CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Gids Corona cultuur en gemeenten deel2.PDF

Adviescommissie Sociaal Bestuurlijk 22 september 2022, gemeente OssBij agendapunt: B Compensatie corona effecten voor cultuur 202227.528 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Corona, cultuur en gemeenten - deel 2

38

1. Inleiding: herstel en transitie

2. Coronasteun aan cultuursector

3. Factoren van lokale culturele ecosystemen

4. Resultaten van het noodsteunbeleid

5. Veranderingen in vraag en aanbod

6. Toenemende digitalisering

in afwachting van betere tijden. Er moeten radicale keuzes worden gemaakt, met grote gevolgen voor het aanbod, de voorzieningen, de personele inzet. De sector steunt ook elkaar om samen in te spelen op veranderingen, bijvoorbeeld ook in de ketens. Producenten krijgen makkelijker toegang tot meer en nieuwe distributiekanalen, terwijl presentatieplatforms de ruimte krijgen om nieuwe aanbieders en makers te tonen. Bestaande aanbieders die niet weten in te spelen op veranderende vraag worden wel vervangen door nieuwe. Maar er is gelegenheid voor spelers om een transitie in gang te zetten naar het nieuwe normaal. Instellingen kunnen dit niet alleen oplossen, en moeten samen met andere spelers waaronder gemeenten naar nieuwe vormen en verhoudingen zoeken.

Link Provincie Utrecht heeft een regeling specifiek gericht op innovatie en experiment

Link het programma Impulsgelden van provincie Noord-Brabant is gericht op duurzame ontwikkeling van culturele ecosystemen

Gemeente Hoop kan worden geput uit collectieve verantwoordelijkheid van de sector en de overheden om toe te werken naar een getransformeerd cultuurbestel, terwijl vooralsnog niemand concrete oplossingen heeft. Gemeenten kunnen niet volstaan met het verstrekken van steun om de bestaande infrastructuur (inclusief huisvesting) en daarmee de gevestigde orde in stand te houden, maar moeten aansturen op het samen ontwikkelen van een nieuw cultureel ecosysteem, ook met nieuwe rollen voor alle overheden. Denken in ketens levert meer op dan in instituties, ook al kan dit ten koste gaan van een deel van de gevestigde orde. We bouwen voort op deze algemene analyse door de ontwikkelingen in enkele deelsectoren per kwadrant nader te benoemen op basis van de voornaamste uitkomsten op de thema’s (vraag- en aanbodontwikkeling, digitalisering, cultureel werkkapitaal/arbeidsmarkt en ruimtelijke ontwikkelingen). Zo laten we zien wat de impact zal zijn op het culturele ecosysteem en in het bijzonder de geselecteerde spelers in de culturele infrastructuur bij het al dan niet investeren of bijspringen door de gemeente. Voor deelsectoren waar we mogelijk grote verschuivingen in vraag en aanbod verwachten, namelijk Podiumkunsten, Amateurkunsten, Cultuureducatie Musea en Bibliotheken werken we in de volgende paragrafen de scenario’s verder uit.

7. Arbeidsmarkt: cultureel werkkapitaal

8. Ruimtelijke ontwikkelingen

In het domein Cultuureducatie zijn er zowel wat betreft het binnenschoolse aanbod als voor de cursussen in de vrije tijd veel ontwikkelingen met een veel langere tijdshorizon dan de coronacrisis. Ook hier vormt de coronacrisis een katalysator met grote impact op het educatieve aanbod en degenen die dit verzorgen. Deze ontwikkelingen kunnen binnen het bestek van deze gids slechts beperkt worden behandeld. We verwijzen voor uitgebreide en meer specifieke informatie naar het LKCA (Landelijk Kennisinstituut voor Cultuureducatie en Amateurkunst).

9. Perspectieven voor herstel en transitie in deelsectoren

10. Naar een wendbare en weerbare sector

11. Tien aanbevelingen

In 2020 was via drie rijkscultuurfondsen

€48,5

miljoen

te cofinancieren coronasteun beschikbaar voor lokale (pop)podia, musea en filmtheaters van landelijke betekenis. Link: het Kickstart Cultuurfonds is een tijdelijk publiek/privaat fonds dat de culturele sector helpt zich aan te passen aan de veranderende omstandigheden

Het past niet binnen het bestek om aan alle deelsectoren evenveel aandacht te besteden. Voor bijvoorbeeld de Filmsector beperken we ons tot het vermoeden dat de vorm van de vraag, en daarmee het aanbod, op termijn niet wezenlijk zal veranderen. De omvang van de vraag hangt natuurlijk wel sterk af van de duur van de maatregelen en de mate waarin er alternatieven bestaan, zoals streamingsdiensten voor het thuis bekijken van films. We memoreren dat de komst van de videorecorder en later de dvd-speler er niet toe hebben geleid dat de bioscopen leeg bleven. In deze sectoren geldt vooral dat het al dan niet succesvol herstel van de culturele infrastructuur na de coronacrisis mede afhankelijk is van het behouden van voldoende overheidssteun.

Corona, cultuur en gemeenten - deel 2

39

Link naar publiekscampagne Mooier dan Ooit

Link: gemeente Alkmaar heeft een makersregeling ontwikkeld waarmee makers kunnen investeren in de eigen ontwikkeling en daarnaast deelnemen aan een begeleidings- en professionaliseringstraject

9.3 Perspectieven in de podiumkunsten Voor de podiumkunsten (theater, dans, klassieke en popmuziek en mengvormen) geldt dat zodra er weer veel geproduceerd en gepresenteerd kan worden, niet alleen de opbrengsten maar ook de kosten toenemen. Grotere theatervoorstellingen en concerten van een bepaald kwaliteitsniveau zijn immers kostbare producties, alleen al vanwege het benodigde vakmanschap van de makers en ondersteuners. Zoals uit de analyse van vraag en aanbod in hoofdstuk 4 bleek, zal het nog een tijd duren voordat de balans tussen de producties die op stapel staan en de komst van publieksstromen hervonden is. Gemeenten kunnen bijdragen aan landelijke publiekscampagnes zoals ‘Mooier dan ooit’ of lokale varianten daarvan om de belangstelling voor culturele activiteiten op de lokale podia aan te jagen. De popsector verkeert in een specifieke positie. Ingeslepen patronen, vanzelfsprekendheden en routines (toeren, festivals, clubs bezoeken) zijn vervallen. Buitenlandse acts reizen weinig tot niet, muzikanten hebben soms al een lange tijd weinig tot geen inkomen meer, technici zijn uitgeweken naar ander werk. Het perspectief voor muzikanten die solo, of samen (in een band, of als begeleiders), het land of de wereld over reisden en hun geld voor het overgrote deel verdienden met optreden in zalen en op festivals is somber.

Sommigen vrezen dat het concept ‘band’ als economische unit door toedoen van corona nog nauwelijks rendabel is. Het beeld is dat de hele rijken, de grote namen, het zullen overleven, evenals de hobbyisten die voor hun broodwinning niet afhankelijk zijn van optredens. Maar het grote middensegment, waaronder vele geliefde Anglo-Amerikaanse indie-acts die de zomerfestivals bevolkten, kan geen kant op. De facto zijn zij – tijdelijk, in isolatie – al “disbanded.” Hier wreekt zich het verdienmodel voor muzikanten, waarbij vrijwel alle inkomsten moeten worden gegenereerd uit optredens. Te verwachten valt dat de podia en festivals in de toekomst nóg meer DJ’s zullen gaan programmeren ten koste van live acts van popbands. Op 25 juni 2020 nam minister Ingrid van Engelshoven 60.000 handtekeningen in ontvangst van mensen die zich ernstig zorgen maakten over Nederlandse muziekindustrie en dan met name het live-aspect ervan (clubs, festivals, concerten, tournees). Liefde voor Muziek heette de petitie, maar zij had

wellicht beter Liefde voor Banen in de Muziek kunnen heten. Volgens OOR zijn er ca. 150.000 mensen werkzaam in de livemuziekindustrie. De verwachting is dat een significant deel hiervan de coronacrisis financieel niet zal overleven. Om de makers en andere zelfstandigen die het cultureel werkkapitaal van de sector vormen toch voldoende van werk en inkomen te voorzien, is overheidssteun zeer welkom. Veel gemeenten en provincies hebben daarom makersregelingen in het leven geroepen, waarmee weer kan worden gecreëerd, geproduceerd en gerepeteerd, ook al is er niet direct zicht op volle zalen en uitpuilende festivalterreinen.

