CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Kadernota Energietransitie

Gemeenteraad 17 oktober 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Kadernota Energietransitie14.598 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

8.1 Prognose aan de hand van bandbreedte scenario’s Duurzaam verwarmen met warmtebronnen en

elektriciteit middels een warmtepomp, is efficiënter dan verwarmen met aardgas. Dat betekent dat voor

dezelfde warmtevraag, minder energie nodig is bij het

duurzaam verwarmen. Hoeveel efficiënter dat is, hangt af van welke duurzaam warmtealternatief dat gekozen

wordt. Inwoners hebben zelf de mogelijkheid om daarin

zoals geothermie. Voor dezelfde warmtevraag heb

•

vergeleken met een HR CV-ketel.

Scenario 2 gaan we uit van volledige elektrificatie van de warmtevraag. Dat kan alleen als het gaat

minder energie nodig vergeleken met een HR

Hierdoor zal het aantal huishoudens groeien met

warmtevraag heb je met een warmtepomp 4 keer CV-ketel.

•

Scenario 1 gaan we uit van volledige inzet duur-

zame warmtebronnen, waarbij geen elektriciteit nodig is voor de warmtevraag. Dat kan alleen als

19,7%, een toename van 8.370 huishoudens ten op-

zichte van 202342. De keuzes die gemaakt gaan worden

in de verschillende type ontwikkelscenario’s van de

beiden, vandaar dat de scenario’s een bandbreedte

Dat is niet meegenomen in deze prognose.

worden, maar zullen we uitkomen op een mix van

aangeven. Beide extreme scenario’s kennen namelijk nadelen om in te zetten voor de warmtevraag van de

gebouwde omgeving. Zo levert geothermie bijvoorbeeld hoge temperatuur warmte, terwijl de energievraag van

de gebouwde omgeving veelal een minder hoge tempe-

Omgevingsvisie kunnen hier nog invloed op hebben. Met de groei van de gebouwde omgeving zal ook de

commerciële en publieke dienstverlening groeien. We

gaan uit van een evenredige groei ten opzichte van het aantal huishoudens.

ratuur vraagt. De landelijke richtlijn is om zo efficiënt

mogelijk om te gaan met energie41. Vandaar dat het niet

afnemers die deze hoge temperatuur nodig hebben.

aan de hand van twee uiterste scenario’s:

In 2050 telt Oss naar verwachting 109.060 inwoners.

In de praktijk zal het niet een van deze twee scenario’s

gemeentelijke strategie daarvoor te komen. Die hebben we een bandbreedte in de prognose voor 2050 geven

met een technisch warmtebronnenonderzoek.

8.2 Groei gebouwde omgeving

waarschijnlijk is om geothermie direct in te zetten voor

wij nog niet verder uitgewerkt en bepaald. Vandaar dat

realistisch zijn, gaan we op korte termijn onderzoeken

om de inzet van warmtepompen. Voor dezelfde

al keuzes te maken, tegelijkertijd heeft de gemeente wel de verantwoordelijkheid gekregen om met een

te-koudeopslag, een collectieve warmtepomp en groen-

de gehele gebouwde omgeving van Oss, maar voor de

Nadelen bij volledige elektrificatie zijn bijvoorbeeld dat het minder efficiënt is dan gebruik te maken van een

warmtebron, waardoor er meer duurzame opwek moet plaatsvinden om die elektriciteit te kunnen leveren en

het bovendien het elektriciteitsnet nog zwaarder belast. Binnen deze twee uiterste scenario’s zitten andere

41 Nationaal Plan Energiesysteem p14-15 42 Deze prognose is gebaseerd op ABF-Primos, die de prognose van bevolking en huishoudens weergeeft.

31

Door deze groei zullen er dus meer huizen en gebouwen

Bovendien zal nieuwbouw aardgasvrij gebouwd worden.

8.3 Groei van de vraag naar koeling

in Oss. Deze gebouwen zullen veel minder energie ver-

gebouw van warmte, inclusief warm tapwater, wordt

gebouwen, zal ook de vraag naar koeling richting 2050

voor de dienstverlenende sector gebouwd gaan worden bruiken dan de huidige bestaande gebouwenvoorraad, vanwege de aangescherpte eisen in het bouwbesluit, zie kader.

BENG, ENG en NOM

De huidige bouweisen voor woningen zijn Bijna

EnergieNeutraal Gebouw (BENG). Dit zegt iets over het gebouwgebonden energieverbruik, ook wel de energieprestatie van het gebouw genoemd. Dit

Dit betekent dat het koken elektrisch wordt en het

voorzien door een warmtebron of door elektrificatie van

de warmtevraag. Het verwarmen met een warmtepomp is 4 keer efficiënter dan verwarmen met aardgas, en de

inzet van een warmtebron voor verwarmen is tot maxi-

maal 25 keer efficiënter dan in diezelfde warmtevraag te voorzien met aardgas. Dat betekent dat de energievraag van nieuwbouw lager is dan de huidige gemiddelde energievraag van een bestaand gebouw in Oss.

betekent dat de huidige woningen goed geïsoleerd

In totaliteit zal door de groei van het aantal huishou-

en er duurzame energieopwekking wordt toe-

maar het totale energieverbruik zal afnemen. Dat komt

moeten zijn, energiezuinige installaties hebben

gepast. Deze eisen worden verder aangescherpt naar EnergieNeutraal Gebouw (ENG) in 2050.

