CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij toelichting Bijlage 13 Verslechteringstoets Natura 2000.PDF

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente OssBij agendapunt: A Bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer 2021 (Deel 1 & 2 samen)24.962 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BIJLAGE 13

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets

projectnummer 436198 definitief 11 januari 2019

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets

projectnummer 436198 definitief revisie 0.0 11 januari 2019

Auteurs C. Schellingen

Opdrachtgever Gemeente Oss / Pondera Consult Postbus 5 5340 BA Oss

datum vrijgave 11 januari 2019

beschrijving revisie 0.0 definitief

goedkeuring B. van Dijck

vrijgave H.A.M. van de Wetering

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 definitief Gemeente Oss / Pondera Consult

Inhoudsopgave

Blz.

1

Inleiding

3

1.1 1.2

Project windmolenpark Elzenburg - De Geer te Oss Leeswijzer

3 5

2

Voortoets

7

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

Wettelijk kader Selectie relevante Natura 2000-gebieden Afbakening mogelijke storingsfactoren Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Rijntakken Afbakening relevante instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied Rijntakken Conclusie voortoets

7 7 9 10 14 19

3

Effectbeschrijving en –beoordeling Natura 2000-gebied Rijntakken

21

3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.2

Effecten exploitatiefase Fysieke aantasting; verlies foerageergebied Barrièrewerking Directe sterfte/aanvaringsslachtoffers Effecten aanlegfase

21 21 22 22 28

4

Conclusies

29

Bronnen 31 Bijlagen Bijlage 1: Algemene toelichting effecten windmolens op vogels en vleermuizen Bijlage 2: Monitoring trekroute meeuwen en andere vogels (Antea Group, 29 januari 2018) Bijlage 3: Aerius-berekening RX8t5p1L9Qn1 (21 juni 2018) Bijlage 4: NDFF-gegevens (check 9-1-2019) voor wilde eend, brandgans, grauwe gans, grutto, kievit, kolgans, scholekster, toendrarietgans

Blad 1

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Blad 2

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

1

Inleiding

1.1

Project windmolenpark Elzenburg - De Geer te Oss Voorgenomen activiteit De gemeente Oss ontwikkelt samen met Raedthuys Windenergie B.V. een windmolenpark nabij het bedrijventerrein Elzenburg - De Geer aan de noordrand van de kern Oss. Het gehele windpark bestaat uit zes turbineposities, zoals aangegeven in Figuur 1.1. Daarvan worden er twee via een wijzigingsbevoegdheid geregeld in het bestemmingsplan en vier direct bestemd. Onderhavig aanvraag heeft betrekking tot laatstgenoemde 4 windturbines: de windturbines 1 en 4 met als aanvrager de gemeente Oss en de windturbines 2 en 3 met als aanvrager Raedthuys Windenergie B.V. De posities van deze vier windturbines staan in dit stadium vast en zijn reeds opgenomen in het ontwerp van het bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg - De Geer”.

Figuur 1.1:

Locatie windturbines windmolenpark Elzenburg – De Geer

Met het windmolenpark wordt invulling gegeven aan de duurzaamheidsambities van de gemeente Oss. Vooronderzoeken hebben laten zien dat een windmolenpark bij Elzenburg – De Geer op dit moment de meest haalbare kans op invulling van de gemeentelijke duurzaamheidsambities is.

Blad 3

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Voorgeschiedenis De gemeente heeft een weloverwogen de keuze maken of, en zo ja, in welke vorm windmolens bij Elzenburg – De Geer mogelijk zijn, rekening houdend met zowel de duurzaamheidsambities van de gemeente als met de omgeving. Ter ondersteuning van het keuzeproces zijn in een milieueffectrapport (MER) de effecten van diverse opstellingsvarianten (alternatieven) voor windmolens bij Elzenburg - De Geer onderzocht en beoordeeld. In het kader van het MER is een toets Wnb-gebiedsbescherming uitgevoerd. In deze toets is geconcludeerd, dat het windmolenpark afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Een beperkt aantal aanvaringsslachtoffers van enkele soorten waarvoor het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen, is echter niet met zekerheid uit te sluiten. Bij een niet-significante verslechtering, ongeacht hoe gering die is, moet een verslechteringstoets worden uitgevoerd. Daarom is dit rapport opgesteld. (Mede) op basis van de resultaten van het MER heeft de gemeenteraad op 14 december 2017 besloten dat windmolens bij Elzenburg – De Geer mogelijk zijn en in welke vorm. Daarom wordt dit project momenteel vastgelegd in een ruimtelijk plan, worden de benodigde vergunningen aangevraagd en worden hiervoor de bijbehorende procedures doorlopen.

Ecologische beschrijving projectgebied Het projectgebied bestaat voornamelijk uit een open gebied bestaande uit weilanden en akkers. Er zijn geen bossen, houtwallen of betekenisvolle natuurlijke bosranden aanwezig. Langs de Broekstraat en Geerstraat zijn laanbomen (gewone essen) aanwezig. De Tussenrijtstraat wordt geflankeerd door oude knotwilgen en langs de zuidzijde van de Eemmeer staan eiken. Voor het komgebied (Broekstraat, Geerstraat, Tussenrijtstraat) hanteert de gemeente een uitsterfbeleid voor laanbomen. Dit betekent dat, als een boom sneuvelt, deze niet vervangen wordt. Op de (zeer) lange termijn is het de bedoeling dat hier de laanbomen verdwijnen om reeds aanwezige openheid in het gebied verder te benadrukken. Tussen de agrarische kavels zijn smalle perceelsloten aanwezig met een grote drooglegging. Het zuidwestelijk deel van het projectgebied maakt onderdeel uit van het bedrijventerrein Elzenburg. Er zijn binnen het projectgebied geen poelen, moerassen of andere natuurlijke biotopen aanwezig die een speciale aantrekkingskracht hebben op (water)vogels. Wel is de grondwaterstand in de winter dermate hoog dat het gebied in deze periode een aantrekkingskracht heeft op vogels. Net ten noorden en ten westen van de Hertogswetering, buiten de grenzen van het projectgebied, liggen de eendenkooi van Macharen en het moerasgebied De Rietgors.

Blad 4

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

1.2

Leeswijzer Het doel van dit rapport is het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming voor het windmolenpark Elzenburg – De Geer op basis van een verslechteringstoets. Hoofdstuk 2 omvat de voortoets. Daarin wordt ingegaan op de Natura 2000-gebieden die van belang zijn voor het project en vindt een afbakening plaats van de te onderzoeken effecten en instandhoudingsdoelen. Hoofdstuk 3 bevat de effectbeschrijving en –beoordeling voor het Natura 2000-gebied Rijntakken. Dit is de kern van de verslechteringstoets. In hoofdstuk 4 is de samenvattende conclusie te lezen. Ter informatie zijn in hoofdstuk 5 de bronnen genoemd. Bij de verslechteringstoets zijn de volgende bijlagen toegevoegd: 1. Algemene achtergrondinformatie over effecten van windturbines op vogels en vleermuizen; 2. Onderzoek naar trekbewegingen van vogels in en over het projectgebied; 3. Aeriusberekening van het effect van stikstofdepositie in de aanlegfase. 4. NDFF-gegevens (check 9-1-2019) voor wilde eend, brandgans, grauwe gans, grutto, kievit, kolgans, scholekster, toendrarietgans.

