CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage VII - Aanvullend onderzoek ecologie

Adviescommissie Ruimte 8 februari 2024, gemeente OssBij agendapunt: Raadsinformatiebrief Voorkeursalternatief Duurzame Polder15.431 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Duurzame Polder Aanvullend onderzoek ecologie

Gemeente Oss en 's-Hertogenbosch 11 januari 2024

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Duurzame Polder Gemeente Oss en 's-Hertogenbosch

Aanvullend onderzoek ecologie Concept 01 11 januari 2024 134741/24-000.413

134741 -

-

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

0

SAMENVATTING

1

1

INTRODUCTIE

2

1.1

Aanleiding

2

1.2

Doel

3

1.3

Leeswijzer

3

2

WETTELIJK KADER

4

2.1

Wet Natuurbescherming

4

2.1.1 2.1.2

4 5

2.2

Gebiedsbescherming Soortenbescherming

Provinciaal beleid

5

2.2.1

6

Natuurnetwerk Brabant

2.3

Conclusie

6

3

LANDSCHAPSANALYSE

8

3.1

Ontstaan van de polder

8

3.2

Huidig gebruik

10

3.3

Belangrijke natuurgebieden en landschapselementen

10

3.4

Conclusie

13

4

WEIDEVOGELS EN WINTERGASTEN

14

4.1

Beschrijving weidevogels

14

4.1.1 4.1.2

14 16

4.2

Beschrijving en verspreiding weidevogels Voorkomende weidevogels in de Duurzame Polder

Beschrijving wintergasten

17

4.2.1 4.2.2

17 20

Beschrijving en verspreiding wintergasten Voorkomende wintergasten in de Duurzame Polder

4.3

Kwetsbaarheid weidevogels en wintergasten

21

4.4

Conclusie

24

5

MAATREGELEN VOOR DE DUURZAME POLDER

25

5.1

Behoud en optimaliseren van huidige natuurgebieden en landschapselementen

25

5.2

Aanvullende maatregelen voor de Duurzame Polder

26

5.3

Restricties aanvullende maatregelen Duurzame Polder

31

6

REFERENTIES

33

Laatste pagina

35

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Natuur wet- en regelgeving

4

II

Vogelanalyse Duurzame Polder

7

0 SAMENVATTING Binnen de Duurzame Polder zijn verschillende natuurgebieden en landschapselementen aanwezig. Vanwege de ligging, openheid, weteringen, natte graslanden en ganzenweides is de polder van groot belang voor verschillende plant- en diersoorten, in het specifiek voor weidevogels en wintergasten. Weidevogels en wintergasten zijn beschermd onder gebiedsbescherming en soortenbescherming van de Wnb. Door deze wet en de provinciale Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant bestaan voor de realisatie van windturbines bepaalde wettelijke en beleidsmatige verplichten. De noodzaak om weidevogels en wintergasten te beschermen wordt meegenomen in het mer-traject. Het is echter niet alleen vanuit wetgeving en beleid noodzakelijk en wenselijk om weidevogels en wintergasten in de Duurzame Polder te behouden. De Duurzame polder is namelijk één van de weinige gebieden in Noord-Brabant voor weidevogels en wintergasten. Met name de hoge aantallen en diversiteit aan soorten maken het gebied uniek voor NoordBrabant. Gezien het belang van het gebied voor Noord-Brabant, de landelijke en internationale staat van weidevogels en wintergasten en de beperkte uitwijkmogelijkheden is behoud van weidevogels en wintergasten in de Duurzame Polder van groot belang.

Bovendien lopen weidevogels en wintergasten een verhoogd risico op verstoring en/of sterfte wanneer windturbines gerealiseerd worden in de Duurzame Polder. Vooral kritische soorten (onder andere kievit, grutto, kemphaan, patrijs, kleine zwaan en smient) zijn gebaat bij een turbineopstelling die rekening houdt met vliegbewegingen en kerngebieden van deze soorten. Ook hebben deze soorten profijt van aanvullende maatregelen voor bescherming en behoud. Doormiddel van behoud en optimalisatie van de huidige natuurgebieden en aanvullende maatregelen, zoals uitbreiding van plas-dras gebieden, patrijshagen, kruidenbanen en natuurvriendelijke- akkerranden en greppels, kunnen weidevogels en wintergasten extra beschermd worden. Met deze aanvullende maatregelen wordt niet alleen ingezet op weidevogels en wintergasten, maar wordt ook de algehele biodiversiteit in de Duurzame Polder versterkt. Bij het inzetten van deze maatregelen dient wel rekening gehouden te worden met een aantal restricties.

Het wordt afgeraden om: - vliegbewegingen tussen windparken en natuurgebieden te bevorderen; - leefgebied te ontwikkelen waarvan hoogvliegende soorten profiteren; - rijen of groepen van hoge bomen (>10 m) te plaatsen; - rietkragen en natuurvriendelijke oevers breder dan 4 m te ontwikkelen; - aanvullende maatregelen ter bevordering van de geschiktheid voor weidevogels en wintergasten binnen een straal van 500 tot 800 m van de windturbines te ontwikkelen. Vervolg De informatie uit dit aanvullend onderzoek wordt gebruikt in het mer-traject. Vervolgonderzoeken ten aanzien van de wettelijke en beleidsmatige bescherming van weidevogels en wintergasten kunnen worden uitgevoerd in het vervolgtraject. Uit deze onderzoeken (bijvoorbeeld voortoets/Passende Beoordeling, Nee, tenzij-toets) moet blijken of verdere toetsing (bijvoorbeeld ADC-toets) nodig is. Als dit het geval is worden dergelijke toetsingen na de keuze voor het voorkeursalternatief uitgevoerd.

1 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

1 INTRODUCTIE 1.1

Aanleiding

De gemeenten Oss en ‘s-Hertogenbosch hebben het voornemen om een groot deel van beider duurzame energie-opgave te realiseren in de polder tussen beide gemeenten: de Duurzame Polder. Het betreft primair de ontwikkeling van windenergie, maar beide gemeenten willen ook ontwikkelkansen benutten voor onder andere wonen, gezondheid, landbouw, natuur, water, bodem, klimaatadaptatie, cultuurhistorie en recreatie. Het plangebied van de Duurzame Polder wordt globaal begrensd door de kernen Rosmalen (zuidwestzijde), Kruisstraat en Geffen (zuidzijde), Oss (zuidoostzijde), de N625 (oostzijde) en de Maas (noord- en noordoostzijde). De Duurzame Polder is een grootschalig verkaveld komgebied en kent in de huidige situatie vooral een agrarisch gebruik. Afbeelding 1.1 toont de afbakening van het plangebied.

Afbeelding 1.1 Afbakening van het plangebied Duurzame Polder

In het plangebied broeden veel weidevogels en komen ’s winters wintergasten rusten en foerageren. Hierdoor kunnen bij de realisatie van windenergie in het gebied effecten op vogels optreden. In een eerdere fase is reeds een ecologische risicoanalyse uitgevoerd, als onderdeel van een quickscan voor windturbines in de Duurzame Polder. Deze risicoanalyse geeft inzicht in de haalbaarheid van verschillende windopstellingen

2 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

(varianten) en mogelijke knelpunten en aandachtspunten vanuit ecologie (beschermde gebieden en soorten van de Wnb). Uit dit onderzoek bleek dat met name vogels een belangrijk aandachtspunt vormen bij realisatie van windenergie in het plangebied. In de huidige fase van het project (voorafgaand aan het planMER) is door beide gemeenten een aanvullend ecologisch onderzoek aangevraagd gericht op een inventarisatie van de natuurwaarden in het plangebied. Het gaat hier in het bijzonder om weidevogels en wintergasten, omdat het plangebied een belangrijk gebied is voor deze vogelsoorten en deze soorten het meest gevoelig lijken te zijn voor de plaatsing van windturbines.

