Bijlagen bij toelichting Bijlage 14 Archeologisch onderzoek.PDF
Tekst van het document
Deelgebied 3 De bodemopbouw in deelgebied 3 kan worden onderverdeeld in drie gebieden: een hoger gelegen oostelijk deel waar hoog gelegen beddingafzettingen voorkomen, een lager gelegen westelijk deel waar diep reikende restgeulafzettingen voorkomen en het noordwestelijke deel waar een kronkelwaardrug voorkomt (fig. 3.18 en 3.19). Het gebied ten oosten van de fictieve lijn vanaf boring 38 in het zuidwesten naar boring 130 in het noordoosten bestaat uit boringen die worden gekenmerkt door het voorkomen van matig grof tot zeer grof, grijsbruin beddingzand veelal binnen 1 m –mv (vanaf 4,4 m +NAP). Gezien de grote mediane korrelgrootte, de aanwezigheid van grind en de bruingrijze kleur lijkt het hier om afzettingen behorende tot de Formatie van Kreftenheye te gaan (Pleniglaciaal rivierterras). Naarmate de afstand tot de Allerød meander kleiner wordt, is de top van het beddingzand steeds dieper afgetopt/geërodeerd door fluviatiele activiteit. Het beddingzand wordt in vrijwel alle boringen afgetopt door een pakket oeverafzettingen. Het oeverpakket bestaat uit sterk zandige leem tot sterk siltige klei. In deze oeverafzettingen komen veel roest- en ijzervlekken (gley) voor en het heeft enige mate van bodemvorming in de vorm van een stugge ACg- of Chorizont. De oeverafzettingen zijn wel goed gerijpt, maar hebben verder vrijwel geen kenmerken van een verweerde en/of podzolbodem (fig.
3.20). Het betreft Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)
36
hier een vroeg-holocene (kom- op)oeverafzetting die voorkomt vanaf 0,1 m –mv in het zuidelijke deel en vanaf 1,05 m –mv in het noordelijke deel. Vooral in de noordelijk gelegen boringen wordt het vroeg-holocene oeverdek bedekt door een 0,75 tot 1,05 m dik recenter en slapper komkleidek (fig. 3.20). In de boringen 167, 66 en 89 komt het beddingzand voor vanaf circa 3,4 m +NAP en is maximaal 1 m afgetopt. De aftopping kan gerelateerd worden aan de ligging aan de buitenoever van de Allerød meandergordel. In deze boringen wordt geen stug oeverdek aangetroffen, wat doet vermoeden dat de erosie pas heeft plaatsgevonden ná afzetting van het oeverdek. Vermoedelijk is een gedeelte van het terraszand door ondermijning van de watervoerende geul 17 afgebrokkeld/afgeschoven als gevolg van het proces bressen. Het beddingzand wordt in deze boringen afgedekt door een pakket zeer inconsistente (slappe) klei en in boring 167 door een 25 cm dik pakket sterk kleiig, bruin, amorf veen met in de basis veel dunne zandlagen (fig. 3.21). Na afschuiving van het terraszand is dit gedeelte veranderd in een poelzone; een nat moerasgebied, waarin siltrijke klei werd afgezet en plaatselijk veen werd gevormd. De poelafzettingen worden afgedekt door een 80 tot 90 cm dik pakket grijze overstromingsklei.
Figuur 3.18 Boorresultatenkaart deelgebied 3. 17
Bressen: afschuiven van zandig sediment als gevolg van (over)verzadiging aan water tussen de afzonderlijke (zand)korrels, waardoor een (gedeelte van het) hellingsmateriaal kan instorten. Dit proces gebeurt vaak bij zandige oevers langs rivieren en (binnen)zeeën.
37
V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss
Figuur 3.19 Top-beddingzand kaart verkregen vanuit de boorstaten. De hoogte varieert tussen dieper dan 1 m +NAP ter hoogte van de restgeul tot ca. 4,4 m +NAP in het uiterst zuidoostelijke deel in boring 170. Het verschil in top-beddingzand laat duidelijk zien waar de laat-glaciale restgeul zich bevindt. Het oostelijke deel heeft een beduidend hoger zandvoorkomen dan het westelijke en noordelijke deel. Voor de legenda-eenheden van de boringen, zie figuur 3.14.
Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)
38
Figuur 3.20 Zicht op boring 119 (d.d. 21-08-2018). De boring loopt van linksboven naar rechtsonder. Er is hier sprake van een Pleniglaciaal rivierterras bestaande uit grijsbruin zand dat vanaf 110 cm –mv wordt afgedekt door een stug pakket vroeg-holocene oeverafzettingen (lichtgrijs met oranje vlekken). De bovenste 75 cm bestaat uit (licht)bruingrijze overstromings- of komklei.
Foto 3.21 Zicht op boring 167 (d.d. 27-08-2018). De boring loopt van linksboven naar rechtsonder. De boring ligt in een afgeschoven deel van het Pleniglaciaal terras, waar humeuze klei is afgezet en plaatselijk veen is gevormd.
Ter hoogte en ten westen van de fictieve lijn boring 38 -130 komen restgeulafzettingen behorende tot de Allerød meandergordel voor. In het merendeel van de boringen kwam het beddingzand niet voor binnen de maximale boordiepte van 4 m –mv. De boringen 123 en 130 zijn doorgezet tot in het beddingzand en laten een zandniveau zien van respectievelijk 0,5 en 0,3 m +NAP. De basis van de geulvulling bestaat uit zandige klei tot sterk siltig, zeer fijn zand met diverse detrituslaagjes, houtrestjes en een enkel schelpje (bijlagen 7 en 39
V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss
9). Het betreft hier de basis van de restgeul, ook wel “channel-lag”-depositie genoemd. De basis van de restgeul wordt in het noordoostelijke deel van de Allerød restgeul afgedekt door een circa 1 tot 1,5 m dik pakket matig tot sterk siltige, blauwgrijze tot grijze, slappe klei. Bovenop de slappe klei wordt een circa 0,65 tot 0,8 m dik pakket plantrijke en slibhoudende, slappe klei aangetroffen. Vanaf circa 3,8 m +NAP (ca. 1,3 à 1,6 m –mv) wordt meer stuggere, matig tot sterk siltige klei aangetroffen dat als komafzetting is geïnterpreteerd. Opvallend is tevens het aantreffen van een laklaagje (voormalig loopvlak/vegetatiehorizont) in de geulvulling op een diepte van 3,5 m –mv (fig. 3.22). Dit duidt op een hiaat in sedimentatie op de overgang van de “channellag”-depositie en het afdekkende slappe kleipakket. De noordoostelijke tak van de Allerød restgeul heeft derhalve vermoedelijk droog gelegen gedurende een bepaalde periode in het Holoceen. Het zuidelijke deel en de noordwestelijke tak kennen geen laklagen. Hier worden bovenop de “channel-lag”-depositie bos- en rietveenpakketten aangetroffen. De bosveenpakketten komen het dichtst bij de terrasranden voor, terwijl het riet-(en zegge)veen voorkomt in het diepere en centrale deel van de restgeul.
Ter hoogte van de boringen 95, 104, 105, 114 en 166 loopt het beddingzandniveau licht op in noordwestelijke richting tot 2,1 m +NAP in boring 104 (zie ook BB’ in bijlage 7). Het beddingzand bestaat hier uit matig fijn zand met een enkel grindje. Het beddingzand wordt wederom afgedekt door slappe, al dan niet plantrijke, matig siltige klei met een enkele detrituslaag. Vermoedelijk betreft het hier een kronkelwaard behorende bij de Allerød meandergordel. Direct ten noordwesten van deze zone ligt een circa 50 m brede geul met onbekende zanddiepte (boring 84). Het vermoeden betreft dat deze geul van origine een (kronkelwaard)geul behorende tot de Allerød meandergordel is geweest en later door de Haren stroomgordel (deels) gereactiveerd is. In deelgebied 3 zijn vooralsnog vrijwel geen relevante archeologische indicatoren en/of vondstmateriaal aangetroffen. In de boringen 51 en 52 zijn enkele fosfaatvlekken aangetroffen in de top van de kleiige geulopvullingen. Fosfaat kan een indicator zijn voor de aanwezigheid van botrijk nederzettingsafval. In dit geval is het vermoedelijk het resultaat van de aanwezigheid van een afdekkend antropogeen, humeus zanddek ter egalisatie van de bodem. In boring 51 werd in ditzelfde pakket een vervuilende geur waargenomen. In boring 118 zijn op een diepte van 0,25 tot 0,5 m –mv fragmenten rood en geel e zacht baksteen aangetroffen.