Blad 5

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Blad 6

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

2

Voortoets

2.1

Wettelijk kader Natuurwaarden worden in de Wet natuurbescherming (Wnb, in werking sinds 1-1-2017) op gebiedsniveau (Natura 2000) en op soortenniveau beschermd. Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden van groot internationaal belang. Om deze bijzondere natuur te behouden, heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000-gebieden: een netwerk van Europese natuurgebieden. Nederland kent een internationale verantwoordelijkheid voor de Nederlandse Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn aangewezen onder de Europese Habitat- en / of Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn (VRL) heeft als doel de bescherming van alle in het wild levende vogelsoorten en hun leefgebied binnen het gebied van de EU. Het doel van de Habitatrichtlijn (HBL) is het behoud van de totale biologische diversiteit van natuurlijke en halfnatuurlijke habitats en wilde flora en fauna in de EU. Nederland kent ca. 180 Natura 2000gebieden. Voor de gebieden en de daarbij aangewezen soorten en habitattypen zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Activiteiten gelegen in of in de omgeving van Natura 2000-gebieden kunnen een negatief effect hebben op de natuurwaarden. Ook activiteiten die zich (ver) buiten een Natura 2000-gebied afspelen, kunnen mogelijk schade aanbrengen.

2.2

Selectie relevante Natura 2000-gebieden Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van enig Natura 2000-gebied en ligt op relatief grote afstand van omliggende Natura 2000-gebieden (figuur 2.1): 1. De Rijntakken (ca. 10 km ten noorden van het projectgebied); 2. Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek (HRL) (ca. 20 km ten zuidwesten); 3. Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (HRL) (ca. 30 km ten zuidwesten); 4. Reichswald / Unterer Niederrhein (VRL, met diverse HRL-gebieden) (Duitsland, ca. 30 km ten oosten); 5. De Bruuk (HRL) (ca. 25 km ten oosten); 6. Sint Jansberg (HRL) (ca. 25 km ten oosten); 7. Oeffelter Meent (HRL) (ca. 25 km ten zuidoosten); 8. Maasduinen (VRL en HRL) (ca. 35 km ten zuidoosten).

Blad 7

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Figuur 2.1: Natura 2000-gebieden rondom het zoek gebied (bron: https://calculator.aerius.nl/calculator)

De omliggende Natura 2000-gebieden betreffen vooral habitatrichtlijngebieden (HRL). Een groot deel van deze gebieden (Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek, Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, De Bruuk; Sint Jansberg en Oeffelter Meent) is niet aangewezen voor treken wintervogels en ook niet voor de meervleermuis (ook een soort die gevoelig is voor barrièrewerking door windmolens). Daarom zijn negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken van deze habitatrichtlijngebieden door windmolens in het projectgebied op voorhand uitgesloten. Enkele Natura 2000-gebieden zijn (ook) Vogelrichtlijngebieden (VRL). Het betreft Rijntakken, Maasduinen en Reichswald/Unterrer Niederrhein. Deze gebieden hebben ook instandhoudingsdoelen voor trek- en wintervogels. Het Natura 2000-gebied Rijntakken ligt gezien de afstand van 10 km mogelijk binnen het invloedsgebied. De andere VRL-gebieden liggen op grote afstand. De windmolens in het projectgebied vormen geen barrière in de trekroute boven de grote rivieren. Daarom zijn negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken van deze vogelrichtlijngebieden op grote afstand (Maasduinen, Reichswald/ Unterer Niederrhein) door windmolens in het projectgebied op voorhand uitgesloten. De verdere toets aan de gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming richt zich daarom alleen op Natura 2000-gebied Rijntakken.

Hoewel eigenlijk alleen het Vogelrichtlijngebied relevant is, wordt volledigheidshalve ook het Habitatrichtlijngebied beschreven en getoetst.

Blad 8

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Figuur 2.2: Natura 2000-gebieden rondom het zoek gebied (bron: https://calculator.aerius.nl/calculator) Met kruizen zijn de gebieden aangegeven waarvoor negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten (zie tekst)

2.3

Afbakening mogelijke storingsfactoren Effecten, ook wel storingsfactoren genoemd, op instandhoudingsdoelen van Natura 2000gebieden kunnen optreden als er een overlap is in ruimte en tijd tussen het invloedsgebied van het project en het invloedsgebied van een waarde of soort waarvoor een instandhoudingsdoelstelling is geformuleerd. Hierbij dient tevens rekening te worden gehouden met de externe werking van de Wet natuurbescherming. Het invloedsgebied is afhankelijk van de aard van de effecten: De effecten van stikstofemissie kunnen vele kilometers ver reiken. Effecten van geluid kunnen tot enkele honderden meters of enkele kilometers reiken, fysieke aantasting en optische verstoring reiken doorgaans veel minder ver, enzovoort. Welk effecten er optreden is weer afhankelijk van de aard van de ingreep. De effectenindicator (www.synbiosys.alterra.nl) onderscheidt 19 storingsfactoren waarbij voor de activiteit ‘Windturbines’ met name relevant zijn: oppervlakteverlies, versnippering, verstoring door geluid, verstoring door trilling, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en effecten op populatiesamenstelling. Omdat het projectgebied op circa 10 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken ligt, kan op voorhand worden gesteld dat veel storingsfactoren bij voorliggend project niet aan de orde zijn.

Zo is bij de bouw van een windpark op een dermate grote afstand van Natura 2000-gebieden geen sprake van oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, verzoeting, verzilting, verdroging, vernatting, verandering van de stromingssnelheid, verandering van overstromingsdynamiek, verandering van het substraat, verandering van de populatiedynamiek en een bewuste verandering van de soortensamenstelling.

Blad 9

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Effecten die potentieel wel op kunnen treden betreffen:  Fysieke aantasting van leefgebied van Natura 2000-soorten buiten het Natura 2000-gebied;  Barrièrewerking van leefgebied van Natura 2000-soorten buiten het Natura 2000-gebied;  Verstoring van Natura 2000-soorten buiten het Natura 2000-gebied. Bij verstoring kan gedacht worden aan optische verstoring, verstoring door geluid, trillingen en licht. De verstoringszones rondom de windmolens bedraagt circa 200 meter. De windmolens zijn op 10 km afstand van het Natura 2000-gebied gelegen. Er is dus geen sprake van rechtstreekse verstoring;  Aanvaringen met windturbines van aangewezen soorten van Natura 2000-gebieden (mechanische effect en mogelijk effect op populatiesamenstelling);  Verzuring en vermesting door stikstofemissie. Er zijn Aerius-berekeningen uitgevoerd voor de worst-case situatie van de bouw van 7 windturbines in een jaar (zie Bijlage 3). Er is geen stikstofdepositie >0,05 mol/ha/jr berekend op enig Natura 2000-gebied. De effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie zijn dus uit te sluiten gezien de beperkte bijdrage van de bouw van windturbines aan de verkeerstoename en daarmee stikstofdepositie.

2.4

Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Rijntakken Natura 2000-gebied Rijntakken is een omvangrijk Natura 2000-gebied (figuur 2.3). Het deelgebied Uiterwaarden Waal (figuur 2.4) ligt het meest nabij Oss. De Rijntakken zijn een Vogelrichtlijngebied en deels een Habitatrichtlijngebied. Dit gebied is in april 2014 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. In maart 2017 is een definitief wijzigingsbesluit genomen1. De instandhoudingsdoelen zijn in tabel 2.1 weergegeven. Op 23 februari 2018 heeft minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV) een ontwerp-wijzigingsbesluit voor diverse Habitatrichtlijngebieden getekend. Voor het Natura 2000-gebied Rijntakken met dit ontwerp-aanwijzingsbesluit de volgende instandhoudingsdoelstellingen toegevoegd (nog niet in tabel 2.1 verwerkt):  H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) en H91E0C *Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen): behouddoelstelling voor omvang en kwaliteit;  H9120 Beuken-eikenbossen met hulst: uitbreidingsdoelstelling voor omvang en verbeterdoelstelling voor kwaliteit.

1

De wijzigingen in het wijzigingsbesluit hebben betrekking op de volgende aanvullingen:  Toendrarietgans: Doel Behoud omvang en kwaliteit van het foerageergebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 125 vogels (seizoensgemiddelde).  Kolgans: Doel Behoud omvang en kwaliteit van het foerageergebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 35.400 vogels (seizoensgemiddelde).  Grauwe gans: Doel Behoud omvang en kwaliteit van het foerageergebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 8.300 vogels (seizoensgemiddelde).  Brandgans: Doel Behoud omvang en kwaliteit van het foerageergebied met een draagkracht voor een regionale populatie van gemiddeld 920 vogels (seizoensgemiddelde).  Smient: Doel Behoud omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 17.900 vogels (seizoensgemiddelde).

