Bijlage II - Beantwoording zienswijzen
Tekst van het document
ZIENSWIJZENNOTA NRD MER DUURZAME POLDER Maart 2023
1
INLEIDING
Zienswijzen Deze zienswijzennota heeft betrekking op de Notitie reikwijdte en detailniveau (NRD) voor de Milieueffectrapportage (MER) voor de Duurzame Polder. Van 8 september 2022 tot en met 19 oktober 2022 heeft de NRD ter inzage gelegen en kon iedereen reageren op de NRD door een zienswijze in te dienen. In totaal zijn 176 zienswijzen ingediend. Van het totaal hebben 156 mensen gebruik gemaakt van de zienswijze die door de belangengroepen GROEN inZICHT en Behoud Lithse Polder is opgesteld. Daarnaast zijn 20 brieven ingezonden met aanvullende c.q. individuele reacties. Daarnaast is één zienswijze buiten de termijn ingediend, maar de punten van deze zienswijze zijn overeenkomstig andere zienswijzen en zijn dus meegenomen. Met deze zienswijzennota reageren de gemeenten ‘s-Hertogenbosch en Oss op de ingediende zienswijzen. Per opmerking, vraag of aanbeveling wordt een reactie gegeven en worden de gevolgen voor het MER aangegeven. De nota geeft antwoord op de vaak ingediende zienswijze (van GROEN inZICHT en Behoud Lithse Polder) en de aan deze zienswijze toegevoegde aandachtspunten. Daarnaast zijn de veelvoorkomende thema’s uit de ingediende brieven opgenomen in deze zienswijzennota. De overige, individuele reacties van indieners van brieven (hierna: reclamanten) en beantwoording daarvan zijn opgenomen in een tabel.
Vervolgproces Deze zienswijzennota wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van beide gemeenten en ter informatie aan de gemeenteraden toegezonden. Voor zover een zienswijze betrekking heeft op het MER en deze een aanvulling of wijziging geeft op de NRD, wordt de zienswijze zo mogelijk verwerkt in de onderzoeksaanpak van het MER. Per zienswijze is aangegeven of deze gevolgen heeft voor de inhoud van het MER. Leeswijzer Hoofdstuk 2 bevat de reacties op de standaard zienswijze. In hoofdstuk 3 zijn de meeste aandachtspunten die door reclamanten op het standaard zienswijzeformulier zijn geschreven, gebundeld en beantwoord. In hoofdstuk 4 zijn de veel voorkomende reacties uit de ingediende brieven en overige, geschreven aandachtspunten samengevat en beantwoord. De overige reacties en vragen uit de brieven zijn in tabel 5.1 in hoofdstuk 5 opgenomen.
2
ZIENSWIJZEN EN REACTIES
2.1
Afstandsnormen
Zienswijze Er is sprake van (rechts)ongelijkheid doordat de afstandsnormen per gemeente verschillen, zodat bewoners in beide gemeenten op verschillende manieren blootgesteld worden aan de effecten van windturbines. Reactie Voor windturbines moet voldaan worden aan de landelijke wettelijke normen voor onder andere geluid, slagschaduw en veiligheid. Deze normen gelden voor zowel gemeente Oss als gemeente ’s-Hertogenbosch. In aanvulling op deze wettelijke normen, kunnen gemeenten bovenwettelijke eisen als uitgangspunt stellen. Gemeente Oss en gemeente ’s-Hertogenbosch kiezen er beiden voor om bovenwettelijke eisen te stellen. Dit zijn inderdaad verschillende eisen (dit wordt hieronder beschreven). We begrijpen dat dit niet ideaal is, aangezien het een gezamenlijk project is. Toch is dit wel de situatie die is voortgekomen uit de eerdere raadsbehandelingen in beide gemeenten. Elke raad heeft hierin zijn eigen bevoegdheid. Voor gemeente Oss is de politieke keuze gemaakt om een maximale inspanning te doen om de afstanden tot de bebouwde kom van woonkernen zo groot mogelijk te laten zijn, en als uitgangspunt een afstand van minimaal 2 km te hanteren.1
1
Raadsbesluit gemeente Oss van 28 januari 2021.
2 | 55
Gemeente ’s-Hertogenbosch heeft de politieke keuze gemaakt om een minimumafstand van 1 km tot de bebouwde kom van de woonkernen aan te houden.1 Voor de volledigheid van het milieuonderzoek en op advies van de provincie Noord-Brabant worden in het MER alternatieven onderzocht waarbij de wettelijke normen (minimaal aan te houden afstand tot woningen) worden aangehouden. Dit om een compleet beeld te krijgen van de verschillen in effecten tussen de varianten met en zonder 1- en 2 km begrenzing en ter onderbouwing van de 1en 2 km begrenzing. Gevolg voor MER Deze zienswijze heeft geen gevolgen voor de inhoud van het MER.
2.2
Nut en noodzaak
Zienswijze De keuze voor 16 Bossche windturbines moet onderbouwd worden vanuit een nut en noodzaak achtergrond. Er is geen link meer met de Regionale Energie Strategie en eerdergenoemde gemeentebesluiten. Er zijn efficiëntere manieren om in de energiebehoefte te voorzien, die minder negatieve omgevingsgevolgen meebrengen zoals zonnepanelen op daken en kernenergie. Reactie De gemeenten ’s-Hertogenbosch en Oss willen beiden klimaatneutraal worden, in respectievelijk 2045 en 2050. Om dit te bereiken moeten we omschakelen naar duurzame energie. De gemeenten hebben niet alleen zelf deze ambitie, maar in de Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 Noordoost Brabant is ook vastgelegd dat in de regio 1,6 TWh duurzame energie opgewekt moet worden. De gemeente ’s- Hertogenbosch pakt, vanwege de eigen klimaatambities, door op de opgelegde opgave uit de RES en wil die versnellen; de gemeente doet dus méér dan de RES-opgave. De gemeente kiest ervoor om de opgave en de versnelling te realiseren met windenergie in de Duurzame Polder, te weten 16 windturbines op grondgebied van ’s-Hertogenbosch voor 2030. Deze afspraak is opgenomen in het Bestuursakkoord van de gemeente van mei 2022, en is op 31 mei 2022 ook door de gemeenteraad met een raadsbesluit ondersteund.
In het ontwerpend onderzoek wordt ook een doorkijk gegeven in de maximale energie-opwek, gelet op de gemeentelijke ambitie van klimaatneutraal in 2045. Het klopt dat zonnepanelen op daken een minder grote impact op de omgeving hebben. Daarom is in de Regionale Energie Strategie (RES) ook verkend in hoeverre aan de energieopgave invulling kan worden gegeven door toepassing van zon op dak. Het is echter niet mogelijk om de energiedoelstelling voor 2030 volledig met zon op dak in te vullen. Gemeente ’s-Hertogenbosch heeft wel het voornemen om binnen de gemeente ’sHertogenbosch (buiten de Duurzame Polder) circa 50 ha aan zonnevelden te realiseren. De rijksoverheid onderzoekt de mogelijkheid om kernenergie toe te passen. Een kerncentrale is echter niet voor 2030 uitvoerbaar, daarom is het niet realistisch om voor de invulling van de energiedoelstelling voor 2030 op deze techniek te rekenen. Gevolg voor MER Deze zienswijze heeft geen gevolgen voor de inhoud van het MER.
