Bijlage VII - Aanvullend onderzoek ecologie
Tekst van het document
Hierbij geldt echter wel dat inzicht nodig is in de daadwerkelijk voorkomende aantallen wintergasten en de eventuele aantallen aanvaringsslachtoffers. Op basis hiervan kan bepaald worden of windturbines in de Duurzame Polder een (significant) negatief effect hebben op de bestaande populaties.
24 | 35
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01
5 MAATREGELEN VOOR DE DUURZAME POLDER In dit hoofdstuk worden op basis van de landschapsanalyse en de voorkomende en kritische weidevogels en wintergasten gebiedsspecifieke maatregelen voorgesteld om te komen tot een integraal programma voor de Duurzame Polder met ruimte voor windenergie en natuur.
5.1
Behoud en optimaliseren van huidige natuurgebieden en landschapselementen
Met dit aanvullend onderzoek wordt ingezet op aanvullende maatregelen voor de natuurwaarden (zie hoofdstuk 3), in het bijzonder weidevogels en wintergasten. Om te zorgen dat de huidige natuurwaarden i en de populaties weidevogels en wintergasten in stand blijven, is behoud en optimalisatie van de huidige landschapselementen van groot belang. Dit komt onder meer vanwege het belang van deze gebieden op provinciale schaal. De gebieden zijn al natuurlijk ingericht en worden al gebruikt door verschillende soorten waaronder weidevogels en wintergasten. Met name voor de weidevogels zijn hiervoor forse investeringen gedaan, waarbij het enkele jaren heeft geduurd voordat de gebieden optimaal werden gebruikt voor weidevogels. Voor de wintergasten geldt dat het huidige (planologisch aangewezen) rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten weliswaar geschikt is, maar dat de wintergasten hier niet altijd gebruik van maken. Ook de omliggende gebieden worden benut.
Het advies is om de onderstaande natuurgebieden en landschapselementen te behouden en te optimaliseren (afbeelding 5.1): - dijken: beheer continueren en dijkvegetatie optimaliseren; - weteringen/Groenblauwe waarden: behouden van Groenblauwe waarden door verbindingen tussen de weteringen open te houden en oevervegetatie te optimaliseren; - plas-dras gebieden: behouden en optimaliseren door beheer te continueren; - kruidenrijke graslanden: behouden en optimaliseren door beheer te continueren; - NNB: behouden van wezenlijke kenmerken en waarden volgens provinciale richtlijnen, met name behouden en optimaliseren van NNB perceel van Staatsbosbeheer; - rust- en foerageergebied ganzen en smienten: behouden van rust en openheid volgens provinciale richtlijnen; - eendenkooien1. Het wordt aangeraden om windturbines zoveel mogelijk te plaatsen buiten een straal van 500 tot 800 m tot de eerder genoemde natuurgebieden en landschapselementen. Een uitzondering hierop zijn de dijken en weteringen, omdat hier vooral met lokale maatregelen geoptimaliseerd kan worden. Voor de overige gebieden is het met het oog op een verhoogd risico op verstoring en sterfte van weidevogels en wintergasten raadzaam de genoemde afstand aan te houden.
Het realiseren van windturbines in de vliegroute van weidevogels tussen de twee kerngebieden (oost-west richting) en wintergasten (noordelijke en westelijke richting) wordt afgeraden.
1 De vogels kunnen van de eendenkooien gebruik maken en naar elders in het gebied gaan, daarom is het ook van belang
de eendenkooien te behouden en de kooi en verstoringsafstand (kooicirkels) te vermijden.
25 | 35
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01
Afbeelding 5.1 Aanwezige natuurwaarden
5.2
Aanvullende maatregelen voor de Duurzame Polder
Naast het behouden van de huidige natuurwaarden zijn aanvullende maatregelen (bovenop wettelijke en beleidsmatige verplichtingen) mogelijk om natuurwaarden te versterken in het plangebied. Voor dit aanvullend onderzoek is vooral ingezet op maatregelen voor weidevogels en wintergasten. Er kunnen verschillende maatregelen toegepast worden om de aanwezigheid van weidevogels en wintergasten in bepaalde gebieden te stimuleren. Vogelgebieden hangen vaak samen met goede foerageermogelijkheden, mogelijkheden om te rusten, en goede broedomstandigheden. Ook bepaalde landschapselementen kunnen het voorkomen van vogels stimuleren, zoals de aanwezigheid van rivieren, weteringen, dijken of andere landschapselementen die door trekkende vogels worden gevolgd (De Lucas et al., 2012; Katzner et al., 2012; Martinez-Abrain et al. 2012). Tabel 5.1 geeft een overzicht van alle maatregelen en bijbehorende natuurwaarden. Een blauw vakje indiceert dat de maatregel ook stimulerend is voor andere natuuraspecten: overige soorten, water en bodem. Overige soorten worden nog verder onderverdeeld in insecten, amfibieën, reptielen, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en overige vogels.