Blad 10

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Uiterwaarden IJssel

Uiterwaarden Neder-Rijn

Gelderse Poort

Uiterwaarden Waal Figuur 2.3:

Begrenzing Natura 2000-gebied Rijntakken (met aanduiding deelgebieden)

Figuur 2.4:

Begrenzing Natura 2000-gebied Rijntakken –deelgebied Uiterwaarden Waal nabij projectgebied

Blad 11

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Tabel 2.1

Instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied Rijntakken (bron: Definitief aanwijzingsbesluit april 2014 en wijzigingsbesluit 2017 ) Doelst. Opp.vl.

Doelst. Kwal.

Doelst. Pop.

Draagkracht vogels

Kernopgave

Habitattypen H3150

Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

>

>

3.06

H3260B

>

=

3.02,W

H3270

Beken en rivieren met waterplanten (grote fonteinkruiden) Slikkige rivieroevers

>

>

H6120

*Stroomdalgraslanden

>

>

H6430A

Ruigten en zomen (moerasspirea)

=

=

H6430C

Ruigten en zomen (droge bosranden) Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) *Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen)

>

>

>

>

3.13,

>

>

3.09,W

=

>

3.07,W

H91E0B

*Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen)

>

>

3.07,W

H91F0

Droge hardhoutooibossen

>

>

3.14

H6510A

H6510B

H91E0A

3.13,

Habitatsoorten H1095

Zeeprik

>

>

>

H1099

Rivierprik

>

>

>

H1102

Elft

=

=

>

H1106

Zalm

=

=

>

H1134

Bittervoorn

>

>

>

H1145

Grote modderkruiper

>

>

>

H1149

Kleine modderkruiper

=

=

=

H1163

Rivierdonderpad

=

=

=

H1166

Kamsalamander

>

>

>

H1318

Meervleermuis

=

=

=

H1337

Bever

=

>

>

Broedvogels

3.07,W Aantal paren

A004

Dodaars

=

=

45

A017

Aalscholver

=

=

660

A021

Roerdomp

>

>

20

A022

Woudaap

>

>

20

A119

Porseleinhoen

>

>

40

3.12,W

A122

Kwartelkoning

>

>

160

3.12,W

A153

Watersnip

=

=

17

A197

Zwarte Stern

>

>

240

A229

IJsvogel

=

=

25

A149

Oeverzwaluw

=

=

680

A272

Blauwborst

=

=

95

Blad 12

3.08

3.06

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

A298

Grote Karekiet

Doelst. Opp.vl. >

Doelst. Kwal. >

Niet-broedvogels

Doelst. Pop.

Draagkracht vogels

Kernopgave

70

3.08

Aantal vogels

A005

Fuut

=

=

570

A017

Aalscholver

=

=

1.300

A037

Kleine Zwaan

=

=

100

3.10

A038

Wilde Zwaan

=

=

30

3.10

A039

Toendrarietgans

=

=

A041

Kolgans

=

=

A043

Grauwe Gans

=

=

A045

Brandgans

=

=

A048

Bergeend

=

=

125 (f) 2.800 (s) 35.400 (f) 180.100 (s) 8.300 (f) 21.500 (s) 920 (f) (r) 5.200 (s) (r) 120

A050

Smient

=

=

17.900

3.10, 3.12,W

A051

Krakeend

=

=

340

3.12,W

A052

Wintertaling

=

=

1.100

3.12,W

A053

Wilde eend

=

=

6.100

3.12,W

A054

Pijlstaart

=

=

130

3.12,W

A056

Slobeend

=

=

400

3.12,W

A059

Tafeleend

=

=

990

3.12,W

A061

Kuifeend

=

=

2.300

3.12,W

A068

Nonnetje

=

=

40

3.12,W

A125

Meerkoet

=

=

8.100

A130

Scholekster

=

=

340

A140

Goudplevier

=

=

140

A142

Kievit

=

=

8.100

A151

Kemphaan

=

=

1.000

A156

Grutto

=

=

690

3.12,W

A160

Wulp

=

=

850

3.12,W

A162

Tureluur

=

=

65

3.12,W

3.10 3.10

3.12,W 3.12,W

Legenda

W   = > (s) (f) (r) 3.02 3.06

Kernopgave met wateropgave Sense of urgency: beheeropgave Sense of urgency opgave m.b.t. watercondities Behoudsdoelstelling Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling Rust – en slaapplaats (aantallen vogels zijn seizoensmaximum) Foerageergebied (aantallen vogels zijn seizoensgemiddelde) regiodoel Waterplanten Behoud beken en rivieren met waterplanten (grote fonteinkruiden) H3260_B. Krabbenscheer-begroeiingen Behoud en uitbreiding van meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H3150, in de vorm van strangen, in het bijzonder herstel

Blad 13

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

van krabbenscheerbegroeiingen, ook als broedbiotoop van zwarte stern A197.

2.5

3.07

Vochtige alluviale bossen

3.09

Vochtige graslanden

3.12

Plas-dras situaties

3.13

Droge graslanden

3.14

Droge hardhoutooibossen

Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen en essen-iepenbossen) *H91E0_A en *H91E0_B uitbreiden mede ten behoeve van bever H1337. Herstel glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) H6510_B en blauwgraslanden H6410. Behoud en uitbreiding areaal van plas-dras situaties en ondiep water voor eenden, kwartelkoning A122, porseleinhoen A119 en steltlopers. Kwaliteitsverbetering en uitbreiding van stroomdalgraslanden *H6120, glanshaver- en vossestaarthooilanden (glanshaver) H6510_A. Ontwikkeling droge hardhoutooibossen H91F0: groter oppervlakte en kwaliteitsverbetering.

Afbakening relevante instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied Rijntakken Habitattypen Het Habitatrichtlijngebied binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken ligt op grote afstand van het projectgebied. Effecten op planten/vegetatietypen worden uitgesloten. De typische diersoorten die naast de plansoorten mede de kwaliteit van de habitattypen bepalen (zie tabel 2.2), zijn gebiedsgebonden zodat effecten van het windmolenpark op deze soorten gezien de afstand uit te sluiten zijn. Daarom wordt geconcludeerd dat effecten op de omvang en de kwaliteit van de habitattypen door het windmolenpark uitgesloten zijn. Tabel 2.2

Typische diersoorten die mede de kwaliteit van het habitattype bepalen (bron: profieldocumenten habitattypen)

Habitattype

Typische diersoorten

H3150

Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

H3260B

Beken en rivieren met waterplanten (grote fonteinkruiden)

H3270

Slikkige rivieroevers

Geen (alleen vaatplanten)

H6120

*Stroomdalgraslanden

Graspieper

H6430A

Ruigten en zomen (moerasspirea)

H6430C

Ruigten en zomen (droge bosranden)

Purperstreepparelmoervlinder, bosrietzanger, dwergmuis, waterspitsmuis Geen (alleen vaatplanten)

H6510A

Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)

Geelsprietdikkopje, kwartel

H6510B

Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)

Geelsprietdikkopje

H91E0A

*Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen)

Grote ijsvogelvlinder, grote bonte specht, kwak, bever

H91E0B

*Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen)

Grote ijsvogelvlinder, grote bonte specht, matkop, nachtegaal

H91F0

Droge hardhoutooibossen

Grote bonte specht, wielewaal

Blad 14

Caenis lactea (een haft), Hydroptila pulchricornis (een kokerjuffer), bruine korenbout, donkere waterjuffer, gevlekte witsnuitlibel, glassnijder, groene glazenmaker, vroege glazenmaker, Bdellocephala punctata (platworm), ruisvoorn, snoek, zeelt, zwarte stern Rivierrombout, riviergrondel