Dat betekent dat op jaarbasis het gebouwgebonden energieverbruik nul is. Een andere term die

regelmatig voorbij komt is Nul-op-de-Meter. De

eisen daarvoor zijn dat naast het gebouwgebonden energieverbruik op jaarbasis nul is, dat ook geldt voor het gebruikersgebonden energieverbruik.

dens en overige gebouwen de energievraag toenemen, door een verschuiving van de warmtevraag waarin

nu nog grotendeels voorzien wordt met aardgas, naar

een verschuiving van de warmtevraag waarin voorzien wordt door duurzame warmtebronnen en elektrici-

teit (power to heat). Zoals hierboven uitgelegd is dat

efficiënter, waardoor het energieverbruik afneemt voor dezelfde energievraag.

Gebruikersgebonden energieverbruik is energie ten

Energievraag versus energieverbruik

computer en verlichting.

voorbeeld een huis te verwarmen en alle apparaten

behoeve van onder andere de koelkast, televisie,

De energievraag is alle energie die nodig is om bijvan elektriciteit te voorzien. Een deel van die ener-

Naast de vraag naar elektriciteit en warmte voor

verder toenemen. Enerzijds komt dit omdat de gebouwen steeds beter worden geïsoleerd. Dat betekent dat

warmte minder snel het gebouw binnenkomt, maar als

het eenmaal binnen is blijft het ook hangen. Dan is koelen of ventileren nodig. Anderzijds zal de temperatuur ook steeds verder oplopen, wat überhaupt de vraag naar koeling vergroot.

Het type gebouw, de mate van isolatie, ventilatie en

de oplopende temperatuur hebben dus invloed op de

lokale vraag naar koeling. De landelijke prognose is dat de vraag naar koeling in 2050 kan oplopen van 1% tot

maximaal 3% van de totale energievraag voor gebou-

wen43. Daarmee komen we uit op een koudevraag van maximaal 35 TJ.

Koeling kan collectief meegenomen worden bij een

collectieve warmteoplossing, dan wordt gesproken van een warmte- en koudenet. Individuele oplossingen zijn het apart plaatsen van airco’s op en aan gebouwen.

Bij koeling middels airco of all-electric warmtepomp

is het goed om uit te gaan van het maximale scenario.

Afhankelijk van de systeemkeuzes die gemaakt worden, bijvoorbeeld voor een collectieve voorziening, zal dit naar alle waarschijnlijkheid lager uitvallen.

gie wordt duurzaam gewonnen doordat bijvoor-

beeld een warmtepomp energie uit de buitenlucht haalt. Die warmtepomp heeft daar energie voor nodig. En ook alle apparaten in huis verbruiken energie. Dat noemen we het energieverbruik.

43 Koudevraag in Nederland en Europa (topsectorenergie.nl)

32

8.4 Energieverliezen bij opslag, conversie en transport

Hoe groot deze verliezen uiteindelijk zullen zijn is het

daarbij geen rekening gehouden met woningen die al

gie vinden energieverliezen plaats. Energieverliezen

gemeente hierin maakt. Indien we niks doen, is het

verstandig om uit te gaan van een extra opgave die

behalen valt. Anderzijds zullen er ook woningen zijn die

Bij het opslaan, omzetten en transporteren van enerdoor omzet en transport, zijn in ons huidige systeem in Nederland ongeveer 20% van het totale elektri-

citeitsverbruik44. Verlies door opslag is daarin niet

sterk afhankelijk van de energiesysteemkeuzes die de

we moeten opwekken, die oploopt tot 20% van het elektriciteitsverbruik.

Het Rijk heeft in het Nationaal Plan Energiesysteem

8.5 Energiebesparing is haalbaar op het warmtegebruik

zo efficiënt mogelijk is. Enerzijds in het beperken van

reikt worden door bijvoorbeeld het gebouw te isoleren,

meegenomen.

aangegeven naar een energiesysteem toe te willen dat energietransport. Dat is een van de redenen voor het

Rijk om, waar mogelijk, aanbod en vraag dicht bij elkaar te organiseren. Een voorbeeld daarvan is de inzet op

lokale energiehubs. Anderzijds in de meest efficiënte

afstemming tussen het soort energieaanbod en ener-

gievraag. Bijvoorbeeld het direct gebruik van duurzame geproduceerde elektriciteit voor elektriciteitsvraag en

de inzet van duurzame lokale warmtebronnen voor de lokale warmtevoorziening. Hierdoor maak je zo mini-

maal mogelijk gebruik van de omzet van energie in een

Energiebesparing in de gebouwde omgeving kan be-

belasting van het elektriciteitsnet op te vangen. En

voor warmte zal het gaan om met name seizoenen te kunnen overbruggen.

te verhogen en de energierekening te verlagen.