Tabel 5.1 samenvattende tabel aanvullende maatregelen en corresponderende natuurwaarden. Maatregel
Weidevogels
Wintergasten
Uitbreiden plas-dras
26 | 35
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01
Overige soorten
Water
Bodem
Maatregel
Weidevogels
Wintergasten
Overige soorten
Water
Bodem
Uitbreiden rustfoerageergebied
Patrijshagen en strokenteelt Natuurvriendelijke akkerranden
Kruidenbanen
Keverbanken
Natuurvriendelijke greppels
Natuurvriendelijke sloten
Uitbreiden plas-dras Plas-dras gebieden zijn belangrijke rust- en foerageergebieden voor weidevogels, steltlopers en eenden. Daarnaast zijn de randen tijdens het broedseizoen een belangrijk opgroeigebied voor onder andere kievit- en tureluurkuikens. Na het broedseizoen foerageren steltlopers in de plas-dras gebieden om zich voor te bereiden op de trek. Plas-dras gebieden zijn niet alleen belangrijk voor vogels, maar ook voor amfibieën en insecten. Er kunnen nieuwe plas-dras gebieden ontwikkeld worden in de Duurzame Polder. Dit wordt gedaan door lage delen land onder water te laten staan of onder water te zetten (0-20 cm). Doordat de Duurzame Polder uit zware klei bestaat kan het grondwaterpeil niet worden verhoogd tot het maaiveld, maar moet het grondwater worden opgepompt. De aanbevolen oppervlakte voor een plas-dras gebied is minimaal 0,5 ha per 100 ha weidevogelgebied. De randen van de plas-dras gebieden moeten langzaam oplopen om droogvallende, slikrijke oevers op te creëren. Een plas-dras gebied kan het beste worden ontwikkeld in de omgeving van kuikengebied en/of weidegebieden. Daarnaast is het belangrijk dat de plas-dras gebieden ver van verstoringsbronnen wordt geplaatst, zoals wegen, wandel- en fietspaden en opgaande begroeiing (bomen) (Boer en Vogels - Vogelbescherming Nederland, n.d.).
Het is aannemelijk dat de huidige weidevogels zich tussen de twee kerngebieden bewegen (of naar de kerngebieden toe). Een geschikte locatie voor de ontwikkeling van plas-dras gebieden zou dan ook tussen deze twee kerngebieden kunnen zijn. Het bestaande NNB perceel kan ook als weidevogelgebied worden gebruikt. Dit gebied is al beschermd en kan dus langdurig worden beheerd. Weidevogels kunnen dan tussen de kerngebieden, het NNB perceel en de nieuwe plas-dras gebieden bewegen.
27 | 35
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01
Het is niet wenselijk is om windturbines tussen de kerngebieden te plaatsen. Het is ook niet wenselijk plasdras gebieden direct onder de windturbines te ontwikkelen in verband met verstoring en aanvaring. Over het algemeen worden weidevogels en broedvogels tot op 500 m afstand verstoord door windturbines. Hierdoor dient bij voorkeur rekening te worden gehouden met een minimale afstand van de windturbines tot het plas-dras gebied van ongeveer 500 m. Een mogelijke locatie voor het ontwikkelen van aanvullende plas-dras gebieden is het gebied binnen de oranje cirkel (Afbeelding 5.2). Door in dit gebied plas-dras te ontwikkelen zullen de weidevogels en wintergasten mogelijk meer richting het noorden van het zoekgebied trekken, uit het centrum van het zoekgebied. Daarnaast kunnen de weidevogels, door het ontwikkelen een plas-dras gebied in dit gebied, zich makkelijker verplaatsen tussen de twee kerngebieden. Hierbij geldt als aandachtspunt dat voldoende rust wordt gecreëerd tijdens met name het broedseizoen. Dit komt omdat de weidevogels verstoringsgevoelig zijn en in het voorgestelde diverse wegen liggen.
Afbeelding 5.2 Mogelijke locatie plas-dras uitbreiding tussen de kerngebieden (gebaseerd op data Brabants Landschap)
Uitbreiden rust- en foerageergebied ganzen en smienten Er kunnen nieuwe rust- en foerageergebieden ontwikkeld worden in de Duurzame Polder. Wintergasten foerageren voor een belangrijk deel op landbouwgewassen, wat kan leiden tot conflicten tussen landbouw en natuur. Rust- en foerageergebieden verminderen dit conflict en zorgen er voor dat de in ons land verblijvende wintergasten gedurende de winter voedsel en rust wordt geboden. In een rust- en foerageergebied is het belangrijk dat er genoeg voedselrijk gras aanwezig is. Wintergasten foerageren op de rijkste graslanden en hebben vooral behoefte aan een gebied waar geen verstoring is door bijvoorbeeld recreatie of bejaging. Lokaal oogstresten achterlaten op het land is een goed hulpmiddel om de vogels te concentreren en van voedsel te voorzien (Schotman et al., 2014). Daarnaast is het belangrijk dat er in een rust- en foerageergebied geen verstorende elementen, zoals opgaande begroeiing, en andere
28 | 35
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01
infrastructuur aanwezig zijn binnen een straal van 150 m van de aangewezen gebieden. Ook moeten er geen wandelpaden of fietspaden door deze gebieden lopen of toegankelijk zijn in overwinteringsmaanden. Het uitbreiden van rust- en foerageergebied rondom de windturbines is ook af te raden. Wellicht kan het ontwikkelen dan wel aanwijzen van een nieuw rust- en foerageergebied op een grotere afstand van het windpark ganzen en eenden weglokken en juist aanvaringsslachtoffers voorkomen. Wintergasten worden tot op 800 m afstand verstoord door windturbines. De gebieden moeten daarom minimaal op 800 m afstand van een windpark ontwikkeld worden. Patrijshagen en strokenteelt Patrijshagen en strokenteelt kunnen worden ingezet ten behoeve van patrijzen. Patrijshagen zijn beschutte gebieden die bestaan uit hondsroos, liguster, meidoorn en mispel. Ze bieden een veilige broedplek voor de patrijs en een goede schuilplek en bescherming tegen roofdieren (Vogelbescherming Nederland, n.d.). Ook struweelvogels en vlinders kunnen hiervan profiteren. Een andere interessante ontwikkeling voor patrijzen is strokenteelt. Door verschillende gewassen in stroken te plaatsen kunnen patrijzen schuilen en foerageren op eenzelfde akker. Tevens trekken de verschillende gewassen meer insecten aan, die plaaginsecten bestrijden en verspreiding van ziektes tegengaan.