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Habitatsoorten De meeste habitatsoorten waarvoor het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen, zijn gebonden aan de rivier en/of de aangrenzende uiterwaarden. Het betreft: Zeeprik, rivierprik, elft, zalm, bittervoorn, de grote modderkruiper, de kleine modderkruiper, de rivierdonderpad, de kamsalamander en de bever. De rivier en de aangrenzende uiterwaarden liggen buiten het invloedsgebied van het windmolenpark. Effecten op deze habitatsoorten en daarmee negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen zijn daarom uit te sluiten. De meervleermuis – ook een habitatsoort waarvoor het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen en die in potentie gevoelig is voor windmoleneffecten - heeft een groot leefgebied. Deze soort kan 10 tot 20 km van de verblijfplaats foerageren. Bovendien is de meervleermuis een middellange- tot lange afstandstrekker, waarbij verplaatsingen van 200 à 300 km tussen zomeren winterverblijf bekend zijn. Deze functies zijn allemaal gevoelig voor aanwezigheid van windmolens. Echter, deze vleermuissoort is niet waargenomen in het projectgebied2 (Natuuronderzoek windpark Oss, vleermuizen, E.C.O.logisch, 6 december 2016). Bovendien is het gebied geen geschikt jachtgebied. Goede jachtgebieden voor de soort zijn niet vervuilde, wel voedselrijke, maar niet vermeste grotere open wateren (Bron: profieldocument habitatrichtlijnsoort meervleermuis, 2008).

Het gebied betreft ook geen geschikte trekroute. Het merendeel van de migratiewaarnemingen worden gedaan langs grotere waterwegen. Meervleermuizen volgen voornamelijk de grote rivieren (Haarsma, 2011). Daaruit wordt geconcludeerd dat het projectgebied geen functie heeft voor de populatie meervleermuizen. Voor de meervleermuis worden daarom negatieve effecten op het instandhoudingsdoel uitgesloten. Broedvogels Vogels die in het Natura 2000-gebied Rijntakken broeden en die een afhankelijkheidsrelatie kunnen hebben met het projectgebied, ondervinden mogelijkerwijs (op indirecte wijze) effecten van het windmolenpark. Dit geldt voor vogels waarvoor de Rijntakken een broedfunctie (bv. kolonies) heeft, maar die foerageren op gronden die buiten het Natura 2000-gebied zijn gelegen. Bovendien kan er alleen sprake zijn van een afhankelijkheidsrelatie als de soort grotere afstanden aflegt om te foerageren. Van soorten die op geringe afstand van het Natura 2000-gebied foerageren, is een afhankelijkheidsrelatie uitgesloten gezien de afstand van het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied. Voor broedvogels waarvoor in het Natura 2000-gebied Rijntakken instandhoudingsdoelen gelden, is nagegaan of deze soorten een relatie hebben met het projectgebied (zie tabel 2.3).

2

In en om het projectgebied zijn de volgende vleermuissoorten waargenomen: gewone dwergvleermuis; ruige dwergvleermuis; laatvlieger; rosse vleermuis en watervleermuis.

Blad 15

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Tabel 2.3

Check relatie broedvogels Natura 2000-gebied Rijntakken met projectgebied

Broedvogels Rijntakken

Geschikt foerageergebied Mogelijk effect door binnen projectgebied? windmolenpark?

Dodaars

Waargenomen Foerageerafstand in het zoek (zie hoofdstuk 2) Ja Gebiedsgebonden

Aalscholver

Ja

70 km in het broedseizoen (van Dam et al. 1995)

Roerdomp

Ja

0,4 km (van der Hut 2001)

Neen, gebruiken open water om te foerageren, oppervlaktewater ligt buiten het projectgebied, n.v.t.

Woudaap

Neen

n.v.t.

n.v.t.

Porseleinhoen

Neen

n.v.t.

n.v.t.

Kwartelkoning

Neen

n.v.t.

n.v.t.

Watersnip

Ja

Gebiedsgebonden

Nvt

Zwarte Stern

Ja

Onbekend

Neen, oppervlaktewater ligt buiten het projectgebied,

IJsvogel

Ja

Gebiedsgebonden

Nvt

Oeverzwaluw

Neen

n.v.t.

n.v.t.

Blauwborst

Ja (als broedvogel) Neen

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Grote Karekiet

Nvt

Neen, geen afhankelijkheidsrelatie. Neen, windmolenpark vormt geen barrière tussen oppervlakte-water en Natura 2000-gebied. Neen, geen afhankelijkheidsrelatie. (projectgebied ligt te ver weg) Neen, komt niet voor in het projectgebied. Neen, komt niet voor in het projectgebied. Neen, komt niet voor in het projectgebied. Neen, geen afhankelijkheidsrelatie. Neen, windmolenpark vormt geen barrière tussen oppervlaktewater en Natura 2000-gebied. Neen, geen afhankelijkheidsrelatie (bovendien vormt windmolenpark geen barrière tussen oppervlaktewater en Natura 2000-gebied). Neen, komt niet voor in het projectgebied. Neen, niet foeragerend vanuit Natura 2000-gebied. Neen, komt niet voor in het projectgebied.

Conclusie is dat er geen sprake is van enige afhankelijkheidsrelatie tussen het projectgebied en het Natura 2000-gebied Rijntakken voor wat betreft de broedvogels waarvoor het Natura 2000gebied is aangewezen. Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor broedvogels, waarvan de verspreiding tijdens het broedseizoen beperkt blijft tot het desbetreffende gebied, of hooguit tot een halve kilometer daarbuiten in geval van de roerdomp. Aangezien de afstand tot het projectgebied veel groter is (> 5 kilometer) kunnen negatieve effecten voor broedvogels waarvoor Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen, daarmee op voorhand worden uitgesloten. Niet-broedvogels Niet alleen broedvogels waarvoor het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen en die een afhankelijkheidsrelatie kunnen hebben met het projectgebied, maar ook niet-broedvogels, ondervinden mogelijkerwijs (op indirecte wijze) effecten van het windmolenpark. Dit geldt vooral voor vogels waarvoor de Rijntakken een slaapfunctie heeft, maar die foerageren op gronden die buiten het Natura 2000-gebied zijn gelegen. Dat geldt volgens het beheerplan Natura 2000 Rijntakken voor de kleine zwaan en de wilde zwaan (beide soorten foerageren op waterplanten en in de winterperiode op oogstresten en gras) en voor ganzen en smienten (ze foerageren zowel binnen als buiten het Natura 2000-gebied.

Blad 16

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Binnendijkse foerageergebieden zijn in beginsel niet nodig voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen binnen Natura 2000-gebied Rijntakken (Van den Bremer et al, 2016). Binnendijkse foerageergebieden hebben wel een ecologische relatie met die binnen het Natura 2000-gebied, namelijk dat ze een optimale benutting binnen Natura 2000 kunnen versterken (Bron: aanwijzingsbesluit). Daarom zijn mogelijke ecologische relaties in beeld gebracht. Veruit de meeste niet broedsoorten waarvoor de Rijntakken is aangewezen, hebben geen afhankelijkheidsrelatie met agrarische gebieden. Het agrarische gebied heeft voor diverse stelten watervogels geen of een verwaarloosbare functie gezien het ontbreken van geschikt foerageergebied. Daarnaast geldt voor de meeste soorten geldt dat deze gebiedsgeboden zijn en foerageren en slapen binnen het Natura 2000-gebied. Deze soorten foerageren in ondiep, voedselrijk en waterplantenrijk water. Dit biotoop is/wordt uitgebreid en verbeterd want het lift mee met maatregelen die zorgen voor extra open water, een hogere inundatie frequentie en het langer vasthouden van water in geïnundeerde gebieden. Het gaat hierbij onder andere om diverse Ruimte voor de Rivier projecten en de projecten ten behoeve van het porseleinhoen. Bovendien kan er alleen sprake zijn van een afhankelijkheidsrelatie als de soort grotere afstanden aflegt om te foerageren.