Om deze redenen houden we vast dat een energiebesparing op warmte van 21% in 2050 ten opzichte van 2017, een reële opgave is.

lager te zetten. Daarnaast hebben een warmtepomp en zonnepanelen op eigen dak ook invloed op energiebe-

sparing. Voor dezelfde warmtevraag, heeft een warm-

tepomp minder energie nodig dan een gasgestookte HR CV-ketel. En met zonnepanelen op eigen dak voorzie je geheel of deels in het eigen energieverbruik.

woning. Daarmee wordt de woning zelf energiezuini-

zijn om met name het verschil tussen dal- en piek-

gelen genomen worden aan woningen om het comfort

door het gedrag te veranderen zoals de verwarming iets

Opslag zal wel steeds meer een onderdeel worden in aanbod en de energievraag. Voor elektriciteit zal dat

poraties. En zullen er toch soms verdergaande maatre-

of televisie, op LED verlichting over te stappen, maar ook

Naast gedrag, wordt energiebesparing in het warm-

het energiesysteem als schakel tussen het energie-

gesloopt en nieuw gebouwd worden door woningcor-

zuinigere apparatuur aan te schaffen zoals een koelkast

andere energiedrager (conversie). Bij conversie vinden er namelijk altijd energieverliezen plaats45.

verduurzaamd zijn en waar dus weinig winst meer te

tegebruik bereikt door maatregelen te nemen aan de ger. Dit is ook terug te zien in het energielabel van de

woning. In de Regionale Structuur Warmte van de RES 1.0 is een overzicht gemaakt welke reële labelstappen er per energielabel te behalen zijn richting 2050. Als

we dat vertalen naar de energielabels in Oss van 2017, komen we uit op een mogelijke energiebesparing op warmte van 21% in 2050 ten opzichte van 2017. Er is

44 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/12/01/nationaal-plan-energiesysteem#:~:text=Het%20Nationaal%20Plan%20Energiesysteem%20is,nu%20en%20in%20de%20toekomst. 45 Bij elektriciteit omzet tot waterstof, middels elektrolyse en weer terug naar elektriciteit, verlies je 70% van de beschikbare energie: Routekaart Energieopslag voorjaar 2023 (rvo.nl)

33

Figuur 5 Weergave van reëel te behalen labelstappen

Energiebesparing op elektriciteit is een complexere

8.6 Toename aan elektrificatie van mobiliteit

zal juist de vraag naar elektriciteit verder stijgen. Deze

mobiliteit flink zal stijgen de komende jaren. Voor Oss is

opgave. Zoals ook uit bovenstaande paragrafen blijkt, stijging wordt iets afgeremd doordat er veel zon-op-

dak bij woningen en andere gebouwen (kleinschalig) wordt gerealiseerd. Dit wordt meegenomen bij ener-

giesparing. Hoe dat er de komende jaren uit gaat zien, is onzeker. De afgelopen jaren was juist een enorme

stijging te zien, maar die is onverwachts weer heel hard afgenomen. Dat wordt veroorzaakt door onzekerheden, zoals bijvoorbeeld over de afbouw van de salderings-

De verwachting is dat het aandeel elektrische personende prognose dat het aantal elektrische personenauto’s stijgt naar 59.562 in 2050. Dat komt neer op 99%.

Het gemiddelde gebruik van een elektrische auto is 195

Wh/km47. Bij een gemiddeld gebruik van 11.000 kilome-

ter per jaar48, komt dat neer op 454 TJ in 2050. Dat is een

groei van afgerond 445 TJ in het elektriciteitsverbruik ten opzichte van 2021.

regeling46. Verdere energiebesparing op elektriciteit is

marginaal, door bijvoorbeeld zuinigere apparaten. Om deze redenen nemen we geen prognose op voor energiebesparing op elektriciteit.

46 Zonnepanelen fors minder in trek bij huiseigenaren (nos.nl) 47 Verbruik van elektrische auto's cheatsheet - EV Database (ev-database.org) 48 Hoeveel rijden personenauto’s? (cbs.nl)

34

8.7 Totale prognose 2050

Hoe we in onze warmtevraag gaan voorzien, heeft ook

In het Geothermie scenario komen we dan uit op een

wikkelingen toenemen ten opzichte van de huidige

op hoeveel energie we moeten opwekken met elektrici-

opgewekt moet worden. Daarvan is 81 TJ ten behoeve

De energievraag in 2050 zal door bovenstaande ontenergievraag. De vraag naar elektriciteit zal toenemen zoals te zien is in figuur 3. In welke mate is afhankelijk

invloed op het energiegebruik. En daarmee ook invloed teit en hoeveel met warmtebronnen, zie figuren 4 en 5.

van hoe de vraag naar warmte wordt ingevuld. Dat

In het All-Electric scenario komen we dan uit op een

Geothermie, zoals omschreven in paragraaf 8.1. De tota-

opgewekt moet worden. Daarvan is 505 TJ ten behoe-

is geduid in de 2 extreme scenario’s All-Electric en

le energievraag komt in beide scenario’s uit op 4.126 TJ,

exclusief energiebesparing. Met energiebesparing komt het neer op 3.578 TJ aan energievraag.

totaal elektriciteitsverbruik van 1994 TJ wat duurzaam van het warmteverbruik. En 256 TJ ten behoeve van opslag en conversie.

totaal elektriciteitsverbruik van 2.503 TJ wat duurzaam ve van het warmteverbruik. En 341 TJ ten behoeve van opslag en conversie.