1.2

Doel

Het doel van dit aanvullend onderzoek is om inzicht te geven in het belang van het plangebied voor weidevogels en wintergasten. Daarbij zijn de noodzakelijkheid (vanuit wettelijke bescherming) en wenselijkheid van het behoud van deze vogelsoorten geïnventariseerd. Ten slotte zijn de maatregelen geïdentificeerd die bijdragen aan het behoud en de ontwikkeling van weidevogels en wintergasten in het plangebied. Door in te zetten op weidevogels en wintergasten kunnen ook andere natuurwaarden in het plangebied profiteren. Met behulp van deze maatregelen, kan gezamenlijk met verschillende partijen gewerkt worden aan een breed gedragen ambitie voor de Duurzame Polder, waar ruimte is voor onder meer windenergie en natuur. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheden en beperkingen. Informatie over de huidige natuurwaarden, specifiek weidevogels en wintergasten in het plangebied is opgehaald in twee sessies met de gemeente Oss, gemeente ’s-Hertogenbosch, Brabants Landschap, het weidevogelcollectief en de provincie Noord-Brabant. De opgehaalde informatie uit deze sessies is meegenomen in het voorliggend rapport.

1.3

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 gaat in op het wettelijk kader. Dit geeft inzicht in de beschermde status van de natuurwaarden in het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het ontstaan van de polder en de belangrijke landschapselementen en natuurgebieden toegelicht. Hoofdstuk 4 geeft vervolgens een overzicht van weidevogels en wintergasten in het gebied. In hoofdstuk 5 worden maatregelen beschreven die bijdragen aan het behoud en het stimuleren van weidevogels en wintergasten in de polder. Ook wordt aangegeven hoe deze maatregelen gecombineerd kunnen worden met windenergie in het gebied en/of deze maatregelen bijdragen aan andere natuurwaarden in de polder.

3 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

2 WETTELIJK KADER Dit hoofdstuk beschrijft het wettelijk kader en gaat in op de Wet natuurbescherming (Wnb) en provinciaal beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het wettelijk kader en beleidskader onderbouwt de (wettelijke) noodzaak voor het behoud van natuurwaarden in de polder. Daarnaast vormt het de basis voor de verdere uitwerking van maatregelen die bijdragen aan het behoud en het stimuleren van weidevogels en wintergasten in het plangebied.

2.1

Wet Natuurbescherming

De Wnb beschermt Nederlandse natuurgebieden, planten- en diersoorten. De wet moet ervoor zorgen dat de verschillende planten- en diersoorten in de natuur blijven bestaan en voorkomen dat kwetsbare soorten verdwijnen. De Wnb bestaat uit gebiedsbescherming en soortenbescherming.

2.1.1

Gebiedsbescherming

Natura 2000 De realisatie van windturbines kan leiden tot effecten op de soorten of habitattypen in Natura 2000gebieden waarvoor instandhoudingsdoelen zijn vastgesteld. Vanuit de Wnb (Wnb) mogen deze doelen niet in gevaar komen. Daarom dient voor alle Natura 2000-gebieden in of nabij het plangebied te worden beoordeeld of significant negatieve effecten op soorten of habitattypen uitgesloten kunnen worden. Deze toetsing kan plaatsvinden in een ecologische voortoets. In een ecologische voortoets wordt bepaald of significante gevolgen op natuurwaarden in het betreffende gebied op voorhand kunnen worden uitgesloten. Indien significante gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten, hoeft geen Passende Beoordeling te worden opgesteld. Als significante gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld. In een Passende Beoordeling wordt nader ingegaan op de gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Er wordt dan ook getoetst op zogenaamde externe werking. Een Passende Beoordeling kan aangevuld worden met mitigerende maatregelen om significante gevolgen te voorkomen. Op basis van de Passende Beoordeling kan een aanvraag voor een vergunning op grond van de Wnb worden ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan. In dit geval is dat de provincie Noord-Brabant.

In het geval significante gevolgen van een voornemen inclusief mitigerende maatregelen of cumulatie op Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen niet uitgesloten kunnen worden, dan zal de vergunningverlener de vergunning, c.q. de instemming, weigeren. Het voornemen kan dan alleen nog doorgang vinden als voldaan wordt aan de ADC-toets: (A) er geen reële alternatieven zijn, (D) er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en dat door (C) compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft. Uit de eerder opgestelde ecologische risicoanalyse blijkt dat Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ instandhoudingsdoelstellingen heeft voor broedvogels en niet-broedvogels, waaronder weidevogels en wintergasten. De Duurzame Polder kan bijdragen aan de draagkracht van deze soorten in Rijntakken. Zo

4 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

kunnen vogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling in de Rijntakken foerageergebieden of slaap- en rustplaatsen hebben in het plangebied. Er kan dus sprake zijn van connectiviteit tussen de Rijntakken en omliggende gebieden zoals het plangebied. Wanneer windturbines worden geplaatst in het plangebied, kan barrièrewerking ontstaan, waardoor de connectiviteit onder druk komt te staan. Daarnaast kan sprake zijn van habitatverlies van potentieel essentieel foerageer-, rust- en slaapgebied dat in het plangebied aanwezig is. Ook dit kan doorwerken op de draagkracht die de Rijntakken voor de desbetreffende soorten heeft. Tevens kan sprake zijn van directe sterfte door aanvaring. Voor een aantal broedvogels (onder andere kwartelkoning en watersnip) en niet-broedvogels (onder andere grutto, kleine zwaan, scholekster, kievit, kemphaan) worden de huidige instandhoudingsdoelstellingen van de Rijntakken niet gehaald. Door de bovengenoemde effecten kunnen de instandhoudingsdoelstellingen van de Rijntakken in gevaar komen. Dit is het geval als blijkt dat het plangebied van essentieel belang is voor de draagkracht van de soorten in de Rijntakken. Dit dient nader onderzocht te worden in een Passende Beoordeling.

Op basis van de huidige beschikbare informatie kunnen significante gevolgen voor Natura 2000 door de ontwikkeling van windturbines in de Duurzame Polder niet op voorhand worden uitgesloten. In een volgende fase is nader onderzoek nodig in de vorm van een voortoets/Passende Beoordeling. Het is wenselijk om de aanvliegroutes van weidevogels en wintergasten en de kerngebieden van deze soorten bij ontwikkeling van windenergie in de Duurzame Polder zoveel mogelijk te vermijden. Dit dient te worden vastgelegd in het programma voor de integrale gebiedsontwikkeling van de Duurzame Polder.

2.1.2

Soortenbescherming

Alle van nature in Nederland voorkomende vogelsoorten, waaronder weidevogels en wintergasten, zijn beschermd onder de Wnb onder het beschermingsregime ‘Vogelrichtlijn’. Hierdoor geldt een algemeen verbod op het opzettelijk verstoren/doden van individuen en het vernielen van nestplaatsen. Bij het plaatsen van windturbines bestaat de kans op een overtreding van één of meer van deze verbodsbepalingen, zowel in de aanlegfase (verstoren broedende vogels, aantasten/vernietigen nesten, etc.) als in de gebruiksfase (doden individuen door aanvaring, verstoren). In een soortenbeschermingstoets wordt bepaald wat de kans is op overtreding van de verbodsbepalingen en of een ontheffing Wnb nodig is. Dit is inclusief aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen. Hierbij wordt gekeken naar het effect op populatieniveau en gebruik gemaakt van de 1 %-mortaliteitsnorm. Deze norm wordt vaak gebruikt om aan te geven hoeveel extra sterfte een populatie kan dragen, zonder dat dit leidt tot een achteruitgang van de populatie. De norm wordt berekend als 1 % van de jaarlijkse natuurlijke sterfte (als gevolg van bijvoorbeeld ziekte of predatie) in een populatie. Het uitgangspunt van de 1 %-mortaliteitsnorm is dat de extra sterfte niet meer mag bedragen dan 1 % van de jaarlijkse natuurlijke sterfte binnen de populatie.

