Eindrapport Verkenning Duurzame Polder.PDF
Tekst van het document
De verwachting is dat zonnevelden (wanneer het plaatselijke beleid deze toestaan) vanwege de kortere proceduretijd eerder aanspraak kunnen maken op de beschikbare netcapaciteit. Voor andere initiatieven is waarschijnlijk een extra infrastructuur nodig om ze aan te sluiten op het elektriciteitsnet. Daarmee kan hun businessmodel onder druk komen te staan.
Dat betekent dat de huidige capaciteit van het hoogspanningsnet en initiatieven die snel zijn te realiseren, sturend en kader stellend worden voor de toekomstige inrichting van de Duurzame Polder. Hoeveel energie in het autonome perspectief kan, is afhankelijk van de initiatieven die zich aandienen en vergund worden. Zo zijn er nu al twee windinitiatieven voor in totaal 46 tot 56 windmolens en zijn er ook nog zoninitiatieven. Naarmate initiatieven in de Duurzame Polder in aantal en omvang toenemen, ontstaat steeds meer ruimtelijke samenhang tussen initiatieven en (mogelijke) opstapeling van milieueffecten. Initiatieven zijn dan steeds moeilijker in te passen in de huidige inrichting van het gebied. Ecologische compensaties zullen per initiatief (en daarmee versnipperd) plaatsvinden. Dat leidt tot een minder efficiënt ruimtegebruik en daarmee tot een minder duurzame energieopwekking in de polder.
In de participatie met omwonenden en belanghebbenden levert elk initiatief een nieuw traject op, waarbij op de schaal van het initiatief gekeken moet worden naar een belangenafweging. Het kan een interessante mix van resultaten opleveren, maar uiteindelijk is de vraag in hoeverre dit bijdraagt aan de polder als geheel.
4.3 Maximale energieopwekking
Bij het verkennen van het perspectief van maximale energieopwekking is gekeken naar wat in theorie maximaal opgewekt zou kunnen worden met windmolens of zonnevelden, binnen de wettelijke kaders. In dit perspectief is ervan uitgegaan dat de bestaande structuren en wettelijk bepaalde vrijwaringsafstanden (zie paragraaf 3.6) niet of slechts beperkt veranderen. Bestaande structuren zijn bijvoorbeeld: - verkavelingsstructuren; - verspreid staande woningen; - watergangen en constructies, zoals de Hertogswetering, duikers en stuwen; - bestemde natuurgebieden en eendenkooien; - ondergrondse en bovengrondse infrastructuur zoals aardgasleiding, hoogspanningstracé en wegen. Bij dit perspectief is ervan uitgegaan dat grootschalige opwekking van duurzame energie de dragende functie is in de polder. Geleidelijk zullen alle andere functies dus omschakelen naar de opwek van duurzame energie en zullen andere zaken ondergeschikt zijn aan deze doelstelling. Voor een efficiënte plaatsing van windenergie, wordt een blauwdruk gemaakt die ervoor zorgt dat hieraan wordt vastgehouden. Dit perspectief is vooral een vergelijkingsbasis om uit te zoeken waar de grenzen aan de opwekking van duurzame energie in de polder liggen.
Pagina 23 van 45
Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020
Het ruimtelijk beeld van de polder zal veranderen, zonder dat over een samenhangend beeld van de polder is nagedacht. Individuele initiatieven zullen individuele oplossingen vragen, waardoor het beeld van de polder rommeliger kan worden. Het aanpassen van bestaande structuren (zoals wegen, kavels en watergangen) is lastig per initiatief te regelen, waardoor het moeilijker is om tot efficiënte en multifunctionele oplossingen te komen.
Dit omdat de kwaliteit van de polder ligt in diverse grootschalige structuren. Ook andere uitdagingen op het gebied van bijvoorbeeld ecologie, landbouw en recreatie zijn slechts gedeeltelijk aan te pakken en ondergeschikt aan een energieinitiatief, tenzij daar zelf plannen voor worden ingediend.
Om te bepalen waar de windmolens kunnen worden geplaatst, wordt gebruik gemaakt van een aantal vuistregel- en vrijwaringsafstanden van windmolens tot gevoelige objecten (zie paragrafen 3.2 en 3.6). De mate waarin molenaarswoningen (zie blok in hoofdstuk 3) worden toegestaan, is bepalend voor het aantal windmolens dat kan worden geplaatst. Opwekking met windmolens Wanneer geen beperkingen worden opgelegd aan het aantal molenaarswoningen (wat juridisch niet houdbaar is) en de afstanden van windmolens tot bebouwde kernen worden beperkt tot het wettelijk minimum, kunnen in theorie iets meer dan 100 windmolens worden geplaats. Daarmee kan ca. 4.300 TJ energie per jaar worden opgewekt. In figuur 4.1 is aangegeven in welke gebieden in het maximale perspectief geen windmolens kunnen komen. In deze berekening is uitgegaan van een windmolen met een tiphoogte tot 200 tot 250 meter en een opwek van 43 TJ per windmolen per jaar.
Figuur 4.1. Perspectief ‘maximale energieopwekking’ waarbij de groene en roze gebieden binnen de contouren (stippellijn) van het verkenningsgebied worden gevrijwaard van windmolens.
Pagina 24 van 45
In de berekening van het aantal molens is nog geen rekening gehouden met extra beperkingen vanuit het laagvlieg- en radargebied van Defensie, verbetering van de habitat van beschermde weidevogels, de ruimte die nodig is voor de bouw van een nieuw elektriciteitsstation in het gebied en hinder van geluid en slagschaduw. Dat dient in een eventueel vervolg op deze verkenning nader te worden onderzocht. Opwekking met zonnepanelen Wanneer alle landbouwpercelen zouden worden voorzien van zonnepanelen, is het mogelijk om ca. 12.750 TJ per jaar op te wekken. Dat zou wel betekenen dat de gehele Duurzame Polder, ongeveer 4.200 hectare, wordt bedekt met zonnepanelen (zie figuur 4.2). Theoretisch maximum Zodoende wordt het theoretisch maximum berekend op ca. 17.050 TJ per jaar.
Figuur 4.2 Perspectief ‘maximale energieopwekking’ waarbij de groene (landbouw)gebieden worden voorzien van zonnevelden.
Consequentie van dit perspectief is dat het ruimtelijke beeld van de polder totaal verandert. De polder die nu groen oogt zal veranderen in een woud van windmolens, die op de meest efficiënte manier binnen bestaande structuren geplaatst zijn. Daarnaast zal het groene grasland veranderen in een aaneenschakeling van zonnevelden. Bij de inpassing van de zonnevelden zal op bepaalde plekken wellicht enige nuance komen, maar de weidse uitzichten zullen gedomineerd worden door glinsterende panelen. Daarnaast zullen in het gebied meerdere stations voor aansluiting op het elektriciteitsnet gerealiseerd moeten worden. In deze energiepolder zal de efficiëntie van de opwek dominant zijn en zal minimaal ruimte zijn voor andere functies.