Figuur 6 Totale energievraag in TJ: huidig en 2 scenario’s 2050

35

Figuur 7 Elektriciteitsverbruik in TJ: huidig en 2 scenario’s 2050

Figuur 8 Warmtevraag in TJ: huidig en 2 scenario’s 2050

36

9. Organisatie

37

9.1 We vervullen 4 verschillende rollen als gemeente

Aan bovenstaande opgave werken we niet alleen, maar samen met diverse partners. Hierin vervullen we ver-

schillende rollen als gemeente. Enerzijds kaderstellend,

vergunningverlend en handhavend vanuit de taken die we als gemeente hebben. Een voorbeeld daarvan is het beleid zonne-energie waarin wij de randvoorwaarden stellen voor grootschalige zonne-energie op gronden.

Voordat er een vergunningsprocedure wordt opgestart, wordt getoetst of er aan het beleid wordt voldaan. Een ander voorbeeld is dat ODBN voor ons toeziet op de energiebesparingsplicht bij bedrijven.

Daarnaast hebben we de diverse partners heel hard

nodig om de opgave te realiseren en werken we ook nauw samen. Dat zien we bijvoorbeeld terug in het gebiedsgericht werken, zoals in Schadewijk waar

we samen met meedenkteams van inwoners en de

woningcorporaties werken aan hoe de woningen in de toekomst duurzaam verwarmd kunnen worden.

Figuur 9 Verschillende rollen van de overheid49

Daarnaast zijn wij als gemeente ook regelmatig niet de

Het doel van de pMIEK is om te komen tot een priorite-

werking en input, zoals op Rijkstrajecten. Dan vervullen

Dit levert input op voor de investeringsplannen van de

samen op met mede-overheden. In de regio werken we

een tijdshorizon hebben van 10 jaar. Dit soort trajecten,

partij die het voortouw neemt, maar leveren wij medewij een responsieve rol. Daarin trekken we regelmatig bijvoorbeeld samen in de regionale energiestrategie

Noordoost Brabant (RES NOB) aan het provinciale meerjarenprogramma infrastructuur en klimaat (pMIEK).

ring van de netuitbreiding van het elektriciteitsnetwerk.

netbeheerders die tweejaarlijks worden opgesteld en

waarin we samen met de regio optrekken, leveren vaak input op voor Rijksprogramma’s zoals het MIEK en de nota Ruimte.

49 NSOB kwadrant met de rollen en sturingsperspectieven. Adaptatie van Van der Steen et al, 2015

38

Figuur 10 verhouding initiatieven op het energiesysteem50

50 Handreiking Ruimtelijke inpassing van energie-infra (vng.nl)

39

9.2 We hebben 3 instrumenten om onze taken op te pakken

Voor het realiseren van onze opgave zijn we dus ook

De instrumenten die de gemeente heeft om de ver-

9.3 Onze partners, bedrijven en inwoners geven we duidelijkheid met een koers richting 2050

zijn de volgende:

duidelijkheid over de koers van de gemeente Oss rich-

citeitsnet. De netbeheerders zijn voor de realisatie ver-

schillende taken in de energietransitie op te pakken •

Strategisch en lange-termijnbeleid om lange-termijndoelen en principes vast te stellen voor de

energietransitie. Deze Kadernota Energietransitie is daar een voorbeeld van als deelvisie van onze •

Omgevingsvisie.

Het instrument programma om specifieke maat-

regelen op te nemen. Een voorbeeld daarvan is dat

gemeenten via de wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie verplicht worden om een warmteprogramma vast te stellen voor december 2026. In

dat programma moeten zij onder andere beschrij-

ven in welke gebieden zij stappen gaat zetten met

energiebesparing en het aardgasvrij maken van de •

gebouwde omgeving51.

Het omgevingsplan om (beleids)regels vast te

stellen. Daarmee borgen we de eisen en voorwaar-

den vanuit de energietransitie. Dit moet congruent zijn met bovenliggend beleid, zoals het warmteprogramma en de Kadernota Energietransitie. Voorbeeld hiervan is dat gemeenten gebieden

kunnen gaan aanwijzen waar de aardgaskraan

op een bepaald moment dichtgedraaid wordt52.

Uiteraard moet dan ook het warmtealternatief worden aangegeven.