Met strokenteelt kan met evenveel werk een gelijke oogst behaald worden als met een monocultuur. Insecten, vogels en boeren profiteren zo van meer natuur op de akkers (Van Apeldoorn, 2020). Patrijshagen en strokenteelt kunnen worden aangelegd op akkers in en rondom de weidenvogel kerngebieden, op minimaal 500 m afstand van windturbines. Zo worden de patrijzen niet verstoord en wordt de aanwezigheid van patrijzen in en rondom de kerngebieden gestimuleerd. Natuurvriendelijke akkerranden Natuurvriendelijke akkerranden kunnen worden ingezet voor de overleving van akker- en weidevogel kuikens op akkers. Dit is voornamelijk gunstig voor de kievit en de scholekster. Akkers met graskruidenranden en graanranden zorgen voor een grotere soortenrijkdom aan broedende akker- en weidevogels. Graanranden blijken bijzonder effectief in de winter. Ook stimuleren de graskruidenranden de aanwezigheid van insecten (Schotman et al., 2014). Natuurvriendelijke akkerranden kunnen verspreid door de gehele Duurzame Polder worden aangelegd. Dit kan ook op akkers in en rondom de weidevogelkerngebieden, op minimaal 500 m afstand van windturbines. Kruidenbanen Kruidenbanen kunnen worden aangelegd om de kruidenrijkdom te vergroten in bermen en op grasland (Afbeelding 5.). Door te werken met kruidenbanen in plaats van kruidenvelden hoeft niet het hele perceel met een duur mengsel te worden ingezaaid.
Het inzaaien van een kruidenbaan kan het best worden gedaan met een streekeigen en op de locatie afgestemd mengsel grassen en kruiden. Het aanleggen van een kruidenbaan zal leiden tot een toename van insecten en trekt verschillende soorten vogels aan. De bloemen en kruiden leveren in de herfst en winter zaden, een belangrijke voedselbron voor vogels. De insecten leveren indirect een grote bijdrage aan andere organismen, zoals (weide)vogels, vleermuizen en amfibieën. Naast voedselbeschikbaarheid draagt een kruidenbaan bij aan de beleving van het landschap, wat zorgt voor meer draagvlak bij bewoners en recreanten (Terlouw & Slagboom, 2022). Kruidenbanen kunnen worden aangelegd in bermen langs paden en wegen en op grasland. Gezien de aantrekkingskracht van kruidenbanen op vogels en vleermuizen is het verstandig om de kruidenbanen aan te leggen op minimaal 500 tot 800 m afstand van windturbines, om verstoring en aanvaringen te verminderen.
29 | 35
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01
Afbeelding 5.3 Kruidenbanen
Keverbanken Keverbanken zijn stroken land die 40-50 cm hoger liggen dan de omliggende akker. De verhoogde strook wordt ingezaaid met mengsel van grassen en kruiden. Doordat de keverbank hoger ligt is de grond droger, en warmt deze bovendien sneller op. Op deze manier voorziet de keverbank insecten, zoals loopkevers, van een leefgebied. Insecten zijn een belangrijke voedselbron voor veel akkervogels, waardoor de keverbank uiteindelijk ook een leefgebied biedt aan akkervogels. Een voordeel van het aanleggen van keverbanken voor de landbouwer is dat het natuurlijke plaagbestrijders bevat, welke direct aanwezig zijn in de akker zodra de gewassen gaan groeien. Daardoor zijn er minder gewasbeschermingsmiddelen nodig (ANB Brabant, 2020; Vogelbescherming Nederland, n.d.). De keverbanken kunnen in de Duurzame Polder worden aangelegd op akkerland. Gezien de aantrekkingskracht van keverbanken op akkervogels is het verstandig om de keverbanken aan te leggen op minimaal 500 m afstand van windturbines, om verstoring en aanvaringen te verminderen. Ook is het verstandig om de keverbanken aan te leggen in en rondom de kerngebieden, om zo de aanwezige akkervogels foerageer mogelijkheid te bieden. Natuurvriendelijke greppels Greppels zijn terug te vinden op landbouwpercelen en zijn aangelegd om water af te voeren naar de sloot.
Verschillende dieren zoals hazen, (weide)vogels, amfibieën en spitsmuizen gebruiken greppels om te foerageren, migreren en beschutting te vinden. Daarnaast vormen greppels vaak een habitat voor vele soorten insecten zoals spinnetjes. Voor het afvoeren van water hebben greppels vaak afvoerende buizen met een lichte aflopende helling. Om greppels natuurvriendelijker te maken kan de afwateringsbuis in tegenovergestelde richting (hellend) worden aangelegd. Hierdoor wordt het water alleen afgevoerd bij zware buien en tijdens een langdurig natte periode. Er blijft dan 5-10 cm water in de greppel liggen waardoor de greppel langer nat blijft en ook de naastgelegen bodem en het grondwater worden gevoed. Naast het aanpassen van de afwateringsbuis kunnen greppels lokaal verbreedt worden, waardoor een ondiepe plas ontstaat die kan dienen als voortplantingslocatie voor amfibieën en het leefgebied van weidevogels vergoot (Afbeelding 5.4) (Terlouw & Slagboom, 2022). Natuurvriendelijke greppels kunnen worden ontwikkeld in bestaande greppels op landbouwpercelen. Gezien de aantrekkingskracht van natuurvriendelijke greppels op (weide)vogels is het verstandig om de greppels aan te leggen op minimaal 500-800 m van de windturbines. Daarnaast kunnen de natuurvriendelijke greppels worden ontwikkeld in en rondom de kerngebieden, om extra leefgebied te creëren voor de weidevogels.
