CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder.PDF

Gemeenteraad 28 januari 2021, gemeente OssBij agendapunt: Verkenning Duurzame Polder16.264 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

V

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder Mogelijkheden voor grootschalige windmolenparken en zonnevelden

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020

De gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch en de provincie Noord-Brabant werken samen aan de Duurzame Polder.

Datum: 16 maart 2020 Vrijgegeven door Bestuurlijk Overleg op 11 maart 2020 Meer informatie? www.duurzamepolder.nl Contact info@duurzamepolder.nl

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020

Inhoud

6.

Samenvatting ................................................... 1

6.1 Inleiding ............................................................... 36

1.

6.2 Planvorming ....................................................... 36

De Duurzame Polder............................... 2

1.1 Aanleiding voor een nadere verkenning .. 2 1.2 Verkenningsgebied ........................................... 2 1.3 Doel van de Verkenning .................................. 3 1.4 Proces en participatie ....................................... 3 1.5 Leeswijzer .............................................................. 4 2.

Ambities, thema’s en belangen ............ 6

2.1 Inleiding ................................................................. 6 2.2 Energieambities overheden ........................... 6 2.3 Samenhang met het Klimaatakkoord en de Regionale Energie Strategie (RES)......... 7 2.4 Balans met andere thema’s ............................ 8 2.5 Belangen .............................................................. 13 3.

Kaders en randvoorwaarden ............... 16

3.1 Inleiding ............................................................... 16 3.2 Hinder en gezondheid bij windmolens ... 16 3.3 Netaansluiting ................................................... 17 3.4 Laagvlieg- en radargebied ........................... 18 3.5 Vrijwaringsafstanden ...................................... 19 3.6 Financiële participatie..................................... 19 4.

De ontwikkelperspectieven ................. 22

4.1 Inleiding ............................................................... 22 4.2 Autonome ontwikkeling ................................ 22 4.3 Maximale energieopwekking ...................... 23 4.4 Integrale gebiedsontwikkeling ................... 25 4.5 Kantelpunten in de opwekking van energie en de ontwikkeling van de polder ................................................................................. 26 4.6 Conclusie ............................................................. 27 5. Bevoegd gezag en procedures Omgevingswet ............................................... 30 5.1 Inleiding ............................................................... 30 5.2 Bevoegd gezag ................................................. 30 5.3 Bevoegd gezag bij de perspectieven ....... 31 5.4 Instrumenten Omgevingswet ...................... 31 5.5 Instrumenten perspectieven ........................ 32 5.6 Milieueffectrapportage .................................. 32 5.7 Milieueffectrapportage bij de perspectieven .................................................... 33 5.8 Conclusie ............................................................. 34

Mogelijkheden voor het vervolg.........36

6.3 Afspraken met initiatiefnemers .................. 36 6.4 Kaders bij de planvorming ........................... 37 6.5 Organisatie ......................................................... 38 6.6 Planning en kosten .......................................... 39 6.7 Omgevingsparticipatie en -communicatie ................................................................................. 40 6.8 Aandachtspunten ............................................. 41 Literatuurlijst ..................................................44 Bijlage A: Het verhaal van de polder Bijlage B: Omgevingsparticipatieproces Bijlage C: Verslag Themabijeenkomsten Bijlage D: Verslag Bewonersbijeenkomsten juni 2019 Bijlage E: Verslag Bewonersbijeenkomsten oktober en november 2019 Voor een nadere onderbouwing van de gepresenteerde informatie, verwijst deze nota met eindnoten (kleine cijfers) naar bijlagen en andere literatuur (zie literatuurlijst).

Samenvatting In 2018 besloten de gemeenteraden van Oss en ’s-Hertogenbosch om een nadere verkenning uit te voeren naar de mogelijkheden voor duurzame energieopwekking met zonnevelden en windmolens in de Lithse, Geffense, Rosmalense en Nulandse polder (hierna: de Duurzame Polder). In de Duurzame Polder zijn op dit moment twee grote windmoleninitiatieven en meerdere initiatieven om zonnevelden te realiseren.

Doel van de verkenning

Tijdens de verkenning zijn door middel van een open plan- en omgevingsparticipatieproces belangen opgehaald en gebiedsopgaven in beeld gebracht. Ook zijn drie perspectieven voor duurzame energieopwekking met elkaar vergeleken: 1. autonome ontwikkeling; 2. maximale energieopwekking; 3. integrale gebiedsontwikkeling.

Belangen en gebiedsopgaven

In de Duurzame Polder spelen veel belangen en gebiedsopgaven. Wanneer besloten wordt tot grootschalige energieopwekking zullen koppelkansen worden onderzocht zoals: - het behouden van de kwaliteit woonen leefomgeving met rust en ruimte en aandacht voor de gezondheid van de mensen die er wonen en werken;

-

-

-

het behouden van goede landbouwgrond en het bieden van nieuwe verdienmodellen om een omslag naar duurzame vormen van landbouw mogelijk te maken (landbouwtransitie); het creëren van natuurgebieden voor beschermde vogels en andere natuur, waarmee de biodiversiteit wordt versterkt; het omgaan met klimaatverandering (klimaatadaptatie); het benutten van bestaand erfgoed (Zuiderwaterlinie, eendenkooien en Beerse Overlaat) en het zoveel mogelijk beschermen van het archeologisch en cultuurhistorische bodemarchief; het verkennen van kansen voor recreatieve routes door het gebied; het gebruik van het gebied als laagvlieggebied door defensie.

Perspectief: Autonome ontwikkeling

In het perspectief van de autonome ontwikkeling worden bestaande structuren gehandhaafd. Voorbeelden hiervan zijn verkavelingsstructuren, natuurgebieden en eendenkooien. Windmolens en zonnevelden worden op landbouwgrond geplaatst. Initiatiefnemers bepalen zelf wanneer ze waar welk initiatief indienen. Hoeveel energie opgewekt kan worden, is afhankelijk van de initiatieven die zich aandienen en door de overheden vergund worden. Initiatiefnemers moeten daarbij minimaal voldoen aan de geldende kaders en randvoorwaarden. Initiatieven, waarover positief wordt besloten, kunnen beperkingen opleveren voor volgende initiatieven. Naarmate meer initiatieven zich aandienen, ontstaat meer ruimtelijke samenhang tussen initiatieven en (mogelijke) cumulatie van milieueffecten. De initiatieven zijn dan steeds moeilijker in te passen in de huidige structuur van het gebied.

Pagina 1 van 3

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020

Het perspectief maximale energieopwekking is een referentieperspectief. In deze samenvatting wordt dit perspectief daarom buiten beschouwing gelaten. Bij het verkennen van de perspectieven is rekening gehouden met kaders en randvoorwaarden zoals bijvoorbeeld vrijwaringsafstanden en de mogelijkheden om aan te sluiten op het elektriciteitsnet.

-

Het ruimtelijk beeld van de polder zal daarmee veranderen zonder dat over een samenhangend beeld van de polder is nagedacht.

Verwacht wordt dat het perspectief autonome ontwikkeling vanaf 1.500 TJ per jaar minder interessant en vanaf 3.500 TJ per jaar niet meer mogelijk zal zijn.

Perspectief: Integrale gebiedsontwikkeling

Financiële participatie

Bij een integrale gebiedsontwikkeling is de kans groot dat bestaande structuren aangepast worden, zodat er meer mogelijkheden ontstaan om de duurzame energieopwekking in samenhang te ontwikkelen met de andere belangen en gebiedsopgaven. Efficiënt gebruik van de ruimte is nodig aangezien het ruimtebeslag van de verschillende opgaven groter is dan de omvang van het gebied. Hoe meer zonneen windenergie er opgewekt gaat worden, hoe meer aanpassingen van bestaande structuren nodig zijn, hoe langer de doorlooptijd en hoe intensiever en complexer de samenwerking van overheden met initiatiefnemers, grondeigenaren en belanghebbenden wordt. In dit perspectief is het mogelijk om rekening te houden met gefaseerd ontwikkelen en nieuwe technieken die zich in de komende tientallen jaren aandienen.