4.4 Integrale gebiedsontwikkeling
Bij het perspectief van integrale gebiedsontwikkeling is de opwekking van duurzame energie de aanjager tot en drager van een grote gebiedsontwikkeling. In dit perspectief staat de opwekking van duurzame energie naast de andere opgaven, zoals de landbouw, wateropgave, recreatie en biodiversiteit. Opgaven en thema’s worden in samenhang (ruimtelijk en in tijd) ontwikkeld tot een integraal gebiedsperspectief.
Het integrale perspectief dient een lange termijn doel. Dat betekent overigens niet dat er een blauwdrukplan voor de polder nodig is. Er kan adaptief ontwikkeld worden. De grote doelen en ruimtelijke systemen in de polder bepalen hoe dat per zone of initiatief kan. Integrale gebiedsontwikkeling vraagt om regie door de overheid. Maar ook om een gedegen planvoorbereiding waarbij belangen en initiatieven zorgvuldig gewogen worden met de lange termijn in gedachten. Dit kan in de vorm van een programma voor de polder, waarin de hoofdlijnen en/of randvoorwaarden beschreven zijn, maar waarin de uitwerking en details in veel gevallen nog open zijn. In een dergelijk programma wordt een belangenafweging gemaakt op structuurniveau. Op lager schaalniveau kan de afweging later gemaakt worden, waardoor niet alles in het programma wordt vastgelegd.
Pagina 25 van 45
Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020
De landbouw zal geleidelijk opgegeven worden ten faveure van de opwek van duurzame energie. Daarmee zal ook het ecologisch perspectief veranderen en is het feitelijk geen weidevogelgebied meer. Participatie zal slechts in de marge andere oplossingen opleveren, aangezien de opwekking van duurzame energie de centrale doelstelling is geworden. Gevolg hiervan is dat de betekenis van de polder gestoeld zal zijn op deze monofunctionele invulling, waardoor de toekomst van de polder hier vrijwel geheel van afhankelijk is.
Integrale gebiedsontwikkeling vraagt om een stip op de horizon voor de polder. Hierdoor kunnen op de schaal van de polder richtingen bepaald worden. Dit houdt in dat de ruimtelijke systemen in de polder op veel vlakken versterkt kunnen worden en er een eenduidig toekomstperspectief is voor de hele polder. De verschillende gebiedsopgaven kunnen integraal landen in de polder en elkaar zoveel mogelijk versterken. Efficiënt en gecombineerd gebruik van de ruimte is nodig, aangezien het ruimtebeslag van de verschillende opgaven groter is dan de omvang van het gebied. De energieopgave kan de motor zijn achter de integrale gebieds-ontwikkeling, op voorwaarde dat de energieopwekking voldoende groot is.
Dit perspectief is goed voor een efficiënte opwekking van duurzame energie. Dat komt doordat op voorhand op de schaal van de polder een afweging gemaakt wordt tussen verschillende initiatieven. Het eindbeeld kan door onderzoeken naar geluid, gezondheid, etc. gestaafd worden. Ook kan de aansluiting op het net door nieuwe stations vooraf worden meegenomen in de planvorming. Dit levert duidelijkheid op voor initiatiefnemers. Ook kan al in een vroegtijdig stadium tijdens een participatieproces met alle stakeholders (inclusief bewoners) besproken worden wat de meest wenselijke oplossing is.
De integrale gebiedsbenadering zorgt ervoor dat er naast de ruimtelijke impact die de energieopwekking heeft op het landschap, ook een meerwaarde kan zijn voor andere functies en voor de beleving van het landschap. In een uiteindelijk plan dient de balans gevonden te worden tussen de verschillende functies en thema’s, omdat de ruimte te beperkt kan zijn om aan alle gewenste ruimtevragen te voldoen. Doordat het plan in een open planproces samen met de omgeving uitgewerkt wordt, zal het draagvlak groter kunnen zijn. Wel zal het planproces een behoorlijke tijd vergen (ca. 2 jaren) om tot een goede afstemming te komen.
Initiatieven kunnen binnen het eindbeeld gerealiseerd worden. Dit maakt ook fasering van de opwekking van duurzame energie mogelijk, afgestemd op de behoefte op een bepaald moment. Zo kan bijvoorbeeld aansluiting worden gezocht met de RES-opgave voor 2030. Deze opgave kan binnen het eindbeeld gerealiseerd worden. Daarbij kan ook rekening worden gehouden met een ‘noregret’-plaatsing van zonnepanelen en windmolens. Dat betekent, dat als er na 2030 een aanvullende wens tot energie opwekking bestaat, dit ook mogelijk is.
4.5 Kantelpunten in de opwekking van energie en de ontwikkeling van de polder
Net als bij de andere perspectieven, zal het ruimtelijk beeld van de polder door de grootschalige opwekking van energie sterk veranderen. De verschillende initiatieven dragen bij aan een integrale gebiedsontwikkeling van de polder. Dat heeft niet alleen een effect op het ruimtelijk beeld, maar ook op de verschillende functies in de polder. Bestaande structuren kunnen in dit perspectief veranderen. Ook andere ontwikkelingen, zoals een toekomstbestendige landbouw, klimaatadaptatie, de wateropgave in de polder en de opgave voor biodiversiteit en natuur vragen wellicht om een andere invulling. Pagina 26 van 45
Op basis van de in de voorgaande paragrafen beschreven perspectieven, worden drie ambitieniveaus voor duurzame energieopwekking in de Duurzame Polder herkend. Deze niveaus bepalen hoe ambities mogelijk zijn te realiseren:
a) Een lagere ambitie voor de opwekking van duurzame energie kan autonoom worden gerealiseerd. Dat betekent onder meer dat: - bestaande structuren zoals verkavelingsstructuur, bebouwing, watergangen, natuurgebieden, eendenkooien en onder- en bovengrondse infrastructuur grotendeels gehandhaafd kunnen blijven; - bevoegde gezagen voor deze initiatieven onderling afstemmen over de ruimtelijke samenhang, de samenhang in milieugevolgen en het te hanteren beleidskader voor de toetsing van initiatieven.
b) Een hogere ambitie voor de duurzame opwekking van energie kan alleen via een integrale gebiedsontwikkeling worden gerealiseerd. Dat betekent onder meer dat: - bestaande structuren moeten worden aangepast om initiatieven ruimtelijk in te passen en negatieve milieugevolgen zo nodig te compenseren (bijvoorbeeld door aankoop van gebouwen en kavelruil); - een ingrijpende verzwaring van het hoogspanningsnet nodig is of in het plangebied een nieuw station en/of een energieopslag moet worden gebouwd, waarmee kan worden aangesloten op het hoogspanningsnet; - de ruimtelijke samenhang en de samenhang in milieugevolgen van initiatieven om een integraal en
adaptief programma vragen. Hierbij is een plan-MER nodig, dat door de gemeenteraden en Gedeputeerde Staten wordt vastgesteld. Er is sprake van een overgangszone, waarbij de noodzaak voor een integrale gebiedsontwikkeling steeds meer toeneemt, naarmate de ambitie voor de opwekking van duurzame energie toeneemt. Hierbij zouden ook mengvormen en/ of deelgebieden onderscheiden kunnen worden (zie figuur 4.4). Overigens is de aangegeven overgangszone in de hoeveelheid opgewekte TJ per jaar indicatief. Er zijn verschillende factoren die hierop van invloed zijn, zoals bijvoorbeeld de ruimtelijke samenhang van initiatieven, de beperking van gevolgen voor het milieu en het participatieproces.