Onze partners, bedrijven en inwoners willen allereerst ting 2050. Voor de netbeheerders Enexis (regionale netbeheerder) en TenneT (landelijke netbeheerder) is het

noodzakelijk om de omvang en tijdsplanning van de netuitbreidingen op af te stemmen. Datzelfde geldt voor de woningcorporaties die met de planning van hun

renovatieopgave zitten. En ook onze inwoners en bedrij-

ven willen weten waar ze aan toe zijn. Bijvoorbeeld welk warmtealternatief wij, waar en wanneer, voorzien. En welke (grootschalige) elektriciteitsopwekking er in de gemeente zal plaatsvinden.

afhankelijk van de inzet en bevoegdheden van medeoverheden en andere partners. Een voorbeeld van die

afhankelijkheden zijn de uitbreidingen van het elektriantwoordelijk, maar de trafo’s moeten in de openbare

ruimte geplaatst worden. Bovendien vraagt de omvang en de impact hiervan om nauwe samenwerking op

programmering. Voor de uitbreidingen in de wijken maken ze daarvoor afspraken met gemeenten. Op

hoogspanningsniveau vindt die afstemming op provinciaal niveau plaats via de PMIEK, waarvoor we met alle

gemeenten in de provincie samen met de netbeheerder en de provincie voor aan de lat staan.

Met deze Kadernota Energietransitie zetten wij die

Het is daarom ook vanzelfsprekend dat we deze opgave

ook die verdere duidelijkheid te kunnen geven aan

Daarvoor hebben we de partners, bedrijven en inwo-

stip op de horizon en geven we de richting aan. Om die invulling van de opgave zal dat nog verder uitge-

werkt moeten worden. Daarvoor is het nodig om een warmtebronnenonderzoek te doen, een warmtestra-

tegie vast te stellen en de energiemix 2050 te bepalen.

Tegelijkertijd leert de praktijk ons dat het allemaal niet zo volgordelijk is als op papier soms lijkt. We hebben elkaars inbreng nodig om een eigen strategie te be-

naar een energieneutraal Oss niet alleen realiseren.

ners keihard nodig. Zowel in de samenwerkingen, als dat zij ook direct door eigen inspanningen bijdragen

aan de opgave. Hierin kunnen we hen faciliteren met bijvoorbeeld kennis, organisatie en financiën. Hoe

we dat willen gaan doen werken we nader uit in het Uitvoeringsprogramma Energie.

palen. Dat vergt een nieuwe en intensieve manier van

Daarnaast zien we dat er naast de bestaande taken

vanwege soms tegenstrijdige belangen en verdeelde

te geven aan het Klimaatakkoord. Dat komt op dit mo-

samenwerken. Dat zal niet in een keer vloeiend lopen, verantwoordelijkheden en bevoegdheden.

extra taken op de gemeenten afkomen om uitvoering

ment niet overeen met de toegezegde middelen vanuit het Rijk en behoeft aandacht.

51 Wetsvoorstel Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) ingediend | Nieuwsbericht | Home | Volkshuisvesting Nederland 52 Praatplaat WGIW | Publicatie | Home | Volkshuisvesting Nederland

40

Bijlage 1: uitgebreide context afspraken

41

Het internationale kader: het Parijs akkoord

Europees beleid (fit for 55)

Het nationale kader: Klimaatakkoord

de Verenigde Naties het Parijsakkoord uit 2015 onder-

Commissie bijgesteld naar 55% in 2030, ook bekend

Nationale Klimaatakkoord, dat in 2019 is ondertekend.

In 2016 hebben 197 landen op een bijeenkomst van

tekend. Deze is per 2020 ingegaan en is ook door alle

lidstaten van de EU ondertekend. In dat akkoord hebben de landen met elkaar doelen gesteld en afspraken

gemaakt om klimaatverandering tegen te gaan. Het

hoofddoel is het beperken van de opwarming van de

aarde tot 1,5 graad, en maximaal 2 graden. Een belang-

rijke afspraak om dat doel te bereiken, is het terugdrin-

gen van de uitstoot van broeikasgassen, zoals CO2. Er is in het Parijs Akkoord afgesproken dat de CO2 uitstoot 49% omlaag moet in 2030 ten opzichte van 1990 en

een CO2 reductie van 95% in 2050. Als reactie daarop

is er Europees en nationaal beleid gemaakt, dat steeds aangescherpt wordt om zicht te blijven houden op de

maximaal 2 graden opwarming van de aarde. Ondanks die aanscherping brengen ook nu wetenschappers via het IPCC nog rapport na rapport uit dat we het Parijs

Het beperken van het CO2 uitstoot is door de Europese als de Green Deal fit for 55. Deze hogere doelstelling is

vastgesteld om zicht te blijven houden op de afspraak

Het Parijs Akkoord is in Nederland vertaald in het

Daarin zijn maatregelen en afspraken vastgelegd tus-

sen bedrijven, maatschappelijke organisaties en overhe-

om de opwarming van de aarde te beperken met maxi-

den hoe Nederland gaat voldoen aan het Parijs Akkoord.