Vergelijking perspectieven

Hoe hoger de ambitie om energie op te wekken in de Duurzame Polder, hoe groter de behoefte om bestaande structuren aan te passen. Bestaande structuren zijn bijvoorbeeld kavels (akkers en weiden), en natuurgebieden (eendenkooien). Verwacht wordt dat een aanpassing van bestaande structuren in meer of mindere mate nodig is vanaf een energieopwekking van 1.500 TJ per jaar voor de gehele Duurzame Polder. Dit zijn ongeveer 35 windmolens of 500 hectaren zonnevelden. Vanaf 3.500 TJ per jaar (60 tot 80 windmolens of 800 tot 1.150 ha zonnevelden) is een duurzame energieopwekking en het volwaardig meenemen van andere belangen en thema’s alleen nog mogelijk in het perspectief integrale gebiedsontwikkeling. Pagina 2 van 3

Om een eerlijke verdeling van lusten en lasten mogelijk te kunnen maken, zijn in de verkenning de mogelijkheden voor financiële participatie onderzocht. Voorbeelden hiervan zijn: - Omwonenden investeren via coöperaties of stichtingen in windmolens of zonnevelden. Zij ontvangen dan een rendement over hun investering; - Initiatiefnemers dragen per MWh een financiële bijdrage af aan een duurzaamheidsfonds voor investeringen in de directe omgeving. Zo profiteren ook mensen die zelf niet kunnen of willen investeren. In een vervolg op deze verkenning is het belangrijk om te onderzoeken wat de behoefte van belanghebbenden is om financieel te participeren, wat de bereidheid van initiatiefnemers is om hieraan mee te werken en welke kaders overheden hiervoor willen meegeven.

Bevoegd gezag en procedures omgevingswet

Voor de windmoleninitiatieven in de polder is het Rijk bevoegd gezag van meer dan 100 MW. In overleg kan besloten worden om de bevoegdheden van het Rijk over te dragen aan de provincie of aan de gemeenten. Voor de zoninitiatieven onder de 50 MW zijn de gemeenten bevoegd gezag. In een autonome ontwikkeling blijven de geldende bestemmingsplannen gehandhaafd. Deze staan een grootschalige realisatie van windmolens en zonnevelden niet rechtstreeks toe.

Dat betekent dat initiatieven voor de aanleg van wind- en zonneparken steeds ruimtelijk moeten worden onderbouwd, zodat het bevoegde gezag daar zorgvuldig over kan besluiten. Windinitiatieven vanaf 20 windmolens zijn dan m.e.r.-plichtig. Voor ieder initiatief zullen aparte procedures worden opgestart. Soms lopen die parallel, soms na elkaar. Belanghebbenden zullen per initiatief moeten reageren. Dat kan zowel voor bevoegde gezagen als voor initiatiefnemers en belanghebbenden onoverzichtelijk worden.

De keuze wie in een mogelijk vervolg de regie voert, is ook bepalend voor het omgevingsparticipatieproces. Wanneer de regie voor het ontwikkelen van windparken en zonnevelden bij de initiatiefnemers wordt gelaten, is het in principe ook aan hen om dit verder te organiseren. De gemeenten kunnen desgewenst ondersteunen. Wanneer gekozen wordt voor het opstellen van een programma kan het huidige omgevingsparticipatieproces worden vervolgd.

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020

Bij een integrale gebiedsontwikkeling wordt geanticipeerd op de mogelijkheden die de Omgevingswet biedt om voor het gebied één programma op te stellen. De gemeenten en provincie werken het beleid dan samen met belanghebbenden in de omgeving uit, stellen een totaalpakket aan maatregelen in ruimte en tijd vast en maken afspraken om gestelde doelen te behalen. Het vaststellen van een programma voor de Duurzame Polder is m.e.r.-plichtig. Een m.e.r. brengt de milieueffecten van het programma in beeld. Dit wordt beschreven in de vorm van alternatieven. De verwachte effecten worden beschreven in een milieueffectrapport (planMER). Zo kan het bevoegde gezag de milieueffecten bij haar afwegingen betrekken. Het op- en vaststellen van een programma duurt naar verwachting 1,5 tot 2 jaar.

Wanneer gekozen wordt voor het vaststellen van een programma zal de samenwerking tussen de gemeenten en provincie goed ingeregeld moeten worden. Dit vanwege de besluiten die op landelijk, regionaal en lokaal niveau genomen moeten worden.

Mogelijkheden voor het vervolg

Wie in het vervolg de regie voert, is bepalend voor de organisatie van een eventueel vervolg. Wanneer de regie voor het ontwikkelen van windparken en zonnevelden bij de initiatiefnemers komt te liggen, is het ook aan hen om dit in overleg met het bevoegd gezag te organiseren.

Pagina 3 van 3

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020

Figuur 1.1 Afbakening verkenningsgebied Duurzame Polder en gemeentegrens Oss – ’s-Hertogenbosch

Pagina 1 van 45

1. De Duurzame Polder 1.1 Aanleiding voor een nadere verkenning

De aanleiding voor een nadere verkenning is tweeledig. Enerzijds hebben de gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch en de provincie Noord-Brabant de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn. Energieneutraal houdt in dat alle energie die dan wordt gebruikt, duurzaam wordt opgewekt. Anderzijds zijn er diverse concrete initiatieven voor het realiseren van windmolens en/of zonnevelden in het gebied. Er zijn twee grote windinitiatieven die gezamenlijk enkele tientallen molens willen plaatsen, daarnaast zijn er meerdere zonnevelden initiatieven. Tezamen hebben de initiatieven betrekking op meer dan de helft van de grond in deze polder. Uit diverse onderzoeken blijkt dat de Lithse en Geffense, en Rosmalense en Nulandse Polder (hierna aangeduid met ‘Duurzame Polder’) in potentie geschikt is om duurzaam energie op te wekken1,2,3,4,43. De Duurzame Polder is een open gebied met veel landbouw en relatief weinig bebouwing en begroeiing. Langs de randen bevinden zich enkele dorpen en kernen. Beide gemeenten en de provincie hebben gezamenlijk geconstateerd dat afstemming in het gebied noodzakelijk is. Niet alleen over de initiatieven, maar ook over de kenmerkende waarden en de samenhang in het gebied. De gemeenten Oss en 's-Hertogenbosch en provincie Noord-Brabant werken daarom sinds 2017 met elkaar samen om de mogelijkheden te verkennen voor duurzame energieopwekking.

De samenwerking is te verdelen in twee fasen. De eerste fase vond plaats van oktober 2017 tot januari 2018.

Pagina 2 van 45

In deze periode zijn gesprekken gevoerd en beleidskaders verkend om te bezien welke mogelijkheden en belemmeringen er zijn voor een grootschalige opwekking van duurzame energie in het poldergebied.5 Geconcludeerd werd onder meer dat: - er in het algemeen een positieve houding is ten opzichte van duurzame energie en bereidheid voor deelname aan het planvormingsproces, mits dat transparant en eerlijk verloopt en de overheid daarover de regie voert; - voor de realisatie van grootschalige windmolenparken en zonnevelden een herziening van de geldende bestemmingsplannen nodig is; - er diverse belangen spelen in het gebied, zoals leefbaarheid, economische waarden, natuurwaarden (weidevogels), landschappelijke waarden, laagvliegroutes van Defensie. Deze conclusies waren voor de gemeenteraden van Oss en ’sHertogenbosch en Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant aanleiding om gezamenlijk een tweede fase (hierna te noemen: Verkenning) uit te voeren om in beeld te brengen welke bredere gebiedsopgaven er zijn en op welke manieren de Duurzame Polder zich zou kunnen ontwikkelen6,7.

1.2 Verkenningsgebied

De Duurzame Polder bevindt zich tussen Rosmalen, Nuland, Geffen, Oss, Lith en Maren-Kessel. Globaal strekt het gebied zich uit van de bebouwde kern van Rosmalen in het westen naar die van Oss in het oosten en de Maas in het noorden naar de Kruisstraat, Heeseind en de spoorlijn in het zuiden (zie figuur 1.1).

De bebouwde kernen van Lith, Lithoijen, Maren-Kessel en het Wild liggen binnen de grenzen van het verkenningsgebied, maar zijn buiten beschouwing gelaten als het gaat om de opwekking van duurzame energie. Ook de stedelijke uitbreidingsgebieden van Oss en Rosmalen zijn buiten beschouwing gelaten.

