Bijlagen_bij_toelichting
Tekst van het document
Afbakening plan- en onderzoeksgebied
plangebied is gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Het plangebied is ca. 0,7 ha groot. Het plangebied ligt aan de Middingstraat 1, 1 A-D te Ravenstein. Het terrein wordt in het westen begrensd door de Middingstraat, in het noorden door de Kleefsestraat en het Kleverham. Ten oosten ligt de Veersingel en een perceel met bebouwing aan het Kleverham 5. Ten zuiden ligt het perceel met de Dorpenweg (Figuur 1). 1.3
Overheidsbeleid
In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologische erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Gemeenten houden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet ruimtelijke ordening). Volgens het bestemmingsplan ‘Kom Ravenstein – 2013’ (vastgesteld 20-06-2013) geldt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’. Dit betekent dat bij bodemingrepen dieper dan 0,3 m en over een oppervlak groter dan 100 m 2 archeologisch onderzoek nodig is. Aangezien deze ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen worden overschreden (zie paragraaf 1.4), is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
In het kader van de bestemmingsplanwijziging is voor het plangebied een archeologisch vooronderzoek nodig dat bestaat uit een bureauonderzoek gecombineerd met een verkennend booronderzoek.
KSP Archeologie
6
1.4
Toekomstige situatie
Binnen het plangebied zal het schoolgebouw van de voormalige mavo Hooghuis gesloopt worden. Hier komen vier huizenblokken voor terug (Figuur 2). De exacte aard en omvang van de toekomstige bodemverstoring is nog niet bekend. Vermoedelijk betreft het een gegraven fundering van ca. 80 cm op palen. De huizenblokken in Figuur 2 hebben een gezamenlijke omvang van ca. 1.775 m², daarvan ligt ca. 925 m² binnen de te slopen bebouwingscontour. Voor zover bekend zijn binnen het plangebied geen graafwerkzaamheden voor een bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne of om niet gesprongen conventionele explosieven op te sporen. Het waterpeil c.q. bodempeil binnen het plangebied zal niet veranderen door de geplande bodemingrepen en zal daarmee geen gevolgen hebben voor de conserveringstoestand van eventuele aanwezige archeologisch resten.
Figuur 2: Toekomstige situatie binnen het plangebied (bron: opdrachtgever).
1.5
Onderzoeksdoel en vraagstellingen
Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, welke strategie hierbij het beste gevolgd kan worden.
KSP Archeologie
7
Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied. Het resultaat van het IVO is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies (buiten normen van tijd en geld). Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Er kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of om af te zien van verder onderzoek. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Het inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Voor goed uitgevoerd archeologisch onderzoek is het niet altijd nodig om al deze fasen te doorlopen dat hangt af van de situatie. Dit onderzoek betreft een verkennend onderzoek.
De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap (bodemopbouw) die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor mogelijk vervolgonderzoek. Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: • Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? • Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? • In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied?
KSP Archeologie
8
2
Bureauonderzoek
2.1
Huidige situatie
Om de huidige situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Huidige topografische kaart (Figuur 1); • Luchtfoto uit 2019 (PDOK); • Gemiddelde grondwaterstand verdeeld in grondwatertrappen (Wageningen Environmental Research (2022); • Grondwatertrappen gekoppeld aan de Bodemkaart schaal 1:50.000 versie 2006 (geoplaza.vu.nl); • Rijksmonumenten (archis.cultureelerfgoed.nl): geen monumenten. • Gemeentelijke monumenten1: geen gemeentelijke monument. • Informatie van de opdrachtgever over het plangebied; • Informatie over ondergrondse tanks (www.bodemloket.nl); • Informatie over kabels en leidingen (KLIC-melding); • Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster.nl). In het plangebied is een schoolgebouw aanwezig met de adressen Middingstraat 1, 1 A t/m D. Dit is een schoolgebouw met vier wooneenheden uit 1963 (BAG). Het buitenterrein is veelal verhard met klinkerberstrating. In het noordoosten van het plangebied komt een speeltuintje voor aan het Kleverham met daaromheen klinkerverharding. Rondom het terrein liggen diverse kabels en leidingen (Bijlage 4) De bouwdossiers van het pand zijn opgevraagd bij de gemeente Oss. Er hebben diverse uitbreidingen plaatsgevonden (Figuur 3).
Figuur 3: Bouwfases in het plangebied o.b.v. bouwdossiers.
1 https://api.sduconnect.nl/media/1577718140Monumentenlijst_Oss___versie_2019_.pdf
KSP Archeologie
9
Er zijn diverse uitbreidingen geweest. • Dossier 1098172: Uit bestektekeningen uit 1960 voor de R.K. ULO PIUS XII blijkt dat de eerste bouwfase gefundeerd ging worden op poeren tot 1,5 m-peil (maaiveld 0,5 m-peil). Onder het rechter/zuidelijke trappenhuis is een kelder aanwezig tot 2,41 m-peil (maaiveld daar 0,9 m – peil. Dit is op Figuur 3 aangeduid met een vierkant blok). De rijwielstalling is gefundeerd op poeren tot 1,4 m-peil (maaiveld 0,5 m-peil). • Dossier 10100007: Uit de bestektekeningen van de gymzaal uit 1974 blijkt dat dit bouwdeel gefundeerd is op poeren tot ca. 1 m-mv. Onder de vloer van stambeton is aangegeven dat daar een bodemafsluiting van 30 cm zand aanwezig is. • Dossier 1099852: Uit 1974 is ook een uitbreiding (losstaande locatie) bekend in het noordwesten van het perceel (ter hoogte van de noordzijde van uitbr. 2004 in Figuur 3) Deze had een poerenfundering rondom tot 0,96 m-peil (maaiveld is peil) en tussen gelegen poeren tot ca. 0,6 m -peil. Op een tekening uit 1980 staat dit als noodlokalen aangeduid, al lijken die noodlokalen dichter bij het oudste bouwdeel te liggen. • Dossier 10100804: In 1980 is een uitbreiding naar het oosten uitgevoerd. Deze uitbreiding had een fundering op poeren tot 0,8 m-peil (maaiveld = peil). • Dossier 10100972: In 1982 is de aula naar het westen toe uitgebreid.
Dit is een uitbreiding op poeren tot 1,3 m-peil (maaiveld = 0,5 m-peil). Onder de deze uitbreiding is een kruipruimte aanwezig, waardoor hier geheel tot 0,8 m-mv is uitgegraven. Onder de bestaande aula was volgens deze tekening een kruipruimte aanwezig tot 1,5 m-peil (1,0 m-mv). • Dossier 10101230: In 1984 is één extra lokaal aangelegd. Hiervoor konden de bestaande poeren van de basis uit de jaren ’60 en de gymzaal uit 1974 gebruikt worden. • Dossier 10101704: In 1988 wordt de uitbouw in het noordoosten gepland met poeren tot 0,8 m-peil. • Dossier 10101885/10101827: In 1989 zijn er plannen om een aanbouw te plaatsen aan de noodlokalen. Hiervan zijn geen funderingstekeningen bekend. In dat jaar zijn er ook plannen om de aula nogmaals uit te breiden. De fundering lijkt hetzelfde als bij de eerdere uitbreiding. Het is niet duidelijk of hier ook een kruipruimte is toegepast. • Dossier 1042847: Uit 2003/2004 zijn er plannen voor het open leercentrum voor het Hooghuis Lyceum. Deze is gefundeerd op poeren tot 1,5 m-peil (maaiveld lijkt peil). Er lijkt sprake van een kruipruimte. Deze uitbreiding heeft de ‘noodlokalen’ vervangen. • Van enkele bouwfases uit 1999 en 2005 waren de aangeleverde tekeningen niet compleet. Samengevat rusten de meeste bouwdelen op poeren tot 0,8 à 1,5 m-mv. Het is onduidelijk of toen een gehele bouwput is uitgegraven.