2.3
Elektriciteit van zee
Zienswijze De wetenschap dat de overheid grootschalig inzet op elektriciteit van zee voor het hele land is tegenstrijdig met de ambities van de gemeenten ‘s-Hertogenbosch en Oss om zelf in hun elektriciteitsbehoefte te voorzien.
1
Raadsbesluit gemeente ’s-Hertogenbosch van 6 oktober 2020.
3 | 55
Reactie In het (nationale) Klimaatakkoord zijn twee doelstellingen afgesproken: in 2030 wordt 49 TWh wind op zee en 35 TWh duurzame energie op land met wind en zon opgewekt. Daarmee is de ontwikkeling van dit windpark op land niet tegenstrijdig met de ontwikkeling van grootschalige windparken op zee, maar vullen deze elkaar aan om de energiedoelstelling voor 2030 te halen. We hebben beide ontwikkelingen nodig om aan onze energievraag te kunnen voldoen. De opwek alleen op zee is niet afdoende om aan de energievraag in de toekomst te kunnen voldoen. Gevolg voor MER Deze zienswijze heeft geen gevolgen voor de inhoud van het MER.
2.4
Varianten voor zon en/of wind
Zienswijze Beide gemeenten kiezen voor 100 % wind in de Duurzame Polder. Hierdoor realiseren ze hun klimaatdoelen niet op windstille dagen. Er moeten varianten voor zon en/of wind worden opgesteld. Reactie Beide gemeenten hebben inderdaad voor de Duurzame Polder uitsluitend gekozen voor windenergie. 1 Windenergie vraagt veel minder ruimtebeslag dan zonne-energie en is te combineren met andere functies zoals landbouw en natuur. Op andere plekken in de gemeenten is wel (beperkt) ruimte voor ontwikkeling van zonneenergie op land, wat zal bijdragen aan een gebalanceerde mix van energie. Het balanceren van vraag en aanbod van energie gebeurt daarnaast door het toepassen van systeemoplossingen op regionaal, nationaal en internationaal niveau en is niet slechts een gemeentelijke aangelegenheid. Gevolg voor MER Deze zienswijze heeft geen gevolgen voor de inhoud van het MER.
2.5
Type windturbine
Zienswijze Om adequaat de milieueffecten van windturbines vast te stellen moet de MER specificeren van welk type windturbine wordt uitgegaan (hoogte en diameter wieken). Reactie In het MER werken we met referentieturbines die samen de minimale en maximale afmetingen van windturbines vertegenwoordigen. Daarmee brengt het MER de realistische worst-case effecten van het windpark in beeld en geeft daarnaast aan in hoeverre effecten wijzigen bij de keuze voor een turbine met andere afmetingen. De uiteindelijk te vergunnen windturbines moeten passen binnen de bandbreedtes die zijn onderzocht in het (plan)MER. Gevolg voor MER In het MER worden referentieturbines geselecteerd die qua afmetingen de onder- en bovengrens representeren. De effecten van deze referentieturbines worden in het MER onderzocht. Deze zienswijze heeft geen gevolgen voor de inhoud van het MER, omdat dit al onderdeel was van de uitgangspunten.
1
Dit volgt voor gemeente ’s-Hertogenbosch uit de Visie energielandschap gemeente ’s-Hertogenbosch en het Bestuursakkoord 20222026 gemeente ‘s-Hertogenbosch. Voor gemeente Oss volgt dit uit het Raadsbesluit van 28 januari 2021.
4 | 55
2.6
Uitstoot van luchtverontreinigende stoffen en laagfrequent geluid
Zienswijze Op de thema’s ‘gezondheid’ benoemt de NRD niet 1) de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen door windturbines (gassen/verfdeeltjes/fijnstof) en 2) laagfrequent geluid. Reactie De uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals gassen, verfdeeltjes en fijnstof valt onder het thema ‘Luchtkwaliteit’ in het beoordelingskader van het NRD. Het loslaten van verfdeeltjes wordt ook beschreven onder dit thema, voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van de zienswijzennota. Laagfrequent geluid valt onder het thema ‘Geluid’ in het beoordelingskader van het NRD. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.5 van de zienswijzennota. Ook bij het thema ‘Gezondheid’ worden de effecten van luchtkwaliteit en geluid op gezondheid beschreven. Hier vallen ook de genoemde specifieke aspecten die daar onderdeel van zijn, zoals verfdeeltjes en laagfrequent geluid, onder. Zie ook paragraaf 4.3 van de zienswijzennota. Gevolg voor MER De effecten van uitstoot van luchtverontreinigende stoffen en laagfrequent geluid worden beschouwd in het MER, als onderdeel van de thema’s ‘Luchtkwaliteit’, ‘Geluid’ en ‘Gezondheid’. Deze thema’s waren al opgenomen in het beoordelingskader van de NRD. Hoewel de zienswijze dus geen gevolgen voor het MER heeft, hopen we u hiermee meer inzicht te hebben gegeven in de onderzoeksmethode.
2.7
Nieuwe inzichten
Zienswijze Er moet in de MER nadrukkelijk rekening gehouden worden met nieuwe inzichten: bijvoorbeeld nieuwe afstands/geluidsnormen windturbines, nieuw landelijk en Europees beleid en de recente uitspraak RvS met betrekking tot gezondheidseffecten (30 juni 2021). Reactie In het MER wordt rekening gehouden met de actuele inzichten en uitgegaan van de vigerende wetgeving en het geldende beleid. Zie ook het antwoord onder paragraaf 4.5 over geluid. Gevolg voor MER In het MER wordt inderdaad rekening gehouden met de actuele inzichten, de vigerende wetgeving en het vigerende beleid. Deze zienswijze heeft geen gevolgen voor de inhoud van het MER, omdat dit al onderdeel was van de uitgangspunten.
2.8
Compensatie aan bewoners
Zienswijze In de NRD wordt gesproken over compensatie aan bewoners/belanghebbenden bij negatieve milieueffecten. Er wordt niet gesproken over de wijze waarop die wordt vastgesteld, voor wie deze bedoeld is en door wie deze betaald wordt. Reactie In de NRD wordt niet gesproken over (financiële) compensatie aan bewoners en belanghebbenden. Financiële compensatie is ook geen onderdeel van het MER. Compensatie van negatieve milieueffecten is wel onderdeel van de NRD en het MER. Zie daarvoor paragraaf 4.2 van de zienswijzennota.
5 | 55
Financiële participatie is wel een belangrijk onderdeel van het project. We vinden het van belang dat diegene die lasten ondervinden, hier ook lusten van kunnen krijgen. De verdere uitwerking van de uitgangspunten van financiële participatie willen we nog voor de zomer van 2023 met omwonenden en organisaties gaan bespreken. Wat betreft financiële compensatie aan bewoners wordt, wat betreft planschade, verwezen naar paragraaf 3.3 van de zienwijzennota. Gevolg voor MER Deze zienswijze heeft geen gevolgen voor de inhoud van het MER.