Van soorten die op geringe afstand van het Natura 2000-gebied foerageren, is een afhankelijkheidsrelatie uitgesloten gezien de ligging/afstand van het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied. Kortom, om het projecteffect in beeld te brengen worden eerst de soorten geselecteerd die ook regelmatig in het projectgebied aanwezig en waarvan het mogelijk individuen zijn die - vanwege hun grote actieradius – de Rijntakken als slaapplaats gebruiken(zie tabel 2.4). Soorten die het gebied niet gebruiken of passeren of door gedrag geen effect kunnen ondervinden, kunnen ook worden uitgesloten van verder onderzoek in de toetsing aan de gebiedsbescherming. Tabel 2.4

Check relatie niet-broedvogels Natura 2000-gebied Rijntakken met projectgebied

Niet-broedvogels ISHD Rijntakken

Geschikt foerageergebied binnen projectgebied? n.v.t.

Mogelijk effect door windmolenpark?

Fuut

Waargenomen Foerageerafstand in omgeving projectgebied (NDFF) Ja (max 12) Gebiedsgebonden

Aalscholver

Ja (max 9)

20 km buiten het broedseizoen (van der Hut et al. 2007)

Neen, windmolenpark vormt geen barrière tussen oppervlakte-water en Natura 2000-gebied.

Kleine Zwaan

Neen

n.v.t.

Neen, gebruiken open water om te foerageren, oppervlaktewate r ligt buiten het projectgebied, n.v.t.

Wilde Zwaan

Ja (max 8)

Toendrarietgans

Ja (max 1.100)

10 km (Robinson et n.v.t. al. 2004) Onbekend Ja

Kolgans

Ja ( max 2.500) 30 km (Nolet et al. 2009) Ja (max 140) 30 km (Nolet et al. 2009) Ja (max 2) 30 km (Nolet et al. 2009) Neen n.v.t.

Grauwe Gans Brandgans Bergeend

Blad 17

Neen, geen afhankelijkheids-relatie.

Neen, komt niet voor in omgeving projectgebied Neen, geen afhankelijkheids-relatie, projectgebied is te ver weg. Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

n.v.t. (neen)

Neen, komt niet voor in het projectgebied, bovendien geen geschikt foerageergebied.

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Niet-broedvogels ISHD Rijntakken

Smient

Waargenomen Foerageerafstand in omgeving projectgebied (NDFF) Ja (max 1) 11 km (Boudewijn et al. 2009)

Geschikt foerageergebied binnen projectgebied? ja

Krakeend

Ja (max 34)

5 km (Guillemain et n.v.t. al. 2008) 9 km (Guillemain et n.v.t. (neen) al. 2008)

Wintertaling

Ja (max 33)

Wilde eend

Ja (max 350)

26 km (Davis 2007)

Ja

Pijlstaart

Neen

n.v.t.

n.v.t. (neen)

Slobeend

Ja (max 3)

1 km (van der Hut et al. 2007)

Neen

Tafeleend

Ja (max 8)

Neen

Kuifeend

Ja (max 100)

Nonnetje

Neen

15 km (Boudewijn & Kuijpers 1985; Boudewijn 1989) 15 km (de Leeuw 1997) n.v.t.

Meerkoet

Ja (max 400)

Gebiedsgebonden

n.v.t.

Scholekster

Ja (max 6)

15 km (van der Hut et al. 2007)

Ja

Goudplevier

Ja (max 23)

Neen

Kievit

Ja (max 600)

15 km (Gillings et al. 2005) Onbekend

Kemphaan

Neen

n.v.t.

n.v.t.

Grutto

Ja (max 15)

Onbekend

Ja

Wulp

Ja (max 2)

15 km (van der Hut et al. 2007)

Ja

Tureluur

Neen

n.v.t.

n.v.t.

Neen n.v.t. (neen)

Ja

Mogelijk effect door windmolenpark?

Neen, projectgebied ligt op de rand van het foerageerbereik voor het meest nabij gelegen deel van het Natura 2000-gebied en voor het grootste gedeelte van het Natura 2000-gebied te ver weg. Neen, geen afhankelijkheids-relatie, projectgebied te ver weg Neen, projectgebied ligt te ver. Bovendien is het projectgebied geen geschikt foerageergebied. Ja, maar volgens het Natura 2000beheerplan geen duidelijke afhankelijkheidsrelatie met binnendijks agrarisch gebied. Neen, komt niet voor in het projectgebied, bovendien geen geschikt foerageergebied in de omgeving. Neen, geen afhankelijkheids-relatie, bovendien geen geschikt foerageergebied. Neen, geen geschikt foerageergebied.

Neen, projectgebied en omgeving is geen geschikt foerageergebied. Neen, komt niet voor in het projectgebied. Bovendien is het projectgebied geen geschikt foerageergebied. Neen, geen afhankelijkheids-relatie. Ja, maar volgens het Natura 2000beheerplan geen duidelijke afhankelijkheidsrelatie met binnendijks agrarisch gebied. Neen, geen geschikt foerageergebied. Ja, maar volgens het Natura 2000beheerplan geen duidelijke afhankelijkheidsrelatie met binnendijks agrarisch gebied. Neen, komt niet voor in het projectgebied. Ja, maar volgens het Natura 2000beheerplan geen duidelijke afhankelijkheidsrelatie met binnendijks agrarisch gebied. neen (de wulp is als broedvogel aanwezig in het projectgebied, dus geen afhankelijkheidsrelatie omdat het Natura 2000-gebied is aangewezen voor de wulp als niet-broedvogels. Neen, komt niet voor in het projectgebied.

ISHD=instandhoudingsdoelstelling / NDFF=Nationale Databank Flora en Fauna

Blad 18

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Op basis van de analyse in tabel 2.4 kan worden geconcludeerd dat een aantal soorten waarvoor het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen, niet voorkomen in het projectgebied. Dit betreft een aantal soorten lokaal voorkomende vogels die geen structurele uitwisseling vertonen met de grotere populaties in het Natura 2000-gebied Rijntakken. Voor deze soorten is een negatief effect uit te sluiten: Fuut, Aalscholver, Kleine Zwaan, Wilde Zwaan, Bergeend, Smient, Krakeend, Wintertaling, Pijlstaart, Slobeend, Tafeleend, Kuifeend, Nonnetje, Meerkoet, Goudplevier, Kemphaan, Wulp en Tureluur. De brandgans, scholekster en grutto komen in dermate kleine aantallen voor (zie tabel 2.5 en bijlage 4) dat een negatief effect van de plaatsing van de windmolens te verwaarlozen zal zijn en niet leidt tot een effect op het instandhoudingsdoel. Bovendien is voor de scholekster en de grutto in het Natura 2000-beheerplan aangegeven dat er geen duidelijke afhankelijkheidsrelatie is met binnendijks agrarisch gebied. Daarom is ervan uitgegaan de individuen in het projectgebied geen structurele uitwisseling met de populatie in het Natura 2000-gebied. Tabel 2.5: Waargenomen aantallen Brandgans, scholekster en grutto (NDFF) Soort

Waarneming

Brandgans

Geen waarnemingen in het projectgebied, buiten het projectgebied alleen op grote afstand. Zeer beperkt aantal waarnemingen in het projectgebied en daarbuiten. Geen waarnemingen in het projectgebied, buiten het projectgebied incidenteel een individu.

Scholekster Grutto

Voor de volgende soorten is een afhankelijkheidsrelatie tussen het projectgebied en het Natura 2000-gebied Rijntakken niet uit te sluiten: toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, wilde eend kievit.

