CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Meanderende Maas - Toelichting.PDF

Adviescommissie Ruimte 9 februari 2023, gemeente OssBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Meanderende Maas 202236.912 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

4.7.3

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie en aardkundige waarden staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.8

Archeologie

Voorafgaand aan het vaststellen van een ruimtelijke plan dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische waarden in het projectgebied en omgeving, en wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden.

71 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

4.8.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2021 een overgangsregeling opgenomen. De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien er sprake is van een hoge trefkans of indien het projectgebied niet is gekarteerd.

4.8.2

Referentiesituatie

In het archeologisch vooronderzoek (RAAP, 8 september 2022) zijn in hoofdlijnen vier geomorfogenetische 1 zones onderscheiden: geulen, kronkelwaarden, kronkelwaarden met ruggen en geulen en ‘oud land’ (zie onderstaande kaarten en legenda). In de kronkelwaardzones worden geen sporen van bewoning verwacht. Deze landschappelijke eenheden zijn ontstaan in een dynamisch riviermilieu overgaand in een overstromingsgebied met een hoog overstromingsrisico. Dat risico was veel lager op de hogere oeverwallen, waarop ook de historische bewoningskernen in het gebied liggen. Ook in het plangebied zijn enkele oeverwallen aangetroffen, te weten in het uiterste zuidoosten van deelgebied Ossekamp, centraal in Maasakker Noord en centraal in Maasakker. In alle gevallen zijn hierop aanwijzingen gevonden voor bewoning, bestaande uit een oude bodem en archeologische indicatoren. Huis Maasakker was al bekend als AMK-terrein, maar deze locatie is beter begrensd en bovendien is duidelijk geworden waarom het huis op haar specifieke plek lag. Ook in de andere deelgebied zijn aanwijzingen voor oppervlakkige historische relicten gevonden. 2 Aan de randen van het plangebied, tegen de dijken aan, zijn in alle deelgebied restanten zogenaamd ‘oud land’ aangetroffen. Het zijn delen van het landschap zoals dat bestond voordat het door de actieve stroomgordel van de Maas werd ‘aangevreten’.

Dit oude land moest beschermd worden tegen overstroming en ligt daardoor binnendijks, maar prikt langs de randen van het gebied dus regelmatig onder de dijk door tot in de uiterwaarden. Soms bestaat het oude land uit oeverafzettingen, maar meestal is sprake van oude komklei. De kans dat hierop is gewoond, wordt niet al te hoog ingeschat, gezien de slechte interne drainage en de beschikbaarheid van geschikte oeverwallen nabij. Het is wel te verwachten dat in de oude komgebieden perifere activiteiten zijn uitgevoerd, zoals landbouw of grondstofwinning. Dat geldt ook voor de overstromingsafzettingen in de kronkelwaarden. Het oude land wordt overal aangesneden door geulen of kronkelwaardgeulzones. Dat betekent dat in de aangrenzende geulen verspoeld archeologisch materiaal voor kan komen dat bij het aansnijden van het oude land is afgeslagen. Verder zijn in de geulen resten te verwachten die specifiek gerelateerd zijn aan de natte context. Resten van scheepvaart kunnen ook aangetroffen worden in het beddingzand, aangezien dit is afgezet in de actieve rivierbedding.

1

Geomorfogenese: de vorming van een gebied.

2

Archeologisch vooronderzoek (RAAP, 8 september 2022).

72 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

Afbeelding 4.12 Archeologische waarden en verwachtingen in westelijk deel plangebied, uitsnede van geomorfogenetische en archeologische potentie- en advieskaart (RAAP, 2022)

73 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

Afbeelding 4.13 Archeologische waarden en verwachtingen in oostelijk deel plangebied , uitsnede van geomorfogenetische en archeologische potentie- en advieskaart (RAAP, 2022)

In het MER zijn de verschillende deelgebieden toegelicht. Hiervoor wordt verwezen naar bijlage I, paragraaf 8.6.5 van het MER.

74 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

4.8.3

Toetsing

In het ontwerp is zoveel mogelijk rekening gehouden met de archeologische waarden op land die in het vooronderzoek naar voren zijn gekomen. Hoe hier rekening mee is gehouden staat in paragraaf 8.6.5 van het MER. Op basis van het uitgevoerde archeologisch onderzoek en de bijbehorende kaarten is naar voren gekomen dat het vigerende beschermingsregime -ten tijde van het opstellen van voorliggend bestemmingsplan- niet meer volstaat (betreft het bestemmingsplan Buitengebied Oss -2020). Daarom is ervoor gekozen om dat via voorliggend bestemmingsplan opnieuw te regelen. Op grond van uitkomsten van het onderzoek zijn de volgende dubbelbestemmingen toegewezen: waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog (rood); waarde - Archeologie verwachtingswaarde middelhoog (blauw); waarde - Monument/vastgestelde vindplaats (groen). Op onderstaande kaart is weergegeven welke dubbelbestemming waar geldt. Inhoudelijk zijn de planregels behorende bij de categorieën niet gewijzigd. Afbeelding 4.14 Verdeling categorieën archeologie (rood: hoge verwachtingswaarden, blauw: middelhoge verwachtingswaarden, groen: vastgestelde vindplaatsen; geel: geen bescherming nodig)

4.8.4

Conclusie

Daar waar dat met behoud van de waterstandsdalingsdoelstelling kan, is het ontwerp aangepast en wordt minder diep gegraven om de kans op het verstoren van archeologische resten te beperken. Via voorliggend bestemmingsplan zijn de archeologische dubbelbestemmingen opnieuw toegewezen. Daarmee staat het aspect archeologie de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan niet in de weg.

4.9

Woon- en leefklimaat

75 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

4.9.1

Geluid

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient het aspect geluid beoordeeld te worden. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van geluidsbron (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds, en aan bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende besluiten en regelingen. Toetsingskader De Wet geluidhinder is van toepassing bij de aanleg en/of wijziging van de volgende geluidsbronnen: 1 Gezoneerde bedrijventerreinen; 2 Spoorwegen (geen hoofdspoorwegen); 3 Wegen (hoofdwegen én 30 km wegen of woonerven). Voor voorliggend bestemmingsplan is enkel het aspect wegen relevant. Wegverkeer De Wet geluidhinder geeft voor nieuw aan te leggen wegen en reconstructies van bestaande wegen afzonderlijke toetsingskaders en grenswaarden. Uitgangspunt is de geluidszone langs een weg. De breedte van de geluidszone hangt af van de aard van de weg. De Wet geluidhinder is niet van toepassing op alle situaties. De onderstaande tabel geeft een wettelijk kader van wegverkeerslawaai.