2.9
Rekenmodellen
Zienswijze De NRD moet specificeren welke rekenmodellen worden gebruikt (bijvoorbeeld voor geluid) en hoe deze zijn gevalideerd. Reactie De NRD geeft aan welke thema’s en aspecten in het MER worden beschreven. Voor bepaalde thema’s en aspecten wordt mogelijk gebruik gemaakt van rekenmodellen. Voor de geluidsberekeningen wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt van de meest actuele versie van het rekenprogramma Geomilieu van DGMR. Een nadere toelichting van de onderzoeksaanpak, inclusief een toelichting op de toegepaste modellen voor overige milieuaspecten volgt in het MER. Gevolg voor MER In het MER worden de onderzoeksaanpak en eventueel gebruikte rekenmodellen per thema en aspect nader gespecificeerd. Dat is de gebruikelijke werkwijze. Deze zienswijze heeft daarom geen gevolgen voor de inhoud van het MER.
2.10
Milieueffecten van de verbouwing van het elektriciteitsnet
Zienswijze De milieueffecten van de verbouwing van het elektriciteitsnet, om de windturbines aan te sluiten, moeten meegenomen worden. Ook de milieueffecten van extra benodigde infrastructuur. Reactie In de fase van de m.e.r. worden de kansen en aandachtspunten van de alternatieven vanuit het thema netwerkaansluiting inzichtelijk gemaakt. Hierbij worden relevante milieueffecten als gevolg van eventuele netwerkaanpassingen en eventuele extra benodigde infrastructuur meegenomen. Gevolg voor MER Kansen en aandachtspunten van de netwerkaansluiting worden in de m.e.r.-fase inzichtelijk gemaakt. Dit thema was al opgenomen in het beoordelingskader van de NRD. De zienswijze heeft daarom geen gevolgen voor het MER.
6 | 55
3
OVERIGE AANGEDRAGEN AANDACHTSPUNTEN
3.1
Slijtage windturbinebladen
Zienswijze In hoeverre gaat slijtage ((verf)deeltjes) van windturbines de waterkwaliteit van het waterwingebied beïnvloeden? Reactie Slijtage van de windturbinebladen kan inderdaad leiden tot emissie van deeltjes. In het MER wordt hier aandacht aan besteed als onderdeel van het thema ‘Luchtkwaliteit’. De effecten van windturbines op water (waaronder ook beschermde drinkwaterwingebieden) worden daarnaast beschreven in het MER, onder het thema ‘Water’. We verwijzen in dit kader ook naar paragraaf 2.6 van de zienswijzennota. Gevolgen voor het MER De effecten van de slijtage van windturbinebladen worden beschouwd in het MER, als onderdeel van het thema ‘Luchtkwaliteit’. Dit thema was al opgenomen in het beoordelingskader van de NRD. De zienswijze heeft daarom geen gevolgen voor het MER.
3.2
Gehele levensduur windturbine
Zienswijze Ook het einde van de levensduur van de windturbines moet worden meegenomen in het MER. Reactie De recycling van onderdelen van windturbines wordt beschreven in het MER, onder het thema Duurzaamheid en circulariteit (zie beoordelingskader op pagina 17 van de NRD). In het MER worden de effecten van windturbines in de aanlegfase en exploitatiefase beschouwd. Voor de effecten in de verwijderingsfase geldt dat deze kleiner of maximaal gelijk zijn aan de effecten in de aanlegfase en exploitatiefase. De effecten in de verwijderingsfase worden daarom niet separaat beschreven in het MER. Dit zal in het MER nader toegelicht worden. In de Interim omgevingsverordening van de Provincie Noord Brabant is opgenomen dat de omgevingsvergunning voor het windpark maximaal 25 jaar bedraagt. Na het verstrijken van de termijn moet de bestaande toestand worden hersteld en worden de windturbines verwijderd. Hiervoor wordt financiële zekerheid gesteld van de ontwikkelaar van het windpark. Gevolgen voor het MER In het MER worden de effecten van de aanleg- en exploitatiefase onderzocht. De effecten van verwijdering zijn gelijk of kleiner dan de effecten in de aanlegfase en worden daarom niet separaat onderzocht. Dit wordt nader toegelicht in het MER. De zienswijze heeft op dit punt een gevolg voor het MER.
De recycling van onderdelen van windturbines wordt wel beschreven in het MER, onder het thema Duurzaamheid en circulariteit. Dit thema was al opgenomen in het beoordelingskader van de NRD. De zienswijze heeft op dit punt daarom geen gevolgen voor het MER.
7 | 55
3.3
Compensatie waardeverlies woningen
Zienswijze Er moet compensatie komen voor het waardeverlies van woningen. Reactie Het (al dan niet) toekennen van compensatie voor eventueel waardeverlies van woningen komt in een latere fase aan de orde. Het vormt geen onderdeel van het MER. Voor financiële compensatie gelden de gebruikelijke wettelijke regelingen voor planschade (huidige wetgeving) en nadeelcompensatie (onder de Omgevingswet). Financiële compensatie in dit kader kan na vaststelling van het besluit aangevraagd worden. Verzoeken tot planschadevergoedingen kunnen (op dit moment volgens het huidig recht van de Wro) worden ingediend tot 5 jaar na het onherroepelijk worden van het planologisch besluit (zie art. 6.1, lid 4 van de Wro). Met de Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding 1 januari 2024) zal dit wijzigen. Planschadeverzoeken worden door een onafhankelijke adviseur beoordeeld, waarbij wordt meegewogen in hoeverre de ontwikkeling voorzienbaar was, en een bepaald algemeen maatschappelijk risico wordt meegenomen. Gevolgen voor het MER Deze zienswijze heeft geen gevolgen voor de inhoud van het MER, omdat dit buiten de reikwijdte van de MER valt
3.4
Financiële participatie
Zienswijze Er moet mogelijkheid worden geboden om financieel te participeren in windmolens. Reactie In lijn met het Klimaatakkoord en de Visie energielandschap van ’s-Hertogenbosch zullen omwonenden de mogelijkheid krijgen om financieel te participeren in het windpark. De gemeenten zullen dit uitwerken door afspraken te maken met de ontwikkelaars en exploitanten van het windpark. Financiële participatie maakt geen onderdeel uit van het MER. Gevolgen voor het MER De vraag van reclamanten is logisch, maar deze zienswijze heeft geen gevolgen voor de inhoud van het MER. Financiële participatie is wel een belangrijk onderdeel van het project. We vinden het van belang dat diegene die lasten ondervinden, hier ook lusten van kunnen krijgen. De verdere uitwerking van de uitgangspunten van financiële participatie willen we nog voor de zomer van 2023 met omwonenden en organisaties gaan bespreken.
3.5
Kinderdagverblijven
Zienswijze Er moet nadrukkelijk rekening worden gehouden met het kinderdagverblijf ‘Het Vrolijke Koetje’ aan de Empelsehoefweg. Reactie Kinderdagverblijven zijn in het Besluit geluidhinder aangewezen als geluidsgevoelig gebouw en in het Besluit externe veiligheid inrichtingen als kwetsbaar object. De effecten van geluid, externe veiligheid en slagschaduw op het kinderdagverblijf (en andere geluidsgevoelige gebouwen en kwetsbare objecten) worden op vergelijkbare wijze beoordeeld als de effecten op woningen.