Dit baksteen dateert mogelijk uit de 17 eeuw. Het bevindt zich in de top van de jonge overstromingsklei behorende tot de Beerse Maas.
Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)
40
Figuur 3.22 Zicht op de geulvulling in de noordoostelijke tak van de Allerød restgeul ter hoogte van boring 130 (d.d. 21-08-2018). Het betreft 3 meter gutsvullingen die gezien dienen te worden van rechtsonder naar linksboven. Tot 2,5 m –mv komt blauwgrijze slappe klei voor, waaronder een licht(groen)grijze kleilaag met kalkrijke (gyttja)bandjes voorkomt. Op circa 3,5 m –mv komt een donkergrijze laklaag voor in de top van klei met humuslaagjes (tussen de rode lijntjes aangegeven). Deze humeuze klei gaat geleidelijk over in siltrijk, fijn zand met detrituslaagjes. De basis van de geul word gevormd door zand met verslagen veenresten.
41
V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss
Deelgebied 4 De bodemopbouw in deelgebied 4 kan worden onderverdeeld in zes gebieden: 1) een hoger gelegen zone bestaande uit oeverafzettingen van de Harenstroomgordel in het noordoostelijke deel, 2) een smalle zone met matig diepe geulafzettingen ten zuiden hiervan, 3) een centraal gelegen zone met matig diep voorkomende beddingafzettingen behorende tot de Allerød meandergordel, 4) een zone met hoog voorkomende beddingafzettingen behorende tot het Pleniglaciaal rivierterras, 5) een zone met veen opgevulde restgeulvullingen in het zuidoosten en 6) een zone met restgeulvullingen in het noordwesten (fig. 3.23 en 3.24). De zonering is herleid op basis van de bodemopbouw (fig. 3.23 en bijlage 9), de zanddieptekaart (fig. 3.24) en na bestudering van de lithogenetische profielen (bijlage 7).
Figuur 3.23 Boorresultaten deelgebied 4.
In de noordoostelijke hoek van deelgebied 4 (boringen 30, 43, 44, 56, 57, 69, 82, 161, 162, 164 en 165) worden twee afzonderlijke oeverpakketten met “finingupward”-sequenties aangetroffen bovenop, (licht)groengrijs, matig fijn, matig tot sterk siltig beddingzand. Het beddingzand ligt tussen 2,4 en 3,7 m +NAP en maakt hoogstwaarschijnlijk onderdeel uit van de Allerød meandergordel. Het oudste oeverdek wordt gevormd door een sterk zandige leemlaag met zandbijmenging waarop sterk siltige klei is afgezet. In de top van de siltrijke klei heeft rijping en verwering plaatsgevonden dat tot uiting komt door de Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)
42
aanwezigheid van een roodbruin gekleurde, stugge laag. Zowel de hoogteligging als de bodemkundige kenmerken duiden op de Laag van Wijchen; een laatglaciale of vroeg-holocene oeverafzetting. Het jongere oeverpakket bestaat hoofdzakelijk uit sterk siltige, (donker)grijsbruine, verweerde klei ((A)Cg-horizont). In dit sedimentpakket komen redelijk veel ijzer- en mangaanvlekken voor en is door interne verwering licht verbruind. Deze eigenschappen duiden op een langere periode van ligging aan het maaiveld. Dit jongste oeverdek betreft feitelijk distale oeverafzettingen, die zijn afgezet door de Haren-stroomgordel. De top van dit oeverdek ligt op circa 5,0 m +NAP. Het jongste pakket oeverafzettingen wordt in de boringen 56, 69 (fig. 3.25), 82, 161, 162 en 164 afgedekt door een 50 tot 80 cm dik pakket sterk tot uiterst siltige klei of fijn zand met enkele humuslagen. In dit sedimentpakket komen diverse houtskoolspikkels, fragmenten aardewerk en bouwpuin voor. Het betreft hier een pakket opgebrachte grond (Aa-horizont) of een natuurlijke crevasseafzetting (C-horizont), waarop in het verleden bewoning heeft plaatsgevonden. De crevasse kan zijn ontstaan in de buitenbocht van een actieve geul, die aan de noord(west)zijde van het AMK-terrein grenst. Voorlopig wordt het sedimentpakket geïnterpreteerd als oude woongrond.
Vrijwel al het vondstmateriaal dat op het maaiveld is aangetroffen komt voor rondom de boringen waar deze cultuurlaag is aangetroffen.
Figuur 3.24 Top-beddingzand kaart verkregen vanuit de boorstaten. De hoogte varieert tussen 0,9 m –NAP in boring 73 gelegen in de Allerød restgeul tot ca. 4,4 m +NAP op een restant van een Pleniglaciaal rivierterras in boring 49. Het verschil in top-beddingzand laat duidelijk zien waar de ca. 100 m brede Allerød restgeul, de circa 50 m brede Harense (kronkelwaard- of rest)geul en een circa 100 m brede noordwestelijk gelegen restgeul van de Haren stroomgordel zich bevinden.
43
V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss
Figuur 3.25 Zicht op boring 69 ter hoogte van AMK-terrein 244 (d.d. 23-08-2018). De boring loopt vanuit linksonder naar rechtsboven. Onder de donkergrijze bouwvoor komt een 30 cm dikke licht gebleekte fijnzandige laag voor, die óf opgebracht óf afgezet is tijdens een oeverwaldoorbraak (crevasse) van de Harenstroomgordel.
Een smalle strook ten zuiden van de zone met oeverafzettingen van de Haren stroomgordel wordt gekenmerkt door geulvullingen met zanddieptes die plaatselijk dieper reiken dan 1 m +NAP (boringen 31, 32, 58, 71, 83 en 94). Het betreft hier op basis van de geulvulling en diepteligging hoogstwaarschijnlijk het verlengde van de geul die in (raai BB’) als (kronkelwaard)geul staat aangegeven. Het betreft vermoedelijk van oorsprong een (kronkelwaard)geul binnen de Allerød meandergordel, die vervolgens gereactiveerd is ten tijde van de actieve fase van de Haren stroomgordel. De geulvulling van de (kronkelwaard)geul bestaat van beneden naar boven uit een pakket sterk siltige, matig humeuze, kalkloze klei met veel detrituslagen en schelpengruis. Hierop ligt middels een geleidelijke grens een dun of dikker mineraalarm tot sterk kleiig rietveenpakket. Het rietveen gaat geleidelijk aan over in humeuze klei en vanaf circa 2,7 à 3,2 m +NAP loopt de humeuze geulvulling over in uiterst siltige, blauwgrijze klei met schelpengruis. Dit silthoudende kleipakket loopt door tot circa 4 m +NAP en wordt afgedekt door recente overstromingsklei met gley-verschijnselen. Het Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)
44
uiterst siltige, schelphoudende kleidek in de geulvulling duidt op een hernieuwde fase van licht stromend water binnen de oorspronkelijke (kronkelwaard)geul. Het beperkte waterbergend vermogen van deze laagte in het landschap in combinatie met de omringende stugge, slecht erodeerbare oeverpakketten heeft geresulteerd in een relatief smalle (max 50 m doorsnee) geul.
Figuur 3.26 Foto van boring 46 die de bodemopbouw en vulling van een gereactiveerde (kronkelwaard)geul aanduidt (d.d. 22-08-2018). De boring loopt van linksboven naar rechtsonder. De vanaf 1,05 m –mv voorkomende grijze tot blauwgrijze siltrijke klei is afgezet binnen een oorspronkelijk met veen en humeuze klei opgevulde (kronkelwaard)geul.
De zone ten zuiden van deze gereactiveerde (kronkelwaard)geul bestaat uit een zone met kom- op oever- op beddingafzettingen (boringen 1, 2, 3, 5, 6, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 16, 20, 21, 22, 23, 33, 34, 35, 47 en 48). De top van de oeverafzettingen, die in dit gedeelte voorkomt vanaf circa 0,8 m –mv, wordt gekenmerkt door matige rijping van de bodem (AC- of stugge Cg-horizont). De beddingafzettingen bestaan in dit gedeelte uit matig fijn tot matig grof, matig slecht en afgerond zand. De top van het zandvoorkomen varieert tussen 2,7 en 3,4 m +NAP al naar gelang het oorspronkelijke kronkelwaardreliëf ten tijde van de actieve fase van de Allerød rivierloop. In de zone ter hoogte van de boringen 36, 49, 62, 25, 37, 50 en 163 komt het beddingzand voor tussen 4,1 en 4,4 m +NAP. Hierop ligt een circa 40 cm dik oeverdek (Cg-horizont). Het betreft hier een (afgevlakt) restant van een Pleniglaciaal rivierterras (raai AA’; bijlage 7), waarop tijdens het Allerød Interstadiaal een oeverpakket is afgezet. Ten noordoosten van het Pleniglaciaal rivierterrasrestant ligt de noordwestelijke tak van de Allerød restgeul (boringen 60, 61, 62, 72, 73 en 84). In vrijwel alle boringen in dit gedeelte van de restgeul wordt veen aangetroffen. De top van het veen is plaatselijk scherp begrensd met het afdekkende kleidek, wat duidt op (lokale) erosie van het veendek.