Tabel 4.7 Wettelijk kader wegverkeerslawaai Aanleg/ wijziging weg

Bouwen langs een weg

Hoofdweg (op geluidplafondkaart)

Wet milieubeheer Hoofdstuk 11 Geluid

Wet geluidhinder Hoofdstuk VI Zones langs wegen

Andere weg (geen 30 km)

Wet geluidhinder Hoofdstuk VI. Zones langs wegen

Wet geluidhinder Hoofdstuk VI. Zones langs wegen

30 km/u-weg en woonerf

Wet ruimtelijke ordening en Wabo

Wet ruimtelijke ordening en Wabo

De Wet geluidhinder kent een voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor nieuwe situaties als een nieuwe weg of woning. Een akoestisch onderzoek is noodzakelijk als een overschrijding dreigt van de voorkeursgrenswaarde (art. 76a Wgh). Indien niet wordt voldaan aan deze voorkeursgrenswaarde dan is onder voorwaarden - een hogere waarde toelaatbaar. Met een hogere waarde wijkt het bevoegd gezag af van de voorkeursgrenswaarde (streefwaarde) tot de hoogst toelaatbare waarde. Tabel 4.8 Maximale ontheffingswaarde woning Categorie woning Woning

1

Maximale ontheffingswaarde Aanwezige weg In stedelijk gebied 63 dB (art. 83 lid 2 Wgh) In buitenstedelijk gebied 53 dB (art. 83 lid 1 Wgh)

Aanwezige auto(snel)weg In buitenstedelijk1 gebied 53 dB (art. 83 lid 1 Wgh)

Voor woningen in een zone van een autosnelweg geldt altijd het beschermingsniveau voor buitenstedelijk gebied. Ook als de woningen binnen de bebouwde kom liggen. Dit volgt uit de definitie van stedelijk- en buitenstedelijk gebied in de Wgh

76 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

Categorie woning

Maximale ontheffingswaarde Aanwezige weg

Aanwezige auto(snel)weg

Agrarische woning1

In buitenstedelijk gebied 58 dB (art. 83 lid 4 Wgh)

In buitenstedelijk1 gebied 58 dB (art. 83 lid 4 Wgh)

Vervangende nieuwbouw2

In stedelijk gebied 68 dB (art. 83 lid 5 Wgh) Buiten de bebouwde kom 58 dB (art. 83 lid 7 Wgh)

Binnen de bebouwde kom 63 dB (art. 83 lid 6 Wgh) Buiten de bebouwde kom 58 dB (art. 83 lid 7 Wgh)

Tabel 4.9 Maximale ontheffingswaarde andere geluidsgevoelige gebouwen Andere geluidsgevoelige gebouwen

Hoogst toelaatbare waarde

Gebouwen in buitenstedelijk gebied

53 dB (art. 3.2 lid 2 Bgh)

Gebouwen in stedelijk gebied

63 dB (art. 3.2 lid 1 Bgh)

Geluidsgevoelige terreinen

53 dB (art. 3.2 lid 1 Bgh)

Indien een weg wordt gereconstrueerd dan geldt het uitgangspunt dat de geluidsbelasting bij voorkeur niet significant toeneemt ten opzichte van de huidige waarde. Een akoestisch onderzoek moet worden ingesteld als verwacht wordt dat vanwege de te reconstrueren weg het geluid in de toekomst met 2 dB of meer kan toenemen. Als er sprake is van een dergelijke toename dan dient eerst te worden onderzocht of de toename met geluidmaatregelen kan worden beperkt. Als dat niet mogelijk is, dan kan een hogere waarde procedure worden gevolgd. Toetsing De beoordeling van de akoestische effecten behoeven enkel te worden uitgevoerd op locaties waar de weg daadwerkelijk fysiek wordt gewijzigd. Dat wil zeggen daar waar de wegas wordt verschoven/verlegd. Afbeelding 4.15 toont deze locaties binnen het gehele tracé van het projectgebied. Deze zijn met een rode lijn aangegeven. Voor de overige locaties langs het tracé vinden geen relevante fysieke wegaanpassingen plaats. De realisatie of aanpassingen van fietspaden blijven in het kader van geluid buiten beschouwing.

1

Ter plaatse noodzakelijk vanwege de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

2

Vervangende nieuwbouw (nog te bouwen woningen die nog niet zijn geprojecteerd en dienen ter vervanging van bestaande woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen). Voor vervangende nieuwbouw gelden de aanvullende eisen dat vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur óf een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen.

77 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

Afbeelding 4.15 overzicht locaties waar sprake is van een relevante verschuiving van de wegas

Het ontwerp van de fysiek aan te passen weg langs het gehele tracé is er mede op gebaseerd om de afstand van de te wijzigen weg tot woningen te vergroten. Op alle relevante locaties, zoals weergegeven in afbeelding 4.15, wordt de afstand van de gewijzigde weg tot de woningen groter dan in de bestaande situatie, waardoor de geluidsbelasting in de toekomstige situatie eerder afneemt dan toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Voor de verlegging van de Maasbommelse Veerweg is ook geen nadere beoordeling aan de orde, vanwege meerdere redenen: - de weg wordt hoofdzakelijk gebruikt voor de veerpont, welke alleen op gezette tijden per etmaal vaart (geen nacht); - de verkeersintensiteit is heel beperkt; - in de directe nabijheid zijn geen woningen gelegen, waardoor de geluidsbelasting als gevolg van deze veerweg < 48 dB. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat binnen dit project geen sprake is van toename van 1,5 dB of meer en dus geen sprake is van reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Conclusie Het aspect geluid staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.9.2

Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Voor andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. Op grond van artikel 5.16 Wm stelt de gemeenteraad alleen een ruimtelijk plan vast wanneer aannemelijk is gemaakt dat: 1 het plan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of; 2 de luchtkwaliteit als gevolg van het vergunde plan per saldo verbetert of ten minste gelijkt blijft, of bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of; 3 het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of;

78 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

4

de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Toetsingskader Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geeft aan wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Het bevoegde bestuursorgaan moet dan aannemelijk maken, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: 1 een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen; 2 een project draagt alleen ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging de grens voor NIBM is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddeld NO2 en PM10. Dit komt overeen met een maximale toename van de jaargemiddelde concentratie van 1,2 microgram/m3; 3 een project leidt per niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 4 er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. De Wet milieubeheer (Wm) geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat grenswaarden worden overschreden. Deze grenswaarden liggen voor zowel NO 2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram(µg)/m3. Voor PM2,5 is de grenswaarde 25 µg/m3.