4.6 Conclusie
In de voorafgaande paragrafen zijn de verschillende perspectieven beschreven. In deze paragraaf wordt hieraan de volgende conclusie verbonden. De betekenis van de polder is meervoudig, waarbij verschillende thema’s en functies van belang zijn. Ook zijn deze in beweging. De opgaven voor de polder zijn divers en vragen op verschillende schaalniveaus aandacht.
In hoeverre de belangen samengebracht kunnen worden, hangt af van verschillende factoren. Daarvan zijn het tijdsaspect en de ambities voor de opwekking van duurzame energie de belangrijkste. Er zijn verschillende zaken die de keuze voor een bepaald perspectief (dat kan ook een mengvorm zijn van de geschetste perspectieven) beïnvloeden.
Pagina 27 van 45
Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020
Figuur 4.4 Indicatie overgangszone voor duurzame energieopwekking in de Duurzame Polder voor het al dan niet aanpassen van bestaande structuren (1.000 TJ per jaar betekent ongeveer 23 windmolens of 325 ha zonnevelden).
Hoe meer windmolens en zonnevelden gerealiseerd worden in het gebied, hoe moeilijker het wordt deze in de huidige ruimtelijke structuur aan te leggen. Ook het realiseren van de ambities voor de andere thema’s en belangen vergt vaak een structuurwijziging (bijvoorbeeld uitbreiding weidevogelgebieden). Door structuren te wijzigen, ontstaat meer ruimte om een goed ruimtelijk plan te maken. Dit kan alleen als de overheid daartoe de regie neemt. Indicatief geldt een overgangszone van circa 1.500 TJ en 3.500 TJ per jaar waarbinnen de noodzaak toeneemt om bestaande structuren aan te passen (zie figuur 4.4). Er zijn verschillende factoren die hierop van invloed zijn, zoals bijvoorbeeld de ruimtelijke samenhang van initiatieven, de beperking van gevolgen voor het milieu en het participatieproces.. Als ervoor gekozen wordt om minder windmolens en zonnevelden in de polder te realiseren, dan is de noodzaak om structuren aan te passen minder groot. Er kan dan gekozen worden voor een autonome aanpak om sneller opwekking te realiseren. In dit perspectief zijn de kansen voor andere thema’s en belangen afhankelijk van de initiatieven die worden ingediend. Is een autonome ontwikkeling eenmaal gekozen, dan is het niet eenvoudig om later alsnog te kiezen voor een integrale gebiedsontwikkeling.
Er zal dan immers ook rekening moeten worden gehouden met reeds gerealiseerde initiatieven op plaatsen die vanuit een integrale ontwikkeling niet of minder gewenst zijn.
Pagina 28 van 45
Indien gekozen wordt voor een ontwikkelambitie voor 2030 en vervolgens voor 2050 een hogere ambitie wordt ingezet, moet gerealiseerd worden dat initiatieven invloed op elkaar hebben en de ruimte maar een keer kan worden benut. Indien voor 2050 de ambitie dusdanig hoog is, dat daardoor de huidige ruimtelijke structuren in het gebied moeten veranderen, dient daar bij de keuze voor de aanpak tot 2030 al rekening mee te worden gehouden. Voorkomen moet worden dat initiatieven die op korte termijn worden toegestaan na 2030 minder gewenst blijken te zijn om de doelen in 2050 te behalen. Dit geldt ook voor de andere ambities over de thema’s en bijbehorende belangen.
Figuur 4.5 Impressie huidige situatie Duurzame Polder
Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020 Pagina 29 van 45
De minister kan haar bevoegdheid overdragen aan de Gedeputeerde Staten (GS). GS moet hiermee instemmen. De minister kan ook haar bevoegdheid overdragen aan de gemeente waar het initiatief in kwestie speelt. De minister moet dan van oordeel zijn dat het plan door middel van een omgevingsplan uitgevoerd kan worden. De gemeente moet hiermee instemmen;
5. Bevoegd gezag en procedures Omgevingswet 5.1 Inleiding
In dit hoofdstuk worden procedures en regelgeving toegelicht en wordt een relatie gelegd met de perspectieven van autonome ontwikkeling en integrale gebiedsontwikkeling. Omdat het perspectief van maximale energieopwekking een theoretisch perspectief betreft, wordt de relatie met de procedures en regelgeving voor dit perspectief niet toegelicht. De Elektriciteitswet 199825 regelt de bevoegdheden voor wind- en zonneparken.34 Op 1 januari 2021 treedt naar verwachting de nieuwe Omgevingswet in werking. De Omgevingswet past ook de Elektriciteitswet 1998 gedeeltelijk aan. Dit eindrapport anticipeert op deze nieuwe wetgeving. Opgemerkt wordt dat de Omgevingswet in ontwikkeling is en nog niet formeel van kracht is. Er wordt al wel op geanticipeerd. Deze nota is dus gebaseerd op nu beschikbare stukken.
5.2 Bevoegd gezag
Afhankelijk van de op te wekken hoeveelheid energie kan het bevoegd gezag verschillen: -
Bij windparken vanaf 100 MW en zonneparken vanaf 50 MW stelt het Rijk een projectbesluit vast en is het bevoegd gezag. Windparken kunnen ook onder bevoegd gezag van het Rijk vallen, als ze worden gerealiseerd door meerdere initiatiefnemers, een gezamenlijk vermogen hebben van meer dan 100 MW en wanneer er sprake is van geografische, technische, functionele of organisatorische samenhang.
Pagina 30 van 45
-
Voor windparken van 5 tot 100 MW stelt een provincie een projectbesluit vast. De Gedeputeerde Staten stelt in beginsel geen projectbesluit vast als het project naar hun oordeel met een omgevingsplan kan worden uitgevoerd en als de desbetreffende gemeenteraad daarmee instemt;
-
Voor windparken met een vermogen tot 5 MW en zonneparken tot 50 MW zijn gemeenten bevoegd om omgevingsvergunning te verlenen of hun omgevingsplan aan te passen. De colleges van B&W zijn bevoegd om omgevingsvergunningen te verlenen. De gemeenteraad stelt het omgevingsplan vast.
In de nabije toekomst kan er sprake zijn van wijzigingen in de beslissingsbevoegdheid van zonne- en windparken. Recentelijk heeft de minister bekend gemaakt dat hij graag in de nabije toekomst via de Energiewet de beslissingsbevoegdheid van zonneparken tussen de 50 en 100 MW wil geven aan de provincie. Ook de beslissingsbevoegdheid van de gemeenten voor windparken zou gewijzigd kunnen worden van 5 MW naar 10 of 15 MW. Dit betekent dat de gemeenten dan tot 10 of 15 MW beslissingsbevoegd zijn. Tot op heden zijn beide wijzigingen nog niet van kracht.