2.6

Conclusie voortoets Gezien de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied Rijntakken, en de uitgevoerde Aerius-stikstofberekening zijn de effecten die in deze verslechteringstoets aan de orde zijn:  Fysieke aantasting van leefgebied van Natura 2000-soorten buiten het Natura 2000-gebied;  Barrièrewerking voor Natura 2000-soorten buiten het Natura 2000-gebied;  Aanvaringen met windturbines van aangewezen soorten van Natura 2000-gebieden. Alle overige mogelijke effecten op Natura2000-gebieden kunnen op voorhand worden uitgesloten. De verslechteringstoets richt zich op de soorten: toendrarietgans, kolgans, grauwe gans de soorten waarvan een afhankelijkheidsrelatie tussen het projectgebied en het Natura 2000-gebied Rijntakken en daarmee mogelijk negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Gezien de wilde eend en kievit ook relatief veel voorkomen en deze soorten een instandhoudingsdoel hebben, worden deze meegenomen in de verslechteringstoets. Al dient de kanttekening gemaakt te worden dat in het beheerplan is aangegeven dat vooral zwanen, ganzen en smient buiten het Natura 2000-gebied foerageren. Voor alle overige soorten waarvoor Natura2000-gebied is aangewezen kunnen negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten.

Blad 19

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Blad 20

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

3

Effectbeschrijving en –beoordeling Natura 2000-gebied Rijntakken

3.1

Effecten exploitatiefase

3.1.1

Fysieke aantasting; verlies foerageergebied Het oppervlakteverlies aan foerageergebied betreft 12,6 ha per windmolen; uitgaande van een straal van 200 m rond de windmolen als verstoord gebied. In tabel 3.1 is het verlies aan (potentieel) foerageergebied voor sommige niet-broedvogels van de Rijntakken weergegeven. Tabel 3.1: Verlies foerageergebied Voornemen; 4 windmolens Verlies foerageergebied

50,4 ha

Het verlies aan foerageergebied is een negatief effect op de soorten die in groter aantallen voor komen binnen het projectgebied toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, wilde eend en kievit. De genoemde soorten komen voor in de omgeving van het projectgebied. Op basis van de volgende overwegingen kan worden geconcludeerd dat het verlies aan foerageergebied niet leidt tot een effect op het instandhoudingsdoel voor de toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, wilde eend en kievit:  Voor de ganzen is er ruim voldoende foerageergebied voorhanden. Voor de ganzen geldt dat ze in feite nagenoeg in alle open agrarische gebieden (grenzend aan de Rijntakken) aanwezig zijn in de wintermaanden om te foerageren op gras en oogstresten. Het ruime aanbod aan eiwitrijk, agrarisch grasland buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied is bepalend voor de aanwezigheid van ganzen. De doelstelling (gemiddeld seizoensmaximum van 2.800 van de toendarietgans, 180.100 van de kolgans en 21.500 van de grauwe gans) is voor deze soorten in de periode 20072013 (ruimschoots) gehaald (Bron: ontwerp Natura 2000-beheerplan Rijntakken). Dat betekent dat ruim voldoende foerageergebied aanwezig is.

 De kievit en wilde eend hebben ook voldoende alternatief foerageergebied en zijn bovendien ook waargenomen als broedvogel in het projectgebied en dan is er geen sprake van een ecologische relatie met het Natura 2000-gebied Rijntakken (dat alleen instandhoudingsdoelen heeft voor weidevogels als niet-broedvogel). Het verlies van een relatief klein oppervlakte aan foerageergebied is te verwaarlozen ten opzichte van het totaal beschikbare foerageergebied in het Natura 2000-gebied en in de omgeving ervan. Daarom zal verlies foerageergebied niet leiden tot een effect op de instandhoudingsdoelen voor de niet-broedvogels waarvan niet uitgesloten is, dat deze in het projectgebied foerageren; toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, wilde eend en kievit.

Blad 21

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

3.1.2

Barrièrewerking De agrarisch gebied rondom de geplande windmolens vormen een potentieel foerageergebied voor de ganzen, eenden en steltlopers uit Rijntakken. Bij gebruik van deze gronden als foerageergebied, zullen soorten regelmatig in noordwest-zuidoost richting over het projectgebied op en neer vliegen naar de uiterwaarden. Door de locatie van de windmolens, kan er sprake zal zijn van barrièrewerking. Vogels die vanuit de Rijntakken zuid(oost)waarts willen foerageren, moeten de opstelling doorkruisen. Ze kunnen de opstelling ‘bovenlangs’ of ‘onderlangs’ passeren of uitwijken. De geplande opstelling van 4 windmolens is echter van te beperkte omvang om van barrièrewerking te kunnen spreken. Vogels kunnen eenvoudig om de windmolen-opstelling heen vliegen zonder dat het extra energie kost. In algemene zin is er dus geen sprake van een belemmerende barrière voor de vogels doordat ze door de windmolenparkopstelling hun voedsel- of rustgebied niet meer kunnen bereiken. In februari 2018 is de aanvullende inventarisatie naar onder andere het onderzoek naar de vliegbewegingen van meeuwen (en eenden) afgerond. Deze rapportage is opgenomen in bijlage 2. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een duidelijke vliegbeweging in en over het projectgebied.

Bovendien ligt het voor vogels die in de Rijntakken slapen niet voor de hand dat ze de opstelling doorkruisen (trek van zuid naar noord) richting foerageergebieden. Ten eerste ligt het projectgebied op ruim 10 kilometer van de rand van het Natura 2000-gebied. Nabij en in de uiterwaarden op korte afstand is er ook landbouwgebied dat geschikt is als foerageergebied en ligt er een bebouwd gebied (geen foerageergebied) ten zuiden van het projectgebied. Door het beperkte aantal windmolens en de grote afstand tot de Rijntakken wordt geconcludeerd dat de windmolens geen belemmering vormt in vliegbewegingen van nietbroedvogels. Dit betekent dat er geen sprake is van (significante) effecten als gevolg van barrièrewerking op soorten waarvoor een instandhoudingsdoel geldt.

3.1.3

Directe sterfte/aanvaringsslachtoffers Aantallen aanvaringsslachtoffers Vogels kunnen met de rotor, de mast of het zog achter de windmolen in aanraking komen en gewond raken of sterven. Dit gevaar is voor de meeste soorten ’s nachts het grootst, met name in donkere nachten of nachten met slecht weer (regen) (Winkelman 1992a). Dit aantal daalt als er ’s nachts horizonverlichting is, zodat de windmolens meer opvallen. Uit onderzoek op de Maasvlakte is wel gebleken dat bij vogels die de windmolens op de zeewering dagelijks passeren, er in hoge mate een leereffect optreedt (Bergh, L.M.J. van de A.L. Spaans en N.D. van Swelm, 2002). Gemiddeld vallen in Nederland (net als in de rest van Europa) in vogelrijke gebieden ongeveer 20 vogelaanvaringsslachtoffers per windmolen per jaar (zonder onderscheid te maken naar soorten) (Kleyheeg-Hartman et al. 2015, Krijgsveld et al. 2009). Bij slachtofferonderzoek in de Wieringermeer zijn voor een specifieke opstellingen (langs tochten) hogere gemiddeldes vastgesteld (27 tot 39 slachtoffers per jaar) (van Vliet, 2014). Een omvangrijke studie naar 88 windmolens in de Eemshaven toont een gemiddelde van 7 tot 33 slachtoffers per windmolen per jaar. De spreiding tussen de windmolens in deze studie is groot,

Blad 22

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

bij circa twee derde van de windmolens vallen gemiddeld 0 – 50 slachtoffers per jaar, bij drie windmolens vallen gemiddeld meer dan 100 slachtoffers per jaar. Deze drie molens staat op een ongunstig punt, direct aan de kust waar een trekroute ligt van over de Eems vliegende trekvogels (Klop en Brenninkmeijer, 2014). In een windpark nabij Oosterbierum kwamen, in de operationele situatie, per windmolen gemiddeld 18 tot 37 vogels/jaar om het leven als gevolg van een botsing (Winkelman 1992a). In het windpark nabij Urk werd het aantal slachtoffers geschat op 7 tot 18 per windmolen per jaar (Winkelman 1989). In Zuidwest-Nederland is het gemiddeld aantal te verwachten aanvaringsslachtoffers onder trekvogels per windmolen groter dan elders in Nederland, mede omdat langs de kust in het najaar stuwtrek plaatsvindt (Baaijens MSc 2014). De laagste aantallen slachtoffers worden gevonden in windparken in het binnenland in gebieden met grasland, bouwland en heide (0,6 - 1,4 slachtoffers/turbine/jaar) (Hötker 2006, Drewitt & Langston 2008).In 22 West-Europese studies vielen gemiddeld 6,9 slachtoffers per turbine per jaar (Hötker 2006). Voor het projectgebied voor het windmolenpark Elzenburg – De Geer is worst-case uitgegaan van het gemiddelde aantal van 20 vogelslachtoffers per windmolen per jaar.