Om te kunnen beoordelen of de grenswaarden gesteld in de Wm worden overschreden, moeten de achtergrondconcentraties (wat zijn de concentraties zonder de ontwikkeling) en de verwachte bijdrage van het project (hoeveel komt er qua concentraties bij) worden onderzocht. Toetsing De volledige toetsing is te vinden in bijlage IV. In deze paragraaf zijn enkel de uitkomsten en conclusies voor de gebruiksfase opgenomen. In de gebruiksfase na realisatie van de werkzaamheden van het project Meanderende Maas zal er zeer beperkt sprake zijn van een toename van vaarbewegingen met pleziervaartuigen en van extra verkeer in het gebied. Stikstofdioxide (NO2) De NO2 achtergrondconcentraties in het gebied bedragen voor het zichtjaar 2023 ongeveer 11 à 13 µg/m3. Het totale concentratieniveau van 11 à 13 µg/m3 ligt zeer ruim onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3. In het stikstofdepositie-onderzoek voor Meanderende Maas is berekend dat dit maximaal 22 kg jaar extra NOx emissies tot gevolg zal hebben. De berekende toename is verwaarloosbaar en draagt niet in betekende mate bij. Fijn stof (PM10 en PM2,5) Ook voor PM10 en PM2,5 liggen de achtergrondconcentraties in het gebied zeer ruim onder de wettelijke grenswaarden 40 µg/m3 en 25 µg/m3 met maximale achtergrondconcentraties van 16 µg/m3 respectievelijk 9 µg/m3.

De toename van fijn stof (voor zowel PM10 en PM2,5 ) is nog lager dan de toename stikstofdioxide. Ook hier geldt dus dat de toename verwaarloosbaar is en niet in betekende mate bijdraagt. Conclusie Er wordt voldaan aan eisen met betrekking tot de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat het voornemen niet in de weg.

4.9.3

Verkeer

Met de voorgenomen ontwikkeling kunnen wijzigingen optreden in het verkeerspatroon. Dit is hieronder nader toegelicht. Toetsing

79 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

Verkeer(sveiligheid) aanlegfase Tijdens de aanlegfase zal het bouwverkeer tijdelijk toenemen. Kruisingen van dit bouwverkeer met bestaand verkeer en het afsluiten van het fietspad tussen Megen en Marcharen zorgen tijdelijk voor een verminderde verkeersveiligheid in het gebied. Daarnaast kan het zijn dat wegen voor doorgaand verkeer tijdelijk worden afgesloten. Woningen en bedrijven blijven echter bereikbaar, indien nodig via omleidingen. Verkeer(sveiligheid) gebruiksfase Sluitend maken fiets- en wandelpad Lithoijen In de huidige situatie is de verkeersveiligheid op de N625 ten noorden van Lithoijen voor langzaam verkeer een aandachtspunt. Dit komt omdat een fiets- en wandelpad op dit deel van de N625 ontbreekt. Fietsers en wandelaars maken daarom gebruik van de berm wat tot verkeersonveilige situaties leidt. Met het ontwerp Meanderende Maas wordt dit knelpunt aangepakt door de aanleg van een veilige oversteekplaats met middeneiland, en sluitend maken van het onderbroken fiets- en wandelpad over een lengte van ruim 200 meter. Dit zorgt voor een aanzienlijke verbetering van de verkeersveiligheid voor fietsers en wandelaars op dit traject. De Waarden In de uiterwaard De Waarden vervalt het deel van de Hoogduinsestraat ter plaats van de nieuwe meander. De Maasbommelse Veerweeg wordt ca 200 m naar het zuidoosten verlegd.

Een nieuwe brug voor langzaam en gemotoriseerd verkeer over de meander in De Waarden zorgt ervoor dat de veerpont MaasbommelMegen vanuit Megen goed bereikbaar blijft. Vanuit Macharen blijft de veerpont via de ongewijzigde Tienmorgenstraat bereikbaar. De verkeersafwikkeling op de dijk rondom de Waarden blijft ongewijzigd. Diedensche Uiterdijk In de Diedensche Uiterdijk blijven de Rulstraat en het noordelijk deel van de Maasakkerstraat ongewijzigd. Het zuidelijk deel van de Maasakkerstraat zal verdwijnen. De verwachting is echter dat de aantallen fietsers en auto’s die om moeten rijden beperkt zullen zijn. Het fietspad dat bij het uiteinde van de Rulstraat bij Megen de provinciale weg kruist, krijgt een nieuwe oversteek aan de noordzijde van de Rulstraat. Het fietspad wordt in asfalt uitgevoerd, gelijk aan het bestaande fietspad. Recreatieverkeer Met het project worden de uiterwaarden toegankelijker en aantrekkelijker gemaakt voor extensieve recreatie; gericht op fietsen, wandelen en recreatief varen. Op enkele locaties (Diedensche Uiterdijk met uitkijktoren) ontstaat er een aantrekkelijk alternatief door de uiterwaarden. Er worden geen infrastructurele voorzieningen gerealiseerd die een relevante aantrekkende werking hebben op autoverkeer. Wel kan een beperkte toename verwacht worden door recreatieve bezoekers die met de auto naar het gebied rijden.