Met een sterftecijfer onder 1 % van de jaarlijkse natuurlijke sterfte van de soort, kan worden geoordeeld dat een effect op de gunstige staat van instandhouding van de betrokken populatie daarmee is uitgesloten. Om de kans op een overtreding van de Wnb te beperken is het mogelijk om de kerngebieden van weidevogels en wintergasten uit te sluiten voor de ontwikkeling van windturbines. Dit wordt in hoofdstuk 4 en 5 nader toegelicht. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een ontheffing Wnb, inclusief aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen nodig is.

2.2

Provinciaal beleid

Het NNB is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In deze paragraaf wordt ingegaan op de betekenis van deze bescherming voor weidevogels en wintergasten in het plangebied.

5 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

2.2.1

Natuurnetwerk Brabant

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van grote en kleine beschermde natuurgebieden en verbindingszones waarin de natuur voorrang heeft en wordt beschermd. Door natuur te verbinden blijft diversiteit behouden en verkleint de kans op uitsterven van soorten. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) wordt het rijksbeleid ten aanzien van het NNN uiteengezet. De juridische uitwerking van het beleid in de provincie Noord-Brabant is opgenomen in de Omgevingsverordening. Het NNN in Noord-Brabant wordt Natuurnetwerk Brabant (NNB) genoemd. NNB is onderverdeeld in verschillende deelgebieden. Voor elk deelgebied zijn belangrijke kenmerken en natuurwaarden beschreven in de wezenlijke kenmerken en waarden. Bij werkzaamheden in of aan onderdelen van NNB (inclusief de ecologische verbindingszones), is nader onderzoek in de vorm van een ‘nee, tenzij-toets’ noodzakelijk. Hierin wordt nagegaan of en in welke mate het voornemen een mogelijk significant negatief effect heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van NNB. Tevens is in de provincie Noord-Brabant externe werking ten aanzien van NNB een toetsingscriterium. Dit houdt in dat voor projecten binnen de invloedssfeer van NNB moet worden nagegaan in welke mate deprojecten de wezenlijke kenmerken en waarden van NNB beïnvloeden.

De ecologische waarden van NNB kunnen indirect worden aangetast als gevolg van geluid, licht, betreding, schaduwwerking, windturbulentie, etc. Hoe groot de verstoringscontour is waarbinnen dergelijke effecten kunnen optreden, is van verschillende factoren afhankelijk (beheertype, tussenliggende landschapselementen en barrières, etc.). In het algemeen geldt hoe verder van NNB windturbines worden gerealiseerd, hoe kleiner de kans dat sprake is van negatieve effecten (als gevolg van externe werking). Wanneer negatieve effecten niet zijn uit te sluiten kunnen de werkzaamheden geen doorgang vinden, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Om zoveel mogelijk rekening te houden met mogelijke aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden is het wenselijk windturbines niet in het NNB of de verstoringscontour hiervan te plaatsen. De verstoringscontour betreft een ½ rotordiameter (hiermee wordt overdraai voorkomen).

Daarnaast mag de bijdrage van de windturbines niet zorgen voor meer dan 52 dB Lden Er is dan een verhoogd risico dat de werkzaamheden geen doorgang kunnen vinden, tenzij schade zoveel mogelijk beperkt wordt door mitigerende maatregelen en restende schade gecompenseerd wordt met een compensatieplan. Verstoring van NNB door geluid De provincie Noord-Brabant geeft aan dat ze een drempelwaarde van 52 dB Lden hanteert voor verstoring van NNB gebieden door het geluid van windturbines1. Als de geluidbelasting vanwege de windturbines hoger is dan 52 dB Lden, is volgens de provincie sprake van verstoring van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB. In dat geval zijn compensatiemaatregelen nodig. Wanneer de geluidbelasting door toedoen van alleen het windpark boven de norm uitstijgt, moet het oppervlakte van het NNB-gebied dat binnen de contour van 52 dB Lden valt met 1/3 gecompenseerd worden. Compensatie is niet van toepassing als de drempelwaarde al in de bestaande situatie wordt overschreden door bijvoorbeeld wegverkeer of industrie.

2.3

Conclusie

Weidevogels en wintergasten zijn zowel beschermd onder gebiedsbescherming (Natura 2000) als soortenbescherming van de Wnb. Deze wet moet ervoor zorgen dat natuurgebieden en populaties van soorten niet dusdanig mogen verslechteren of verdwijnen. Door de Wnb en de provinciale Omgevingsverordening gelden voor de realisatie van windturbines bepaalde wettelijke en beleidsmatige 1

Rik Grashoff (2020). Memo van de gedeputeerde: Spelregels natuurcompensatie bij windturbines in Natuur Netwerk Brabant. Documentnummer C2259472/4657793

6 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

verplichtingen (bijvoorbeeld voldoen aan instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebieden en het niet aantasten van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB). Het is afhankelijk van de staat van instandhouding van de relevante soorten of het wettelijk noodzakelijk is om weidevogels en wintergasten in het gebied te behouden. Toetsing hiervan vindt plaats in een Passende Beoordeling, soortenbeschermingstoets en ‘nee, tenzij-toets’, en dient te worden meegenomen in het mertraject. Ondanks deze wettelijke en beleidsmatige verplichtingen kan met de nodige mitigerende maatregelen en compensatie het voornemen vooralsnog doorgang vinden. Het is echter beter om significante effecten op natuurgebieden of soorten te voorkomen. Door natuurwaarden aan de voorkant van het proces een plek te geven wordt het risico op het doorlopen van juridische procedure kleiner en is de kans groter dat het voornemen doorgang kan vinden.

7 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

3 LANDSCHAPSANALYSE Om maatregelen te identificeren die de natuurwaarden, specifiek weidevogels en wintergasten, behouden en versterken is een goed beeld nodig van de huidige natuurwaarden in het gebied. Dit hoofdstuk beschrijft daarom de belangrijkste natuurwaarden in en nabij de Duurzame Polder. Deze natuurwaarden hangen samen met het ontstaan van de polder, het huidig gebruik en belangrijke natuurgebieden en landschapselementen. In hoofdstuk 5 worden de natuurwaarden gekoppeld aan de maatregelen voor de Duurzame Polder.

3.1

Ontstaan van de polder

De polder tussen ‘s-Hertogenbosch en Oss ligt grotendeels in het komgebied van de Maas en werd in de middeleeuwen door mensen ontgonnen. Er werden dijken, sloten en kanalen gegraven om het gebied te beschermen tegen hoog water. Wanneer de Maas dreigde te overstromen, werd een gebied bij Beers gebruikt om het rivierwater over twee lagere plekken in de oeverwallen te laten stromen.

8 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

Afbeelding 3.1 geeft het doorstroomgebied van de Beerse Overlaat binnen de Duurzame Polder weer. Door de waterafvoer te reguleren en het land te verhogen, werd de polder geleidelijk gevormd. In 1942 werd de Beerse Overlaat afgesloten, waarna er meer ruimte kwam voor landbouw in het gebied (Duurzame Polder, 2020). Toelichting Komgronden Komgronden ontstaan door glaciale processen. Ze komen voor in gebieden waar gletsjers zich hebben uitgebreid, zijn teruggetrokken en een kom achter hebben gelaten in het landschap. In deze kom blijft sediment achter, zoals grind, zand en klei. Hierdoor bestaan komgronden vaak uit vruchtbare bodems die geschikt zijn voor landbouw, zo ook de Beerse Overlaat.