In boring 62 bevindt zich in de top van het veen vanaf 2,2 m –mv (2,8 m +NAP) een 60 cm dik stuk eik (fig. 3.27). Een gedeelte van het eikenhout is meegenomen ter analyse door een dendrochronologe.
45
V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss
Figuur 3.27 Gutsboring met in de basis de top van het eikenhout (d.d. 24-08-2018).
Uit de analyse van het hout blijkt het volgende: In het veld is over een lengte van circa 50 tot 60 cm hout aangetroffen in de guts. Twee kleine fragmenten zijn geselecteerd voor houtsoortanalyse. Het hout is 18 afkomstig van een eik (Quercus sp.). Het gaat om een deel kernhout zonder spinthout of bast (fig. 3.28). Het fragment heeft circa 12 jaarringen en de jaarringen zijn parallel zonder kromming. Het is uit te sluiten dat het hier om een twijg of tak gaat. De fragmenten komen uit een buitenste zone van een eikenstam (fig. 3.28, zwarte kader). Waarschijnlijk gaat het hier om een natuurlijke eikenstam die in een natte context is bewaard en door de guts is 19 geraakt (fig 3.28, stippellijn).
Figuur 3.28 Dwarsdoorsnede van een eikenstam met kernhout, spinthout en de bast. De laatste spinthoutring onder de bast wordt ook wel de wankant genoemd. De uitsnede toont de houtanatomie van eiken met de globale ontwikkeling van de jaarring in één 20
groeiseizoen. Het zwarte kader markeert bij benadering het jaarringenpatroon in het houtfragment dat is geselecteerd en onderzocht. De stippellijn volgt de denkbeeldige baan die de guts door de stam heeft gemaakt.
De eik is een boom die graag op droge, relatief arme zandbodems groeit. Het is aannemelijk dat de eik vanaf de droog gelegen en hogere oever door kap of door een natuurlijke sterfte in de restgeulvulling terecht is gekomen. Het uiterst noordwestelijke deel van deelgebied 4 wordt wederom gekenmerkt door een bodemopbouw bestaande uit geulvullingen. Het gaat hier om de 18 19 20
De houtanatomie volgens Schweingruber (1990). Alinea geschreven door mevrouw P. Doeve. Haneca 2017, 19. Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)
46
e
boringen 4, 7, 11, 18, 19, 29 en 42. Deze zone ligt rondom de in de 13 eeuw gegraven Hertogwetering. In boring 18 is sprake van een venige rietzegge opvulling, die wordt aangetroffen vanaf 3,5 m +NAP (1,5 m –mv). De andere boringen laten een geulbasis zien bestaande uit matig siltig, grijs, matig fijn zand met een rietspoor en veel dunne kleilagen. Het zand gaat naar boven toe over in een donkergrijs pakket uiterst siltige tot sterk zandige klei met meer of minder klei- en humuslagen. De zandige klei gaat over in een matig siltige, zeer slappe en jonge klei, waarbij in de top enige tekenen van verwering zijn aangetroffen.
3.3.2 Archeologische indicatoren Het gedetermineerde vondstmateriaal (zie bijlage 8) is vrijwel allemaal afkomstig uit de boringen en van het maaiveld in en rondom het AMK-terrein 244. De scherven die zijn verzameld bij het booronderzoek dateren vermoedelijk allemaal uit (het begin van) de Romeinse tijd. Het aardewerk voelt hard en zandig aan, heeft een lichte buitenzijde en donkere kern en binnenzijde. Enkele scherven (V4 en B164) hebben een fijn besmeten oppervlak, waarbij natte klei tegen de wand is aangesmeerd om het oppervlak te vergroten of ruw te maken. Eén scherfje is versierd met parallel lopende groeven, versiering aangebracht met een kam (kamstreekversiering). Het aardewerk past in het beeld dat reeds van Oss en 21 omgeving bekend is. Het materiaal is goed geconserveerd; het is niet sterk afgerond of afgeschilferd 2 en de scherven zijn redelijk groot (een oppervlak van circa 16-25 cm ). Slechts een scherf is secundair verbrand. Het zandige karakter, de versiering en de compactheid van het baksel wijzen op 22 een datering aan het begin van de Romeinse tijd.
3.4 Archeologische interpretatie Uit het veldonderzoek is gebleken dat het gehele plangebied binnen de contouren van de Rijn-Maas delta ligt. Er zijn geen terrestrische afzettingen (dekzand, beekzand, fluvioperiglaciale afzettingen) aangetroffen. De deelgebieden 1, 2, het oostelijke deel van deelgebied 3 en het zuidelijke deel van deelgebied 4 liggen op afzettingen behorende tot het Pleniglaciaal rivierterras (bijlage 6). Binnen dit rivierterras zijn kleine hoogteverschillen (max 80 cm) waargenomen in de top van het aangetroffen zand. In het westelijke deel van deelgebied 3 en in het zuidelijke deel van deelgebied 4 komen (rest)geul-, oeveren/of beddingafzettingen voor van de actieve Maasloop ten tijde van het LaatGlaciaal (meer specifiek de Bølling-Allerød periode). In het noord(west)elijke deel van deelgebied 4 komen (rest)geul, oever- en/of beddingafzettingen voor van de Haren stroomgordel. Het Pleniglaciaal rivierterras wordt vrijwel overal afgedekt door relatief stugge oeverafzettingen, die op hun beurt in de deelgebieden 1, 3 en 4 worden afgedekt door komafzettingen. In het oostelijke deel van deelgebied 2 liggen de oever- op beddingafzettingen direct aan het maaiveld. In het uiterst westelijke deel wordt het Pleniglaciaal rivierterras afgedekt door jonge komklei.
In deelgebied 2 zijn in de top van het oeverpakket aanwijzingen van menselijke activiteit aangetroffen (historische weg, sloot, houtskool).
21 22
47
O.a. Van den Broeke 2012. Alinea geschreven door mevr. S.B.C. Bloo V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss
Ter hoogte van de Allerød meandergordel is sprake van een (al dan niet met veen opgevulde) restgeul, die zich ter hoogte van de Megensebaan vertakt in een noordwestelijke en noordoostelijke tak. Het is onduidelijk of deze twee geulen tegelijkertijd of afzonderlijk van elkaar als actieve geul hebben gefungeerd. Vooralsnog wordt uitgegaan van een genese gedurende het Laat-Glaciaal. Op 3,5 m –mv is in boring 124 sprake van een vegetatiehorizont of laklaag wat duidt op een stilstand van sedimentatie. De vulling van de restgeul duidt op twee stromend waterfases gescheiden door een fase van vrijwel stilstaand water (vorming van veen in het zuidelijke deel en de ontwikkeling van een laklaag in het noordelijke deel). Tijdens de jongste stromende waterfase (reactiveringsfase) van de restgeul heeft erosie van de buitenbocht plaatsgevonden, waardoor in de zuidoostelijke buitenbocht een deel van het Pleniglaciale rivierterras is geërodeerd en aan de overzijde een 60 cm dikke eik is aangetroffen in de top van een veenpakket. De laat-glaciale restgeulen worden van elkaar gescheiden door kronkelwaardvlaktes met zandhoogtes die variëren tussen 2 en 3 m +NAP. Ook hier wordt het zand afgedekt door een stug oeverpakket en een circa 1 tot 1,5 m dik, relatief slap komkleipakket.