Het onafhankelijke Makersfonds, gestart door Het Huis Utrecht, ondersteunt jonge (mogelijke) makers in hun artistieke én zakelijke ontwikkeling

Schets van gevolgen per scenario in de Podiumkunsten A. Krimp Grotere zalen vertonen vooral standaardwerken, vaak uitgevoerd door rijksgesubsidieerde gezelschappen of door grote producenten en populaire artiesten. Kleinere zalen zijn beperkt open voor cultuur. Veel (jonge) makers komen niet aan bod en haken af.

C. Aanpassing Zalen die in staat zijn om in te spelen op de nieuwe behoeften van bestaand en nieuw publiek, maken kans om een aandeel in de krappe markt te houden. Doordat het meer traditionele aanbod minder aftrek vindt, ontstaat er wat ruimte voor alternatief werk.

B. Herstel Grote en kleine zalen kunnen weer voldoende breed en aantrekkelijk programmeren, ook in festivals. Gezelschappen kunnen allerlei soorten producties maken. Er is ruimte voor (jonge) makers en talen ten om mee te doen in het gevestige repertoire.

D. Vernieuwing Creativiteit komt tot zijn recht doordat in en buiten zalen, bij festivals en online een bont palet aan aanbod wordt gerealiseerd. De gevestige orde en nieuwe (jonge) makers krijgen ruimte en aandacht om te experimenteren met bestaand en nieuw werk.

Corona, cultuur en gemeenten - deel 2

40

1. Inleiding: herstel en transitie

Link: Provincie Noord-Brabant heeft een matchingregeling waarmee zij het budget lokale makersregelingen van gemeenten vergroot

Link naar eerste informatiegids met voorbeelden van ondersteuning aan amateurkunsten tijdens de coronacrisis

Link: Het LKCA biedt steun aan koepels in de amateurkunsten bij herstelplannen

2. Coronasteun aan cultuursector

3. Factoren van lokale culturele ecosystemen

4. Resultaten van het noodsteunbeleid

5. Veranderingen in vraag en aanbod

6. Toenemende digitalisering

Voor de podiumkunsten is digitalisering zeer actueel, zoals ook bleek uit de analyse in hoofdstuk 5. De digitalisering is met name van belang voor het bereiken van bestaande maar ook nieuwe doelgroepen, voor wie er diverse soorten drempels zijn om de gang naar de theaters en concertzalen te maken. Daarmee zijn er kansen om het publieksbereik te vergroten. We moeten ook constateren dat de verdienmodellen voor digitale distributie in de podiumkunsten, anders dan bijvoorbeeld in de film- en mediawereld, nog niet voldoende renderen. Om een impuls te geven aan digitalisering zijn overheidsmiddelen zeer welkom. Hierin kunnen gemeenten optrekken met andere overheden en met name ook de rijkscultuurfondsen zoals het Fonds Podiumkunsten en het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie.

9.4 Perspectieven in de amateurkunsten Zoals we al in hoofdstuk 3 beschreven, zijn de problemen die de coronacrisis veroorzaakt voor de amateurkunsten niet per se financieel van aard. Als er geldproblemen bij verenigingen zijn, dan waren die er vaak al eerder en zijn deze uitvergroot. Het is een sector waar relatief weinig overheidsgeld in omgaat, al zijn er natuurlijk wel professionals in actief als dirigent, bandleider of docent. Voor deze professionals heeft de coronacrisis wel impact en zij zullen ervaren dat het weer oppakken van hun activiteiten in dit werkveld nog lange tijd onzeker is. Het grote probleem in deze deelsector is de mate waarin verenigingen en informele groepen hun activiteiten weer op kunnen pakken, als gevolg van de impact en risico’s van corona voor een groot deel van de leden. Voor veel amateurkunstverenigingen zoals koren bestaat een groot deel van de leden uit senioren, en dat geldt ook voor het publiek dat de concerten en uitvoeringen bezoekt en voor de vrijwilligers die de besturen bemensen. Wij verwachten dat de amateurkunsten die individueel worden beoefend, zoals de beeldende kunsten, weinig gevolgen van de coronacrisis zullen overhouden, maar dat de kunsten die vooral in groepsverband worden beleefd, zoals theater, dans en muziek, nog lang in onzekerheid zullen verkeren en te maken zullen krijgen met krimp.

Die krimp betreft dan vooral de hoeveelheid activiteiten, leden en vrijwillige bestuursleden. Het betreft minder thema’s als digitalisering, cultureel werkkapitaal en ruimtelijke ontwikkeling.

7. Arbeidsmarkt: cultureel werkkapitaal

8. Ruimtelijke ontwikkelingen

9. Perspectieven voor herstel en transitie in deelsectoren

10. Naar een wendbare en weerbare sector

Gemeenten hebben vaak beperkte subsidierelaties met het amateurveld. Er zijn wel instandhoudings- en uitvoeringssubsidies, die relatief kleine maar toch betekenisvolle bedragen per vereniging betreffen. Een aantal gemeenten is in coronatijd actief op zoek gegaan naar behoeften en noden in de amateurkunsten, en heeft regelingen opgetuigd of aanvullende eenmalige bedragen beschikbaar gesteld om hieraan tegemoet te komen. Veel gemeenten merken echter ook dat een groot deel van de amateurkunsten zich onder de radar van de gemeente afspeelt. Juist een crisis als deze biedt ook kansen om deze banden aan te halen en een impuls te geven aan dit belangrijke domein waar het gaat om creativiteit en maatschappelijke participatie van inwoners.

11. Tien aanbevelingen

Link: Onder meer de gemeenten Amersfoort en Tilburg hebben een coronasubsidieregeling opgetuigd specifiek voor amateurkunstverenigingen. Link Amersfoort Link Tilburg

Schets van gevolgen per scenario in de Amateurkunsten A. Krimp

B. Herstel

Verenigingen die hun ledental niet meer op peil weten te brengen of geen bestuursleden meer kunnen vinden, zullen hun activiteiten staken. Verenigingen en initiatieven die voldoende in beeld komen voor werving van nieuwe leden en vrijwilligers blijven over.

Het verenigingsleven weet de draad weer op te pakken en vindt manieren om, bijvoorbeeld samen met de gemeente en de muziekschool of het centrum voor de kunsten de ledentallen weer op peil te brengen.Gemeenten nemen drempels hier voor weg.

C. Aanpassing Het traditionele verenigingsleven kalft af. Er ontstaan wel wat nieuwe initiatieven, die worstelen met hun betekenis en zichtbaarheid, en ook kans lopen om snel te sneuvelen als er weinig animo en aanloop is.

D. Vernieuwing Naast of zelfs vanuit het traditionele vereni gingsleven ontstaan er nieuwe initiatieven en vormen om samen amateurkunsten op te pakken, zowel live als online. Dankzij gemeentelijke impulsen ervaren spelers ruimte voor experimenten.

Corona, cultuur en gemeenten - deel 2

41

9.5 Perspectieven voor cultuureducatie Het domein cultuureducatie, dat veel culturele disciplines omvat, is al decennialang in transitie. Op de langere termijn zijn er diverse ontwikkelingen die grote invloed hebben op vorm, inhoud en omvang van cultuureducatie. Positief is het groeiende bewustzijn van de waarde van creatieve vaardigheden en de betekenis van cultuureducatie voor sociaal-emotionele en persoonlijke ontwikkeling. Wisselend zijn de ervaringen met binnenschoolse cultuureducatie: naast veel goede voorbeelden uit het primair en voortgezet onderwijs zijn er ook veel voorbeelden van scholen waar vrijwel niets aan cultuur wordt gedaan, alle inspanningen van onder meer Cultuureducatie met Kwaliteit en Meer Muziek in de Klas ten spijt. Het helpt niet mee dat voor het voortgezet onderwijs en al zeker voor het mbo cultuur nauwelijks tot geen onderdeel uitmaakt van het curriculum. Ronduit negatief pakken de gemeentelijke bezuinigingen op buitenschoolse cultuureducatie uit, waardoor veel muziekscholen zijn verdwenen en centra voor de kunsten zijn gekrompen. Deze bezuinigingen hebben de werkenden, en zeker de zzp’ers in de cultuureducatie zwaar geraakt. De coronacrisis is bij hen extra hard aangekomen en deze heeft nog meer afbreuk gedaan aan hun toch al kwetsbare inkomenspositie.