9 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

Afbeelding 3.1 Doorstroomgebied de Beerse Overlaat met de Duurzame Polder (bron: BHIC)

3.2

Huidig gebruik

Na de sluiting van de Beerse Overlaat konden boerderijen zich vestigen in de polder. Er werden meer kanalen gegraven en de landbouwactiviteit werd geïntensiveerd. Tegenwoordig bevindt zich in de polder een landbouwgebied van circa 4.200 hectare. De agrarische bedrijven zijn veelal grote melkveehouderijen en daarnaast is een tak ontstaan van kleinschalige, gemengde, bedrijven. Deze kleinschalige, gemengde bedrijven zijn onder andere gericht op biologische landbouw en/of streekproducten (Duurzame Polder, 2020). Sinds het einde van de jaren ‘90 is er meer aandacht voor de natuur in de landbouw. Vanuit het natuurbeheerplan bestaan nu onder andere subsidies voor het aanleggen van plas-dras gebieden voor weidevogels en voor het aanleggen van keverbanken en wildrasters (ANB, 2020). Ook is langs de polderwegen en op erven van agrarische bedrijven veel beplanting te vinden (NRD MER Duurzame Polder, 2022). Dit heeft geresulteerd in grote diversiteit aan weidevogels in de Duurzame Polder.

3.3

Belangrijke natuurgebieden en landschapselementen

Naast landbouw kenmerkt de polder zich door het grotendeels open gebied. Daarnaast zijn een aantal kleinere gesloten gebieden te vinden. Het afwisselende landschap biedt een leefgebied aan veel verschillende soorten. Ook zijn in het gebied diverse beschermde natuurgebieden aangewezen (zie ook de notitie Grip op locatie). Naast deze beschermde natuurgebieden liggen in de polder belangrijke landschapselementen die verschillende waarden hebben voor de natuur in de polder. Afbeelding 3.2 toont de beschermde natuurgebieden en landschapselementen in en nabij de Duurzame Polder die vervolgens worden toegelicht.

10 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

Afbeelding 3.2 Ligging, Natura 2000, NNB, EVZ, groenblauwe waarden en rust- en foerageergebied ganzen en smienten binnen en nabij het plangebied

Rivieren en oevers Ten noorden van het poldergebied loopt de Waal (noordelijker dan de Maas). Een deel van de Waal is aangewezen als Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Dit Natura 2000-gebied is aangeduid als Vogel- en Habitatrichtlijngebied. Ten zuiden van de Waal loopt de Maas. De Maas en haar uiterwaarden zijn een belangrijk onderdeel van het plangebied. Door dynamische omstandigheden en het afwisselende landschap van water, slikken, zandbanken, graslanden, rietvelden en bosjes biedt het een leefgebied voor een scala aan verschillende soorten. De uiterwaarden van de Maas dienen als broedgebied voor watervogels, rustplaats voor trekvogels en leefgebied voor amfibieën, reptielen en zoogdieren. Het is waarschijnlijk dat er een bepaalde connectiviteit bestaat tussen de uiterwaarden en de Duurzame Polder. Soorten kunnen bewegen tussen deze en omliggende gebieden om te rusten, slapen of foerageren. (Rivier) dijken Aan de buitenrand van de polder liggen rivierdijken. Deze dijken hebben over het algemeen geen bijzondere vegetatie. Dijken zonder rijke vegetatie worden meestal gemaaid en incidenteel begraasd door schapen. Dijken met een rijke vegetatie zijn vaak in het beheer van agrariërs. De dijken met een rijke vegetatie bieden leefgebied aan verschillende ongewervelden, zoals vlinders, kevers en libellen (Schotman et al., 2014).

Het insectenaanbod is weer belangrijk voor vleermuizen, amfibieën en vogels in de Duurzame Polder. Weteringen Een belangrijk kenmerk van het landschap is dat het sterk is doorsneden door weteringen en andere watergangen, zoals sloten. De Hertogswetering en de Hoefgraaf fungeren als ecologische verbindingszones (EVZ) en zijn onderdeel van NNB en de Groenblauwe waarden1 (Afbeelding 3.2).

1

In de Groenblauwe waarden zijn gebieden als verbinding tussen het NNB en het landelijk gebied opgenomen om natuur te bevorderen.

11 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

De EVZ zijn verbindingen tussen natuurgebieden en functioneren als trekroutes en als leef- en voortplantingsgebied voor dieren en planten. De EVZ zorgen er voor dat dieren en planten niet geïsoleerd raken en gaan hiermee versnippering van de Brabantse natuur tegen (Noord-Brabant, n.d.). De Hertogswetering ligt in het midden van de polder en voert water van buiten het gebied af. De Hertogswetering is 32,5 km lang en loopt van de Raam bij Grave, naar het Gemaal Gewande in de gemeente Oss. De Hertogswetering loopt tussen twee dijken, waardoor het water hoger staat dan het omliggende land. Rondom de Hertogswetering liggen andere natte ecologische verbindingszones, zoals de Roode Wetering en de Hoefgraaf. De Roode Wetering ligt direct ten noorden parallel aan de Hertogswetering, waar al het noordelijke laaggelegen land op afwatert. Het zuidelijke laaggelegen land watert af op de Hoefgraaf. Vanuit het laagste punt van de Hoefgraaf, Gewande, wordt afgewaterd op de Maas (Duurzame Polder, 2020). De lijnvormige structuren, zoals weteringen, polderwegen, bomenrijen en verbindingen ertussen vormen een belangrijk landschapselement in de polder. Deze structuren worden door verschillende diersoorten gebruikt als leefgebied, bijvoorbeeld door amfibieën, insecten en vleermuizen.

Voor vleermuizen (bijvoorbeeld gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis) zijn deze structuren belangrijk als vliegroute en/of foerageergebied (zoogdiervereniging, n.d.1). Boerderijen In de polder staan veel boerderijen. Op de erven zijn vaak bosschages of bomenrijen te vinden. De erven bieden daardoor geschikt leefgebied aan verschillende vleermuizen en vogels zoals zwaluwen en mussen. Daarnaast vormt de combinatie van open land met veel voedsel, bomen en boerderijen een geschikt leefgebied voor roofvogels en uilen. Natte graslanden en plas-dras De polder heeft veel open grasland met natte gronden en staat daardoor bekend om de relatief grote aantallen broedende weidevogels en wintergasten. Ook in de winter bezoeken veel watervogels het gebied. Voor het behoud van de weidevogels zijn in de Beerse Overlaat plas-dras en greppelplas-dras gebieden geïntroduceerd. In plas-dras gebieden worden grasland of greppels (tijdelijk) onder water gezet (Schotman et al., 2014). In het bestemmingsplan van de gemeente Oss zijn komgebieden aangewezen als weidevogelgebieden. Deze zijn vanuit de provincie Noord-Brabant echter niet aangewezen als beschermde weidevogelgebieden. De meeste plas-dras gebieden zijn in het beheer van agrariërs. Wegens privacy van de agrariërs is het niet mogelijk om de locaties van deze gebieden op perceelniveau te delen.

Wel zijn op basis van legsel-gegevens (gevonden eieren) van Brabants Landschap de twee belangrijkste gebieden in de Duurzame Polder aan te duiden op kaart. Dit wordt verder toegelicht in hoofdstuk 4. Rust- en foerageergebied ganzen en smienten Een deel van de Duurzame Polder is door Noord-Brabant in de Omgevingsverordening aangewezen als rusten foerageergebied voor ganzen en smienten (Afbeelding 3.2). In deze rust- en foerageergebieden voor ganzen en smienten waarborgt de provincie middels financiële vergoedingen rust voor ganzen en smienten in de periode 1 november tot 1 april. Deze gebieden liggen in het midden en ten noordoosten van het plangebied. Ganzen en smienten zoeken rustige en veilige gebieden met voldoende voedsel (gras en verschillende plantendelen) om uit te rusten na hun reis. Ganzen en smienten worden vaak rondom waterrijke gebieden, zoals uiterwaarden gevonden. Door de ligging van de Duurzame Polder bij de uiterwaarden, de beschikbaarheid van voedsel op de graslanden en akkers, de rust en beschutting biedt de Duurzame Polder een geschikt rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten. Natuurnetwerk Brabant Langs de Maas en Hertogswetering en verspreid in het plangebied zijn enkele percelen (waaronder eendenkooien) van het NNB aanwezig. Centraal in de polder ligt het grootste perceel. Dit gebied is in beheer van Staatsbosbeheer.