Bij de uitgebreide aula uit 1982 is met zekerheid een kruipruimte aanwezig en ook bij de uitbreiding uit 2004 is er een bodem getekend tussen de funderingsbalken/poeren. De trappenhuizen in het oudste gedeelte zijn ook diepere verstoringen. Uit een rapport van een milieukundige sanering blijkt dat in 2005 een ondergrondse huisbrandolie (HBO) tank verwijderd is voor een toen geplande uitbreiding. Deze stond in de oostelijke helft van deze uitbreiding en hiervoor is de bodem ook meer dan 1 m diep uitgegraven. Voor zover gekarteerd had het plangebied historisch gezien tot ca. 2006 een grondwatertrap VI. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 40 - 80 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 120 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen. Recent is de kartering van grondwaterspiegeldieptes niet meer gekoppeld aan de kaarteenheden op de bodemkaart, maar wordt dit in blokken van 50 x 50 m weergegeven. Door de ligging in de bebouwde kom is geen informatie over de huidige grondwaterspiegeldiepte beschikbaar (Wageningen Environmental Research 2022). Het grondwater is tijdens het milieukundig onderzoek in 1999 waargenomen op ca. 1,0 m-mv (van Poppel 1999) en 1,9 à 2,0 m-mv (Van Oort Bodemonderzoek BV Heesch 2022).
KSP Archeologie
10
2.2
Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens
Om het landschap ter plaatse en rondom het plangebied in kaart te brengen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Geologische overzichtskaart van Nederland (TNO Geologische Dienst 2021); • Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2019 (BRO 2020, Maas e.a. 2017); • Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2018 (BRO 2019); • Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl, AHN4 grid 0,5 x 0,5 m); • Paleogeografische kaart van de Rijn-Maas delta (Cohen e.a. 2012) • Paleogeografische kaarten (Vos e.a. 2018); Het plangebied ligt in het rivierengebied van de Maas. Ravenstein ligt op de zuidoever van de Maas. In de ondergrond bevinden zich oude rivierafzettingen van de Formatie van Kreftenheye, die tijdens het Weichselien zijn gevormd (ca. 115.000 – 11.755 jaar geleden). De rivieren hebben in deze laatste ijstijd voornamelijk een vlechtend patroon gehad, gekenmerkt door meerdere geulen en een onregelmatige afvoer (Stouthamer et al. 2015). In deze periode hebben de Rijn en Maas een brede vlakte een dik pakket zand en grind afgezet (Formatie van Kreftenheye). De pleistocene afzettingen zijn tijdens het Holoceen (de laatste 11.755 jaar) bedekt en uitgesleten door jongere rivierafzettingen (Figuur 4 en Bijlage 1).
Het klimaat is in deze periode warmer en vochtiger geworden, waardoor de voorlopers van de Maas zijn gaan meanderen en zand en klei hebben afgezet. De rivierafzettingen van meanderende rivieren kunnen worden onderverdeeld in stroomgordelafzettingen – bestaande uit bedding- en oeverafzettingen (zand en zandige klei) – en komafzettingen (zwak siltige klei, plaatselijk met veenlagen) (Berendsen 2005). Daarnaast worden restgeulvullingen (hoofdzakelijk klei- en veenlagen) en crevasse-afzettingen (met uiteenlopende textuur, vaak zand) onderscheiden. De crevasse-afzettingen ontstaan op plaatsen waar de oeverwal van de rivier is doorgebroken. De Holocene rivierafzettingen worden tot de Formatie van Echteld gerekend (De Mulder et al. 2003). Uit de paleogeografische reconstructie (Bijlage 1) blijkt dat het plangebied in de steentijd op ruime afstand van de toenmalige Maas lag. Vermoedelijk is toen ook dekzand afgezet over het pleistocene beddingvlakte van de Maas. Vanaf de Bronstijd tot en met de Romeinse tijd is een voorloper van de Maas gekarteerd, waarbij het plangebied juist op de noordoever van die rivierloop lag (Bijlage 1). Deze fasen komt overeen met de stroomgordels van Haren (Bronstijd – IJzertijd, (Figuur 4) en Huisseling-Demen (Late Bronstijd – Romeinse tijd, (Figuur 4).
De meanderbocht die ten zuiden van het plangebied lag wordt afgesneden in de loop van de Romeinse tijd, waarna de huidige Maasloop ontstaat ten noorden van het plangebied. Op de geomorfologische kaart is het plangebied niet gekarteerd door de ligging in de bebouwde kom. Net ten zuiden van het plangebied is een ‘stroomrug of stroomgordel’ gekarteerd. Dit is een voormalige oeverwal die inmiddels bedijkt is. De zone komt grofweg overeen met de Rn95C en Rn15C gronden op de bodemkaart (Bijlage 2). Op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) is te zien dat het plangebied relatief hoog ligt (Figuur 5). Ca. 100 m ten zuiden van het plangebied ligt het maaiveld iets lager, daarna stijgt het weer iets verder naar het zuiden en vervolgens is een laagte zichtbaar. Deze laagte is op de geomorfologische kaart gekarteerd als een restgeul van de Huisseling-Demen fase en op de bodemkaart is deze opgevuld met zware klei (Rn44C-gronden). Rondom deze restgeul ligt het maaiveld enigszins hoger. Dit zijn de oeverwallen van deze fase van de Huisseling-Demen geul. Op basis van de bodemkaart is het plangebied deels gekarteerd en zijn kalkloze poldervaaggronden van zware zavel en lichte klei (zwak zandige en sterk tot uiterst siltige klei) gekarteerd (Bijlage 2, code Rn95C). Poldervaaggronden zijn kleibodems met weinig bodemvorming.
Dit komt deels door de relatief natte omstandigheden waarbij roestvlekken voorkomen binnen de bovenste 50 cm. Dit betekent niet automatisch dat het zeer natte gronden waren. De textuur zware zavel en lichte klei betreft
KSP Archeologie
11
overgangsgronden die in een positie zijn afgezet tussen de oeverwal met lichte zavel (matig tot sterk zandige klei) en de kom met zware klei (zwak tot matig siltige klei) in. Binnen de karteringsdiepte kan de ondergrond enigszins lichter of zwaarder worden (profielverloop 5). In een deel van de milieukundige boringen is er sprake van zand, veelal matig grof, tot ca. 3 m -maaiveld. In een ander deel komt een zwak zandige kleilaag voor onder straatcunet tot ca. 1,0 à 1,5 m-mv. In een enkele boring is er sprake van een laag grof zand tot 1,0 m met daaronder een kleilaag tot 1,2 m-mv (Van Oort Bodemonderzoek BV Heesch 2022). Het is niet uitgesloten dat de kleilaag (deels) is afgegraven en is vervangen met grof bouwzand. Het grovere zand in de diepere ondergrond betreft het beddingzand van de Huisseling-Demen stroomgordel. De kleilaag daarboven betreffen oeverafzettingen. Waar de kleilaag ontbreekt kan dit ook een meer zandige oeverafzetting geweest zijn, maar het kan ook zijn dat hier een dik pakket bouwzand is ingebracht na het afgraven van de klei.