Klimaatwet, waarin de Europese Unie heeft opgenomen

opgave van 60% CO2-reductie in 2030 en klimaatneu-

maal 2 graden. Dit doel is ook vastgelegd in de Europese in 2050 klimaatneutraal te willen zijn. Aan de Green Deal zijn diverse maatregelen verbonden, bekend

als het ‘fit for 55’-pakket. Deze lopen uiteen van een

richtlijn hernieuwbare energie met als doel dat 40%

van de energie uit hernieuwbare bronnen moet komen, tot strengere CO2-emissienormen voor voertuigen. De

essentie is dat zowel de wortel als de stok wordt ingezet om de CO2 uitstoot te beperken. Er komt een hogere

prijs op de uitstoot van CO2 en wie minder CO2 nodig heeft, wordt beloond.

Akkoord om onder de 1,5 graad te blijven alleen nog gaan halen als we echt alles op alles zetten.

Dit is vertaald in een totale, inmiddels bijgestelde,

traal in 2050. Die overkoepelende opgave is vervolgens onderverdeeld in vijf sectoren: Elektriciteit, Industrie,

Gebouwde omgeving, Mobiliteit en Landbouw en land-

gebruik. Per sector is er een aparte klimaattafel geweest die verdere afspraken hebben gemaakt over hoe de

opgave bereikt moet worden. In figuur 7 is de opgave per sector weergegeven.

Deze nationale doelen zijn vastgelegd in de nationale

Klimaatwet53. Naast de doelstellingen staat hierin ook

het beleidskader beschreven, waar het kabinet uitvoe-

ring aan moet geven. Deze bestaat uit drie onderdelen: •

Het klimaatplan, dat het kabinet moet maken

waarin zij omschrijft hoe ze de doelstellingen uit

de klimaatwet gaat halen. Deze heeft een tijdshorizon van 10 jaar en wordt elke 5 jaar herzien. Het eerste klimaatplan geldt voor de periode tussen • •

2021 en 2030;

De tweejaarlijkse voortgangsrapportage;

De jaarlijkse Klimaatnota waarin het kabinet

verantwoording aflegt over het klimaatbeleid en waarin de jaarlijkse voortgang wordt besproken.

53 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/klimaatverandering/klimaatbeleid

42

Provinciale ambitie

De provincie Noord Brabant volgt de landelijke lijn om energieneutraal te zijn in 2050 en wil de CO2 uitstoot met 90% te verminderen ten opzichte van 1990 (ten opzichte van 95% CO2-vermindering landelijk). Aan

die doelstelling werken ze binnen vijf transitiepaden die overeenkomen met de landelijke klimaattafels:

Elektriciteit, Industrie, Gebouwde omgeving, Landbouw en Mobiliteit. Er zijn ook activiteiten die niet bin-

nen één transitiepad passen en daarvoor werken ze

meer themagericht op: Sociale Innovatie, Technische

Innovatie, Regionale Energiestrategieën, Digitalisering en Arbeidsmarkt & scholing.

Om focus aan te brengen binnen alle activiteiten waar de provincie mee bezig is, werken ze aan drie strategi-

sche lijnen die helpen om de energietransitie in Noord Brabant te realiseren: 7.

De scope van energie binnen het klimaatakkoord

Twee tafels gaan specifiek over de energietransitie, met ieder hun eigen doelstelling54. Dat zijn de klimaattafel Gebouwde omgeving met de doelstelling een aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050, met als eerste stap dat 1,5 miljoen bestaande woningen moeten worden

bewegen met de dynamiek die er al is en indien dat niet aan de orde is, een verandering te stimuleren

Figuur 11 Overzicht van de klimaattafels met bijbehorende CO2 reductie doelen (bron: ministerie EZK)

Mobiliseren van de samenleving: door mee te

verduurzaamd tot 2030. En de klimaattafel Elektriciteit

met een doelstelling van 35 TWh hernieuwbare energie

8.

op land en een, inmiddels verhoogde, opgave van circa 90 TWh wind op zee. Wind op zee is voornamelijk

bedoeld voor het verduurzamen van de industriële be-

drijvenclusters. Hernieuwbare energie op land is onder andere bedoeld voor het elektrificeren van de installaties van de gebouwde omgeving en lokale bedrijven.

door te inspireren en uit te nodigen.

Selectief en slim stimuleren van koplopers: door

koplopers op het gebied van onderzoek en technologieontwikkeling te volgen en hen te stimuleren

9.

om op te schalen.

Slim integraal combineren: door de samenhang op te zoeken met andere maatschappelijke opgaven en te kijken naar het bredere energiesysteem.

54 Het Energieakkoord dat in 2013 werd gesloten is onderdeel van het landelijke klimaatbeleid. De afspraken uit het Energieakkoord zijn dan ook opgenomen in het Klimaatakkoord en terug te vinden in de sectoren gebouwde omgeving en elektriciteit.

