CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

NL IMRO 0828 BPuiterwrdddndmn-ON01 Toelichting.PDF

Adviescommissie Ruimte 14 januari 2021, gemeente OssBij agendapunt: BII Ontwerp bestemmingsplan en MER Herinrichting uiterwaarden Demen-Dieden26.728 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Structurenkaart Figuur 11 Structurenkaart Structuurvisie Provincie Noord-Brabant

De groenblauwe structuur Deze omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. Niet alleen in, maar ook buiten de natuurgebieden. Er is ruimte voor de ontwikkeling van een natuurlijk en robuust watersysteem. Het vormt de groenblauwe ruggengraat van het landschap en is van belang voor een goede, aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving in Noord-Brabant.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 24 van 61 Ontwerp 10 november 2020

Binnen deze groenblauwe structuur wil de provincie het volgende bereiken: 1. Positieve ontwikkeling van de biodiversiteit, natuur- en watersystemen zijn beschermd en worden verbeterd door een goede onderlinge verbinding; 2. Een robuuste en veerkrachtige structuur. 3. De natuurlijke basis en landschappelijke contrasten versterken. Versterken van de identiteit van de landschappen; 4. Gebruikswaarde van natuur en water verbeteren. De gebieden in de groenblauwe structuur zijn belangrijk voor recreatie en toerisme. In de groenblauwe structuur worden drie perspectieven onderscheiden: Het kerngebied groenblauw Natuurgebieden in de ecologische hoofdstructuur, robuuste ecologische verbindingszones en belangrijke waterstructuren horen in dit perspectief. De hoofdfunctie is behoud en ontwikkeling van het natuur- en watersysteem. De groenblauwe mantel Overwegend gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfunctie voor natuur en water. Gebieden grenzend aan het kerngebied die bijdragen aan de bescherming van de waarden. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water(-beheer) en landschap is in de groenblauwe mantel een belangrijke opgave. Vormen van grondgebonden agrarisch gebruik zijn van blijvend belang voor de ontwikkeling van groene en blauwe waarden. Verder liggen er kansen voor recreatie en toerisme.

De gebieden voor waterberging Deze gebieden zijn van belang voor hoogwaterbescherming (ruimte voor de rivier) en waterberging (regionale waterberging). Het landelijk gebied Het landelijk gebied omvat het gebied buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte. Naast landen tuinbouw is er ruimte voor niet-agrarische functies. Binnen het landelijk gebied wil de provincie het volgende bereiken: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie; 2. Ruimte voor duurzame agrarische ontwikkeling; 3. Versterking van het landschap. Er worden binnen het landelijk gebied twee perspectieven onderscheiden: Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. Binnen dit gebied wordt de agrarische functie vaak in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend. Hier kan worden voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie en ondernemingen in een groene setting. Daarnaast wil de provincie ook dat er ruimte beschikbaar blijft om de agrarische productiestructuur te behouden en te versterken.

Dat betekent dat (stedelijke) functies die ten koste gaan van de ruimte voor agrarisch gebruik of die strijdig zijn met de landbouw in die gebieden geweerd worden. Hierdoor blijft er ruimte gereserveerd voor agrarische ontwikkelingen. De provincie vraagt aan gemeenten om deze gebieden vast te leggen en te beschermen. De landbouwontwikkelingsgebieden en de vestigingsgebieden glastuinbouw beschouwt de provincie in ieder geval als primair agrarisch gebied. Ook delen van het verwevingsgebied richten zich vaak primair op agrarische ontwikkeling. Accentgebied agrarische ontwikkeling Binnen deze gebieden ziet de provincie ruimte en kansen om de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Op de structurenkaart zijn vanuit een regionaal schaalniveau vier accentgebieden agrarische ontwikkeling aangeduid. De komgebieden van de gemeente Lith maken hiervan deel uit. Hier liggen mogelijkheden voor schaalvergroting en intensivering van de landbouw.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 25 van 61 Ontwerp 10 november 2020

Transitie naar een zorgvuldige veehouderij De wens tot verduurzaming van de agrarische sector heeft geleid tot de denklijn ‘Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd’. De denklijn bestaat uit drie uitgangspunten: ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van extra maatregelen; de som van het effect van alle bedrijven in een gebied kan de draagkracht van een gebied te boven gaan; door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product, transparantie en nieuwe verdienmodellen. De ontwikkeling van de agrarische sector is gericht op inpassing in het landschap en een transitie naar duurzame en zorgvuldige veehouderij. De stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. Binnen de stedelijke structuur heeft de provincie de volgende doelen: 1. Concentratie van verstedelijking 2. Inspelen op demografische ontwikkelingen 3. Zorgvuldig ruimtegebruik 4. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit 5. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur 6.

Versterking van de economische clusters Er worden binnen de stedelijke structuur twee perspectieven onderscheiden: - Stedelijk concentratiegebied In het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgave opgevangen. De groene ruimten tussen de steden worden open gehouden. - Kernen in landelijk gebied De kernen in het landelijk gebied worden zo veel mogelijk ontzien van verdere verstedelijking doordat daar alleen de opvang van de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt opgevangen (migratiesaldo-nul). Het plangebied ligt binnen de groenblauwe structuur, meer specifiek binnen de groenblauwe mantel en het kerngebied groenblauw, en in waterbergingsgebied. Het plan bestaat uit het verlagen van de uiterwaarden en het graven van nevengeulen waardoor natuur zich kan ontwikkelen en de waterveiligheid wordt vergroot. Recreatief medegebruik is ook een van de doelen. Het initiatief past geheel in de uitgangspunten van het provinciale beleid voor dit gebied. 4.3.2 Brabantse Omgevingsvisie De provincie wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Daarom is in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving.

De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Die visie is zelfbindend, dat wil zeggen dat een overheidslaag zich aan haar eigen visie moet houden. Een overheid kan de keuzes uit de Omgevingsvisie vastleggen in regels, de Omgevingsverordening, in Brabant de Interim Omgevingsverordening (zie volgende paragraaf). Aan die regels moeten overheden, bedrijven en burgers zich houden. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie: hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uitzien? Er zijn mobiliserende tussendoelen gesteld: wat wil de provincie in 2030 voor elkaar hebben om die ambitie te verwezenlijken? De manier waarop deze doelen moeten worden bereikt, zijn nog niet vastgelegd, dit wordt in samenwerking met allerlei partijen en disciplines nader vormgegeven. De omgevingsvisie agendeert en nodigt uit om hier samen mee aan de slag te gaan. Daarvoor is een

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 26 van 61 Ontwerp 10 november 2020

verdere uitwerking van de ambitie nodig in programma's. Die uitwerking is een opgave die op de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en de ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Steeds anticiperend op veranderende omstandigheden en beweging in Brabant. 4.3.3 Interim Omgevingsverordening Als het vanuit het beleid van de provincie nodig is om regels op te nemen voor ruimtelijke ontwikkelingen, dan staan die in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (vastgesteld op 25 oktober 2019). De gemeente moet rekening houden met deze instructieregels bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Per onderwerp zijn in de verordening gebieden tot op perceelniveau begrensd op een kaart. Hierdoor is duidelijk voor welke gebieden de regels gelden. De nieuwe verordening is beleidsneutraal van karakter. De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale omgevingsvisie en structuurvisie, beschreven in de vorige paragraaf. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.