Figuur 4: Stroomgordelkaart (Cohen e.a. 2012)
KSP Archeologie
12
Figuur 5: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).
2.3
Historische situatie en mogelijke verstoringen
Om de historische situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Oude kadasterkaarten: kadastrale minuut en oorspronkelijk aanwijzende tafels 1811 – 1832 voor toenmalige eigenaar/gebruiker (beeldbank.cultureelerfgoed.nl); • Historische kaarten uit de afgelopen 200 jaar (www.topotijdreis.nl); • Cultuurhistorische regiobeschrijving Noord-Brabant (CultGIS/Haartsen 2009); • Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten van onderzoek binnen het onderzoeksgebied: is niet van toepassing; • Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl): Ravenstein ligt op de westrand van het op de IKME breed aangeduide terrein van Market Garden. • V.1 & V.2 inslagen in Nederland (vergeltungswaffen.nl): geen inslagen bekend die voor een bodemverstoring gezorgd kunnen hebben; • Uitgevoerd onderzoek niet gesprongen explosieven (https://www.explosievenopsporing.nl/veobommenkaart/): Er is een gemeentebreed onderzoek uitgevoerd, het plangebied is niet verdacht op niet-gesprongen explosieven op de bodembelasting CE kaart (van den Brandhof 2016). Hierop zijn ook loopgraven e.d. aangeduid, maar niet nabij het plangebied.
• Topografische kaart van Nederland (Figuur 1); • Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster.nl); • Bouw-/constructietekeningen van te slopen of te wijzingen historische bouwwerk: Zie paragraaf 2.1. • Gegevens van milieukundig bodemonderzoek (www.bodemloket.nl): Zie paragraaf 2.1. • Luchtfoto uit 2019 (PDOK);
KSP Archeologie
13
• • • • •
Geomorfologische kaart van Nederland: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; Vergraven gronden project Alterra (Brouwer & Van der Werff 2012): hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl): hierop zijn geen kunstmatige ophogingen en/of afgravingen zichtbaar; In het kader van dit onderzoek zijn geen archieven geraadpleegd omdat een gerichte vraagstelling ontbreekt.
Hieronder volgt een beschrijving van het historische gebruik (bebouwing, grondgebruik, historische wegen etc.) van het plangebied en de directe omgeving. Daarnaast is gekeken of er sprake is van (mogelijke) bodemverstoringen en/of bodemvervuilingen (aard, omvang, diepteligging en locatie) binnen het plangebied. Het plangebied ligt binnen de Brabantse regio Maaskant dat onderdeel is van het rivierengebied (Haartsen 2009). De bodem bestaat voor het grootste deel uit zavel en klei dat door de rivieren is afgezet. Hier en daar komen oudere afzettingen aan de oppervlakte, namelijk rivierduinen of donken die aan het eind van het Pleistoceen zijn gevormd. De hoogste delen van deze rivierduinen steken boven de holocene rivierafzettingen uit. Langs de Maas zijn oeverwallen ontstaan. Oeverwallen of stroomruggen zijn lage zandige ruggen op enige afstand van de rivierbedding. Verder bij de rivier vandaan liggen de komgebieden, waar de rivieren zware klei hebben afgezet. In de kommen was het zo nat dat hier en daar ook veenlaagjes tot ontwikkeling konden komen. Het rivierengebied behoort tot de oudste cultuurlandschappen van Nederland. Men mag aannemen dat het gebied in ieder geval vanaf de Bronstijd, en misschien al vanaf het Neolithicum, permanent bewoond is geweest. Veel zichtbare sporen hebben deze oudste bewoningsfasen echter niet in het landschap achtergelaten.
De inrichting van het cultuurland, waarvan we in het huidige landschap nog de belangrijkste kenmerken terugvinden, dateert in grote lijnen uit de Vroege Middeleeuwen (stroomruggronden) en de Late Middeleeuwen (kommen). De stroomruggronden waren vanouds in gebruik als woonplaats, als bouwland en als boomgaard, terwijl in de komgebieden wei- en hooilanden, eendenkooien en grienden werden aangetroffen. De uiterwaarden zijn vooral als weiland gebruikt. (Haartsen 2009). Voor de historische ontwikkeling is historisch kaartmateriaal geraadpleegd. Tussen 1811 en 1832 is de eerste kadastrale minuut opgemaakt voor de toenmalige gemeente Huisseling en Neerloon (Figuur 6).2 Op die kaart loopt door de zuidelijke helft van het plangebied “Het Midding Straatje”. Dit straatje scheidt het ten noorden daarvan gelegen gebied “De Middingen” van het gebied “De Ubrrikken| ten zuiden van het straatje. Alle percelen rondom dit straatje zijn in gebruik als bouwland. Het straatje loopt dood in de 19e eeuw en bebouwing ontbreekt langs dit Middingstraatje. Het plangebied blijft nog ca. een eeuw geheel in gebruik als akkerland. Aan de westzijde komt aan het begin van de 20e eeuw een boomgaard. En vanaf de jaren ’70 is de middelbare school en haar uitbreidingen gekarteerd (Figuur 7). De bodem kan zijn aangetast door het eeuwenlange gebruik als akkerland.
Gemiddeld reikt de bodembewerking ten behoeve van de landbouw tot 30 – 50 cm beneden maaiveld. Ook door de aanleg en het beëindigen van de boomgaard in het westen kan de bodem geroerd zijn. Bij de bouw van de ULO in de jaren ’60 is het Middingstraatje verlegd en door de bouw kan de bodemopbouw tot meer dan 1 m geroerd zijn. Op basis van de bodemopbouw in het milieukundig booronderzoek is niet uitgesloten dat in delen van het plangebied de rivierklei is afgegraven.
2 De verzamelminuut met het exacte jaartal is niet beschikbaar
KSP Archeologie
14
Figuur 6: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Figuur 7: Het plangebied op historische kaarten tussen 1868 en 1988 (bron: www.topotijdreis.nl).
KSP Archeologie
15
2.4
Beschrijving van archeologische gegevens
Om een beeld te krijgen van de archeologische gegevens, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Archeologische Monumenten Kaart (AMK) (via archis.cultureelerfgoed.nl); • Beschermde archeologische Rijksmonumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl); • Archeologische onderzoeken en vondstlocaties uit het Archeologische Informatiesysteem (Archis) (archis.cultureelerfgoed.nl); • Digitaal Archief (DANS) Rapporten en onderzoeksgegevens van archeologisch onderzoek (https://easy.dans.knaw.nl/); • Historische kaarten (zie paragraaf 2.3); • Gemeentelijke archeologische beleidskaart 2016, deze is voor het gebied rondom Ravenstein gelijk aan Goddijn e.a. (2012). Binnen het plangebied zijn geen archeologische monumenten (AMK-terreinen), onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen aanwezig op het onderzoek voor de gemeentelijke verwachtingenkaart na. In een straal van 500 m rondom het plangebied is één AMK-terreinen, twaalf onderzoeksmeldingen en vijf vondstmeldingen bekend (Tabel 1, Bijlage 3). De meldingen liggen allemaal rond Ravenstein en Huisseling in de gemeente Oss, tenzij anders vermeld in Tabel 1. Ca. 330 m ten noordwesten van het plangebied ligt de stadskern van Ravenstein met deels typische vondsten die bij deze middeleeuwse stadskern passen. Bij het uitbaggeren, vermoedelijk van de gracht, zijn ook oudere resten gevonden vanaf het Neolithicum.