In het noord(west)elijke deel van deelgebied 4 komen geul-, kronkelwaard- en oeverafzettingen voor van de Haren-stroomgordel. Het fijne zand ligt op vrijwel dezelfde hoogte als dat van de Allerød meandergordel, maar wordt niet afgedekt door vroeg-holocene oeverafzettingen. Ter hoogte van het AMK-terrein in het noordelijke deel van deelgebied 4 komt bovenop de oeverafzettingen een (licht) verweerd kleidek voor met veel houtskoolspikkels, verbrand leem, archeologisch puin en gedraaid en handgevormd aardewerk. Dit kleidek is als oude woongrond geclassificeerd en is mogelijk gedeeltelijk opgebracht. Het vondstmateriaal duidt op menselijke activiteit vanaf de (midden-ijzertijd/)vroeg-Romeinse tijd tot en met de vroege middeleeuwen. Het nagenoeg ontbreken van archeologische resten uit de ijzertijd kan worden verklaard door het feit dat vrijwel al het gedetermineerde vondstmateriaal afkomstig is vanaf het maaiveld. Mogelijk dat de oudere vondstlaag uit de ijzertijd niet wordt aangesneden door de bouwvoor. In het noordelijke deel van deelgebied 2 is een smalle strook met verstoorde bodemprofielen tot in het beddingzand waargenomen. Tevens komt in het zuidwestelijke deel van deelgebied 3 maximaal 80 cm dik ophoogzand voor op afzettingen van de Allerød restgeul. Hier hebben vermoedelijk tijdens de ruilverkavelingen egalisatiewerkzaamheden plaatsgevonden.
Verder zijn geen noemenswaardige bodemverstoringen waargenomen in de boringen. Op basis van de veldwaarnemingen kan de tijdens de beknopte bureaustudie opgestelde archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische resten vanaf het laat-paleolithicum tot en met de middeleeuwen voor vrijwel het gehele plangebied gehandhaafd blijven (circa 22,5 ha; bijlage 10). Uitzondering hierop vormt een smalle strook in het noordelijke deel van deelgebied 2. Hier hebben vermoedelijk tijdens de ruilverkaveling diepreikende bodemverstoringen plaatsgevonden tot in de pleniglaciale beddingafzettingen. Voor dit gedeelte 2 geldt een lage archeologische verwachting (2900 m ; bijlage 10). Tevens bestaat een aanzienlijk deel van het plangebied uit restgeulen, waarbij de kans op bewoningsresten laag wordt geacht (8,5 ha; bijlage 10). Wel kunnen binnen de contouren van deze restgeulen bijzondere water gerelateerde complextypen worden verwacht (boten, voorden, visfuiken beschoeiingen, bruggen etc.). In de deelgebieden 1 en 2 worden eventueel aanwezige archeologische resten direct onder de bouwvoor of onder een dun overstromingsdek verwacht vanaf 0,25 à 0,45 m –mv in de top van de laat-glaciale of vroeg-holocene oeverafzettingen. In de deelgebieden 3 en 4 ter hoogte van het pleniglaciale Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)
48
rivierterras (bijlage 6 en 10) worden archeologische resten verwacht direct onder de bouwvoor vanaf 0,1 à 0,3 m –mv in de top van de relatief stugge oeverafzettingen. De top van de laat-glaciale of vroeg-holocene oever heeft in deze gebieden echter een hogere kans op het aantreffen van archeologische resten. Deze komt in dit gedeelte van het plangebied voor vanaf circa 0,5 tot 1 m –mv. Ter plekke van de Allerød meandergordel (bijlage 6) worden archeologische resten verwacht vanaf 0,80 à 1,55 m –mv. De meandergordel wordt afgedekt door een dik pakket overstromingsklei, waarbinnen geen archeologische resten meer worden verwacht. Binnen de contouren van de Allerød restgeul worden water gerelateerde resten verwacht vanaf 0,55 à 1,60 m –mv. Binnen de contouren van de Haren-meandergordel (bijlage 6 en 10) worden archeologische resten verwacht vanaf 0,2 à 0,35 m –mv. Ter hoogte van de boringen met een woongrond is vermoedelijk sprake van meerdere gestapelde archeologische loopvlakken. Ter plekke van de zuidelijk gelegen (kronkelwaard)geul worden water gerelateerde vondsten vanaf het neolithicum verwacht vanaf 1,25 m –mv. Binnen de contouren van de jongere restgeul ter hoogte van de Hertogwetering worden water gerelateerde resten verwacht vanaf 1 à 1,35 m –mv.
49
V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss
Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)
50
4
Conclusie en aanbevelingen
4.1 Conclusie Hieronder volgt de beantwoording van de onderzoeksvragen zoals gesteld in het Plan van Aanpak:
Hoe is de bodemopbouw en is deze nog intact? Uit het veldonderzoek is gebleken dat het gehele plangebied binnen de contouren van de Rijn-Maas delta ligt. De deelgebieden 1, 2, het oostelijke deel van deelgebied 3 en het zuidelijke deel van deelgebied 4 liggen op afzettingen behorende tot het Pleniglaciaal rivierterras (bijlage 6). Binnen dit rivierterras zijn kleine hoogteverschillen (max 80 cm) waargenomen in de top van het aangetroffen zand. In het westelijke deel van deelgebied 3 en in het zuidelijke deel van deelgebied 4 komen (rest)geul-, oever- en/of beddingafzettingen voor van de actieve Maasloop ten tijde van het Laat-Glaciaal (meer specifiek de Bølling-Allerød periode). In het noord(west)elijke deel van deelgebied 4 komen (rest)geul, oever- en/of beddingafzettingen voor van de Haren stroomgordel. Het Pleniglaciaal rivierterras wordt vrijwel overal afgedekt door relatief stugge oeverafzettingen, die op hun beurt in de deelgebieden 1, 3 en 4 worden afgedekt door komafzettingen. In het oostelijke deel van deelgebied 2 liggen de oever- op beddingafzettingen direct aan het maaiveld. In het uiterst westelijke deel wordt het Pleniglaciaal rivierterras afgedekt door jonge komklei. Ter hoogte van de Allerød meandergordel is sprake van een (al dan niet met veen opgevulde) restgeul, die zich ter hoogte van de Megensebaan vertakt in een noordwestelijke en noordoostelijke tak.
Het is onduidelijk of deze twee geulen tegelijkertijd of afzonderlijk van elkaar als actieve geul hebben gefungeerd. Op 3,5 m –mv is in boring 124 sprake van een vegetatiehorizont of laklaag wat duidt op een stilstand van sedimentatie. De laat-glaciale restgeulen worden van elkaar gescheiden door kronkelwaardvlaktes met zandhoogtes die variëren tussen 2 en 3 m +NAP. Ook hier wordt het zand afgedekt door een stug oeverpakket en een circa 1 tot 1,5 m dik, relatief slap komkleipakket. In het noord(west)elijke deel van deelgebied 4 komen geul-, kronkelwaard- en oeverafzettingen voor van de Haren-stroomgordel. Het fijne zand ligt op vrijwel dezelfde hoogte als dat van de Allerød meandergordel, maar wordt niet afgedekt door vroeg-holocene oeverafzettingen. Ter hoogte van het AMK-terrein in het noordelijke deel van deelgebied 4 komt bovenop de oeverafzettingen een (licht)
51
V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss
verweerd kleidek voor met veel houtskoolspikkels, verbrand leem, archeologisch puin en gedraaid en handgevormd aardewerk. Dit kleidek is als oude woongrond geclassificeerd en is mogelijk gedeeltelijk opgebracht.
Komen er binnen het plangebied restgeulen van de Haren stroomgordel en een mogelijke laat-glaciale restgeul voor en zo ja, kan op basis van stratigrafie, archeologische indicatoren en omringende (geo)archeologische gegevens meer worden gezegd over de ouderdom en laterale migratie van deze geulen? In de deelgebieden 3 en 4 is sprake van een ruim 100 m brede restgeul, die dateert uit het Laat-Glaciaal (Bølling-Allerød Interstadiaal). De (al dan niet met veen opgevulde) restgeul vertakt zich ter hoogte van de Megensebaan in een noordwestelijke en noordoostelijke tak. Het is onduidelijk of deze twee geulen tegelijkertijd of afzonderlijk van elkaar als actieve geul hebben gefungeerd. Vooralsnog wordt uitgegaan van een genese gedurende het Laat-Glaciaal. De silthoudende, kleiige opvulling gescheiden door een veenpakket van de laat-glaciale restgeul doet vermoeden dat er tenminste twee stromend waterfases hebben plaatsgevonden nadat de restgeul verlaten was. De periode van veenvorming komt vermoedelijk overeen met de periode na de vroeg-holocene insnijding van de voorloper(s) van de Maas en de Rijn en voor de actieve fase van de Harenstroomgordel (midden-mesolithicum tot en met het middenneolithicum). Tijdens de jongste stromend water fase is vermoedelijk een gedeelte van het Pleniglaciaal rivierterras afgekalfd, waardoor hier een natte, drassige poelgrond is ontstaan.