Belangrijke onderwerpen in de verordening zijn:  omgevingskwaliteit;  stedelijke ontwikkelingen;  duurzame energie;  natuurgebieden en andere gebieden met waarden;  agrarische ontwikkelingen (zie: BZV en stalderen);  overige ontwikkelingen in het buitengebied. In de Verordening ruimte worden regels ten aanzien van het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit gegeven. In het algemeen houdt ruimtelijke kwaliteit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. De bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is uiteengezet in drie artikelen: - Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is het gebruik van bestaande ruimte. Dit betekent dat gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen en dat ontwikkelingen worden verantwoord middels de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Er moet ook rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving. - Kwaliteitsverbetering van het landschap Een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het gebied of de omgeving.

De verbetering moet financieel, juridisch en feitelijk zijn geborgd en passen in het ruimtelijk beleid. Er moet ook verantwoord worden hoe de regionale afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap worden nagekomen. - Afwijking in verband met maatwerk Bij ontwikkelingen van een groot openbaar belang kan worden afgeweken van provinciaal beleid. Nieuwvestiging is echter alleen mogelijk als aangetoond kan worden dat er geen mogelijkheden zijn voor vestiging. Deze algemene regels zijn van toepassing op zowel stedelijk, als landelijk gebied. Ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied: In de Verordening worden voor het buitengebied regels gesteld met betrekking tot ruimtelijke ontwikkeling binnen de volgende structuren: het Natuur Netwerk Brabant de groenblauwe mantel het gemengd landelijk gebied Natuurnetwerk Brabant Het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang. Voorbeelden van dergelijke gebieden in Brabant zijn: de bossen, de heide en vennen, de stuifduinen, de schraalgraslanden en

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 27 van 61 Ontwerp 10 november 2020

wateren zoals rivieren en beken. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. In artikel 5 zijn de regels opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNB. Deze regels gaan vooral over de (planologische) bescherming van het NNB, de wijziging van begrenzing en de mogelijkheden tot fysieke en financiële compensatie van aantasting van ecologische waarden. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er binnen de groenblauwe structuur ook gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuurnetwerk Brabant en het landelijk gebied; de groenblauwe mantel (artikel 6). De groenblauwe mantel De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw uit de Structuurvisie RO (in deze verordening: het Natuur Netwerk Brabant) en het landelijk gebied, alsook het stedelijk gebied. De mantel beschermt het kerngebied groenblauw en zorgt voor verbinding met het omliggende gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Binnen de groenblauwe mantel hanteert de provincie een 'ja, mits' benadering.

De 'mits' is daarbij vooral gericht op de voorwaarde dat een ontwikkeling een positieve bijdrage levert aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken in het gebied. Deze voorwaarde wordt in het algemeen aan ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel gesteld en geeft daarmee verplichte invulling van de verplichte verbetering van de kwaliteit van het landschap zoals opgenomen in artikel 3.2. Binnen de structuur groenblauwe mantel worden kaders gegeven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er worden regels gesteld voor: Bescherming groenblauwe mantel (Vollegronds) teeltbedrijven Veehouderijen Afwijkende regels veehouderij Glastuinbouwbedrijven Overige agrarische bedrijven Wonen Ruimte-voor-ruimte Landgoederen Niet-agrarische functies Afwijkende regels recreatiebedrijven Afwijkende regels voor horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen Afwijkende regels voor tuincentra Kleinschalige voorzieningen Watergebonden voorzieningen Lawaaisporten Wegen Windturbines Zonneparken Wijziging van begrenzing De mogelijkheden die in dit bestemmingsplan voor niet-agrarische ontwikkelingen geboden worden dienen te passen binnen de kaders van de verordening. De Verordening ruimte 2014 kent verder meerdere gebiedsaanduidingen en/of aandachtsvelden die doorwerking dienen te krijgen in bestemmingsplannen.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 28 van 61 Ontwerp 10 november 2020

Natuurnetwerk Brabant Met betrekking tot het Natuurnetwerk Brabant zijn er, naast de structuur zelf, twee aanduidingen opgenomen in de Verordening ruimte: Natuurnetwerk Brabant - ecologische verbindingszone; attentiegebieden Natuurnetwerk Brabant. Water Ten aanzien van water zijn in de Verordening ruimte wateraanduidingen opgenomen. Deze aanduidingen zijn: Regionale waterberging Reservering waterberging Waterwingebied Grondwaterbeschermingsgebied Aansluiting primaire waterkering Rivierbed Boringsvrije zone Behoud en herstel van watersystemen Aardkunde en cultuurhistorie In de verordening stelt de provincie aanduidingen op ten aanzien van: - aardkundig waardevolle gebieden; - cultuurhistorische vlakken; - de Nieuwe Hollandse Waterlinie; - complexen van cultuurhistorisch belang. In het plangebied zijn geen onderdelen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie gelegen. In de Verordening ruimte worden slechts de cultuurhistorische vlakken aangegeven. De beschrijving van de cultuurhistorische waarden en kenmerken binnen die vlakken is te vinden op de Cultuurhistorische Waardenkaart (2010) van de provincie Noord-Brabant.