8 | 55
Gevolgen voor het MER Kinderdagverblijven worden op vergelijkbare wijze als woningen beschouwd. Effecten op kinderdagverblijven en andere gevoelige en kwetsbare gebouwen worden onderzocht in het MER, onder de thema’s ‘Geluid’, ‘Externe veiligheid’ en ‘Slagschaduw’. Deze thema’s waren al onderdeel van het beoordelingskader van de NRD. Deze zienswijze heeft daarom geen gevolgen voor de inhoud van het MER.
3.6
Bewoners ín de Duurzame Polder
Zienswijze Er moet ook rekening worden gehouden met bewoners in de Duurzame Polder. Reactie In het MER worden de effecten van windturbines (zoals geluid, slagschaduw en lichthinder) onderzocht. Dit gebeurt voor bewoners binnen en buiten de polder, ofwel vindt plaats op alle gevoelige objecten. De criteria die worden onderzocht en beoordeeld, zijn gepresenteerd in het beoordelingskader in de NRD. Gevolgen voor het MER Effecten op bewoners in de polder worden onderzocht in het MER. De verschillende thema’s waarop dit gebeurt (zoals geluid en slagschaduw), waren al onderdeel van de NRD. Deze zienswijze heeft daarom geen gevolgen voor de inhoud van het MER. De belangen van alle omwonenden, dus inclusief de bewoners in de polder zelf, worden zorgvuldig betrokken in het ontwerpend onderzoek en in de MER
3.7
Cultuurhistorische waarde
Zienswijze De cultuurhistorische waarde in de polder gaat teniet door het plaatsen van windmolens. Reactie In het MER wordt beschreven of de inrichtingsvarianten effecten hebben op de bestaande cultuurhistorische waarden (rijks- en gemeentelijke monumenten, beschermd stads- en dorpsgezicht, provinciaal aangeduide cultuurhistorisch waardevolle complexen en vlakken). Naast beschermde waarden worden ook effecten op niet beschermde cultuurhistorische waarden als historisch groen, verkavelingsstructuren, zandwegen onderzocht, zoals beschreven in de NRD. Gevolgen voor het MER Effecten op cultuurhistorische waarden worden onderzocht in het MER. Dit thema was al onderdeel van de NRD. Deze zienswijze heeft daarom geen gevolgen voor de inhoud van het MER.
3.8
Afstandsalternatief 10 keer de tiphoogte
Zienswijze Voor de zorgvuldigheid moet ook een afstandsalternatief met 10 keer de tiphoogte onderzocht worden. Reactie In een MER moeten realistische alternatieven in beeld worden gebracht en onderzocht worden. Een alternatief waarin wordt uitgegaan van een minimale afstand tot woningen van 10 keer de tiphoogte is echter niet realistisch uitvoerbaar. In dat geval kan de energiedoelstelling niet worden gehaald. Daarom wordt dit alternatief niet opgenomen in het MER. Tevens is een afstandsnorm van 10 keer de tiphoogte van een windturbine niet wetenschappelijk onderbouwd. De Rijksoverheid en gemeenten maken hun eigen afweging wat betreft afstandsnormen.
9 | 55
Gevolgen voor het MER De zienswijze heeft geen gevolgen voor de inhoud van het MER.
3.9
Laagvlieggebied Defensie
Zienswijze Er moet rekening worden gehouden met het laagvlieggebied van defensie. Reactie In het MER wordt rekening gehouden met de effecten op het laagvlieggebied van defensie. Het aspect ‘Effect op laagvlieggebied’ is opgenomen in het beoordelingskader onder het thema ‘Defensie’. Gevolgen voor het MER In het MER wordt rekening gehouden met de effecten op het laagvlieggebied van defensie. Dit aspect was al onderdeel van de NRD onder het thema ‘Defensie’. Deze zienswijze heeft daarom geen gevolgen voor de inhoud van het MER.
4
ZIENSWIJZEN PER BRIEF (VEEL VOORKOMENDE THEMA’S)
4.1
Natuur
4.1.1
Beoordeling van effecten van windturbines op natuurwaarden (waaronder vogels)
Zienswijze Verschillende reclamanten vragen aandacht voor de effecten van windturbines op vogels en vleermuizen. Zo wordt gevraagd welke criteria en factoren meegenomen worden in het MER ten aanzien van het beschermen van vogels. Ook wordt gevraagd of de locatie van kolonies van vogels van invloed is op de posities van windturbines in het gebied. Reactie De zorg voor de effecten van windturbines op vogels en vleermuizen is begrijpelijk. In het MER worden deze effecten onderzocht, als onderdeel van het thema Natuur. Binnen het thema Natuur worden de volgende aspecten onderzocht: - effecten op Natura 2000-gebieden; - effecten op Natuurnetwerk Brabant (inclusief ecologische verbindingszones); - effecten op weide- en akkervogelgebied en rust- en foerageergebied ganzen en smienten; - effecten op beschermde plant- en diersoorten uit de Wnb. Daarbij zijn alle in Nederland voorkomende vogelsoorten beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb) onder het beschermingsregime ‘Vogelrichtlijn’. Er geldt een algemeen verbod op het opzettelijk verstoren/doden van individuen of nestplaatsen te vernielen. Bij het plaatsen van windturbines bestaat de kans op een overtreding van één of meer van deze verbodsbepalingen, zowel in de aanlegfase (verstoren broedende vogels, aantasten/vernietigen nesten, et cetera) als in de gebruiksfase (doden individuen door aanvaring, verstoren).
Voor vleermuizen (vallend onder Wnb beschermingsregime ‘Habitatrichtlijnsoorten’) geldt naast het verbod op het vernietigen van essentiële onderdelen van het leefgebied ook een verbod op het verstoren van (bijv. door geluid, licht trillingen). Dit wordt in acht genomen in het MER. De concentraties van vogelsoorten worden inzichtelijk gemaakt voorafgaand aan de keuzes voor de verschillende varianten, in een Quickscan. Deze informatie wordt vervolgens ook meegenomen in het MER. Of de kolonies van invloed zijn op de uiteindelijke voorkeurslocatie moet blijken uit de onderzoeksresultaten van het MER.
10 | 55
Gevolgen voor het MER De effecten van windturbines op vogels en vleermuizen zijn al opgenomen in het beoordelingskader in de NRD. Deze zienswijze heeft daarom geen gevolgen voor de inhoud van het MER. Via bovenstaande uitleg hebben we de vragen van reclamanten daarnaast zoveel mogelijk beantwoord.
