Bijlage toelichting MFA en woningbouw Looveltlaan Oss – 2023
Tekst van het document
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 26 van 52 Vastgesteld
5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningsvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.
De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen.
Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Uitwerking plangebied Alle dermate aanwezige relevante cultuurhistorische waarden zijn meegenomen in het eerder benoemde archeologische onderzoek, dit is ook afgestemd met de gemeente Oss.
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 27 van 52 Vastgesteld
5.4 Mobiliteit en parkeren 5.4.1 Verkeer De Koersnota Mobiliteit (2023) heeft als doel het versterken van de kwaliteit van de openbare ruimte, het toegankelijk en bereikbaar houden van basisvoorzieningen, het verduurzamen van de mobiliteit, het versterken van het economisch vestigingsklimaat, het vergroten van de verkeersveiligheid en het terugdringen van de hinder. Van belang is de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot extra verkeersbewegingen, of deze toename van verkeersbewegingen past binnen de normen die voor de verschillende typen wegen gelden en hoe het perceel aansluit op de openbare weg. Uitwerking plangebied Met het plan worden 18 zelfstandige appartementen, 48 zorgappartementen en een buurthuis gerealiseerd in een MFA. Tegelijkertijd verdwijnt een bestaand verpleeghuis met 50 plaatsen en een wijkcentrum. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van zowel de bestaande als de toekomstige situatie kan worden aangesloten bij de CROW publicatie ‘parkeerkencijfers 2024 – basis voor parkeernormering’ (nr. 744). Voor de zelfstandige appartementen is uitgegaan van de activiteit ‘huur, appartement, sociale huur, < 75 m2 bvo’.
Voor de zorgappartementen is de activiteit ‘verpleeg- en verzorgingstehuis’ het meest passend, maar aangezien voor deze activiteit geen verkeersgeneratie kengetallen beschikbaar zijn is ervoor gekozen om worst-case aansluiting te zoeken bij de activiteit ‘Aanleunwoning, serviceflat (zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen)’. Voor het buurthuis geeft de CROW publicatie geen passende activiteiten. Daarom wordt hiervoor aansluiting gezocht bij de parkeernormering van een ‘Cultureel centrum / Wijkgebouw’ uit de Nota Parkeernormen 2017 van de gemeente Oss. Worst-case wordt ervan uitgegaan dat iedere parkeerplaats gemiddeld twee keer per dag wordt gebruikt. Dat resulteert in gemiddeld 4 verkeersbewegingen per etmaal per parkeerplaats. Gelet op de ligging van de locatie kan worden aangesloten bij de uitgangspunten ‘matig stedelijk’ en ‘rest bebouwde kom’. In onderstaande tabellen zijn de verkeersgeneraties van beide situaties weergegeven. Voor beide situaties is de maximale verkeersgeneratienorm gehanteerd. Type bestaande situatie Huur, appartement, sociale huur, 75 m2 bvo Aanleunwoning, serviceflat Cultureel centrum / Wijkgebouw Totaal Type toekomstige situatie Huur, appartement, sociale huur, 75 m2 bvo Aanleunwoning, serviceflat Cultureel centrum / Wijkgebouw Totaal
Aantal
Verkeersgeneratie per woning, zorgplaats of parkeerplaats
Verkeersgeneratie totaal per (weekdag) etmaal
0
3,1
0
50
2,8
140
13,9 pp
4
55,6
-
-
195,6 (196)
Aantal
Verkeersgeneratie per woning, zorgplaats of parkeerplaats
Verkeersgeneratie totaal per (weekdag) etmaal
18
3,1
55,8
48
2,8
134,4
24,9 pp
4
99,6
-
-
289,8 (290)
Gelet op het bovenstaande bedraagt de extra verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling circa 94 motorvoertuigbewegingen per (weekdag) etmaal. Verdeeld over een gemiddelde dag betekent dit een toename van om en nabij (94 motorvoertuigbewegingen gedeeld door 16 actieve uren op een dag =) 6 auto’s per uur op het omliggende wegennet.