5.3 Bevoegd gezag bij de perspectieven
Het bevoegd gezag is afhankelijk van de initiatieven die zich melden bij de gemeenten, de provincie of het Rijk. Hierbij is het op te stellen vermogen van de diverse initiatieven van belang, de samenhang tussen de verschillende initiatieven en het tijdstip van binnenkomst. De twee bij de gemeenten bekende windinitiatieven zijn ieder groter dan 100 MW. Voor zowel het perspectief van autonome ontwikkeling als het perspectief van integrale gebiedsontwikkeling geldt dat voor beide initiatieven het Rijk in beginsel bevoegd gezag is. Voor alle bekende zoninitiatieven zijn de gemeenten het bevoegd gezag.
Een programma biedt de mogelijkheid om: - het nut en de noodzaak van en locatiekeuze voor duurzame energieopwekking zorgvuldig te onderbouwen en bestuurlijk vast te stellen; - duidelijkheid te bieden aan initiatiefnemers en belanghebbenden over de uitgangspunten voor de ontwikkeling van de polder; - de afweging tussen verschillende ruimtelijke alternatieven in de Duurzame Polder en programmeringen in de tijd expliciet te maken; - te komen tot een voor belanghebbenden en initiatiefnemers overzichtelijk, ruimtelijk besluit met een planologische borging; - afspraken te maken over ruimtelijke ontwikkelingskosten (financiële participatie) in een anterieure overeenkomst. Een programma is alleen bindend voor de opstellers. Op het programma is wel inspraak mogelijk, maar geen beroep. Tegen latere besluitvorming staan wel beroepsmiddelen open.
5.4 Instrumenten Omgevingswet
Projectbesluit Vanuit de Elektriciteitswet zijn het Rijk en de provincie verplicht een projectbesluit vast te stellen wanneer het gaat om windparken met een bepaalde hoeveelheid opwekcapaciteit (zie paragraaf 5.2). Een projectbesluit is de vervanger voor het inpassingsplan uit de Wro.
Programma Overheden kunnen samen of apart een programma opstellen. Een programma is zelfbindend en bevat beleid voor bepaalde beleidsthema’s of gebieds-ontwikkelingen.
Omgevingsplan en buitenplanse omgevingsplanactiviteit Elke gemeente heeft één gebiedsdekkende regeling: het omgevingsplan. Het omgevingsplan geeft aan wat waar mogelijk is.
De nieuwe Omgevingswet bevat verschillende instrumenten die relevant kunnen zijn voor de Duurzame Polder. Hieronder worden ze beschreven.
Pagina 31 van 45
Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020
De minister kan zijn bevoegdheden overdragen aan de provincie of beide gemeenten, als dat de voorkeur is van alle vier de partijen (de gemeenten Oss en ’sHertogenbosch, de provincie NoordBrabant en het ministerie van EZK). In dat geval neemt Gedeputeerde Staten een projectbesluit voor de initiatieven in de Duurzame Polder. Een andere mogelijkheid is, dat de gemeenteraden voor hun eigen grondgebied een omgevingsplan vaststellen of een vergunning verlenen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Een programma kan zowel globaal als concreet zijn.
Het omgevingsplan vervangt de huidige bestemmingsplannen en de beheersverordening uit de Wro. Een omgevingsplan gaat uit van een concreet eindbeeld voor de gehele gemeente, heeft een beperkte, inhoudelijke flexibiliteit en is niet geschikt voor een adaptieve ontwikkeling c.q. gefaseerde ontwikkeling van het gebied
Initiatiefnemers voor wind- of zonneparken van voldoende omvang kunnen zich ook melden bij het Rijk (zie paragraaf 5.2). In dat geval kan het Rijk besluiten om het initiatief via een projectbesluit mogelijk te maken. Maar het rijk kan het initiatief ook overdragen met instemming van gemeente en provincie aan één van partijen.
Het college van B&W kan ook kiezen voor een vergunning voor een buitenplanse omgevings-planactiviteit. Een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit omvat alle activiteiten die in strijd zijn met de regels van het omgevingsplan. De vergunning wordt op aanvraag van een initiatiefnemer in behandeling genomen. Voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toestemming nodig van de provincie of het Rijk.
Voor belanghebbenden is de autonome ontwikkeling onoverzichtelijker. Procedures van verschillende initiatieven lopen soms parallel, soms na elkaar. Zij zullen van geval tot geval moeten reageren. Ook het bevoegde gezag dat erover moet besluiten, kan verschillen van gemeenten tot provincie of Rijk.
5.5 Instrumenten perspectieven
Autonome ontwikkeling In de autonome ontwikkeling blijven de geldende bestemmingsplannen (en later het omgevingsplan) onveranderd. Deze plannen staan de grootschalige realisatie van windmolens en zonnevelden niet rechtstreeks toe. Dat betekent dat initiatieven voor de aanleg van wind- en zonneparken van geval tot geval moeten worden onderbouwd en getoetst, zodat het bevoegde gezag daar zorgvuldig over kan besluiten. In het perspectief van autonome ontwikkeling ligt de regie voor het indienen van initiatieven bij (private) initiatiefnemers. Gemeenten, provincie en Rijk kunnen gemotiveerd besluiten om deze wel of niet mogelijk te maken. Daarmee blijft hun rol beperkt tot die van bevoegd gezag en hebben overheden weinig vat op de uitvoering ervan.
Pagina 32 van 45
Integrale gebiedsontwikkeling In dit geval is het mogelijk om één procedure te doorlopen, waarover initiatiefnemers, grondeigenaren en andere belanghebbenden kunnen meedenken en waarop later inspraak (programma) en beroep (projectbesluit of omgevingsplan/vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) mogelijk is. Daarmee worden procedures voor zowel bevoegde gezagen als belanghebbenden transparanter en beter navolgbaar.
5.6 Milieueffectrapportage
Bij activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, kan het verplicht zijn om een procedure voor een milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. Een m.e.r. brengt de milieueffecten van een plan in beeld, voordat de overheid daar een besluit over neemt. In deze rapportage worden alternatieven beschreven en beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie.
Dit is de toekomstige situatie die ontstaat wanneer de voorgenomen activiteit niet wordt gerealiseerd. De verwachte effecten worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieueffecten bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. Er bestaat een onderscheid tussen: - plan-MER voor kaderstellende besluiten, bijvoorbeeld een programma; - project-MER voor concrete ruimtelijke plannen en voor vergunningen. De verwachte ontwikkelingen in de polder zijn dusdanig groot, dat bij het voorbereiden van een projectbesluit een project-MER-plicht geldt vanuit de Omgevingswet.
5.7 Milieueffectrapportage bij de perspectieven
Autonome ontwikkeling Besluiten over de aanleg van windparken met meer dan 20 windmolens zijn projectm.e.r.-plichtig. Dat betekent dat de initiatiefnemer een project-MER moet opstellen om de milieugevolgen van het initiatief in beeld te brengen, voordat daarover wordt besloten. Bij minder windmolens moet het bevoegd gezag beoordelen of een m.e.r. nodig is. Voor de aanleg van zonneparken geldt op dit moment geen m.e.r.-plicht.