Conclusie De ontwikkelingen zorgen voor een beperkte verslechtering van de bereikbaarheid door het autoluwe traject bij Megen. Voor recreatief fiets- en wandelverkeer betreffen de meeste wijzigingen enkel verplaatsen van verbindingen. Dit heeft nagenoeg geen effect op de bereikbaarheid. Daarnaast worden ook enkele fietsverbindingen toegevoegd wat de bereikbaarheid voor het fietsverkeer verbeterd. Ook op het gebied van verkeersveiligheid zijn de effecten naar verwachting beperkt. Enkel ten noorden van Lithoijen wordt op het traject langs de N625 de verkeersveiligheid voor langzaam verkeer verbeterd. Aandachtspunten zijn de overige nieuwe verbindingen voor langzaam verkeer waar zowel gewandeld als gefietst mag worden. Ook dient in het ontwerp aandacht te worden besteed aan de aansluiting van deze nieuwe verbindingen op bestaande infrastructuur. Op deze aansluitingen zal het langzaam verkeer namelijk gemotoriseerd verkeer kruisen. Op de nieuwe autoluwe trajecten zal de verkeersveiligheid juist verbeteren doordat langzaam verkeer en gemotoriseerd verkeer gescheiden is. Het aspect verkeer(sveiligheid) staat uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

80 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

4.9.4

Externe veiligheid

Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongewoon voorval gevaarlijke stoffen vrij kunnen komen. De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Daarnaast horen bij externe veiligheid de risico’s volgend uit het in werking hebben van windturbines en luchthavens. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten1. Deze twee soorten objecten worden ook wel de risicoontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen moet worden getoetst of met het realiseren van het plan een nieuwe veiligheidssituatie ontstaat (in de zin van externe veiligheid).. Bij de toetsing moet gekeken worden naar twee soorten risico’s, plaatsgebonden risico en groepsrisico. In deze paragraaf wordt eerst het toetsingskader beschreven met de daarbij behorende definities van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarna komen de risicobronnen en eventueel (beperkt) kwetsbare objecten die zich in het gebied bevinden aan de orde en is getoetst aan de geldende wet- en regelgeving.

Toetsingskader Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en gaat om het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen: 1 stationaire bronnen, zoals een fabriek of een LPG-vulpunt; 2 mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Voor inrichtingen (bedrijven) zijn het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) en de ‘Regeling externe veiligheid inrichtingen’ (Revi) van belang. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen wordt externe veiligheid omschreven als 'de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waar een gevaarlijke stof bij betrokken is'. De richtlijnen voor buisleidingen zijn weergegeven in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling (Revb). Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen' van belang. Daarnaast is er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is, waaronder het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Bevb. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen.

Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Binnen de risicocontour 10-6 (kans van overlijden één op 1.000.000) mogen geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Het groepsrisico is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico.

1

In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is de definitie opgenomen van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden of gebouwen waar nietzelfredzame mensen aanwezig zijn (zieken, bejaarden, kinderen). Beperkt kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen, dienst- en bedrijfswoningen van derden en kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van minder of gelijk aan 1.500 m2 per object.

81 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

Toetsing en conclusie Het aanpassen van de rivier leidt niet tot veranderingen bij de risicobronnen en er worden ook geen risicobronnen toegevoegd. Het verruimen van het Burgemeester Delenkanaal kan mogelijk impact hebben op de intensiteit van het aantal transporten van de Maascorridor. Hierdoor neemt in realiteit het aantal transporten toe en dus mogelijk ook het aantal transporten met gevaarlijke stoffen. Hierbij is echter belangrijk dat voor dit soort basisnetten al reeds uitgegaan wordt van een maximum aantal transporten, die in werkelijkheid vaak niet gehaald worden, dit zijn plafondgetallen. Enkele transporten extra over de maascorridor, waarvan waarschijnlijk een aantal daarvan transporten met gevaarlijke stoffen betreffen, zal door het gebruik van plafondgetallen geen impact hebben in het kader van externe veiligheid. Daarnaast valt de verruiming van het Burgemeester Delenkanaal niet binnen de reikwijdte van dit bestemmingsplan. Daarnaast leidt de beoogde situatie niet tot een toename of afname van de populatiedichtheid in het gebied. Hiermee blijven de risico’s in de vorm van het PR en GR onveranderd ten opzichte van de huidige situatie. Derhalve zijn er geen belemmeringen in het kader van externe veiligheid.

4.10

Kabels en Leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen en verbindingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. De leidingen en verbindingen zijn te verdelen in drie typen: 1 buisleidingen met een externe veiligheidszone; 2 bovengrondse hoogspanningslijnen; 3 overige leidingen. De eerste twee type leidingen zijn in ieder geval planologisch relevant. Voor de overige leidingen bepaalt bevoegd gezag of deze planologisch relevant zijn. Voorbeelden van planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: 1 gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen en goederen; 2 aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; 3 defensiebrandstoffen; 4 warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een 5 diameter groter of gelijk aan 18 inch.

4.10.1 Toetsingskader Voor elk van de drie typen leidingen en verbindingen is het wettelijk gezien anders geregeld: 1 voor buisleidingen geldt een wettelijke verplichting. Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang; 2 voor bovengrondse hoogspanningsleidingen geldt een advies van het Rijk. Hoe omgegaan moet worden met bovengrondse hoogspanningslijnen bij ruimtelijke plannen heeft het rijk aangegeven in haar ‘Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen’ uit 2005 met kenmerk SAS/2005183118; 3 voor de overige leidingen bepaalt bevoegd gezag of deze planologisch relevant zijn. Gewone nutsleidingen zijn meestal niet relevant. Maar voor sommige leidingen is het toch wenselijk deze in het bestemmingsplan op te nemen. Bijvoorbeeld omdat ze van groot maatschappelijk belang zijn en er grote problemen ontstaan als de leiding niet meer werkt.

4.10.2 Toetsing

82 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

Er is in de planuitwerking een inventarisatie uitgevoerd van kabels en leidingen omdat er grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd, waarbij mogelijk kabels en leidingen dienen te worden verlegd of omgelegd. De inventarisatie van de aanwezige kabels en leidingen is uitgevoerd door middel van het uitvoeren van een KLIC-melding. Deze melding bij het bevoegd gezag geeft voor het doelgebied weer welke kabels en leidingen er aanwezig zijn in het gebied en wie de eigenaar is van deze kabels of leidingen. De cruciale leidingen zijn geïnventariseerd en weergegeven op de kaarten in bijlage V. In de uiterwaarden zijn enkele kabels en leidingen aanwezig. Deze kabels en leidingen worden zoveel mogelijk teruggelegd op hun huidige locaties. Daar waar de uiterwaard verlaagd wordt, worden de kabels en leidingen verlegd naar een positie waar deze goed bereikbaar blijven voor onderhoud en bij eventuele calamiteiten. Tijdens de planuitwerking is een voorkeurstracé opgesteld voor kabels en leidingen waarbij rekening is gehouden met de functie, het nieuwe ontwerp van de uiterwaarden en beheerbaarheid voor de netbeheerders. De verdere uitwerking van het voorkeurstracé wordt in nauwe samenwerking tussen de opdrachtnemer van het werk en kabel- en leidingbeheerders opgepakt. De kabels en leidingen worden tegelijk met de werkzaamheden in de uiterwaarden verlegd.