Cultuurconnectie benoemt ten behoeve van deze gids dat de afnemende infrastructuur voor cultuureducatie niet alleen directe effecten heeft, zoals minder lessen en cursussen, maar ook nadelige indirecte effecten op tal van andere terreinen, zoals op amateurkunst (zie ook de vorige paragraaf). Veel van de educatie vindt tijdens en binnen het actieve deelnemen aan cultuurbeoefening plaats (zoals in muziekverenigingen, koren, toneelclubs et cetera). Met het wegvallen van een infrastructuur verdwijnen ook de positieve effecten op tal van andere terreinen en domeinen (zoals in het economische, maatschappelijke of zorgdomein). Hier wreekt zich het ontbreken van (wettelijke) kaders waarin de taken en verantwoordelijkheden per overheidslaag zijn vastgesteld voor het realiseren en borgen van cultuureducatie.

Positief is het groeiende bewustzijn van de waarde van creatieve vaardigheden en de betekenis van cultuureducatie voor sociaal-emotionele en persoonlijke ontwikkeling.

Om in het kader van perspectief na de coronacrisis iets over cultuureducatie te zeggen, richten we ons op twee dimensies. In de eerste plaats maken we onderscheid naar buitenschoolse en binnenschoolse cultuureducatie. Hier is al lange tijd een ontwikkeling gaande. De druk op het buitenschoolse aanbod waardoor kwaliteit, variëteit en toegankelijkheid afnemen, wordt in praktijk maar beperkt gecompenseerd met aanbod binnen het regulier onderwijs. In de tweede plaats benutten we hier de piramide van het cultureel curriculum. Het hier gebruikte, gesimplificeerde model kent drie lagen die idealiter op elkaar aansluiten:

Voor meer informatie over ontwikkelingen in cultuurparticipatie, in het bijzonder over de waarde van de muziekschool en randvoorwaarden, zie het artikel over onderzoek van Berenschot in deze publicatie:

1 Kennismaking – kinderen maken kennis met de verschillende disciplines in kunst en cultuur. Een tot enkele keren per jaar gaan kinderen op bezoek bij een museum of een theater, soms vindt een culturele activiteit op school plaats. Dit gebeurt heel breed, vaak op minstens 90% van de basisscholen, maar is extensief. 2 Verdieping – kinderen en jongeren gaan zelf meer doen met kunst en cultuur en worden hierin begeleid door professionele kunstdocenten. Dit gebeurt deels in schoolverband, deels vrijwillig naschools of in de vrije tijd. Activiteiten zoals lessen, cursussen en workshops vinden een tot enkele keren per maand plaats. 3 Talentontwikkeling – getalenteerde kinderen en jongeren worden begeleid in hun streven naar vakmanschap, met veel aandacht voor individuele kwaliteiten en leerbehoeften. Hieronder valt voorbereiding op het kunstvakonderwijs (conservatorium, toneelschool, kunstacademie en dergelijke)

Corona, cultuur en gemeenten - deel 2

42

1. Inleiding: herstel en transitie

2. Coronasteun aan cultuursector

3. Factoren van lokale culturele ecosystemen

4. Resultaten van het noodsteunbeleid

5. Veranderingen in vraag en aanbod

6. Toenemende digitalisering

of naar het podium. Activiteiten vinden een tot enkele keren per week plaats, bijvoorbeeld een combinatie van individuele lessen en werken in groepsverband. Ten tijde van de coronacrisis lijkt in cultuureducatie een nieuwe ‘hybride werkelijkheid’ te zijn ontstaan. De bestaande cultuureducatie is tijdens de coronacrisis grotendeels aangepast. Buitenschools hebben veel fysieke lessen plaatsgemaakt voor online aanbod (docenten die met filmpjes laten zien hoe een instrument moet worden bespeeld en die via Teams met de leerlingen communiceerden). Spelers verwachten dat de nieuwe, hybride werkelijkheid niet meer zal verdwijnen. Het regulier onderwijs ondervindt ook zeker voordelen van de online mogelijkheden; zo blijken zeker de meer (muziek)theoretische lessen zich goed te lenen voor online onderwijs. Wel is een nuancering op zijn plaats. In de effecten van de crisis op de binnenschoolse cultuureducatie is een tweedeling te zien. In het basisonderwijs is gedurende de crisis relatief veel online aanbod benut. Veel scholen hebben goed van het aanbod geprofiteerd, ook om afwisseling te realiseren tussen de cognitieve vakken. Digitale uitjes naar culturele instellingen in Amsterdam of zelfs in het buitenland (MoMa in New York) bleken ineens ook vanuit de provincies mogelijk. Hiermee werd niet alleen de culturele kennis vergroot, maar soms ook de kennis van bijvoorbeeld het Engels.

Voor de uitvoerende kwaliteiten op het gebied van cultuureducatie zelf waren er wel grote nadelen, door de beperkingen voor het gebruik van materialen of instrumentarium, de beschikbare ruimte en de mogelijkheid voor directe fysieke interactie. Veel kunstvakdocenten hebben geleerd online te werken met het thuis aanwezige aanbod aan materialen en ruimte maar hebben nu wel een achterstand in te halen waar het gaat om samenwerken en -uitvoeren en werken met andere materialen en gereedschap dan thuis. Het kunstonderwijs op de scholen voor voortgezet onderwijs lijkt ook zwaar onder de lockdown te hebben geleden. De beperkingen aan fysieke interacties maken actieve cultuureducatie veel lastiger, bijvoorbeeld om samen te repeteren of voorstellingen en exposities te bezoeken.

7. Arbeidsmarkt: cultureel werkkapitaal

8. Ruimtelijke ontwikkelingen

9. Perspectieven voor herstel en transitie in deelsectoren

10. Naar een wendbare en weerbare sector

11. Tien aanbevelingen

Schets van gevolgen per scenario voor Cultuureducatie A. Krimp

B. Herstel

Als publieke middelen voor cultuureducatie blijven afnemen, nemen de toegankelijkheid, diversiteit en spreiding van het aanbod steeds verder af. Na de kennismaking zijn er steeds minder mogelijkheden voor verdieping. Alleen populaire kunstvormen zoals bepaalde instrumenten, en dansstijlen kunnen nog op belangstelling rekenen, maar alleen meer draagkrachtigen kunnen zich lessen veroorloven.

Met behulp van steun en aandacht vanuit overheden voor cultuureducatie binnenschools en doorstroom naar buitenschools, kan de piramide worden hersteld. Intensivering van cultuureducatie, ook voor verdieping, ondersteunt het langetermijnstreven naar bredere toegankelijkheid en meer diversiteit en inclusie in alle kunstdisciplines. Leerorkesten en dergelijke zijn van grote waarde maar ook kostbaar.

C. Aanpassing De vraag kan zich verder ontwikkelen naar steeds kortere en vluchtigere kennismaking met veel nieuws. Aanbieders kunnen, met digitale mogelijkheden, inspelen op de wens van kinderen om wel even wat leuks te proberen maar er verder niet veel voor te hoeven doen. Dit gaat ten koste van verdieping en kwaliteit van het aanbod, dat verder verschraalt. Voor talenten drogen zonder geld de mogelijkheden op.

D. Vernieuwing Er bestaan veel plannen om cultuureducatie op nieuwe manieren invulling te geven, maar het ontwikkelen en breed uitrollen daarvan is duur, zeker waar het verdieping en talentontwikkeling betreft. Met voldoende publieke financiering is er ruimte om te experimenteren met alternatieve vormen om de ambachtelijkheid van de kunsten beter te faciliteren, voor een diverse groep van potentiële talenten.

Corona, cultuur en gemeenten - deel 2

43

Link naar publicatie van LKCA, juli 2021

Mattheuseffect: sociologische vakterm gemunt door Robert Merton en gebaseerd op Mattheüs 25.29: ‘Want wie heeft zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen.’