30 | 35
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01
Afbeelding 5.4 Natuurvriendelijke greppel
Natuurvriendelijke sloot Een natuurvriendelijke sloot kan gemaakt worden door het toevoegen van een natuurvriendelijke oever en plas-dras elementen (Afbeelding 5.5). Plas-dras elementen vormen een belangrijk opgroei gebied voor jonge witvis en kleine modderkruipers. Hierdoor zijn het ook geschikte foerageergebieden voor visetende watervogels en weidevogels. De natuurvriendelijke oever is een stimulerende maatregel voor de slobeend, tureluur en voor verschillende vissen (Schotman et al., 2014). De natuurvriendelijke sloot kan worden ontwikkeld in bestaande sloten en andere watergangen, zoals de weteringen. Voor het stimuleren van de weidevogels en wintergasten is het voornamelijk interessant om de natuurvriendelijke sloten te ontwikkelen in en rondom de kerngebieden. Gezien de aantrekkingskracht van de natuurvriendelijke sloot op weide- en watervogels is het verstandig om deze aan te leggen op 500 tot 800 m afstand van de windturbines, om zo aanvaringen en verstoring te verminderen.
Afbeelding 5.5 Natuurvriendelijke sloot
5.3
Restricties aanvullende maatregelen Duurzame Polder
Er zijn ook een aantal restricties gerelateerd aan de maatregelen voor weidevogels en wintergasten. Hierbij gaat het om het ontwikkelen van bepaalde natuurelementen, en de locatie en implementatie van de beschreven maatregelen in het plangebied. De volgende restricties gelden bij de ontwikkeling van maatregelen voor weidevogels en wintergasten in de Duurzame Polder: het bevorderen van vliegbewegingen tussen windparken en natuurgebieden wordt sterk afgeraden, in verband met een verhoogde kans op aanvaringsslachtoffers. Zo verdient het de voorkeur om landschapselementen die met elkaar in verbinding staan (ecologische verbindingszones en weteringen) zo min mogelijk richting een windturbine te leiden. Deze zones worden gebruik door vleermuizen en vogels als vliegroute;
31 | 35
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01
-
-
-
-
het ontwikkelen van leefgebied waarvan hoogvliegende soorten profiteren is niet verstandig. Dit zou een veelvoud aan aanvaringsslachtoffers tot gevolg hebben, wat uiteraard ongewenst is wanneer men zich inzet voor het optimaliseren van de biodiversiteit in de Duurzame Polder; het plaatsen van rijen of groepen van hoge bomen (>10 m) in de Duurzame Polder wordt afgeraden, omdat deze afstotend werken voor weidevogels en sommige wintergasten. Daarnaast nestelen roofvogels of uilen in hoge bomen, om vanuit daar te jagen in het open gebied. Roofvogels en uilen hebben een verhoogde kans op aanvaring met een windturbine. Hogere vegetatie is mogelijk, maar geen rijen of groepen bomen; het ontwikkelen van rietkragen en natuurvriendelijke oevers breder dan 4 m wordt afgeraden. Grote rietkragen kunnen afstotend werken voor weidevogels. Daarnaast kunnen grote rietkragen en natuurlijke oevers de bruine kiekendief en lepelaars aantrekken. Beide soorten zijn kwetsbaar voor aanvaring met windturbines. Als grote rietkragen en natuurvriendelijke oevers toch ontwikkeld worden, dan is het verstandig om dit op aanzienlijke afstand van de windturbines te doen om aanvaringen van deze soorten met de turbines te verminderen; tot slot is het ontwikkelen van de maatregelen (zoals beschreven in paragraaf 5.1 en 5.2) niet verstandig binnen een straal van 500 tot 800 m van de windturbines.
Windturbines werken afstotend voor weidevogels en wintergasten. Daarnaast kan het ontwikkelen van de maatregelen dichtbij de turbines het aantal aanvaringsslachtoffers vergroten.
32 | 35
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01
6 REFERENTIES ANB Brabant. (2020). Plas dras inrichting voor Brabantse Weidevogels uit NPI budget. Agrarisch NatuurEn Landschapsbeheer in Brabant. Geraadpleegd op 1 juni 2023, van https://anbbrabant.nl/2020/12/21/plasdras-inrichting-voor-brabantse-weidevogels-uit-npi-budget/ Anteagroup. (2022). Notitie reikwijdte en detailniveau (NRD) MER Duurzame Polder. In Gemeente ’sHertogenbosch (0478038.100). Geraadpleegd op 1 juni 2023, van https://www.shertogenbosch.nl/plannen/notitie-reikwijdte-en-detailniveau-mer-duurzame-polder Boer en Vogels - Vogelbescherming Nederland. (n.d.). Plas dras - Beheer Weidevogels. Beheer Weidevogels. Geraadpleegd op 1 juni 2023, van https://www.boer-en-vogels.nl/themas/water/plas-dras Buij R., Jongbloed R., Geelhoed S., van der Jeugd H., Klop E., Lagerveld S. & Tamis J. (2018). Kwetsbare soorten voor energie-infrastructuur in Nederland: overzicht van effecten van hernieuwbare energieinfrastructuur en hoogspanningslijnen op de kwetsbare soorten vogels, vleermuizen, zeezoogdieren en vissen, en oplossingsrichtingen voor een natuurinclusieve energietransitie (No. 2883). Wageningen Environmental Research. De Duurzame Polder (2020). Het verhaal van de polder. Geraadpleegd op 1 juni 2023, van https://www.duurzamepolder.nl/over-de-polder/het-verhaal-van-de-polder De Grijs, E.L., 2018.