Het gebied is ingericht als gebied voor weidevogels en wintergasten. Het bestaat uit akkers met greppels en in het westen van het perceel ligt een poel. Er ligt tevens een eendenkooi in het NNB perceel. Het huidige beheer van het perceel is echter niet toereikend voor weidevogels en wintergasten. Momenteel komen deze vogelsoorten nauwelijks voor in het NNB gebied. Vanwege de centrale ligging van

1

https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/gewone-dwergvleermuis.

12 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

het NNB-gebied en de verbinding met weteringen vormt het gebied wel een belangrijk onderdeel van de polder. Eendenkooien In de polder zijn verschillende eendenkooien aanwezig. Het gaat om de Marense Kooi, de Kesselse Kooi, de Wildse Kooi en de Lithse Kooi. Een eendenkooi is een door bomen en struiken omgeven waterplas. De plas heeft één of meer vangpijpen, welke bestaat uit een smalle sloot met aan weerszijde schermen die uitmonden in een vanghokje. Voorheen werden met de kooien eenden gevangen voor consumptie. Tegenwoordig worden de eenden enkel gevangen om te ringen. Zo worden de aantallen in het gebied geteld. Eendenkooien zijn belangrijk voor eenden, waaronder ook wintergasten zoals smienten. Ook dienen de eendenkooien in de polder als rust- en schuilplaats voor verschillende andere diersoorten. Er verblijven er diverse soorten roofvogels, zoals de zeldzame velduil. Daarnaast leeft de beschermde grote modderkruiper in de poldersloten. Ook zijn er diverse soorten vleermuizen aanwezig (Duurzame Polder, 2020). Rond de eendenkooien geldt een kooicirkel. De kooicirkels hebben een diameter van 1,5 km. Binnen deze zone zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud en het herstel van de cultuurhistorische waarde van een eendenkooicirkel. Dit is vastgelegd in de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie.

3.4

Conclusie

De Duurzame Polder wordt gekenmerkt door verschillende landschapselementen, met verschillende ecologische waarden. Dit staat in relatie tot de historische ontwikkeling van het gebied. Het open gebied, de weteringen, natte graslanden, ganzenweides en ligging maken de polder van groot belang voor verschillende plant- en diersoorten, in het bijzonder voor weidevogels en wintergasten. In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op deze soorten. Niet alleen omdat de Duurzame Polder een belangrijk gebied is voor deze vogelsoorten, maar ook lijken deze soorten het meest gevoelig te zijn voor verstoring van- en aanvaring met windturbines.

13 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

4 WEIDEVOGELS EN WINTERGASTEN Om zowel ruimte te bieden voor windenergie als voor weidevogels en wintergasten, is het belangrijk een beeld te krijgen van de voorkomende soorten in het gebied. Daarnaast is het van belang om de kwetsbaarheid van de voorkomende weidevogels en wintergasten ten opzichte van windturbines in kaart te brengen. Zo wordt inzicht verkregen in de maatregelen die mogelijk zijn om eventuele negatieve effecten van windturbines op deze soorten te voorkomen of te compenseren. In dit hoofdstuk worden voorkomende weidevogels en wintergasten in het gebied beschreven. Hierbij wordt het belang van het gebied voor deze soorten in landelijk perspectief geplaatst en wordt de ruimtelijke spreiding van de soorten gevisualiseerd. Daarnaast beschrijft dit hoofdstuk de kwetsbaarheid van deze soorten ten aanzien van windturbines.

4.1

Beschrijving weidevogels

4.1.1

Beschrijving en verspreiding weidevogels

Weidevogels betreffen vogelsoorten die broeden in uitgestrekte kruidenrijke graslanden. Weidevogels hebben in Nederland een beschermde status onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Deze is opgenomen in de Wnb (zie bijlage I). Deze status is voor weidevogels echter niet voldoende, omdat weidevogels specifieke eisen stellen aan hun leefgebied. Een optimale leefomgeving voor weidevogels is een open, uitgestrekt (ongeveer 250 hectare) kruidenrijk grasland. Hier kunnen weidevogels zich verschuilen in het hoge gras en kunnen de weidevogels predatoren tijdig signaleren. Daarnaast is een hoog grondwaterpeil belangrijk. Door het hoge grondwaterpeil kunnen kuikens met kortere snavels het voedsel in de toplaag van de bodem bereiken. Verder verblijven weidevogels bij voorkeur op rustige plekken, weg van bosjes, bomenrijen en bebouwing als wegen, fiets- en wandelpaden (provincie Noord-Holland, 2018). Uit de Boerenlandvogelbalans 2020 van SOVON blijkt dat weidevogels, zoals de grutto en de patrijs, landelijk sinds 1990 met bijna 70 % zijn afgenomen. Hier zijn verschillende oorzaken voor. Met name het geïntensiveerd landgebruik en daarmee samenhangende verdroging, vermesting en versnipperingen spelen een belangrijke rol. De directe gevolgen hiervan, zoals voedselbeschikbaarheid en predatie dragen ook bij aan de afname van deze vogelsoorten (Kleyheeg et al., 2020).

Afbeelding 4.1 toont de verspreidings- en veranderingskaarten van grasland- en akkervogels in Nederland. Onder grasland- en akkervogels behoren ook weidevogels. Uit de verspreidingskaarten blijkt dat in het noorden en westen van Nederland relatief hoge dichtheden grasland- en akkervogels worden aangetroffen. De veranderingskaarten laten zien dat in veel van deze gebieden ook de grootste afnames hebben plaatsgevonden. In sommige gebieden is het aantal juist toegenomen. Uit de verspreidingskaarten van SOVON blijkt ook dat de Duurzame Polder een hotspot voor weidevogels is. Ondanks dat de Duurzame Polder op landelijk niveau slechts een klein gebied betreft is het belang van de polder op provinciaal en regionaal niveau groot. De polder is met name voor Zuid-Nederland en de provincie Noord-Brabant een belangrijk gebied, omdat het één van de weinige plekken is met een grote concentratie en diversiteit aan weidevogels. In een aantal maanden kunnen wel 150 verschillende soorten voorkomen in de Duurzame Polder (Brabants Landschap, n.d.). Aangezien weidevogels vrijwel ieder jaar

14 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

terugkeren naar hetzelfde broedgebied en er in Noord-Brabant beperkte uitwijkmogelijkheden zijn is de Duurzame Polder van groot belang voor deze vogels. Daarbij geldt dat Noord-Brabant het grootste populatieaandeel van patrijzen in Nederland kent (Kleyheeg et al., 2020). Uit de veranderingskaarten lijkt ook dat er in de Duurzame Polder een afname heeft plaatsgevonden. Echter, zijn er lokaal ook soorten die toenemen. Gezien de landelijke en lokale afname van weidevogels en de beperkte uitwijkmogelijkheden voor weidevogels in Noord-Brabant is behoud en optimalisatie van de weidevogelgebieden in de Duurzame Polder van groot belang voor deze soorten.

Afbeelding 4.1 Verspreidingskaarten en veranderingskaarten van graslandvogels en akkervogels. Rode cirkel geeft de globale ligging van Duurzame Polder (bron: SOVON).

Overal in het land helpen provincies, gemeenten, waterschappen, natuurorganisaties en vrijwilligers de achteruitgang tegen te gaan. Ook in de Duurzame Polder wordt gewerkt om de weidevogelpopulaties te herstellen. Agrariërs kunnen pakketten afsluiten voor weidevogelbeheer op hun percelen. Voor het beheer krijgen de boeren een financiële compensatie. Op die manier zijn in de Duurzame Polder verschillende plasdras gebieden ingericht, die worden beheerd en gemonitord. Uit de monitoring van legsels (gevonden eieren) door Brabants Landschap blijkt dat er twee hoofdkerngebieden zijn aan te wijzen voor weidvogels in de Duurzame polder. Afbeelding 4.2 toont de hoofdkerngebieden van weidevogels in de Duurzame Polder. Hier bevinden zich de grootste aantallen en verscheidenheid aan soorten. Verspreid door het gebied zijn meerdere percelen die als plas-dras gebied zijn ingericht aan te wijzen. Hier liggen de aantallen lager en is de verscheidenheid aan soorten minder.