De aannemer van de uiterwaardvergraving stemt hiertoe de uit te voeren werkzaamheden af met de (aannemers van de) leidingbeheerders. De leidingbeheerders verzorgen zo nodig aanvullend noodzakelijke toestemmingen, meldingen of vergunningen.

4.10.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.11

Ontplofbare oorlogsresten (OO)

In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in het projectgebied en de gevolgen hiervan op voorgenomen ontwikkeling.

4.11.1 Toetsingskader Na de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse plekken in Nederland ontplofbare oorlogsresten (hierna: OO. voorheen: niet gesprongen explosieven) achtergebleven. De OO vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven. Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van OO uitgesloten te worden of dienen eventuele OO verwijderd te worden.

4.11.2 Toetsing In een vooronderzoek (bijlage VI) zijn verdachte locaties binnen het projectgebied (zie afbeelding 4.16 voor het onderzoeksgebied) in beeld gebracht.

83 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

Afbeelding 4.16 Onderzoeksgebied OO

Op basis van geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties is vastgesteld dat het onderzoeksgebied is getroffen door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog, waardoor OO in/op de (water)bodem kunnen zijn achtergebleven. Het gaat om: - Amerikaans bombardement op de spoorbrug bij Ravenstein op 1 september 1944; - crash Britse Short Stirling bij Megen op 21 september 1944; - Duitse militaire aanwezigheid in de vorm van stellingen en munitieopslagplaatsen; - neerkomen van Duitse V.1’s in de laatste maanden van de oorlog. Op basis van deze data zijn onderstaande inventarisatiekaarten opgesteld.

84 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

Afbeelding 4.17 Inventarisatiekaart met indicaties uit historische bronnen

Afbeelding 4.18 Inventarisatiekaart met indicaties bekend uit luchtfotoanalyse

85 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is het onderzoeksgebied gedeeltelijk verdacht op OO. Uit deze indicatie blijken de OO te bestaan uit: (kleinkaliber)munitie(toebehoren), granaat en V.1 kraters. Het advies met betrekking tot de aanwezigheid van OO en de uit te voeren werkzaamheden is als volgt: onverdachte gebieden en V.1 kraters: in deze gebieden kunnen de voorgenomen werkzaamheden plaatsvinden zonder dat er vervolgstappen in de explosievenopsporing noodzakelijk zijn. Werkzaamheden hoeven niet onder begeleiding te worden uitgevoerd. Hetzelfde geldt ook voor gebieden die zijn aangemerkt rondom V.1 kraters; verdachte gebieden: de werkzaamheden die plaatsvinden op of boven het maaiveld kunnen plaatsvinden zonder vervolgstappen. Voor werkzaamheden die in de bodem plaatsvinden zijn wel vervolgstappen nodig. Hiervoor zijn een aantal mogelijkheden: 1 voor gebieden die niet verdacht zijn op afwerpmunitie geldt het advies om een oppervlaktedetectieonderzoek uit te voeren op locaties waar daadwerkelijke grondroerende ingrepen worden uitgevoerd om aanwezige OO op te sporen; 2 voor gebieden die afwerpmunitie verdacht zijn geldt het advies om middels sonderingen de weerstand van de bodem vast te stellen, om het verdachte gebied verticaal af te bakenen.

Voor het vervolgonderzoek (oppervlaktedetectie) wordt een projectplan OO opgesteld, aan de hand waarvan het vervolgonderzoek gaat plaatsvinden. Het projectplan OO wordt bij het bevoegd gezag aangeboden. Door het volgen van deze adviezen staat het aspect OO het voornemen niet in de weg.

4.11.3 Conclusie Het aspect OO staat het voornemen niet in de weg.

86 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de algemene opzet van de planregels en toelichting op de regels.

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan?

Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, et cetera) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1 de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren; 2 de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning tot bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt: 1 het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen). En een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: 1 het bebouwen van de gronden; 2 het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.

Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen en aanduiden

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de regels zijn opgenomen. De toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen met behulp van een aanduiding nader worden ingevuld. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur of een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.

87 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

5.1.3

Hoofdstukopbouw van de regels

De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn, dan worden deze ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen die specifieker ingaan op bijvoorbeeld de bouwhoogte, situering van gebouwen en de toegestane functies. Aansluitend worden afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels opgenomen. In een enkel geval worden ruimere mogelijkheden geboden door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsplanbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In de laatste twee hoofdstukken zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Deze bepalingen hebben betrekking op het gehele plan. Het betreffen achtereenvolgens algemene regels, zoals een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Een toelichting op de bestemmingen is hierna opgenomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hierboven is beschreven. Tevens is aangesloten bij de meest actuele landelijke standaarden voor de regels en de verbeelding, te weten de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) en IMRO2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012). Qua inhoud en opzet is aangesloten bij recente en vergelijkbare bestemmingsplannen van de gemeente.

5.3

Toelichting op de regels

5.3.1

Inleidende regels

Begrippen die in de regels worden gebruikt en die uitleg behoeven, worden in het eerste artikel van het bestemmingsplan uitgelegd. Vervolgens bevat het tweede artikel technische regelingen om onder andere oppervlaktes, hoogtes, dieptes en breedtes te kunnen bepalen.

88 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

5.3.2

Bestemmingsregels

De regels hebben voor elke bestemming dezelfde opbouw met achtereenvolgens, voor zover aanwezig, de volgende leden: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen (indien aanwezig); afwijken van de bouwregels (indien aanwezig); specifieke gebruiksregels (indien aanwezig); afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig). Centraal staat de bestemmingsomschrijving. Daarin worden limitatief de functies en waarden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan respectievelijk worden beschermd. In een aantal gevallen geeft de bestemmingsomschrijving daarbij nog een nadere beperking in de vorm van een bestemmingscategorie of bijvoorbeeld een gebiedsbegrenzing, een maximale oppervlakte- of inhoudsmaat dan wel een beperking tot de bestaande bebouwing. De bouwregels zijn direct aan de bestemmingsomschrijving gerelateerd. Ook de gebruiksregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving, zij het dat deze regels zijn opgenomen in de algemene gebruiksregels in hoofdstuk 3. Hierin is bepaald dat het verboden is de onbebouwde grond en/of de daarop aanwezige bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met het in het plan bepaalde. Bedoeld wordt een gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijving.