Recent zijn op de Bleek ook resten van verdedigingswerken aangetroffen aan de Bleek en in 2002 bij de Molensingel. Bij een begeleiding aan de Walstraat zijn ook resten aangetroffen die aansluiten bij de ligging in de historische kern. Ca. 300 m ten noordoosten van het plangebied is een woerd (terp) uit de IJzertijd bekend. De diverse bureau- en booronderzoek hebben nog geen vindplaatsen opgeleverd binnen 500 m buiten de historische kernen en bebouwingslinten. Deels was geen gravend archeologisch onderzoek nodig, omdat de bodem verstoord was. Waar wel gravend archeologische onderzoek nodig was zijn geen vindplaatsen aangetroffen in de nabijheid buiten de stadskern. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart uit 2016 heeft het plangebied veelal een hoge archeologische verwachting (Figuur 8, rood). In het noordwesten is een verstoorde zone gekarteerd (grijs).
Figuur 8: Het plangebied op de archeologische beleidskaart 2016 van de gemeente Oss met op de achtergrond de luchtfoto uit 2021 (PDOK).
KSP Archeologie
16
AMK-terrein
Locatie en ligging
16799
322 m N Historische stadskern Ravenstein
Stadskern van hoge archeologische waarde.
Onderzoeks/vondstmelding
Locatie en ligging
Type onderzoek
Aard vondstlocatie/resultaten
VM 3129470100
336 m NO Graafse straat
Onbekend in 1865
Woerd (ophogingslaag) uit de IJzertijd
VM 3129510100
473 m NW Ravenstein - (Stadsgracht?)
Baggerwerkzaamheden in 1938
Diverse vondsten vanaf het Neolithicum
VM 3131308100
476 m NW Ravenstein Stadsgracht
Onbekend
Weefgewicht of netverzwaarder (ME-NT)
VM 3229862100
344 m N Walstraat – Leerlooiershuisje
HKK Ravenstein tijdens Bodemsanering in 2005
Vier huishoudelijke afvalkuilen met aardewerk en glas (18e en 19e eeuws). De kuilen zijn ouder dan het leerlooijershuisje.
Metaaldetector in 2005
2 koper gestanste lederloodjes, 2e helft 19e eeuw
VM 3230306100
Aard terrein/waarde
OM 2008219100
463 m NW, Ravenstein Molensingel
Proefsleuven in 2002
De Winter & Arnoldussen (2002): Binnen 2 m-mv geen aanwijzingen voor muur(resten) van de 17e eeuwse versterking. Vanaf 1 m-mv wel interessante archeologische lagen (wallichaam of grachtvulling)
OM 2194252100
170 m W, Huisseling Daalderstraatje,
Bureauonderzoek in 2008
Rapporten niet beschikbaar in Archis. Mostert & Verbeek (2008): Twee kuilen en twee paalkuilen in stroomgordelafzettingen. In één van de sporen een fragment rode baksteen (1250-1500). In de A-horizont vondsten vanaf de periode 900-1200. Behoudenswaardige vindplaats → planaanpassing of opgraving.
OM 2216024100 OM 2220422100
Karterend booronderzoek in 2008 Proefsleuven in 2018
OM 2217694100
386 m NW, Ravenstein, De Kolk
Bureau- en verkennend booronderzoek in 2009
Buesink (2009): Verstoord tot gemiddeld 65 cm mv. Dieper geen archeologische niveaus. beddingzand vanaf gemiddeld 160 cm-mv → verstoord geen vervolg.
OM 2359533100
Gemeente breed
Bureauonderzoek uit 2012
Basis voor de beleidskaart uit 2016.
OM 2484638100
233 m W, Huisseling Grotestraat
Bureau- en verkennend booronderzoek in 2015
Huizer (2015): Beddingzand vanaf 120 à 130 cmmv. Geen vegetatiehorizont waargenomen, lokaal verstoringen tot 105 cm-mv → geen vervolg
OM 3990477100
423 m ZO, Ravenstein Erfsestraat
Bureau- en verkennend booronderzoek in 2016
Eerste bevindingen: Beddingzand van wrs. de Haren stroomgordel waargenomen vanaf 4,4 à 4,0 m+NAP. Daarboven kleilaag die wrs. onderwater is afgezet. Het plangebied ligt in een opgevulde restgeul van een kronkelwaard (lage verwachting). Nadat de restgeul opgevuld hadden de oeverafzettingen een hogere verwachting. Plangebied blijkt echter verstoord tot 0,8 à 1,4 m-mv → geen vervolg
OM 4015448100
124 m O, Ravenstein Veersingel (brandweer)
Bureau- en verkennend booronderzoek in 2016
Bergman (2016): Oeverafzettingen met onder de bouwvoor tot 70 cm een laag met zacht baksteen, houtskool en verbrand grind. → Proefsleuven
Proefsleuven in 2017
Tump & De Boer (2017): Geen archeologische resten → geen vervolg
Archeologische begeleiding in 2021
Lameris e.a. (2022): In het noorden is een gracht gevonden van het bovenste hoornwerk. Ten zuiden daarvan puinkuilen, greppels en muurwerk gevonden. Het is onduidelijk of de andere sporen bij het hoornwerk hoorden, of ouder zijn. Er zijn vondsten gevonden uit de 17e eeuw en jonger.
OM 4027541100 OM 5024432100
OM 5113313100
416 m NO, Ravenstein De Bleek Bovenste Hoornwerk
Proefsleuven in 2021
Tabel 1: Overzicht van de AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen (OM) en vondstmeldingen (VM) binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl).
KSP Archeologie
17
2.5
Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden
Op basis van de monumentenlijsten (paragraaf 2.1) zijn binnen het plangebied geen (ondergrondse) bouwhistorische resten aanwezig. Op grond van het historisch kaartmateriaal (paragraaf 2.3) en de archeologische gegevens (paragraaf 2.4) worden deze ook niet verwacht. 2.6
Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek (paragraaf 2.1 t/m 2.5) is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (samengevat in Tabel 2). Deze verwachting zal in de onderstaande tekst worden toegelicht. Periode
Landschap
Verwachting
LaatPaleolithicum – MiddenNeolithicum LaatNeolithicum – MiddenBronstijd Late-Bronstijd – Volle Middeleeuwen
Pleistocene riviervlakte (bedekt met dekzand)
Zeer laag
Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd
Komvlakte van de Haren stroomgordel
Oever van de stroomgordel van HuisselingDemen en Maas
Verwachte kenmerken vindplaats Bewoningssporen, tijdelijke kampementen, vuursteen artefacten, haardkuilen
Nederzetting: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, fragmenten Zeer laag aardewerk, natuursteen, gebruiksvoorwerpen Begravingsresten: kringgreppel, (middel)hoog fragmenten aardewerk (urn), verbrande botresten Huisplaats: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, bakstenen, Laag fragmenten aardewerk, gebruiksvoorwerpen
Diepteligging sporen
Dieper dan 1,5 m-mv, vermoedelijk geërodeerd door beddinggordel.
Direct onder de bouwvoor (vanaf ca. 30 cm beneden maaiveld) Vanaf maaiveld tot diep in de oeverafzettingen.
Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.