Figuur 12 uitsnede kaart bij Verordening Ruimte

Voor de gebieden met de aanduiding ‘Aardkundig waardevol' geldt dat een bestemmingsplan mede is gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Het betreft een Maasmeander die kunstmatig van de huidige Maas werd afgesneden in de 19e eeuw. Ook de kronkelwaardruggen en tussenliggende laagtes binnen de oude meanderbocht worden gerekend tot de aardkundige waarden. Strikt genomen hebben deze waarden vooral betrekking op de Diedensche Uiterdijk, het gebied ten westen van Demen-Dieden. Langs het traject Demen-Dieden en in de Diedensche Uiterdijk is een brede zone langs het huidig zomerbed van de Maas vergraven met de Maaskanalisaties. Naast verlegging van de Maas is hier ook het zogenaamde Lelyprofiel aangelegd. Dit is feitelijk een horizontaal gedimensioneerd accoladeprofiel met als doel met hoogwater de afvoercapaciteit van de rivier te vergroten. De randen van dit profiel zijn in het veld herkenbaar als een vrij abrupte verlaging van het maaiveld. Deze terreinsprong is dus

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 29 van 61 Ontwerp 10 november 2020

antropogeen van oorsprong en dient aangemerkt te worden als een cultuurhistorische waarde en niet gezien te worden als een aardkundige waarde. Binnen het Lelyprofiel is het maaiveld met ca 1 meter verlaagd en geëgaliseerd en zijn restanten van een oude strang in de uiterwaard bij Demen gedempt. Van het oorspronkelijk reliëf resteert vrijwel niets meer. De oevers van de Maas zijn daarbij vastgelegd in stortsteen. Het inrichtingsplan Demen-Dieden voorziet in aanleg van een geul bij Demen. Van aantasting van aardkundige waarden is daarbij geen sprake. Het plan kan die echter ook niet herstellen, maar is wel gebaseerd op de vroegere situatie. De verlande meanderboog in de Diedensche Uiterdijk ligt buiten het plangebied van Demen-Dieden. De plannen van de Meanderende Maas voorzien in het uitgraven van de meander zodat deze weer watervoerend wordt. Zowel vanuit aardkundig als geomorfologisch perspectief is uitgraven van de meander toe te juichen. Ook kunnen de ruggen in het kronkelwaardpatroon versterkt worden door reliëfvolgend het maaiveld te verlagen. In het maaiveld van de Diedensche Uiterdijk is de verlande en gedempte meanderbocht in het landschap morfologisch nog goed herkenbaar. Ook restanten van kronkelwaardruggen zijn binnen de vroegere meanderbocht nog herkenbaar.

In deze uiterwaard zijn deze kenmerken als aardkundige waarden aan te merken; anders dan de Lelyzone zijn veel van deze waarden hier niet of nauwelijks aangetast. Deze kunnen bij herinrichting of natuurontwikkeling door reliëfvolgend klei af te graven worden versterkt. Een goed voorbeeld waar een dergelijke ingreep heeft plaatsgevonden, is de Hemelrijkse Waard. Natuurontwikkeling is daar gecombineerd met versterking van restanten van aardkundige waarden. Het patroon van kronkelruggen op het schiereiland is versterkt door reliëfvolgend het maaiveld te verlagen. Het gedempte deel van de meander is uitgegraven en daarmee weer watervoerend. Dit is ook de insteek voor de benadering vanuit het project Meanderende Maas. Ten aanzien van het (re)activeren van de gedempte meanderbogen zal vanuit de Meanderende Maas met de betrokken afdelingen van de provincie (cultuurhistorie en archeologie) nog nader afstemming gezocht worden. Voor gebieden met de aanduiding ‘Cultuurhistorisch waardevol’ geldt dat een bestemmingsplan mede is gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Een gedeelte van het plangebied ligt in een omvangrijk vlak met de aanduiding ‘cultuurhistorisch waardevol’.

De regio heeft vooral een grote cultuurhistorische betekenis door het ensemble van polders, sluizen, gemalen, dijken, wielen, verdedigingswerken, overlaten, dorpjes, kloostercomplexen, molens en eendenkooien. De eeuwenlange strijd tegen het water laat zich daarbij in het huidige (binnendijkse) landschap nog goed herkennen. Dragende structuren hierin zijn de open polders, de dijken, oude binnendijkse dwarsdijken, de talrijke dorpjes een (gedempte) Maasmeanders. Het systeem van overlaten, waarvan de Beerse, Bokhovense en Baardijkse Overlaat de belangrijkste waren, hebben eeuwenlang het waterstaatkundig karakter van deze streek bepaald. De Zuiderwaterlinie had in zeer hoge mate samenhang met dit (binnendijkse) watersysteem. Een belangrijke cultuurhistorische waarde net buiten het plangebied gelegen, is ‘Huis te Dieden’. Hoewel ‘Huis te Dieden’ buiten het plangebied van Demen-Dieden ligt, had het in het verleden een relatie met het buitendijkse gebied. Bij ‘Huis te Dieden’ loopt vanaf de dijk een pad de Diedensche Uiterdijk in. Op de kaart van 1832 is het pad nog niet aanwezig. Op latere kaarten is te zien dat zowel de ligging als de lengte van het pad nogal eens wijzigt. In dit natuurontwikkelingsproject is op verzoek van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Oss nadrukkelijk gekozen voor accentuering van de Lelyzone.

Het huidige pad wordt daarom iets verlegd zodat het samenvalt met de Lelyzone en zal geaccentueerd worden door een lage meidoornhaag. In het plangebied van Demen-Dieden zijn geen oude kavelbeplantingen aanwezig. Buiten het plangebied zijn de Diedensche Uiterdijk restanten van oude kavelbeplantingen aanwezig. Bij toekomstige planuitwerking voor dat deelgebied zullen die waar mogelijk ingepast worden. In het gedeelte ten westen van de Veerweg (ter hoogte van Demen) is de oude loop van de Maas gedempt tijdens de Maaskanalisaties. Het voorliggende natuurontwikkelingsproject voorziet op deze locatie, waar het historisch ook kan, in de aanleg van een geultje. Mogelijk liggen hier nog restanten van kribben in de ondergrond. Tijdens de uitvoering zal onderzocht worden of dat daadwerkelijk het geval blijkt en zal bekeken worden of deze gevisualiseerd kunnen worden als relict dat iets vertelt over de oude loop.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 30 van 61 Ontwerp 10 november 2020

Met de uitvoering van de Maaskanalisaties zijn ook hier grote delen van de uiterwaarden vergraven, strangen gedempt, natuurlijk reliëf geëgaliseerd en rivieroevers vastgelegd in stortsteen, alles gericht op het mogelijk maken van efficiënt landgebruik. De afgelopen decennia veranderden de uiterwaarden daarbij gedurende zomerperiode in een landschap van snijmais. Het inrichtingsplan voor Demen-Dieden brengt riviernatuur weer terug in de uiterwaarden. Het Lelyprofiel wordt daarbij versterkt en water komt weer terug in de uiterwaarden. De begroeiing en vegetatie in de uiterwaarden krijgt een (gevarieerd) natuurlijk karakter en uitstraling. Het rivierlandschap wordt hiermee in hoge mate versterkt alsmede de beleving daarvan. Het MeerMaas natuurwikkelingsproject Demen-Dieden draagt daarbij bij aan de toeristisch-recreatieve ontsluiting van deze regio. Samenvatting: Het plan voorziet in natuurontwikkeling binnen het Brabants Natuurnetwerk en de realisatie van de groenblauwe mantel (deels) en ecologische verbindingszone. Bij groenblauwe mantel is het woord 'deels' toegevoegd, omdat dit binnen de Interim omgevingsverordening voor slechts een klein deel is aangewezen. NNB/EVZ: het plan realiseert juist NNB in dit gebied.