Enkelbestemmingen De volgende enkelbestemming zijn in het plan opgenomen: Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschap en Natuur Deze bestemming is toegekend aan de gebieden binnen het projectgebied waar zelfrealisatie is voorzien. Deze bestemming is vrijwel consoliderend overgenomen ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’. Bij de vergunningplicht en uitzonderingen hierop zijn aanscherpingen gemaakt ten behoeve van het project Meanderende Maas. Artikel 4 Natuur Deze bestemming is toegekend aan de binnen het projectgebied voorkomende natuurgebieden en/of te ontwikkelen natuur. Wat betreft de natuurgebieden betreft het delen van het Natuur Netwerk Brabant, natuurvriendelijke oevers langs de Maas, en overige natuurgebieden. Deze bestemming is vrijwel consoliderend overgenomen ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’. Bij de vergunningplicht en uitzonderingen hierop zijn aanscherpingen gemaakt ten behoeve van het project Meanderende Maas. Dit betekent dat vogelkijkhutten en een uitkijktoren mogelijk zijn gemaakt en dat werkzaamheden ter uitvoering van het project Meanderende Maas zijn uitgezonderd van de vergunningplicht. Artikel 5 Recreatie - Dagrecreatie Deze bestemming is toegekend aan dagrecreatieve gronden. Hierbinnen valt ook de reeds aanwezige jachthaven Megen.

Deze bestemming is consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’. Artikel 6 Verkeer - verblijf Deze bestemming is toegekend aan overige verharde wegen, anders dan spoorwegen en doorgaande verharde wegen. Deze bestemming is consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’. De Maasbommelse Veerweg wordt naar het zuidoosten verlegd en daarmee de bestemming voor

89 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

deze weg ook. De autobrug die in het ontwerp is voorzien valt in de bestemmingsregel onder bijbehorende voorziening van een weg. Artikel 7 Water Deze bestemming is toegekend aan al het water dat niet hoofdzakelijk een functie als vaarwater heeft. De functieaanduiding ‘specifieke vorm van water - natte natuur’ is hieraan toegevoegd, om de ontwikkeling van onder andere rietmoeras mogelijk te maken om de doelstellingen van de KRW-richtlijn te halen. Daarnaast zijn er ten opzichte van het ‘Bestemmingsplan Buitengebied’ uitzonderingen van de vergunningplicht gemaakt voor werkzaamheden ter uitvoering van het project Meanderende Maas. Dubbelbestemmingen Naast de bestemmingen kent het bestemmingsplan ook dubbelbestemmingen. Een dubbelbestemming omvat een eigen stelsel van regels voor bouwen en gebruik voor het behoud en de bescherming van de in de dubbelbestemming aangegeven waarden. De dubbelbestemming functioneert naast de regeling die is verbonden aan de onderliggende bestemming. De volgende dubbelbestemmingen zijn in het plan opgenomen: Artikel 8 Waarde - Archeologie monument/vastgestelde vindplaats Dit artikel ziet op de bescherming van archeologische waarden en is inhoudelijk consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’. De locaties waar dit beschermingsregime geldt is wel gewijzigd en vastgesteld op grond van uitgevoerd onderzoek.

Artikel 9 - Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog Dit artikel ziet op de bescherming van archeologische waarden en is inhoudelijk consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’. De locaties waar dit beschermingsregime geldt is wel gewijzigd en vastgesteld op grond van uitgevoerd onderzoek. Artikel 10 - Waarde - Archeologie verwachtingswaarde middelhoog Dit artikel ziet op de bescherming van archeologische waarden en is inhoudelijk consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’. De locaties waar dit beschermingsregime geldt is wel gewijzigd en vastgesteld op grond van uitgevoerd onderzoek. Artikel 11 - Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed De dubbelbestemming is toegekend aan het stroomvoerend deel van de uiterwaarden en is consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’. Artikel 12 - Waterstaat - Waterbergend rivierbed De dubbelbestemming is toegekend aan het waterbergend deel van de uiterwaarden en is consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’.

5.3.3

Algemene regels

Hoofdstuk 3 van het bestemmingsplan bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele projectgebied van het bestemmingsplan. Hieronder worden de algemene regels van dit bestemmingsplan toegelicht. Artikel 13 Anti-dubbeltelregel Deze regel bepaalt dat er niet twee keer voor eenzelfde locatie een bouwplan kan worden ingediend. Artikel 14 Algemene bouwregels Hierin zijn de algemene bouwregels opgenomen zoals de verplichting tot het bouwen binnen het bouwvlak en de uitleg van het bebouwingspercentage. Deze bestemming is consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’.

90 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

Artikel 15 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn de algemene gebruiksregels opgenomen. Hierin is aangegeven welke functies in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan. Deze bestemming is consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’. Artikel 16 Algemene aanduidingsregels In dit artikel worden de regels gesteld over gebiedsaanduidingen. Dit is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor naast de bestemmingen specifieke regels gelden of waar nadere afwegingen moeten worden gemaakt. In dit bestemmingsplan komen de volgende gebiedsaanduidingen voor: Artikel 16.1 Overige zone - uiterwaarden De aanduiding ‘overige zone – uiterwaarden’ is toegekend aan de landschappelijke zone uiterwaarden langs de Maas. Deze zone is consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’. Artikel 16.2 Overige zone - beperking veehouderij Deze zone ligt op het gebied ‘beperkingen veehouderij’ zoals dat is vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Deze zone is consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’. Artikel 16.3 Overige zone - groenblauwe mantel Deze zone ligt op het gebied ‘groenblauwe mantel’ zoals dat is vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Deze zone is consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’.