In het noord(west)elijke deel van deelgebied 4 komt een (rest- of kronkelwaard)geul voor behorende tot de Haren stroomgordel. Deze geul was vermoedelijk actief ten tijde van het laat-neolithicum/vroege bronstijd en heeft tijdens haar actieve fase in de binnenbocht een kronkelwaard met afdekkende oeverafzettingen gevormd. Tijdens de zuidelijke verplaatsing van deze actieve rivierloop heeft het een deel van de Allerød meandergordel opgeruimd. Ten noordwesten van de oudste meandergordel van de Haren stroomgordel , waarop zich het beschermd AMK-terrein bevindt, komt een jongere meandergordel met bijbehorende restgeul van dezelfde stroomgordel voor. Deze restgeul komt voor ter hoogte van de in de e 13 eeuw gegraven Hertogwetering en dateert vermoedelijk uit de laatste actieve fase van de Haren-stroomgordel, de late bronstijd. De hogere ligging van het AMK-terrein valt mogelijk te verklaren door de lokale ophoging met jongere oeversediment van deze jongere rivier. Ten tijde van de bewoning tijdens de midden ijzertijd tot en met de vroege middeleeuwen was deze restgeul vermoedelijk nog waterhoudend.
Kunnen op basis van de boorresultaten en aanvullende landschappelijke en historische gegevens de contouren van het AMKterrein in deelgebied 4 en een mogelijk nederzettingsterrein met grafveld in deelgebied 2 duidelijker begrensd worden? Zo ja, op welke wijze en onderbouw de reden hiervoor. Op basis van eerder onderzoek en gegevens uit het huidige onderzoek blijkt dat binnen het beschermde AMK-terrein in deelgebied 4 menselijke activiteit heeft plaatsgevonden vanaf de midden-ijzertijd Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)
52
tot en met de vroege middeleeuwen. De site kan duidelijk worden begrensd op basis van het voorkomen van een woongrond waarin diverse archeologische indicatoren voorkomen. De woongrond komt voor in, maar ook op oeverafzettingen van de Haren-stroomgordel. In de top van de oeverafzettingen kan op basis van de genese van het gebied bewoning hebben plaatsgevonden vanaf de ijzertijd. Afdekkende kom- of oeverpakketten dienen dus een jongere ouderdom te hebben. Het lijkt er sterk op dat de verschillende bewoningsfases van elkaar worden gescheiden door een dun kleidek dat tijdens hoogwaters of door toedoen van de mens bovenop het oeversediment ligt. Aan het maaiveld werden voornamelijk resten uit de vroeg-Romeinse tijd tot en met de vroege middeleeuwen aangetroffen. Het vermoeden bestaat dan ook dat de nederzettingssporen van vóór de Romeinse tijd afkomstig zijn vanuit de oeverafzettingen van de Haren-stroomgordel. De vondstlaag behorende bij dit nederzettingsterrein is daarbij niet aangetast door (sub)recent ploegen. De sporen uit de Romeinse tijd (en vroegmiddeleeuwse periode) komen voor vanuit een afdekkend kleidek. De bijbehorende vondstlaag uit deze periode is wel aangetast door ploegen.
De site kan grotendeels worden begrensd door het nader in kaart brengen van de oever- op kronkelwaardafzettingen van de Haren-stroomgordel ten zuiden en de restgeul ten noord(west)en van het AMK-terrein. In het westelijke deel van deelgebied 2 wordt mogelijk een nederzettingsterrein met grafveld uit de ijzertijd verwacht. Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan niet worden bepaald of en zo ja, waar er mogelijk resten van dit nederzettingsterrein met grafveld in de ondergrond aanwezig zijn. Wel zijn op de hoger gelegen vroeg-holocene oeverafzettingen van het Pleniglaciaal rivierterras in de deelgebieden 1 en 2 aanwijzingen van menselijke activiteit aangetroffen in de vorm van het aantreffen van houtskoolspikkels. Ook blijkt er sprake te zijn van hogere meer zandige ruggen en lagere met klei opgevulde terrasgeulen. Hier werd ook al melding van gedaan tijdens een veldverkenning in 1999. Destijds werden op zanderige stukken op 10 m afstand van elkaar crematieresten aangetroffen, die van elkaar werden gescheiden door nattere zones. Nader onderzoek dient uit te wijzen waar deze zandige ruggen nu daadwerkelijk gesitueerd zijn en waar zich de tussengelegen laagtes bevinden. Het verkennende booronderzoek is te wijdmazig (40x50 m grid) om hierop een antwoord te kunnen geven.
Wel lijkt het noordwestelijke deel van deelgebied 2 zich binnen de contouren van een terrasgeul te bevinden (fig. 3.15).
In hoeverre worden archeologische resten bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm? Ter plekke van de locaties met een middelhoge tot hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten bestaat er een gerede kans dat eventueel aanwezige archeologische resten verstoord dan wel vernietigd worden door de voorgenomen ontwikkelingen. Ter plekke van de aan te leggen windmolens en de bijbehorende infrastructurele ingrepen adviseert BAAC dan ook om een archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren in de vorm van een karterend/waarderend proefsleuvenonderzoek. Zodoende kan dan met enige zekerheid worden vastgesteld of er wel of geen
53
V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss
behoudenswaardige archeologische resten in de ondergrond aanwezig zijn. De locaties van de restgeulen hebben een lage trefkans op nederzettingsresten, maar wel een kans op water gerelateerde complextypen. Geadviseerd wordt om een gedetailleerdere landschapsreconstructie van de aanwezige restgeulen in relatie tot het omringende landschap uit te laten voeren. Zodoende kan voor de natte zones een specifiek verwachtingsmodel worden opgesteld dat tegelijkertijd gerelateerd kan worden aan de archeologische vindplaatsen binnen het plangebied. Dit kon aan de hand van alleen een verkennend booronderzoek niet volledig uitgevoerd worden. BAAC adviseert dan ook om voor de geulzones met een lage archeologische verwachting, maar een hoge verwachting op water gerelateerde datasets, een landschappelijk boor- of proefsleuvenonderzoek uit te voeren bij bodemverstoringen die tot 1 m –mv of dieper reiken.
4.2 Aanbevelingen BAAC adviseert om in de gebieden met een middelhoge of hoge verwachting (22,5 ha) bodemverstorende activiteiten die dieper reiken dan de top van het potentieel archeologisch loopvlak zo veel mogelijk te vermijden. Indien dit niet mogelijk is adviseert BAAC op die plekken waar de bodem verstoord gaat worden een vervolgonderzoek door middel van een karterend en eventueel waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Binnen de contouren van het AMK-terrein dienen per definitie geen bodemverstorende activiteiten te worden uitgevoerd. Indien hier sprake gaat zijn van bodemverstorende activiteiten die dieper reiken dan 0,2 m –mv dient een aparte vergunningsaanvraag ingediend te worden bij het RCE. BAAC adviseert tevens om bij dieper reikende bodemverstoringen (meer dan 1 m –mv) de gebieden met een lage verwachting op het aantreffen van bewoningsresten, maar een potentiele kans op het aantreffen van water gerelateerde complextypen, nader te onderzoeken (8,5 ha). Te denken valt aan een landschappelijk boor- of proefsleuvenonderzoek dat geschikt is om de aanwezigheid van eventueel aanwezige natte complextypen goed in beeld te kunnen krijgen en tevens de genese van de restgeulen binnen het plangebied beter in beeld te brengen.
Voorafgaand aan de uitvoering van een (landschappelijk, karterend en/of waarderend) proefsleuvenonderzoek dient een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin de eisen waaraan dergelijke onderzoeken dienen te voldoen worden vastgelegd. Bovenstaand advies is beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Oss, dhr. R. Jansen, d.d. 16-10-2018). Het bevoegd gezag heeft het door BAAC opgestelde advies in z’n geheel overgenomen. Hoewel getracht is een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden, kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten in de gebieden waarvoor geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen. BAAC bv wil er daarom op wijzen dat men bij bodemverstorende activiteiten alert dient te zijn op de aanwezigheid van archeologische waarden (zoals vondstmateriaal en grondsporen). Bij het aantreffen van deze waarden dient men hiervan melding te maken bij de minister (in de praktijk de RCE) conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016.
Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)
54
5
Geraadpleegde bronnen Alterra, 2008: Geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000). Geraadpleegd in augustus 2018 via Archis-III. Bakker, H. de & J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland, Staring Centrum, Wageningen. Beeldbank, 2018: Historisch Beeldmateriaal waaronder eerste kadastrale kaarten uit de periode 1811-1832 en Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels. Verkregen in augustus 2018 via http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/alle-afbeeldingen. Botman, A., S. van der Aa & J. de Moor, 2009: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart gemeente Oss. H030, ADC, Amersfoort Broeke, P.W. van den, 2012: Het handgevormde aardewerk uit de IJzertijd en de Romeinse tijd van Oss-Ussen. Studies naar de typochronologie, technologie en herkomst, Leiden. Sidestone Press. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik & A.H. Geurts, 2012: Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn‐Maas Delta. Dept. Fysische Geografie. Univ Utrecht. Digitale Dataset. http://easy.dans.knaw.nl. Opgevraagd in maart 2013. Haneca K., 2017: Dendrochronologie en erfgoedonderzoek. Handleiding Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel. Kalisvaart, C.C. & T. Merlidis, 2018: Onderzoeksvoorstel – Plan van Aanpak, project
V-18.0231. Oss, Windmolenpark bedrijventerrein Elzenburg-de Geer. Onderzoeksmeldingsnummer 4627711100. BAAC bv, ’s-Hertogenbosch. Mulder, de. E.F.J., M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff & T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland, Groningen/Houten. Nederlands Centrum van Normalisatie, 1989: Classificatie van onverharde grondmonsters. NEN 5104. Delft. Schweingruber, F.H., 1990: Microscopische Holzanatomie 3 Aufl. Eidgenössische Forschunganstalt für Wald, Schnee und Landschaft, Birmensdorf. Stiboka ,1966. Bodemkaart van Nederland 1:50.000. Toelichting bij de kaartbladen 45 Oost ‘s-Hertogenbosch. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB), 2016: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.0, Gouda.
Geraadpleegde websites en URL’s AHN-2. Actueel Hoogtebestand Nederland. Verkregen via http://www.arcgisonline.com, augustus 2018. 55
V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss
ArcGIS Online, recente luchtfoto, topografische kaart en kadastrale ondergrond uit 2017, http://www.arcgisonline.com, augustus 2018. ARCHIS-III, het registratie- en informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, geraadpleegd in augustus 2018 via http://zoeken.cultureelerfgoed.nl. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), 2018: Archeologische Monumentenkaart (AMK), archeologische onderzoeksmeldingen en het Centraal Archeologisch Archief (CAA) geraadpleegd in augustus 2018 in Archis-III via https://zoeken.cultureelerfgoed.nl/. Topotijdreis, Tijdreis over 200 jaar topografie, http://www.topotijdreis.nl, augustus 2018.
Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)
56
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11
57
Geologische en archeologische tijdsperioden Archis-waarnemingen, onderzoeksmeldingen en AMKterreinen op gemeentelijke verwachtingskaart Riviersystemenkaart Boorpuntenkaart op de hoogtekaart Boorpuntenkaart op eerste kadastrale kaart (1830) Geomorfologische kaart Dwarsprofielen AA’ en BB’ Vondstenlijst Boorstaten Boorpunten- en verwachtingskaart Begrippenlijst
V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss
Bijlage 1 Overzicht van geologische en archeologische tijdvakken
Bijlage 1: Geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen (warme periode)
1
11.650
14.030
Laat
Laat
30.000
60.000
Weichselien (ijstijd)
14.640
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
75.000
Formatie van Kreftenheye (Rijn) 2
MiddenPleniglaciaal (koud)
3
VroegPleniglaciaal (zeer koud)
4
VroegWeichselien (gematigd koud)
Pleistoceen
117.000
Kwartair
5a 5b 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6-10
Holsteinien (warme periode)
11
Elsterien (ijstijd)
12
Cromerien (warme periode)
1322
Pre-Cromerien
23104
Eem Formatie (marien, lagunair en lacustrien) Formatie van Drente (Glaciaal)
130.000
Midden
410.000
Midden
370.000
475.000
2.600.000
Vroeg
Vroeg
850.000
Formatie van Urk (Rijn) Formatie van Peelo (Glaciaal) Formatie van Sterksel (Rijn)
Chrono-, zuurstofisotopen- en lithostratigrafie voor Noordwest-Europa naar De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Berendsen (2008) en Cohen et al. (2009). Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor Cultuurhistorisch Erfgoed (RCE). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2008). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Formatie van Beegden (Maas)
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
13.900
Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm) LaatPleniglaciaal (zeer koud)
Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
Formatie van Boxtel (eolisch en lokaal terrestrisch)
12.850
Lithostratigrafie
Formatie van Stamproy (eolisch en lokaal terrestrisch)
Ouderdom (jr) 0 = 1950 n. Chr.
Ouderdom (kal. jaren BP1)
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
Vegetatie
Archeologische perioden (kal. jaren v/n. Chr.) nieuwe tijd (1500-heden)
450 Vb2 1150
1250
1962
Laat
1500
Subatlanticum (koeler Vochtiger)
1950
Holoceen
2900
5700
Subboreaal (koeler Droger)
5000
7250
10.250
9000
10.750 10.150
13.900
11.900
14.030
12.100
14.640
12.450
130.000
300.000 (v. Chr.)
1
14
117.000
C-methode loopt tot 43.000 jaar BP
35.000 (v. Chr.)
75.000
III
Loofbos eik en els overheersen, relatief veel iep en linde. Het percentage den neemt af
Boreaal (warmer)
II
Den overheerst, daarnaast hazelaar, eik, iep, linde, es
Preboreaal (warmer)
I
Eerst berk en later overheerst de den
Late Dryas
LW III
Parklandschap (subarctisch)
Allerød
LW II
LaatWeichselien (Laat-Glaciaal) Weichselien (ijstijd)
10.950
Laat-Pleistoceen
12.850
MiddenPleistoceen
11.650
Loofbos. Eik, els en hazelaar overheersen; beuk vanaf IVb >1% en grotere invloed landbouw (granen)
Atlanticum (warm Vochtig) 8000
Vroeg
8700
IVa
Midden
3950
IVb
Vroege Dryas Bølling
Dennen- en berkenbossen Open parklandschap
LW I
Romeinse tijd (12 v.Chr. – 450 n. Chr.)
bronstijd (2000 – 800 v. Chr.)
neolithicum (5300 – 2000 v. Chr.)
mesolithicum (8800 – 5300 v. Chr.)
laat-paleolithicum (35.000 – 8800 v. Chr.)
Open vegetatie met kruiden (bijvoet) en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
Perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (Vroeg-Glaciaal)
Perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Eemien (warme periode)
Loofbos
Saalien (ijstijd)
Maximale ijsuitbreiding Scandinavische ijskap tussen 200.000 en 130.000 jaar BP
BP = aantal werkelijke jaren voor 1950 AD.
middeleeuwen (450-1500 n. Chr.)
ijzertijd (800 – 12 v. Chr.)
Va
2750 3050
Vb1
Loofbos, waarbij eik en els overheersen; haagbeuk vanaf Vb1 (>1%); vanaf Vb2 veel cultuurplanten (rogge, boekweit, korenbloem)
midden-paleolithicum (300.000 – 35.000 v. Chr.)
vroeg-paleolithicum (tot 300.000 v. Chr.)
Bijlage 2 Archis-waarnemingen, onderzoeksmeldingen en AMK-terreinen op gemeentelijke verwachtingskaart
166600
166700
166800
166900
167000
167100
167200
167300
167400
167500
167600
167700
167800
167900
168000
423200
166500
2772390100
423100
2915996100 3235548100
20916 3131487100
422900
2961833100 3134321100
2911920100
422700
2916943100
422600
3
3290588100
2917331100 2917218100 2771183100 2963664100 3178005100 2928323100 2924410100 3218724100 20915
3206030100 3043634100
12801
4007494100 4007534100 2963948100 3284359100 3206209100 3206200100
50770
422500
3284237100 3998642100 3284480100
422500
24530
422800
422800
2772699100 2772682100 3040701100 2916846100 3282099100 3134224100
422700
422900
4
422600
423000
3177974100 2910827100 3048851100 3035412100 3218927100 3176726100 3206039100
423000
166400
423100
423200
166300
422400
1
422200
2
onderzoeksmeldingen (jan 2018)
422100
166500
166600
166700
166800
166900
167000
167100
© BAAC bv
167200
vondstmeldingen (jan 2018)
6120 15456 166400
2792810100
plangebied
422200
AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsten op AVK (Oss 2012) 3089262100 2928331100 3134216100
166300
422300
Oss, Windmolenpark bedrijventerrein Elzenburg-de Geer
167300
167400
167500
167600
422100
422300
422400
3040386100
0 167700
250 m 167800
167900
168000
Bijlage 3 Riviersystemenkaart
166000
59 / 102
166500
701 702
702
167500
701
168000
168500
701
702
702 702
423500
702
167000
702
706
59 / 102
706
423500
165500
702
701
59
59
701
702
702
423000
423000
702 702
4
701
701
59
3
59
422500
701
422500
701
102
102
1
702
702
422000
422000
2 Oss, Windmolenpark bedrijventerrein Elzenburg-de Geer 708
Riviersystemenkaart (Cohen et al. 2013)
708
3001 - 3500 14C BP = 1800 BC 10510 - 12000 14C BP = 12000 BC = 13900 cal BP
© BAAC bv
165500
166000
166500
167000
167500
168000
0
500 m 168500
421500
421500
12010 - 14000 14C BP = 15000 BC = 17000 cal BP
Bijlage 4 Boorpunten op de hoogtekaart
` _ 166200
166300
166400
166500
166600
166700
166800
166900
167000
167100
167200
167300
29
. 18
42 30
161
. 43
1
45
.