Windturbines en natuur, De effecten van windturbines op natuur en de mitigatiemogelijkheden die hierop toegepast kunnen worden. De Lucas M., Ferrer M. & Janss G. 2012. Using Wind Tunnels to Predict Bird Mortality in Wind Farms: The Case of Griffon Vultures. PLoS ONE, 7(11), p.e48092 Desholm M. (2009). Avian sensitivity to mortality: Prioritising migratory bird species for assessment at proposed wind farms. Journal of Environmental Management, 90(8), 2672-2679. Dierschke V., Furness R. W., & Garthe S. (2016). Seabirds and offshore wind farms in European waters: Avoidance and attraction. Biological Conservation, 202, 59-68. Douglas D., Bellamy P. & Pearce-Higgins J. (2011). Changes in the abundance and distribution of upland breeding birds at an operational wind farm. Bird Study, 58(1), 37-43. Everaert J. (2008). Effecten van windturbines op de fauna in Vlaanderen. Onderzoeksresultaten, discussie en aanbevelingen. Rapportnr. INBO.R.2008.44. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Fijn R. C., Krijgsveld K. L., Tijsen W., Prinsen H. A. & Dirksen S. (2012). Habitat use, disturbance and collision risks for Bewick’s Swans. Wildfowl, 62(62), 97-116 Gemeente Oss, gemeente ’s-Hertogenbosch, & provincie Noord-Brabant. (2020). Eindrapport Verkenning Duurzame Polder. In Duurzame Polder.
Geraadpleegd op 1 juni 2023 via https://duurzamepolder.nl/nieuws/eindrapport-en-voorstellen-verkenning-duurzame-polder-openbaar
33 | 35
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01
Hötker H. (2006). Auswirkungen des ‘Repowering’ von Windkraftanlagen auf Vögel und Fledermäuse. Michael-Otto-Institut im NABU-Forschungs- und Bildungszentrum für Feuchtgebiete und Vogelschutz, Berghusen. Johansson T. (2001). Habitat selection, nest predation and conservation biology in a Black-tailed Godwit (Limosa limosa) population (Doctoral dissertation, Acta Universitatis Upsaliensis). Katzner T., Brandes D., Miller T., Lanzone M., Maisonneuve C., Tremblay J., Mulvihill R. & Merovich G. 2012. Topography drives migratory flight altitude of golden eagles: implications for onshore wind energy development. Journal of Applied Ecology, 49(5), pp.1178-1186. Kleyheeg E., Vogelzang T., van der Zee I. & van Beek M. (2020). Boerenlandvogelbalans 2020. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen / LandschappenNL, De Bilt. Langgemach T. & Dürr T. (2013). Informationen über Einflüsse der Windenergienutzung auf Vögel– Stand 09.10. 2013. Staatliche Vogelschutzwarte des Landesamts für Umwelt, Gesundheit und Verbraucherschutz Brandenburg, Nennhausen Larsen J. K. & Madsen J. (2000). Effects of wind windturbines and other physical elements on field utilization by pink-footed geese (Anser brachyrhynchus): A landscape perspective. Landscape ecology, 15(8), 755-764. Leddy K.L., Higgins K.F. & Naugle D.E. (1999).
Effects of wind windturbines on upland nesting birds in Conservation Reserve Program grasslands. The Wilson Bulletin, 111, 100-104. Madsen J. & Boertmann D. (2008). Animal behavioral adaptation to changing landscapes: springstaging geese habituate to wind farms. Landscape ecology, 23(9), 1007-1011. Martínez-Abraín A., Tavecchia G., Regan H.m., Jimenez J., Surroca M. & Oro D. 2012. Effects of wind farms and food scarcity on a large scavenging bird species following an epidemic of bovine spongiform encephalopathy. Journal of Applied Ecology, 49(1), 109-117. Nature Today Netherlands (2022). Wat zijn veelbelovende acties voor biodiversiteit binnen de Nederlandse infrastructuur? naturetoday.com. Geraadpleegd op 1 juni 2023, van https://www.naturetoday.com/intl/nl/nature-reports/message/?msg=29067 Noord-Brabant. (n.d.). Ecologische verbindingszones (EVZ). brabant.nl. Geraadpleegd op 1 juni 2023, van https://www.brabant.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/ecologische-verbindingszones-(evz) Pearce-Higgins J.W., Stephen L., Langston R.H.W. & Bright J.A. (2008). Assessing the cumulative impacts of wind farms on peatland birds: a case study of golden plover Pluvialis apricaria in Scotland. Mires & Peat, 4. Pearce-Higgins J.W., Stephen L., Langston R.H., Bainbridge I.P. & Bullman R. (2009). The distribution of breeding birds around upland wind farms.