4.1.2
Bescherming van specifieke soorten
Zienswijze Reclamanten vragen om bepaalde soorten te betrekken in het onderzoek. Zo wordt aandacht gevraagd voor de soorten die voorkomen op de Rode Lijst, weidevogels, de kleine zwaan, de ransuil de overwinterende vogels op en rond de Hertogswetering, roofvogels, insecten en vleermuizen. Reclamanten zien daarnaast graag dat in het MER onderscheid wordt gemaakt in typen vogels, zoals het onderscheid tussen overwinterende vogels en broedvogels, weide- en akkervogels. Reactie In het MER worden de effecten op onder de Wnb beschermde plant- en diersoorten onderzocht. Vogels en vleermuizen maken daar onderdeel van uit. In het MER zal ook aandacht worden besteed aan soorten die voorkomen op de Rode Lijst. Dit is een aanvulling op de NRD. Aan de start van het MER wordt beschreven welke beschermde soorten (vogels en vleermuizen) verwacht worden in het plangebied. Hierbij wordt gebruik gemaakt van onder andere SOVON- en NDFF-data en kennis van natuurorganisaties uit de omgeving. Zodra de daadwerkelijke plaatsingszone is gekozen wordt aanvullend onderzoek gedaan naar het precieze voorkomen van beschermde soorten. Dit kunnen bepaalde roofvogels zijn of vogels met jaarrond beschermde nesten. De effecten op insecten worden niet onderzocht, omdat deze niet wettelijk beschermd zijn en de effecten van de ingreep naar verwachting niet onderscheidend zijn voor de verschillende alternatieven.
In het MER wordt onderscheid gemaakt tussen broedvogels en niet-broedvogels. Gevolgen voor het MER In de MER-onderzoeken voor natuur zal ook aandacht worden besteed aan soorten die voorkomen op de Rode Lijst zoals door reclamanten wordt gevraagd. Dit is een aanvulling op de NRD en deze zienswijze heeft daarom een gevolg voor de inhoud van het MER. Ook wordt gebruik gemaakt van SOVON-data en kennis van natuurorganisaties uit de omgeving.
4.1.3
Betrekken van onderzoeksrapporten
Zienswijze Verschillende reclamanten hebben de volgende onderzoeksrapporten aangedragen die informatie bevatten over de effecten van windturbines op vogels: - ‘sterftegrenzen die worden gebruikt in de effectbeoordeling van windenergie onderschatten de effecten van windparken op vogelpopulaties’ (Peter Schippers, Ralph Buij, Alex Schotman, Jana Verboom, Henk van der Jeugd, Eelke Jongejans); - rapport over kwetsbare soorten in relatie tot energie-infrastructuur (WUR, Kwetsbare soorten voor energieinfrastructuur in Nederland, 2018; - SOVON-rapport (nov 2019): Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines. Reactie De gemeente bedankt reclamanten voor het aandragen van de rapporten. De opstellers van het MER betrekken de genoemde rapporten bij het milieueffectenonderzoek. Gevolgen voor het MER Deze zienswijze heeft een gevolg voor de inhoud van het MER. De opstellers van het MER betrekken de rapporten bij het milieueffectenonderzoek.
11 | 55
4.1.4
Verschillende typen effecten
Zienswijze Daarnaast vragen reclamanten om verschillende soorten effecten te beoordelen zoals aanvaring, verstoring, barrièrewerking, verlies aan habitat en vermijdingsgedrag. Reactie De genoemde effecten op vogels en vleermuizen worden onderzocht in het MER, onder het thema ‘Natuur’ zoals opgenomen in het beoordelingskader NRD. Gevolgen voor het MER In het MER worden de genoemde effecten op vogels en vleermuizen onderzocht. Het thema ‘Natuur’ waar dit onder valt,was al opgenomen in de NRD, de zienswijze heeft daarom geen gevolgen voor de inhoud van het MER.
4.1.5
Overdraai van de wieken
Zienswijze Het is niet duidelijk op te maken uit de NRD of de overdraai van de wieken is meegenomen als minimale wettelijke afstandsbeperking van windturbines tot Natura 2000- en Natuurnetwerk Brabantgebieden. Reactie Wetgeving legt geen verbod op het realiseren van windenergie binnen Natura 2000 en NNB gebieden. Wel is in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV) opgenomen dat een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken moet bepalen dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt. Overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd overeenkomstig artikel 3.22 van de IOV. Dit geldt tevens voor de overdraai van de wieken van een windturbine die buiten het NNB staat. Er geldt dus geen minimale wettelijke afstandsbeperking van windturbines tot Natura2000en NNB gebieden, maar de effecten van overdraai van de wieken worden wel onderzocht in het MER. Gevolgen voor het MER Overdraai van de wieken wordt meegenomen in het MER, onder het thema ‘Natuur’, als onderdeel van de effecten op NNB. We hopen met bovenstaande uitleg dit nader te hebben geduid. Het thema ‘Natuur’ was al onderdeel van de NRD. Deze zienswijze heeft daarom geen gevolgen voor de inhoud van het MER.
4.2
Compensatie en mitigatiemaatregelen
Zienswijze Reclamanten vragen om onderzoek naar mitigerende maatregelen (maatregelen ter voorkoming van negatieve effecten) en compenserende maatregelen. Deze vragen hebben betrekking op zowel effecten op natuur en landschap als op omwonenden. Reactie In het MER worden de effecten op onder andere natuur (beschermde soorten en gebieden), landschap en omwonenden onderzocht. Als de effectanalyse- en beoordeling daar aanleiding toe geven, worden in het MER mogelijke mitigerende en/of compenserende maatregelen voorgesteld. Hier kunnen pas concrete uitspraken over gedaan worden na afronding van de benodigde onderzoeken. Bij de uitvoering van eventuele compensatie zullen gemeenten voldoen aan de provinciale eisen die hieromtrent zijn gesteld in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.1
1
Artikelen 3.22, 3.23 en 3.24 IOV.
12 | 55
Gevolgen voor het MER In het MER wordt beoordeeld of mitigerende en/of compenserende maatregelen noodzakelijk zijn. Er kunnen op dit moment nog geen uitspraken gedaan worden over uitvoering van specifieke maatregelen, maar het zou kunnen blijken dat die nodig zijn Indien dat het geval is, wordt dit in het MER aangegeven. Dit is een gebruikelijke werkwijze en deze zienswijze heeft daarom geen gevolgen voor de inhoud van het MER.
4.3
Gezondheid
Zienswijze Verschillende reclamanten uiten hun zorg over de effecten van windturbines op de gezondheid. Als specifieke aandachtspunten worden genoemd infrasoon en laagfrequent geluid, afbladdering van windturbinebladeren, gezondheidseffecten voor kinderen, en de impact van elektromagnetische straling. Reactie Onder het thema gezondheid worden effecten van geluid, luchtkwaliteit, geur, externe veiligheid en het effect van elektromagnetische straling op gezondheid onderzocht. De cumulatie van milieueffecten op de gezondheid van omwonenden wordt in het MER zoveel mogelijk in beeld gebracht. Wat betreft laagfrequent geluid worden de effecten vanuit het geluidsonderzoek (zie paragraaf 4.5 van de zienswijzennota) meegenomen in het thema gezondheid. Dit geldt ook voor de afbladdering van windturbinebladeren – zie paragraaf 2.6 van de zienswijzennota. Hiermee wordt een zo volledig mogelijk beeld geschetst van de gezondheidseffecten als gevolg van de windturbines. Daarnaast wordt de GGD betrokken bij het m.e.r.-proces. Over het NRD is advies gevraagd aan de GGD en ook de tussenrapportage en het voorkeursalternatief zullen ter advies worden voorgelegd. Daarnaast gaan we in de onderzoeken uit van de meest recente wetgeving en inzichten en wetenschappelijke onderzoeken van de RIVM en de GGD.