Het huidige landschap rond het onderzoeksgebied is ontstaan tijdens het Holoceen en is beïnvloed door verschillende Rijntakken. Het rivierenlandschap is voortdurend veranderd en dat heeft een grote invloed gehad op de keuze voor bewoningslocaties voor met name de prehistorische mens. Vooral de hoger gelegen pleistocene terrasresten, rivierduinen, oevers van rivieren en verlaten stroomgordels werden uitgekozen als nederzettingslocatie. Stroomgordels zijn relatief hooggelegen gronden tussen laaggelegen komgebieden. De stroomgordels zijn daarom aantrekkelijke vestigingsplaatsen voor mensen. Tijdens de actieve fase van de stroomgordel kan bewoning hebben plaatsgevonden op de oeverwal langs de geul. Op de gemeentelijke verwachtingskaart is aan het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend (Figuur 8). Deze verwachting is gebaseerd op de ligging ter plaatse van de stroomgordel Huisseling-Demen. Op basis van de datering van deze stroomgordel kunnen archeologische resten voorkomen vanaf de Late-Bronstijd. Aangenomen wordt dat deze stroomgordel is gefundeerd tot in het pleistocene zand. Dit betekent dat eventuele archeologische resten uit de voorgaande periode geërodeerd zullen zijn. Daarom worden in het plangebied geen vuursteenvindplaatsen uit het LaatPaleolithicum tot en met het Midden-Neolithicum verwacht.
In de periode Laat-Neolithicum t/m Midden-Bronstijd kan het plangebied in de komvlakte van de Haren stroomgordel hebben gelegen, maar deze resten zullen ook geërodeerd zijn door de Huisseling-Demen stroomgordel. Het plangebied heeft een middelhoge tot hoge verwachting voor de periode Late-Bronstijd tot en met IJzertijd. Vanaf de Romeinse tijd heeft de Maas vermoedelijk sediment in het plangebied afgezet door de Maas. Aan het maaiveld worden zware oeverafzettingen verwacht van zware zavel en lichte klei. Deze zware oeverafzettingen hebben met een poldervaaggrond (relatief natte bodem) een iets lagere verwachting (middelhoge verwachting) dan de lichtere oeverafzettingen met een ooivaaggrond. Dit laatste is een relatief droge bodem met een hoge verwachting.
KSP Archeologie
18
1. 2. 3.
4.
5.
6. 7.
8.
Datering: Late-Bronstijd – Volle Middeleeuwen. Complextype: Nederzetting en/of grafveld. Omvang: Nederzettingsterreinen of grafvelden/begravingen variëren in grootte van enkele honderden tot duizenden vierkante meters en kunnen zich soms over meerdere hectaren uitstrekken. Diepteligging: het potentiële archeologische niveau wordt in de top van de stroomgordelafzettingen (meestal de oeverafzettingen) verwacht (ca. 30 cm -mv). Het pakket zandige klei is op basis van de milieukundige boringen ca. 1,5 m dik. Binnen dit pakket kunnen meerdere archeologische niveaus aanwezig zijn. Gaafheid en conservering: als sprake is van een afdekkende kleilaag dan zullen de archeologische grondsporen en vondsten in dat niveau goed bewaard zijn gebleven. Als ze dicht aan het oppervlak liggen dan kan het vondstenniveau en (een deel van) het sporenniveau zijn opgenomen in de bovengrond. Locatie: hele plangebied, m.u.v. de zones met een kruipruimte onder de school en de onderkelderde trappenhuizen. Uiterlijke kenmerken: de nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die vaak diep in de grond gefundeerd waren. Waterputten werden gegraven voor de watervoorziening terwijl in en nabij de nederzetting afvalkuilen werden gegraven om afval te begraven. Naast nederzettingsresten kunnen ook begravingen voorkomen.
Restanten hiervan kunnen bestaan uit kringgreppels, fragmenten aardewerk (urnen), crematieresten, inhumaties e.d. De sporen kunnen diep in de bodem reiken. Daarnaast kan sprake zijn van een archeologische laag met indicatoren zoals fragmenten aardewerk, houtskool en fosfaat. Mogelijke verstoringen: Op basis van de milieukundige boringen kan in een deel van het plangebied, ook buiten de bebouwing, de kleilaag van 1,0 à 1,5 m zijn afgegraven en bouwzand zijn opgebracht voor de fundering.
In de Late Middeleeuwen (12e - 13e eeuw) zijn dijken langs de rivier aangelegd. Na de bedijking langs de Maas werd het gehele achterland beschermd, maar er vonden nog wel regelmatig dijkdoorbraken plaats waarbij het gebied overstroomde. De (laatmiddeleeuwse) bewoning bleef zich daarom concentreren op de hogere delen in het landschap en er werden (nieuwe) opgehoogde woonplaatsen aangelegd. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied buiten de bebouwingslinten van Huisseling ligt. Het plangebied is tot de bouw van de middelbare school onbebouwd en in gebruik geweest als landbouwgrond. Op basis hiervan is de kans klein dat er bewoning in het plangebied heeft plaatsgevonden in de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot in de Nieuwe tijd. Voor deze periode geldt daarom een lage verwachting. 2.7
Conclusie en advies
Op basis van de landschappelijke ligging in de zone op (de overgang van) de oeverwal (naar de komvlakte) van de Haren, Huisseling-Demen en Maas stroomgordels heeft het plangebied een middelhoge tot hoge verwachting voor vindplaatsen vanaf de Bronstijd t/m de Volle Middeleeuwen. Op basis van historisch kaartmateriaal is er een lage verwachting opgesteld voor huisplaatsen in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. In het plangebied is in de jaren ’60 een school gebouwd die diverse keren is uitgebreid. In delen van de bebouwing is de bodem op basis van bouwdossieronderzoek met zekerheid geroerd tot 1,2 m -mv. Op basis van de milieukundige boringen is de indruk dat de ca. 1,5 m dikke oeverafzettingen kunnen zijn ontgraven in delen van het onbebouwde plangebied. Het advies is om de verwachting te toetsen door middel van een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. Met dit onderzoek wordt de bodemopbouw in kaart gebracht en wordt de intactheid van de bodem en het potentiële archeologische niveau vastgesteld.
KSP Archeologie
19
3
Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase
3.1
Werkwijze
Voor het verkennende booronderzoek is conform de richtlijnen van de gemeente uitgegaan van 6 boringen per hectare, waarbij het minimum aantal van 6 boringen geldt voor plangebieden kleiner dan 1 hectare. Aangezien het plangebied met een oppervlakte van 0,7 ha kleiner is dan een hectare is het minimum aantal van 6 boringen gezet (Bijlage 4) Vanwege het geringe oppervlak en de terreinomstandigheden (bebouwing, kabels en leidingen, begroeiing etc.) zijn de boringen zo gelijkmatig mogelijk over het plangebied verdeeld. De exacte boorlocaties is uitgezet met een handheld GPS toestel. De hoogteligging van de boringen ten opzichte van NAP is geschat op basis van het AHN4. De boringen zijn geplaatst met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn op boring 4 na uitgevoerd tot minimaal 20 cm in het beddingzand, mits dit binnen 2 m aanwezig was. In boring 4 is de bovenkant van de kleilaag waargenomen. Dieper boren lukte niet, omdat de kleilaag uitgedroogd was. Aangezien de aard en intactheid van de rivierkleiafzetting in boring 4 is vastgesteld heeft deze boring genoeg informatie opgeleverd voor een archeologische interpretatie. Het opgeboorde sediment is verbrokkeld en versneden en met het blote oog geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen en aardewerk.
