CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij toelichting Bijlage 14 Archeologisch onderzoek.PDF

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente OssBij agendapunt: A Bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer 2021 (Deel 1 & 2 samen)19.860 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BIJLAGE 14

Oss Windmolenpark, Bedrijventerrein Elzenburgde Geer

Auteur: drs. C.C. Kalisvaart

Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) Status: definitief BAAC Rapport V-18.0231

november 2018

Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

2

Colofon ISSN: Auteur(s): Met een bijdrage van: Veldmedewerkers:

Vondstdeterminatie:

Cartografie: Redactie: Copyright:

1873-9350 drs. C.C. Kalisvaart mevr. S.B.C. Bloo (aardewerk prehistorie) mevr. P. Doeve (dendrochronologe) dhr. C.C. Kalisvaart dhr. M. van Nieuwkoop dhr. M.J. van Putten mevr. S.B.C. Bloo (aardewerk prehistorie) dhr. R. van der Mark (aardewerk middeleeuws) dhr. P.W. Weterings (aardewerk Romeinse tijd) dhr. C.C. Kalisvaart (natuursteen) dhr. drs. C.C. Kalisvaart dhr. drs. J.F. van der Weerden BAAC bv te ’s-Hertogenbosch

Redactie senior archeoloog :

drs. J.F. van der Weerden

11-09-2018

Accordering senior prospector:

drs. C.C. Kalisvaart

13-09-2018

© BAAC, ’s-Hertogenbosch (2018) BAAC aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

BAAC bv Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 E-mail: denbosch@baac.nl

3

Postbus 2015 7420 AA Deventer Tel.: (0570) 67 00 55 E-mail: deventer@baac.nl

V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

4

Inhoud

Inhoud

5

Samenvatting

7

1

Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Ligging van het gebied 1.3 Administratieve gegevens

11 11 12 13

2

Vooronderzoek 2.1 Inleiding 2.2 Archeologische verwachting

17 17 17

3

Inventariserend Veldonderzoek 3.1 Werkwijze 3.2 Veldwaarnemingen 3.3 Verkennend booronderzoek 3.3.1 Lithologie en bodemopbouw 3.3.2 Archeologische indicatoren 3.4 Archeologische interpretatie

23 23 25 30 30 47 47

4

Conclusie en aanbevelingen 4.1 Conclusie 4.2 Aanbevelingen

51 51 54

5

Geraadpleegde bronnen

55 57

Bijlagen

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11

5

Geologische en archeologische tijdsperioden Archis-waarnemingen, onderzoeksmeldingen en AMKterreinen op gemeentelijke verwachtingskaart Riviersystemenkaart Boorpuntenkaart op de hoogtekaart Boorpuntenkaart op eerste kadastrale kaart (1830) Geomorfologische kaart Dwarsprofielen AA’ en BB’ Vondstenlijst Boorstaten Boorpunten- en verwachtingskaart Begrippenlijst

V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

6

Samenvatting

BAAC heeft een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, uitgevoerd voor het plangebied Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer. De gemeente is voornemens een windmolenpark te bouwen. Er worden zeven gefundeerde windmolens beoogd met bijbehorende (bodem)infrastructuur. Op vier locaties dient op basis van de gemeentelijke verwachtingskaart nader archeologisch onderzoek plaats te vinden vanwege de middelhoge en hoge verwachting. In het noordelijke deel van het westelijke deelgebied 4 is sprake van een wettelijk beschermd Rijksmonument met sporen van bewoning uit de ijzertijd en de Romeinse tijd. Uit een beknopte bureaustudie blijkt dat er een algehele middelhoge verwachting voor het plangebied geldt op het aantreffen van archeologische resten vanaf het laat-paleolithicum tot en met de middeleeuwen. De oudste resten zullen zich op de hoger gelegen rivierterrassen, eventueel aanwezige rivierduinen of dekzand en op oevers rondom de Bølling-Allerød restgeul bevinden. Er zijn geen aanwijzingen van recente verstoringen van de bodem bekend binnen het plangebied. Resten uit de nieuwe tijd worden, met uitzondering van een mogelijke veldoven/steen- of pannenbakkerij, niet verwacht vanwege de ligging binnen de contouren van de Beerse Overlaat.

Specifiek worden op basis van het bureauonderzoek in het noordelijke deel van deelgebied 4 resten van een nederzetting uit de ijzertijd/Romeinse tijd verwacht. Op de meandergordel uit het Bølling-Allerød worden resten van jachtkampjes/extractiekampen verwacht. In de Bølling-Allerød restgeul worden water gerelateerde resten verwacht vanaf het laat-paleolithicum tot en met het neolithicum. Ter hoogte van de deelgebieden 1 en 2 komt een begraven pleistoceen zandlandschap voor dat vermoedelijk bestaat uit eolische zanden. Het pleistocene landschap is hier afgedekt door een (kom)kleidek. Een vindplaats zal hierdoor vermoedelijk goed geconserveerd zijn. In het westelijke deel van deelgebied 2 worden specifiek resten van een grafveld (crematieresten), een nederzetting uit de ijzertijd, een jachtkamp uit de steentijd en/of een veldoven/steen- of pannenbakkerij verwacht. Uit het veldonderzoek is gebleken dat het gehele plangebied binnen de contouren van de Rijn-Maasdelta ligt. Er zijn dus geen terrestrische afzettingen (dekzand, beekzand, fluvioperiglaciale afzettingen) aangetroffen. De deelgebieden 1, 2, het oostelijke deel van deelgebied 3 en het zuidelijke deel van deelgebied 4 liggen op afzettingen behorende tot het Pleniglaciaal rivierterras (zie fig. 1). Binnen dit rivierterras zijn kleine hoogteverschillen (max 80 cm) waargenomen in de top van het aangetroffen zand.

In het westelijke deel van deelgebied 3 en in het zuidelijke deel van deelgebied 4 komen (rest)geul-, oeveren/of beddingafzettingen voor van de actieve Maasloop tijdens het BøllingAllerød Interstadiaal. In het noord(west)elijke deel van deelgebied 4 komen (rest)geul, oever- en/of beddingafzettingen voor van de Haren stroomgordel.

7

V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

Het pleniglaciale rivierterras wordt vrijwel overal afgedekt door relatief stugge oeverafzettingen, die op hun beurt in de deelgebieden 1, 3 en 4 worden afgedekt door komafzettingen. In deelgebied 2 zijn in de top van het stugge oeverpakket aanwijzingen van menselijke activiteit aangetroffen (historische weg, sloot, houtskool). Ter hoogte van de Bølling-Allerød meandergordel is sprake van een (al dan niet met veen opgevulde) restgeul, die zich ter hoogte van de Megensebaan vertakt in een noordwestelijke en noordoostelijke tak (fig. 1). Het is onduidelijk of deze twee geulen tegelijkertijd of afzonderlijk van elkaar hebben gefungeerd. Vooralsnog wordt uitgegaan van een genese gedurende het Bølling-Allerød Interstadiaal. In de buitenbocht van deze, tijdens het Holoceen gereactiveerde geul, is een gedeelte van het oudere pleniglaciale rivierterras geërodeerd. De splitsende Bølling-Allerød meandergordel wordt in het noordelijke deel van het plangebied van elkaar gescheiden door kronkelwaardvlaktes met zandhoogtes die variëren tussen 2 en 3 m +NAP. Ook hier wordt het zand afgedekt door een stug oeverpakket en een circa 1 tot 1,5 m dik, relatief slap komkleipakket. In het noord(west)elijke deel van deelgebied 4 komen fluviatiele afzettingen van de Haren stroomgordel voor.