1.3 Doel van de Verkenning

In de Verkenning staan de volgende punten centraal: - de wijze waarop en de mate waarin een duurzame energieopwekking middels zonnevelden en windmolens in de Duurzame Polder mogelijk is; - de kansen die zich voordoen voor een breder gebiedsproces om kwaliteiten op agrarisch, ecologisch, cultuurhistorisch, landschappelijk en recreatief vlak te verhogen; - creëren van maatschappelijke meerwaarde; - de kaders/randvoorwaarden die hiervoor gelden; - de mogelijkheden die er voor de overheden zijn om te sturen in een eventuele vervolgprocedure; - de eventuele vervolgprocedure.

Tijdens de Verkenning zijn drie perspectieven uitgewerkt en vergeleken voor de Duurzame Polder: 1. autonome ontwikkeling; 2. maximale energieopwekking; 3. integrale gebiedsontwikkeling.

1.4 Proces en participatie

In het verkenningsgebied spelen veel verschillende belangen. Daarom is gekozen voor een open plan- en omgevingsparticipatieproces. Dat houdt in dat bewoners, bedrijven, belangenorganisaties, initiatiefnemers en andere belanghebbenden tijdens de Verkenning in de gelegenheid zijn gesteld om: - kennis te nemen van het proces, de verkregen inzichten en de (tussen)resultaten; - hun belangen in te brengen. Daarvoor zijn er bijeenkomsten met bewoners, themasessies met stakeholders en een gezamenlijke bijeenkomst met raads- burger- en statenleden georganiseerd. Er is een Platform Wijk- en Dorpsraden, een Platform Initiatiefnemers en een Klankbordgroep ingesteld. Daarnaast heeft de omgevingsmanager van de Duurzame Polder bilaterale gesprekken gevoerd (zie bijlage B voor een uitgebreid overzicht). Daarnaast is er overleg gevoerd met TenneT, Enexis, Defensie, het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en met de projectleider van de Regionale Energie Strategie (RES) Noordoost Brabant.

Pagina 3 van 45

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020

De nadruk in deze Verkenning ligt op de grootschalige energieopwekking met wind en zon. Andere vormen van duurzame energieopwekking, zoals waterkracht, bodemenergie en bio-energie, bieden op dit moment nog te weinig mogelijkheden om de gestelde doelen te behalen.3,12,13

Het doel is dat de gemeenteraden van ’sHertogenbosch en Oss en Gedeputeerde Staten gezamenlijk een voorkeursontwikkelperspectief en hun rol bij het gekozen perspectief vaststellen.8 Door samen één voorkeursontwikkelperspectief te kiezen, geven de gemeenten Oss en 's-Hertogenbosch en de provincie Noord-Brabant gezamenlijk richting aan mogelijke ontwikkelingen in de Duurzame Polder. Dit eindrapport bevat informatie die nodig is om tot een gezamenlijk besluit hiervoor te komen.

Figuur 1.2 Een van de bewonersbijeenkomsten over de Duurzame Polder, juni 2019.

Verder heeft communicatie plaatsgevonden middels bewonersbrieven (35.000 in gemeente Oss, 17.000 in gemeente ’s-Hertogenbosch), via sociale media, huis-aan-huis bladen en de officiële communicatiekanalen van de gemeenten. Sinds juni 2019 is er een website met informatie over de Duurzame Polder (www.duurzamepolder.nl) en een Facebook- en Twitteraccount. Het gevoerde omgevings-participatie en communicatieproces heeft geleid tot een grotere bewustwording over de mogelijke grootschalige veranderingen in het poldergebied. In Rosmalen is de bewonersgroep ‘Groen in Zicht’ opgericht en in Lith de bewonersgroep ‘Behoud Lithse Polder’. Zo heeft de Verkenning veel inzicht opgeleverd in de belangen die spelen in het gebied. Meningen, ideeën, wensen en zorgen over mogelijke ontwikkelingen zijn meegenomen in dit eindrapport (zie paragrafen 2.4 en 2.5). In bijlagen D en E zijn uitgebreide verslagen opgenomen van diverse bewonersbijeenkomsten.

Pagina 4 van 45

1.5 Leeswijzer

In dit eindrapport en de bijlagen wordt het volgende beschreven: - Hoofdstuk 2 schetst de energieambities en, thema’s voor de Duurzame Polder en de belangen in de directe omgeving; - Hoofdstuk 3 vat relevante kaders en randvoorwaarden samen, waarmee rekening gehouden moet worden; - Hoofdstuk 4 licht de perspectieven toe en bevat een conclusie; - Hoofdstuk 5 beschrijft de procedures en regelgeving die van toepassing zijn bij een eventueel vervolg; - Hoofdstuk 6 onderbouwt aandachtspunten voor een eventueel vervolg op deze Verkenning. Dit eindrapport en de bijlagen zijn de onderlegger voor de oplegnotitie waarin een voorstel aan beide gemeenteraden en Gedeputeerde Staten wordt gedaan voor het voorkeursontwikkelperspectief.

Figuur 1.3 Impressie huidige situatie Duurzame Polder

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020 Pagina 5 van 45

Eenheden uitgelegd In dit kader volgt een korte uitleg over de verschillende energie-eenheden. Deze nota maakt onderscheid tussen de hoeveelheid energie en vermogen (de hoeveelheid energie per seconde of per jaar). Hoeveelheid energie 1 Petajoule (PJ) is gelijk aan:  1.000 Terra joule (TJ)  1 x 109 Megajoule (MJ)  1 x 1015 Joule (J)  2,78 ×105 Megawattuur (MWh)  0,28 Terra wattuur (TWh) Met windmolens en zonnevelden kan energie worden opgewekt. De mate waarin, hangt af van de weersomstandigheden en kan sterk variëren in de tijd. In dit eindrapport wordt daarom uitgegaan van gemiddelden:  1 windmolen levert gemiddeld ca. 43 TJ per jaar (= ca. 12.000 MWh).  1 hectare (ha) met zonnepanelen levert gemiddeld ca. 3,04 TJ per jaar (= 850 MWh). Dit zijn de gemiddelden waarmee de Regionale Energiestrategie (RES) rekent. De gemeente Oss baseert de berekening van haar energieopgave op de cijfers van CE Delft. Dit zijn andere gemiddelden12,14. Vermogen 1 J per seconde (J/s) = 1,0×10-6 Megawatt (MW) 1 PJ per jaar (PJ/j) = 31,7 MW 1 TJ per jaar (TJ/j) = 0,0317 MW Gebaseerd op het plan voor windpark Elzenburg-De Geer. Hier wordt voor een moderne windmolen met een tiphoogte van 200 tot 245 meter gerekend met een vermogen van ca. 4,5 MW. Zonnevelden hebben een vermogen van gemiddeld ca. 0,9 MW per ha.

Pagina 6 van 45

2. Ambities, thema’s en belangen 2.1 Inleiding

De gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch en de provincie Noord-Brabant hebben ambities op het gebied van duurzame energieopwekking. Deze ambities worden in dit hoofdstuk toegelicht. Ook wordt de samenhang met het Klimaatakkoord en de Regionale Energiestrategie uitgelegd. Daarnaast worden de thema’s die spelen in de Duurzame Polder en de belangen van bewoners, belangenorganisaties en initiatiefnemers beschreven. De belangen van Enexis, TenneT en Defensie zijn opgenomen in paragrafen 3.3 en 3.4. Het belang van het ministerie van EZK komt aan de orde in hoofdstuk 5.

2.2 Energieambities overheden

Energieopgave Oss Oss heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te worden.9,10,11,12,14 Als eerste mijlpaal van deze ambitie moet de gemeente in 2023 al 16% van de gebruikte energie duurzaam opwekken. Het energieverbruik van de gemeente Oss is berekend op 7.498 Terrajoule (TJ).14 In 2050 wil de gemeente hiervan 50% besparen, o.a. met zonnepanelen op daken van huizen, van openbare gebouwen en van bedrijven. Verder wil de gemeente dan: - 25% duurzaam opwekken op eigen grondgebied door middel van o.a. windmolens en zonnevelden; - 25% extern duurzame energie inkopen. Dit betekent dat in totaal 3.749 TJ energie opgewekt moet worden, waarvan 1.875 TJ op Oss’ grondgebied.