Journal of Applied ecology, 46(6), 1323-1331. Plonczkier P. & Simms I. C. (2012). Radar monitoring of migrating pink-footed geese: behavioural responses to offshore wind farm development. Journal of Applied Ecology, 49(5), 1187-1194. Provincie Noord Holland. (2018). \Toelichting weidevogel-leefgebieden. Pruett C.L., Patten M.A. & Wolfe D.H. (2009). Avoidance behavior by prairie grouse: implications for development of wind energy. Conservation Biology, 23(5), 1253-1259 Reichenbach M. & Steinborn H. (2011). Wind windturbines and meadow birds in germany—results of a 7 year baci-study and a literature review. In Presentation held at the “conference on wind energy and wildlife impacts”, Trondheim, Norway (pp. 2-5).
34 | 35
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01
Rosin Z. M., Skórka P., Szymański P., Tobolka M., Luczak A. & Tryjanowski P. (2016). Constant and seasonal drivers of bird communities in a wind farm: implications for conservation. PeerJ, 4, e2105. Schotman, A.G.M., Ottburg, F.G.W.A. Poelmans, W.J.C. en Corporaal, A. (2014). Naar effectief gebiedsgericht agrarisch natuurbeheer in Noord-Brabant; Handreiking voor collectieven in het kader van de stelstelherziening ANLb2016. Wageningen, Alterra Wageningen UR (University & Research centre), Alterrarapport 2598. Sierdsema H., van Els P. & van Irsel J. (2019). Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines. Sovon-rapport 2019/89. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Sierdsema, H., Foppen, R., Van Els, P., Kampichler, C., Stahl, J., 2021. Achtergronddocument windenergie gevoeligheidskaart vogels | Sovon Vogelonderzoek [WWW Document]. URL https://stats.sovon.nl/pub/publicatie/18101 (accessed 9.14.22). Shaffer J.A., & Buhl D.A. (2016). Effects of wind-energy facilities on breeding grassland bird distributions. Conservation Biology, 30(1), 59-71 Sovon Vogelonderzoek Nederland. (n.d.). Vind informatie over vogelsoorten | Sovon Vogelonderzoek. stats.sovon. Geraadpleegd op 1 juni 2023, van https://stats.sovon.nl/ Terlouw R.J.S., R.G.Slagboom, (2022). Natuurbouwstenen voor in de polder Van Apeldoorn, D. (2020). Meer natuur op akkers door strokenteelt.
Wageningen University and Research, Uitgelicht. Geraadpleegd op 6 juni 2023, van https://weblog.wur.nl/uitgelicht/meer-natuur-op-akkers/ Vogelbescherming Nederland. (n.d.). PARTRIDGE project. Vogelbescherming. Geraadpleegd op 1 juni 2023, van https://www.vogelbescherming.nl/bescherming/wat-wij-doen/onze-boerenlandvogels/kerngebiedenen-projecten/partridge1 Vogelbescherming Nederland, 2021. Factsheet Vogels en de Regionale Energie Strategie. Vogelbescherming Nederland, 2020. 5 vragen over windenergie en vogels [WWW Document]. URL https://www.vogelbescherming.nl/actueel/bericht/5-vragen-over-windenergie-en-vogels (accessed 9.14.22). Wallander J., Isaksson D. & Lenberg, T. (2006). Wader nest distribution and predation in relation to manmade structures on coastal pastures. Biological Conservation, 132(3), 343-350 Winkelman, J.E., Kistenkas, F.H., Epe, M.J., 2008. Ecologische en natuurbeschermingsrechtelijke aspecten van windturbines op land Zwart M.C., Dunn J.C., Mcgowan P.J. & Whittingham M.J. (2015). Wind farm noise suppresses territorial defense behavior in a songbird. Behavioral Ecology, 27(1), 101-108.
35 | 35
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01
Bijlage(n)
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Bijlage I | Concept 01
I BIJLAGE: NATUUR WET- EN REGELGEVING
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Bijlage I | Concept 01
I.1
Natura 2000-gebieden
In hoofdstuk 2 van de Wnb zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Elk Natura 2000-gebied wordt aangewezen door middel van een aanwijzingsbesluit. In dit besluit wordt door het aanwijzen van instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld welke natuurwaarden in dat gebied beschermd zijn. Instandhoudingsdoelstellingen betreffen zowel habitattypen als Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000gebied, zijn volgens artikel 2.7 lid 2 van de Wnb vergunningplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden/ontwikkeling een significant negatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden (soorten en habitats) van het betreffende gebied. Deze toetsing kan plaatsvinden in een ecologische voortoets en eventuele Passende Beoordeling.
In een ecologische voortoets wordt bepaald of significante gevolgen op natuurwaarden van het betreffende gebied op voorhand kunnen worden uitgesloten. Als significante gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten, hoeft geen Passende Beoordeling te worden opgesteld. Als significante gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld. In een Passende Beoordeling wordt nader ingegaan op de gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Een Passende Beoordeling kan aangevuld worden met mitigerende maatregelen om significante gevolgen te voorkomen. Op basis van de Passende Beoordeling kan een aanvraag voor een vergunning op grond van de Wnb worden ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan. In het geval de Passende Beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning, c.q. de instemming, worden geweigerd, tenzij aan de ‘ADC-criteria’ voldaan wordt. Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd belang (D) en dat door compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft (C).