.
422900
.
21
` _.13 14
9
. 6 10
422800
47
24 16 25
95
73
96
61
85
62 50
422700
125
163
.
AA . ' 63
75
422600
120
. 111
129
.
.
101
121
.
90
112
. 102
.
.
.
91
168.
plangebied
113 169.
.
Oss, Windmolenpark bedrijventerrein Elzenburg-de Geer
Boorpuntenkaart op eerste kadastrale kaart (1830) 122
.
78
.
128
.
.
.
.
110
89
65
134
.
. 77
.
. 119
.
.
167 66
.
100
64
133
.
127
.
.
.
109
88
136
.
` _
.
. 76
52
118
.
.
.
51
126
.
99
.
.
108 98
3 .87
132
.
.
74
.
.
117
.
135
. .
86
. .
422500
107 97
37
131
.
. .
.
.
116
.
.
49
38
124
.
.
.
130
.
106
.
` _
115
. .
.
36
123
.
.
60
. .
105
.
. .
.
84
. 72
48
.
114
.
.
.
. .
59
35
.
.
. .
15
.
.
104
.
34 23
166
94
71
. .
83
. .
.
.
58 46
.
BB '
.
. 22
82
. 70
. 33
.
3
45
.
8
.
57
.
423000
32
.
7
165
.
422900
423000
12
.
69
.
422800
44
.
.
164
.
422700
20
.
2
56
.
422600
31
.
.
.
170
.
` _ locaties toekomstige windmolens
422400
. boorpunten
0 © BAAC bv
166200
166300
166400
166500
166600
.
166700
.
.
166800
422500
11
4
162
.
.
.
.
166900
167000
167100
167200
150 m 167300
422400
19
.
423100
.
423100
.
Bijlage 5 Boorpuntenkaart op eerste kadastrale kaart (1830)
166300
166400
166500
166600
166700
166800
166900
167000
167100
167200
167300
167400
167500
167600
167700
167800
167900
168000
423200
423200
166200
29 18 . 19 . 11 .
7
422900
1
.
.
.
5 4 . 3
.
6
422800
.
.
.
.
44 32
21
.
162 56.
.
. 57
45
.
164 69.
165
.
82. 70
.
94
166 . . 58 83 104. ` _. . . . . 8 22 46 71 114 . . . . . 14 34 59 84 105 123 . . . . . . 9 23 47 72 95 115 130 . . 15 . 35 . 60 . 106. 124. 10 . 24 . 48 . 73 96 . 116. 131 . . . . . . . 16 36 61 85 107 125 135 . . 25 . 49 . 97 . 117. 132. . . . . . 37 62 86 108 126 136 . . . . . . 50 74 98 118 133 . . . . . 87 109 127 ` _ 163 . . . . 75 99 119 134 . . . . 63 88 110 128 . . . . 76 100 120 64 . 89 . 111. 129 . . . 51 77 101 121. . 65 . 90 . 112. 52 . 78 . 102. 122 . . . . 38 66 91 167 168 169 . . 170 . . . . . .
.
. 13
. 33
422900
4 2
31 . 20
12
161
43 .
422800
423000
.
423100
42 30 .
423000
423100
.
422700 422600 422400
422400
422500
` _
` _
422500
422600
422700
3
144 174. 148 . . 145 152 ` _ 141. 149. 155 . . . 139 146 153 158 . . . . 137 142 150 156 . . . . 140 147 154 159 . . . . 138 143 151 157 . . . . 175 160 . .
Oss, Windmolenpark bedrijventerrein Elzenburg-de Geer Boorpuntenkaart op eerste kadastrale kaart (1830)
plangebied
` _ locaties toekomstige windmolens
422100
2
422000
. boorpunten
0 © BAAC bv
166200
166300
166400
166500
166600
166700
166800
166900
167000
167100
167200
167300
422200
422200
422300
1
422300
172
167400
167500
167600
167700
167800
167900
422100
39
422000
171
. 26 . 53. 79 103 . 40 . 67 . 92 . 27 . 54 . 80 . ` _ 17 . 41 . 68 . 93 . . . 28 55 81 . 173 . . . .
250 m 168000
Bijlage 6 Geomorfologische kaart
166500
166600
166700
166800
166900
167000
167100
167200
167300
167400
423200
423200
423300
423300
166400
.
. .
4
.
422900
"
.
2
1
8
. .
5
. .
14
9
. 6
. .
.
23
15
10
. . .
.
35
24
16
.
36
25
48
423100
.
.
.
50
74
. 422600
63
.
64
.
.
!
77
. 65
.
422500
.
.
.
167 66
.
423000
. .
169
122
.
. 170
422400
168
.91
.
121
112
102
129
422400
38
78
. .
.
134
128
120
111
. .
. .
101
90
.
!
52
110
136
133
127
119
. .
. .
.
. .
109
135
132
126
118
. .
. .
131
125
"
100
89
.
.
. .
. .
117
108
99
88
76
. 51
.
107
98
.
75
.
. .
.
AA . '
. 163
.
130
124
'
97
86
.
X
. 116 .
.
"
62
. 123
115
106
96
85
114
. .
.
61
49
37 422700
.
. .
. .
.
. 166
105
95
73
.
#.
.
. 84
. .
. .
104
72
60
94
83
71
. .
. .
59
47
B
.'
. 82
58
46
. 165 . B "
70
. .
34
69
57
45
33
22
. .164
#.
. .
.
"
3 422800
13
44
32
21
. .162 "
. 56 .
. .
31
20
12
43
422900
423000
. 7
. .
.
.161
422800
19
11
#.
30
422700
. .
.
. 42
422600
18
422500
423100
.
29
422200
#.
.
.
.
.
68 173
. 81
. .
92
80
.
55
.
103
144
#.
174
. .
422300
. 67
54
41
28
#.
79
93
. .
139
137
146
142
. 143
. .
.
152
149
. .
140
138
%.
145
141 #.
. .
422100
.
. 148
153
150
147
. .
. .
.
155
156
154
151
422000
166400
166500
166600
166700
166800
166900
167000
167100
167200
. .
.
159
.157 175
0
158
422200
. 17
40
.
422100
422300
. 27
.
53
.172
. 160
167300
422000
.
.
39 171 . 26
250 m 167400
Oss, Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer Geomorfologische kaart
boorpunten
. houtskool
#
. geen indicatoren %. houtskool (met botresten?) . " aardewerk met houtskool . laklaag op 350 cm -mv . baksteenpuin
"
. fosfaatvlekken
!