Energieopgave ‘s-Hertogenbosch De gemeente ‘s-Hertogenbosch wil in 2050 klimaatneutraal zijn.1,15 De gemeente richt zich in haar klimaatbeleid vrijwel uitsluitend op verduurzaming van de energievoorziening. Zonder maatregelen zal het energiegebruik van ‘s-Hertogenbosch in 2050 waarschijnlijk circa 18.000 Terra joule (TJ) bedragen. Het meest waarschijnlijke scenario wijst uit dat daarvan ongeveer 8.000 TJ kan worden bespaard. Het resterende deel wordt in dat scenario als volgt ingevuld: - 500 TJ duurzame energie halen van buiten de gemeentegrenzen; - 800 TJ opwekken op eigen grondgebied met zon op daken; - 2.200 TJ grootschalig opwekken op eigen grondgebied met zon en wind; - 6.500 TJ restopgave. Voor de restopgave in het overzicht (circa 6.500 TJ) zoekt de gemeente de komende jaren naar een passende invulling.

2.3 Samenhang met het Klimaatakkoord en de Regionale Energie Strategie (RES)

In het Klimaatakkoord van Parijs hebben 195 landen, inclusief Nederland, afgesproken om in 2050 de stijging van de gemiddelde wereldtemperatuur te beperken.

Figuur 2.1 Regio’s van de Regionale Energie Strategieën in de provincie Noord-Brabant

Gemeenten bepalen in overleg hoeveel duurzame energie zij in de eigen regio kunnen opwekken en welke projecten daarvoor nodig zijn. Dat wordt meegenomen in een regionaal RES-bod. Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat projecten uit het RES-bod uiterlijk op 1 januari 2025 vergund moeten zijn op eigen grondgebied. De Duurzame Polder is één van de projecten die mogelijk onderdeel uitmaken van het bod vanuit de gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch. De uitkomsten van deze Verkenning worden meegenomen in de RES Noordoost Brabant. Tijdens de verkenning is er voortdurend afstemming geweest met de RES Noordoost Brabant.

Pagina 7 van 45

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020

Provinciale energieagenda De provincie Noord-Brabant heeft de ambitie om in 2050 in Brabant 100% duurzame energie en een reductie van 90% van de CO2-uitstoot ten opzichte van 1990 te bereiken.16,16 Als tussendoelstelling wil de provincie in 2030 50% van de benodigde energie betrekken uit duurzame bronnen.

Op 28 juni 2019 verscheen het nationale Klimaatakkoord, waarin de doelen van Parijs voor Nederland verder zijn uitgewerkt.19 Eén van de afspraken is dat de elektriciteitsproductie uit duurzame bronnen op land in 2030 tot 35 TWh wordt opgeschaald. Dit is 126.000 TJ. Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen spraken af om daarvoor regionale energiestrategieën (RES) uit te werken. Nederland is opgedeeld in 30 RES-regio’s. De gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch zijn aangesloten bij de RES Noordoost Brabant (zie figuur 2.1).

Figuur 2.2 Schematische samenhang (inter)nationaal, regionaal en lokaal energiebeleid.

2.4 Balans met andere thema’s

Zoals elk landschap is ook de Duurzame Polder continu aan verandering onderhevig. In bijlage A is meer informatie te vinden over de diverse transities die de Duurzame Polder de afgelopen eeuwen al heeft doorgemaakt. Het opwekken van duurzame energie is mogelijk een start van weer een nieuwe transitie: een transformatie van het gebied met een gewijzigde bestemming voor de komende periode. In deze paragraaf wordt toegelicht welke thema’s van belang zijn in het gebied. Met deze thema’s zal een balans gevonden moeten worden wanneer besloten wordt tot een grootschalige energieopwekking in de Duurzame Polder. Hiertoe behoren kwaliteit van de woon- en leefomgeving en gezondheid, landbouw, biodiversiteit, water, klimaatadaptatie, cultuurhistorie, landschap, recreatie, en verstedelijking.

Pagina 8 van 45

Kwaliteit woon- en leefomgeving en gezondheid De polder is weids en open. De kilometerslange vergezichten zijn kenmerkend voor het gebied. Omwonenden waarderen de polder vanwege de rust en de ruimte die er te vinden is. Het plaatsen van windmolens en zonnevelden zal impact hebben op de directe en wijde omgeving. Zo kan het plaatsen van windmolens leiden tot beperking van de kwaliteit van de woonen leefomgeving, omdat het woongenot negatief wordt beïnvloed door horizonvervuiling, hinder van geluid en slagschaduw die windmolens produceren. Zonnevelden zouden mogelijk een lichtschittering kunnen veroorzaken. Voor meer informatie over hinder en gezondheid wordt verwezen naar paragraaf 3.2.

Landbouw De Duurzame Polder omvat 4.200 hectare landbouwgrond en is van oudsher een florerend landbouwgebied waarbij melkveehouderijen sterk vertegenwoordigd zijn. De grootschaligheid, openheid en vruchtbare gronden bieden een uitstekende basisinfrastructuur voor de landbouw ter plaatse. Op dit moment wordt er discussie gevoerd over de transitie van de landbouw. De uitkomsten hiervan zouden invloed kunnen hebben op de ontwikkelingen in de polder. Maar er zijn ook mogelijkheden voor agrariërs om te zoeken naar aanvullende of nieuwe verdienmodellen. De landbouw heeft te maken met problemen door de uitstoot van stikstof, de aanwezigheid van poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) in de bodem en de steeds strenger wordende wet- en regelgeving. Gevolg hiervan is dat er steeds vaker agrariërs stoppen omdat het financieel niet meer rendabel is. Andere redenen waarom boeren stoppen zijn het ontbreken van opvolging en het onzekere businessmodel. Daardoor komt agrarische bebouwing vrij (ook wel VAB’s genoemd).

Natuur en biodiversiteit Binnen de polder maken diverse percelen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant, waaronder enkele ecologische verbindingszones zoals de Roode Wetering, de Hertogswetering en de Hoefgraaf. De polder is één van de weinige gebieden in Brabant waar nog een gezonde populatie weide- en akkervogels voorkomt. De grutto, kievit, patrijs en tureluur zijn soorten die hier in het voorjaar broeden in natte weilanden en op akkers. In de polder overwinteren ook veel watervogels. De tendens is echter dat de aantallen kievieten en grutto’s sterk teruglopen. Voor het behoud van de weidevogels hebben grondgebruikers in het weidevogelbeheersgebied de mogelijkheid om beheersovereenkomsten af te sluiten.

Pagina 9 van 45

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020

Daartegenover staat de schaalvergroting, waarmee sommige agrariërs grote en vaak verschillende boerderijen verbinden aan hun bedrijf. Hiermee blijft de grond een agrarisch gebruik houden. In het ruimtelijk beleid van de gemeente Oss behoort een groot deel van de Lithse en Geffense Polder primair tot agrarisch gebied. In dit gebied staat het behoud en versterken van de agrarische productiestructuur voorop. De gemeente Oss gaat tot nu toe terughoudend om met nevenactiviteiten en omschakeling, om te voorkomen dat agrarische bedrijven belemmerd worden.

Energyfarming biedt wel mogelijkheden voor combinatie met de landbouwkundige functie zonder dat er belemmeringen optreden voor de agrariërs. Hoewel het wel een effect kan hebben op het grondgebruik voor het telen van veevoer of gewassen. Bij de transitie van de landbouw met aanvullende of nieuwe verdienmodellen valt te denken aan: - verbreding van de landbouw naar recreatie en natuur- en landschapsbeheer; - verbreding naar energyfarming, waarbij agrariërs zich richten op de productie van duurzame energie in combinatie met landbouwkundige functies; - verduurzaming van de landbouw zoals kringlooplandbouw, en natuurinclusieve landbouw; - technologische ontwikkelingen waarbij ook verdergaande schaalvergroting mogelijk wordt.