Het fijne (bedding)zand ligt op vrijwel dezelfde hoogte als dat van de Bølling-Allerød meandergordel met als verschil dat het rivierzand hier niet wordt afgedekt door een stugge oeverlaag. Het beschermde AMK-terrein ligt eveneens binnen de contouren van de Haren stroomgordel. De oeverafzettingen worden hier afgedekt door een (licht) verweerd kleidek, waarin veel houtskoolspikkels, fragmenten verbrand leem, archeologisch puin en gedraaid en handgevormd aardewerk in aangetroffen zijn. Dit kleidek is als oude woongrond geclassificeerd en is mogelijk (deels) opgebracht. Het vondstmateriaal duidt op menselijke activiteit vanaf de (midden-ijzertijd/)vroeg-Romeinse tijd tot en met de vroege middeleeuwen. In het noordelijke deel van deelgebied 2 is een smalle strook met verstoorde bodemprofielen tot in het beddingzand waargenomen (fig. 1). Tevens komt in het zuidwestelijke deel van deelgebied 3 maximaal 80 cm dik ophoogzand voor op afzettingen van de Bølling-Allerød restgeul. Hier hebben vermoedelijk tijdens de ruilverkavelingen egalisatiewerkzaamheden plaatsgevonden. Verder zijn geen noemenswaardige bodemverstoringen waargenomen in de boringen.

Op basis van de veldwaarnemingen kan de tijdens de beknopte bureaustudie opgestelde archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische resten vanaf het laat-paleolithicum tot en met de middeleeuwen voor vrijwel het gehele plangebied gehandhaafd blijven (ca. 31 ha). Uitzondering hierop vormt een smalle strook in het noordelijke deel van deelgebied 2. Hier komen diepreikende bodemverstoringen voor tot in de pleniglaciale beddingafzettingen. 2 Voor dit gedeelte geldt een lage archeologische verwachting (2900 m ). Daarnaast bestaat een aanzienlijk deel van het plangebied uit restgeulen, waarbij de kans op bewoningsresten laag wordt geacht. Wel kunnen binnen de contouren van deze restgeulen bijzondere water gerelateerde complextypen worden verwacht. In de deelgebieden 1 en 2 worden eventueel aanwezige archeologische resten direct onder de bouwvoor of onder een dun overstromingsdek verwacht in de top van de vroeg-holocene oeverafzettingen (vanaf 0,25 à 0,45 m –mv). Ter hoogte van het pleniglaciale rivierterras in de deelgebieden 3 en 4 worden archeologische resten direct onder de bouwvoor verwacht (vanaf 0,1 à 0,3 m – mv). Hier komen jongere oever- op oudere vroeg-holocene oeverafzettingen (vrijwel) direct aan het maaiveld voor. In deze gebieden bestaat een grotere kans Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

8

op het aantreffen van archeologische resten uit de steentijd vanwege de nabijere ligging van een (watervoerende) geul. De top van de vroeg-holocene oeverafzettingen komen in dit gedeelte van het plangebied voor vanaf circa 0,5 tot 1 m –mv. Ter plekke van de Bølling-Allerød meandergordel worden archeologische resten verwacht vanaf 0,80 à 1,55 m –mv. Het geheel is afgedekt door een dik pakket overstromingsklei, waarbinnen geen archeologische resten meer worden verwacht. Binnen de contouren van de Bølling-Allerød restgeulen worden water gerelateerde resten verwacht vanaf 0,55 à 1,60 m –mv. Binnen de contouren van de Haren meandergordel worden archeologische resten verwacht vanaf 0,2 à 0,35 m –mv. Ter hoogte van de boringen met een woongrond is vermoedelijk sprake van meerdere gestapelde archeologische loopvlakken. Ter plekke van de zuidelijk gelegen (kronkelwaard)geul worden water gerelateerde vondsten vanaf het neolithicum verwacht vanaf 1,25 m –mv. Binnen de contouren van de jongere restgeul van de Haren stroomgordel ter hoogte van de Hertogwetering worden water gerelateerde resten verwacht vanaf 1 à 1,35 m –mv. BAAC adviseert om in de gebieden met een middelhoge of hoge verwachting bodemverstorende activiteiten die dieper reiken dan de top van het potentieel archeologisch loopvlak zo veel mogelijk te vermijden (22,5 ha).

Indien dit niet mogelijk is adviseert BAAC op die plekken waar de bodem verstoord gaat worden een vervolgonderzoek door middel van een karterend en eventueel waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Binnen de contouren van het AMK-terrein dienen per definitie geen bodemverstorende activiteiten te worden uitgevoerd. Indien hier sprake gaat zijn van bodemverstorende activiteiten die dieper reiken dan 0,2 m –mv dient een aparte vergunningsaanvraag ingediend te worden bij het RCE. BAAC adviseert tevens om bij diepreikende bodemverstoringen (meer dan 1 m – mv) de gebieden met een lage verwachting op het aantreffen van bewoningsresten, maar een potentiele kans op het aantreffen van water gerelateerde complextypen, nader te onderzoeken (8,5 ha). Te denken valt aan een landschappelijk boor- of proefsleuvenonderzoek dat geschikt is om de aanwezigheid van eventueel aanwezige natte complextypen goed in beeld te kunnen krijgen en tevens de genese van de restgeulen binnen het plangebied beter in beeld te brengen. Voorafgaand aan de uitvoering van een (landschappelijk, karterend en/of waarderend) proefsleuvenonderzoek dient een PvE te worden opgesteld. De gebieden met een lage verwachting voor alle perioden behoeven niet nader onderzocht te worden. Bovenstaand advies is beoordeeld door de bevoegde en in z’n geheel overgenomen.

9

V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

Figuur 1 Archeologische overzichtskaart naar aanleiding van het inventariserend veldonderzoek.

Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

10

1

Inleiding

1.1 Onderzoekskader In opdracht van de gemeente Oss heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek met behulp van boringen (verkennende fase) uitgevoerd in het plangebied Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss. Aanleiding voor het onderzoek is het plan om op zeven locaties windmolens te realiseren met bijbehorende infrastructurele ingrepen. Voor vier van de zeven perceellocaties dient op de basis van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Oss een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, uitgevoerd te worden. De verstoringsdiepte en de exacte bodemingrepen bij de realisatie van het windmolenpark zijn nog niet precies bekend. De vermoedelijke locaties van de te realiseren windmolens staat weergegeven in bijlage 4. Uitgangspunt van het onderzoek is een verstoring van de bodem tot in het pleistocene zand of tot in het eventuele beddingzand van een aanwezige meanderende rivier. Gezien de middelhoge tot hoge archeologische verwachting en de aanwezigheid van één of meerdere restgeulen binnen het plangebied bestaat er een kans dat eventueel aanwezige archeologische waarden vanaf het paleolithicum tot en met de nieuwe tijd verstoord of vernietigd worden.

De uitvoering van het verkennende booronderzoek is gebaseerd op de resultaten 1 van de gemeentelijke verwachtingskaart en een tijdens het PvA uitgevoerde 2 beknopte bureaustudie. De uitvoering van dit onderzoek komt voort uit de specifieke verwachting voor vindplaatsen vanaf het paleolithicum. In dit rapport zijn de resultaten van het verkennende booronderzoek beschreven. Op basis van deze resultaten worden aanbevelingen gedaan voor eventueel vervolgonderzoek. Door middel van het inventariserend verkennend booronderzoek wordt aanvullende informatie vergaard over de intactheid van de bodemopbouw en eventueel aanwezige archeologische resten en/of vindplaatsen in het plangebied. Het inventariserend veldonderzoek heeft als doel het toetsen c.q. bijstellen van het verwachtingsmodel zoals dat is opgesteld op de gemeentelijke verwachtingskaart. Op basis van de resultaten van het booronderzoek wordt een selectieadvies opgesteld voor (delen van) het plangebied over het mogelijk vervolgtraject. Tijdens het onderzoek dienen de volgende onderzoeksvragen uit het Plan van 3 Aanpak te worden beantwoord: 

Hoe is de bodemopbouw en is deze nog intact?

1

Botman, Van der Aa & De Moor 2009. Kalisvaart & Merlidis 2018. 3 Kalisvaart & Merlidis 2018. 2

11

V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

Komen er binnen het plangebied restgeulen van de Harenstroomgordel en een mogelijke laat-glaciale restgeul voor en zo ja, kan op basis van stratigrafie, archeologische indicatoren en omringende (geo)archeologische gegevens meer worden gezegd over de ouderdom en laterale migratie van deze geulen? Kunnen op basis van de boorresultaten en aanvullende landschappelijke en historische gegevens de contouren van het AMKterrein in deelgebied 4 en een mogelijk nederzettingsterrein met grafveld in deelgebied 2 duidelijker begrensd worden? Zo ja, op welke wijze en onderbouw de reden hiervoor. In hoeverre worden archeologische resten bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm?

Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse 4 Archeologie versie 4.0 , het vigerende gemeentelijke beleid en het onderzoeksspecifieke Plan van Aanpak.

1.2 Ligging van het gebied Het plangebied wordt gevormd door vier deellocaties (landbouwpercelen), waarop windmolens worden gerealiseerd (fig. 1.1). Momenteel zijn de percelen in gebruik als grasland en akkerland. De percelen 1 en 2 liggen ten noorden van de Geerstraat/Eemmeer. Deelgebied 1 grenst daarbij aan de Megensebaan. Ook de deelgebieden 3 en 4 grenzen aan weerszijden aan de Megensebaan. Deelgebied 3 wordt aan de noordzijde begrensd door de Broekstraat. Deelgebied 4 grenst aan de noordwestzijde aan de Hertogswetering, een wetering die in de e 14 eeuw is gegraven ten behoeve van de ont-/afwatering van de Maaskant. Deze wetering lijkt de contouren van een oude restgeul te volgen. Alle vier de deelgebieden liggen binnen de contouren van de plaats Oss in de gelijknamige gemeente. De oppervlakte van het gehele plangebied bedraagt 31,1 ha. Het plangebied is verdeeld over vier deelgebieden. Deelgebied 1 heeft een oppervlak van 3,46 ha, deelgebied 2 van 4,48 ha, deelgebied 3 van 12,01 ha en deelgebied 4 van 11,26 ha.

4

SIKB 2016. Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

12

Figuur 1.1 Ligging van het plangebied met de vier verschillende deelgebieden.

1.3 Administratieve gegevens Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Datum opdracht: Datum veldwerk: Datum rapportage: 13

Noord-Brabant Oss Oss Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer 12 juli 2018 20 t/m 27 augustus 2018 19 november 2018

V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

BAAC projectnummer: Coördinaten (RD in meters):

V-18.0231 Deelgebied 1: ZW-hoek: x: 166.541 / 422.219 NW-hoek: x: 166.561 / 422.352 NO-hoek: x: 166.853 / 422.331 ZO-hoek: x: 166.750 / 422.207 Deelgebied 2: ZW-hoek: x: 167.015 / 422.114 NW-hoek: x: 167.168 / 422.304 NO-hoek: x: 167.357 / 422.204 ZO-hoek: x: 167.349 / 422.092 Deelgebied 3: ZW-hoek: x: 166.603 / 422.492 NW-hoek: x: 166.867 / 422.977 NO-hoek: x: 167.057 / 422.784 ZO-hoek: x: 166.890 / 422.462 Deelgebied 4: ZW-hoek: x: 166.363 / 422.898 NW-hoek: x: 166.593 / 423.167 NO-hoek: x: 166.841 / 422.991 ZO-hoek: x: 166.668 / 422.679

Kaartblad: Oppervlakte: Datering: Onderzoeksmeldingsnummer: AMK-terrein:

45E 31,1 ha PAL-ME 4627711100 Het noordelijke deel van deelgebied 4 ligt binnen de contouren van een wettelijk beschermd archeologische monumenten terrein (AMK terrein nr. 244). Het betreft een nederzettingsterrein uit de ijzertijd (en Romeinse tijd). In 1948 werden tijdens een bodemkundige kartering de eerste aardewerkvondsten gedaan op een stroomrug. In het najaar van 1998 zijn in het zuidelijke deel van het terrein na ploegen vrij veel scherven en fragmenten van La Tène armbanden gevonden. Het noordelijke deel lijkt minder te zijn aangetast te zijn. Ter plaatse bevindt zich een vrij uitgestrekt nederzettingsterrein dat in de ijzertijd tamelijk intensief moet zijn bewoond. Het voorkomen van een aantal scherven van Romeins importaardewerk geeft aan dat ook in de Romeinse tijd nog enige bewoning heeft plaatsgevonden. De aangetroffen grondsporen (onderzoek in het kader van het AMRproject) blijken in het algemeen zeer ondiep te zijn. De cultuurlaag is nog slechts aan de randen aanwezig; op de top van de rug ter hoogte van een

Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

14

Vondstmeldingsnummer(s), zie ook bijlage 3:

Type onderzoek: Opdrachtgever:

Bevoegde overheid:

Beheer documentatie: Beheer vondstmateriaal:

Uitvoerder:

Projectleider:

15

perceelsloot is ze verdwenen. Nr. 2928331100: In het westelijke deel van deelgebied 2. Hier zijn tijdens een veldverkenning in 1999 op een akker op twee plaatsen ijzertijdmateriaal naar boven geploegd, beide met crematieresten. De plekken liggen ca. 10 m. uit elkaar op een zanderig stuk, tussen nattere delen van dit terrein. Tevens zijn diverse fragmenten handgevormd aardewerk aangetroffen uit de ijzertijd. Nr. 31341216100: In het westelijke deel van deelgebied 2. In 1993 zijn tijdens een veldverkenning diverse archeologische resten waargenomen. Er werd het volgende over gezegd: “omgeploegd weiland, enkele zanderige verkleuringen in de klei. In één daarvan ijzertijd scherven, scherf met kwartsverschraling en een bewerkt stukje vuursteen; Op deze akker heeft ook een veldoven o.i.d. gelegen." De periode van de waarnemingen dateert vanaf de steentijd tot en met de nieuwe tijd (complextypen: nederzetting, jachtkamp, veldoven/steen- of pannenbakkerij). Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) Gemeente Oss Contactpersoon: mevr. Y. de Graaf email: y.de.graaf@oss.nl Gemeente Oss Contactpersoon: dhr. R. Jansen Email: r.jansen@oss.nl Bibliotheek Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en archief BAAC bv. Provinciaal Depot Bodemvondsten NoordBrabant Waterstraat 20 5211 JD 's-Hertogenbosch tel.

06-18303225 BAAC bv, vestiging 's-Hertogenbosch Graaf van Solmsweg 103 5222 BS 's-Hertogenbosch tel. 073-6136219 dhr. C.C. Kalisvaart email: c.kalisvaart@baac.nl

V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

16

2

Vooronderzoek

2.1 Inleiding De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Oss is 5 vervaardigd door het ADC. Hieronder volgt een specificatie van de archeologische verwachting voor het plangebied zoals die staat vermeld op de gemeentelijke verwachtingskaart en het hieraan gekoppelde beleid. Tevens wordt een beknopte aanvulling van de resultaten van enkele recente archeologische onderzoeken die relevant zijn voor het plangebied gegeven. Ook wordt een korte samenvatting van de genese van het plangebied, zowel aardwetenschappelijk als historisch, gegeven. Voor een uitgebreide onderlegger van de gemeentelijke verwachtings- en beleidsadvieskaart wordt verwezen naar het desbetreffende rapport. Voor een overzicht van de gehanteerde archeologische en geologische tijdsperioden wordt verwezen naar bijlage 1.

2.2 Archeologische verwachting Gemeentelijke verwachtingskaart Op de gemeentelijke verwachtingskaart staat aangegeven dat voor de deelgebieden 1 en 2 een middelhoge archeologische verwachting geldt op het aantreffen van archeologische resten (oranje gekleurd; bijlage 2). Deze middelhoge archeologische verwachting kan verklaard worden vanwege de aanwezigheid van een door kleiige afzettingen begraven pleistoceen landschap. Het pleistocene landschap heeft hier langdurig aan het oppervlak gelegen en bestaat van origine uit hoogtes en laagtes, waarbij met name op de grenszones tussen hoog en laag (droog en nat) archeologische resten uit de steentijd te verwachten zijn. De afdekking door een (kom)kleidek heeft er toe geleidt dat eventueel aanwezige archeologische resten goed geconserveerd en grotendeels intact zullen zijn. Gezien het ontbreken van inzicht in het afgedekte pleistocene landschap met bijbehorende landschapseenheden en de relatief spaarzame archeologische resten binnen deze geomorfologische context is voor deze gebieden een middelhoge archeologische verwachting toegekend. Deelgebied 3 ligt eveneens grotendeels in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting (oranje gekleurd; bijlage 2). Ook hier is sprake van een begraven pleistoceen landschap, maar hier is dit grotendeels gevormd door zich insnijdende rivieren.