Er zijn wel aanvullende middelen beschikbaar voor het onderwijs in relatie tot de coronacrisis, de zogenaamde NPO-gelden. Het LKCA heeft de publicatie ‘De rol van cultuureducatie in het Nationaal Programma Onderwijs - een handreiking en inspiratie’ laten ontwikkelen. Hierin wordt een link gelegd met de ‘Schoolscan’ en de ‘Menukaart’. De auteurs pleiten ervoor dat een school bij het bepalen van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerling het oordeel van eventueel aanwezige professionals zoals kunstvakdocenten en culturele uitvoerders inwint. Met het oog op een adequate aansluiting met de bredere doelen en activiteiten van de school is bovendien een verbinding met de medewerkers van het programma Cultuureducatie met Kwaliteit/CMK zinvol.

9.6 Perspectieven voor musea Musea zijn voor het vervullen van hun culturele en maatschappelijke opdracht sterk afhankelijk van het fysiek publieksbereik. Hier wordt ook een meerwaarde gecreëerd die om veel redenen hoog staat aangeschreven. Alleen al de belevingswaarde: het live bekijken van de Mona Lisa live heeft blijkbaar een magische toeristische aantrekkingskracht. Als het om het bestuderen van het schilderij zelf gaat, op detailniveau, zijn er echter veel betere digitale mogelijkheden dan in een haag van andere bezoekers op minstens 3 meter afstand een paar minuten een blik werpen op een doek van 77 bij 53 centimeter. Sluiting van musea, met name in het eerste deel van de coronacrisis, had bijzonder grote gevolgen. In de eerste gids en op eerdere plekken in deze gids hebben we de ontwikkelingen tijdens de coronacrisis belicht. Deze gaan niet alleen over publieksbereik, maar ook over de inzet van personeel en met name vrijwilligers. Musea zaten de jaren voor de coronacrisis enorm in de lift. Er waren al wel structurele verschillen in de prestaties en de potentie tussen grote en kleine musea. Het mattheuseffect is in deze deelsector sterk zichtbaar: de grote musea blijven groeien en de kleine krijgen het steeds moeilijker.

Bijzonder is dat Mirjam Moll, de helaas in 2021 overleden directeur van de Museumvereniging, in december 2020 in het blad Museumpeil aangaf dat corona hier een tegenbeweging in veroorzaakte. Zij stelde: “Als je de grote musea vergelijkt met de kleinere, dan zie je dat de kleinere in het voordeel zijn. Ze beschikken vaak over een trouwe fanbase. Ze zijn veel sterker lokaal

geworteld en dragen door hun vrijwilligerswerk veel meer bij aan de sociale cohesie in hun gemeenten. Ik verwacht dat hierdoor het mattheuseffect zal afvlakken. Dat is dan een geluk bij een ongeluk.” Wij vermoeden desondanks dat kleinere musea veel meer moeite zullen hebben om het vliegwiel weer op gang te brengen dan grotere musea met meer professionele krachten en middelen. Musea zullen flink inzetten op herstel van de vraag. Maar het zal nog lang duren voordat met name de stroom van internationaal toerisme, goed voor veel bezoek aan bekende musea, weer op niveau komt. De onzekerheid door de steeds wisselende maatregelen en de gevolgen daarvan voor de organisatie van bezoek maakt het de musea niet makkelijk (evenals de andere publieksgerichte instellingen). Het bleek begin december 2021, toen musea wel open mochten blijven in de gedeeltelijke (avond)lockdown, toch 40% no show voorkwam bij musea op wel gereserveerde bezoeken. Musea zijn over het algemeen voor (herhaal)bezoek zeer afhankelijk van tentoonstellingen. Het maken van tentoonstellingen (zeker de blockbusters) is een enorme kostenpost voor musea. De kosten voor vervoer/verzekering van bruiklenen en het ontwerpen en produceren van tentoonstellingen zijn de afgelopen jaren sterk gestegen. Voor de coronacrisis was al een discussie ontstaan in de sector over nut, noodzaak en risico’s van de blockbuster-race.

Musea zoeken naar het bieden van aantrekkelijke alternatieven, soms ook juist om museale processen die normaal gesproken minder of zelfs niet zichtbaar zijn voor het publiek. Dit overstijgt de coronacrisis zelf. Neem de live zichtbare en digitaal geregistreerde restauratie van de Nachtwacht op zijn vaste plek in de Eregalerij van het Rijksmuseum, of het depot van museum Boijmans van Beuningen dat opengesteld is, terwijl het museum zelf jarenlang gesloten is. Onze ervaring is dat ook met educatieve programma’s een veel groter bereik worden gerealiseerd. Dit blijft niet beperkt tot tentoonstellingen, maar gaat juist om programma’s buiten de museummuren die aansluiten op de behoeften van onderwijsinstellingen en mediaorganisaties (kranten, omroepen, etc.).

Corona, cultuur en gemeenten - deel 2

44

1. Inleiding: herstel en transitie

2. Coronasteun aan cultuursector

3. Factoren van lokale culturele ecosystemen

4. Resultaten van het noodsteunbeleid

5. Veranderingen in vraag en aanbod

6. Toenemende digitalisering

7. Arbeidsmarkt: cultureel werkkapitaal

A. Krimp

B. Herstel

Met name de kleinere musea zullen moeite hebben om te blijven voortbestaan als de hoeveelheid vrijwilligers daalt en de publieke financiering afneemt. Het ontbreekt dan aan investeringsruimte voor externe uitingen zoals nieuwe tentoonstellingen en de communicatie daarover, maar ook aan voldoende menskracht – zowel professioneel als in ondersteunende zin. Zwakkere musea verliezen de strijd om de gunst van de bezoeker en marginaliseren, ook bij gebrek aan verdienvermogen. Dit kan niet genoeg worden gecompenseerd met privaat geld.

Bij behoud van structurele subsidies kunnen grote en kleine musea, investeren in het herwinnen van bezoekers. Zolang internationaal bezoek nog achterblijft, kan meer aandacht worden besteed aan het, met bestaande museale activiteiten, stimuleren van herhaalbezoek en het ontwikkelen van nieuwe doelgroepen. Er zijn middelen om de museale ervaring van bezoekers te verbeteren. Musea krijgen kansen om bezoekers te binden via communities en ont moetingsplekken. De groei van vriendenclubs levert met name goodwill en draagvlak op.

Bij veranderende publieksbehoefte en afnemende reguliere vraag, zullen musea zich opnieuw moeten uitvinden. Publiek komt alleen af op zeer bijzondere presentatievormen. De inzet van digitale middelen met meerwaarde voor nieuw, digitaal verwend publiek is zeer kostbaar. Het zal slechts de sterkte spelers lukken om te investeren in interessante alternatieven en daarover voldoende te communiceren om de afnemende belangstelling te kunnen ombuigen. De afhankelijkheid van particuliere giften en private fondsen wordt groter. Fiscale regelgeving helpt mee, maar musea moeten de juiste wegen hierin vaak nog vinden. De kost gaat ver voor de baat uit.

9. Perspectieven voor herstel en transitie in deelsectoren

10. Naar een wendbare en weerbare sector

11. Tien aanbevelingen

9.7 Perspectieven in de bibliotheeksector

Schets van gevolgen per scenario voor Musea

C. Aanpassing

8. Ruimtelijke ontwikkelingen

D. Vernieuwing Voor musea is vernieuwing bij sterk veranderende vraag uitdagend. Het vraagt om ruimte voor experimenten met nieuwe vormen van presentatie en productdifferentiatie. Publiek zal ook vaker buiten de eigen muren moeten worden bereikt en bediend. Dat vraagt aandacht voor communicatie, verdienmodellen en interne organisatie. Er zullen ook nieuwe spelers opstaan die museale alternatieven bieden voor het exposeren van (vaste) collecties. Er komt meer mobiliteit van collecties en conservatoren. Er wordt meer geprogrammeerd buiten de museummuren, op bijzondere plekken (kerken, erfgoed, festivals, vliegvelden, etc.).