Er is geen aanleiding om uit te gaan van hogere gemiddelden: de hierbovengenoemde studies betreffen locaties met (veel) hogere vogelwaarden dan het projectgebied voor het windmolenpark Elzenburg – De Geer. In tabel 3.2 is het aantal te verwachten vogelslachtoffers weergegeven. Tabel 3.2: Aantal vogelslachtoffers Voornemen Aantal windmolens

4

Aantal vogelslachtoffers per jaar uitgaande van 20 vogelslachtoffers per windmolen per jaar

80

Effect op populatieniveau Voor de verdeling van het aantal slachtoffers over de soortgroepen is gekeken naar de aantallen van elke soort (voor zover ze een ecologische relatie hebben met het Natura 2000-gebied) in het projectgebied. Gezien de hoge aantallen kolgans en toendrarietgans is de aangenomen dat deze soorten de voornaamste aanvaringsslachtoffers zijn. Ook de wilde eend, de kievit en de grauwe gans kunnen – gezien de aantallen die soms in het projectgebied aanwezig zijn – tot de aanvaringsslachtoffers behoren. Ook dit is een worst case aangezien ganzen en steltlopers in de praktijk relatief weinig als slachtoffer gevonden worden, waarschijnlijk vanwege hun sterke uitwijkgedrag (Fijn et al. 2007; Winkelman et al. 2008; Krijgsveld & Beuker 2009). Tabel 3.3: Maximum aantal waargenomen individuen in het projectgebied (NDFF, zie bijlage 4 voor recente check van de NDFF-gegevens) Maximaal aantal vogels

% van totaal

Toendrarietgans

Soort

1000

35%

Kolgans

1500

52%

Grauwe gans

100

3%

Wilde eend

35

1%

Kieviet

250

9%

Blad 23

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Tabel 3.4: Indicatie verdeling aanvaringsslachtoffers per soort per jaar o.b.v verdeling aantallen in tabel 3.3 en uitgaande van maximum aantal slachtoffers 80 (afgrond op gehele getallen) Soort Toendrarietgans

Maximaal aantal slachtoffers circa 28

Kolgans

circa 42

Grauwe gans

circa 2

Wilde eend

circa 1

Kieviet

circa 9

Voor de toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, wilde eend en kievit is de 1% mortaliteitsnorm berekend (zie tabel 3.5). Indien het aantal slachtoffers lager ligt dan 1% van de natuurlijke mortaliteit van de betreffende populatie is de sterfte dermate klein dat geen aantoonbaar effect op de populatieomvang ten gevolge van het windmolenpark optreedt en kunnen significant negatieve effecten worden uitgesloten. Indien het aantal slachtoffers hoger ligt dan 1% van de natuurlijke sterfte is nader onderzoek nodig. Tabel 3.5: Bepalen 1% mortaliteitsnorm o.b.v. de populatiedoelstelling Rijntakken Doelstelling populatie Rijntakken Natuurlijke sterfte (%) 1)

Toendrarietgans

Kolgans

2.800 individuen.

180.100 individuen. 21%

21% (-> kolgans, geen gegevens toendrarietgans) 588 individuen (= 21% van 2800)

Grauwe Gans 21.500 individuen. 17%

Wilde eend 6.100 individuen. 38%

Kievit 8.100 individuen. 26%-34%

Natuurlijke sterfte 37.821 3.655 2.318 2.106 – uitgaande van individuen individuen individuen. 2.754 populatiedoelstelling individuen 1% van de natuurlijke 6 individuen. 2) 378 individuen 37 23 22 – 28 sterfte (= 1% van 588) individuen individuen individuen. 1) Bron: https://www.bto.org/about-birds/birdfacts 2) Dit lage aantal wordt veroorzaakt doordat de doelstelling voor de Rijntakken relatief beperkt is ten opzichte van de totale populatie toendrarietganzen in Nederland (zie verdere toelichting in de tekst).

Van de kolgans geldt dat het totaal aantal verwachte slachtoffers (zie tabel 3.2) lager dan de 1%mortaliteitsnorm voor deze soort (tabel 3.5). Zelfs als alleen de kolgans aanvaringsslachtoffer is (wat niet reëel is gezien ganzen windmolens goed kunnen ontwijken) is het aantal aanvaringsslachtoffers lager dan de 1% mortaliteitsnorm. Een effect op de populatie van de kolgans in de Rijntakken is daarom uitgesloten. Van de grauwe gans, wilde eend en kievit geldt dat het aantal verwachte slachtoffers (zie tabel 3.4) lager dan de 1%-mortaliteitsnorm voor deze soorten is (tabel 3.5). Een effect op de populatie van de grauwe gans, wilde eend en kievit in de Rijntakken is daarom uitgesloten. Daarnaast liggen de kerngebieden voor de porseleinhoen en kwartelkoning (en die ook geschikte gebieden zijn voor de wilde eend en kievit) niet in de uiterwaarden op 10 km afstand van het projectgebied, maar op grotere afstand namelijk > 11 km ten noordwesten en 15 km ten noordoosten (zie figuur 3.1 en figuur 3.2). Daardoor is de kans groter dat de waargenomen wilde eenden en kieviten in het projectgebied geen structurele uitwisseling vertonen met de grotere populaties in het Natura 2000-gebied Rijntakken.

Blad 24

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Figuur 3.1: Kerngebieden Waal en Neder-Rijn voor Porseleinhoen (stip is projectgebied) (Bron: ontwerp Natura 2000-beheerplan, Provincie Geldaerland, 2017)

Blad 25

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

Figuur 3.2: Kerngebieden Waal en Neder-Rijn voor Kwartelkoning (stip is projectgebied) (Bron: ontwerp Natura 2000-beheerplan, Provincie Gelderland, 2017)

Wat de toendrarietganzen betreft, de 1% norm is bepaald op basis van het maximum aantal individuen dat in het projectgebied is aangetroffen. Dit is een overschatting omdat dit een uitschieter is in de aantallen, de schommelingen in aantallen zeer groot zijn en de waargenomen aantallen meestal veel lager zijn. Als deze aantallen mee beschouwd worden (ook de waarnemingen van 1 of enkele individuen), is er geen overschrijding van de 1%-norm. De Rijntakken is voor deze soort aangewezen voor klein gedeelte van de totale Nederlandse populatie. Voor de toendrarietgans betreft dit 1,3 % van de totale populatie uitgaande van het geschat maximum winter/doortrek 210.000-310.000, dec-jan (2009-2014) (Bron: website SOVON). Een groot aantal verblijft blijkbaar buiten de Rijntakken. In het ontwerp-beheerplan is aangegeven dat landelijk gestreefd wordt naar behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 34.100 vogels (seizoensgemiddelde). Het grootste deel van de populatie komt voor in het noordoosten van Nederland (https://www.sovon.nl/nl/soort/1574). Een groot deel van de in het projectgebied en omgeving aanwezige toendrarietganzen (zie bijlage 4) behoort niet tot de populatie van de Rijntakken. In het ontwerp-beheerplan (Provincie Gelderland, 2017) is aangegeven dat de foerageergebieden vaak in de uiterwaarden van grotere rivieren liggen.