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 28 van 52 Vastgesteld
Het plangebied wordt voornamelijk ontsloten via de Saturnusstraat. Via deze ontsluiting kunnen de toekomstige bewoners/bezoekers de parkeerplaats op de begane grond bereiken. Via de Looveltlaan en de Leygraaf wordt het gebied nader ontsloten. De verkeersintensiteiten van deze wegen bedragen (op basis van het verkeersmodel 2022) circa 3.000 mvt/etm voor de Looveltlaan en circa 4.000 mvt/etm voor de Leygraaf. Dit betekent een toename van circa 3% op deze wegen als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Aangezien er in de huidige situatie geen problemen zijn in de verkeersafwikkeling, worden de bestaande ontsluitingswegen in staat geacht om te voorzien in de afwikkeling van de extra verkeersgeneratie als gevolg van het plan. Daarmee vormt verkeer geen belemmering voor de ontwikkeling. 5.4.2 Parkeren Het parkeerbeleid van de gemeente Oss ligt vast in de ‘Nota Parkeernormen Oss 2023’, door het college van B&W vastgesteld op 28 november 2023. In deze nota is vastgelegd dat bij nieuwe projecten (zowel nieuwbouw en verbouw als functiewijziging) rekening gehouden moet worden met de beschikbaarheid van voldoende parkeergelegenheid. Voldoende parkeerplaatsen zijn belangrijk voor de bereikbaarheid en ze voorkomen dat een te hoge parkeerdruk zorgt voor overlast in het gebied. Uitwerking plangebied Voor deze ontwikkeling is een parkeeronderzoek en parkeerdrukmeting uitgevoerd (zie bijlage 4).
In dit onderzoek is uitgebreid beschreven wat de parkeeropgave van deze ontwikkeling is en hoe dit kan worden opgelost. Hieronder zijn de belangrijkste uitgangspunten en conclusies uit het onderzoek beschreven. Op basis van de parkeernormen zoals vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen Oss 2023’ wordt het aantal parkeerplaatsen berekend dat beschikbaar moet zijn in het plangebied. Dit is de parkeereis. Het aantal parkeerplaatsen dat volgt uit de parkeereis, moet na realisatie van het bouwplan beschikbaar zijn in het plangebied. Bij een solitaire ontwikkeling (nieuwbouw, verbouw of functiewijziging van een gebouw) betekent dit dat de parkeerplaatsen op eigen terrein moeten liggen. In onderstaande tabel zijn de (relevante) parkeernormen weergegeven. Functie
Eenheid
Appartement, sociale en middenhuur, 50-75 m2 gbo Aanleunwoning en serviceflat Verpleeg- en verzorgingstehuis
Woning Woning Wooneenheid
Bewoners
Bezoekers
Totaal
0,8 0,8 0,24
0,15 0,15 0,36
0,95 0,95 0,6
Voor zorgappartementen zijn twee typen parkeernormen mogelijk: aanleunwoning en serviceflat (0,95 parkeerplaats per wooneenheid) en verpleeg- en verzorgingstehuis (0,6 parkeerplaats per wooneenheid). Bij het eerste type heeft een deel van de bewoners nog een eigen auto. Voor het bepalen van de parkeereis is als uitgangspunt gehanteerd dat het type bewoner gelijk blijft ten opzichte van de huidige situatie en er geen autobezit van bewoners is. Voor een MFA is geen parkeernorm opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen Oss 2023’. Voor deze functie wordt daarom de parkeernorm voor een ‘Cultureel centrum / wijkgebouw’ uit de nota ‘Parkeernormen 2017 gemeente Oss’ gehanteerd. Deze parkeernorm bedraagt 2,0 parkeerplaats per 10 m2. Het aandeel bezoekers bedraagt 90%. In de ‘Nota Parkeernormen Oss 2023’ is opgenomen dat op een locatie waar een functie verdwijnt als gevolg van het bouwplan, de parkeervraag van de voormalige functie verminderd moet worden op de parkeervraag die berekend is op basis van de parkeernormen (salderen). Op de locatie van het nieuwe Woonzorgcomplex Loovelt verdwijnen een verpleeghuis met 50 wooneenheden en een wijkcentrum met een bvo van 694 m2. Daarnaast is het mogelijk om voor de openbare parkeerplaatsen rekening te houden met dubbelgebruik indien binnen de ontwikkeling verschillende functies worden gerealiseerd.