Artikel 16.4 Overige zone - dijkzone woningen Deze zone ligt op het gebied langs de dijk waar dijkwoningen aanwezig zijn. Deze zone is consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’. Artikel 16.5 Overige zone - bebouwingconcentratie Deze zones zijn vooral functioneel van belang, met name voor de regelingen voor nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven en bij woningen en voor de omschakelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven. Deze zone is consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’. Artikel 16.6 Vrijwaringszone - dijk Deze zone is toegekend aan de beschermingszone langs de primaire kering, een zone van 50 meter gemeten vanaf de teen van de dijk. Binnen dit gebied geldt een omgevingsvergunningsplicht voor een aantal werken en werkzaamheden. Deze zone is consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’. Artikel 16.7 Vrijwaringszone - molenbiotoop De molen in Megen heeft een vrijwaringzone waarbinnen nadere voorwaarden gelden met betrekking tot de hoogte van bouwwerken. Deze zone is consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’.

Artikel 16.8 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 1 Voor de gronden gelegen binnen deze zone zijn Burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming van deze gronden te wijzigen naar de bestemming Natuur, mits sprake is van vrijwilligheid van de grondeigenaren en agrarische belangen niet onevenredig worden geschaad. De zone is consoliderend ten aanzien van het bestemmingsplan 'Buitengebied Oss 2020’. Artikel 17 Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de afwijkingsvoorwaarden beschreven. Deze afwijkingen gelden voor het hele projectgebied. De ontheffingen die afwijkingen gelden voor een bepaalde bestemming zijn in het betreffende artikel van die bestemming opgenomen.

91 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

5.3.4

Overgangs- en slotregels

Conform het Bro (artikel 3.2.1 en 3.2.2) zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Hierin is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan (artikel 18). In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald (artikel 19).

92 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

6 UITVOERBAARHEID In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid van het plan.

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden. Tijdens de planstudie heeft regelmatig afstemming en overleg plaatsgevonden met verschillende belanghebbende partijen. Het gaat hier niet alleen om partijen die een formele rol hebben in de besluitvorming, maar ook om partijen die specifieke belangen in de omgeving vertegenwoordigen. Participatie en afstemming met belanghebbenden Het project Meanderende Maas heeft een grote impact op de omgeving en daarom is er al van bij de verkenning veel aandacht besteed aan het omgevingsproces, met proactieve communicatie en participatie. Tegelijkertijd heeft het proces de aanwezige kennis en ideeën uit het gebied gemobiliseerd en benut om inzicht, begrip, draagvlak en meerwaarde te creëren onder stakeholders in het projectgebied, zoals bewoners, dorpsraden en ondernemers. Ook zijn stakeholders van de samenwerkende partijen (de betrokken overheden), zoals bestuurders en ambtenaren, actief betrokken in het proces.

Gedurende het ontwerpproces (van start verkenning tot einde planuitwerking) zijn belanghebbenden en belangstellenden op verschillende manieren en in diverse werkvormen actief betrokken bij het proces én geïnformeerd, onder meer op de volgende wijzen: in 16 werkplaatsen is met een vaste groep van circa 40 bewoners en belanghebbenden uit het gebied in de vorm van co-creatie gewerkt aan het ontwerp. Kennis over en wensen uit het gebied zijn opgehaald en in de afwegingen meegenomen; in diverse dijktafels (ronde april 2019, maart 2021 en mei 2022) zijn alle dijkbewoners en eigenaren meegenomen in de ontwerpstappen voor de dijk en zijn reacties/wensen opgehaald; in deelgebiedsessies (juli 2020, december 2021) zijn voor direct betrokkenen specifieke deelgebieden/ onderdelen van het plan (Ravenstein, Appeltern-Maasbommel, De Waarden en Macharen-Ooijen) de nadere ontwerpen toegelicht en besproken; via informatiebijeenkomsten (rondes in mei 2017, juni en oktober 2018, juni en oktober 2019, februari/maart 2020, mei 2021, juni 2022), inloopmomenten en nieuwsbrieven zijn mensen in het gebied zowel aan de Brabantse als Gelderse zijde gedurende de gehele planstudie geïnformeerd over inhoud, proces en procedure en zijn vragen beantwoord; via 1-op-1 gesprekken met individuele of georganiseerde belanghebbenden (onder andere grondeigenaren, dijkbewoners, belangenverenigingen) zijn voorkeuren,

zorgpunten, vragen en adviezen opgehaald en besproken; gedurende de planstudie heeft een klankbordgroep (bestaande uit 10 deelnemers, samengesteld vanuit verschillende relevante belangen) het project geadviseerd over het te volgen proces; o.m. of de verschillende belangen in het gebied goed worden meegenomen;

93 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

op de projectwebsite www.meanderendemaas.nl is gedurende de planstudie steeds de meest relevante actuele informatie gedeeld en openbaar gemaakt. Naast deze participatie zijn er in de verkenningsfase ook formele inspraakmogelijkheden geweest. Een ieder is in de gelegenheid gesteld (december 2018) om een zienswijze in te dienen op het voornemen om een interprovinciale structuurvisie op te stellen en op de reikwijdte en detailniveau van de op te stellen Milieueffectrapportage (MER). Vervolgens (februari-maart 2020) was inbreng van zienswijzen mogelijk op de ontwerp interprovinciale structuurvisie. Voor de formele inspraakmogelijkheden in de planuitwerking; zie 'terinzagelegging projectprocedure’. -

Werken in de geest van de omgevingswet De datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet is gedurende dit project een aantal keer vertraagd (van 1 januari 2021, naar 1 juli 2022, naar 1 januari 2023). Planproducten worden conform huidige wetgeving opgesteld, maar met de wijze waarop de planstudie is aangepakt, is feitelijk al ‘in de geest van de Omgevingswet’ gewerkt. Al in de Verkenning zijn alternatieven ontworpen vanuit een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, in nauwe samenspraak met relevante gebiedspartners én samen met de omgeving. Via participatie (zie hiervoor) en omgevingsmanagement is, naast de formele inspraakmomenten, nadrukkelijk invulling gegeven aan een vroegtijdige participatie. Voor een nadere toelichting van het participatietraject wordt verwezen naar ‘Participatieverslag Meanderende Maas’ (zie bijlage VII).