De ontwikkeling levert een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken in het gebied en zorgt ook voor kwaliteitsverbetering. Zie ook paragraaf 5.3.2 van deze toelichting. Groenblauwe mantel: hier geldt een 'ja, mits' benadering, waarbij de 'mits' vooral is gericht op de voorwaarde dat een ontwikkeling een positieve bijdrage levert aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken in het gebied. Aan deze ‘mits’ wordt in dit geval voldaan. Zoals aangegeven geldt dit maar voor een klein deel van het plangebied. Rivierbed: een bestemmingsplan voor gronden met deze aanduiding is mede bedoeld als bescherming tegen overstroming. De activiteiten in het plangebied zorgen juist voor een waterstandsverlaging, waarmee aan de doelstelling wordt voldaan. Verder wordt natuur gerealiseerd, en geen kwetsbare ontwikkelingen in relatie tot overstromingen. Aardkundig waardevol gebied: de aardkundige waarden zijn zo veel mogelijk als uitgangspunt voor het ontwerp gebruikt, waardoor ook oude structuren weer zichtbaar worden gemaakt. Er vindt nog nadere afstemming plaats met de provincie over het (re)activeren van de gedempte meanderbogen. De bakenbomen, specifieke cultuurhistorische aandachtspunten, blijven behouden.

Cultuurhistorisch waardevol gebied: het inrichtingsplan voor Demen-Dieden brengt riviernatuur weer terug in de uiterwaarden. Het Lelyprofiel wordt daarbij versterkt en water komt weer terug in de uiterwaarden. De begroeiing en vegetatie in de uiterwaarden krijgt een (gevarieerd) natuurlijk karakter en uitstraling. Het rivierlandschap wordt hiermee in hoge mate versterkt alsmede de beleving daarvan. Daarmee voldoet de ontwikkeling zowel aan de algemene regels in de Interim Omgevingsverordening en aan de specifieke onderdelen gericht op de groenblauwe mantel, natuurnetwerk Brabant en waterberging. 4.3.4 Interprovinciale Structuurvisie Meanderende Maas De dijk langs de zuidzijde van de Maas tussen Ravenstein en Lith voldoet niet aan de wettelijke waterveiligheidseisen. Er is sprake van een urgente veiligheidsopgave. Daarom is het project Meanderende Maas gestart. De opgave is om de dijk te versterken zodanig dat de veiligheid geborgd is én dat de dijk past in de omgeving. Tegelijkertijd wordt onderzocht wat het effect van rivierverruiming voor waterveiligheid is en hoe het gebied opnieuw kan worden ingericht. Het gaat daarbij om verbeteringen voor natuur, recreatie, cultuurhistorie, leefomgeving en economie. Het projectgebied omvat de dijk tussen de A50 bij Ravenstein en de sluis bij Lith, de Maas en haar uiterwaarden (zowel aan Noord-Brabantse zijde als aan Gelderse zijde).

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 31 van 61 Ontwerp 10 november 2020

Er is een Interprovinciale structuurvisie (IPSV) opgesteld, waarin de beoogde ontwikkelingen in het gebied uitgewerkt zijn. De structuurvisie vormt een onderdeel van de integrale Verkenning Meanderende Maas. Resultaat van deze Verkenning is een Voorkeursalternatief (VKA), waar de Stuurgroep Meanderende Maas december 2019 mee heeft ingestemd. Het VKA is een samenhangend maatregelenpakket tot 2028, met maatregelen op het gebied van waterveiligheid, natuur en landschap en recreatie. Het VKA is in de structuurvisie opgenomen. Het voorkeursalternatief en bijbehorend uitvoeringsprogramma, vormt met de vaststelling van de structuurvisie een toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in het gebied. Het toekomstbeeld in de IPSV is een uitnodiging aan gebiedspartijen om te komen met initiatieven die bijdragen aan doelen van de Meanderende Maas voor de lange termijn (2050). Ook is er via een Milieueffectrapportage onderzocht wat de mogelijke effecten van de maatregelen zijn op het milieu. De ontvangen zienswijzen en het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage zijn betrokken bij de vaststelling van de IPSV. Na de vaststelling van de IPSV wordt het voorkeursalternatief nader onderzocht en verder uitgewerkt in één of meerdere Projectplan(-nen) Waterwet (of het equivalent daarvan bij inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet).

In de visie zijn ook ‘winterbedmaatregelen’ meegenomen, die zorgen voor een substantiële waterstandsdaling, compensatie bieden van buitendijkse dijkversterking en beheerruimte voor natuur, bijdragen aan de versterking van natuur en landschap (Natuurnetwerk Brabant en KRW) en grond leveren voor de dijkversterking. Binnen het voorkeursalternatief is het project Demen-Dieden en Oeverzone Diedensche Uiterdijk meegenomen; de inhoud van dit deel is geheel conform de plannen die Natuurmonumenten en haar partners voor dit gebied hebben voorbereid. Conclusie: De beoogde ontwikkeling past in het beleid, dat is vastgelegd in de Interprovinciale Structuurvisie Meanderende Maas. 4.4

Beleid Waterschap Aa en Maas

4.4.1

Keur 2015

De Keur is een aanvulling op regels uit de Waterwet. De Keur is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap. Maar ook op alle sloten en watergangen die in eigendom zijn van anderen (o.a. agrariërs en particulieren). De regels uit de Keur hebben tot doel de doorstroming van de wateren in Nederland te waarborgen, overstromingen te voorkomen, droogte tegen te gaan en de leefbaarheid in ons land met en rondom het water te kunnen blijven garanderen. De Keur werkt rechtstreeks en geldt voor iedereen, net als een bestemmingsplan. De regels uit de Keur kunnen de mogelijkheden van bouwen en gebruik ten opzichte van het bestemmingsplan beperken, of aanvullende eisen stellen. Met de Keur wordt het hydrologisch neutraal ontwikkelen voortaan getoetst aan de Rekenregel in plaats van aan de HNO-tool. Vanaf maart 2015 geldt er in heel Noord-Brabant één Keur. 4.4.2