Notitie Reikwijdte en Detailniveau In een Notitie Reikwijdte en Detailniveauii wordt vooraf vastgelegd welke criteria in het MER op welke manier worden onderzocht.
De initiatiefnemer (dit kan ook de overheid zijn) stelt de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) op, het bevoegd gezag stelt de NRD vast. ii
Pagina 33 van 45
Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020
De regelgeving ten aanzien van m.e.r. is flexibel. Het is mogelijk om één milieueffectrapport te maken voor meerdere (samenhangende) besluiten die een verschillend abstractieniveau hebben. Een m.e.r kan gefaseerd tot stand komen. Zo kan voor het nemen van een voorkeursbeslissing eerst een plan-MER worden geschreven, waaraan tijdens de latere planuitwerking een project-MER kan worden toegevoegd. Voor het plan- en project-MER kunnen aparte procedures worden doorlopen, maar beiden kunnen ook in één procedure worden gecombineerd.
Het gaat hierbij voor het grotendeels over algemene criteria, zoals gangbaar in milieueffectrapportages voor wind- en zonneparken. Een aantal criteria zal specifiek zijn voor de Duurzame Polder. Qua criteria valt te denken aan: - Milieuaspecten: o.m. gezondheid, leefomgeving, (laagfrequent) geluid, licht, elektromagnetische straling, slagschaduw, schittering, externe veiligheid, hinder tijdens aanleg, radaren laagvlieggebied; - Ruimteaspecten: o.m. ruimtegebruik en landschappelijke kwaliteit (landbouw, overige bedrijven, recreatie), effecten op archeologie en cultuurhistorie, landschap, aanwezige natuur (flora en fauna), bodem en water, woningen; - Duurzaamheid: o.m. energieopbrengst, adaptiviteit, vermeden emissies;’ - Overige aspecten: o.m. kosten, transportbewegingen.
Integrale gebiedsontwikkeling In het perspectief van integrale gebiedsontwikkeling is het mogelijk om een programma op te stellen. Voor dit programma moet een plan-m.e.r. worden doorlopen. Voor het projectbesluit of het omgevingsplan/vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt een project-m.e.r.-plicht.
5.8 Conclusie
Voor de te volgen procedures en de bepaling van het bevoegd gezag zijn de Omgevingswet (vanaf 1 januari 2021) en de Elektriciteitswet bepalend. De grootte van de initiatieven (vermogen) voor winden zonneparken bepaalt of het bevoegd gezag bij het Rijk, de Provincie of de gemeente ligt. Bevoegdheden kunnen, in onderling overleg, worden overgedragen. Onafhankelijk van de te doorlopen (planologische) procedure is er altijd sprake van het in beeld brengen van verschillende alternatieven, effecten en beoordeling. In veel gevallen is daarvoor een MER noodzakelijk.
Pagina 34 van 45
Bij de autonome ontwikkeling bepalen de initiatiefnemers hoe zij, binnen de wettelijke kaders, het proces willen vormgeven. In de procedures moet rekening worden gehouden met onderlinge beïnvloeding. Bij een integrale gebiedsontwikkeling, waarbij de regie bij de overheden ligt, is het gezamenlijk opstellen van een programma voor de Duurzame Polder de meest logische aanpak. De gemeenten en provincie werken dan samen beleid uit, stellen een totaalpakket aan maatregelen in ruimte en tijd vast en maken afspraken om gestelde doelen te behalen. Het programma is zelfbindend voor degenen die het vaststellen. Het is ook kaderstellend voor het latere projectbesluit.
Figuur 5.1 Impressie huidige situatie Duurzame Polder
Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020 Pagina 35 van 45
6. Mogelijkheden voor het vervolg 6.1 Inleiding
Uit het onderzoek naar de verschillende perspectieven (zie hoofdstuk 4), is gebleken dat de impact van de energieopwekking sterk afhangt van de hoeveelheid op te wekken energie en de mate waarin andere ambities mee worden genomen. Indien bijvoorbeeld enkele windmolens worden geplaatst, kan dit binnen de huidige verkavelingsstructuur en zullen negatieve effecten voor bewoners, natuur en andere belangen slechts in een beperkt deel van het gebied optreden. Een grootschalige aanpak voor de gehele duurzame polder ligt dan niet voor de hand. Gaat het om grote hoeveelheden op te wekken energie met windmolenparken en zonnevelden dan zijn de effecten voor het gebied en de belanghebbenden veel groter. Er is dan sprake van grote invloed op de verschillende opgaven in het gebied en onderlinge beïnvloeding van initiatieven voor het opwekken van duurzame energie (zie ook paragrafen 4.5 en 4.6). Op grond van de in hoofdstuk 5 beschreven procedures en regelgeving zijn in dit hoofdstuk de diverse mogelijkheden voor het vervolg in beeld gebracht, zijn aandachtspunten benoemd en aanbevelingen gedaan.
6.2 Planvorming
Op basis van de besluiten die worden genomen over de hoeveelheid op te wekken energie en bijbehorende kaders en randvoorwaarden, zullen er een of meerdere plannen worden gemaakt voor de inrichting van de Duurzame Polder.
Pagina 36 van 45
Dat kan door initiatiefnemers zelf of onder regie van de overheid. Onafhankelijk van de te doorlopen (planologische) procedure is er altijd sprake van het in beeld brengen van verschillende alternatieven, effecten en beoordeling. Initiatieven op het gebied van wind- en zonne-energie dragen bij aan de ambitie om energieneutraal te worden en veroorzaken in meer of mindere mate milieueffecten. Bevoegde gezagen zullen samen de ruimtelijke samenhang tussen en de landschappelijke ontwikkeling bij initiatieven moeten bewaken. Daarbij dienen ze ook de cumulerende effecten voor wonen, landbouw, natuur, cultuur etc. te beoordelen. Wanneer geen programma wordt opgesteld, zal een andere manier moeten worden gevonden om de procedures die per initiatief worden opgestart, onderling af te stemmen tussen de bevoegde gezagen. De vraag is hoe ze dat doen, wanneer alleen voor de grote windprojecten een MER verplicht is. Indien de overheden besluiten zelf de regie voor de planontwikkeling op zich te nemen, wordt voorgesteld om hierbij de instrumenten te hanteren uit de nieuwe Omgevingswet.
6.3 Afspraken met initiatiefnemers
Zowel in de situatie dat de initiatiefnemers zelf de regie hebben (perspectief autonome ontwikkeling) als in de situatie dat de overheden de regie hebben (perspectief integrale gebiedsontwikkeling), is het van belang dat aan het begin van het planproces afspraken worden gemaakt met de initiatiefnemers.