De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de bodemclassificatie volgens De Bakker & Schelling (1989) (Bijlage 5). 3.2
Veldsituatie
Er zijn geen bijzonderheden in het veld waargenomen. De huidige beheerder van het pand heeft een kelder getoond die aanwezig is onder de aanbouw uit 2005. Hij kon geen aanvullende informatie geven over de bouw en de aanwezigheid van kruipruimtes. 3.3
Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens
3.3.1
Lithologie en geologie
Vanaf het maaiveld of onder een tegelverharding was er sprake van een antropogeen opgebrachte en gezien het verschil in dikte ook deels ingebrachte laag met zand en klei (X-horizonten in Bijlage 5). Dit was deels grof bouwzand, bruin fijn zand en deels donkergrijze zandige klei. Soms wisselde deze lagen zich snel af. De dikte van dit pakket was 50 à 80 cm in boringen 1, 2, 4 en 5. In boring 3 was de laag 120 cm dik. Bij boring 6 was dit pakket minimaal 2 m dik. Onder deze antropogene laag kwam rivierklei voor in boringen 1, 2, 4 en 5. Deze klei bestond uit zwak zandige klei tot sterk siltige klei (zware zavel en lichte klei). In boring 5 bestond deze laag uit matig siltige (zware klei). Vanaf 90 cm (boring 1 en 2) of 120 cm à 130 cm (boring 3 en 5) ging de kleilaag over in kleiig zand of in zwak zandige klei (boring 5). Daaronder vanaf 120 à 130 cm (boringen 1 t/m 3) of 150 cm (boring 5) kwam matig fijn tot matig grof zand voor. Dit was veelal scherp rivier(bedding)zand, in boring 2 was dit vermengd met fijner en goed afgerond dekzand.
KSP Archeologie
20
3.3.2
Bodem
De meest intacte bodemopbouw is waargenomen in boring 1. Hier is onder de donkergrijze antropogene kleilaag een ca. 10 cm dik restant van een zwak humeuze bruingrijze kleilaag waargenomen (Ahb-horizont, 50-60 cm-mv), deze ging over in een grijsbruine laag zonder roest- of mangaanvlekken (Bw-horizont 60-80 cm). Daaronder was een grijsbruine laag aanwezig met roest- en mangaanvlekken (Cg-horizont, 80-90 cm). Deze ging over in het (kleiige) beddingzand. In boringen 2 was de oorspronkelijke humeuze bovengrond niet meer aanwezig, maar wel een restant van de Bw-horizont (70-90 cm) die hier duidelijk donkerbruin was. In boring 5 is de bruine Bw-horizont aanwezig (80-100 cm-mv). Deze hier duidelijk zwaarder van textuur. In boring 4 is de Bw-horizont niet meer aanwezig en is onder de antropogene verstoring van 70 cm de Cg-horizont aanwezig. In boring 3 is sprake van een diepe verstoring tot 120 cm waarbij zowel de Bw- als de Cg-horizont zijn afgetopt. Boring 6 betreft een nog diepere verstoring. 3.4
Archeologische indicatoren
Bij de controle van het opgeboorde bodemmateriaal zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Het booronderzoek had overigens een verkennend karakter. De afwezigheid van archeologische indicatoren zegt dan ook weinig over de kans dat een vindplaats binnen het plangebied aanwezig is. 3.5
Toetsing van de archeologische verwachting
In het plangebied werd een poldervaaggrond verwacht. Een volledige intacte bodemopbouw is in geen van de boringen waargenomen. Boring 1 heeft de meest intacte bodemopbouw en hier is een Bwhorizont van 20 cm waargenomen, dit is ook de dikte van deze horizont in boringen 2 en 5. Aangenomen kan worden dat de oorspronkelijke humeuze bovengrond minder dan 30 cm dik was en dan zal in het plangebied van oorsprong een poldervaaggrond aanwezig zijn geweest zijn. De textuur van het sediment past bij de ligging op de overgang van de oeverwal naar de komvlakte. De zwaardere textuur in boring 5 en diepere ligging van de top van de B-horizont, duidt er mogelijk op dat de komvlakte ten noorden van het plangebied gelegen was. Dan zal de sedimentatie van het sediment vanuit het zuiden gekomen zijn (Huisseling-Demen stroomgordel) en de sedimentatie vanuit de Maas beperkt zijn geweest. Als de bodemopbouw intact was geweest dan kon aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend worden voor vindplaatsen vanaf de Late-Bronstijd. Resten zouden dan aanwezig zijn vanaf de onderzijde van de bouwvoor in de top van de Bw-horizont. Dit potentiële niveau lijkt in de helft van de boringen intact. In de andere helft van de boringen is dit niveau afgetopt. De verstoringen zijn waarschijnlijk het gevolg van de bouwwerkzaamheden voor het schoolgebouw.
Onder het schoolgebouw is van een deel van de uitbreidingen bekend of er sprake was van de aanleg van kruipruimtes. Het is aannemelijk dat de kleilaag is verwijderd, zodat op staal gefundeerd kon worden in de top van het beddingzand. Het potentiële archeologische niveau lijkt daarom grotendeels verstoord te zijn in het plangebied en aan het plangebied kan daarom een lage archeologische verwachting toegekend worden voor de periode vanaf de Late-Bronstijd. Het onderzoek heeft geen aanwijzingen gegeven dat de zeer lage archeologische verwachting voor de periode voorafgaand aan de LateBronstijd moet worden bijgesteld.
KSP Archeologie
21
4
Conclusie en advies
4.1
Conclusie
Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging in de zone op (de overgang van) de oeverwal (naar de komvlakte) van de Haren, Huisseling-Demen en Maas stroomgordels heeft het plangebied een middelhoge tot hoge verwachting voor vindplaatsen vanaf de Bronstijd t/m de Volle Middeleeuwen. Op basis van historisch kaartmateriaal is er een lage verwachting opgesteld voor huisplaatsen in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. In het plangebied is in de jaren ’60 een school gebouwd die diverse keren is uitgebreid. In delen van de bebouwing is de bodem op basis van bouwdossieronderzoek met zekerheid geroerd tot 1,2 m -mv. Op basis van de milieukundige boringen is de indruk dat de ca. 1,5 m dikke oeverafzettingen kunnen zijn ontgraven in delen van het onbebouwde plangebied. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat van oorsprong een poldervaaggrond aanwezig was in zware zavel tot zware klei met daaronder beddingzand. In de helft van de boringen rondom het schoolgebouw is het potentiële archeologische niveau in de top van de B-horizont intact, in het overige deel is de B-horizont niet meer aanwezig.
De verstoringen rondom het schoolgebouw zijn waarschijnlijk veroorzaakt door de graafwerkzaamheden voor de aanleg van de school en de indruk is dat de bodem onder het schoolgebouw nog minder intact is. Daarom wordt voor het plangebied de (middel)hoge verwachting voor de periode Late-Bronstijd tot en met Nieuwe tijd bijgesteld naar een lage verwachting. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing. 4.2
Beantwoording van de onderzoeksvragen •
Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? Uit het booronderzoek is gebleken dat van oorsprong een poldervaaggrond aanwezig was in zware zavel tot zware klei met daaronder beddingzand. In de helft van de boringen rondom het schoolgebouw is het potentiële archeologische niveau in de top van de B-horizont intact, in het overige deel is de B-horizont niet meer aanwezig. De verstoringen rondom het schoolgebouw zijn waarschijnlijk veroorzaakt door de graafwerkzaamheden voor de aanleg van de school en de indruk is dat de bodem onder het schoolgebouw verstoord is.