Figuur 2.3 Hotspotkaart broedvogels agrarisch gebied provincie Noord-Brabant20

De historische eendenkooien in de Lithse polder zijn verborgen eilanden van rust voor veel diersoorten. Periodiek verblijven er diverse soorten roofvogels, zoals de zeldzame velduil. In de poldersloten leeft de beschermde grote modderkruiper. Ook zijn er diverse soorten vleermuizen in het verkenningsgebied aanwezig. In Noord-Brabant worden meer dan 1.000 planten en dieren bedreigd in hun voortbestaan omdat hun leefgebied in kwaliteit en omvang achteruit is gegaan. Daarom neemt de provincie maatregelen voor het behoud en herstel van de biodiversiteit in de leefgebieden van bedreigde soorten. Het verkenningsgebied biedt in dat opzicht veel kansen. Het weidevogelgebied kan versterkt en vergroot worden. Door de aanleg van kavelgrensbeplantingen op de oeverwal wordt het kleinschalige verkavelingspatroon benadrukt en kunnen droge ecologische verbindingszones ontstaan. Deze linten zijn voor bijen en vlinders van groot belang. In de polder wordt gestreefd naar natte natuur in de vorm van moerassen, plasdrasgebieden en sloten met flauwe oevers. Pagina 10 van 45

In bermen en langs sloten kunnen ook droge verbindingen worden aangelegd. Het programma Groene Delta voorziet in de ontwikkeling van een robuust netwerk van natuur in en rond de stad. Het westelijk deel van de Duurzame Polder maakt hier onderdeel van uit.18 Onderzoek van SOVON20 wijst uit dat de combinatie van windmolens en weide- en akkervogels zich in dit gebied niet goed tot elkaar verhouden. Windmolens leiden tot aanvaring (tegen de molens aanvliegen) en een bepaalde mate van verstoring (verplaatsing, vermijding en uitwijking). Een brede range aan soorten vogels die voorkomen in open agrarisch gebied vertoont een afname bij de aanwezigheid van windmolens. Het meest gevoelig lijken broedende weidevogels en overwinterende zwanen en ganzen. SOVON geeft aan dat de exacte effectafstand van windmolens niet aan te geven is, maar het is waarschijnlijk dat effecten te verwachten zijn tot op ruim een kilometer afstand van de windmolens.

Een compensatie van de verstorende effecten is waarschijnlijk mogelijk voor de meeste soorten wanneer op voldoende afstand van de windmolens een kwalitatief goede habitat voor de vogels wordt ingericht en deze duurzaam (niet vrijblijvend) wordt beheerd. Een aanduiding als reservaatgebied (borging) ligt dan ook in de rede. Om de risico’s op aanvaring te beperken, lijkt het gebruik van minder, maar grotere windmolens en het plaatsen van molens in clusters effectief. Zonnevelden kunnen bij bedekking van de bodem of op water een negatieve impact hebben op soorten die op of in de bodem en in het water leven. Met name door het verminderen van licht en regenval op de bodem kan vegetatie en daarmee het bodemleven afnemen. Dit kan verarming van de bodem en daarmee beperking van foerageermogelijkheden tot gevolg hebben. Zonnevelden zijn van invloed op weidevogels: de zonnepanelen vormen goede plekken voor predatoren en daarnaast neemt het foerageergebied voor weidevogels af.

Ten noorden en zuiden van de Hertogswetering liggen natte ecologische verbindingszones met opgaves voor realisatie van Kaderrichtlijn Water doelen. Het noordelijk deel van het verkenningsgebied staat onder invloed van kwel vanuit Maas en de Waal, waarbij de kwel tot problemen leidt voor het watersysteem. Aan weerszijden van de wetering liggen reserveringen voor regionale waterberging.

In de Duurzame Polder speelt de grondwaterstand een belangrijk rol. Waterschap Aa en Maas beheert de waterstanden voor landbouw en natuur. Het gebied is ook belangrijk voor drinkwatervoorziening. De aanwezigheid van het waterwingebied Lith van Brabant Water stelt beperkingen aan wat mogelijk is binnen het gebied, zeker ook ten aanzien van maatregelen in de bodem. Rond de winningslocatie ligt een beschermingszone. Rond de Maas speelt een grote waterveiligheidsopgave. In het traject Ravenstein-Lith (Meanderende Maas) loopt een planstudie om de dijken te versterken en de rivier te verruimen. Op enig moment zal ook het traject Lith – ‘s-Hertogenbosch worden aangepakt. Klimaatadaptatie Klimaatverandering en de daaruit volgende extreme weersomstandigheden hebben gevolgen voor de manier waarop we in Brabant wonen en werken. Het beïnvloedt onze gezondheid, de leefbaarheid van onze omgeving, onze natuur en economie. De urgentie van klimaatadaptatie is dus groot: het (her)inrichten van onze leefomgeving zodat we beter kunnen omgaan met de gevolgen van klimaatverandering. In het verleden gaf de Beerse Overlaat hier al invulling aan en dit biedt een kans in het vervolg. Om Nederland zo goed mogelijk voor te bereiden op extremer weer heeft de Rijksoverheid de Nationale Klimaatadaptatiestrategie opgesteld.

Pagina 11 van 45

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020

Water Het gebied kent een oud en ingenieus systeem van waterlopen. De Hertogswetering ligt als karakteristiek element midden in het plangebied en is een ecologische verbindingszone. Het voert water van buiten de polder af.

Met de huidige klimaatverandering kan het belang en de urgentie van deze reserveringen voor ’s-Hertogenbosch en Oss toenemen. Water kan er worden opgespaard voor droge tijden of worden verzameld en gereguleerd in natte tijden.

Hierin vraagt het Rijk alle provincies het voortouw te nemen bij het opstellen van regionale klimaatadaptatiestrategieën.

-

Cultuurhistorie De strijd tegen het water en de voortdurend terugkerende overstromingen van de Beerse Maas hebben de inrichting en het gebruik van de polder bepaald. Het verkenningsgebied valt voor een groot deel in het overlaatsysteem van de Beerse Overlaat. Deze overlaat bestaat al 700 jaar en is de grootste in zijn soort in Nederland. Vroeger was het gebied een belangrijke schakel in de Zuiderwaterlinie. Deze linie werd gevormd door een aaneenschakeling van vestingsteden en andere verdedigingswerken die tussen 1582 en 1952 zijn gebouwd. De provincie Noord-Brabant en de gemeenten langs de Zuiderwaterlinie streven naar herstel van de linie en willen deze meer bekendheid geven. Bij nieuwe ontwikkelingen betekent dit dat kansen benut moeten worden om de onderlinge samenhang met de Linie te verbeteren. De dorpen langs de Maas zijn cultuurhistorisch waardevol. Hier zijn veel monumenten, historische groenstructuren, historische geografische lijnen en vlakken, en archeologische vindplaatsen aanwezig.

Het verkenningsgebied valt volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie onder ‘Cultuurhistorisch landschap ‘Beerse en Baardwijkse Overlaat’.21 De provincie Noord-Brabant streeft naar: - versterking van het landschappelijke contrast tussen de open poldergebieden en de fijnmazige verkavelingen met de overgangen naar oeverwallen en zandgronden; - behoud en versterking van het groene, open karakter van de Beerse Overlaat; Pagina 12 van 45

-

behoud en beleefbaar maken van eendenkooien, dijken, waterlopen, wielen, en terpen; versterking van de vrije ligging van de Hertogswetering als structuurdrager van het rivierkleigebied; versterking van de natuur- en moeraszone langs de Hertogswetering.

Landschap De dorpen langs de Maas liggen op de zogenaamde oeverwal, een hoger gelegen zandrug met een kleinschalig en besloten landschap met veel landschapselementen. De polder zelf is grootschalig en open. Hier zijn de kilometerslange vergezichten kenmerkend. Aan de zuidzijde van de polder zijn ook weer hoger gelegen zandgronden met een meer besloten landschap aanwezig, de zo genaamde dekzandruggen. Recreatie De meeste recreatie in de Duurzame Polder speelt zich af op de oeverwal langs de Maas. Hier zijn aantrekkelijke routes met diverse bezienswaardigheden te vinden. Kleine dorpen, historische bebouwingen, enkele horecagelegenheden, verblijfsrecreatie en pontjes naar de overkant. In het open poldergebied wordt gefietst, maar dit gebied is niet echt gericht op recreatie. De dekzandrand en –rug ten zuiden van het gebied kennen weer een hoger recreatief gebruik, omdat het landschap hier aantrekkelijker is en er meer bezienswaardigheden zijn. Verstedelijking De groei van de stedelijke gebieden verloopt met name in oostwest richting en volgt daarmee de landschappelijke onderlegger: de oostwest gelegen hoger gelegen dekzand rug.

