en/of proefsleuvenonderzoek dienen in principe vóórafgaand aan de vergunningsaanvraag te worden uitgevoerd. De uitkomst van deze onderzoeken kan namelijk leiden tot aanvullende voorwaarden in de vergunning (archeologische begeleiding, opgraving, bescherming). - Gravende onderzoeken dienen te worden uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen (PvE) dat dient te zijn goedgekeurd door de bevoegde overheid. De opsteller van dit PvE dient een ervaren en op het rivierengebied gespecialiseerd archeoloog te zijn. - Er geldt te allen tijden een wettelijke verplichting (Erfgoedwet) om archeologische vondsten te melden.

Bij het doen van vondsten (buiten het kader van het archeologisch onderzoek) waarvan vermoedt wordt dat het om archeologische vondsten of sporen gaat, is men verplicht deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie. - Zolang terreinen een (te verwachte) archeologische waarde hebben en deze terreinen nog niet volledig zijn onderzocht (definitief opgegraven en/of vrijgegeven), dienen deze planologisch beschermd te blijven door middel van een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie verwachtingswaarde hoog en middelhoog’. Borging archeologie middels bestemmingsplanregels Om het archeologisch traject te borgen is aan het gehele bestemmingsplangebied een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog’ en ‘Waarde - Archeologie verwachtingswaarde middelhoog’ toegekend. Voor het gebied geldt dat bij bodemverstoringen groter dan respectievelijk 100 m² (hoge verwachtingswaarde) en 1000 m2 (middelhoge verwachtingswaarde) en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is. Ook aan het gebied dat al is onderzocht is een dubbelbestemming toegekend. 5.3.2

Natuur

Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van soorten flora en fauna en waardevolle gebieden niet in gevaar komt. Tegenwoordig is deze bescherming verankerd in één wet. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. De Wet natuurbescherming vervangt 3 wetten die tot 1 januari 2017 golden: − De Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet regelde de natuurbescherming van gebieden. − De Flora- en faunawet. Deze wet beschermde in het wild voorkomende diersoorten en plantensoorten. − De Boswet. Deze wet beschermde de Nederlandse bossen.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 54 van 61 Ontwerp 10 november 2020

Met één wet en minder regels wordt de regelgeving voor natuurbescherming overzichtelijker. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming, Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming.

Er is een natuurtoets uitgevoerd.19 Het doel van de natuurtoets is, om op basis van een literatuuronderzoek en een veldbezoek, een inschatting te maken of: • Beschermde planten- en diersoorten in het plangebied of directe omgeving voorkomen; • De planontwikkeling mogelijk effect(en) heeft op de al dan niet aanwezige beschermde planten- en diersoorten en of de ontwikkeling in strijd is met de soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming; • Een noodzaak aanwezig is voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar de mogelijk voorkomende beschermde planten- en diersoorten, door gerichte veldinventarisaties volgens de geldende protocollen; • De planontwikkeling plaatsvindt in of nabij een beschermd natuurgebied (Natura 2000-gebied) of het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voormalige EHS) en of daarbij sprake is van de noodzaak voor onderzoek in het kader van de Wnb gebiedsbescherming en/of het provinciale beleid omtrent het NNN, inclusief externe werking. Het onderzoeksgebied is ruimer dan het plangebied, omdat zich ook buiten het plangebied effecten kunnen voordoen. Beschermde soorten Op basis van het verkennend vooronderzoek kon het voorkomen van kamsalamander en grote modderkruiper (beiden beschermde soorten) niet met zekerheid worden uitgesloten. Naar aanleiding van deze conclusie is nader onderzoek middels eDNA uitgevoerd.

Op basis van dit vervolgonderzoek kon het voorkomen van de genoemde soorten binnen het plangebied worden uitgesloten. Er hoeft ten aanzien van soorten geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Beschermde gebieden Natura 2000 Het plangebied ligt op grote afstand van het Natura 2000-gebied 'Rijntakken’. Van directe aantasting van het Natura 2000-gebied en de instandhoudingsdoelstellingen in de vorm van ruimtebeslag is geen sprake. Ook effecten als gevolg van extra verstoring (licht, geluid, trillingen of optische verstoring), vernatting/verdroging, verontreiniging of chemische effecten (verzuring of vermesting) zijn er niet te verwachten. De realisatie van het voornemen heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Een nadere toetsing of vergunning is, voor de genoemde aspecten, niet nodig. Stikstofdepositie neemt een aparte plaats in in de beoordeling. In de gebruiksfase, na de inrichting van het plangebied, vindt er geen emissie en dus ook geen depositie plaats. In de aanlegfase is dit wel het geval. In oktober 2019 is de netto stikstofdepositie berekend door de depositie die het huidige intensieve agrarische gebruik veroorzaakt af te trekken van de depositie die de uitvoering van het plan veroorzaakt. Door het verdwijnen van landbouwgronden daalt de netto stikstofdepositie.