43

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Het realiseren van de doelstellingen die voor de ver-

schillende klimaattafels zijn overeengekomen vragen

ieder in meer of mindere mate om ruimtegebruik. Die ruimtelijke impact en ruimteclaims van de doelen en afspraken uit het Klimaatakkoord worden benoemd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is

de lange termijn visie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in

Nederland. Naast het benoemen van de uitdagingen

waar we voor staan, worden ook de nationale belangen

Figuur 12 NOVI voorkeursvolgorde zon-PV (bron: novistukken)

melijk richting gegeven aan decentrale overheden hoe

Provinciale omgevingsvisie

Voor zonne- en windparken staan de instructieregels

aan de ruimtelijke opgave, gebeurt ook op energiege-

de provincie mee bezig is, werken ze aan drie strategi-

(POV). Een van de belangrijkste aandachtspunten van

genoemd, worden keuzes gemaakt en wordt voorna-

met deze uitdagingen om te gaan. Die richting geven

bied. In de NOVI staat bijvoorbeeld een voorkeursvolg-

orde voor zonne-energie, zie figuur 8, die meegegeven wordt aan de decentrale overheden. De afweging

van de ruimteclaims en de verdere indeling van de

Om focus aan te brengen binnen alle activiteiten waar sche lijnen die helpen om de energietransitie in Noord Brabant te realiseren:

10. Mobiliseren van de samenleving: door mee te

bewegen met de dynamiek die er al is en indien dat niet aan de orde is, een verandering te stimuleren

ruimte, vindt plaats op zowel nationaal, regionaal als

lokaal niveau. Voorbeelden daarvan zijn de Regionale

Energie Strategieën (RESsen), het nationaal en provinciaal meerjarenprogramma infrastructuur energie en

klimaat (MIEK en pMIEK), het Ruimtelijk Voorstel en een provinciale Kadernota Energietransitie.

11.

door te inspireren en uit te nodigen.

Selectief en slim stimuleren van koplopers: door

koplopers op het gebied van onderzoek en technologieontwikkeling te volgen en hen te stimuleren om op te schalen.

12. Slim integraal combineren: door de samenhang op te zoeken met andere maatschappelijke opgaven en te kijken naar het bredere energiesysteem.

opgenomen in de provinciale omgevingsverordening de provincie Noord Brabant is het zorgdragen voor

goede ruimtelijke kwaliteit en ruimtelijke inrichting. Een van de leidende principes daarvoor is zorgvuldig

ruimtegebruik. Dit betekent dat de provincie ook veel

waarde hecht aan het combineren van opgaven in een

gebied. Op 13 november 2020 is in Provinciale Staten de motie ‘Voorrang voor zon op dak’ aangenomen. Deze

motie ziet toe dat de zonneladder zoals die opgenomen is in de interim omgevingsverordening op een correcte manier wordt toegepast en dat zon-op-dak projecten

voorrang krijgen ten opzichte van grondgebonden zon-

neparken. Gemeenten moeten dan ook de noodzakelijkheid van duurzame opwek op land kunnen aantonen.

44

Binnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk

MIEK en PMIEK

om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor

Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK), gericht op de

van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen het opwekken van duurzame energie als:

a. uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het

opwekken van duurzame energie in bestaand stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelings-

mogelijkheden van windenergie onvoldoende is;

b. de nieuwvestiging past in het onderzoek naar

geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit;

c. de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving;

d. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft;

e. de ontwikkeling op regionaal niveau is

afgestemd met omliggende gemeenten en

de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.

Tabel 2 Provinciale zonneladder (bron: interim

Landelijk is er gewerkt aan een Meerjarenprogramma hoofdinfrastructuur. Op provinciaal is er gewerkt aan

een PMIEK voor het regionale energienetwerk, waarbij

de eerste keer de focus lag op het elektriciteitsnetwerk. Het doel van de (P)MIEK is om te komen tot een priori-

tering van de netuitbreiding, door in beeld te brengen waar het, het hardst knelt. Daarvoor wordt er gekeken naar zowel de opwek als afname van energie. Input daarvoor is aangeleverd door de geplande ontwik-

kelingen in kaart te brengen voor energieopwekking

inclusief alternatieven voor warmte, mobiliteit, wonen en economie. Deze ontwikkelingen worden normaal

gesproken al meegenomen in de investeringsplannen van de netbeheerders die tweejaarlijks worden opge-

steld en een tijdshorizon hebben van 10 jaar. Toch kan deze input een nieuw knelpunt aan het licht brengen,

die nog niet goed in de investeringsplannen van de netbeheerders is meegenomen. Dit kan het geval zijn wanneer plannen wijzigen of wanneer er nieuwe plannen

bijkomen. In die gevallen vraagt dit om prioritering op

PMIEK niveau, met als resultaat dat er gekeken wordt of een netuitbreiding naar voren gehaald kan worden.

omgevingsverordening)

De PMIEK richt zich energie-infrastructuurprojecten met

Daarnaast geldt voor zowel zonneparken als windmo-

Oss staat het volgende project erin dat van belang is:

lens een tijdelijkheid van maximaal 25 jaar. En moeten

een beoogde inbedrijfname in de periode 2028-2035. Voor

windmolens geclusterd worden in een opstelling van

Regio Den

Verkenning

Duurzame Polder in combinatie

Ook streeft de provincie Noord Brabant, conform het

(verkenning)

energie-infrastructuur

en elektrificatie logistiek

minimaal drie windturbines.