Met als gevolg dat de stedelijke gebieden van Oss en ’s-Hertogenbosch in elkaars richting bewegen. Aan de oostzijde van Rosmalen verrijst de nieuwbouwwijk De Groote Wielen. De eerste fase is nog volop in uitvoering. Als deze fase af is, staan er ruim 4.300 woningen. De komende jaren komen daar in de noordoostelijke hoek nog 1.800 tot 2.300 woningen bij. In de periode tot en met 2028 is er in Oss een woningbouwopgave van 1.000 woningen aan de westzijde van de stad. Daarbij wordt voortgeborduurd op de bestaande structuur van de stad. De lange groene lobben die diep de stad indringen blijven verbonden met het buitengebied. Ook de tussenliggende kern Geffen heeft nog een woningbouwopgave.

2.5 Belangen

Tijdens de verkenning hebben veel belanghebbenden hun belang ingebracht. Deze belangen zijn ook terug te lezen in bijlagen C, D en E. We onderscheiden de volgende belangen:

saamhorigheid, goede relaties en aandacht voor elkaar blijven bestaan.

In Lith (Behoud Lithse Polder) en Rosmalen (Groen In Zicht) zijn twee bewonersgroepen opgericht. Belangen landbouw Voor een deel van de agrariërs biedt het toevoegen van zonne- en windenergie een nieuw verdienmodel en een toekomstperspectief. Dit geldt niet voor alle agrariërs. De belangen van de landbouw richten zich verder vooral op het behoud van goede landbouwgrond voor voedselproductie. Daarnaast is de landbouw een economische motor voor bedrijvigheid om de landbouw heen. Belangen natuur, landschap en biodiversiteit De belangen van natuur, landschap en biodiversiteit gaan over het behoud en de ontwikkeling van het weidevogelgebied (plas-dras gebieden), de bescherming van trek- en foerageerroutes van vleermuizen en vogels, de versterking van de biodiversiteit, het behoud en de verbetering van ecologische verbindingszones en omslag naar kringlooplandbouw en natuur-inclusieve landbouw. Belangen water Overheden en belangenorganisaties die gaan over water, behouden graag een veilig en bewoonbaar gebied, met gezond, natuurlijk en voldoende water in het gebied, scheepvaart op de Maas en een goede drinkwaterwinning. Een transitie van de landbouw is van belang voor klimaatverandering (bodem) en het verbeteren van de waterkwaliteit.

Pagina 13 van 45

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020

Bewonersbelangen Voor een groot aantal bewoners staat het behoud van woongenot met rust en ruimte van de polder op gespannen voet met grootschalige energieopwekking. Ze vrezen dat het open landschap ingrijpend gaat veranderen, dat de waarde van hun woningen zal dalen en dat windmolens en zonnevelden hinder en problemen met hun gezondheid zullen veroorzaken. Mocht duurzame energieopwekking onvermijdelijk blijken, dan willen omwonenden in ieder geval dat: - zij mee kunnen doen in de planvorming; - lusten en lasten eerlijk verdeeld worden; - er een energiecoöperatie komt; - er rustig gewoond kan worden;

-

Belangen cultuurhistorie De belangen van cultuurhistorie zijn gericht op het behouden en versterken van erfgoedwaardes (openheid, waterstructuren en agrarisch gebruik) en bescherming van het bodemarchief. Daarnaast spelen het behoud en de ontwikkeling van de Zuiderwaterlinie en de interactie van de linie met het stroomgebied van de Beerse Overlaat. Andere belangen zijn het behoud van de eendenkooien en de relatie met weidevogelgebieden, de Lithse dorpspaden en onverharde wegen en de Maasoevers met de meanderende dorpenstructuur op de dijk. Belangen recreatie Organisaties die het recreatief belang behartigen hebben aangegeven dat de randen van het poldergebied interessant zijn (waaronder recreatiewoningen langs Maasdijkzone), maar dat de polder zelf op dit moment weinig te bieden heeft. Het is voornamelijk een uitloopgebied voor de dorpen en de steden, gericht op wandelen, fietsen, sporten en vissen. Belangen wijk- en dorpsraden De wijk- en dorpsraden vinden een open en transparant gebiedsproces belangrijk, zonder stelling te nemen voor of tegen zonne- of windenergie. Ze hechten belang aan het ophalen van bewonersbelangen, waaronder gezondheid, leefbaarheid, natuur, landbouw en recreatie, waarbij niets doen aan duurzame energieopwekking geen optie is. Belangen van initiatiefnemers In de Duurzame Polder zijn twee windmoleninitiatiefnemers van gezamenlijk 46 tot 56 windmolens.

En er is een aantal initiatieven voor zonnevelden van honderden hectaren. ii

De SDE++ subsidie voor wind- en zonne-energie wordt de komende jaren afgebouwd

Pagina 14 van 45

Voor de initiatiefnemers van windmolens en zonnevelden is voortgang van besluitvorming over hun initiatief van belang. Voor alle initiatiefnemers in het verkenningsgebied geldt op dit moment echter dat hun initiatief tot nadere besluitvorming niet in behandeling wordt genomen. Voor veel initiatiefnemers is dit frustrerend, omdat zij graag zien dat hun initiatief doorgang vindt. Zo lang hun initiatief niet vergund is, kunnen zij geen aanspraak maken op SDE++ subsidiei. Deze subsidie wordt door het Rijk verstrekt voor het stimuleren van duurzame energieopwekking. Daarnaast is de netcapaciteit op de bestaande stations van Enexis beperkt. Mochten de gemeenten initiatieven ontvangen die buiten het verkenningsgebied vallen en waaraan vergunning wordt verleend, dan kunnen deze initiatieven eerder een beroep doen op de beschikbare netcapaciteit. Dit is nadelig voor de initiatiefnemers in de Duurzame Polder. De initiatiefnemers stellen dat hoe langer het duurt voor zij een vergunning krijgen, hoe groter de kans dat kostbare voorzieningen nodig zijn om op het elektriciteitsnet aan te kunnen sluiten. De initiatiefnemers van windmolens vinden het niet wenselijk dat bestaande structuren van de polder aangepast worden. Alle initiatiefnemers hebben behoefte aan een duidelijke zonering van plaatsen waar ruimte is voor zon en plaatsen waar ruimte is voor wind.

Een aantal zoninitiatiefnemers heeft hiervoor een concreet voorstel gedaan. Belangen defensie In paragraaf 3.4 is het belang van defensie nader beschreven.

Figuur 2.4 Impressie huidige situatie Duurzame Polder

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020 Pagina 15 van 45

3. Kaders en randvoorwaarden 3.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft aan wat de (wettelijke) kaders en randvoorwaarden zijn waar de Duurzame Polder mogelijk mee te maken gaat krijgen. Het betreft hier onder meer hinder en gezondheid bij windmolens, molenaarswoningen, de aansluiting op het elektriciteitsnet, radar- en laaggevlieggebied en financiële participatie.

3.2 Hinder en gezondheid bij windmolens

Het geluid van windmolens is beperkter dan van andere bronnen, zoals verkeer en industrie, maar wordt eerder als hinderlijk ervaren. Dit komt vooral door het karakter van het geluid, het zoeven en zwiepen. De mate waarin molens geluid produceren hangt af van de hoogte, het type en innovaties die zijn toegepast. Er gelden wettelijke grenswaarden voor de hoeveelheid geluid die een windmolen bij bijvoorbeeld een woning mag produceren. Deze grenswaarden worden uitgedrukt in ‘Lden’ en ‘Lnight’. Dat zijn jaargemiddelde geluidsniveaus waarbij rekening wordt gehouden met een verschil in geluidsgevoeligheid tussen de dag-, avond- en nachtperiode. De Lden en Lnight-waarden worden vaak inzichtelijk gemaakt door middel van contouren: lijnen op de omgevingskaart die in één oogopslag aangeven tot waar de 41 en 47 dB(A) waarden komen. Wettelijk mag de geluidsbelasting op een gevel van de woning niet meer bedragen dan 47 dB Lden (een gemiddelde van de geluidsbelasting overdag, ’s avonds en ’s nachts) en mag die in de nacht niet groter zijn dan 41 dB Lnight.