Overal buiten het plangebied, ter hoogte van de stikstofgevoelige habitattypen in Natura2000-gebieden, neemt de stikstofdepositie als gevolg van de totale planvorming ook af in de orde grootte van 0,1 tot 1 mol N/ha/jaar. Significant negatieve effecten door stikstofdepositie door uitvoering van het plan zijn daarmee uitgesloten. Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat het plan vergunbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming met in achtneming van de voorwaarden voor intern salderen zoals uiteengezet in artikel 2.7 van de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant, geldig sinds 11 oktober 2019. Natuurnetwerk Brabant 19 Bijlage 3 bij de toelichting: Lievense, d.d. 21 januari 2020, 17M7013.RAP.NT-V2

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 55 van 61 Ontwerp 10 november 2020

Het plangebied valt geheel binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB) met als aanduiding ‘nieuwe natuur’ en als ambitie het beheertype ‘rivier- en moeraslandschap’. In de Verordening ruimte is de algemene regel opgenomen dat ontwikkelingen die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten, niet zijn toegestaan. Een ruimtelijke activiteit waarvoor een bestemmingswijziging binnen het NNB nodig is, is niet toegestaan als daarmee de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. Door het voornemen wordt de inrichting binnen het NNB aangepast, waarbij ook het bestemmingsplan aangepast dient te worden. Op basis hiervan is een beoordeling van de effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB uitgevoerd. Door de het voornemen wordt het plangebied opnieuw ingericht waardoor natuur zich kan ontwikkelen en de waterveiligheid wordt vergroot. Hierdoor wordt het ambitieniveau vanuit het natuurbeheerplan ingevuld. De herinrichting draagt daarbij aan de ontwikkeling van de doelen (wezenlijke kenmerken en waarden) voor dit gebied bij.

De actuele natuurwaarden worden zoveel mogelijk behouden, waarbij de geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte, en landschapsstructuur worden benadrukt en/of verbeterd. Negatieve gevolgen op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB worden uitgesloten. De conclusies uit het onderzoek zijn hieronder samengevat: - Op basis van het verkennend vooronderzoek kon het voorkomen van kamsalamander en grote modderkruiper (beiden beschermde soorten) niet met zekerheid worden uitgesloten. Naar aanleiding van deze conclusie is nader onderzoek middels eDNA uitgevoerd. Op basis van dit vervolgonderzoek kon het voorkomen van de genoemde soorten binnen het plangebied worden uitgesloten. Er hoeft ten aanzien van soorten geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. - Voor alle soorten, ongeacht bescherming via natuurwetgeving of niet, geldt de zorgplicht waarbij eenieder voldoende zorg in acht neemt voor de in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. - De planontwikkeling heeft naar verwachting geen negatieve effecten op beschermde planten, reptielen, libellen, dagvlinders en ongewervelden.

Voor deze soortgroepen behoeven geen mitigerende maatregelen genomen te worden (anders dan maatregelen in het kader van de algemene zorgplicht) en is het aanvragen van een ontheffing van de Wnb niet aan de orde. - Ook voor de bever, das, bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel worden geen negatieve effecten verwacht. Voor deze soorten zijn geen mitigerende maatregelen nodig (anders dan maatregelen in het kader van de algemene zorgplicht) en is het aanvragen van een ontheffing van de Wnb niet aan de orde. - Voor vleermuizen worden geen negatieve gevolgen verwacht op essentiële vliegroutes, foerageergebieden en/of verblijfplaatsen. Voor vleermuizen zijn geen mitigerende maatregelen nodig (anders dan maatregelen in het kader van de algemene zorgplicht) en is het aanvragen van een ontheffing van de Wnb niet aan de orde. - In verband met het voorkomen van broedvogels (al dan niet met jaarrond beschermde nesten) in en rondom het plangebied dienen mogelijk mitigerende maatregelen worden genomen. Dit is sterk afhankelijk van het moment en de duur van uitvoering. - De planontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden, onder ander voor wat betreft stikstofdepositie. Een nadere toetsing (voortoets / passende beoordeling) of vergunning is niet nodig.