Als de initiatiefnemers zelf de regie nemen, zullen de overheden de kaders vooraf moeten aangeven. Deze kaders hebben o.a. betrekking op de financiële participatie en op de omgevingsparticipatie en -communicatie met stakeholders en bewoners, de relatie met de andere functies en de andere initiatieven. De gemeenten kunnen deze kaders vooraf vastleggen in beleid. Ditzelfde kan als de overheden zelf de regie voeren over de planvorming. Het is ook mogelijk om afspraken met initiatiefnemers vast te leggen in een zogenaamde green deal.
Beleidskaders stellen randvoorwaarden aan de alternatievenafweging. Bij het vervolg van de Duurzame Polder zijn in onder andere de volgende beleidskaders relevant vanuit de gemeenten en provincie: - Provinciale Energieagenda en Uitvoeringsagenda Energie; - Provinciale Omgevingsvisie; - Provinciale interim omgevingsverordening; - Routekaart Groen, Blauw & Natuur van de gemeente Oss; - Nota Landschapsbeleid van de gemeente Oss; - Structuurvisie Buitengebied van de gemeente Oss; - Gebiedsvisie duurzame energieopwekking buitengebied van de gemeente Oss (is in ontwikkeling); - Ruimtelijke structuurvisie Stad tussen stromen van de gemeente ’sHertogenbosch; - Ruimtelijk-thematische visies en gebiedsspecifieke visies, zoals het bestemmingsplan buitengebied, natuurvisie (zoals bijv. Groene Delta 2) van de gemeente ’s-Hertogenbosch; - Energietransitieprogramma 2016-2020 en nota Duurzaam van de gemeente ’s-Hertogenbosch; - Beleid in ontwikkeling: ontwerpvisie energielandschap van de gemeente ’sHertogenbosch. Daarnaast is het aan te bevelen dat de betrokken overheden een aantal kaders vastleggen, specifiek voor de Duurzame Polder. Dit zou voorafgaand of direct aan de start van een eventueel vervolg moeten worden gedaan. Deze kaders zouden onder meer moeten gaan over de (financiële) participatie van stakeholders en bewoners en over de relatie met de andere functies en andere initiatieven.
Pagina 37 van 45
Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020
Als de keuze wordt gemaakt voor integrale gebiedsontwikkeling, is het belangrijk dat er tijdens de planvorming geen initiatieven in het verkenningsgebied in behandeling worden genomen, zoals op dit moment ook het geval is. Voorkomen moet worden dat: - de nog aanwezige capaciteit van het hoogspanningsnet volledig wordt geclaimd door initiatieven die snel zijn te realiseren. - de initiatieven worden gerealiseerd op plaatsen waar dat vanuit een gebiedsbreed plan voor de Duurzame Polder niet of minder gewenst is. - deze initiatieven sturend en kader stellend worden voor de toekomstige inrichting van de Duurzame Polder; - initiatiefnemers van snel te realiseren initiatieven later schade claimen als gevolg van verminderd rendement van energieopwekking, dat door andere (later gerealiseerde) initiatieven wordt veroorzaakt; - grondeigenaren die nu besluiten om (nog) niet mee te doen met een initiatief, later zelf geen initiatief meer kunnen nemen, omdat het strijdig is met eerder gerealiseerde initiatieven.
6.4 Kaders bij de planvorming
Indien een totaalplan wordt gemaakt (perspectief integrale gebiedsontwikkeling) zullen ook afspraken worden gemaakt over de locatie van de windmolens in relatie tot de grondeigendommen. De uit een totaalplan voortkomende locaties voor windmolens kunnen afwijken van de locaties die door initiatiefnemers worden aangedragen.
-
Dit vereist een goed ingeregelde projectorganisatie. Daarbij wordt gedacht aan vier organisatieniveaus: -
Op strategisch niveau een Stuurgroep met bestuurders van de gemeenten, de provincie, TenneT en Enexis en het Rijk, die fungeren als ambassadeurs van het project naar hun bestuurlijke achterban, de RES, de Commissie m.e.r., belangenorganisaties etc.;
-
Op tactisch niveau een ambtelijk opdrachtgeversoverleg, dat toezicht houdt op de voortgang van de alternatieven-afweging en zo nodig middelen vrijmaakt en voorstellen doet aan de Stuurgroep voor strategisch te nemen besluiten;
-
Op procesmatig niveau een Klankbordgroep die controleert of alle belangen en invalshoeken worden beschouwd;
-
Op operationeel niveau een projectbureau dat werkt aan alternatievenafweging.
6.5 Organisatie
Indien ervoor wordt gekozen de regie voor het ontwikkelen van windmolenparken en zonnevelden bij de initiatiefnemers te laten, is het aan de initiatiefnemers om zelf de organisatie hiervan op te pakken. Indien een van de overheden de regie voor de planvorming neemt en er een totaalplan voor de gehele polder wordt gemaakt, stelt dat eisen aan de organisatie. Tijdens de alternatievenafweging (m.e.r. fase) zal voortdurend moeten worden afgestemd met en geschakeld tussen vier abstractieniveaus: -
Landelijk: besluitvorming over aangemelde initiatieven voor de Rijkscoördinatieregeling (RCR) (ministerie van EZK) en besluitvorming landelijke RES en Defensie;
-
Regionaal: besluitvorming over aangemelde initiatieven bij de Provinciale Coördinatieregeling (PCR), besluitvorming over RES Noordoost Brabant;
-
Lokaal: besluitvorming op het niveau van De Duurzame Polder door de gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch en de provincie Noord-Brabant en besluitvorming door de netbeheerders TenneT en Enexis;
Pagina 38 van 45
Initiatieven: besluitvorming over aangemelde initiatieven door de gemeente Oss of ’s-Hertogenbosch.
Het instellen van een projectbureau vergroot de slagkracht van de projectorganisatie. Gedacht wordt aan een projectbureau met een projectmanager, diverse experts (o.a. jurist), een omgevingsmanager, een communicatieadviseur, en een projectondersteuner. Zij werken voor een deel van hun tijd samen op één locatie en worden zo nodig ondersteund door adviseurs.
Figuur 6.1. Opzet projectorganisatie vervolg Verkenning.
Er wordt gewerkt vanuit een gezamenlijk ondertekende bestuursovereenkomst, waarin afspraken worden vastgelegd over: zeggenschap, taken en rollen, kosten, opbrengsten en risico's, planning en projectorganisatie. De gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch en de provincie Noord-Brabant zorgen voor de financiering en facilitering van het projectbureau. Het is belangrijk dat ook de netbeheerders en het Rijk actief participeren in de projectorganisatie.
6.6 Planning en kosten
Planning Indien de overheden de regie voor de planvorming nemen en er een totaalplan voor de gehele polder wordt gemaakt (integrale gebiedsontwikkeling), kost het opstellen van een gezamenlijk programma met een plan-MER (zie hoofdstuk 5) ongeveer 2 jaar.