Klimaatakkoord, naar 50% lokaal eigendom.

Bosch en Oss

naar benodigde

met groei bedrijventerreinen

Wijchen

NoordoostBrabant

45

Ruimtelijk Voorstel

Regionale Energie Strategie Noordoost Brabant

cies, waterschappen en gemeenten verder invulling wil

voort uit het Klimaatakkoord en hebben als doel om

In 2022 is aangekondigd dat het Rijk samen met provingaan geven aan de ruimtelijke opgaves in Nederland.

Dit wordt het ruimtelijk voorstel genoemd en wordt per provincie opgesteld. Wat daarop volgt zijn ruimtelijke

arrangementen waarin afspraken worden gemaakt hoe het ruimtelijk voorstel naar de praktijk wordt vertaald. De drie thema’s waar het ruimtelijk voorstel uit bestaat zijn:

13. Verstedelijking;

14. Klimaat en Energie; 15. Landelijk gebied

Voor het onderdeel Energie staan er een aantal principes in het Ruimtelijk voorstel van de provincie.

Voorbeelden van principes die ook invloed hebben op gemeente Oss, zijn: •

•

•

De regionale energie strategieën komen rechtstreeks

tezamen minimaal 35 TWh met zonne- en windenergie te realiseren ten behoeve van de sectoren gebouwde

omgeving en elektriciteit. Hoe er verder invulling wordt gegeven aan die 35 TWh wordt in de 30 verschillende RES-regio’s uitgewerkt. Regionaal werken we in

Noordoost Brabant samen met de provincie, gemeenten, netbeheerders en de waterschappen aan ons

deel van de 35 TWh in de Regionale Energie Strategie Noordoost Brabant (RES NOB). In de RES 1.0, die door alle partijen is vastgesteld in 2021 en aan het Rijk is

aangeboden, zijn afspraken gemaakt over de gezamenlijke opgave die we in Noordoost Brabant hebben. De doelstellingen zijn om:

16. 5,8 PJ (1,6 TWh) hernieuwbare elektriciteit op te wekken met zonne-en windenergie in 2030

Om de maatschappelijke kosten en ruimtelijke

17. 11% besparing van elektriciteit en warmte in 2030

om, wanneer dit mogelijk is, vraag en aanbod van

De elektriciteitsopgave voor opwek is vertaald naar

impact te drukken ziet de provincie het als lonend energie zo dicht mogelijk bij elkaar te realiseren. In de warmtetransitie is het uitgangspunt om zoveel mogelijk gebruik te maken van lokale warmtebronnen.

De samenstelling van het energiesysteem moet

vanwege de impact op de ruimte en de relatie met maatschappelijke/ economische ontwikkelingen, meer aan de voorkant worden meegenomen als onderdeel van een integrale afweging.

18. 3 PJ opwekken van duurzame warmte

een individuele gemeentelijke opgave. Oss is verant-

woordelijk voor 18% van de doelstelling, dat wil zeggen 1,008 PJ, waarvan 0,93 PJ resterend bij de vaststelling

van de RES 1.0. De doelstelling van energiebesparing is

voor elke gemeente gelijk en de 3 PJ duurzame warmte is niet verdeeld tussen gemeenten, maar een gezamenlijke doelstelling in de RES 1.0, die is Oss niet is vastgesteld.

46

Bijlage 2 wet- en regelgeving voor woningbouw

47

Wet- en regelgeving voor woningbouw: •

Per 1 juli 2018 is de gaswet veranderd waarin is opgenomen dat alle nieuwbouw waarvoor de bouwvergunning op of na 1 juli 2018 is aangevraagd,

•

geen aardgasaansluiting meer krijgen.

Sinds 1 januari 2021 geldt dat alle nieuwbouw ook moet voldoen aan de eisen voor Bijna

Energieneutrale Gebouwen (BENG).55 In 2050 zal die norm aangescherpt worden naar Energieneutrale

•

gebouwen (ENG).

Daarnaast is er nieuwe standaard ontwikkeld voor woningisolatie. Dat is een advies voor de

mate waarin de woning geïsoleerd kan worden.

Dit advies is gericht op de toekomst, zodat als de

standaard gevolgd wordt de woning goed genoeg •

geïsoleerd is om aardgasvrij te worden.

Vanaf 2026 zal de hybride warmtepomp verplicht worden bij vervanging van de cv-ketel. Er zijn een

aantal uitzonderingen hierop, zoals wanneer de te-

rugverdientijd langer is dan 7 jaar, wanneer woningen binnen 10 jaar op een collectieve wijkoplossing worden aangesloten, en er geldt ook een uitzondering voor monumenten en gestapelde bouw.56

55 https://www.rvo.nl/onderwerpen/wetten-en-regels-gebouwen/beng 56 https://open.overheid.nl/documenten/ronl-3985056c34ed9516b790f7da91895e266e37b245/pdf

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=6a831e03-a9f9-4285-81f7-2bb7e67f1366