Waterbeheerplan 2016 - 2021

Het beleid van het waterschap is uitgewerkt in het waterbeheerplan 2016-2021. Dit is een nadere invulling van de doelstellingen zoals geformuleerd in het nationaal waterplan en het provinciaal waterplan. In dit Waterbeheerplan kiest het waterschap ervoor om het waterbeheer van de voorgaande periode door te zetten. Bij het uitvoeren van de watertaken draagt het waterschap bij aan het werken aan een veilige, gezonde en duurzame leef-, woon- en werkomgeving in het oosten van Brabant. De belangrijkste doelen voor de periode tot en met 2021 zijn: 1. Implementatie van het hoogwaterbeschermingsprogramma. Concreet betekent dit dat in de planperiode de voorbereidingen worden getroffen om de dijken te laten voldoen aan de nieuwe landelijk vastgestelde normen; 2. Oplossen van nog resterende wateroverlastknelpunten in bebouwd gebied en aanpakken van de wateroverlastlocaties in landelijk gebied (reserveringsgebieden); 3. Voortgaan met de aanleg van ecologische verbindingszones en (hydrologisch) herstel van natuurgebieden (NNB); 4. Aanpak van verdroging op de hogere zandgronden via bijvoorbeeld aangepast peilbeheer (GGOR), watertoevoer en lokale maatregelen om water vast te houden aan de bron; 5. Verbetering van de waterkwaliteit en een meer ecologisch beheer van de watersystemen;

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 32 van 61 Ontwerp 10 november 2020

6. Het – samen met gemeenten – treffen van maatregelen in bebouwd gebied waarbij water en groen een bijdrage leveren aan een gezonder woon- en werkomgeving; 7. Het verder optimaliseren van het zuiveringsproces op de rioolwaterzuiveringen waarbij energie en grondstoffen worden terug gewonnen. Het waterschap sluit daarbij aan op een meer gebiedsgerichte, regionale aanpak die ook vanuit de andere overheden wordt ingezet (zoals AgriFood Capital). Concreet voor het buitengebied van Oss wordt ingestoken op: a. Het uitwerken van de voorkeurstrategie voor de (Bedijkte) Maas in concrete plannen voor dijkverbetering; b. Het afronden van de ecologische verbindingszones langs de Hertogswetering, Roode Wetering en Munse Wetering c. Het aanpakken van c.q. inspelen op de gevolgen van (mogelijke) verdroging in het zuiden van de gemeente (Maashorst-Herperduin, Geffen e.o.); d. Het klimaatbestendiger en gezonder maken van het bebouwde gebied door het combineren van water en groenvoorzieningen; e. Het in overleg met de regio verminderen van de hoeveelheid nitraat en fosfaat in het water in de sloten. Het bestemmingsplan heeft een sterke binding met de doelen genoemd onder de punten 1 en 3 en past in de uitgangspunten van het beleid in het Waterbeheerplan. 4.4.3

Uitgangspunten van de watertoets

De watertoets is een vast onderdeel van ruimtelijke plannen. Zo moet elke toelichting of ruimtelijke onderbouwing van een ruimtelijk plan een waterparagraaf bevatten. Het waterschap toetst de waterparagraaf op onderstaande punten: 1. Voorkomen van vervuiling Bouw en renovatie belast het milieu. Het waterschap streeft ernaar om verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Het voorkomen van vervuiling is een randvoorwaarde voor de watertoets. 2. Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoekt de initiatiefnemer naar een plek die hoog en droog genoeg is. Mocht dit niet mogelijk of wenselijk zijn, dan moet de initiatiefnemer compenseren. Deze neemt daarbij maatregelen om het gebied voldoende tegen wateroverlast te beschermen. 3. Hydrologisch neutraal Ontwikkelen (HNO) Het waterschap hanteert het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen: de nieuwe watersituatie moet minimaal gelijk blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de initiatiefnemer de grondwaterstand niet verlagen. Bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied mag de initiatiefnemer de oorspronkelijke landelijke afvoer niet overschrijden. Het waterpeil moet aansluiten bij de optimale grondwaterstanden. In poldergebieden staat het waterschap seizoensfluctuaties toe. 4. Vuil water en hemelwater scheiden Vuil water hoort thuis in het riool.

Schoon hemelwater moet de initiatiefnemer afvoeren naar de bodem of watergang. Soms is dit door ruimtegebrek niet mogelijk. Bij bebouwd gebied accepteert het waterschap daarom vaak een compromis: het gescheiden aanbieden van waterstromen aan het reeds aanwezige gemengde rioolstelsel. Het waterschap gaat niet akkoord met de aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels. 5. Hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer Bij de afvoer van schoon hemelwater moet de initiatiefnemer de volgende stappen hanteren: hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer. Hergebruik van regenwater is interessant bij grootschalige voorzieningen als scholen en kantoorgebouwen. Het verzamelde regenwater dient voor de spoeling van de toiletten, voor de tuin of voor wasmachines. Bij kleinere percelen is infiltratie in de bodem de beste oplossing. Dit kan bijvoorbeeld via de natuurlijke weg bij heel grof zand en een lage grondwaterstand, via kiezels of een infiltratiesysteem. Als dit geen optie is, kiest de initiatiefnemer voor de buffering van het water in een waterberging, om overstroming tijdens zware regenval te vermijden. Een laatste mogelijkheid is het vertraagd afvoeren van een neerslagpiek naar een leggerwatergang.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 33 van 61 Ontwerp 10 november 2020

6. Waterschapsbelangen Bij een bouwproject kunnen verschillende waterschapsbelangen spelen: - Ruimteclaims voor waterberging; - Ruimteclaims voor de aanleg van natte ecologische verbindingszones en beekherstel; - Aanwezigheid en ligging watersysteem; - Aanwezigheid en ligging waterkeringen; - Aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims t.b.v. de afvalwaterketen in beheer bij het waterschap. Spelen deze belangen een rol in een plan? Dan moeten deze in de planregels, -kaart (verbeelding) en – toelichting benoemd worden. 7. Meervoudig ruimtegebruik Gebruiksfuncties kunnen worden gecombineerd. Een wadi kan bovengronds ook worden ingericht en beheerd als speelterrein voor kinderen. 8. Water als kans Bouwkundigen zien water soms als een probleem. Water kan echter ook een meerwaarde geven aan een plan. Zo kan gebruik worden gemaakt van de belevingswaarde van water. Veel mensen waarderen immers een mooie waterpartij met bijbehorend groen. In paragraaf 5.2.5, 5.26 en 5.2.7 wordt nader ingegaan op het onderwerp water. 4.5

Gemeentelijk beleid

4.5.1

Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015

De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor de afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies opgesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015’. Het plangebied van deze structuurvisie is het totale buitengebied van de gemeente Oss, met uitzondering van motorcrosscircuit Nieuw-Zevenbergen en vakantiepark Herperduin. De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied.

Dit moet resulteren in: - Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen - Een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid - Een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug - Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen - Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarisch gebied - Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies zoals wonen en intensieve veehouderij - De instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers - Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristisch-recreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk - Het bieden van ruimte voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit De bovenstaande doelstellingen worden doorvertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype.