I.2
NNN
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Voorheen werd dit de ecologische hoofdstructuur (EHS) genoemd. Het betreft een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur de voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN verbindt alle grote en kleinere natuurgebieden en loopt door dorpen, steden en gebieden met natuurinclusieve landbouw. Ook water, zoals de grote rivieren, en een deel van de Waddenzee, het IJsselmeer, de Zeeuwse delta en de Noordzee horen bij het NNN. De provincies zijn verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land. Begrenzing en wezenlijke kenmerken en waarden De wezenlijke kenmerken en waarden van een NNN-gebied zijn van belang bij het bepalen of ruimtelijke initiatieven doorgang kunnen vinden. In beginsel geldt de regel dat geen bestemmingswijzigingen mogelijk zijn als daardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied (per saldo) significant worden aangetast. Om te kunnen bepalen of de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied significant worden aangetast, moet het bevoegd gezag erop toezien dat hiernaar door de initiatiefnemer onderzoek wordt verricht.
Om een zorgvuldige afweging te kunnen maken heeft de provincie de te behouden wezenlijke kenmerken en waarden per gebied gespecificeerd in het Natuurbeheerplan. Ook beschijft het
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Bijlage I | Concept 01
Natuurbeheerplan verschillende soorten leefgebieden en de soorten die er voorkomen, en de doelen voor elk leefgebied. Het Natuurbeheerplan wordt jaarlijks op onderdelen gewijzigd. Nee, tenzij-principe Het NNN wordt beschermd op grond van de Provinciale Ruimtelijke Verordening. De begrenzing van de gronden van het natuurnetwerk Brabant zijn te vinden op de NNB-kaart van de provincie: Voor deze gronden geldt dat een bestemmingsplan geen bestemmingen en regels bevat die omzetting naar de natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren en de wezenlijke kenmerken en waarden van de Ecologische Hoofdstructuur en de Ecologische Verbindingszone significant aantasten. Bij nieuwe ontwikkelingen in het NNN moet getoetst worden of er sprake is van significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Wordt significante aantasting aangetoond, dan is de ontwikkeling niet mogelijk, tenzij er sprake is van: a. - er sprake is van een groot openbaar belang; - er geen reële andere mogelijkheden zijn en; - de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd of; b. een activiteit of een combinatie van activiteiten die mede tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van de Ecologische Hoofdstructuur of de Ecologische Verbindingszone per saldo te verbeteren.
In aanvulling van het vorige wordt vereist dat het bestemmingsplan voldoet aan de ruimtelijke kwaliteitseisen als beschreven in artikel 15 en is een bestemmingsplan in overeenstemming met het gestelde in artikel 5a (nieuwe stedelijke ontwikkeling) of artikel 5c (kleinschalige ontwikkeling). Hier opvolgend moet in het bestemmingsplan worden opgenomen: - op welke wijze schade aan de Ecologische Hoofdstructuur zoveel mogelijk wordt voorkomen en resterende schade wordt gecompenseerd; - hoe wordt geborgd dat de maatregelen ten behoeve van de compensatie daadwerkelijk wordt uitgevoerd.
I.3
Soortenbescherming
Onder de Wnb bestaat de soortenbescherming uit drie beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en ‘Andere soorten’ (art. 3.10). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In de navolgende paragrafen worden de verbodsbepalingen waaraan getoetst wordt, toegelicht. Vogelrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Dit betreft alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied. Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen. Het laatste verbod is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is per soort en per situatie maatwerk. De meeste vogelsoorten maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken.
Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de hiervoor
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Bijlage I | Concept 01
beschreven verbodsbepalingen van de Wnb. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Buiten het broedseizoen mogen deze nesten worden verwijderd of verplaatst, tenzij in specifieke situaties er een ecologisch zwaarwegend belang is om nesten die normaliter niet jaarrond beschermd zijn toch jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een ingreep een groot deel van de nestgelegenheid van een bepaalde populatie dreigt te verdwijnen. Voor het verstoren van vogels (in het broedseizoen) is het verkrijgen van een ontheffing in principe niet mogelijk omdat bijna altijd een alternatief voorhanden is, namelijk werken wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De verbodsbepalingen van de Wnb zijn altijd relevant voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten.
Jaarrond beschermde nesten zijn: 1 nesten die buiten het broedseizoen worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil); 2 nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw en huismus); 3 nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil en slechtvalk); 4 vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd en ransuil). Habitatrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. De verbodsbepaling voor flora heeft betrekking op soorten (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) uit bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern.
Voor deze fauna en flora van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; - het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Als deze verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden, moet een ontheffing van de Wnb worden aangevraagd. ‘Andere soorten’ Het beschermingsregime voor de ‘Andere soorten’ heeft betrekking op de soorten uit bijlage A en B bij de Wnb. Hierin zijn lijsten met overige plant- en diersoorten opgenomen die, buiten de Vogel- en Habitatrichtlijn om, nationaal beschermd worden. Voor deze soorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen; - het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Binnen de soortenlijsten in bijlage A en B bij de Wnb is geen onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar beschermde soorten.
Zowel het Ministerie van LNV als de provincies zijn bevoegd om binnen deze lijsten soorten aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarvoor aangepaste voorwaarden gelden in het geval van een ontheffingsaanvraag. Als er sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is een ontheffing van de Wnb nodig.
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Bijlage I | Concept 01
Zorgplicht In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wnb is de zorgplicht beschreven: ’Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving. Eenieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden’. De zorgplicht geldt altijd.