Over bepaalde specifieke gezondheidseffecten zoals gezondheidseffecten op kinderen is geen wetenschappelijk onderbouwde informatie beschikbaar. Hierover worden in het MER geen uitspraken gedaan over deze specifieke effecten. Het MER neemt dergelijke zaken op in het hoofdstuk ‘leemten in kennis’ en benoemt daarbij de meest recent beschikbare onderzoeken. Gevolgen voor het MER De gezondheidseffecten van windturbines worden in het MER onderzocht onder het thema ‘Gezondheid’. De specifieke gezondheidseffecten door reclamanten genoemd in de zienswijzen, waar geen wetenschappelijk onderbouwde informatie over beschikbaar is, zullen worden benoemd in het hoofdstuk ‘leemten in kennis’ van het MER. Deze zienswijze heeft daarom een gevolg voor de inhoud van het MER.
4.4
Verloop participatieproces
Zienswijze Verschillende reclamanten zijn ontevreden over het tot nu toe doorlopen participatieproces. Deze reclamanten geven aan dat zij zich onvoldoende gehoord voelen en niet goed geïnformeerd of betrokken zijn. Zij stellen dat hun inbreng uit de bewonersbijeenkomsten niet wordt meegenomen en het plan van de gemeenten al vaststaat. Reactie Het open plan- en omgevingsparticipatieproces is een belangrijk uitgangspunt voor het project Duurzame Polder. In de voorgaande fase van de verkenning (2019-2020) was het open en interactieve participatieproces een belangrijk onderdeel en dit zetten we voort. We vinden het van groot belang dat iedereen in de omgeving van het project kan meedenken en meewerken aan de planvorming. Duidelijk is wel dat daarbij de bestaande bestuurlijke kaders niet ter discussie staan: er moet een grootschalige opwek van duurzame energie in de Duurzame Polder komen (passend binnen een integrale gebiedsontwikkeling) om te kunnen voldoen aan de gemeentelijke, regionale en nationale duurzame opgaven. Aspecten als de opstelling van de alternatieven en vormgeving van het ontwerp zijn zaken waarover we graag met omwonenden en andere belanghebbenden in gesprek willen.
13 | 55
Dit zal primair gebeuren in de publieksbijeenkomsten en ateliers van het ontwerpend onderzoek. Daarmee is gestart in september 2022 en vindt doorlopend plaats tot en met afronding van het ontwerpend onderzoek. Daarnaast is medio 2022 een doorstart gemaakt van de klankbordgroep. Deze klankbordgroep heeft hoofdzakelijk een procesmatige functie en zal periodiek bijeenkomen. De groep kan meedenken over het participatieproces, kan checken of de ingebrachte belangen een goede plek hebben gekregen en kan adviseren over het proces. De leden brengen hun kennis van het gebied en de over het gebied levende meningen in. Het besluit van de gemeenteraden om het plangebied aan te wijzen voor de opwek van duurzame energie staat niet ter discussie. Deze uitgangspunten zijn duidelijk besproken met de klankbordgroep en de deelnemers committeren zich hieraan. Gevolgen voor het MER Het participatieproces is geen onderdeel van het MER, de zienswijze heeft dus geen gevolgen voor de inhoud van het MER. Zoals met bovenstaande uitleg is weergegeven, is het open participatieproces echter een belangrijk uitgangspunt in het project.
4.5
Geluid
Zienswijze Verschillende reclamanten hebben zorgen geuit en vragen gesteld over de geluidsbelasting van windturbines. De volgende vragen zijn gesteld: - welk model wordt gebruikt voor de berekening van geluidsbelasting? - hoe wordt laagfrequent en infrasoon geluid meegenomen in het MER? - wordt er ook gekeken naar geluidsbelasting ín de woning? - wordt ook geluidshinder onder de wettelijke norm in beeld gebracht? Reactie Geluidsnormen worden vastgesteld door de rijksoverheid. Tot 2021 was de 47 dB Lden norm uit het Activiteitenbesluit van toepassing op windenergieprojecten. Op basis van een uitspraak van 30 juni 2021 door de Raad van State1, zijn de normen uit het Activiteitenbesluit echter niet toepasbaar, zo lang deze niet worden onderbouwd met een milieueffectrapportage (MER). Daarom laat het rijk momenteel een dergelijk rapport opstellen. Daarnaast wordt door het rijk ook nagedacht over een afstandsnorm. De resultaten van het rapport zijn op dit moment nog niet beschikbaar. De nieuwe wettelijke normen zullen in acht worden genomen in dit project. Indien nog geen nieuwe wettelijke normen van toepassing zijn, wordt voor het project Duurzame Polder een gebiedsspecifieke afweging gemaakt voor geluidsnormen. In het MER voor de Duurzame Polder wordt de geluidsbelasting van windturbines onderzocht en beoordeeld.
Voor de berekeningen wordt gebruik gemaakt van de meest actuele versie van het rekenprogramma Geomilieu van DGMR. Deze rekent volgens het Nederlandse Reken en meetvoorschrift, wat in grote lijnen overeenkomt met internationale rekenregels. Die rekenregels zijn, voordat ze zijn vastgesteld, uitvoerig getest en gevalideerd door experts. In het MER wordt inzichtelijk gemaakt hoeveel mensen er (mogelijk) hinder ondervinden door geluid van windturbines. Om het aantal geluidgehinderden in beeld te brengen wordt het aantal woningen met een bepaalde geluidsbelasting op de gevel in beeld gebracht. Op basis daarvan wordt beoordeeld of de varianten voldoen aan de wettelijke normen. Ook geluidsbelasting onder de wettelijke norm maakt deel uit van de beoordeling van en vergelijking tussen de varianten. Geluidhinder onder de norm brengen wij in beeld door ook contourafstanden (zie tekstkader) te bepalen door lagere geluidbelastingen. Bijvoorbeeld 45 dB Lden (WHO-advieswaarde) en in de gemeente Oss 42 dB Lden (geluidsnorm windpark Elzenburg - de Geer Oss) conform het besluit van de Osse gemeenteraad van 28 januari 2021.
1
ABRvS 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1395.
14 | 55
Wat is de contourafstand? Om de geluidsbelasting voor omwonenden in beeld te brengen, worden in het MER verschillende contourafstanden bepaald. Dit gebeurt voor de geluidsniveaus 47dB, 45dB en 42dB (zie cirkels). De contourafstand is de afstand tussen de windturbine en de lijn van de cirkel. Als een woning op de lijn van de kleinste cirkel staat (zoals op het plaatje), is de geluidsbelasting op de gevel van de woning 47dB.