Om de mogelijkheden voor dubbelgebruik te bepalen zijn de aanwezigheidspercentrages van de ‘Nota parkeernormen Oss 2023’ gehanteerd.
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 29 van 52 Vastgesteld
Rekening houdend met salderen en dubbelgebruik is de parkeerbalans voor de ontwikkeling als volgt:
Figuur 12: Parkeerbalans.
Uit de dynamische parkeerbalans volgt dat op het drukste moment (werkdagavond) de parkeervraag (exclusief de parkeervraag van de bewoners van de appartementen) met 12 parkeerplaatsen toeneemt. In principe moet deze parkeervraag op eigen terrein worden opgelost. Als dat niet mogelijk is, dan kan de gemeente alsnog medewerking verlenen aan het bouwplan door te (laten) onderzoeken of de extra parkeervraag in de omgeving opgevangen kan worden of dat extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte aangelegd kunnen worden. In dit geval: a. zijn in het noordelijk deel van de Saturnusstraat 12 haakse parkeerplaatsen voorzien. Hierdoor verdwijnen 9 langsparkeerplaatsen en 3 parkeerplaatsen op eigen terrein. Het totaal aantal parkeerplaatsen wijzigt op dit deel niet. b. worden in de Saturnusstraat in het verlengde van de bestaande haakse parkeerplaatsen 6 extra parkeerplaatsen aangelegd c. zijn aan de linkerzijde van de huidige ingang van verpleeghuis Loovelt drie haakse parkeerplaatsen aanwezig, waarvan twee plaatsen aangewezen zijn als gehandicaptenparkeerplaatsen. De breedte van deze parkeerplaatsen wordt aangepast aan de richtlijnen voor een gehandicaptenparkeerplaats, waardoor één parkeerplaats komt te vervallen.
Figuur 13: Te realiseren parkeerplaatsen.
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 30 van 52 Vastgesteld
Conclusie De parkeervraag van de bewoners van de appartementen bedraagt 17,1 parkeerplaats. In de parkeernota is opgenomen dat het aantal parkeerplaatsen naar boven afgerond moet worden. Het gaat derhalve om 18 parkeerplaatsen. In het gebouw worden 18 parkeerplaatsen gerealiseerd, die alleen door de bewoners gebruikt mogen worden. Hiermee wordt op eigen terrein voldaan aan de parkeereis voor de bewoners. Op het drukste moment (werkdagavond) neemt de parkeervraag van de overige functie toe met 12 parkeerplaatsen. In de openbare ruimte worden 5 extra parkeerplaatsen gerealiseerd. Dit aantal is onvoldoende om aan de extra parkeervraag te voldoen. Er ontstaat een tekort van 7 parkeerplaatsen. Daarom is onderzocht of deze parkeervraag opgevangen kan worden in de directe omgeving. In bijlage 4 zijn de resultaten van de parkeerdrukmeting weergegeven. Uit de meting volgt kortgezegd dat op het drukste moment (zaterdag 10.30 uur) 273 parkeerplaatsen in de directe omgeving van het plangebied (circa 100 meter loopafstand) bezet waren. De bezettingsgraad was op dat moment 71%. Het gemeentelijk parkeerbeleid stelt dat na realisatie van het bouwplan de bezettingsgraad op de drukste momenten niet hoger mag worden dan 85%. Uit het onderzoek blijkt dat in het onderzoeksgebied nog 50 auto’s geparkeerd kunnen worden voordat de bezettingsgraad 85% wordt.
Daarmee is in voldoende mate aangetoond dat het tekort van 7 parkeerplaatsen probleemloos kan worden opgevangen in de directe omgeving. Om te borgen dat wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen, is in de regels van voorliggend bestemmingsplan opgenomen dat bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan de ‘Nota Parkeernormen Oss 2023’ of diens rechtsopvolger (artikel 7.1). Daarmee vormt het aspect parkeren geen belemmering voor het planvoornemen. 5.5 Water 5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 20232029).
Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. In bebouwd gebied vraagt de zorg voor oppervlaktewater extra aandacht. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2.
Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 31 van 52 Vastgesteld
3.
hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaat robuust watersysteem waarin: • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen.
Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: - Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; - Voorkomen van vervuiling van water; - Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2.
Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied;
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 32 van 52 Vastgesteld
5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. 5.5.2 Watertoets Aan de hand van de digitale watertoets via www.dewatertoets.nl is de watertoets uitgevoerd. De watertoets doorloopt de waterhuishoudkundige doelstellingen en levert mogelijk aandachtspunten en knelpunten op. Het waterschap geeft een wateradvies voor het initiatief. Deze zijn als volgt: -
-
Wij verzoeken u om bij de bouw af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Hiermee worden bijvoorbeeld zink en koper in daken, gevels, goten en leidingen bedoeld. De ontwikkeling dient te voldoen aan het principe van 'hydrologisch neutraal ontwikkelen' (HNO). Dit wil zeggen: waar het verharde oppervlak toeneemt of verhard oppervlak wordt afgekoppeld van de riolering, dienen maatregelen te worden genomen om afstromend hemelwater te verwerken. Algemeen dient te worden gestreefd naar het volgen van de trits 'hergebruikenvasthouden-bergen-afvoeren'. Verder dient versnelde waterafvoer op het oppervlaktewatersysteem te worden voorkomen. Indien de toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 ligt kan de bergingsopgave (in m3) met de Algemene Regels behorend bij de Keur van het waterschap worden berekend. Deze bergingsopgave dient, in eerste instantie, binnen het plangebied te worden verwerkt. Als de toename van verhard oppervlak of het af te koppelen oppervlak meer bedraagt dan 10.000 m2 of als u geen gebruik wilt/kunt maken van de Algemene Regels heeft u een watervergunning nodig. Gestreefd wordt om hemelwater of grondwater dat nu nog via de vuilwaterriolering naar de rioolwaterzuivering wordt afgevoerd, gescheiden af te voeren en te infiltreren/terug te brengen in het lokale watersysteem (afkoppelen grondwater en/of verhard oppervlak).
Het gescheiden aanbieden tot aan de perceelgrens op het gemengde stelsel is op basis van het Bouwbesluit wenselijk, daarbij alvast anticiperend op een toekomstige ombouw van bestaande gemengde vuilwaterstelsels naar gescheiden stelsels. Bij nieuwbouwgebieden dient geen grond- of hemelwater te worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering, oftewel niet-aankoppelen. Dit grond- of hemelwater wordt in het plangebied verwerkt. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van zoveel mogelijk verhard oppervlak.
Uitwerking plangebied Ontwikkelingen met een toename onder de 500 m² verhard oppervlak moeten 25 mm hemelwater op eigen terrein kunnen bergen. In de bestaande situatie is het plangebied nagenoeg volledig verhard. De hoeveelheid verhard oppervlak neemt als gevolg van het onderhavige initiatief niet toe, daarom is in het plangebied geen hemelwaterberging nodig. Afval Water Aangaande de afvoer van afvalwater is de gemeente bevoegd gezag. Water moet gescheiden (afvalwater apart van overstort/ overloop hemelwater) worden aangeboden. De gemeente is ervoor verantwoordelijk dat ten behoeve van afvalwater wordt aangesloten op het hoofdriool. Hierbij is de gemeente ook aan zet voor de daarvoor benodigde voorzieningen en de eventueel benodigde aanpassingen op de bestaande voorzieningen buiten het plangebied. Een en ander ter realisering en aansluiting in overleg met de gemeente. Voor de te realiseren rioolaansluiting moet de initiatiefnemer een aansluitvergunning aanvragen. Afvalwater kan op de bestaande riolering worden aangesloten met als aandachtspunt dat bij de uitwerking van het pand de afvalwaterafvoeren worden verzameld om met een minimaal aantal aansluitingen uit het pand en ook van het perceel te komen. 5.6 Defensie Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied.
Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 33 van 52 Vastgesteld
meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. 5.7 Milieuaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving.
Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geurhinder: agrarisch Geur: industrieel Luchtkwaliteit Straling Weg-, spoor-, en industrielawaai Gezondheid Explosieven 5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Uitwerking plangebied Rondom de beoogde ontwikkeling bevinden zich geen bedrijven of functies die impact kunnen hebben op de ontwikkeling. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid bevindt zich op circa 25 meter ten westen van de planlocatie, dit betreft het winkelcentrum aan de overkant van de Looveltlaan. In dit gebied is maximaal milieucategorie 2 toegestaan.