Pagina 16 van 45

Ook wordt er gesproken over zorgen over laagfrequent geluid. Op nationaal niveau maakt RIVM de bestaande kennis hierover beter toegankelijk en beziet of nader onderzoek nodig is. Op basis van de uitkomsten hiervan wordt een beslissing over eventuele verdere beleidsontwikkelingen genomen.45 Voor slagschaduw geldt dat de norm ligt op 17 dagen per jaar 20 minuten slagschaduw op de gevel van de woning. In de rechtspraak wordt vaak een maximale duur van 6 uur gehanteerd30.30 Mogelijke gezondheidsrisico’s van windmolens zijn en worden onderzocht door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de GGD ’s, het RIVM en het ministerie van EZ. De WHO heeft op 10 oktober 2018 ‘Environmental Noise Guidelines for the European Region’ uitgebracht. Daarin geeft de WHO een ‘voorwaardelijk’ advies om de blootstelling aan geluidniveaus van windmolens te reduceren tot 45 dB Lden. Voor de afstand tussen windmolens en individuele woningen worden de volgende vuistregelafstanden gehanteerd: - Een vuistregelafstand van 180 m die is ingegeven door regelgeving voor externe veiligheid. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de betreffende woning(en) bij de inrichting van het windpark horen. Dit zijn de zogenaamde molenaarswoningen (zie kader). - Een vuistregelafstand van 400 meter voor de minimale afstand tot woningen waarbij in de praktijk aan alle wettelijke milieunormen (zoals geluid) kan worden voldaan.

Molenaarswoningen Molenaarswoningen zijn woningen die onderdeel uitmaken van, en behoren bij de ‘inrichting’ van het windmolenpark. De eigenaar van de woning sluit dan een beheer-overeenkomst met de vergunninghouder, hij wordt medeexploitant van het windpark en doet afstand van de bescherming voor geluid en andere vormen van hinder. Mits aan bepaalde criteria met betrekking tot aantallen en opstelling van windmolens wordt voldaan, gelden voor molenaarswoningen de hinderbeperkende normen niet en wordt uitgegaan van de regels voor externe veiligheid. De afstand tussen de molens en de molenaars-woningen bedraagt dan minimaal 180 m. Daardoor ontstaat dus ook meer ruimte voor het plaatsen van windmolens in het gebied. Als gevolg van uitspraken van de Raad van State is het aantal molenaarswoningen per windpark beperkt.

3.3 Netaansluiting

TenneT en Enexis Uit gesprekken met Enexis en TenneT blijkt dat op dit moment (najaar 2019) onvoldoende capaciteit beschikbaar is om grootschalige wind- en zonneparken aan te sluiten. Bij een opgesteld vermogen van meer dan 300 MW (ca. 65 windmolens of 325 hectare zonnepanelen) is het wenselijk het opgewekte vermogen direct te transporteren naar het 380 kVhoogspanningsnet. Daarvoor zijn tal van nieuwe 150kV-stations en verbindingen noodzakelijk. Deze uitbreidingen zouden dan ruimtelijke impact hebben op zowel de Duurzame Polder als daarbuiten. Netbeheerders verdisconteren de kosten voor dergelijke (diepere) netinvesteringen in het energietarief. Zo worden de kosten omgeslagen naar de energieverbruikers. Wanneer de aansluitmogelijkheden buiten het gebied gelegen zijn, kan het zijn dat de kosten ten laste van het initiatief komen. Daarbij kan het gaan om hoge kosten26. De voorbereidingstijd voor een netaansluiting van minder dan 300 MW wordt geschat op 3 tot 7 jaar. De voorbereidingstijd voor meer dan 300 MW wordt geschat op 7 tot 10 jaar. In het kader van de RES (zie paragraaf 2.3) wordt bezien of, en hoe de aansluitcapaciteit van het elektriciteitsnetwerk in Noordoost Brabant efficiënt is te vergroten en initiatieven zijn te flexibiliseren. Pagina 17 van 45

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020

De businesscase en de voorbereidingstijd van initiatieven voor wind- en/of zonneparken wordt sterk beïnvloed door de netaansluiting. Initiatiefnemers kunnen gebruik maken van de capaciteit die op het elektriciteitsnet aanwezig is. Daarvoor geldt het principe ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. Wanneer onvoldoende capaciteit op het net aanwezig is, geldt een afwegingskader om te bepalen of een netverzwaring nodig is.22 De kosten van een aansluiting vanaf de locatie van het initiatief naar het netstation, komen dan vaak voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer de netcapaciteit onvoldoende blijkt, kan de netbeheerder dit knelpunt oplossen door te investeren in extra netcapaciteit (netverzwaring).

Dat kan door middel van nieuwe aansluitvelden op een bestaand of nieuw station en/of door het verzwaren van bestaande verbindingen of het aanleggen van nieuwe verbindingen in het gebied. Ook is het denkbaar om de initiatiefnemer te vragen het gewenste transportvermogen aan te passen. Dat kan bijvoorbeeld door lokale energieopslag, door opgewekte energie lokaal te benutten of door een tijd gestuurde aanpassing van de opwekcapaciteit.

Aansluiting elektriciteitsnet Of en in welke mate uitbreiding van de netinfrastructuur noodzakelijk is, hangt af van het op te stellen vermogen van het wind- of zonnepark en de beschikbare netcapaciteit ter plekke. De beschikbare netcapaciteit is een momentopname die van jaar tot jaar kan veranderen. In het najaar van 2019 gold: Vermogen tot ca. 40 MW: Aansluiting op bestaande infrastructuur van Enexis in het gebied en op de stations ’s-Hertogenbosch Noord of Oss. Vermogen van ca. 40 tot 80 MW: Idem, maar pas na verzwaring van de infrastructuur van Enexis. Station ’sHertogenbosch Noord is door ruimtegebrek niet uit te breiden. Station Oss is met maximaal 2 velden (in totaal 80 MW) uit te breiden. Vermogen van ca. 80 tot 300 MW: Aansluiting op het bestaande 150kV hoogspanningsnet van TenneT. Daarvoor is verzwaring en/of uitbreiding van de TenneT infrastructuur noodzakelijk, bijvoorbeeld door het realiseren of uitbreiden van station ‘sHertogenbosch West of station Oss, verzwaren van bestaande kabelverbindingen of aanleg van nieuwe kabelverbindingen.

Door de aanleg van zonnevelden nabij windmolens, kan de productie van duurzame energie optimaal worden benut en ontstaat er een specifiek en herkenbaar ‘energielandschap’. Een combinatie van wind- en zonne-energie kan zorgen voor continuïteit en stabiliteit in het energieaanbod. Als het hard waait, schijnt de zon meestal niet. En als de zon vrij spel heeft, gaat de wind vaak liggen. Pagina 18 van 45

Bij een nieuwe aansluiting biedt een clustering van deze energievormen de mogelijkheid om (elektrische) infrastructuur optimaal te benutten en kosten te besparen. Maatschappelijk gezien levert dit een meerwaarde op door een stabielere energievoorziening, een betere benutting van de beschikbare capaciteit en door minder hoge kosten als het gaat om het aanleggen van meerdere kabels en netverzwaring. Aandachtspunt hierbij is dat bij de berekening van de geluidscontouren rekening gehouden wordt met sterkere reflectie van geluid op glas.