Er zal in het projectgebied vooral een uitwisseling zijn met de Maasuiterwaarden (geen onderdeel van het Natura 2000-gebied Rijntakken). In de Hemelrijkse Waard en het

Blad 26

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

aangrenzend gebied tussen Oijen en Lithoijen langs de Maas heeft Rijkswaterstaat een nevengeul aangelegd met natuurvriendelijke oevers. Daarnaast is het maaiveld verlaagd en zijn landinwaartse enkele geulen gegraven, afgewisseld met hogere droge delen. De heringerichte Hemelrijkse Waard en de aangrenzende Alphense Waard en een deel van de Allemanswaard vormen gezien de aanwezige biotopen geschikt leefgebied van onder andere de toendrarietgans en deze gebieden bevinden zich dichter bij het projectgebied (op ca 5 km afstand, zie figuur 3.3).

5 km

Figuur 3.3: Afstand Hemelrijkse Waard tot het projectgebied

Gezien de afstand tot de Rijntakken en de nabijheid van de Maas met geschikt leefgebied (bijvoorbeeld in de Middelwaard bij Oss) en omvang van de totale populatie behoort het grootste deel van de aanwezige toendrarietganzen niet tot de populatie van de Rijntakken. Eventuele aanvaringsslachtoffers hebben dan geen effect op de populatieomvang in de Rijntakken. Een effect op de populatie van de toendrarietgans in de Rijntakken is daarom uitgesloten. De eventuele aanvaringsslachtoffers zullen daarom geen meetbaar effect hebben op de populaties in de Rijntakken. Geconcludeerd kan worden dat het aantal aanvaringsslachtoffers niet leidt tot een effect op de instandhoudingsdoelen voor het Natura 2000-gebied Rijntakken.

Blad 27

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

3.2

Effecten aanlegfase In de aanlegfase is maar één effect op Natura 2000-gebied relevant: het (mogelijk) effect van het (tijdelijk) verlies aan foerageergebied als gevolg van verstorende werking van de bouwactiviteiten. Het projectgebied fungeert als foerageergebied voor de toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, wilde eend en kievit. Ongeacht de planning van de werkzaamheden zullen foeragerende vogels die hierdoor verstoord worden, in de directe omgeving uit kunnen wijken naar rustigere akkers en/of graslanden. Het maatgevend effect op de omvang van het leefgebied wordt gevormd door het verlies aan leefgebied door de aanwezigheid van de windmolenwindmolens en de verstoorde zone rond deze windmolens. Het ruimtebeslag door de eventuele aanleg van wegen en opstelplaatsen is beperkt ten opzichte van het totaal beschikbare oppervlak foerageergebied in de omgeving van het Natura 2000gebied Rijntakken. Dit zal dan ook niet leiden tot een wezenlijke afname van de hoeveelheid beschikbaar foerageergebied. Negatieve effecten in de aanlegfase in de vorm van wezenlijke verstoring van geschikt foerageergebied voor soorten waarvoor het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen, zijn daarmee met zekerheid uit te sluiten.

Blad 28

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

4

Conclusies Voornemen De gemeente Oss ontwikkelt samen met Raedthuys Windenergie B.V. een windmolenpark nabij het bedrijventerrein Elzenburg - De Geer aan de noordrand van de kern Oss. Deze verslechteringstoets heeft betrekking tot laatstgenoemde 4 windturbines: de windturbines 1 en 4 met als aanvrager de gemeente Oss en de windturbines 2 en 3 met als aanvrager Raedthuys. Met het windmolenpark wordt invulling gegeven aan de duurzaamheidsambities van de gemeente Oss. Ter ondersteuning van het keuzeproces over de plaatsing van windmolens zijn in een milieueffectrapport (MER) de effecten van diverse opstellingsvarianten (alternatieven) onderzocht en beoordeeld. Op basis van de resultaten van het MER heeft de gemeente vastgesteld dat windmolens bij Elzenburg – De Geer mogelijk zijn en heeft het voornemen tot plaatsing van 4 windmolens. Dit wordt momenteel vastgelegd in een ruimtelijk plan, er worden de benodigde vergunningen aangevraagd en hiervoor worden de bijbehorende procedures doorlopen. In het kader van het MER is een toets Wet natuurbescherming (Wnb)-gebiedsbescherming uitgevoerd. In deze toets is geconcludeerd, dat het windmolenpark geen significant negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van significante verstoring van Natura 2000-gebieden.

Aanvaringsslachtoffers – ook van enkele soorten waarvoor het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen, zijn niet met zekerheid uit te sluiten. Daarom is de voorliggende verslechteringstoets opgesteld. Het projectgebied bestaat voornamelijk uit een open gebied bestaande uit weilanden en akkers. Effecten op Natura 2000 Het projectgebied ligt niet in of nabij een Natura 2000-gebied. Op basis van de aard en omvang van de windmolens, de aanwezige biotopen in het projectgebied en de afstand tot het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn significante effecten op dit Natura 2000-gebied en negatieve effecten op andere Natura 2000-gebieden uit te sluiten. Effecten op habitattypen in het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn uit te sluiten omdat de windmolens niet in het Natura 2000-gebied worden geplaatst. Van alle soorten waarvoor het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen, zijn er enkele soorten die mogelijk een ecologische relatie hebben met het projectgebied. De meeste habitat- en vogelsoorten waarvoor een instandhoudingsdoel geldt voor het Natura 2000-gebied, zijn gebiedsgebonden of foerageren alleen op kortere afstand van het Natura 2000-gebied en voor deze soorten zijn negatieve effecten uit te sluiten.

De brandgans, scholekster en grutto komen in dermate kleine aantallen voor dat een negatief effect van de plaatsing van de windmolens te verwaarlozen zal zijn Voor de volgende soorten is een afhankelijkheidsrelatie niet uitgesloten: toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, wilde eend en kievit. Effecten die potentieel op kunnen treden, zijn:  Fysieke aantasting van leefgebied van Natura 2000-soorten buiten het Natura 2000gebied; het betreft circa 50 ha. Gezien het beschikbare foerageergebied in de omgeving van de Rijntakken leidt dit ruimtebeslag niet tot een effect op de instandhoudingsdoelen  Barrièrewerking voor Natura 2000-soorten buiten het Natura 2000-gebied is uit te sluiten door het beperkte aantal windmolens en de grote afstand tot de Rijntakken,

Blad 29

Windmolenpark Elzenburg - de Geer te Oss Verslechteringstoets projectnummer 436198 11 januari 2019 revisie 0.0 Gemeente Oss / Pondera Consult

daardoor vormen de windmolens geen belemmering in vliegbewegingen van nietbroedvogels; Verstoring van Natura 2000-soorten buiten het Natura 2000-gebied door optische verstoring, verstoring door geluid, trillingen en. Echter, de verstoringszones rondom de windmolens zijn circa 200 meters rond de windmolen zodat de Rijntakken niet in het invloedsgebied ligt wat verstoring betreft; Aanvaringen met windturbines van aangewezen soorten van Natura 2000-gebieden; uitgaande van een worst case van 20 slachtoffers per jaar per windmolen, is een totaal aantal slachtoffers van 80 vogels te verwachten. Het merendeel betreft kolganzen. Voor de kolgans, grauwe gans, kievit en wilde eend wordt de 1% mortaliteitsnorm niet overschreden. Op grond van deze gegevens kan dus worden uitgesloten dat de windturbines significant negatieve gevolgen zullen hebben. Toendrarietganzen komen in relatief grote aantallen voor en zullen dus ook relatief een groter aandeel hebben in de aanvaringsslachtoffers.

Gezien de grote omvang van de landelijke populatie (een groot aantal verblijft blijkbaar buiten de Rijntakken) en de uitwisseling van de individuen in het projectgebied met de Maasuiterwaardend zullen de aanwezige toendrarietganzen in het projectgebied niet structureel behoren tot de populatie van het Natura 2000-gebied Rijntakken zodat de aanvaringsslachtoffers geen effect hebben op de populatie in de Rijntakken. Er is geen stikstofdepositie >0,05 mol/ha/jr berekend op enig Natura 2000-gebied. Dat blijkt uit de Aerius-berekening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=4ec7e3d0-aee2-4c37-b9c6-3baa363438b0