De omgeving kenmerkt zich als ‘gemengd gebied’. In gemengd gebied geldt voor milieucategorie 2 een richtafstand van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Daarnaast wordt met het bestemmingsplan geen (volledig) nieuwe milieubelastende activiteit toegestaan. Het maatschappelijke gebruik wordt ten opzichte van de bestaande situatie namelijk planologisch gezien niet verruimd. In de feitelijke situatie wordt echter wel het buurthuis verplaatst (van noord naar zuid) en worden nabij/boven het buurthuis nieuwe gevoelige functies gerealiseerd. Daarom wordt, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het maatschappelijke gebruik in deze paragraaf wel meegenomen. In het toekomstige buurthuis wordt beoogd om diverse activiteiten passend bij een buurthuis te organiseren. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan dagbesteding, biljarten, kaarten, bingo, feesten en dansavonden. Soms is dat met (versterkt) geluid, in de vorm van een microfoon of muziek. Dergelijke activiteiten kunnen worden beschouwd als activiteiten passend bij een ‘buurt- en clubhuis’. Deze
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 34 van 52 Vastgesteld
categorie heeft milieucategorie 2 en een richtafstand van 30 meter op basis van geluid. In een gemengd gebied kan deze richtafstand met een trede worden verlaagd naar 10 meter. De meest nabijgelegen gevoelige functie bevindt zich op 0 meter. Daarom is een akoestisch onderzoek (bijlage 5) uitgevoerd om te bepalen of er in de toekomstige situatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarin is rekening gehouden met alle geluidsbronnen van de planontwikkeling. Hieronder worden de belangrijkste conclusies uit het onderzoek samengevat. Beoordeling in het kader van het Activiteitenbesluit De eis voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in het Activiteitenbesluit bedraagt 50 – 45 – 40 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in respectievelijk de dag-, avond en nachtperiode. Uit Hoofdstuk 4 blijkt dat het hoogste langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 60 dB(A) bedraagt en optreedt op de bestaande woningen aan de oostzijde van het plan. De overschrijding bedraagt ten hoogste 10 dB(A). Van de 22 waarneempunten op de omliggende bestaande bebouwing, wordt op 17 waarneempunten voldaan aan de eisen. Van de 29 waarneempunten op de nieuwe bebouwing, wordt op 18 waarneempunten voldaan aan de eisen. Als de straffactor voor muziekgeluid niet op het laden en lossen wordt toegepast, wordt overal voldaan.
Er treedt enkel een maximaal geluidniveau op ten gevolge van laad- en losactiviteiten in de dagperiode. Deze zijn conform het Activiteitenbesluit uitgesloten van toetsing gedurende deze periode. Beoordeling in het kader van indirecte hinder De optredende gevelbelasting ten gevolge van indirecte hinder bedraagt maximaal 50 dB(A) etmaalwaarde. Deze waarde voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) van de Schrikkelcirculaire Beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn berekeningen uitgevoerd, waarbij ook het stemgeluid en alle overige genoemde bronnen zijn beschouwd. Het toetsingskader voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de VNG Handreiking 2009 bedraagt een etmaalwaarde van 50 dB(A) voor Stap 2 en 55 dB(A) voor Stap 3. Uit Hoofdstuk 4 blijkt dat de hoogste etmaalwaarde 63 dB(A) bedraagt en optreedt ter plaatse van de zorgappartementen. De overschrijding van Stap 3 bedraagt ten hoogste 8 dB(A). Op de bestaande woningen aan de oostzijde bedraagt de etmaalwaarde ten hoogste 60 dB(A), een overschrijding van Stap 3 met 5 dB(A). Op de bestaande woningen aan de oostzijde bedraagt het hoogste maximale geluidniveau in de dagperiode 82 dB(A) en in de avondperiode 68 dB(A).