•
Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? Op basis van het bureauonderzoek had het plangebied een (middel)hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode Late-Bronstijd tot en met Volle Middeleeuwen. Gezien de intactheid van de bodem rondom het schoolgebouw en de verwachting dat de bodem onder het schoolgebouw minder intact is kan deze verwachting naar beneden worden bijgesteld tot een lage archeologische verwachting.
•
Is een (deels) intact potentieel niveau aanwezig en zo ja, op welke diepte en wordt deze bedreigd door de voorgenomen bodemingrepen? Vanwege de aantasting van het potentiële archeologische niveau is de kans klein dat een (intacte) vindplaats binnen het plangebied aanwezig laag. Daarom vormen de voorgenomen graafwerkzaamheden geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief.
KSP Archeologie
22
4.3
Selectieadvies
Op grond van de aangetroffen bodemverstoringen in het plangebied en daarmee lage archeologische verwachting adviseert KSP Archeologie om geen archeologische dubbelbestemming op te nemen in het nieuwe bestemmingplan. Dit betekent dat voor de sloop- en bouwwerkzaamheden geen archeologisch vervolgonderzoek nodig is. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Dit selectieadvies betekent nog niet dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Oss), die vervolgens een selectiebesluit neemt. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden.
In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologische informatiesysteem. Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden.
KSP Archeologie
23
Literatuur Boeken, rapporten en artikelen Bakker, H. de & Schelling, J. (1989). Systeem van de bodemclassificatie voor Nederland: de hogere niveaus. (Tweede druk bewerkt door Brus, D.J. & Wallenburg C. van) Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie, Wageningen. Berendsen, H.J.A. (2005). Landschappelijk Nederland. Perspectief Uitgevers, Utrecht. Bergman, W.A. (2016): Gemeente Oss, Plangebied Veersingel, locatie brandweer te Ravenstein, Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). BAAC Rapport V-16.0218 Buesink, A. (2009). GEMEENTE OSS, PLANGEBIED BEDRIJVENTERREIN "DE KOLK" TE RAVENSTEIN. Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) BAAC rapport V-08.0358 Centraal College van Deskundigen Archeologie (2018). Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1. Stichting voor Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Goddijn, M.A (2012). Actualisatie Archeologiebeleid gemeente Oss, Een herziene archeologische beleidsadvieskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss. Archol-rapport 183 Huizer, J. (2009): Grotestraat, Huisseling (gemeente Oss). Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. ADC-rapport 3892. Haartsen, A. (2009). Ontgonnen Verleden. Regiobeschrijvingen provincie Noord-Brabant. Bureau Lantschap. Lameris, N.H.; R. van der Mark; W.A. Bergman & D.E.P.C.M.
Beckers (2022). Ravenstein De Bleek. Drie onderzoeken op het ‘bovenste hoornwerk’. BAAC-rapport A-19.0367 / A-20.0045 Mostert, M. & Verbeek, C (2008): Oss (NB) – Huisseling, Daalderstraatje. Inventariserendvooronderzoek d.m.v. proefsleuven. BILAN rapport 2008/150 Normalisatie Instituut (1990). NEN-5104:1989 grondmonsters. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft.
Nederlands
NL, Classificatie van onverharde
Poppel, J.A.H. van (1999). Rapport betreffende verkennend bodemonderzoek aan de Middingstraat 1 te Ravenstein. Fugro rapport F-9092/110 Stouthamer, E., Cohen, K.M. & Hoek, W.Z. (2015). De vorming van het land: geologie en geomorfologie. Perspectief Uitgevers, Utrecht. Tump, M. & E.A.M. de Boer (2017): Ravenstein Plangebied Veersingel. Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P), BAAC-rapport A-16.0302 Van Oort Bodemonderzoek BV Heesch (2022). Verkennend bodemonderzoek Middingstraat 1 te Ravenstein. Project MST.329822 Winter, J de & Arnoldussen, S. (2002): Aanvullend Archeologisch Onderzoek te Ravenstein – Molensingel. Archol briefrapport 9
KSP Archeologie
24
Kaartmateriaal Actueel Hoogtebestand van Nederland (2014-2019). AHN3, grid 0,5 x 0,5m: www.ahn.nl en de ruwe data via https://downloads.pdok.nl/ahn3-downloadpage/ Actueel Hoogtebestand van Nederland (2020- naar verwachting 2022). AHN4, grid 0,5 x 0,5m: www.ahn.nl en de ruwe data via https://www.ahn.nl/ahn-viewer Archeologische Monumenten Kaart (2014) Geraadpleegd via archis.cultureelerfgoed.nl. Archeologische onderzoeks- en vondstmeldingen (actueel). Geraadpleegd via archis.cultureelerfgoed.nl Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG): https://bagviewer.kadaster.nl Basisregistratie Grootschalige Topografie via WMTS-server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMTS Basisregistratie Topografie Achtergrondkaarten (BRT-A) via WMTS-server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMTS c Vooronderzoek Gemeente Oss & voormalige gemeente Maasdonk, AVG Explosieven Opsporing Nederland. Bestemmingsplan: www.ruimtelijkeplannen.nl Bodemkwaliteit: www.bodemloket.nl Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2018 (gepubliceerd in de Basis Registratie Ondergrond december 2019). Wageningen Environmental Research. Geraadpleegd via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/bzk/bro-bodemkaart/atom/v1_0/bro-bodemkaart.xml.
Bonnebladen en Topografische kaarten van Nederland schaal 1:25.000: www.topotijdreis.nl (Kadaster). Brouwer, F. & M.M. van der Werff, (2012). Vergraven gronden: Inventarisatie van ‘diepe’ grondbewerkingen, ophogingen en afgravingen. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2336. Cohen, K.M., Stouthamer, E., Pierik, H.J. & Geurts, A.H. (2012). Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn‐Maas Delta. Dept. Fysische Geografie. Universiteit Utrecht. Digitale Dataset. http://persistent‐ identifier.nl/?identifier=urn:nbn:nl:ui:13‐nqjn‐zl Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond: https://www.dinoloket.nl Digitaal Archief (DANS) Rapporten (https://easy.dans.knaw.nl/);
en
onderzoeksgegevens
van
archeologisch
onderzoek
Digitale Kadastrale kaart van Nederland v4 via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/kadastralekaart/wms/v4_0?service=WMS&version=1.3.0&request=GetCapabilities Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2019 (gepubliceerd in de BasisRegistratie Ondergrond maart 2020). Alterra, Wageningen UR. Geraadpleegd via
KSP Archeologie
25
https://geodata.nationaalgeoregister.nl/bzk/brogmm/atom/v1_0/index.xmlLegenda: Maas, G. J., S. P. J. v. Delft & A. H. Heidema. (2017). "Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 (2017)." http://legendageomorfologie.wur.nl/. Wageningen, Wageningen Environmental Research. Grondwatertrappenkaart van de bodemkaart 1:50.000 versie tot 2006: http://geoplaza.vu.nl/ data/dataset/bodemkaart-van-nederland/resource/2398cef7-957e-4ba5-b218-08ac275d72fb. Indicatieve Kaart Militair Erfgoed: www.ikme.nl KLIC-meldingen via www.kadaster.nl Luchtfoto Beeldmateriaal / PDOK 25 cm RGB via WMTS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/luchtfoto/rgb/wmts?request=GetCapabilities&service=wmt s Kadastrale kaarten 1811-1832. http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl Paleogeografische kaarten – Atlas van Nederland in het Holoceen (2e generatie, versie 2.1). Vos, P., van der Meulen, M.; Weerts, H. en Bazelmans, J. (2018): Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu, Amsterdam (Prometheus). Rijksmonumenten (2019): Geraadpleegd via openbaar/wfs
WFS server: https://data.geo.cultureelerfgoed.nl/
TNO Geologische Dienst (2021): Geologische https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen.