15 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

Afbeelding 4.2 Hoofdkerngebieden voor weidevogels in de Duurzame Polder (bron: Brabants Landschap)

In deze kerngebieden blijkt dat het aantal kritische weidevogel broedparen sinds 2010 is toegenomen. Afbeelding 4.3 toont de toename van het aantal kritische weidevogel broedparen. Dit laat zien dat ondanks de landelijke afname van weidevogels met beheer lokaal soorten kunnen toenemen.

Afbeelding 4.3 Broedparen kritische weidevogels in kerngebieden (bron: Brabants Landschap)

4.1.2

Voorkomende weidevogels in de Duurzame Polder

Tabel 4.1 toont een selectie van de meest voorkomende en kritische weidevogels in de Duurzame Polder. Voor iedere weidevogel wordt aangegeven of de vogel op de Rode lijst staat en of deze een instandhoudingsdoelstelling heeft in het Natura 2000-gebied de Rijntakken. De Rode lijst is een overzicht

16 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Soorten die op de Rode lijst staan zijn dus extra kwetsbaar. Dit betekent dat ze een kleine populatie hebben en deze soorten dus sneller significant negatieve effecten ondervinden bij de realisatie van windturbines in het gebied. Het is hierdoor van belang deze soorten op voorhand te beschermen en in te zetten op aanvullende maatregelen voor deze soorten. In tabel 4.1 wordt ook aangegeven of de soort een instandhoudingsdoelstelling heeft in Natura 2000-gebied de ‘Rijntakken’. Dit is van belang voor de wettelijke bescherming van deze vogelsoorten. Het kan namelijk zijn dat de Duurzame Polder van essentieel belang is voor soorten afkomstig uit de Rijntakken. Om zoveel mogelijk rekening te houden met de instandhoudingsdoelstellingen is het van belang deze soorten op voorhand te beschermen en in te zetten op aanvullende maatregelen voor deze soorten. Naast de Rode lijst en de instandhoudingsdoelstelling vanuit het Natura 2000-gebied is er rekening gehouden met de populatie aantallen van de vogels in de Duurzame Polder en de kwetsbaarheid van de weidevogels voor windturbines.

Samengevat zijn weidevogels in tabel 4.1 opgenomen wanneer ze een combinatie van twee of meer van de volgende eigenschappen hebben: - weidevogels die voorkomen in de Duurzame Polder en/of kritisch blijken uit gegevens van Brabants Landschap; - weidevogels die zich op de Rode lijst bevinden; - weidevogels met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied de Rijntakken. Deze selectie is niet uitputtend. Vanwege de grote diversiteit van weidevogels is het niet mogelijk deze allemaal op te nemen. Daarom toont deze selectie de meest voorkomende en kritische weidevogels binnen de Duurzame Polder. Voor de geselecteerde weidevogels kunnen soort-specifieke maatregelen worden ingezet, die naar verwachting ook van belang zijn voor andere weidevogels als steltkluut en bosruiter.

Tabel 4.1 Selectie van weidevogels die voorkomen in de Duurzame Polder Soort

Rode lijst

IHD in Rijntakken

scholekster

nee

ja

goudplevier

ja

ja

kievit

nee

ja

kemphaan

ja

ja

grutto

ja

ja

wulp

ja

ja

tureluur

ja

ja

watersnip

ja

ja

patrijs

ja

nee

porseleinhoen

ja

ja

kwartelkoning

ja

ja

4.2

Beschrijving wintergasten

4.2.1

Beschrijving en verspreiding wintergasten

Een wintergast is een vogel die in het winterhalfjaar vanuit noordelijk gelegen broedgebied (bijvoorbeeld Scandinavië of Oost-Europa), naar zuidelijker gelegen streken trekt met een gematigder klimaat om te overwinteren. Dit heeft te maken met de temperatuur en het voedselaanbod.

17 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

In de winter is de Duurzame Polder belangrijk voor overwinterende vogels zoals kolgans, grauwe gans, brandgans en toendrarietgans, vanwege haar openheid en de geschikte rust- en foerageergebieden. Grote aantallen watervogels en reigers, zoals de grote zilverreiger, bezoeken het gebied. De landelijke aantallen zijn het hoogst in oktober, maar blijven de hele winter op een hoog peil. De meeste ganzen zijn broedvogels uit Noord- en Oost-Europa die in het najaar en de winter naar Nederland trekken. Er komen in de polder ook verschillende soorten eenden voor, waarvan de aantallen het hoogst zijn in de wintermaanden (oktober-maart). Eenden populaties komen zowel voor in open wateren, boerenland als stedelijk gebied. Sommige eenden soorten zijn vooral in de polder te vinden in de herfst en aan het begin van de winter, zoals wintertalingen, krakeenden, bergeenden, en de slobeend. De kleine zwaan en de wilde zwaan zijn echte wintergasten en zijn aanwezig tussen oktober en maart. De dodaars is alleen bij zacht winterweer te vinden in de polder. Bij strenge vorst zoeken de vogels open water op, veelal in het Deltagebied (SOVON Vogelonderzoek Nederland, n.d.). Nederland is van groot belang voor overwinterende ganzen en smienten. Van soorten als kolgans, grauwe gans en brandgans overwintert meer dan de helft van de Noordwest-Europese populatie in ons land.

Nederland heeft dan ook een grote internationale verantwoordelijkheid en verplichting voor het beiden van rust, ruimte en voedsel voor deze ganzen en smienten in de winter. Door betere bescherming en het sterk veranderende landschap met veel meer voedsel (eiwitrijk gras) zijn ganzen populaties die in Nederland broeden en/of hier de rui doorbrengen in de jaren sterk gegroeid. Dit geldt niet voor alle overwinteraars. Het aantal overwinterende smienten neemt sinds de eeuwwisseling af. Uit de verspreidingskaarten van SOVON blijkt dat de Duurzame Polder een hotspot is voor wintergasten van open agrarisch gebied in de provincie. In de directe omgeving zijn geen andere gebieden met een vergelijkbare kwaliteit (Afbeelding 4.4). Daarbij keren ook ganzen en smienten ieder jaar terug naar hetzelfde gebied. Om dit belangrijke leefgebied van wintergasten, in het bijzonder ganzen en smienten, te beschermen, is een rust- en foerageergebieden aangewezen in de Duurzame Polder (Sierdsema et al., 2019). Er zijn geen slaapplaatsen aanwezig van ganzen en smienten in de Duurzame Polder. Gezien de internationale verantwoordelijkheid en verplichting voor het bieden van rust, ruimte en voedsel voor ganzen en smienten, de afname van bepaalde overwinteraars en belang van de Duurzame Polder op provinciaal niveau is behoud van het huidige rust- en foerageergebied voor wintergasten van groot belang.

18 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

Afbeelding 4.4 Hotspotkaarten vogels van open agrarisch gebied (bron: SOVON)

Afbeelding 4.5 toont een ingezoomde versie van de hotsportkaart. Op de afbeelding is te zien dat de meeste wintergasten zich bevinden ten (noord)oosten van het aangewezen rust- en foerageergebied. Dit is het gebied tod de Hertogswetering, de Weisestraat en de Gewandeweg. Dit gebied kent ook een grootschalige openheid, met weinig bebouwing en veel grasland. Het zuidelijke en noordelijke gedeelte van het rust- en foerageergebied (in zowel de gemeente ’s-Hertogenbosch als Oss) wordt beperkt gebruikt. De verwachting is dat de wintergasten in noordelijkee en westelijke richting het gebied in- en uitvliegen. Dit is namelijk de richting van de grote natuurgebieden, zoals de Rijntakken en de Biesbosch.