Hiermee wordt niet voldaan aan stap 3 van de VNG, de overschrijding van de etmaalwaarde betreft 12 dB(A) en wordt voornamelijk veroorzaakt door het laden en lossen. Op de zorgappartementen bedraagt het hoogste maximale geluidniveau in de dagperiode 82 dB(A) en in de avondperiode 67 dB(A). Hiermee wordt niet voldaan aan stap 3 van de VNG, de overschrijding van de etmaalwaarde betreft 12 dB(A). Ter plaatse van de huurappartementen bedraagt de overschrijding van de etmaalwaarde 6 dB(A). Op de bestaande woningen aan de oostzijde zijn pieken ten gevolge van laad- en losactiviteiten en het dichtslaan van portieren maatgevend. Dit is ook het geval voor de zorg- en huurappartementen. Enkel ter plaatse van waarneempunt 27, direct boven het terras, treed een maximaal geluidniveau ten gevolge van stemgeluid op dat hoger is dan VNG stap 3, namelijk 67 dB(A) in de avondperiode. Aanvullend zijn de maximale geluidniveaus inclusief indirecte hinder in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk gemaakt. Op de bestaande woningen aan de oostzijde en de zorgappartementen resulteert deze situatie in een etmaalwaarde van 82 dB(A), waarmee stap 3 van de VNG met 12 dB(A) wordt overschreden. Bij de bepaling van de hoogste etmaalwaarde is het laden en lossen daarmee maatgevend.
Echter, ook in de avond- en nachtperiode waarin geen laad- en losactiviteiten zijn, betreft de overschrijding van stap 3 van de VNG respectievelijk 3 dB(A) en 7 dB(A).
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 35 van 52 Vastgesteld
Op de huurappartementen is een optredend maximaal geluidniveau van 80 dB(A) etmaalwaarde bepaald, waarmee stap 3 van de VNG met 10 dB(A) wordt overschreden. In de avond- en nachtperiode waarin geen laad- en losactiviteiten zijn, betreft de overschrijding van stap 3 van de VNG respectievelijk 5 dB(A) en 10 dB(A). Vanwege het overschrijden van stap 3 van de VNG is inpassing van het plan niet zondermeer mogelijk. Om alsnog een goed woon- en leefklimaat te voorzien, is in overleg met de initiatiefnemer en de gemeente Oss gekeken naar de binnenniveau waarden vanuit het Activiteitenbesluit. Hiertoe is de benodigde karakteristieke geluidwering bepaald, met als uitgangspunt de optredende geluidbelastingen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De hoogst benodigde karakteristieke geluidwering op basis van de binnenniveaus betreft: • Bestaande woningen aan de oostzijde: 27 dB; • Zorgappartementen: 28 dB; • Huurappartementen 25 dB. Aanbevelingen • De MFA zal tussen 23u en 07u geen geluiduitstraling ten gevolge van muziekgeluid tot stand brengen, zoals is aangehouden bij de uitgangspunten van voorliggende rapportage. • Het terras, de jeu-de-boules baan en de kiss-and-ride dienen enkel in gebruik te zijn gedurende de dag- en avondperiode. Dit betekent dat alle bezoekers om 23u het terrein verlaten moeten hebben (dan wel stil moeten zijn).
• Het terras mag niet worden overdekt en verwarmd. • In voorliggende rapportage wordt interne geluidoverdracht niet verder beschouwd. Voor de benodigde maatregelen ten gevolge van interne geluidoverdracht wordt verwezen naar Bijlage V. Bij de modellering van de zaal is uitgegaan van de door Klictet gedimensioneerde maatregelen. Alvorens de zalen in gebruik worden genomen, wordt geadviseerd om een controlemeting uit te voeren om het daadwerkelijke maximale bronvermogen in de zaal te bepalen. Hierbij dient wederom de staffactor voor muziekgeluid in rekening te worden gebracht. • Bij de aanvraag omgevingsvergunning dienen berekeningen ter onderbouwing aangeleverd te worden waarin de benodigde karakteristieke geluidwering wordt aangetoond. Ter plaatse van de bestaande woningen moeten de benodigde aanpassingen aan de gevel gereed zijn alvorens oplevering van het plan. Op het gebied van bedrijven en milieuzonering zijn er, rekening houdend met bovengenoemde aanbevelingen, geen belemmeringen voor het onderhavige initiatief. 5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies.