Binnen deze zone komt in het westelijke deel van deelgebied 3 en in het oostelijke deel van deelgebied 4 volgens de waardenkaart van de gemeente Oss een restgeul voor. De restgeul dateert vermoedelijk uit het 6 warmere Bølling-Allerød Interstadiaal (15.700 – 12.800 cal yr BP ) en heeft sindsdien als een laagte in het rivierenlandschap gelegen. Deze meander heeft 5 6

17

Botman, Van der Aa & De Moor 2009. Cal yr BP = het aantal werkelijke jaren voor 1950 AD. V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

zich namelijk ingesneden in het oudere Laagterras dat tijdens het Midden en Laat-Pleniglaciaal de actieve bedding van de Rijn-Maas vormde. Met name aan de zuidzijde van deze meander op de hoger gelegen rivierterrasrand bestaat een aanzienlijke kans op het aantreffen van resten van jagers/verzamelaars uit het laat-paleolithicum tot en met het neolithicum en mogelijk ook uit latere perioden. Het uiterst noordelijke deel van deelgebied 3 heeft op de gemeentelijke verwachtingskaart een hoge archeologische verwachting toebedeeld gekregen vanwege de ligging binnen de contouren van de Harenmeandergordel. De zandige oever- en beddingafzettingen van deze meanderende rivier hebben er toe geleidt dat deze zone relatief hoog in het landschap lag. Tevens leverde de zandige ondergrond met een kleiig dek op deze meandergordel uitstekende bewerkbare gronden op. De meandergordel vormde een uitermate geschikte vestigingslocatie voor de sedentair levende boerenfamilies. Op de zuidelijke contouren van deze meandergordel zijn diverse archeologische resten aangetroffen, die veelal dateren uit de ijzertijd en de Romeinse tijd (mede in het beschermde AMK-monument 244). Het zuidelijke deel van deelgebied 4 ligt op de gemeentelijke verwachtingskaart in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting vanwege wederom de aanwezigheid van een begraven pleistoceen rivierenlandschap.

Het overige deel ligt binnen de contouren van de Haren-stroomgordel en heeft een hoge archeologische verwachting toebedeeld gekregen (rood gekleurd; bijlage 2). In de noordoostelijke hoek ligt een gedeelte van het deelgebied 4 binnen de contouren van het beschermde AMK-terrein 244. Het betreft een nederzettingsterrein uit de ijzertijd (en Romeinse tijd). Op de archeologische beleidskaart valt het plangebied binnen de zone ‘2’; gebieden met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting. Voor deze gebieden dient een booronderzoek en/of proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden. Het uitgangspunt voor de zones met een hoge verwachting is dat bodemingrepen beneden 0,30 m –mv moeten worden voorkomen. Archeologisch vooronderzoek is verplicht bij graafwerkzaamheden voor plangebieden die 2 groter zijn dan 100 m . Bij de gebieden met een middelhoge verwachting is deze 2 vrijstellingsgrens 1000 m . Binnen deelgebied 4 ligt een AMK-terrein. Voor dit gebied geldt dat hier reeds is aangetoond dat er archeologische resten in de ondergrond aanwezig zijn. Bodemingrepen binnen het wettelijke beschermd Rijksmonument moeten worden voorkomen. Indien toch bodemingrepen gaan plaatsvinden zijn deze vergunningsplichtig, conform de Monumentenwet uit 1988. Een vergunningsaanvraag moet worden ingediend bij de RCE. 2

Conform het gekoppelde gemeentelijke beleid (plangebied groter dan 1000 m ) dient vanwege de middelhoge tot hoge archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische resten het gehele plangebied archeologisch onderzocht te worden. Het bevoegd gezag heeft geadviseerd in eerste instantie een verkennend booronderzoek uit te laten voeren.

Landschapsgenese De deelgebieden 1 en 2 liggen landschappelijk gezien in het Zuid-Nederlandse zandlandschap (bijlage 3). Het Zuid-Nederlandse zandlandschap wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van fijnzandige eolische afzettingen, die hier ten noorden van Oss worden afgedekt door een 40 tot maximaal 120 cm dik 7 fluviatiel (kom)kleidek. Het door de wind afgezette zand zal in deze gebieden voornamelijk bestaan uit regionaal afgezet, goed gesorteerd, zeer tot matig fijn, 7

Stiboka 1966. Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

18

goed afgerond dekzand. In de oorspronkelijke lagere vlaktes zullen meer lemige/silthoudende, slechter gesorteerde zanden of zandige lemen voorkomen. In de laagste delen komen lokale beken voor, die afwaterden op het pleistocene rivierdal. Beekafzettingen bestaan uit leem, al dan niet humeus, afgewisseld door beekzanden. In principe kunnen er archeologische resten worden verwacht in de top van het eolische of alluviale afzettingen en dan met name langs de randen van het pleistocene rivierdal. In het westelijke deel van deelgebied 2 is bijvoorbeeld een fragment bewerkt vuursteen aangetroffen dat vermoedelijk duidt op menselijke activiteit tijdens de steentijd (nr. 31341216100; bijlage 2). De deelgebieden 3 en 4 liggen landschappelijk gezien binnen de contouren van 8 het Midden-Nederlandse rivierengebied (bijlage 3); een zone waar voorlopers van de Rijn en Maas tijdens het Pleistoceen en het Holoceen water afvoerden in de richting van de Noordzee (ook wel Rijn-Maas delta genoemd). Grootschalige fluviatiele activiteit vond ter hoogte van Oss plaats vanaf het Midden-/Laat-Weichselien, waarbij de vlechtende rivieren zich geleidelijk aan hebben ingesneden in het Brabantse zandlandschap.

De Rijn-Maas delta wordt gekenmerkt door een in fases ingesneden en een vervolgens weer opgevuld breed uitwaaierend rivierdal met in de ondergrond verschillende “rivierterrassen”: zandige stroombedden uit verschillende geologische perioden die van elkaar herkend kunnen worden door verschillen in korrelgrootte, mineralogische samenstelling en hoogteverschillen van de top van het beddingzand. Binnen de deelgebieden 3 en 4 komen volgens de riviersystemenkaart van de Rijn-Maas delta een hoger gelegen rivierterras uit het Midden-/Laat-Weichselien (Pleniglaciaal rivierterras) en een lager gelegen jongere meanderbocht uit het 9 Laat-Glaciaal voor (bijlage 3). Deze laatste dateert op basis van morfologie vermoedelijk uit het warmere Bølling-Allerød Interstadiaal. In de basis van deze later weer opgevulde en afgedekte restgeul kunnen nog water gerelateerde archeologische resten worden aangetroffen. Op de met lemige oeverafzettingen afgedekte hogere terrasranden worden sporen van tijdelijke kampen uit het laatpaleolithicum tot en met het neolithicum verwacht. Op de oudere, hoger gelegen rivierterrassen (Laagterras/Pleniglaciaal rivierterras) kunnen eveneens eolische afzettingen worden aangetroffen. In dit geval zal er sprake zijn van lokaal opgeworpen zand dat afkomstig is vanuit drooggevallen rivierbeddingen, waarbij rivierduinen zijn ontstaan.

Deze grovere, goed gesorteerde zanden worden echter voornamelijk aan de (noord)oostzijde van oude, drooggevallen geulen verwacht. Indien er sprake is van rivierduinzand zullen deze zich concentreren in met name het oostelijke deel van deelgebied 3. Op eventueel aanwezige rivierduinen kunnen archeologische resten vanaf het laat-paleolithicum/vroeg-mesolithicum worden aangetroffen. Tijdens het Holoceen zijn binnen de Rijn-Maas delta diverse rivieren actief geweest. Een voorloper van de huidige Maas, de zogenoemde Harenstroomgordel, was actief tussen circa 2500 en 1000 v. Chr., en stroomde net ten noorden van en mogelijk zelfs binnen de contouren van het plangebied. Binnen de Harense meandergordel is het pleistocene dal met bijbehorende terrasmorfologie opgeruimd. Voor deze zone geldt dus een hoge archeologische verwachting vanaf het laat-neolithicum tot en met middeleeuwen. Op de locaties buiten de meandergordel van deze rivier is het terrassenlandschap met oudere bodems nog intact in de ondergrond aanwezig. Hier is het paleo maaiveld vermoedelijk afgedekt door zavelige oever- of meer zandige crevasse-afzettingen

19

8

Alterra 2008; Cohen et al. 2013.