De geluidsbelasting ín de woning maakt geen onderdeel uit van het MER omdat de algemeen geaccepteerde normen uitgaan van het geluid op de gevel. Daarnaast hangt het zogeheten binnen niveau samen met de gevelwering van een woning. Dit is voor iedere woning, en vaak zelfs ruimte, verschillend wat het onmogelijk maakt dit in beschouwing te nemen. Deze beschouwing wordt wel gedaan bij eventuele benodigde maatwerkvoorschriften voor geluid. Er zijn veel reclamanten die zich zorgen maken over het laagfrequent (en infrasoon) geluid afkomstig van windturbines. Nederland kent geen wettelijke eisen voor de beoordeling van laagfrequent geluid, maar in het MER wordt wel aandacht besteed aan laagfrequent geluid. Allereerst maken laagfrequent en infrasoon geluid deel uit van de totale geluidsbelasting. In het MER wordt de totale geluidsbelasting inzichtelijk gemaakt. In het MER wordt daarnaast middels een berekening een inschatting gedaan van het risico op laagfrequent geluid. Hierbij worden twee richtlijnen gebruikt: de NSG Richtlijn Laagfrequent geluid en de zogenaamde Vercammen-curve. Deze hebben geen wettelijke status, maar kunnen gebruikt worden om een uitspraak te doen over (hinder door) laagfrequent geluid. Met de NSG-curve wordt getoetst of laagfrequent geluid potentieel hoorbaar is, en is dus een hoorbaarheids-criterium.
Ook als laagfrequent geluid hoorbaar is, betekent dit niet automatisch dat dit hinderlijk is, en bij de beoordeling van geluid wordt altijd een bepaalde mate van hinder aanvaardbaar geacht. Met de Vercammen-curve wordt beoordeeld of de eventuele hinder vanwege laagfrequent geluid aanvaardbaar is. Bij de geluidsonderzoeken maken we gebruik van de meest actuele wetenschappelijke informatie over laagfrequent geluid. Daarmee baseren we ons op informatie van het RIVM, de GGD en het Rijk. Het Rijk werkt momenteel aan nieuwe nationale windturbinebepalingen, waaronder geluidsnormen. Wij volgen dit proces en sluiten aan bij de laatste stand van zaken. Gevolgen voor het MER Onder het thema ‘Geluid’ in het MER wordt laagfrequent (en infrasoon) geluid meegenomen als onderdeel van de totale geluidsbelasting. Daarnaast worden de NSG- en Vercammen-curve gebruikt om de hoorbaarheid en hinder van laagfrequent geluid inzichtelijk te maken. Ook geluidhinder onder de wettelijke norm wordt in beeld gebracht. Dit thema was al onderdeel van de NRD. Deze zienswijze heeft daarom geen gevolgen voor de inhoud van het MER. We hebben met bovenstaande uitleg daarnaast de vragen uit de zienswijze zo goed mogelijk beantwoord.
15 | 55
4.6
Cumulatie van effecten
Zienswijze Verschillende reclamanten geven aan dat rekening gehouden moet worden met cumulatie van effecten. Reclamanten vragen om het meenemen van cumulatie van: - effecten van geluid, trillingen, luchtkwaliteit, geur, lichthinder en slagschaduw en gezondheidseffecten op omwonenden; - effecten van alle plannen in en in de omgeving van het plangebied; - effecten van windparken in en in de omgeving van het plangebied; - milieu-/gezondheidseffecten op omwonenden; - effecten van alle plannen op vogels. Reactie In het MER wordt ook aandacht besteed aan de cumulatie van de onderzochte effecten. De cumulatie van deze effecten binnen het plangebied en buiten het plangebied (al bestaande of geplande ontwikkelingen) wordt beschreven voor deze thema’s. Aanvullend wordt opgemerkt dat voor het aspect niet alleen de effecten van alle plannen op vogels, maar ook op andere soorten en natuurwaarden worden beschouwd. Gevolgen voor het MER De cumulatie van effecten binnen het plangebied en buiten het plangebied (al bestaande of geplande ontwikkelingen) wordt beschreven in het MER. Dit was al benoemd in de NRD, deze zienswijze heeft daarom geen gevolgen voor de inhoud van het MER.
4.7
Integraliteit
Zienswijze Verschillende reclamanten geven aan dat de NRD onvoldoende aandacht geeft aan de integraliteit van de opgave in de Duurzame Polder. Er wordt gesteld dat een integraal afwegingskader ontbreekt, en dat het bouwen van de windturbines leidend lijkt te zijn. Reactie Bij de uitwerking van de voor Duurzame Polder gestelde energieopgave (namelijk: het tijdig (uiterlijk 1 januari 2025) verlenen van vergunningen voor de beoogde opwek), wordt de samenhang met andere waarden en belangen in ogenschouw genomen. De duurzame energieopgave is een concreet gekwantificeerde en in de tijd leidende opgave voor het gebied en de directe aanleiding voor de planvorming en de m.e.r.-procedure. Hierbij is de opdracht om integraal te kijken naar waarden en kansen voor de Duurzame Polder. Niet alleen voor de opwekking van duurzame energie, maar ook op het gebied van natuur, wonen, klimaatadaptatie, landbouw, recreatie en cultuurhistorie. Middels ontwerpend onderzoek worden voor deze aspecten opgaven, waarden, kansen en aandachtspunten in het gebied verkend en samen met de duurzame energieopgave uitgewerkt in integrale gebiedsbeelden. Deze integrale gebiedsbeelden (alternatieven) worden in het MER onderzocht, vergeleken en afgewogen. Daarnaast zal de komende tijd in samenspraak met de belangenorganisaties worden gewerkt aan een afwegingskader.
Op basis daarvan maken de beide gemeenteraden uiteindelijk een belangenafweging. Gevolgen voor het MER Deze zienswijze heeft geen gevolgen voor de inhoud van het MER.
16 | 55
5
ZIENSWIJZEN PER BRIEF (INDIVIDUELE BEANTWOORDING)
In tabel 5.1 zijn alle opmerkingen, vragen en aanbevelingen uit de ingediende brieven samengevat en beantwoord. In kolom 1 van de tabel zijn alle reacties genummerd. Als de reclamant zelf nummers in de brief heeft opgenomen, zijn deze overgenomen in de tweede kolom van de tabel.
Gevolg voor het MER?
Reactie
Zienswijze
Nr. reclamant
Nr. zienswijze nota
Tabel 5.1 Individuele beantwoording zienswijzen per brief
nr. 1 (gemeente ’s-Hertogenbosch) 1
1
Het gebied van de Duurzame Polder en de Beerse Maas is momenteel het belangrijkste weidevogelgebied van Noord-Brabant. De plaatsing van windturbines zal daar een negatief effect op hebben. Volgens het Sovon-rapport is voor 15 soorten vogels een significant negatief effect te verwachten. In de bestuurlijke keuzes tot nu toe, is het Sovon-rapport onvoldoende tot hun recht gekomen. Gezien dit grote belang ontbreekt in het NRD ten onrechte een expliciete duiding van nader onderzoek en weging op dit punt.
Wat betreft natuur (waaronder de bescherming van vogels) wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van de zienswijzennota.
ja, zie §4.1.3
2
2
Vanuit in de raad van ’s-Hertogenbosch aangenomen motie zijn initiatiefnemers verplicht om geschikte compensatiegebieden voor weidevogels te realiseren. Het is van belang dat deze tijdig beschikbaar zijn en de juiste omvang en locatie hebben. Reclamant hecht eraan dat deze verplichtingen deel uitmaken van de kaders en uitgangspunten van de NRD.
De motie is opgenomen onder paragraaf 4.2 van de NRD als onderdeel van de kaders en uitgangspunten voor de variantenontwikkelingen. Wat betreft mitigatie en compensatie wordt verwezen naar paragraaf 4.2 van de zienswijzennota.
nee, zie § 4.2
3
3
Vanuit dezelfde motie moeten initiatiefnemers voor de plaatsing van windturbines alle technisch uitvoerbare maatregelen te treffen om slachtoffers onder vogels, vleermuizen en andere beschermde soorten te voorkomen. Ook deze verplichtingen dienen bij de kaders en uitgangspunten van de NRD te worden opgenomen.