Voor vrijwel alle gemeenten, groot en klein, is de bibliotheek een van de belangrijkste culturele voorzieningen voor alle lagen van de bevolking. Bibliotheken zijn in het begin van de coronacrisis gesloten geweest als gevolg van de generieke lockdown, maar sinds de heropening in mei 2020 zijn de bibliotheken, net als de winkels, voor het uitlenen van boeken beschikbaar gebleven. Er zijn allerlei initiatieven genomen om boeken te distribueren naar lezers die niet zelf in de bibliotheek konden zoeken naar leesmateriaal, zoals verrassingspakketten. De coronacrisis heeft geleid tot een sterke stijging van het gebruik van de digitale openbare bibliotheek. In totaal werden er in 2020 5,6 miljoen e-books uitgeleend en 2,6 miljoen luisterboeken uitgeleend, tegen respectievelijk 3,9 miljoen en 1,8 miljoen in 2019. Dit is een stijging van 44%, een succes met financiële gevolgen. De digitale bibliotheek is een rijksverantwoordelijkheid, ook financieel gezien, met een uitvoeringsrol voor de Koninklijke Bibliotheek. Om te voorkomen dat de digitale bibliotheek nee moet verkopen, moet het budget voor de digitale openbare bibliotheek gelijke tred houden met de groei van het aantal online gebruikers. Over de extra middelen zijn de sectorspelers in gesprek met de Minister van OCW en de Tweede Kamer. Het lenen van fysieke boeken is tijdens corona in 2020 zoals gemeld met 29% teruggelopen.

Bibliotheken doen meer dan boeken uitlenen. Als gevolg van de geldende coronamaatregelen is het aantal activiteiten dat in en rond bibliotheken heeft kunnen plaatsvinden wel flink teruggebracht. Op korte termijn ziet het er niet naar uit dat de coronamaatregelen worden

Corona, cultuur en gemeenten - deel 2

45

opgeheven, dus het aantal (publieks)activiteiten blijft vooralsnog beperkt. Bibliotheken blijven improviseren en maken gebruik van gemeentelijke steun hiervoor. Digitalisering speelt ook hierbij een grote rol, niet alleen voor eigen diensten maar juist ook hulp aan gebruikers.

Link naar Bibliotheekconvenant

Link naar Netwerkagenda

Ten aanzien van de duurzame toekomst van de bibliotheeksector is de transitie van uitleenbibliotheek naar maatschappelijke en educatieve bibliotheek relevant. De gevolgen van de coronacrisis voor de gehele samenleving vergroten de potentiële toegevoegde waarde van de bibliotheken voor maatschappelijke ontwikkelingen, zoals het tegengaan van laaggeletterdheid, digi-analfabetisme en tweedeling in de samenleving. Het Rijk maakt de komende jaren € 18 miljoen vrij voor Informatiepunten Digitale Overheid in de openbare bibliotheken om de kloof tussen burgers en overheid te verkleinen. In het Bibliotheekconvenant van overheden en bibliotheeksector en in de daaruit voortvloeiende Netwerkagenda van de sector zelf zijn drie maatschappelijke opgaven en acht stelseluitdagingen benoemd. Al deze opgaven en uitdagingen zijn voor gemeenten relevant. De grootste opdracht voor gemeenten ligt hierbij in het zorgdragen voor robuuste lokale bibliotheekvoorzieningen conform de bepalingen in de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob). De bibliotheken hebben hierin vijf functies: kennis/informatie, ontwikkeling/educatie, bevordering lezen/literatuur, ontmoeting/debat en kennismaking kunst/cultuur. Om de maatschappelijke rol goed te kunnen invullen zijn onmisbare randvoorwaarden dat de bibliotheekvoorziening zowel goed bereikbaar is als toegankelijk voor alle lagen van de bevolking.

De bibliotheekvoorziening moet hiertoe niet alleen op peil blijven, maar er moeten, volgens betrokkenen bij de sector, ook stappen vooruit gezet worden ten behoeve van de toekomstbestendigheid. De bijdragen van gemeenten zijn in vorm (incidenteel, structureel) en omvang (beperkt of ruim) zeer bepalend voor de toekomst van de lokale bibliotheekvoorziening.

9.8 Financieel inzicht: het Iglo-model Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat herstel en vernieuwing sterk afhankelijk zijn van publiek en publieke financiering. Gemeenten hebben in de vorm van geld het belangrijkste instrument ter beschikking voor het stimuleren van herstel en transitie. We laten hier zien wat de gevolgen van bestuurlijke keuzes op het

Schets van gevolgen per scenario in de Bibliotheeksector

A. Krimp

B. Herstel

Door (verder) afnemende structurele subsidies daalt het aantal professionals dat in de sector werkzaam is, waarschijn0 lijk om plaats te maken voor vrijwilligers. Er zullen vestigingen moeten sluiten. Openingstijden worden beperkt. Voor aanvullende maatschappelijke activiteiten en functies is veel minder gelegenheid.

Bij behoud van structurele subsidies kan de bibliotheek invulling blijven geven aan de vijf wettelijke kernfuncties. Vestigingen en servicepunten kunnen open blijven. Het uitlenen van boeken en het bieden van toegang tot informa tie blijven dan de primaire functies, en langzaam komen er meer bij.

C. Aanpassing Bij afnemende structurele subsidies en afnemende behoefte aan het lenen van boeken, moeten bibliotheken zich herbezinnen op hun functies en prioriteiten stellen, in samenspraak met gemeenten. De fysieke infrastructuur en boekencollecties moeten flink inkrimpen, om middelen beschikbaar te maken voor meer maatschappelijke informatiefuncties en diensten voor andere (overheids) opdrachtgevers zoals het Informatiepunt Digitale Overheid (IDO).

D. Vernieuwing Daar waar structurele en incidentele middelen in ruime mate voorhanden zijn, kan de transitie van de lokale bibliotheken stevig worden ingezet. Zo worden vestigingen heringericht en locaties herzien, om beter in te kunnen spelen op de maatschappelijke opgaven, ook gedifferentieerd per wijk of gemeenschap. Er kan beter worden samengewerkt met andere spelers in de cultuursector en in het onderwijs, zonder afhankelijk te zijn, want de bibliotheekvoorziening zelf is robuust.

Corona, cultuur en gemeenten - deel 2

46

1. Inleiding: herstel en transitie

2. Coronasteun aan cultuursector

3. Factoren van lokale culturele ecosystemen

4. Resultaten van het noodsteunbeleid

5. Veranderingen in vraag en aanbod

herstel na de coronacrisis zijn: waar moet in elk geval op worden geïnvesteerd, waar is de druk en de schade te overzien en is minder (aanvullende) steun nodig? Hierbij is niet alleen van belang wat gemeenten willen maar ook waartoe zij verplicht zijn. Zo hebben overheden de zorgplicht voor ‘museale’ collecties die veelal bij verzelfstandigde musea zijn ondergebracht, en dit is deels via de Erfgoedwet geregeld. De Archiefwet en Mediawet leiden tot verplichtingen voor gemeenten. De Wsob regelt de verantwoordelijkheid over openbare bibliotheken, maar verbindt daar geen verplichte bijdragen van gemeenten aan. Ten aanzien van de kunsten zoals podiumkunsten, beeldende kunsten, film en letteren plus bij centra voor de kunsten, muziekscholen en amateurkunst zijn er nauwelijks overheidsverplichtingen, anders dan regels die voortvloeien uit algemene wetten zoals de Horecawet, de Omgevingswet (denk aan geluid) en de Auteurswet. Gemeenten zijn gebaat bij inzicht in de behoeften van (aanvullende) financiering op instellingsniveau. Berenschot heeft het Iglo-model ontwikkeld, waarmee de bedrijfsvoering en de publieke financiering van culturele instellingen kan worden verbonden met drie vormen van bestedingen. Het Iglo-model levert zodoende een goede basis voor een gesprek tussen een gemeente en een instelling over (a) de hoogte en de wijze van financiering en (b) de te leveren prestaties.

Het Iglo-model wordt in diverse gemeenten gebruikt om de subsidies aan de culturele infrastructuur te identificeren en bij te stellen. Voor onder meer schouwburgen en bibliotheken heeft het Iglo-model bijgedragen aan besluitvorming over nieuwe subsidiebijdragen. Tijdens de coronacrisis heeft Berenschot in opdracht van de VSCD (Vereniging van Schouwburg- en Concertzaaldirecties) een brede inventarisatie gedaan van de mogelijke schade door corona voor 140 podia op basis van het Iglo-model.