We maken onderscheid tussen: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 34 van 61 Ontwerp 10 november 2020

-

Dekzandrand Dekzandrug Primair agrarisch gebied

Open tot halfopen landschap Het gewenste beeld voor de uiterwaarden is een open tot halfopen landschap met een duidelijke binding met de Maas. Het gebied wordt gevormd door open gebieden met natuurlijke ruigten en ‘plukken groen’, vaak meidoorn- en wilgenstruweel. Op een aantal locaties vindt de ontwikkeling van kleinschalige ooibossen plaats. Het zicht op de Maas moet in belangrijke mate gehandhaafd blijven, met name op locaties waar de uiterwaarden smal zijn. Op enkele plaatsen kan in de loop der tijd spontaan meidoornstruweel ontwikkelen.Verder wordt terughoudend omgegaan met hoog opgaande beplanting. Zicht op en vanaf de Maas De Maas is de drager van het rivierlandschap. Het behoud en plaatselijk ook het versterken van de openheid van het uiterwaardenlandschap garandeert de belangrijke binding met de Maas. Niet alleen vanuit de uiterwaarden maar ook vanaf de dijk is het zicht op de rivier essentieel. Andersom is de beleving van de uiterwaarden vanaf de Maas ook karakteristiek. De openheid is dus een belangrijk punt van aandacht. Cultuurhistorische elementen De dynamiek van de Maas en het menselijk ingrijpen daarop vormen de kern van alle cultuurhistorische elementen in de uiterwaarden. De wielen en ook de bakenbomen zijn voorbeelden hiervan. Alle cultuurhistorisch waardevolle elementen worden behouden of waar mogelijk versterkt.

Natuur en water De hoofdfunctie van de uiterwaarden is het faciliteren van een goede en voldoende afvoercapaciteit van de Maas. Ruimte voor de rivier en waterveiligheid staan voorop in dit gebied. Voorkomen moet worden dat de doorstroming van de Maas wordt belemmerd of beperkt. De watervoerende en –bergende functie kan op veel plaatsen worden gecombineerd met natuur. Een deel van de uiterwaarden behoort tot het NNB (de vroegere Ecologische Hoofdstructuur (EHS)). In principe is natuurontwikkeling mogelijk en wenselijk in het hele gebied van de uiterwaarden. Het belang van water(berging) mag niet in het gedrang komen bij natuurontwikkeling. Het waterveiligheidsbelang kan strijdig zijn met andere belangen en wensen in het gebied. In die gevallen is een afweging noodzakelijk, waarbij het veiligheidsaspect leidend is. Voorbeelden van natuurontwikkeling in de uiterwaarden zijn het uitgraven van oude rivierarmen, de ontwikkeling van ooibossen en riet- en moerasgebieden, het ontstenen van de vastgelegde oevers door natuurlijke oevers met periodiek meestromende geulen, begrazing door runderen en paarden, en het omvormen van intensief agrarisch gebruikt land naar meer natuurlijk gebruik. Binnen de uiterwaarden is plaats voor recreatie als extensieve nevenfunctie, bijvoorbeeld in de vorm van struinen of picknicken.

De ontwikkeling, natuurontwikkeling in combinatie met waterveiligheid en extensieve recreatie past geheel binnen de ontwikkelingsvisie voor dit gebied, zoals verwoord in de structuurvisie buitengebied 2015. 4.5.2

Toekomstvisie Oss op weg naar 2020

De toekomstvisie ‘Oss op weg naar 2020’ (2004) is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling op de langere termijn. Eén van de potenties van Oss ligt volgens deze visie in het gevarieerde landelijk gebied waarin zich tal van kleine kernen bevinden. Uitgangspunt is het werken aan het behoud van het platteland met zijn rust en ruimte, aantrekkelijke kleinschalige toeristische voorzieningen en aan de ontplooiing van levenskrachtige dorpen. Een andere potentie ligt in het werken aan een duurzame gemeente. Duurzame ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie draagt bij aan de leefkwaliteit. De toekomstvisie stelt dat Oss vele ‘kostbare’ plekjes kent en een groots landschap, met ruimte voor landbouw en natuur. ‘Het bewaren van dat kostbare voor de toekomst is een opdracht die we onszelf stellen’. De ontwikkeling past binnen de visie op duurzame ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie en aan het behoud van het platteland met zijn rust en ruimte.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 35 van 61 Ontwerp 10 november 2020

4.5.3

Nota Landschapsbeleid

Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.

Zoals al eerder aangegeven, past de ontwikkeling binnen de ontwikkelingsvisie van het uiterwaardengebied. 4.5.4

Routekaart groen, blauw en natuur (GBN)

Doel van de routekaart GBN is: - Het verbeteren van de kwaliteit en kwantiteit van het groen, blauw en natuur in de gehele gemeente Oss; - Er voor zorgen dat het groen, blauw en natuur ook beleefd en gewaardeerd wordt door iedereen. De routekaart neemt het Natuurnetwerk Brabant als uitgangspunt. Tot dit netwerk behoren onder andere Keent, Hemelrijkse Waard, Kesselse Waard, Herperduin, de Geffense Bosjes en de Hertogswetering (oostelijk deel). Het is de bedoeling dit netwerk fijnmaziger te maken en uit te breiden met nieuwe/betere verbindingen en natuurgebieden, GBN in de stad en de polder en projecten/gebieden met lokale natuurwaarde en/of hoge belevingswaarde. De gemeente gaat het bestaande en nieuwe GBN actief promoten en vraagt bewoners, ondernemers en andere partijen te komen met groene initiatieven. Projecten vanaf 2018 - Boomstructuren (gehele gemeente) - Ecologische bermen & bijenlandschap (gehele gemeente) - Ecologische verbindingszone Hertogswetering (polder) - Groen in de stad (stad/dorp) - Pilot duurzame energie in combinatie met landbouw en natuur (polder) - Landschapsverbetering Geffen-Oss (dekzand) - Meanderende Maas (koploperproject Ravenstein-Lith), inclusief de bakenbomen (Maasgebied) - Dorpen- en wijkenwedstrijd (Stad/dorp) Groene (burger) initiatieven (gehele gemeente) Promotie en communicatie (gehele gemeente) - Operatie Steenbreek (stad/dorp)

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 36 van 61 Ontwerp 10 november 2020