19 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

Afbeelding 4.5 Hotspotkaart vogels van open agrarisch gebied voor het plangebied (bron: SOVON)

4.2.2

Voorkomende wintergasten in de Duurzame Polder

Voor iedere vogel wordt aangegeven of de vogel op de Rode lijst staat en of deze een instandhoudingsdoelstelling heeft in het Natura 2000-gebied de Rijntakken. Naast de Rode lijst en de instandhoudingsdoelstelling vanuit het Natura 2000-gebied is rekening gehouden met de populatie aantallen van de vogels1 in de Duurzame Polder en de kwetsbaarheid van de vogels voor windturbines. Dit is opgenomen in bijlage II van dit onderzoek. Hierbij is gebruik gemaakt van watervogeltelgegevens van Sovon. Tabel 4.2 geeft een selectie van de meest voorkomende en kritische wintergasten in de Duurzame Polder. Samengevat zijn wintergasten in de tabel opgenomen wanneer ze een combinatie van twee of meer van de volgende eigenschappen hebben: - wintergasten die voorkomen in de Duurzame Polder en/of kritisch blijken uit gegevens van SOVON; - wintergasten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied de Rijntakken; - wintergasten die zich op de Rode lijst bevinden.

Tabel 4.2 Selectie van wintergasten (gebaseerd op data van Brabants Landschap en de Rode lijst) Wintergast

Rode lijst

IHD in Rijntakken

kleine zwaan

nee

ja

wilde zwaan

ja

ja

kolgans

nee

ja

grauwe gans

nee

ja

1

Niet voor iedere soort is het aantal beschikbaar

20 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

Wintergast

Rode lijst

IHD in Rijntakken

brandgans

nee

ja

smient

ja

ja

wintertaling

ja

ja

pijlstaart

ja

ja

tafeleend

nee

ja

bergeend

nee

ja

krakeend

nee

ja

dodaars

nee

ja

slobeend

ja

ja

nonnetje

nee

ja

Uit de bijlage II blijkt dat de grauw gans en kolgans relatief gezien het meest voorkomen. Dit is met name in de wintermaanden, wanneer de soorten beschermd zijn in het rust- en foerageergebied. Op basis van de beschikbare gegevens kan de exacte ruimtelijke spreiding niet exact gedefinieerd worden. De soorten, waaronder ook de andere in de data van Sovon voorkomende soorten, bevinden zich verspreid over en rondom het plangebied.

4.3

Kwetsbaarheid weidevogels en wintergasten

Weidevogels en wintergasten kunnen kwetsbaar zijn voor windturbines. Effecten van windturbines op weidevogels en wintergasten hangen af van verschillende factoren, zoals het type windturbine, het gedrag, de verspreiding en verschillende kenmerken van vogels. De effecten zijn vaak het grootst bij soorten met een lage reproductiesnelheid. Daarnaast zijn bedreigde en achteruitgaande soorten extra kwetsbaar, omdat hun populaties reeds onder druk staan. Door onderscheid te maken in de kwetsbaarheid van de voorkomende weidevogels en wintergasten in de Duurzame Polder kan een betere overweging gemaakt worden tussen windenergie en maatregelen om deze soorten te behouden en te stimuleren. Hieronder worden de verschillende effecten van windturbines op vogels verder toegelicht. Effecten van windturbines op vogels Windturbines kunnen zorgen voor: - aanvaringsslachtoffers: sterfte door aanvaring; - habitatverlies: door vermijding en/of verstoring (geluid, licht en trillingen); - barrièrewerking. Aan het eind van deze paragraaf is een tabel opgenomen waarin voor iedere eerder genoemde weidevogel of wintergast de kans op aanvaring en de verstoringsafstanden worden benoemd. Aanvaringsslachtoffers Windturbines kunnen zorgen voor aanvaringen met vogels. Aanvaringen met de rotorbladen van windturbines kunnen door hun snelheid grote schade of mortaliteit veroorzaken.

De kans dat een vogel een aanvaring heeft met een rotorblad wordt door verschillende factoren bepaald en hangen onder andere af van de in het gebied aanwezige vogelsoorten in combinatie met gedrags- en omgevingsfactoren (Winkelman et al., 2008). De kans op aanvaringen is het grootst tijdens de voorjaars- en najaarstrek, in de schemering en ’s nachts en/of onder slechte weersomstandigheden. Bij slechte weersomstandigheden, zoals mist, regen en harde wind is de kans op een aanvaring groter. Dit komt doordat vogels dan minder goed kunnen manoeuvreren, het windpark minder zichtbaar is en vogels bij slecht weer lager vliegen, ter hoogte van de rotorbladen (de Grijs, 2018). Andere factoren die het aanvaringsrisico beïnvloeden zijn de opstelling van de windturbines en het type windturbines en de bedrijfsvoering (operationeel of stilstaand).

21 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

Over het type windturbines en de opstelling van windturbines zijn de volgende algemene effectrelaties bekend: plaatsing van windturbines in gebieden nabij en tussen foerageer-, rust- en broedgebieden leidt tot relatief grote aanvaringskansen met een hoge mortaliteit tot gevolg (de Grijs, 2018); de afmetingen van windturbines zijn van invloed op de aanvaringskans. Hierbij zijn met name het rotoroppervlak, de draaisnelheid, de totale hoogte en de afstand van de grond tot de rotorbladen van belang. Bij kleinere windturbines zitten de rotorbladen lager. Hierdoor is er een grotere kans dat laagvliegende vogels in aanvaring komen met de rotorbladen. Daarnaast draaien de rotorbladen van een kleine windturbine sneller dan die van grote windturbines. Hierdoor kunnen de rotorbladen minder zichtbaar zijn voor vogels. Bij grotere windturbines zijn de rotorbladen daarentegen vaak groter, waardoor het aanvaringsoppervlak groter is. Hoewel Loss et al. (2013) een significant verband laat zien tussen de ashoogte en het aantal slachtoffers (Winkelman et al., 2008), laat de literatuur naar de effecten van windturbinegrootte op vogelaanvaringen geen eenduidig beeld zien (Everaert et al., 2011); lijnopstelling versus clusteropstelling: windturbines in een lijnopstelling staan minimaal 3 keer de rotordiameter van elkaar af, evenals windturbines in een clusteropstelling.

Onderzoek in een windpark te Oostbierum wees uit dat voor trekvogels een lijnopstelling parallel aan de hoofdtrekrichting de voorkeur heeft boven een lijnopstelling haaks op de hoofdtrekrichting en dat een open cluster de voorkeur heeft boven een gesloten cluster (Winkelman et al., 2008). Nabij rust- en foerageergebieden zou een gesloten cluster juist de voorkeur hebben, omdat het verstorende oppervlak hiervan het kleinst is. Ook voor trekvogels kan een sterk gesloten cluster de voorkeur hebben, als sprake is van een klein windpark of in bos of gebieden met veel landschapselementen. De extra vliegafstand door barrièrewerking wordt dan beperkt, omvliegen wordt gestimuleerd en de aanvaringskans wordt daarmee beperkt. De afstand tussen windturbines is onderwerp van discussie. Onderbrekingen in lijnopstellingen van windturbines kunnen barrières voor vogels voorkomen, maar het is lastig uitwijkgedrag van vogels correct te voorspellen (Everaert et al., 2011). De kwetsbaarheid van vogelsoorten voor windturbines wordt onder andere bepaald door de periode waarin een vogel in Nederland aanwezig is (als broedvogel, wintergast, trekvogel), het lichaamsgewicht en de vlieghoogte. Omdat de kwetsbaarheid op populatieniveau wordt bepaald, zijn ook factoren als hoge/lage reproductie en natuurlijke populatietrend van belang.