6. Toenemende digitalisering

7. Arbeidsmarkt: cultureel werkkapitaal

8. Ruimtelijke ontwikkelingen

9. Perspectieven voor herstel en transitie in deelsectoren

10. Naar een wendbare en weerbare sector

11. Tien aanbevelingen

Het Iglo-model draait om het maken van onderscheid van baten (zowel subsidies als eigen inkomsten) en lasten (zowel materieel als personeel) binnen de begroting naar:

B. Subsidiabele culturele en maatschappelijke activiteiten Deels gedekt door eigen inkomsten, deels gesubsidieerd

C. Overige culturele en commerciële activiteiten Geheel gedekt door eigen inkomsten en private financiering, zonder subsidie

A. Voorziening: huisvesting, infrastructuur en beheersorganisatie (In principe) geheel gesubsidieerd op basis van meerjarige vaste lasten

Op elk deel kan apart beleid worden gemaakt (concrete prestatieafspraken). Want: duidelijk is welke subsidiedeel wordt gebruikt voor welke soort lasten. Uit de inmiddels veelvuldige analyses van de bedrijfsvoering van culturele instellingen aan de hand van het Iglo-model blijken veel voorkomende uitkomsten: • Het grootste deel van de subsidie gaat naar deel A, vooral naar huur, die in veel gevallen terugvloeit naar de gemeente • Instellingen met exploitatieproblemen kunnen met subsidie de kosten voor deel A niet gedekt krijgen • Gesprekken tussen gemeenten en culturele instellingen gaan vooral over deel B, waar het bestaansrecht zit • Financiële speelruimte voor culturele instellingen voor maatschappelijke bijdragen in deel B is vaak beperkt • De mate waarin deel C rendeert wisselt zeer sterk per soort instelling: poppodia veel meer dan bibliotheken • Er is zeker verdienpotentieel maar er zijn nauwelijks voorbeelden van alternatieve verdienmodellen

Corona, cultuur en gemeenten - deel 2

47

10. Naar een wendbare en weerbare sector

Link naar coronadossier van Boekmanstichting

We mogen constateren dat de grote aandacht voor het behoud, het herstel en de transitie van de culturele en creatieve sector een positieve bijkomstigheid van de coronacrisis is. De sector heeft zich meer dan ooit weten te verbinden via de Taskforce Culturele en Creatieve Sector, die nauwe contacten houdt met veel betrokken ministeries, de Raad voor Cultuur en gemeenten en provincies, al dan niet via de VNG en het IPO. Ook in de Tweede en in de Eerste Kamer is veel aandacht voor de culturele sector en wordt met moties die meerderheden krijgen aangedrongen op spoedige herstelplannen. Gemeenten laten ook merken dat zij het belang van de culturele infrastructuur zien, zo blijkt onder meer uit de brieven van de G4-wethouders aan de Minister maar zeker ook uit de initiatieven van de VNG voor onder meer de eerste en deze tweede informatiegids. Op dit moment is er bijzonder veel te doen over herstelplannen voor de cultuursector. Voor de actualiteit verwijzen wij naar het coronadossier van de Boekmanstichting en naar de website van Kunsten92 die de beleidsbrieven en persberichten, ook van de Taskforce Culturele en Creatieve Sector bijhoudt.

10.1 Post-corona-adviezen van de Raad voor Cultuur Link naar advies Raad voor Cultuur ‘Sterker uit Corona’, juni 2021

Er wordt, terwijl de crisis nog voortduurt, aandacht gevraagd voor de langere termijn. Al eerder in deze gids is verwezen naar de adviezen van de Raad voor Cultuur voor de culturele sector op landelijke schaal, zoals ‘sterker uit corona’ uit juni 2021, ‘investeer in cultuur voor iedereen’ uit april 2021 en ‘naar een wendbare en weerbare culturele en creatieve sector’ uit september 2020. De Raad voor Cultuur heeft op 4 november 2021 zijn pleidooi voor een

slimme aanpak van herstel en transitie van het cultuurbestel onderbouwd naar aanleiding van de bijgestelde plannen die instellingen uit de landelijke Basisinfrastructuur hebben ingediend. De raad stelt in het begeleidende persbericht: Het is aan de steunmaatregelen te danken dat de culturele sector niet ten onder is gegaan in de coronacrisis. Maar helaas is de pandemie nog niet voorbij. Er is tijd, geld en ruimte nodig om te voorkomen dat de cultuursector alsnog omvalt. De raad wijst erop dat veel BIS-instellingen de crisis hebben aangegrepen om te experimenteren met nieuwe vormen en publieksbereik. Deze vernieuwing mag niet in de kiem gesmoord, nu de steun wordt afgebouwd en het herstelplan nog in de steigers staat. Een slimme aanpak is nu de kunst.

Link naar advies Raad voor Cultuur ‘Investeer in cultuur voor iedereen’, april 2021

Link naar advies Raad voor Cultuur ‘Naar een wendbare en weerbare sector’, september 2020

Ook in de Tweede en in de Eerste Kamer is veel aandacht voor de culturele sector en wordt met moties die meerderheden krijgen aangedrongen op spoedige herstelplannen.

Corona, cultuur en gemeenten - deel 2

48

1. Inleiding: herstel en transitie

Link naar Kunsten92 en Taskforce Culturele en Creatieve Sector

Link naar Kunsten92 ‘New Creative Deal’, juni 2021

2. Coronasteun aan cultuursector

3. Factoren van lokale culturele ecosystemen

4. Resultaten van het noodsteunbeleid

5. Veranderingen in vraag en aanbod

6. Toenemende digitalisering

7. Arbeidsmarkt: cultureel werkkapitaal

8. Ruimtelijke ontwikkelingen

9. Perspectieven voor herstel en transitie in deelsectoren

10. Naar een wendbare en weerbare sector

10.2 Pleidooien van de sector voor transities

10.3 Wendbaar tot op zekere hoogte en zeker niet weerbaar

De Taskforce Culturele en Creatieve Sector doet voor de langere termijn een dringend beroep op de Tweede Kamer om te zorgen dat de randvoorwaarden voor een transitie naar een wendbare en weerbare culturele en creatieve sector worden opgenomen in het regeerakkoord. Die randvoorwaarden zijn volgens de Taskforce naast fair practice, diversiteit & inclusie en good governance: verlenging van de cultuurnotaperiode en een structurele investering van € 500 miljoen extra per jaar in de culturele en creatieve sector.

De Raad voor Cultuur beschreef in september 2020 in het advies ‘Naar een wendbare en weerbare culturele en creatieve sector’ met trots een aantal voorbeelden van de wendbaarheid die de sector tentoonspreidde. De Raad ziet dat organisaties en werkenden in de sector massaal hun creatieve vermogens hebben ingezet om binnen de beperkte mogelijkheden te blijven werken aan een actueel, aansprekend, toegankelijk aanbod voor hun publiek. Minder op het eerste oog zichtbaar, maar niet minder relevant, noemde de Raad de veranderingen in werkwijzen en samenwerkingspartners die veel instellingen doorvoerden, en de Raad gaf daar ook praktische voorbeelden van.

Kunsten92 heeft in juni 2021 de New Creative Deal gepresenteerd aan toenmalig informateur Mariette Hamer en aan de nieuwe cultuurwoordvoerders. Kunsten92 pleit daarin voor een transitie naar een wendbare en weerbare culturele en creatieve sector om deze in staat te stellen duurzaam bij te dragen aan de weg uit de crisis; als bindmiddel, als banenmotor en als bron van verbeeldingskracht, creativiteit en ondernemerschap om de grote maatschappelijke vraagstukken aan te pakken. Of het nu gaat om een nieuwe bestuurscultuur of de groeiende scheidslijnen in de samenleving, cultuur zorgt dat we uitstijgen boven het alledaagse, met een andere blik kunnen kijken en met creatieve oplossingen komen. De drie grote ambities die daarin staan benoemd en die verder zijn uitgewerkt in vijf actielijnen en concrete handvatten zijn: • Iedere Nederlander kan zijn creatieve talenten ontwikkelen en heeft onbelemmerd toegang tot een zo breed mogelijk palet aan cultuurervaringen, zowel fysiek als digitaal. Het beoefenen en beleven van kunst, erfgoed en media is immers een grondrecht. • De culturele en creatieve sector werkt samen met overheden en het bedrijfsleven bij het aanpakken van grote maatschappelijke vraagstukken. Grootschalige en complexe vraagstukken krijgen een multidisciplinaire aanpak, waarin technologische innovatie hand in hand gaat met maatschappelijke impact.