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Bijlage I | Concept 01
II BIJLAGE: VOGELANALYSE DUURZAME POLDER
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Bijlage II | Concept 01
II. 1 WATERVOGELTELLINGEN Deze bijlage bevat een analyse van de watervogeltellingen in de Duurzame Polder, gebaseerd op gegevens van Sovon. Bij de analyse van de watervogeltellingen zijn enkel de ganzen en zwanen geanalyseerd, omdat deze soorten met zekerheid en veelvuldig van het plangebied gebruikmaken. Dit betekent niet dat andere soorten niet in het plangebied aanwezig zijn en niet ook (deels) van het plangebied afhankelijk zijn. Het plangebied is bijvoorbeeld ook geschikt als foerageergebied voor grote zilverreiger en kievit.
II 1.1 Ruimtelijke aanwezigheid Voor het duiden van de ruimtelijke aanwezigheid van ganzen en zwanen is gebruik gemaakt van de vijfjarige seizoensgemiddelden1 zoals die blijken uit monitoringsgegevens van Sovon uit het Meetnet Watervogels. Per soort zijn de meest recent beschikbare gegevens gebruikt. Veelal zijn dit gegevens uit de periode 2015 tot en met 2020. In de afbeeldingen is de ruimtelijke aanwezigheid binnen het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied weergegeven, zodat ook enig inzicht wordt gegeven in de relatieve aanwezigheid van vogels. In de afbeeldingen zijn absolute aantallen (gemiddelden) weergegeven en is niet gecorrigeerd voor het oppervlak van de telgebieden. Dit betekent dat de concentratie vogels per telgebied varieert.
Tabel II.1 Legenda voor de soorten brandgans, grauwe gans en kolgans aantal individuen (gemiddelde over de telgebieden)
0 - 50
50 - 100
100 - 250
> 250
kleurcodering
1
het seizoensgemiddelde betreft het gemiddelde per seizoen, in dit geval meestal de maanden september tot en met maart
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Bijlage II | Concept 01
Afbeelding II.1 Spreiding en aantallen brandgans
Afbeelding II.2 Spreiding en aantallen grauwe gans
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Bijlage II | Concept 01
Afbeelding II.3 Spreiding en aantallen kolgans
Tabel II.2 Legenda voor de soorten grote Canadese gans, knobbelzwaan en toendrarietgans aantal individuen (gemiddelde over de telgebieden)
0 - 10
10 - 25
kleurcodering
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Bijlage II | Concept 01
25 - 50
> 50
Afbeelding II.4Spreiding en aantallen grote Canadese gans
Afbeelding II.5 Spreiding en aantallen knobbelzwaan
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Bijlage II | Concept 01
Afbeelding II.6 Spreiding en aantallen toendrarietgans
Tabel II.3 Legenda voor de soorten kleine zwaan en wilde zwaan Aantal individuen (gemiddelde over de telgebieden)
0-5
5 - 10
kleurcodering
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Bijlage II | Concept 01
10 - 25
> 25
Afbeelding II.7 Spreiding en aantallen kleine zwaan
Afbeelding II.8 Spreiding en aantallen wilde zwaan
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Bijlage II | Concept 01
II. 1.2 Periodieke aanwezigheid Tabel II.2 toont de periode aanwezigheid van ganzen en zwanen in de omgeving van het plangebied op basis van het maximale voorkomen in één van de telgebieden uit de afbeeldingen in paragraaf 1.2 van deze bijlage. De tabel toont dat de aanwezigheid van soorten door het jaar heen varieeert.
Tabel II.2 Periodieke aanwezigheid van ganzen en zwanen in de omgeving van het plangebied Soort
Jan
Feb
Mrt
Apr
Mei
Jun
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
brandgans
646
786
253
165
1
2
0
62
134
157
356
grauwe gans
804
373
177
180
210
289
78
1039
1603
1167
1342
grote Canadese gans
89
58
33
30
57
69
92
96
171
122
104
kleine zwaan
70
4
0
0
0
0
0
0
0
1
9
knobbelzwaan
155
171
103
11
49
26
4
52
94
78
135
kolgans
2178
629
1452
5
0
0
0
4
619
771
1267
toendrarietgans
144
10
0
0
0
0
0
0
22
14
43
wilde zwaan
11
9
1
0
0
0
0
0
0
1
2
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Bijlage II | Concept 01
2 SLAAPPLAATSTELLINGEN Rondom en in het plangebied liggen diverse slaapplaatsen. Afbeelding II.8 toont de slaapplaatsen- uit de beschikbare Sovon watervogeltelgegevens. Hier komen de volgende soorten voor: - op de slaapplaats middenin het plangebied zijn in de jaren 2015 t/m 2017 aangetroffen: · aalscholver (max 23 tijdens één telling); · grote zilverreiger (max 74 tijdens één telling); - op de slaapplaats ten zuiden van het plangebied zijn in de jaren 2015 t/m 2017 aangetroffen: · grauwe gans (max 9 tijdens één telling); · kleine zwaan (max 175 tijdens één telling); · wilde zwaan (max 6 tijdens één telling); - op de slaapplaats ten noordoosten van het plangebied is in 2015 aangetroffen: · grauwe gans (max 65 tijdens één telling); - op de slaapplaatsen ten noordwesten van het plangebied zijn in de jaren 2015 t/m 2017 aangetroffen: · aalscholver (max 108 tijdens één telling); · grote zilverreiger (max 43 tijdens één telling).
Afbeelding II.8 Slaapplaatsen in en rond het plangebied
Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Bijlage II | Concept 01
www.witteveenbos.com