Vogelsoorten die het meest kwetsbaar zijn voor aanvaringen zijn roofvogels, uilen en reigers. Ook kieviten, plevieren, en kraanvogels zijn kwetsbaar. Voor trekvogels geldt dat ze vooral gevoelig zijn voor aanvaringen met windturbines, met name ‘s-nachts en bij ongunstige weersomstandigheden. Weidevogels en andere soorten van open land zijn vooral gevoelig voor habitatverlies, omdat ze uitwijken voor hoog opgaande structuren in het open landschap waarin ze broeden. Habitatverlies Verstoring kan ontstaan door de fysieke aanwezigheid van windturbines en bijbehorende constructies, waardoor zowel de locatie als de omgeving gemeden kunnen worden. Verstoring wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van de windturbine (en onder andere verlies van openheid) en optische verstoring en geluidsverstoring die de windturbine teweegbrengt. Vermijding van een gebied door verstoring kan leiden tot habitatverlies (de Grijs, 2018). Voornamelijk zwanen, ganzen, eenden, weidevogels en sommige zangvogels hebben hier last van, omdat ze uitwijken voor hoog opgaande structuren in het open landschap waarin ze broeden (Vogelbescherming Nederland, 2020). In enkele gevallen kan ook een afschrikwekkende werking ontstaan, doordat windturbines door vogels worden aangezien als uitkijkpunten voor roofvogels (Pruett et al., 2009).

Verstoring kan daarnaast een indirect effect hebben op de overleving en reproductie van vogels, door veranderingen in de energiehuishouding, waardoor negatieve veranderingen in de populatieomvang kunnen optreden. Het vermijden van windturbines is sterker bij clusters windturbines vergeleken met rijen. Dit komt omdat vogels zelden door een cluster heen vliegen (Larsen & Madsen, 2000). Het vermijdingsgedrag kan variëren gedurende het jaar, bijvoorbeeld door een veranderend voedselaanbod (Douglas et al., 2011). Verstoringsafstanden van broedvogels tot windturbines zijn over het algemeen kleiner dan die van nietbroedvogels tot windturbines, waarbij de verstoringsafstand afhankelijk van de soort veelal tussen de 50 en

22 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

600 m ligt. Voor de meeste broedvogels, waaronder dus weidevogels, is de verstoringsafstand maximaal 500 m (Winkelman et al., 2008; Pearce-Higgins et al., 2009). Voor niet-broedvogels ligt de maximale verstoringsafstand hoger, namelijk rond de 600 m (Winkelman et al., 2008). Ook is er vaak een afname van het aantal boerenlandvogels, zoals de patrijs, kievit, veldleeuwerik, geelgors, grasmus en gele kwikstaart, rondom windturbines (Rosin et al., 2016). Daarnaast is er direct bewijs voor het afnemen van goudplevieren rondom windturbines. Over het algemeen treedt geen gewenning op bij broedvogels, waardoor een blijvend effect ontstaat (Pearce-Higgins et al., 2008; Shaffer & Buhl, 2016). Wintergasten worden vaak tot op 800 m afstand verstoord door windturbines. De verstoringsafstanden zijn variabel, van 800 m bij de kolgans tot slechts 100-200 m bij de kleine rietgans (Dierschke et al., 2016; Larsen & Madsen, 2000; Plonczkier & Simms, 2012). Ook is bewezen dat sommige soorten, zoals kleine rietganzen, na enkele jaren wennen aan de windturbines, waardoor de verstoringsafstand uiteindelijk afneemt (Madsen & Boertmann, 2008). Barrièrewerking Barrièrewerking is een vorm van verstoring en leidt tot verlies van vrije vliegruimte en vrije doorgang door de aanwezigheid of het operationeel zijn van de windturbines.

Barrièrewerking kan zowel leiden tot een verschuiving van dagelijkse vluchten als tot een verschuiving van de vliegrichting van de seizoenstrek (Winkelman et al., 2008). De verandering van vliegroutes tussen rust-, foerageer- en broedgebieden kan leiden tot een verhoogd energieverbruik van vogels. Dit kan van wezenlijke invloed zijn op de overlevingsen reproductiegraad van een populatie en daarmee de populatieomvang negatief beïnvloeden. De opstelling van windturbines is van invloed op de mate waarin barrièrewerking optreedt. Bij enkele windturbines en windturbines die lijnvormig parallel aan de vliegrichting zijn opgesteld is de omvliegafstand voor soorten beperkt. Bij opstelling van windturbines in clusters of in lijnvormige opstellingen haaks op de vliegroute is de barrièrewerking groter, waardoor gebieden voor soorten onbereikbaar kunnen worden. Soorten die zich dagelijks bewegen tussen foerageer- en rustgebieden worden extra gehinderd door de barrière van windturbines. Het gaat hierbij om vogels, zoals ganzen, steltlopers en kraanvogels (Hötker et al., 2005). Ooievaars, zwanen en kievieten passen vaak hun vliegroutes aan tussen foerageer- en rustgebieden (Fijn et al., 2012; Langgemach & Dürr, 2013; Reichenbach & Steinborn, 2011). De weidevogels komen met name uit westelijke richting de Duurzame polder binnen en bewegen tussen de twee kerngebieden.

Tabel 4.3 geeft een overzicht van de geselecteerde weidevogels en wintergasten in de Duurzame Polder en hun kwetsbaarheid voor aanvaring en verstoring.

Tabel 4.3 Geselecteerde weidevogels en wintergasten en bijbehorende kans op aanvaring en verstoringsafstand. Een (-) betekend onbekend Vogelsoort

Aanvaringskans

scholekster

-

goudplevier

Hoog

-

kleine plevier

Hoog

-

kievit

Hoog

500

kemphaan

-

500

grutto

-

500

wulp

-

500

tureluur

-

500

watersnip

-

500

kluut

-

500

patrijs

Laag

500

23 | 35

Witteveen+Bos | 134741/24-000.413 | Concept 01

Verstoringsafstand (m) 500

Vogelsoort

Aanvaringskans

porseleinhoen

Laag

500

kwartelkoning

Laag

500

kleine zwaan

Hoog

-

wilde zwaan

Hoog

500

kolgans

Hoog

800

grauwe gans

Hoog

800

brandgans

Hoog

800

smient

Hoog

400

wintertaling

Hoog

100 - 250

pijlstaart

Hoog

-

tafeleend

Hoog

-

bergeend

Hoog

-

krakeend

Hoog

-

dodaars

Hoog

-

slobeend

Hoog

-

nonnetje

Hoog

150

grote zilverreiger

Hoog

-

4.4

Verstoringsafstand (m)

Conclusie

De Duurzame Polder is met name op provinciale schaal een belangrijk gebied voor weidevogels en wintergasten. Het is een van de weinige plekken in Noord-Brabant waar deze soorten in hoge aantallen en diversiteit voorkomen, en ieder jaar terugkeren. Het zijn ook juist deze soorten die kwetsbaar zijn voor verstoring door windturbines en aanvaring met windturbines. Met name vogelsoorten met kleine populaties en een lage reproductie (bijvoorbeeld grutto, kemphaan, wilde zwaan, smient) zijn extra gevoelig voor de realisatie van windturbines. Daarbij heeft Nederland een Europese verantwoordelijkheid voor het behoud weidevogels en een internationale verantwoordelijkheid en verplichting voor het bieden van rust, ruimte en voedsel voor wintergasten. Het belang van de Duurzame Polder, de kritische status van deze vogelsoorten en beschermingsregimes maken behoud niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk vanuit Wnb. Hierbij geldt dat de weidevogels geen planologisch beschermde gebieden hebben, maar enkel beschermd zijn tijdens het broedseizoen vanuit de Wnb. De wintergasten hebben wel een planologisch beschermd gebied, maar komen ook op andere plaatsen veel voor. Voor deze soorten lijkt met name de aanwezigheid van geschikte, open graslanden van belang. Dit is ook op andere plaatsen te vinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=a0bc99fd-f058-4380-8e6b-024498fab87d