• De culturele en creatieve sector zet samen met de overheid in op een vitale sector. Wendbaar en financieel weerbaarder dan voorheen. Waar fatsoenlijke beloning en veilige arbeidsomstandigheden de norm zijn en culturele en creatieve organisaties en de vele zelfstandigen die in de sector werken de ruimte hebben om doorlopend te innoveren en investeren.

11. Tien aanbevelingen

Inmiddels moeten we constateren dat de rek er wel uit is. Instellingen kunnen het nauwelijks meer opbrengen om flexibel om te gaan met alle wijzigingen die het gevolg zijn van haastig doorgevoerde overheidsmaatregelen. De sector heeft op korte termijn behoefte aan rust en enige stabiliteit, liefst met een zekere financiële basis. Daarbij is duidelijk zichtbaar dat instellingen er veel baat bij hebben om niet alleen te staan bij alle zorgen en ingrepen. Lokale, regionale en landelijke samenwerkingen hebben al veel opgeleverd voor de sector. Een voorbeeld: het Platform Drentse Musea heeft in de crisis veel kennis kunnen leveren en bundelen die vooral de kleinere, lokaal gefinancierde musea hard nodig hadden. Instellingen op alle niveaus hebben veel baat bij praktische en professionele steun, juist ook voor transitieprocessen zoals in deze gids beschreven staan. Deze steun kan worden geleverd door landelijke en vaak ook door provinciale ondersteuningsinstellingen. De weerbaarheid van de sector blijft volgens de Raad voor Cultuur ver te zoeken, met name financieel gezien. Wij voegen hier vanuit de ervaring van Berenschot aan toe dat er geen nieuwe verdienmodellen zijn of worden ontwikkeld die de inkomstenderving ook maar enigszins kunnen compenseren. De Raad pleit ervoor de innovatieve kracht van de sector te bestendigen.

De sector staat samen met het ministerie van OCW én andere ministeries, de rijkscultuurfondsen, de private fondsen en de stedelijke cultuurregio’s (gemeenten én provincies) voor diverse transitieopgaven die alleen kan slagen indien alle partijen samenwerken. Het huidige culturele bestel knelt dusdanig dat alleen gezamenlijk optrekken tot structurele verbetering kan leiden.

Corona, cultuur en gemeenten - deel 2

49

10.4 Adviezen om de positie van makers te versterken We laten in deze gids zien dat, ondanks de enorme diversiteit tussen makers, de positie van makers over het algemeen door de coronacrisis verslechterd is. Gemeenten kunnen helpen om makers beter uit de crisis te laten komen. De Creatieve Coalitie, de verbindende factor tussen 46 belangenbehartigers van circa 50.000 culturele en creatieve makers, besteedt, in nauwe samenspraak met de Kunstenbond, veel aandacht aan de gevolgen van de coronacrisis voor makers. De Creatieve Coalitie heeft met het oog op het verwachte herstelplan van de minister van OCW een brief aan de Tweede Kamer gestuurd. In die brief pleiten de auteurs om bij het inzetten van een Herstelplan vooruit te lopen op gewenste en noodzakelijke middellange en langere termijn transities en deze bij wijze van pilot daartoe in te zetten. Een vergrote focus op opbouw en zeggenschap van kunstenaars kunnen ervaringen opleveren die later verder kunnen worden geïmplementeerd of bijgestuurd. Het beleid en het instrumentarium van overheden zijn nu in hoofdzaak gericht op instellingen, terwijl voor werkenden de nood voor het herstel het grootst is. Het herstelexperiment moet uitgaan van kunstenaars en andere werkenden met een creatief beroep, zo stelt de Creatieve Coalitie.

Link naar Kunstenbond e.a. gericht op jeugd

Link naar Fair Practice Code voor gemeenten

De Kunstenbond geeft in het kader van deze gids gerichte adviezen mee aan gemeenten: • Investeer in de toekomst van de jeugd. Dit blijft een actueel vraagstuk. Zie ook de reportage van het programma Zembla over muziekscholen, en het onderzoek dat in Drenthe en Limburg is uitgevoerd, mede door het LKCA. • Trickle Up/bottom up benadering: zet steun voor cultuur niet alleen in voor culturele instellingen, maar ook voor impulsregelingen direct gericht op lokale makers. Wissel als gemeenten (denk ook aan provinciale samenwerking) onderling ervaringen uit met bestaande makersimpulsregelingen. • Verbind op grond van de Fair Practice Code voorwaarden dat steun doordruppelt in de keten (trickle down). • De beloning voor kunstenaars en cultuurmakers staat vaak niet in verhouding tot het werk dat zij verrichten en de waarde die zij hebben voor de samenleving. Verhoog het cultuurbudget om fair practice beloningen mogelijk te maken, zorg dat prestatie-eisen matchen met middelen. • Ga in gesprek met (vertegenwoordigers) van lokale makers, stimuleer dialoog tussen instellingen, gemeente en makers. De Creatieve Coalitie

kan hierin een rol spelen, evenals de projectorganisatie Fair Practice Code. • Benut de tools en handreikingen van het sectorale arbeidsmarktplatform Platform ACCT, zoals de Rekentool: cao-loon naar zzp-tarief. Hiermee kunnen gemeenten richting geven aan aanvragers en hebben gemeenten ook een maatstaf om aanvragen te beoordelen. • Benut de Webmodule Beoordeling Arbeidsrelatie van de Kamer van Koophandel om plannen te beoordelen op zorgvuldige arbeidsverhoudingen en verwijs aanvragen hier ook op om schijnconstructies te vermijden. De provincie Limburg heeft recent onderzocht op welke wijze zzp’ers kunnen worden ondersteund tijdens en na de coronacrisis, en daarbij ook een vergelijking gemaakt met budgetten, regelingen en fondsen in andere provincies. De Gedeputeerde heeft hierover de Staten per brief geïnformeerd. Besluitvorming hierover wordt op het moment van schrijven van deze gids voorbereid.

10.5 Sturen op impact

Link naar tools en handreikingen voor de arbeidsmarkt cultuur van Platform ACCT

De Creatieve Coalitie, de verbindende factor tussen

46

Link naar webmodule ‘Beoordeling arbeidsrelatie’ van Kamer van Koophandel

belangenbehartigers van circa

50.000

culturele en creatieve makers, besteedt, in nauwe samenspraak met de Kunstenbond, veel aandacht aan de gevolgen van de coronacrisis voor makers.

Al enige tijd wordt door beleidsmakers en in het culturele veld het gesprek gevoerd over de impact van kunst en cultuur. Er is al lange tijd discussie over monitoring in de cultuursector, en er is veel kritiek op het enkel kwantitatief bepalen of instellingen hun prestaties behalen (‘turven’). In de coronacrisis is eens te meer duidelijk

Link naar brief Gedeputeerde provincie Limburg over een bijdrageregeling voor zzp’ers, december 2021

Link naar Jacht op publieke waarde

Corona, cultuur en gemeenten - deel 2

50

1. Inleiding: herstel en transitie

2. Coronasteun aan cultuursector

3. Factoren van lokale culturele ecosystemen

4. Resultaten van het noodsteunbeleid

5. Veranderingen in vraag en aanbod

6. Toenemende digitalisering

7. Arbeidsmarkt: cultureel werkkapitaal

8. Ruimtelijke ontwikkelingen

9. Perspectieven voor herstel en transitie in deelsectoren

10. Naar een wendbare en weerbare sector

geworden dat er veel beleving en betekenis ontbreekt als er geen culturele uitingen zichtbaar zijn voor het publiek en de samenleving. Het expliciteren van impact is bovendien van essentieel belang voor de legitimatie van besteding van publieke middelen. Wij verwijzen hiervoor naar het gedachtegoed van professor Mark Moore over publieke waarde, onder meer uitgewerkt in de recente (papieren) publicatie ‘Jacht op publieke waarde.’

impact. Het onderzoek heeft geleid tot een impactmodel dat zowel door de orkesten, en ook in bredere zin door de cultuursector te gebruiken is, en dat ook subsidiënten en andere stakeholders houvast en helderheid biedt.