- De planontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN / NNB. Een nadere toetsing is niet nodig.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 56 van 61 Ontwerp 10 november 2020

5.3.3

Kwaliteitsverbetering van het landschap

Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ In 2010 is de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte (destijds art. 2.2, nu artikel 3.2) in werking getreden. In het RRO van januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. In 2014 – 2015 is de regeling geëvalueerd en zijn aanbevelingen opgesteld voor bijstelling van het afsprakenkader. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Voor planmatige ontwikkelingen in het buitengebied is art. 3.2. altijd van toepassing. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die we regionaal hebben afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is. Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1.

de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: • cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie • cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing • cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap De ontwikkelingen in het plan zijn te beschouwen als: het wijzigen van de bestemming naar Natuur en treffen bestemmingsregeling/aanleg voorzieningen die een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden tot gevolg hebben. Deze activiteit valt onder categorie 1, waarbij geen inpassing of tegenprestatie vereist is. Conclusie: De ontwikkeling leidt op zichzelf tot een kwaliteitsverbetering. Het valt onder categorie 1, waarvoor geen inpassing of tegenprestatie vereist is. 5.4

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: Radarverstoringsgebieden; Obstakelbeheergebieden; Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 57 van 61 Ontwerp 10 november 2020

Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. 5.5

Niet gesprongen explosieven (NGE)

In opdracht van het project Meanderende Maas is in juni 2018 een vooronderzoek uitgevoerd 20 waarin ook het plangebied Demen Dieden is opgenomen. Voorafgaand aan de feitelijke uitvoering is nader onderzoek naar de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek en de conclusies is het onderzoeksgebied gedeeltelijk verdacht op CE (conventionele explosieven). Voor de onverdachte gebieden geldt dat er geen aanwijzingen zijn aangetroffen in de geraadpleegde bronnen dat er oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden waardoor CE in de bodem zijn achtergebleven. In de onverdachte gebieden kunnen de voorgenomen werkzaamheden plaatsvinden zonder dat er vervolgstappen in de explosievenopsporing noodzakelijk zijn. De voorgenomen werkzaamheden in de onverdachte gebieden kunnen plaatsvinden zonder nader onderzoek of OCEbegeleiding. Hetzelfde geldt voor de gebieden die zijn aangemerkt rondom de V.1 kraters. Hier kunnen de werkzaamheden plaatsvinden zonder nader onderzoek of OCE-begeleiding. Wel kunnen wrakdelen van V.1’s worden aangetroffen. Tevens is er mogelijk sprake van milieuverontreiniging door de aanwezigheid van benzeen uit de brandstof van de V.1. De werkzaamheden die plaatsvinden op/boven het maaiveld in de verdachte gebieden kunnen plaatsvinden zonder vervolgstappen in de CE-opsporing.

Voor de werkzaamheden die in de bodem plaatsvinden zijn wel vervolgstappen noodzakelijk. Hiervoor zijn een aantal mogelijkheden. Niet afwerpmunitie verdacht De verdachte gebieden die niet verdacht zijn op afwerpmunitie hebben een beperkte oppervlakte en de aan te treffen CE liggen op geringe diepte. Bovendien hebben er weinig tot geen zichtbare naoorlogse ontwikkelingen plaatsgevonden. Het advies is als volgt: 1 het uitvoeren van de voorgenomen (grondroerende) werkzaamheden buiten de op CE verdachte gebieden; 2 het uitvoeren van oppervlaktedetectie werkzaamheden in de verdachte gebieden, om eventueel aanwezige CE op te sporen. Afwerpmunitie verdacht Voor het op afwerpmunitie verdachte gebied wordt geadviseerd om middels sonderingen de weerstand van de bodem vast te stellen. Op basis van deze gegevens kan de verticale afbakening van het verdachte gebied worden vastgesteld middels het Deltares model. Op basis van deze gegevens kan, in combinatie met informatie over de uit te voeren werkzaamheden, een advies worden opgesteld voor verdere vervolgstappen in de CE-opsporing. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied als ‘onverdacht’ wordt beschouwd, met uitzondering van een ‘verdacht gebied mitrailleurstelling Maasdijk bij Dieden’. De minimale diepteligging is net onder het maaiveld, indien de bodem sinds 1940-1945 niet geroerd is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=f42de7bf-92d3-459c-8d6f-a4bd1a34f6ba