4.5.5

Visie op de vrijetijdseconomie van Oss

De Maas, de stad Oss en de Maashorst vormen de pijlers van de vrijetijdseconomie. De kracht van deze drie gebieden zijn op hoofdlijnen aanvullend aan elkaar. Belangrijk is dat kwaliteit van het vrijetijdsproduct op orde is en dat de gebieden onderling goed verbonden zijn. Van belang zijn een goed en divers routenetwerk en een optimale informatievoorziening. De gemeente wil aansluiten bij onderscheidende ‘verhalen’ zoals het verhaal van de natuur in de Maashorst, het verhaal van het religieus erfgoed, het verhaal van de natuurlijke aantrekkingskracht van water, het verhaal van het Romeinse verleden, het verhaal van de Osse industrie (nu en in het verleden). In de visie ziet de gemeente de volgende rollen voor zichzelf: 1. Infrastructuur op orde: zorgen dat de basis op orde is met goede voorzieningen; 2. Voorwaarden scheppen: faciliteren van ondernemerschap met maximaal ruimte voor ondernemerschap en nieuwe initiatieven; bijvoorbeeld bij bestemmingsplan(wijzigingen), meedenken en adviseren; 3. Inspireren en stimuleren: meer samenhang tussen de gebieden door verbanden te zoeken en te versterken en door de informatievoorziening te verbeteren; 4. Verstrekken van subsidies en projectgelden; structureel krijgen een aantal organisaties een jaarlijkse subsidie. Met de projectgelden financieren we projecten die recreatie of toerisme bevorderen.

Het plan voorziet in (extensieve) recreatiemogelijkheden zoals struinpaden, een rolstoelpad en een gevarieerd (toegankelijk) natuurgebied. De ontwikkeling die in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, versterkt de aantrekkelijkheid en de recreatieve mogelijkheden van de Maas en past daarmee goed binnen het beleid voor vrijetijdseconomie. 4.5.6

Archeologie en Cultuurhistorie

Archeologie: wettelijk kader De gemeente is op basis van de Erfgoedwet verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Archeologie: gemeentelijk en provinciaal beleid Beleidsmatig heeft de gemeente Oss voornoemde wettelijke plicht vertaald in de nota ‘Archeologiebeleid gemeente Oss 2010’, vastgesteld door de gemeenteraad op 14 oktober 2010. Voor wat betreft het grondgebied van de voormalige gemeente Lith, is er nog geen vastgesteld archeologiebeleid maar wel een conceptversie die bruikbaar is als onderbouwing in bestemmingsplantoelichtingen. In de beleidsnota is het grondgebied van de gemeente onderverdeeld in gebieden met verschillende (archeologische) verwachtingswaarden. Er kan sprake zijn van een hoge, een middelhoge of een lage verwachtingswaarde. In het beleid is vastgelegd welke acties moeten worden ondernomen bij voorgenomen ontwikkelingen/werkzaamheden. Een en ander is afhankelijk van de gebiedscategorie (laag, middelhoog, hoog: zie verderop) waarin de voorgenomen ontwikkeling is gelegen. Zo moet in gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde onderzoek uitgevoerd worden indien de oppervlakte van de ontwikkeling 18 m² of meer bedraagt en de bodem dieper dan 30 cm geroerd wordt. In gebied met een middelhoge verwachtingswaarde is het criterium een oppervlakte van 1000 m² of meer en dieper dan 30 cm roering.

Voor bepaalde ook anderszins waardevolle gebieden, zoals historische stadskernen en beschermde stadsgezichten, gelden weer andere criteria. Het verdient aanbeveling om aan de ‘voorkant’, dat wil zeggen voordat de ruimtelijke onderbouwing of plantoelichting wordt opgesteld, onderzoek te doen. Afhankelijk van de verwachtingswaarde van het gebied waarin de ontwikkeling is voorgenomen, kan dat een bureauonderzoek, een booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek of een daadwerkelijk opgravingsonderzoek zijn. In geval van onderzoek vooraf is wellicht, uiteraard afhankelijk van de uitkomst daarvan, geen bescherming nodig door het opnemen van een zogenaamde dubbelbestemming in de planregels. Indien vooraf geen onderzoek is gedaan is het in elk geval noodzakelijk dat de archeologische (verwachtings)waarde beschermd wordt door borging in de planregels.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 37 van 61 Ontwerp 10 november 2020

In 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Geffen (voorm. Maasdonk). Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde

Vrijstellingsgrenzen

Archeologisch beschermd rijksmonument Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten Historische stads-/dorpskern Hoge verwachtingswaarde Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde Reeds onderzocht

Loopt via het Rijk 0 m2 / 30 cm -Mv 35 m2 / 30 cm -Mv 50 m2 / 30 cm -Mv 100 m 2 / 30 cm -Mv 1000 m2 / 30 cm -Mv 5 hectare / 30 cm -Mv Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek. Geen onderzoeksplicht

Verstoord

Volgens de archeologische beleidskaart heeft het plangebied een hoge en middelhoge verwachtingswaarde. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan respectievelijk 100 m2 (hoge verwachtingswaarde) en 1000 m2 (middelhoge verwachtingswaarde (zie archeologische beleidskaart gemeente Oss). Een deel van het plangebied is volgens de beleidskaart al onderzocht. De onderzoeksplicht in dit gebied is afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek. Zie verder ook paragraaf 5.3.1 (waarden archeologie). Archeologie: bestemmingsplanregels en regels in provinciale Verordening ruimte Zoals hierboven ook al kort aangestipt vertaalt de gemeente Oss de wet (Wamz) en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde.

Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Ook de provinciale Verordening ruimte bevat regels ter bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen. Bescherming van deze laatste categorie geschiedt doordat de ‘vlakken’ met aanduiding archeologisch landschap overeenkomen met de aanduiding aardkundig waardevolle gebieden in de Verordening ruimte. Cultuurhistorie In 2004 heeft de gemeente het ‘Erfgoedplan gemeente Oss’ opgesteld. In dit Erfgoedplan wordt zo goed mogelijk in beeld gebracht welke monumentale, archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden de gemeente kent. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Een belangrijk aspect in dit beleid is een integrale aanpak van het erfgoed in de gemeente. Hieronder vallen monumentenzorg, archeologie en cultuurhistorische waarden in het landschap. Dat wil zeggen, het behoud en beheer van het monumentale gebouw of object blijft alle aandacht en zorg houden, maar de methoden om dit behoud te garanderen zijn in een groter verband geplaatst.