6.2

Economische uitvoerbaarheid

6.2.1

Financiering en grondverwerving

Het project Meanderende Maas Ravenstein- Lith zoals deze is vertaald in de Interprovinciale Structuurvisie (IPSV) kent meerdere samenhangende onderdelen. De basis wordt gevormd door de waterveiligheidsopgaven door middel van een dijkversterking, de opgaven voor waterstandsdaling via rivierverruiming, waterkwaliteitsverbeteringen via de realisatie van zogenaamde KRW-geulen. Door de samenhang van deze projectonderdelen in de uitvoering ontstaat synergie wat de betaalbaarheid ten goede komt. Deze samenhang is tevens een voorwaarde voor de financiële haalbaarheid van het integrale project. Dijkversterkingsproject Ravenstein-Lith is onderdeel van het landelijke Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). In dit programma werken de 21 waterschappen en Rijkswaterstraat gezamenlijk aan de versterking van de primaire waterkeringen in Nederland. In deze alliantie zijn onder andere afspraken gemaakt over de verdeling van kosten en de toedeling van risico's. Waterschappen maken gedurende de planuitwerking plannen en maken vooraf aan de uitvoering een inschatting van het benodigde budget. Dit budget is vervolgens taakstellend waarbij het risico op budgetoverschrijdingen bij de waterschappen ligt. De bekostiging van het HWBP programma wordt verdeeld tussen de waterschappen en Rijkswaterstaat.

Een dijkversterkingsproject vraagt vervolgens budget aan waarvan 90 % wordt gesubsidieerd vanuit het HWBP. De resterende 10% betreft een projectspecifieke eigen bijdrage van het waterschap. In elk project wordt onderscheid gemaakt tussen subsidiabele kosten en niet subsidiabele kosten. Na goedkeuring van de plannen door het dagelijks bestuur van het waterschap, beoordeelt het HWBP de ingediende subsidieaanvraag. De financiële uitvoerbaarheid van de dijkversterking Ravenstein-Lith kent door de subsidiabele kosten een grote mate van zekerheid. In de begroting van het waterschap wordt rekening gehouden met de projectspecifieke eigen bijdrage van het waterschap. Zodoende is ook deze 10 % eigen bijdrage geborgd. Door gebruik te maken van gebiedseigen grond wordt een bijdrage geleverd aan duurzaamheid (minimale transportafstanden, beperken CO2-uitstoot) en de beperking van hinder voor de omgeving. Ook heeft dit een positief effect op de kosten van de levering van grond en klei. De mogelijke voordelen die dit heeft zal benut worden om de waterveiligheidsopgave en de inpassing mede te bekostigen.

94 | 98

Meanderende Maas | WSD.2.9/22-017.215 | Definitief 3.0

Voor de rivierverruimingsonderdelen (ten behoeve van de realisatie waterstandsdaling) heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) een reservering opgenomen in de Rijksbegroting. Het Waterschap Aa en Maas zal een bijdrage ontvangen voor het uitvoeren van deze werkzaamheden van het Ministerie. Rijkswaterstaat coördineert en ziet toe op de uitvoering van deze bijdrage namens het Ministerie. Voor de KRW-onderdelen van het project zal het waterschap een bijdrage ontvangen van het KRWprogramma. Dit is een programma met als doel de verbetering van de waterkwaliteit van het Ministerie van IenW wat uitgevoerd wordt door Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat heeft bestuurlijk de toezegging gedaan voor een bijdrage en heeft dit bedrag daarvoor in het uitvoeringsprogramma KRW in de Rijksbegroting gereserveerd. Voor de financiële haalbaarheid (bekostiging) van de uitvoering van het integrale project is het nodig dat een deel van de vrijkomende grond (klei) – naast hoogwaardige toepassing in o.m. de dijkversterking en hoogwatervluchtplaatsen waar de eigenaar een vergoeding voor krijgt – door partijen commercieel wordt vermarkt, voor andere dijkenprojecten en voor de keramische markt. Een ander deel van de kosten wordt gedragen door de subsidieregeling van de provincie Noord-Brabant via het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB).

Dit betreft een subsidie waarbij een deel van de taxatiewaarde wordt vergoed indien grond omgezet wordt naar natuur. Gemeenten Oss, West Maas en Waal en Wijchen dragen bij aan de verdere inrichting van het gebied door o.a. middelen te verstrekken voor fietspaden, behoud en herstel van historische waarden in het gebied en andere maatregelen die een economische impuls geven. Het totaal aan afspraken wordt vastgelegd in een bestuursovereenkomst voor de realisatie. Deze overeenkomst zal rond de zomer van 2023 gesloten worden. Daarmee wordt het project uitvoerbaar geacht.

6.2.2

Schadevergoeding

Bij de voorbereiding van het project is onderzoek gedaan naar de gevolgen van het project voor omwonenden of bedrijven. Er worden bij de uitvoering voldoende voorzorgmaatregelen genomen om deze schade te voorkomen. Echter schade kan nooit helemaal worden uitgesloten. Het kan hierbij gaan om twee typen schade: 1 schade als gevolg van het door het de Minister rechtmatig genomen besluit tot vaststelling van een Projectplan die voor degene die schade leidt, ook wel de benadeelde genoemd, uitgaat boven het normale maatschappelijke risico. Voor deze schade kan door de benadeelde bij de minister een verzoek om schadevergoeding (nadeelcompensatie) worden ingediend; 2 schade als gevolg van de uitvoering van het projectplan waardoor bij het eigendom van een derde schade optreedt. Als een derde meent dat van deze schade sprake is kan daarvoor een verzoek om schadevergoeding worden ingediend. Nadeelcompensatie Voor eventueel financieel nadeel dat onverhoopt ontstaat als gevolg van de rechtmatige uitvoering van het projectplan kan een benadeelde een verzoek om schadevergoeding indienen als bedoeld in artikel 7.14 van de Waterwet.

Dit artikel bepaalt dat aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding wordt toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. Het verzoek tot vergoeding van de schade bevat een motivering en een onderbouwing van de hoogte van de gevraagde schadevergoeding. Geen beroep op de regeling van artikel 7.14 Waterwet staat open ten aanzien van bouw- of aanlegschade die door onrechtmatig handelen is veroorzaakt. Voor die schade kan een afzonderlijk verzoek worden ingediend bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Op de website van Rijkswaterstaat wordt over het aanvragen van nadeelcompensatie meer gedetailleerde informatie gegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=f0676f52-615f-490d-85b7-75eada2fb53b