9

Cohen et al. 2013. V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

en/of kleiige komafzettingen, die zijn afgezet door de Haren stroomgordel en door (jongere voorlopers van) de huidige Maas. Op de (distale delen van de) oevers en op crevasses van de Haren-stroomgordel worden resten vanaf het laatneolithicum verwacht. Voor de komgebieden geldt een lage verwachting voor alle perioden. Op de bodemkaart staan de deelgebieden 3 en 4 als poldervaaggronden aangegeven met een kleiige basis en hoge tot gemiddelde grondwaterspiegels (GWT III of V). Ook in de deelgebieden 1 en 2 komen kalkloze poldervaaggronden voor met hoge grondwaterspiegels (GWT III), die zich hebben ontwikkeld in matig zware klei. De kans op oeverafzettingen (zandige klei) lijkt niet al te hoog te zijn. Uitzondering hierop vormt de zone ten oosten van de pleistocene restgeul in deelgebied 3. Hier komt op de hoogtekaart een hoogte voor dat vermoedelijk een oeverwal betreft (licht witte kleur oostelijk van een donkergrijs gekleurde restgeul; fig. 2.1; bijlage 4).

Figuur 2.1 Hoogtekaart van het plangebied en omgeving (AHN-2 2018).

De restgeul uit het warmere Bølling-Allerød Interstadiaal is als donkergrijs gekleurde laagte duidelijk zichtbaar op de hoogtekaart (fig. 2.1). De pleistocene restgeul lijkt zich halverwege deelgebied 3 te splitsen in een noordoostelijke en noordwestelijke tak. De pleistocene restgeul is als laagte te vervolgen tot aan de meandergordel (zandlichaam) van de Haren-stroomgordel. Ten noorden van de restgeul van de noordwestelijke afsplitsende tak komt een ellipsvormige hoogte in het landschap voor. Hier ligt de rug in het landschap waarop het AMK-terrein ligt. Ook deelgebied 2 ligt opvallend hoger in het landschap. Ook is hier geen sprake van langgerekte strokenverkaveling. Het deelgebied lijkt beter ontwaterd te zijn dan de omgeving. Mogelijk komt hier direct onder de bouwvoor een zandrug voor. In het westelijke deel van dit deelgebied zijn aanwijzingen voor een grafveld (crematieresten), een nederzetting (handgevormd aardewerk uit de ijzertijd) en een jachtkampje (bewerkt vuursteen) aangetroffen in het verleden. Aanwijzingen voor bodemverstoringen op de hoogtekaart konden niet herkend. Wel hebben ten noordoosten van de Broekstraat ontgrondingen plaatsgevonden (zichtbaar aan vierkante hogere structuren). Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

20

Historische ontwikkeling Bijlage 5 laat de boorpuntenkaart zien geprojecteerd op de eerste kadastrale 10 e kaart uit omstreeks 1830. Aan het begin van de 19 eeuw is er geen sprake van bebouwing binnen het plangebied. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat dit gebied onderdeel uitmaakte van de Beerse Overlaat: een binnendijks gelegen, lager gebied met weinig bebouwing dat onder water kon worden gezet bij hoogwater van de Maas. Het overstromende water volgde een oude Maasgeul parallel aan de huidige Maas. Deze meestal groene zone, die 's winters vaak veranderde in een meer dan kilometer-brede rivier, begon bij Beers. Hierbij werd op grote schaal slappe klei afgezet. Het eerste stuk bij Beers droeg de geografische naam Beerse Overlaat. Vervolgens volgde het water de vallei van de Raam en het bekken van de Hertogswetering. De Hertogswetering was in het e begin van de 13 eeuw gegraven op bevel van de hertog van Brabant, en kwam ter hoogte van Gewande uit in de Maas. De Hertogswetering is duidelijk zichtbaar op de historische kaart uit 1830 en volgt met name in het gebied ten westen van het plangebied hoogstwaarschijnlijk een oude Maasgeul. De Beerse Overlaat is definitief gesloten in 1942. Door de relatief hoge grondwaterstanden is het merendeel van de percelen door middel van langgerekte stroken verkaveld.

De verkaveling stond vrijwel overal loodrecht op de Hertogswetering. Het overtollige water kon zodoende gemakkelijk en snel worden afgevoerd op de Hertogswetering. Er zijn enkele vierkant verkavelde gebieden allen eindigend op “Kamp” zichtbaar op de e historische kaart uit het begin van de 19 eeuw. Een “kamp” is in de toponymie een open ruimte of veld in het landschap. Vermoedelijk zijn dit oude bouwlandgebieden, die een betere waterhuishouding hadden en hierdoor minder smal verkaveld dienden te worden. De kampen komen met name voor ten zuiden en ten oosten van de Bølling-Allerød restgeul in de deelgebieden 3 en 4 en ten zuiden van een karrenpad ter hoogte van deelgebied 2.

Archeologische verwachting Samenvattend bestaat er een algehele middelhoge verwachting voor het plangebied op het aantreffen van archeologische resten vanaf het laatpaleolithicum tot en met de middeleeuwen. De oudste resten zullen zich op de hoger gelegen rivierterrassen, eventueel aanwezige rivierduinen, op begraven dekzand en op oevers rondom de Bølling-Allerød restgeul bevinden. Er zijn geen aanwijzingen van recente verstoringen van de bodem bekend binnen het plangebied. Specifiek worden er resten van een nederzetting uit de ijzertijd/Romeinse tijd verwacht in het noordelijke deel van deelgebied 4. Deze vindplaats ligt vermoedelijk op de meest zuidelijke begrenzing van het zandige bed van de Haren-stroomgordel. In de top van de (oever- en/of bedding)afzettingen van deze stroomgordel kunnen op basis van de ouderdom resten vanaf het laatneolithicum worden verwacht. Vermoedelijk ligt het centrum van de site vrijwel direct aan het oppervlak. De randen van de site lijken af te lopen en zijn vermoedelijk afgedekt door jonge overstromingsklei. In de deelgebieden 3 en 4 ligt een restgeul uit het Bølling-Allerød waarlangs resten van jachtkampjes/extractiekampen verwacht worden. In de geul zelf worden water gerelateerde resten verwacht vanaf het laat-paleolithicum tot en met het neolithicum.

Indien sprake is van een (verzande) restgeul kunnen water gerelateerde vondsten worden aangetroffen; te denken valt aan beschoeiingen, 10

21

Beeldbank 2018. V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

visfuiken, boten, aanlegsteigers, rituele deposities, voorden etc. etc.). Deze zullen over het algemeen goed geconserveerd zijn, aangezien er geen sprake is van bekende diepreikende verstoringen binnen het plangebied. Ter hoogte van de deelgebieden 1 en 2 komt een begraven pleistoceen zandlandschap voor dat vermoedelijk bestaat uit eolische zanden. Het pleistocene landschap is hier afgedekt door een (kom)kleidek. Een vindplaats zal hierdoor vermoedelijk goed geconserveerd zijn. In het westelijke deel van deelgebied 2 worden specifiek resten van een grafveld (crematieresten), een nederzetting uit de ijzertijd, een jachtkamp uit de steentijd en/of een veldoven/steen- of pannenbakkerij verwacht.

Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

22

3

Inventariserend Veldonderzoek

3.1 Werkwijze Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd op basis van de resultaten van het bureauonderzoek. Hierbij is de tijdens het beknopte bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting in het veld getoetst. Bij het inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) is het plangebied Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss onderzocht op de geomorfologische, geologische en bodemkundige karakteristieken. Ook geeft het booronderzoek informatie over het intact zijn van de bodem en daarmee informatie over de gaafheid van een eventuele archeologische vindplaats. Om inzicht te verkrijgen in de geologische en bodemkundige opbouw van de gebieden zijn gemiddeld 5 boringen per hectare verricht met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een 3 cm steekguts. Voor het plangebied met een totaal oppervlak van circa 31 ha komt dit neer op 160 boringen. De boringen zijn zo verspreid mogelijk over de vier deelgebieden geplaatst om een zo duidelijk mogelijk beeld van de diepere ondergrond ter plaatse van de te verstoren bodem te verkrijgen. Na projectie van het 40x50 m boorgrid op de vier verschillende deelgebieden bleek dat er op sommige locaties een zeer lage boordichtheid was. Vandaar dat aan de randen van de deelgebieden nog 15 aanvullende verkennende boringen geplaatst zijn (nrs. 161 t/m 175). Het boorplan staat aangegeven in bijlagen 4 en 5.

In dit boorplan is rekening gehouden met in de KLIC aangegeven kabels en leidingen in de ondergrond. In het plangebied zijn zo 175 boringen geplaatst. Conform het PvA is er geboord tot maximaal 400 cm beneden maaiveld, tot 25 cm in het beddingzand van de Haren-stroomgordel of tot 25 cm in het pleistocene zand. De locaties (x,y) van de boringen zijn ingemeten met behulp van gps en/of meetlinten. De hoogteligging ten opzichte van NAP is bepaald met behulp van 11 het AHN . Enkele boringen die binnen de contouren van de Allerød restgeul lagen, zijn tot dieper dan 4 m –mv doorgezet om zodoende wat meer te kunnen zeggen over de basis van de geulopvulling. De diepst uitgevoerde boring 73 reikte tot 5,90 m –mv (0,9 m –NAP). Hoewel het verkennende onderzoek niet specifiek is gericht op het opsporen van archeologische indicatoren is wel op de aanwezigheid daarvan gelet. De bodemlagen zijn met de hand en op het oog onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Archeologische indicatoren (bv. aardewerk, huttenleem, vuursteen, metaal, houtskool en al dan niet verbrand bot) kunnen een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats ter

11

23

AHN-2 2018. V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

plaatse of in de nabijheid van de boring met indicator. De bodemlagen zijn 12 13 lithologisch en bodemkundig beschreven. Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden van 20 tot en met 27 augustus 2018. In navolgende paragrafen worden de resultaten van het veldonderzoek beschreven. De locaties van de boringen staan weergegeven op de boorpuntenkaarten (bijlagen 4 en 5) respectievelijk geprojecteerd op de hoogtekaart en op de eerste 14 kadastrale kaart uit omstreeks 1830. Bijlage 6 laat een overzicht zien van de uit de boorstaten herleide geomorfologische situatie van het plangebied. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de geomorfologische interpretatie puur gebaseerd is op de gegevens uit onderhavig onderzoek. De diepere ondergrond is tijdens dit onderzoek niet compleet onderzocht. De maximale geuldiepte is in lang niet alle boringen bereikt, waardoor de geulgeometrie niet goed bepaald kon worden. De zich splitsende centrale geul uit het Laat-Glaciaal (Allerød restgeul) in de deelgebieden 3 en 4 is daarom als één restgeul ingetekend, terwijl de vormen van de geulen suggereren dat het hier om meerdere fases van fluviatiele activiteit gaat. De dwarsdoorsneden AA’ en BB’ (bijlage 7) geven echter wel een goed beeld van het omringende pleistocene landschap met bijbehorende morfologische en lithogenetische opbouw.

Figuur 3.1 geeft een overzicht van de boorpuntenkaart in de deelgebieden 3 en 4 met daarop geprojecteerd de ligging van de raaien AA’ en BB’.

Figuur 3.1 Boorpuntenkaart van de deelgebieden 3 en 4 met daarop geprojecteerd de dwarsdoorsneden die in bijlage 7 staan weergegeven. De molentjes geven de voorlopige locaties van de te realiseren windmolens weer binnen beide deelgebieden. Met de rode arcering staan de contouren van het beschermd Rijksmonument 244 aangegeven. 12 13 14

NEN 1989. De Bakker & Schelling 1989. AHN-2 2018; Beeldbank 2018. Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

24

Het aangetroffen vondstmateriaal is gedetermineerd door aardewerk- en natuursteenspecialisten. Bijlage 8 laat een overzicht van de gedetermineerde vondsten zien. De maaiveldhoogte (in meters t.o.v. NAP) is per boring vermeld in de boorstaten (bijlage 9). Een visueel overzicht van de archeologische verwachtingen voor het plangebied staat weergegeven op de archeologische verwachtingskaart (bijlage 10). Een overzicht van de gehanteerde begrippen staat weergegeven in de begrippenlijst (bijlage 11).

3.2 Veldwaarnemingen Deelgebied 1 Door de aanwezige begroeiing met gras waren aan het maaiveld geen aanwijzingen zichtbaar die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van archeologische resten in de bodem (fig. 3.2). Reliëfverschillen kwamen aan het maaiveld binnen deelgebied 1, met uitzondering van de gedempte sloten, niet voor. Ook de slootkanten leverden geen aanvullende informatie op over de ondergrond van deelgebied 1.

Figuur 3.2 Zicht op het deelgebied 1 gezien vanaf boring 173 kijkende in noordoostelijke richting (d.d. 20-08-2018).

Deelgebied 2 Door de aanwezige begroeiing met gras waren aan het maaiveld geen aanwijzingen zichtbaar die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van archeologische resten in de bodem (fig. 3.3). Ter plekke van een op de historische kaart (bijlage 5) aangegeven landweg loopt het maaiveld licht op. Opvallend is het verschil in omringende waterplanten rondom de westelijk gelegen perceleringssloot ter hoogte van deze voormalige landweg (fig. 3.4).

25

V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

Figuur 3.3 Zicht op deelgebied 2 gezien vanaf boring 138 kijkende in noordoostelijke richting (d.d. 20-08-2018). Ter hoogte van de bomen ligt de Broekweg.

Figuur 3.4 Zicht op het westelijk van deelgebied 2 gelegen maisperceel kijkende naar boorlocatie 174 vanaf boorlocatie 145. Opvallend is het verschil in begroeiing rondom de perceleringssloot en de iets hogere ligging. De hoogte in het landschap komt overeen met de locatie van een historische landweg (d.d. 20-08-2018).

Deelgebied 3 Door de aanwezige begroeiing met gras waren aan het maaiveld geen aanwijzingen zichtbaar die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van archeologische resten in de bodem (fig. 3.5). Wel waren vanwege de droge zomer enkele watervoerende kuilen/putten en sloten door het groenere en langere gras aan het maaiveld zichtbaar. Indien er goed wordt gekeken is in figuur 3.5 tevens de oostelijke rand van de Allerød geul zichtbaar. De trekker rijdt net op de rand van het Pleniglaciale rivierterras. Tussen boring 166 en de trekker in is een iets lager gelegen zone zichtbaar, die grofweg overeenkomt met het noordelijke deel van de restgeul in het westelijke deel van deelgebied 3. Andere reliëfverschillen kwamen aan het maaiveld binnen deelgebied 3 niet voor. Ook de slootkanten leverden geen aanvullende informatie op over de ondergrond van deelgebied 3.

Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

26

Figuur 3.5 Zicht vanaf boring 166 kijkende in zuidelijke richting (d.d. 21-08-2018). Op de voorgrond is een duidelijk zichtbare, lichtgroene plek zichtbaar in het verder matgroene gras. Vermoedelijk betreft het hier een voormalige (water)put of kuil.

Deelgebied 4 Door de aanwezige begroeiing met gras waren in het zuidelijke deel van deelgebied 4 aan het maaiveld geen aanwijzingen zichtbaar die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van archeologische resten in de bodem (fig. 3.6). Wel waren vanwege de droge zomer enkele sloten door het groenere en langere gras aan het maaiveld zichtbaar (fig. 3.7). Reliëfverschillen waren in het zuidelijke deel enigszins aanwezig. Zo leek het alsof de uiterst westelijke en zuidelijke hoeken net iets hoger lagen dan het overige deel van het zuidelijke plangebied. Het centrale deel is deels in gebruik als maisland en deels als kale akker (achterste perceel; ter hoogte van de boringen 11, 12, 19, 20, 21, 31 en 32; fig. 3.8). Zowel op de akker met een uitstekende vondstzichtbaarheid als op het centraal gelegen maisveld met een redelijke vondstzichtbaarheid werden geen vondsten gedaan. Wel lagen er verspreid over het centrale deel enkele fragmenten bouwpuin en glas aan het maaiveld. Er was geen sprake van enig reliëf. Alleen de zone langs de Hertogwetering ligt iets lager in het landschap. Het noordelijke deel van deelgebied 4 is in gebruik als maisland (fig. 3.10). Dit gedeelte, en dan met name de zone ter plekke van de boringen 44, 57, 56, 69, 162 en 164, ligt aanzienlijk hoger dan de omgeving.