In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Uitwerking plangebied In het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 6). Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen sloop en nieuwbouw op de onderzoekslocatie. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien matig humeus en zwak tot matig grindig. De ondergrond is plaatselijk zwak tot matig humeus. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen en bijzonderheden waargenomen. Tijdens de werkzaamheden zijn er zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 In de bovengrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. In de ondergrond zijn eveneens geen verontreinigingen geconstateerd. Er zijn in boven- en ondergrond geen OCB aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en xylenen. Gelet op het regionale karakter van de lichte
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 36 van 52 Vastgesteld
verontreinigingen in het grondwater en het ontbreken van verontreinigingen in de grond kan de onderzoekslocatie als "onverdacht" ten opzichte van haar omgeving worden beschouwd. Er bestaan met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem dan ook géén belemmeringen voor de voorgenomen sloop en nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Verkennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707 In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm eveneens geen asbest aangetoond. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Voor de resultaten van het bodemonderzoek wordt doorverwezen naar het rapport, opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting. 5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen.
Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan.
Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt.
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 37 van 52 Vastgesteld
Uitwerking plangebied Gemeentelijke wegen In figuur 7 is te zien dat het plangebied nabij een gemeentelijke weg ligt. Echter de beleidsvisie zegt het volgende; “Langs waterwegen en provinciale en gemeentelijke wegen is, vanwege de beperkte vervoersomvang van gevaarlijke stoffen, geen kader opgenomen. Het risico op een ongeval met gevaarlijke stoffen is hier dusdanig klein dat er voor is gekozen om niet van tevoren ruimtelijke keuzes te maken.” Hierdoor wordt er geen belemmering gezien voor het uitvoeren van het plan. Spoor Het plangebied ligt op ruime afstand (meer dan 500 meter) van de spoorlijn 's Hertogenbosch-Nijmegen. Over deze spoorlijn vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Daarom moeten we voor dit wijzigingsplan nagaan of het aanvaardbaar is om op dit perceel een MFA te vestigen. We kijken daarvoor naar onze gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid. Het plan gaat om het mogelijk maken van onder andere een verzorgingshuis, deze valt onder de zeer kwetsbare objecten. In de beleidsvisie is opgenomen dat binnen de 10-6 -contour niet is toegestaan. Volgens de signaleringskaart (zie figuur 7) valt het projectgebied binnen het invloedsgebied van spoorwegen. Daarnaast valt de project locatie in zone IV (>300 meter) uit de beleidsvisie externe veiligheid. Bij zone IV, vanaf 300 meter wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk.
In dit gebied zijn geen functies uitgesloten, bescherming wordt geboden door ‘ramen en deuren te sluiten’.
Figuur 14 Signaleringskaart Gemeente Oss 2011 (projectlocatie blauw aangegeven).
Vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident, de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas) zal het groepsrisico niet significant toenemen. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS.
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 38 van 52 Vastgesteld
De medewerkers van Brabant Zorg worden geïnformeerd over het risico en handelings-perspectief (cliënten naar binnen, ramen en deuren sluiten, ventilatie afschakelen). Schakelaars t.b.v. het uitschakelen van de ventilatie worden duidelijk herkenbaar en voor bewoners en begeleiders makkelijk vindbaar gemaakt. 5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is.
De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
Uitwerking plangebied Rondom het plangebied bevinden zich geen agrarische bedrijven die impact hebben op de beoogde ontwikkeling. 5.7.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 39 van 52 Vastgesteld
algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Uitwerking plangebied In paragraaf 5.7.1 van deze toelichting is het aspect bedrijven en milieuzonering aan bod gekomen, in deze paragraaf is geconcludeerd dat de planlocatie niet in de milieuzone is gelegen van nabijgelegen bedrijven of functies. Rondom het plangebied bevinden zich geen industriële bedrijven die impact hebben op de beoogde ontwikkeling.
5.7.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM 10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit.
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 40 van 52 Vastgesteld
Uitwerking plangebied Woon- en leefklimaat De luchtkwaliteitsindex (LKI) beschrijft een mix van stoffen die acuut effect kunnen hebben op de gezondheid. Het gaat om fijnstof, ozon en stikstofdioxide. De planlocatie heeft een LKI van 3.43, dit betreft een matige luchtkwaliteit.
Figuur 15 Afdruk kaart Luchtkwaliteitsindex bij planlocatie (pijl).