Kaart
van
Nederland
2021
Topografische kaart van Nederland schaal 1:25.000 (rasterbestand) via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/top25raster/wms?request=GetCapabilities&service=wms. Kadaster. Topografische kaart van Nederland schaal 1:10.000 (rasterbestand) via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/top10nlv2/wms?request=GetCapabilities&service=wms V.1 & V.2 inslagen in Nederland: vergeltungswaffen.nl Vooronderzoek en Opsporing niet-gesprongen explosieven: https://www.explosievenopsporing.nl/veobommenkaart/ Wageningen Environmental Research (2022). Grondwaterspiegeldiepte Model voor Nederland (50x50 meter grid) https://service.pdok.nl/bzk/bro-grondwaterspiegeldiepte/wms/v1_0 Websites Geologische eenheden (formaties): https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator
KSP Archeologie
26
Bijlage 1
KSP Archeologie
Paleogeografische kaartseries
KSP Archeologie
Bijlage 2
KSP Archeologie
Bodemkaart
Bijlage 3
KSP Archeologie
Archeologische gegevens
Bijlage 4
KSP Archeologie
Boorpuntenkaart
KSP Archeologie
Bijlage 5 Boorbeschrijvingen Boring
X (m RD)
Y (m RD)
Z (m+NAP) via AHN4
: Ravenstein - Middingstraat 1
1
173276
422571
7,13
: 22-06-2022
2
173356
422560
7,27
Beschrijver
: Erwin van der Klooster
3
173365
422579
7,16
Type grond
: Rivierklei
4
173346
422603
7,21
Boordiameter
: 7 cm
5
173328
422617
7,36
Bijzonderheden
:
6
173301
422614
7,19
Boring
Diepte in cm
Textuur
1
5
tegel
gr
X
40
Z4s1g2
ge
X
bouwzand
50
Kz1
dgr
X
oogt recent
60
Ks3
brgr
Ahb
restant oorsp. Bodem?
80
Ks3
grbr
Bw
zware oever
90
Ks3
grbr
Cg
zware oever
120
Z3k
br
C
lichte oever
150
Z3s1
ge
C
bedding, matig afgerond
GW 150
170
Z3s1
br
C
scherp
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
Horizont
Opmerkingen
2
40
Kz1g3
h2
dbr
X
70
Kz1/Z4s1
dgr/ge
X
zandige klei met grind afwisseling, eindigend met zandlaag
90
Kz1
dbr
Bw
zware oever
120
Z3k
brgr
Cg
150
Z3s1
ge/br
C
lichte oever verspoeld dekzand en rivierzand
Boring
Diepte in cm
Textuur
Opmerkingen
3
90
Projectnummer
: 22075
Project Datum
Humus
h1
Bijzondere bestanddelen
fe2, mn1
Bijzondere bestanddelen
fe2, mn1
Horizont
Opmerkingen
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Kz3
br/ge
g1, puin1, bst1
X
120
Z3s1
br/ge
X
obv kleur
130
Z3k
br
C
lichte oever
150
Z4s1
grge
C
beddingzand
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
Horizont
Opmerkingen
4
30
Z2s2
h1
brgr
X
70
Z2s3
br
X
100
Ks3
brge
mn1, fe1
Cg
uitgedroogd, dieper boren gaat niet
Boring
Diepte in cm
Textuur
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Opmerkingen
5
5
tegel
gr
X
30
Z4s1
ge
X
80
Kz1/Z4s1
dgr/ge
X
afwisseling, eindigend met kleilaag
100
Ks2
br
Bw
kom
130
Ks2
grbr
fe2, mn1
Cg
kom
150
Kz1
brgr
fe2, mn1
Cg
zware oever
170
Z3s1
grbr
C
scherp rivierzand
Boring
Diepte in cm
Textuur
Horizont
Opmerkingen
6
5
tegel
gr
X
30
Z4s1
ge
X
80
Kz1
dbr/dgr
X
200
Kz1
dgr
X
GW 100 cm
Humus
Kleur
Humus
Humus
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Bijzondere bestanddelen
Pagina 1 van 1
diepe verstoring
KSP Archeologie
Bijlage 6
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Samengesteld door E.A. Schorn (BAAC) naar aanleiding van de publicatie: De steentijd van Nederland (2005). Onder redactie van: Jos Deeben, Erik Drenth, Marie-France van Oorsouw en Leo Verhart.
KSP Archeologie
KSP Archeologie
Archeologische periodes volgens het Archeologisch Basis Register Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
KSP Archeologie
Bijlage 5
- Selectiebesluit archeologie
Datum
Arch. Adviesnr.
Behandeld door
Telefoonnummer
4-8-2022
MP22a55
Mijke Peeters
14 0412
Onderwerp
Aantal bijlagen
Selectiebesluit t.a.v. KSP rapport 22075
1
Ravenstein Hooghuis – Middingstraat 1, 1A-D (bijlage 1)
Hooghuis – Middingstraat 1, 1A-D in Ravenstein
Bijlage 6
- Digitale watertoets
Digitale Watertoets
Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.
Op basis van de check is onderstaande nodig 1. normale procedure 2. Advies met betrekking tot materiaal gebruik 3. Advies vertraagde afgevoerd op een leggerwatergang of een ander oppervlaktewater 4. Advies inrichtingsmaatregelen ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit
Op basis van onderstaande locatie
22-07-2023 12:19
1
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets
Vragen en antwoorden uit de check Houdt het plan uitsluitend een interne functieverandering voor een gebouw in? Hierbij is ook geen sprake van een verhardingstoename en/of afkoppeling van hemelwater.
nee
Is er sprake van een directe lozing van afvalwater op oppervlaktewater?
nee
Heeft het plan een verhardingstoename van 500 m2 of meer tot gevolg?
nee
Wordt er binnen het plan 10.000 m2 of meer verharding afgekoppeld?
nee
Betreft het de bouw van minimaal 100 woningen en/of de (her)ontwikkeling van een bedrijventerrein?
nee
Is er sprake van een grondwateronttrekking (inclusief drainage)?
nee
Wordt het geborgen water vertraagd afgevoerd op een watergang of op oppervlaktewater?
ja
Wordt hemelwater in dit plan verwerkt via een gemengd stelsel?
nee
Worden er inrichtingsmaatregelen getroffen ter verbetering van oppervlaktewaterkwaliteit?
ja
Ligt het plangebied nabij een A-watergang?
nee
Ligt het plangebied in een beschermd gebied Keur?
nee
Ligt het plangebied in een profiel van vrije ruimte?
nee
Ligt het plangebied in een gebied dat is aangewezen als nee regionale waterberging? Ligt het plangebied nabij een waterkering?
nee
Ligt het plangebied in een zone die is aangewezen als rivierbed?
nee
Ligt het plangebied in een ecologische verbindingszone?
nee
Ligt het plangebied in een attentiegebied Keur?
nee
Ligt het plangebied in een reserveringsgebied waterberging?
nee
Ligt het plangebied in een grondwaterbeschermingsgebieden?
nee
Ligt het plangebied nabij een RWZI?
nee
Ligt het plangebied nabij een rioolgemaal?
nee
Ligt het plangebied nabij een riooltransportleiding?
nee
Ligt het plangebied in een wijstgebied?
nee
22-07-2023 12:19
2
https://dewatertoets.nl