Aan het maaiveld zijn tijdens de veldinspectie op dit hogere deel diverse aardewerkvondsten aangetroffen. Tijdens de veldinspectie is een zone van circa 2 m rondom de boring geïnspecteerd op eventueel aanwezige archeologische resten. De vondstzichtbaarheid was vanwege de aanwezigheid van hoge maisplanten redelijk tot goed. In subparagraaf 3.3.3 wordt een overzicht gegeven van het gedetermineerde vondstmateriaal. In bijlage 10 staan de vondstlocaties visueel weergegeven.

27

V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

Figuur 3.6 Zicht vanaf boring 73 kijkende in noordwestelijke richting (d.d. 23-08-2018). Het zuidelijke deel van deelgebied 4 is in gebruik als grasland.

Figuur 3.7 Zicht op een gedempte sloot ongeveer ter hoogte van boring 14 kijkende in zuidoostelijke richting. De sloot kent hogere grondwaterstanden, waardoor het gras in de droge zomer van 2018 veel beter groeit (d.d. 24-08-2018).

Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

28

Figuur 3.8 Zicht op het centrale en noordelijke deel van deelgebied 4 gezien vanaf boorlocatie 21 kijkende in noordoostelijke richting (d.d. 22-08-2018). Op de voorgrond de kale akker en rechts het maisperceel in het centrale deel. Op de achtergrond achter de solitaire boom het noordelijke maisperceel dat aanzienlijk hoger ligt dan de omgeving.

Figuur 3.9 Zicht op de Hertogwetering nabij boorlocatie 18 (d.d. 23-08-2018) kijkende in noordelijke richting. De aangrenzende zone rondom de gegraven Hertogwetering ligt wat lager.

29

V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

Figuur 3.10 Zicht op het noordelijke deel van deelgebied 4 en het noordelijk daarvan gelegen grasperceel gezien vanaf de Megensebaan. Duidelijk zichtbaar is de rug in het landschap (d.d. 22-08-2018). Op de achtergrond is de kerk van Teefelen zichtbaar.

3.3 Verkennend booronderzoek 3.3.1 Lithologie en bodemopbouw Deelgebied 1 De bodemopbouw in deelgebied 1 bestaat uit al dan niet met komafzettingen afgedekte stugge oeverafzettingen, die binnen 1,1 m –mv rusten op zeer grof, grijsbruin, zwak grindig beddingzand (fig. 3.11). Het beddingzand is slecht gesorteerd en afgerond, kalkloos en komt voor vanaf 4,0 à 4,8 m +NAP (fig. 3.12). Gezien de grote mediane korrelgrootte, de aanwezigheid van grind en de bruingrijze kleur lijkt het hier om afzettingen behorende tot de Formatie van 15 Kreftenheye te gaan (Pleniglaciaal rivierterras). Goed gesorteerd, zeer tot matig fijn dekzand werd niet aangetroffen. Het beddingzand wordt middels een geleidelijk grens afgedekt door een stug pakket oeverafzettingen met een duidelijke “fining-upward”-sequentie; een verfijning van de mediane korrelgrootte naar boven toe. De basis van de oeverafzettingen bestaat uit matig grof, matig tot sterk siltig, slecht gesorteerd zand en loopt naar boven toe over in sterk tot uiterst siltig, matig fijn zand. Het fijne zand wordt afgedekt door een pakket zwak zandige leem of sterk siltige klei op meer sterk zandige leem. In het oeverpakket komen veel roest- en mangaanvlekken voor wat duidt op stagnatie van percolerend grondwater en bijbehorende oxidatiereductie processen. De top van het oeverdek ligt tussen 0,2 en 0,55 m –mv (vanaf circa 4,6 à 5,2 m +NAP).

De oeverafzettingen zijn over het algemeen zeer stug (A- of AC-horizont) door rijping en interne verwering van het veelal silt- en lutumhoudende uitgangsmateriaal. In de boringen 68, 80 en 92 werd een duidelijk verweerde bodem, waarna zich een beginnende moderpodzol-B heeft kunnen ontwikkelen. De beginnende podzolisatie van de 15

De Mulder et al. 2003. Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

30

bodem is zichtbaar in de aanwezigheid van (een (donker)bruingrijze AB-horizont gelegen op) een (licht)bruingele BC-horizont. De bodem bevindt zich onder een 0,3 tot 0,4 m dik, matig siltig, (licht)bruingrijs kleidek. In de boringen 17, 26, 28, 39 en 41 is eveneens een oever met verweerde bodem aangetroffen (BC- of Bwhorizont). De top van het oeverdek ligt in deze boringen direct onder de 10 tot 35 cm dikke bouwvoor (Ap-horizont).

Figuur 3.11 Boorresultatenkaart deelgebied 1. De eerste kadastrale kaart is als ondergrond gebruikt om te laten zien dat het “oude” landschap op de huidige hoogtekaart nog steeds goed zichtbaar is.

De stugheid van het oeverpakket, de bodemvorming en de mineralogische samenstelling duiden op een relatief oude oeverafzetting behorende tot de Formatie van Kreftenheye; het Laagpakket van Wijchen. Het hoogteverschil van de top van het oeverpakket kan worden verklaard door de afstand tot de actieve rivier. Het noordwestelijke deel ligt namelijk dichterbij de zich insnijdende rivier (tijdens de Bølling-Allerød periode) dan het zuidoostelijke deel. Tijdens het begin van de insnijdingsfase werd de top van het bestaande beddingzand behorende tot Pleniglaciaal terras geërodeerd. De erosie vond voornamelijk nabij de actieve en zich insnijdende rivier plaats. Naarmate de insnijding verder toenam stopte de erosie en werd er oeversediment afgezet op het pleniglaciale rivierterras. De oeversedimentatie stopte naarmate de insnijding dusdanig groot was geworden dat het pleniglaciale rivierterras droog was komen te liggen. Vanaf dat moment 31

V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

konden bodemvormende processen optreden. Het lokaal afdekkende kleidek is vermoedelijk pas afgezet tijdens hoogwaters van de Beerse Maas (Beerse Overlaat) gedurende de late middeleeuwen of nieuwe tijd.

Figuur 3.12 Top-beddingzand kaart verkregen vanuit de boorstaten. De hoogte varieert tussen 4,0 en 4,8 m +NAP. Ter hoogte van de boringen 53, 67 en 92 is een vlechtende geul binnen het Pleniglaciale rivierterras zichtbaar met duidelijk lagere beddingzandvoorkomens. Voor de legenda-eenheden van de boringen, zie figuur 3.11.

Recente verstoringen van het oorspronkelijke (pleistocene) maaiveld (oever op bedding) zijn, met uitzondering van boring 173, niet aangetroffen. Wel bestaat de mogelijkheid dat de top van de oorspronkelijke oever in de boringen zonder komklei is afgetopt en opgenomen in de bouwvoor(Ap-horizont). In boring 173 is een recente verstoring tot in de C-horizont van het oeverpakket waargenomen. De verstoring wordt gekenmerkt door het vlekkerige karakter en de aanwezigheid humusvlekken.

Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

32

Figuur 3.13 Zicht op boring 41 (d.d. 20-08-2018), welke kenmerkend is voor de bodemopbouw ter plekke van deelgebied 1. De boring loopt van linksboven naar rechtsonder. Onder een 10 cm dikke bouwvoor (Ap) komt een 30 cm dikke grijsbruin kleidek (AC-horizont) voor met in de top enkele houtskoolspikkels. Vanaf 40 cm –mv gaat dit pakket over in sterk zandige leem, waarin veel gley (mangaan- en ijzervlekken) worden aangetroffen (Cg-horizont). Vanaf 55 cm –mv wordt matig tot zeer grof, zwak grindig beddingzand aangetroffen.