Projecteffect (NIBM) Het onderhavige planvoornemen betreft het realiseren van 18 sociale huur appartementen en 48 zorgwoningen waardoor bij voorbaat kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit als gevolg van deze vorm van woningbouw ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Volledigheidshalve is de verwachte verkeersgeneratie van de planlocatie ingevuld in de NIBM-tool. Uitgaande van de maximale bandbreedte genereert het totale plan 1.454,4 verkeersbewegingen per weekdag, met een aandeel van 2% voor middelzwaar vrachtverkeer. Omdat dit aantal verkeersbewegingen het totaal betreft en niet de toename ten opzichte van de bestaande situatie, is de uitkomst in de NIBM-tool een grote overschatting van het projecteffect van het onderhavige plan.
Figuur 16 Afdruk NIBM-tool wordt-case berekening initiatief.
Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. 5.7.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Uitwerking plangebied In de buurt van het plangebied ligt een hoogspanningslijn. Zoals in de onderstaande afbeelding is aangegeven ligt deze op ca. 770 m. De gemeente heeft de richtlijn dat bij elk project dat binnen de zone
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 41 van 52 Vastgesteld
van 80 meter van een bovengrondse hoogspanningslijn moet worden getoetst of de norm van 0,4 microtesla niet wordt overschreden. Omdat het plan buiten de 80 meterzone ligt zijn hierin geen beperkingen voor het plangebied.
Figuur 17 Kaart hoogspanningsleiding ten opzichte van planlocatie.
5.7.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.
De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Uitwerking plangebied De beoogde ontwikkeling grenst aan geluidgezoneerde 50 km/u wegen.
Om deze reden is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd (bijlage 7). Als gevolg van de Leygraaf en
MFA en Woningbouw Looveltlaan Oss – 2023, pag. 42 van 52 Vastgesteld
Looveltlaan treden overschrijdingen op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Dit is ook hoger dan de streefwaarde van de gemeente voor dit gebiedstype. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Voor de woningen dient vanwege de overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de Leygraaf en Looveltlaan een hogere waarde bij het college van B&W te worden aangevraagd. Hiervoor zal het plan eerst aan een criterium en de voorwaardes uit het gemeentelijk geluidbeleid moeten voldoen. Het plan voldoet aan het criterium “vervangen bestaande bebouwing” uit het gemeentelijk geluidbeleid. Voor de zorgappartementen geldt als voorwaarde dat tenminste 50% van de wooneenheden gesitueerd zijn aan een gevel met een geluidsbelasting van maximaal 5 dB boven de voorkeursgrenswaarde (53 dB). Meer dan de helft van de zorgappartementen beschikt over een luwe gevel, er wordt voldaan aan de voorwaarde. Verder geldt voor de reguliere appartementen de voorwaarde dat ze beschikken over een gevel met een geluidsbelasting van maximaal 5 dB boven de voorkeursgrenswaarde (53 dB). Voor 9 appartementen in het onderhavige plan kan niet aan deze voorwaarde worden voldaan (3 appartementen per verdieping). Op aangeven van de gemeente Oss kan voor deze 9 appartementen, met een goede motivering, van de voorwaarde worden afgeweken.
Ter motivering kunnen de volgende kenmerken van het plan in overweging worden genomen: • bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet doelmatig of stuiten op overwegende bezwaren; • de berekende geluidsbelastingen zijn lager dan de maximaal te ontheffen waarde; • het herindelen van het plan om toch te voldoen aan de voorwaarde is praktisch gezien niet haalbaar; • aan de overige criteria uit het geluidbeleid kan wel worden voldaan; • middels een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels wordt het vereiste binnenniveau conform het Bouwbesluit 2012 gewaarborgd. Voor de geluidsbelasting afkomstig van de Leygraaf en Looveltlaan is ontheffing hogere waarde Wet geluidhinder aangevraagd. Door middel van een separaat traject is een verzoek voor ontheffing hogere waarden Wet geluidhinder ingediend, dit verzoek is tegelijkertijd met het bestemmingsplan in procedure gebracht. Onder voorwaarden heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss besloten ontheffing te verlenen. Het besluit is in de bijlage van de regels gevoegd. In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waardoor de woningen in het plangebied alleen in gebruik kunnen worden genomen mits aan de voorwaarden uit het Besluit ontheffing hogere waarden Wet geluidhinder is voldaan.
5.7.9 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.