Om deze reden is sprake van een ontwikkeling van zorg voor gebouwen naar integraal beheer van cultuurhistorisch erfgoed. De zorg en zorgvuldige omgang met archeologische en landschappelijke waarden speelt hierin mee. Door deze gewijzigde benadering is het van belang in een vroeg stadium van stadsontwikkeling of gebiedsverandering de positie van monumenten en van archeologische en cultuurhistorische landschappelijke waarden zo optimaal mogelijk te bepalen. Positief gevolg hiervan is dat monumenten, archeologische gegevens en landschap meewegen en zo mogelijk het uitgangspunt gaan vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 38 van 61 Ontwerp 10 november 2020

In het gebied is een (deel van een) molenbiotoop aanwezig. De archeologische dubbelbestemmingen die volgens het bestemmingsplan Buitengebied - Oss 2020 gelden, zijn onverkort overgenomen. De cultuurhistorisch belangrijke bakenbomen blijven behouden. De molenbiotoop wordt, voor zover gelegen binnen het plangebied, overgenomen. Er vinden in het plangebied geen ontwikkelingen plaats die hiermee in strijd zijn. 4.5.7

Verkeer

Mobiliteitsvisie, Balans in beweging In de mobiliteitsvisie (2009) staan drie begrippen centraal; bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Het centrale doel van de mobiliteitsvisie is het in balans brengen van de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in de gemeente, nu en in de toekomst. Om deze balans te bereiken streeft de gemeente naar een verschuiving in het gebruik van vervoerswijzen. Een groter deel van de verplaatsingen moet plaats gaan vinden met de fiets of met het openbaar vervoer. Dit is nodig om Oss bereikbaar en leefbaar te houden. Oss wil de verschuiving bereiken door het gebruik van fiets en openbaar vervoer te stimuleren. Deze vervoerswijzen moeten veilig en comfortabel zijn en men moet snel op de plaats van bestemming kunnen komen. De goede bereikbaarheid is met name gericht op de economisch belangrijke gebieden van Oss. De bedrijventerreinen vallen hieronder. De doorstroming op de wegen naar de bedrijventerreinen (i.c. N329) moet optimaal zijn. Hoewel de bereikbaarheid van de economisch belangrijke gebieden voor alle vervoerswijzen goed moet zijn, streeft de gemeente wel naar een verschuiving van vervoerswijze. Korte verplaatsingen moeten bij voorkeur per fiets of te voet afgelegd worden en niet per auto. Voor het vervoer van goederen zal het gebruik van water en spoor verder gestimuleerd worden.

In de uitwerkingsfase zullen de doelstellingen uit de visie langs drie lijnen worden uitgewerkt: infrastructuur, gedrag en organisatie. Er heeft inmiddels een uitwerking plaatsgevonden in de deelplannen Wegen, Fiets, Openbaar Vervoer en Gedrag. De ontwikkeling leidt niet tot extra verkeersbewegingen. De huidige weg naar het fiets- en voetveer wordt vervangen door een vlonderbrug. Een deel van het gebied wordt nu agrarisch gebruikt, welk gebruik door de ontwikkelingen verdwijnt. Er is slechts extensief recreatief gebruik toegestaan. 4.5.8

Nota Landschapsbeleid 2015

Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: - Uiterwaarden; - Oeverwal; - Komgebied; - Dekzandrand; - Dekzandrug. Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 39 van 61 Ontwerp 10 november 2020

De ontwikkeling draagt bij aan het realiseren van natuur en een aantrekkelijk uiterwaardenlandschap en past daarmee binnen het in de nota beschreven beleid. 4.5.9

Bijzonder waardevolle bomen

In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen Oss 2012”. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. Bakenbomen, bomen die vroeger een markeringsfunctie hadden langs een rivier, zijn aangemerkt als bijzonder waardevolle bomen. De huidige bakenbomen zijn ingepast in het inrichtingsplan. Vanuit dit specifieke beleid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan. Het plan biedt ook de mogelijkheid in de toekomst nieuwe bakenbomen tussen de huidige bakenbomen aan te planten.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 40 van 61 Ontwerp 10 november 2020

Hoofdstuk 5 5.1

Verantwoording

Milieueffectrapportage (M.e.r.)

Op grond van het Besluit milieueffectrapportage, mede in relatie tot bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, moet voor bepaalde projecten een m.e.r. worden gemaakt of een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Met een m.e.r. worden vooraf de milieugevolgen van een besluit in beeld gebracht. Het voorgenomen plan is “m.e.r.-plichtig”, omdat meer dan 25 hectare ontgravingen zijn voorzien (categorie C 16.1 van het Besluit m.e.r.). Het totaal oppervlak (mogelijk) te ontgronden uiterwaard nabij Demen en Dieden beslaat om en nabij de 80 hectare en overstijgt daarmee de drempelwaarde van 25 hectare dus ruimschoots. Hierdoor ontstaat de plicht om voor het vaststellen van het bestemmingsplan én het besluit voor de ontgrondingsvergunning (artikel 3 van de Ontgrondingenwet) te baseren op een milieu-effect-rapportage met een grondige analyse van de milieueffecten. Voor het project dat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is een milieueffectrapport gemaakt, dat als bijlage3 bij deze toelichting is gevoegd. Uit het MER blijkt het volgende: het voorkeursontwerp maakt de ontwikkeling van natuur mogelijk en verhoogt de leefomgevingskwaliteit. Daarbij levert de ontwikkeling een significante bijdrage aan de hoogwaterveiligheid van cira 5 cm waterstanddaling, zonder de geplande dijkversterking van Aa en Maas te hinderen.

De hinder tijdens uitvoering is beperkt tot een tijdelijk verminderd landschapsbeeld. Door gefaseerde uitvoering én oplevering van deelgebieden worden gebieden zo snel mogelijk ingericht als natuur en toegankelijk gemaakt. Na de uitvoering van het plan wordt een aaneengesloten, robuust, rijk gestructureerd en riviergebonden natuurgebied met veel biodiversiteit gerealiseerd. Ook wordt met dit ontwerp bijgedragen aan het geheel aan natuurontwikkelingsprojecten aan de Maas van Natuurmonumenten dat is samengebracht in het programma MeerMaas. Het voorkeursontwerp voldoet aan alle vooraf gestelde voorwaardes en criteria en is vergunbaar binnen de wet- en regelgeving. Daarmee kan het aanvragen van vergunningen en het doorlopen van de milieueffectrapportage in publiekrechtelijke sfeer worden gestart. Op 23 april 2020 heeft de Commissie haar voorlopig toetsingsadvies gepubliceerd naar aanleiding van het MER. De Commissie is van mening dat het MER overzichtelijk is opgebouwd en veel illustraties bevat bij de effectbeschrijving en -beoordeling. Onderwerpen als stikstofdepositie en bodemkwaliteit zijn goed geactualiseerd naar aanleiding van recente ontwikkelingen. De Commissie signaleert echter bij de toetsing van het MER dat essentiële informatie ontbreekt voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluitvorming over het project Demen-Dieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=f42de7bf-92d3-459c-8d6f-a4bd1a34f6ba