In de adviespraktijk van Berenschot blijkt de belangstelling voor sturen op impact voor overheden heel groot, ook bij gemeenten, zowel als het over de culturele sector gaat als voor andere maatschappelijke domeinen. Ook bij de Raad voor Cultuur en het Ministerie van OCW gaat het steeds vaker over de impact. Het ligt zelfs voor de hand dat bij een volgende cultuurnotaperiode impact een belangrijk criterium vormt voor subsidie. De Raad voor Cultuur stelt hierover in het advies van 4 november 2021 aan de Minister:

Het Impactmodel van de orkesten maakt inzichtelijk binnen welke tien domeinen de orkesten hun belangrijkste impact hebben. Dat zijn domeinen als ‘persoonlijke ontplooiing’, de ‘aantrekkelijkheid van een stad’, ‘gezondheid’ en ‘business’. Het model maakt ook duidelijk dat er een belangrijk verschil bestaat tussen de ‘effecten’ van orkesten (tijdelijk en op korte termijn) en de ‘impact’ van orkesten (de veranderingen op langere termijn). Het onderzoek laat zien dat ‘effecten’ relatief eenvoudig door de orkesten zijn te monitoren (en te sturen!), maar dat de langere termijn impact om uitgebreid onderzoek vraagt. Gelukkig zijn dergelijke grote onderzoeken overal in de wereld reeds gedaan, door universiteiten bijvoorbeeld. De orkesten werken nu samen met Blueyard en Berenschot aan het verbinden van de eigen onderzoeken over de zelf meetbare effecten naar bredere impact-onderzoeken, om zodoende impact te tonen en erop te kunnen sturen. Dit onderzoek is nog onderhanden werk, maar de resultaten hiervan zijn binnenkort te verwachten.

Een meer op inhoud dan op aantallen gebaseerde blik kan een beter licht werpen op de artistieke, maatschappelijke en economische functie van instellingen, en daarmee op de vraag in welke mate cultuursubsidies bijdragen aan de doelstellingen van cultuurbeleid. De raad sprak hierbij in eerdere adviezen van subsidiëring en monitoring op basis van ‘impact’; een term die hij de komende periode opnieuw tegen het licht zal houden. Zoals de crisis nog eens heeft onderstreept, is de toegevoegde waarde van culturele instellingen niet eenduidig af te meten aan aantallen speelbeurten en exposities, bezoekcijfers en publieksinkomsten. De Nederlandse orkesten, verenigd in de VvNO, hebben de adviesbureaus Blueyard en Berenschot gevraagd om een model te ontwikkelen dat op een heldere manier uitdrukking geeft aan de betekenissen die orkesten hebben. De orkesten willen hun betekenissen graag scherper kunnen aanwijzen.

Ook willen zij graag beter kunnen sturen op impact: aan welke betekenis wil het betreffende orkest extra aandacht geven en hoe gaat dat dan in zijn werk? In lijn met de aandacht voor de bredere publieke waarde, willen de orkesten toewerken naar een situatie waarin zij zelf en hun subsidieverstrekkers niet louter de focus hebben op hun artistieke kwaliteit en het bereiken van zoveel mogelijk mensen, maar waarbij zij vooral ook oog hebben voor de betekenis die zij voor – liefst zoveel mogelijk - mensen hebben; voor hun

De Nederlandse orkesten willen hun betekenissen graag scherper kunnen aanwijzen. Ook willen zij graag beter kunnen sturen op impact: aan welke betekenis wil het extra aandacht geven en hoe gaat dat dan in zijn werk?

Corona, cultuur en gemeenten - deel 2

11. Tien aanbevelingen

Link naar Orkestenvisie 2030 met een toelichting op het Impactmodel

51

Meer informatie en presentaties over ‘Naar waarde gewogen’

Klik hier voor het dossier Impact op de site van Bibliotheekinzicht.nl

Al eerder heeft de VNG samen met de Boekmanstichting en Kunsten92 drie publicaties laten verschijnen over het door gemeenten in een bredere context vooraf en achteraf beoordelen van culturele activiteiten: ‘Niet tellen, maar wegen’ (Claartje Bunnik, 2012), ‘Effectief cultuurbeleid, Leren van evalueren’ (Quirijn van den Hoogen, 2013) en ‘Naar waarde gewogen’ (Claartje Bunnik, 2016). In die laatste publicatie wordt gepleit voor meer maatwerk en voor minder bureaucratie en juridisering bij de beoordeling van de kwaliteit van culturele instellingen door subsidiërende overheden en publieke cultuurfondsen. Er wordt bovendien voorgesteld om de waarde van cultuur voor de samenleving in beleid en bekostiging centraal te stellen. Het nieuwe beoordelingsmodel dat daaruit volgt, het ‘Culturele Waardemodel’, gaat uit van een meerdimensionaal kwaliteitsbegrip. Hierin spelen naast de artistiek-inhoudelijke waarde ook de maatschappelijke positie van de instelling, vertrouwen en reputatie een rol. Aan de hand van praktijkvoorbeelden en bouwstenen laat het boek zien welke veranderingen in de werkwijzen en rolverdeling tussen overheden, publieke fondsen en hun adviseurs enerzijds en culturele instellingen met hun toezichthouders, stakeholders, partners en publiek anderzijds daarvoor nodig zijn.

Genoemde publicaties zijn niet digitaal beschikbaar, maar in fysieke vorm te lenen of te bestellen bij de Boekmanstichting. Op de site Bibliotheekinzicht.nl is een dossier beschikbaar met daarin veel informatie over impactonderzoek, vooral in relatie tot de rol van bibliotheken. Op tal van andere plekken binnen en buiten de cultuursector wordt onderzoek verricht naar sturing op impact door overheden, publieke cultuurfondsen zoals het Fonds Podiumkunsten en het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie en private fondsen, zoals het VSBfonds. Juist in deze spannende tijd, waarin de output en het directe publieksbereik van de culturele en creatieve sector zo zwaar op de proef worden gesteld door de coronamaatregelen, kan een ruimere blik op de betekenis van de culturele en creatieve sector voor de samenleving een welkom perspectief en een basis voor een duurzame toekomst bieden.

Corona, cultuur en gemeenten - deel 2

52

1. Inleiding: herstel en transitie

2. Coronasteun aan cultuursector

3. Factoren van lokale culturele ecosystemen

4. Resultaten van het noodsteunbeleid

5. Veranderingen in vraag en aanbod

6. Toenemende digitalisering

7. Arbeidsmarkt: cultureel werkkapitaal

8. Ruimtelijke ontwikkelingen

9. Perspectieven voor herstel en transitie in deelsectoren

10. Naar een wendbare en weerbare sector

11. Tien aanbevelingen

11. Tien aanbevelingen

Wij destilleren uit deze Gids ten slotte tien aanbevelingen voor gemeenten om op korte termijn werk te maken van herstel en transitie van het lokale culturele ecosysteem. De problematiek is urgent en voortzetting van steun is onmisbaar. De gemeenteraadsverkiezingen en daaropvolgende periode van coalitievorming bieden ook een kans om werk te maken van specifieke onderwerpen voor de toekomst van het culturele ecosysteem. Deze aanbevelingen bieden daarvoor een handreiking. 1. Inventariseer de lokale knelpunten Het oude normaal komt niet zomaar terug: de gemeenten zien zich op cultureel gebied voor diverse opgaven gesteld. Dit varieert met de problematiek per deelsector. Een adequate verkenning van de belangrijkste knelpunten in het lokale culturele ecosysteem leidt tot een prioriteitenlijst, ook voor verdeling van steun. Een werkgroep met vertegenwoordigers van culturele instellingen kan als lokale taskforce bijdragen aan een brede verkenning en draagvlak. Zie 3.1 2. Zet steun toekomstgericht in Met coronasteun kunnen de lokale culturele ecosystemen niet alleen (deels) worden hersteld, maar ook toekomstbestendig worden gemaakt door gerichte steun aan transities en innova-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=2b60d169-8e37-46b9-963e-51be10b5c443