Kosten De (energieopwekking gerelateerde) kosten voor het opstellen van een programma en daarna te nemen besluiten zullen zo veel mogelijk worden verhaald op initiatiefnemers, bijvoorbeeld via anterieure overeenkomsten. Indien de regie voor het ontwikkelen van wind- en zonneparken bij de initiatiefnemers ligt (autonome ontwikkeling), zijn planning en kosten van het vervolg voor rekening van de initiatiefnemers. Indien er gekozen wordt voor integrale gebiedsontwikkeling zijn er ook mogelijkheden om financieringsbronnen van andere gebiedsopgaven te benutten (koppelkansen). Pagina 39 van 45
Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020
Ook als het autonome perspectief wordt gekozen, dient er in de organisatie van de overheden rekening te worden gehouden met capaciteitsinzet om de initiatieven te behandelen in de formele procedure en dient er afstemming te zijn op de verschillende abstractieniveau’s die eerder zijn genoemd.
Daarna moeten dan projectbesluiten of afwijkingsvergunningen worden verleend. De procedures daarvoor nemen dan nog eens ongeveer 1,5 jaar in beslag. Het voorbereidingsproces van een autonoom ontwikkelingsperspectief duurt in totaal ongeveer twee jaar korter dan het integrale ontwikkelingsperspectief, omdat in dat geval geen gezamenlijk programma met een plan-MER nodig is. Net als bij het integrale perspectief, geldt bij het autonome perspectief een periode van 1,5 jaar voor het verlenen van projectbesluiten of afwijkingsvergunningen. Wanneer tegen de definitieve besluiten beroep wordt ingesteld, zijn ze nog niet onherroepelijk.
6.7 Omgevingsparticipatie en communicatie
Wanneer de keuze valt op autonome ontwikkeling dan zullen de initiatiefnemers zelf verantwoordelijk zijn voor de omgevingsparticipatie en -communicatie voor hun initiatief. Dat zal een andere vorm hebben dan als de overheid de regie heeft. In overleg kan ook worden afgesproken dat de overheid hier toch een leidende rol in neemt. Ongeacht welke planvorm wordt gekozen in de volgende fase, belangrijk is dat de participatie- en communicatiestrategie die momenteel is ingezet (zie bijlage B) grotendeels wordt voortgezet. Dat betekent dat de omgevingsparticipatie en -communicatie verloopt langs twee sporen: Spoor 1: alle belangen op tafel Om alle belangen op een goede manier op tafel te krijgen en te houden, wordt aanbevolen de huidige Klankbordgroep Duurzame Polder met belangenorganisaties en het Platform voor Wijk- en Dorpsraden voort te zetten. De samenstelling, taken en rollen van de Klankbordgroep zijn in de vervolgfase niet automatisch hetzelfde als die van de huidige Klankbordgroep. Daarnaast wordt ook de oprichting van een Bewonersplatform aanbevolen. Belangrijk is wel dat de deelnemers aan het Bewonersplatform een achterban vertegenwoordigen. Naast individuele bewoners zouden daarvoor ook bewonersgroepen kunnen worden uitgenodigd. Initiatiefnemers krijgen een plek in een Platform Initiatiefnemers.
Zo bieden de Klankbordgroep en de platformen een veilige omgeving waar iedereen zich kan uitspreken over het eigen belang.
Pagina 40 van 45
De Klankbordgroep heeft als belangrijkste rol om te adviseren op het gebied van proces en communicatie. Het Platform voor Wijk- en Dorpsraden en het Bewonersplatform zijn (vanuit de invalshoek van bewoners) dienend aan de Klankbordgroep, zij geven de Klankbordgroep inzicht in de belangen die spelen. De trekker van het Bewonersplatform neemt ook deel aan de Klankbordgroep en het platform voor de Wijk- en Dorpsraden. Spoor 2: een open planproces Het is aan te bevelen dat de overheden een open planproces blijven voeren, ongeacht de grootte van de opgave en de wijze waarop dat wordt gerealiseerd (dus ook bij autonome ontwikkeling). Daarbij is het belangrijk dat de medewerkers van de overheden benaderbaar zijn, en de processtappen duidelijk. Hiervoor kunnen de volgende middelen worden ingezet: - Thema- en integratiebijeenkomsten, werk- en schetsateliers voor het ophalen en bespreken van belangen, het uitdenken van mogelijke alternatieven en het toewerken naar en beoordelen van kansrijke alternatieven voor de inrichting van het gebied en de programmering van maatregelen. - (Kennis)bijeenkomsten voor bewoners, bedrijven, organisaties en betrokken bestuursorganen; - Gezamenlijke website (www.duurzamepolder.nl); - Social media: (Twitter.com/duurzamepolder - Facebook.com/duurzamepolder); - Nieuwsberichten; - Bewonersbrieven; - Huis-aan-huisbladen en regionale kranten;
-
-
Campagnes op basisscholen en gastcolleges op middelbare scholen en bij het hoger onderwijs; Gesprekken met de omgevingsmanager.
6.8 Aandachtspunten en risico’s
Aanvullend op de voorgaande paragrafen is nog een aantal aandachtspunten te benoemen die van belang zijn en/of kansen bieden bij het ontwikkelen van wind- en zonneparken in de Duurzame Polder. Gezondheid De mogelijk negatieve effecten van windmolens op de gezondheid, verdient voortdurende aandacht. Dit is een onderwerp dat regelmatig terugkeerde tijdens de bijeenkomsten met inwoners en andere stakeholders. Naast de geldende wettelijke normen, wordt aanbevolen om recente ontwikkelingen en onderzoeken mee te nemen in het proces, en hierover informatie te delen met de belanghebbenden, zodat hier optimaal op kan worden geanticipeerd. Daarnaast is het van belang om ook cumulatieve effecten in beeld te brengen (bijvoorbeeld andere geluidseffecten).
Sociale samenhang Er zijn in de polder verschillende belangen van initiatiefnemers, grondeigenaren zonder initiatief en bewoners. Dit kan spanningen binnen kernen met zich meebrengen. Hiervoor moet worden gewaakt in de Duurzame Polder. Draagvlak initiatiefnemers De gronden in de Duurzame Polder zijn veelal niet in eigendom van de overheden. Als gekozen wordt voor een integrale gebiedsontwikkeling met een programma, kan het voorkomen dat sommige
Elektriciteitsnetwerk Er is op dit moment nog beperkte capaciteit beschikbaar van het hoogspanningsnet in de directe omgeving van de Duurzame Polder. De beschikbare capaciteit is een momentopname. Initiatieven (ook buiten de Duurzame Polder) met een kortere voorbereidingstijd (zoals zonnevelden) kunnen eerder gebruik maken van deze capaciteit dan (veelal m.e.r.-plichtige) initiatieven die een langere voorbereidingstijd kennen. Indien wordt gekozen voor het opstellen van een totaalplan voor de gehele polder, is het van groot belang om vanaf het begin rekening te houden met de volgende punten: - De aansluitmogelijkheden op het elektriciteitsnetwerk; - Het nut en de noodzaak van energieopslag; - De mogelijkheden voor cable pooling. Cable pooling is het zo efficiënt mogelijk aansluiten van windmolens en zonnevelden op het elektriciteitsnet. - Een zo efficiënt mogelijke balans tussen de hoeveelheid zonne- en windenergie, zodat je optimaal gebruik maakt van het electriceitsnetwerk en ook weer tegen de zo laag mogelijk maatschappelijke kosten. Indien een nieuw hoofdstation nodig is (zie hoofdstuk 3), dan is het goed de realisering hiervan direct in de planvorming mee te nemen. Beschermde status habitat van (weide)vogelsoorten Het plaatsen van windmolens en aanleggen van zonnevelden kan verstoring van beschermde vogelsoorten tot gevolg hebben.