3.4 Laagvlieg- en radargebied

Het verkenningsgebied maakt deel uit van het laagvlieggebied Maas-Waal voor militaire vliegtuigen en helikopters van het ministerie van Defensie. Er gelden op dit moment geen juridische beperkingen voor de ontwikkeling van grootschalige windenergie in de polder. In laagvlieg-gebieden gelden dan ook geen hoogtebeperkingen voor gebouwen en bouwwerken. Wel dienen initiatieven voorgelegd te worden aan Defensie voor een toetsing aan mogelijke inbreuk op belangen die Defensie in het gebied heeft. In gesprekken met de luchtmacht (najaar 2019) heeft Defensie aangegeven dat windmolens in dit laagvlieggebied vooralsnog niet wenselijk zijn. In Nederland moeten alle windmolenopstellingen getoetst worden op een mogelijke verstoring op 1.000 ft (ca. 300 m) hoogte op de detectieradar van Defensie. In Noord-Brabant zijn twee van deze radarstations aanwezig (Woensdrecht en Volkel). Daarnaast moet nog rekening worden gehouden met langeafstandsradarsystemen. Hiervoor geldt ook een toetsingsplicht op 1.000 ft hoogte.

Voor de Duurzame Polder is het huidige radarstation in Nieuw-Millingen van belang. Dit station wordt waarschijnlijk vervangen door een nieuw radarstation bij Herwijnen. Initiatieven voor windmolens dienen voorgelegd te worden aan Defensie voor toetsing aan deze radars. Voor deze toetsing worden modelberekeningen uitgevoerd, hiervoor moeten de precieze locaties en vormgeving van de windmolens bekend zijn. Deze beperkingen vanuit Defensie op de bouw van windmolens (vanuit radar en laagvlieggebied) zijn van invloed op een groot aantal windmoleninitiatieven in de provincie Noord-Brabant. Daarover voert de provincie momenteel overleg met de ministeries van Defensie en EZK.

3.5 Vrijwaringsafstanden

Het Nationale Klimaatakkoord streeft bij duurzame elektriciteitsproductie op land naar financiële participatie door de lokale omgeving.19 Dit streven wordt als uitgangspunt overgenomen voor de ontwikkelingen in de Duurzame Polder. De gemeenten Oss en ‘s-Hertogenbosch en de provincie Noord-Brabant hebben daarbij drie doelen voor ogen: - Omgeving doet mee: de lokale gemeenschap neemt deel en/of profiteren aan het opwekken van de energie; - Maatschappelijke meerwaarde: de lokale gemeenschap versterken; - Investeringsklimaat: snelheid maken met de energietransitie. Er is indicatief onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor financiële participatie in de Duurzame Polder (zie figuur 3.1).27Gemeenten en provincie hebben zelf relatief weinig grondposities in de Duurzame Polder. Grofweg blijven er dan drie mogelijkheden voor financiële participatie over: - De overheid investeert in windmolens of zonneparken, bijvoorbeeld via een daarvoor op te richten stichting. Het rendement op deze investering wordt geïnvesteerd in de omgeving; - Omwonenden investeren in windmolens of zonneparken (bv. door middel van een coöperatie). Zij ontvangen dan een rendement over hun investering; - Initiatiefnemers dragen per MWh een financiële bijdrage af aan een duurzaamheidsfonds.

Pagina 19 van 45

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020

Bepalend voor de plaatsing van windmolens zijn de vrijwaringsafstanden tot andere elementen in de Duurzame Polder, zoals: - 245 meter tot de hoogspanningslijn in het zuiden van het gebied (bron: TenneT); - 200 meter tot de gasleiding in het westen van het verkenningsgebied (bron: Gasunie); - afstanden tot de eendenkooien in het gebied, de Hertogswetering en (gedeelten van) uiterwaarden van de Maas op basis van de Wet natuurbescherming en de provinciale (interim) Omgevingsverordening; - aan weerszijden van A-watergangen een beschermingszone van 5 meter en profiel van vrije ruimte van 25 meter (conform ‘legger oppervlaktewater’ van het waterschap); - 3,5 meter aan weerszijden van rioolpersleidingen.

3.6 Financiële participatie

Figuur 3.1 Instrumenten voor financiële participatie bij zonne- en windenergie

Overheden kunnen sturen door het: - vastleggen van beleid voor participatie en gemeenschappelijk of consistent beleid; - activeren van coöperaties en stichtingen (bijvoorbeeld via een bestaande zoals Windvogel of Deelwind); - maken van afspraken met initiatiefnemers; - met omwonenden bespreken welke vorm van participatie het best aansluit bij hun behoeften; - inzetten op een afdracht in het omgevingsfonds minimaal conform de gedragscode van de NWEA28; - onderzoek naar de mogelijkheid om financieel te participeren door bewoners, of door de overheid zelf (in combinatie met bovenstaande).

Pagina 20 van 45

In het algemeen geldt dat de redelijkheid en billijkheid van het in te zetten instrument en de hoogte van de eventuele financiële afdracht goed gemotiveerd moeten worden. In een vervolg op deze Verkenning is het belangrijk om in een participatieplan het volgende te onderzoeken: - Welke behoefte hebben belanghebbenden in en rond de Duurzame Polder om financieel te participeren? - Wat is de bereidheid van initiatiefnemers om hieraan mee te werken? - Welke kaders geven overheden hiervoor mee?

Figuur 3.2 Impressie huidige situatie Duurzame Polder

Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, 16 maart 2020 Pagina 21 van 45

4. De ontwikkelperspectieven 4.1 Inleiding

Om inzicht te krijgen in de (ruimtelijke) mogelijkheden voor het realiseren van grootschalige energieopwekking in de polders, zijn drie ontwikkelperspectieven uitgewerkt voor de Duurzame Polder. Dit zijn: 1. Autonome ontwikkeling; 2. Maximale energieopwekking; 3. Integrale gebiedsontwikkeling. In deze perspectieven zijn steeds andere accenten gelegd. Deze leveren verschillen op voor de mogelijkheden om grootschalig duurzame energie op te wekken. Ook hebben ze effect op de andere gebiedsopgaven.

4.2 Autonome ontwikkeling

Een autonome ontwikkeling gaat ervan uit dat Rijk, provincie en/of gemeente van geval tot geval over initiatieven voor windparken en zonnevelden besluiten. Specifiek voor de polder wordt geen nieuw beleid voor duurzame energieopwekking ontwikkeld. Wie bevoegd gezag is voor het nemen van besluiten over initiatieven, hangt af van het op te stellen vermogen en de locatie van het initiatief (zie paragraaf 5.2). Het bevoegd gezag bepaalt de kaders waaraan de initiatieven getoetst worden. Voor dit perspectief worden de bestaande kaders gehanteerd en is er geen overkoepelend planproces waarbij naar de polder als geheel wordt gekeken. Daardoor zullen de verschillende initiatieven niet afgestemd worden op elkaar. Dit houdt in, dat voor ieder initiatief een nieuwe planologische procedure moet worden doorlopen. De overheden en belanghebbenden moeten dan op individuele plannen reageren.

Pagina 22 van 45

Het autonome ontwikkelperspectief is volledig afhankelijk van de initiatieven die zich aandienen. Initiatiefnemers bepalen zelf wanneer ze waar welk initiatief indienen. De grip die de overheden op de initiatieven hebben, bestaat uit het instemmen, (deels) aanpassen of afwijzen van initiatieven. Ook zal per initiatief beoordeeld worden wat de wenselijke ruimtelijke ontwikkeling is. Dit kan een grote diversiteit aan oplossingen opleveren, die per beoordelend overheidsorgaan verschillend kunnen zijn. Dat maakt de ontwikkeling van de Duurzame Polder in ruimte, tijd en het behalen van energieambities onvoorspelbaar. In dit perspectief kan sneller energie opgewekt worden, omdat er geen gezamenlijk planvormingsproces is. De snelheid van voorbereiding en realisatie bepaalt welk initiatief met welk initiatief rekening moet houden. Initiatieven waarover positief wordt besloten, kunnen beperkingen opleveren voor volgende initiatieven. Een grondeigenaar die besluit om niet mee te doen met een initiatief voor het bouwen van een of meer windmolens, loopt later het risico dat hij – vanwege vereiste, onderlinge afstanden – later zelf geen windmolen meer kan bouwen. Voor de aansluiting op het hoogspanningsnet geldt het principe ‘wie het eerste komt, die het eerst maalt’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=4a6ceffe-ab62-4505-a8b3-ba114da12a4a