X
. omgevallen eik (60 cm dikte)
"
. sloot met bouwpuin
'
plangebied
geomorfologie
Laat-Pleniglaciale geul met oever
Laat-Pleniglaciaal terras met oever restgeul (Allerod)
Allerod meandergordel
poelgrond (reactivering Allerod restgeul) restgeul Haren stroomgordel
(kronkelwaard)geul Haren stroomgordel
Harense meandergordel (kronkelwaard)
Harense meandergordel (oever op kronkelwaard) raaien
© BAAC bv
Bijlage 7 Dwarsprofielen AA’ en BB’
pleniglaciaal terras
Ap
Ap
AC
AC
AC
Bølling-Allerød (rest)geul
Ap
Ap
AC
pleniglaciaal terras
Ap
C
C Cg
C Cg C
lithologie
Ahb
Cg
Cg
Cg
C
Cg
C
Cg
Cr
Ks1/Ks2 Ks3/Ks4 Kz1
Cr
Lz3 Vk1 Vk3 Zs1/Zs2
geomorfologie
Cr
beddingafzettingen komafzettingen (matig tot sterk siltige klei) oeverafzettingen
Cr
restgeul (humeuze klei) restgeul (humeuze, planthoudende afzettingen) restgeul (slappe klei) restgeul (veen)
Ap AC
C
C C
Cg
AC C
Ap
AC
AC
Ap
Cr
C
Cg Cg
Oeverdek Haren stroomgordel op Allerød meandergordel Ap
Ap
MV ijzertijdRomeinse tijd
Pleniglaciaal terras
(kronkelwaard)geul
ophoging ijzertijdAC Romeinse tijd? AC AC
Bølling-Allerød meandergordel
restgeul
kronkelwaardzone
Ap
Ap Ap
Ap
Ap
AC
AC AC
Apb
Ap Cg
Cg
Cg Cg
Ap
Ap
Cg
MV paleolithicummesolithicum Cg
Cg
C
C
C C
Cg
Cg
Cg
AC
MV paleolithicummesolithicum Cg
Cg Cg
Cg
Cg
Cg
Cg Cg Cg Cg
Cg Cg
Cg
Cr
C Cr
Cg
C
Cr C C
Cr
Cr C
lithologie Ks1/Ks2 Cr
Cr Cr
C
C
Ks3/Ks4 Kz1/Kz2
Ap
Kz3 Cr Cr
Lz3 Zs1/Zs2
Cr
Zs3 Cr Cr
C
geomorfologie
Cr
ophoging ijzertijd-Romeinse tijd
Cr
oeverafzettingen komafzettingen (Ks2/Ks3) beddingafzettingen C
restgeul (plantrijke klei) restgeul (Ks2/Ks3) restgeul/channel lag (zandige klei)
Bijlage 8 Vondstenlijst
VONDSTENLIJST Projectnummer: V-18.0231 Plaatsnaam en toponiem: Oss, Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer Onderzoeksmelding: 4627711100 Vondstnr.
Volgnr.
Boring
Verzamelwijze
Diepte
1
1
oppervlakte
1
2
2
1
Nabij boring 162 Nabij boring 162 Nabij boring 69
2
2
2
3
3
1
4
1
5
5
Horizont
Materiaal
Soort
ABR-code
Aantal
Datering
Bijzonderheden
maaiveld
KER
Handgevormd
AWH
3
ROM
Kamstreekversiering en zandverschraling
oppervlakte
maaiveld
KER
Gedraaid
AWG
4
ROM/ME
oppervlakte
maaiveld
KER
Handgevormd
AWH
9
ROM
Nabij boring 69 Nabij boring 69 Boring 70 145
oppervlakte
maaiveld
KER
Handgevormd
AWH
7
ROM
oppervlakte
maaiveld
SXX
Vuursteen
SVU
1
PAL-NT
Een gladde, concave zijde
oppervlakte
maaiveld
KER
Gedraaid
AWG
1
ROM
Met rode spikkels
boring
BOT Ap/Apb
2
PAL-NT
Indet, mogelijk bot
1
Nabij boring 164
oppervlakte
20-30 cm -mv maaiveld
KER
Handgevormd
AWH
2
ROM
2
Nabij boring
oppervlakte
maaiveld
SXX
Kwartsietische zandsteen
SXX
1
PAL-NT
2 scherven waarvan 1 met fijne besmijting en beide met zandverschraling gebroken
O.a. Fijn besmeten wandfragment, verschraling bestaande uit zand. Hard Zandig baksel vrij hard
164 6
1
6
2
7
1
8
1
9
1
10
2
Nabij boring 83 Nabij boring 83 Nabij boring 56 Nabij boring 161
oppervlakte
maaiveld
KER
oppervlakte
maaiveld
DAKPAN
oppervlakte
maaiveld
KER
oppervlakte
maaiveld
Nabij boring 83 Boring 69
oppervlakte
maaiveld
boring
0-60
Ap/ACb
Gedraaid
AWG
1
ME
DAKPAN
2
ME/NT
Handgevormd
AWH
4
ROM
zandverschraling en hard
KER
Handgevormd
AWH
2
IJZ/ROM
KER
Handgevormd
AWH
2
ROM
reducerend gebakken waardoor een zwarte kleur te zien is. zandig baksel, vrij hard
KER
Handgevormd
AWH
2
ROM
zandig baksel, vrij hard
Bijlage 9 Boorstaten
Boorbeschrijvingen. Plangebied Windmolenpark bedrijventerrein Elzenburg-de Geer
boring: 18231-1 beschrijver: MVN, datum: 24-8-2018, X: 166.379, Y: 422.895, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45E, hoogte: 5,23, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, vondstzichtbaarheid: matig, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Oss, plaatsnaam: Oss, opdrachtgever: Gemeente Oss, uitvoerder: BAAC bv
0 cm -Mv / 5,23 m +NAP Algemeen: aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: klei, uiterst siltig, zwak humeus, grijsbruin, spoor wortelresten, kalkloos Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, enkele Fe- en Mn-vlekken, interpretatie: bouwvoor
20 cm -Mv / 5,03 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, grijsbruin, kalkloos, interpretatie: komafzettingen Bodemkundig: AC-horizont, veel Fe- en Mn-vlekken
60 cm -Mv / 4,63 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, grijs, kalkloos, interpretatie: komafzettingen Bodemkundig: AC-horizont, enkele Fe- en Mn-vlekken
90 cm -Mv / 4,33 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, grijs, kalkloos, interpretatie: komafzettingen Bodemkundig: AC-horizont, veel Fe- en Mn-vlekken
115 cm -Mv / 4,08 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, roodgrijs, kalkloos, interpretatie: komafzettingen Bodemkundig: AC-horizont, veel Fe- en Mn-vlekken
140 cm -Mv / 3,83 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, zwak humeus, blauwgrijs, kalkloos, interpretatie: geulafzettingen Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd
150 cm -Mv / 3,73 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, blauwgrijs, kalkloos, interpretatie: geulafzettingen Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd
205 cm -Mv / 3,18 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: klei, uiterst siltig, zwak humeus, lichtbruingrijs, kalkloos, interpretatie: oeverafzettingen Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd
210 cm -Mv / 3,13 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: klei, uiterst siltig, grijs, zandbijmenging, kalkloos, interpretatie: oeverafzettingen Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd
255 cm -Mv / 2,68 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, grijs, matig grof, kalkloos, interpretatie: geulafzettingen Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd Opmerking: guts loopt leeg
Einde boring op 280 cm -Mv / 2,43 m +NAP
Boorbeschrijvingen. Plangebied Windmolenpark bedrijventerrein Elzenburg-de Geer
boring: 18231-2 beschrijver: CK, datum: 24-8-2018, X: 166.419, Y: 422.920, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45E, hoogte: 5,19, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, vondstzichtbaarheid: matig, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Oss, plaatsnaam: Oss, opdrachtgever: Gemeente Oss, uitvoerder: BAAC bv
0 cm -Mv / 5,19 m +NAP Algemeen: aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, spoor wortelresten, kalkloos Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, enkele Fe-vlekken, oxidatie en reductie verschijnselen, interpretatie: bouwvoor Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: van weg?
30 cm -Mv / 4,89 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: klei, matig siltig, donkerbruingrijs, kalkloos, interpretatie: komafzettingen Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, veel Fe- en Mn-vlekken, oxidatie en reductie verschijnselen
60 cm -Mv / 4,59 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: klei, matig siltig, lichtoranjegrijs, kalkloos, interpretatie: komafzettingen Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, enkele Fe- en Mn-vlekken, oxidatie en reductie verschijnselen
80 cm -Mv / 4,39 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, lichtbruingrijs, kalkloos, interpretatie: geulafzettingen Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, veel Fe- en Mn-vlekken, oxidatie en reductie verschijnselen Opmerking: slap
110 cm -Mv / 4,09 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: klei, matig siltig, lichtoranjegrijs, kalkloos, interpretatie: komafzettingen Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, veel Fe-vlekken, oxidatie en reductie verschijnselen Opmerking: stug
165 cm -Mv / 3,54 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: klei, matig siltig, blauwgrijs, kalkloos, interpretatie: komafzettingen Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, enkele Fe-vlekken, oxidatie en reductie verschijnselen Opmerking: stug
180 cm -Mv / 3,39 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: klei, zwak zandig, blauwgrijs, schelpengruis, spoor plantenresten, kalkloos, interpretatie: geulafzettingen Bodemkundig: geheel gereduceerde C-horizont, volledig gereduceerd
205 cm -Mv / 3,14 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, uiterst siltig, grijs, zeer fijn, spoor riet, kalkloos, interpretatie: geulafzettingen Bodemkundig: geheel gereduceerde C-horizont, volledig gereduceerd