In de boringen 41 en 79 zijn in een Ah-horizont in de top van het oeverpakket houtskoolspikkels aangetroffen (fig. 3.13). Opvallend is dat beide houtskoolspikkels zijn aangetroffen in hoog gelegen oeverpakketten zonder komkleidek (5,1 m +NAP). Houtskool is een verbrandingsresidu en kan een indicator zijn voor menselijke activiteit.

Deelgebied 2 De bodemopbouw in deelgebied 2 bestaat uit al dan niet met komafzettingen afgedekte stugge oeverafzettingen, die binnen een 0,35 en 1,0 m –mv rusten op zeer grof, grijsbruin, zwak grindig beddingzand (fig. 3.14). Het beddingzand is slecht gesorteerd en afgerond, kalkloos en komt voor vanaf 4,3 à 5,0 m +NAP (fig. 3.15). Gezien de grote mediane korrelgrootte, de aanwezigheid van grind en de bruingrijze kleur lijkt het hier om afzettingen behorende tot de Formatie van 16 Kreftenheye te gaan (Pleniglaciaal rivierterras). Goed gesorteerd, zeer tot matig fijn dekzand werd niet aangetroffen. Het beddingzand wordt in het westelijke deel van deelgebied 2 middels een geleidelijke grens afgedekt door een stug pakket oeverafzettingen met een duidelijke “fining-upward”-sequentie. In het oostelijke deel van het plangebied komen geen oeverafzettingen, maar een dun pakket komafzettingen voor boven op het hoog gelegen beddingzand. De basis van de oeverafzettingen bestaat in het westelijke deel uit matig fijn, matig tot sterk siltig, slecht gesorteerd zand en loopt naar boven toe over via sterk zandige leem naar een pakket zwak zandige leem of sterk siltige klei. In het 16

33

De Mulder et al. 2003. V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

oeverpakket komen veel roest- en mangaanvlekken voor wat duidt op stagnatie van percolerend grondwater en bijbehorende oxidatie/reductie-processen. De top van het oeverdek ligt in het westelijke deel tussen 0,15 en 0,45 m –mv (vanaf circa 4,2 à 5,2 m +NAP). De oeverafzettingen zijn over het algemeen zeer stug (A- of AC-horizont) door rijping en interne verwering van het veelal silt- en lutumhoudende uitgangsmateriaal. In de boringen 139, 142, 143, 146, 147, 149, 150, 153 en 158 is een door komafzettingen afgedekte verweerde bodem (met moderpodzolisatie; AB-, EB- en/of BC-horizonten; fig. 3.16) of sterk gerijpte bodem (A- of AC-horizont) aangetroffen.

Figuur 3.14 Boorresultatenkaart deelgebied 2.

In het oostelijke deel ligt de top van het beddingzand rond de 5 m +NAP. Hier wordt het beddingzand afgedekt door een dun, sterk siltig tot sterk zandig, niet tot zwak humeus kleidek (fig. 3.17). Het beddingzand is hier minder of niet geërodeerd tijdens insnijding van de laat-glaciale rivierloop, waardoor het alleen door een dun kleidek is afgedekt. Binnen dit dunne kleidek is een lichte mate van bodemvorming herkenbaar in de vorm van een Ah-horizont. In de boringen 146 en 150 wordt het beddingzand afgedekt door een 60 tot 70 cm dik slap, uiterst siltig kleidek. Dit slappe kleidek betreft vermoedelijk opgebrachte grond. De zone rondom beide boringen 146 en 150 ligt namelijk opvallend hoger dan de omgeving. Tijdens het veldonderzoek was het Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

34

onduidelijk of er sprake was van een natuurlijke of antropogeen opgebrachte afzetting.

Figuur 3.15 Top-beddingzand kaart verkregen vanuit de boorstaten. De hoogte varieert tussen 4,3 en 5,0 m +NAP. Het oostelijke deel heeft een beduidend hoger zandvoorkomen dan het westelijke en noordelijke deel. Voor de legenda-eenheden van de boringen, zie figuur 3.14.

Figuur 3.16 Zicht op boring 139 welke kenmerkend is voor de bodemopbouw in het westelijke deel van het deelgebied 2. De boring loopt van linksboven naar rechtsonder (d.d. 20-08-2018). In het verweerde oeverdek heeft zich een slecht ontwikkelde moderpodzol kunnen ontwikkelen met vanaf 30 cm –mv een donkergrijze Ah, een beigegrijze EBhorizont en vanaf 45 cm –mv een bruingele BC-horizont. Het originele oeversediment op het Pleniglaciaal rivierterras bestaat hier uit matgeel tot (licht)bruingeel, silthoudend, matig grof zand. Vanaf 100 cm –mv komen oranjegrijs gekleurde beddingafzettingen voor.

Recente verstoringen van het oorspronkelijke (pleistocene) maaiveld (oever op bedding) zijn aangetroffen in de boringen 141, 144, 148, 152, 154 en 156 (fig. 3.14 en 3.15). Het verstoorde pakket in de boringen 144, 148 en 152 wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een kleilaag met kleibrokken en bouwpuin, die middels een scherpe overgang op de aanwezige (oever- op) beddingafzettingen ligt. In deze boringen kunnen de verstoringen vermoedelijk worden gerelateerd aan het graven van de wetering ten noorden van deelgebied 2. In de boringen 141, 154 en 156 is, vermoedelijk vanwege de oorspronkelijk hoge ligging van het beddingzand (5,0/5,1 m +NAP), het oorspronkelijk aanwezige oeverdek niet meer aanwezig. Het oorspronkelijke oeverdek is afgetopt vanwege egalisatiewerkzaamheden. In boring 156 is nog een dun 35

V-18.0231. Windmolenpark, bedrijventerrein Elzenburg-de Geer te Oss

restant zandige klei aangetroffen. Dit duidt, rekening houdende met de dunne oeverpakketten ten oosten van deze boringen, aan dat de aftopping vermoedelijk niet groot is.

Figuur 3.17 Zicht op boring 159 (d.d. 21-08-2018), welke kenmerkend is voor de bodem ter plekke van het oostelijke deel van deelgebied 2. De boring loopt van links naar rechts. De bovenste 25 cm bestaat uit een bruine bouwvoor, waaronder een 15 cm dik oeverpakket bestaande uit sterk zandige klei is aangetroffen. Het oeverdekje bestaat uit een dunne, donkergrijze Ahb-horizont op een lichtgrijze C-horizont, die stug aanvoelt. Vanaf circa 40 cm –mv (5,0 m +NAP) wordt grijs, matig tot zeer grof, grindrijk zand aangetroffen met gleyverschijnselen.

In het westelijke deel zijn in de boringen 142, 145 en 174 archeologische indicatoren aangetroffen. In boring 142 zijn tussen 0,45 en 0,55 m –mv houtskoolspikkels aangetroffen. In boring 145 zijn vanaf het maaiveld in een 30 cm dik pakket matig zandige klei met enkele grindlagen gelegen op een 15 cm dik pakket matig siltige klei met zandbijmenging eveneens houtskoolspikkels, een fragment verbrande leem en mogelijk een fragment verbrand bot waargenomen. De vondstlaag liep over in een (donker)blauwgrijze zwak humeuze, sterk siltige kleilaag met enkele plantenresten. Vanaf 1,05 m –mv komt middels een abrupte grens beddingzand voor. Boring 145 lijkt te zijn geplaatst in een greppel/sloot grenzend aan een karrenpad dat op de eerste kadastrale kaart uit 1830 reeds staat aangegeven (bijlage 5). In boring 174 zijn tussen 0,8 en 1,05 m -mv eveneens houtskoolspikkels aangetroffen in de top van een afgedekt oeverdek. Hier komt een 80 cm opvallend dik afdekkend komkleidek voor. Deze boring ligt in een lager gelegen vlechtende geul, die in de middeleeuwen/nieuwe tijd is opgevuld met komklei.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=08b5d02b-b785-473e-a6e5-0ae374dc8c68