Deze effecten kunnen alleen Pagina 41 van 45
Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020
De GGD wordt gevraagd om in het vervolgtraject te participeren.
initiatieven niet passen. Hierover moeten afspraken worden gemaakt met de initiatiefnemers en grondeigenaren, zie ook paragraaf 6.4.
teniet worden gedaan, wanneer de habitat van deze vogels in of buiten het gebied wordt verbeterd (zie paragraaf 2.4). Het verplaatsen van de habitat vergt nog een proces dat tijd kost en waar onzekerheden in zitten. Stikstofdepositie In de omgeving van de Duurzame Polder liggen de stikstofgevoelige Natura2000gebieden Vlijmens Ven, de Moerputten en het Bossche Broek. De recente uitspraak van de Raad van State over het Programma Aanpak Stikstof (PAS) kan dus ook gevolgen hebben voor de bouw van windmolens en de aanleg van zonnevelden. Dit dient in een vervolg op deze Verkenning nader onderzocht te worden. Laagvliegroute en –gebied en het radargebied Het is nog onzeker hoe het laagvlieggebied en de radar van Defensie, de mogelijkheden beïnvloeden. Dit kan pas verder worden onderzocht op het moment als er meer bekend is over de locaties en het type windmolens (zie paragraaf 3.4). Monitoring Het is van belang om goed te monitoren welke effecten de aanleg van zonnevelden
Pagina 42 van 45
of windparken hebben op verschillende thema’s, zoals gezondheid, weidevogels e.a. Er moet rekening worden gehouden met het vastleggen van een nul-situatie. Er moeten afspraken worden gemaakt met de initiatiefnemers en andere partijen over de monitoring. Ontwerpend onderzoek Het is goed om ontwerpend onderzoek centraal in te zetten in het vervolgtraject – ook bij invulling van het omgevingsparticipatieproces met bewoners. WILG instrumenten Indien wordt gekozen voor een energieambitie en aanpak waarbij de structuur van de polder wordt gewijzigd, verdient het de aanbeveling om te onderzoeken of instrumenten uit de Wet Inrichting Landelijke Gebied (WILG) kunnen worden ingezet. Deze (wettelijke) verkavelings- en landinrichtingsinstrumenten bieden kansen om verkaveling aan te passen en grondruil te realiseren, waarbij de rechten van belanghebbenden op een goede manier worden gewaarborgd. Zodra er een besluit is genomen over de gewenste ontwikkelingen in de polder, kan over de inzet van deze middelen een besluit worden genomen.
Figuur 4.5 Impressie huidige situatie Duurzame Polder
Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020 Pagina 43 van 45
Literatuurlijst 1. Gemeente ’s-Hertogenbosch, Visie energielandschap, ontwerp 2019 2. Bosch Slabbers, Energie en ruimte, Kansen voor opwekking duurzame energie in Oss, april 2017 3. Antea Group, Kansen Duurzame Energie Oss, uitgangspunten, randvoorwaarden & inventarisatie (on)mogelijkheden per energievorm, 15 september 2016. 4. POSAD. Gebiedsstrategie duurzame energieopgave Provincie Noord-Brabant. September 2016. 5. Jelle Rijpma Advies, Het resultaat van de verkenning op hoofdlijnen, 5 februari 2018 6. Besluit gemeenteraad Oss, Vervolgverkenning grootschalige opwekking duurzame energie in de Geffense, Lithse en Rosmalense polder, 14 augustus 2018. 7. Besluit gemeenteraad ’s-Hertogenbosch, Opstelling visie energielandschap en tweede fase verkenning Rosmalense polder, 9 oktober 2018. 8. Samenwerkingsovereenkomst gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch en provincie Noord-Brabant. ’s-Hertogenbosch 2019. 9. Gemeente Oss, Duurzaamheidscirkel Oss, 2015 10. Gemeente Oss, Routekaart duurzame energie 2016-2018, 2015 11. Gemeente Oss, Grootschalig duurzame energie opwekken in Oss, 6 juli 2017. 12. CE Delft, Oss energieneutraal in 2050, januari 2017 13. Gemeente ’s-Hertogenbosch, Raadsinformatiebrief nr. 7039547’s-Hertogenbosch, september 2018. 14. CE Delft, Oss Energieneutraal 2050 Situatie 2019 ten opzichte van 2016, oktober 2019 15.
Gemeente ’s-Hertogenbosch, Energietransitieprogramma ’s-Hertogenbosch 20162020, september 2016 16. Posad, Provinciale studie Gebiedsstrategie Duurzame Energieopgave, september 2016 17. Provincie Noord-Brabant, Energieagenda 2019-2030, december 2018 18. Gemeente ’s-Hertogenbosch, Groene delta ambitie en uitvoeringsprogramma, 12 december 2017 19. Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Klimaatakkoord, 28 juni 2019 20. SOVON, Samenvatting effecten windenergie vogels S2019.109, 1 oktober 2019 link: https://www.sovon.nl/sites/default/files/doc/rap_2019-89_beerse-overlaatwindturbines.pdf 21. Provincie Noord-Brabant, Cultuurhistorische waardenkaart, oktober 2010 22. Werkgroep Verzwaren tenzij, Afwegingskader verzwaren tenzij, mei 2019 23. Minister van Economische Zaken en Klimaat, Beantwoording moties Dik-Faber over een zonneladder als nationaal afwegingskader bij inpassing van zonne-energie, 23 augustus 2019 24. Minister van Economische Zaken en Klimaat, Gevolgen van het gebrek aan netcapaciteit voor duurzame elektriciteitsprojecten, 28 juni 2019 25. Minister van Economische Zaken, Elektriciteitswet 1998, 16 juli 1998 26. Netbeheer Nederland, Basisinformatie over energie-infrastructuur t.b.v. Regionale Energie Strategie, maart 2019 27. Rebel, Vergelijkend onderzoek naar de lusten van lokaal opgewekte energie voor de gemeenschap, 2019 28.
Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA), Gedragscode Acceptatie & Participatie Windenergie op Land, december 2016 Pagina 44 van 45
29. TU Eindhoven en H+N+S+Landschapsarchitecten. Brabant op 100% Wind, Water en Zon. Projectnummer 2251. In opdracht van de Provincie Noord-Brabant. Amersfoort. Eindhoven. Juli 2018 30. RVO. Slagschaduw en windturbines. Januari 2019. 31. Ministerie EZK. Beantwoording vragen over de zorgen over gezondheid, inspraak en participatie en de verdeling van lusten en lasten bij windprojecten. 14 februari 2020
Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020 Pagina 45 van 45