De motie is opgenomen onder paragraaf 4.2 van de NRD als onderdeel van de kaders en uitgangspunten voor de variantenontwikkelingen. Wat betreft natuur (waaronder de bescherming van vogels) wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van de zienswijzennota. Wat betreft mitigatie en compensatie wordt verwezen naar paragraaf 4.2 van de zienswijzennota.
nee, zie § 4.1 en 4.2
4
4
Overige aspecten nader te onderzoeken in de MER: onderscheid overwinterende vogels en broedvogels, weide- en akkervogels; rapport uit over kwetsbare soorten in relatie tot energie-infrastructuur (WUR, Kwetsbare soorten voor energie-infrastructuur in Nederland, 2018); onderzoek de negatieve effecten op de vogels, zoals genoemd in het SOVON-rapport Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines (2019); sommige weidevogels, bijvoorbeeld grutto en wulp, zijn zeer plaatstrouw. Onderzoek of er in de directe omgeving alternatieve, grootschalige en open weidevogelgebieden mogelijk zijn die tijdig voorafgaand aan de plaatsing
Wij danken u voor de informatie en nemen dit mee bij het onderzoek. Wat betreft natuur (waaronder de bescherming van vogels) wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van de zienswijzennota. Wat betreft mitigatie en compensatie wordt verwezen naar paragraaf 4.2 van de zienswijzennota.
ja, zie §4.1.2 en 4.1.3
17 | 55
-
Gevolg voor het MER?
Reactie
Zienswijze
Nr. reclamant
Nr. zienswijze nota
-
(aangenomen wordt minimaal 3 jaar) zijn te realiseren; besteed speciaal aandacht aan het voorkómen van verstoring in de vestigingsperiode; besteed speciaal aandacht aan de mogelijk negatieve effecten op Rode Lijstsoorten.
5
4
Onderzoek de cumulatieve effecten en gevolgen van alle plannen in dit gebied voor weidevogels: bijvoorbeeld plaatsing windturbines, afronding ontwikkeling Groote Wielen, ontwikkeling Oss-west, rondweg Oss en de verwachte toename van verkeer en recreatief medegebruik
Wat betreft cumulatie van effecten wordt verwezen naar paragraaf 4.6 van de zienswijzennota.
nee, zie § 4.6
6
4
-
Wij danken u voor de informatie en nemen dit mee bij het onderzoek. Wat betreft natuur (waaronder de bescherming van vogels) wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van de zienswijzennota.
nee, zie § 4.1
-
-
onderzoek de verwachte negatieve gevolgen van het plaatsen van windturbines op de populatie van de kleine zwaan; onderzoek in hoeverre plaatsing van windturbines een negatief effect heeft op de overwinterende vogels op en rond de Hertogswetering; roofvogels, insecten en vleermuizen dienen eveneens deel uit te maken van het onderzoek; het is niet duidelijk op te maken uit de NRD of de overdraai van de wieken is meegenomen als minimale wettelijke afstandsbeperking van windturbines tot Natura 2000- en Natuurnetwerk Brabantgebieden.
7
4
Stikstof in aanlegfase moet onderzocht worden.
Stikstof in de aanlegfase wordt onderzocht in het MER, dit valt onder het aspect ‘Effecten op Natura 2000-gebieden’ onder het thema Natuur (zie beoordelingskader op pagina 17 van de NRD).
nee
8
4
Bij het aspect ‘Landschap’ moeten de visuele effecten van de windturbines (en de verschillende hoogtes) onderzocht worden.
De visuele effecten van windturbines maken onderdeel uit van het thema landschap dit valt onder het aspect ‘Effecten op ruimtelijk-visuele kwaliteit’ onder Landschap (zie beoordelingskader op pagina 17 van de NRD).
nee
9
4
De gehele levenscyclus van windturbines moet meegenomen worden in de beoordeling en er moet worden onderzocht hoe de impact op milieu valt te beperken.
In het MER wordt de aanlegfase en exploitatiefase van de windturbine onderzocht. Wat betreft het meenemen van de gehele levensduur van de windturbine wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van de zienswijzennota. Wat betreft mitigatie en compensatie wordt verwezen naar paragraaf 4.2 van de zienswijzennota.
nee
10
5
De compenserende maatregelen in de Duurzame Polder dienen congruent te zijn met regionale ontwikkelingen.
Wat betreft mitigatie en compensatie wordt verwezen naar paragraaf 4.2 van de zienswijzennota.
nee
18 | 55
Gevolg voor het MER?
Reactie
Zienswijze
Nr. reclamant
Nr. zienswijze nota
nr. 2 (gemeente ‘s-Hertogenbosch) 11
1
Het verschil in doelstelling (0,514 PJ Oss en 16 windturbines Den Bosch) en minimale afstand (1 en 2 km) is beperkend en heeft negatieve gevolgen voor de opbrengst van windenergie.
Het klopt dat de gestelde kaders door de gemeenten beperkend zijn voor de ontwikkeling van de Duurzame Polder. De verschillen tussen de gemeenten vragen inderdaad afstemming en maatwerk in het onderzoek en het ontwerp. In welke mate de gestelde kaders negatieve gevolgen hebben voor de opbrengst van windenergie zal uit het ontwerpend onderzoek en het MER gaan blijken. In de m.e.r.procedure wordt in beeld gebracht wat het effect is van het hanteren van een minimale afstand (respectievelijk 1 en 2 km) tot kernen heeft op de energieopbrengst en daarmee op het behalen van de energiedoelstelling.
nee
12
2
Door vast te houden aan het uitgangspunt van 0,514 PJ duurzame energie voor het Osse gedeelte in de Duurzame Polder, worden naar onze mening niet de grenzen opgezocht en blijven duurzame kansen onbenut. Bij de onderzoeken naar de inrichtingsvarianten wil reclamant uitdrukkelijk verzoeken ook een 'doorkijk naar een volledig duurzaam 2050' mee te nemen. In die doorkijk zullen ook opties voor meer duurzame energie moeten worden onderzocht. Een eventuele latere uitbreiding van windenergie in de polder lijkt ons bijzonder onlogisch.
Dit is een van de punten die zal worden meegenomen in het ontwerpend onderzoek en in de MER. Per denkrichting (in totaal 4), zal één van de opstellingsvarianten uitgaan van de maximale mogelijkheden van het gebied i.r.t. de maximale te genereren energieopbrengst, voor zover dit past binnen de principes van de betreffende denkrichting.
nee
Het staat gemeenten vrij om verder te kijken dan 2030, maar de huidige opgave vanuit de RES verplicht daar niet toe. Gemeente Oss maakt de keuze om voor de Duurzame Polder uit te gaan van de doelstelling tot 2030. 13
19 | 55
3
Het strikt vasthouden aan alle uitgangspunten leidt niet tot een uitvoerbaar initiatief. Óf het initiatief zal meer ruimte gegeven moeten worden, óf de ambities op het gebied van bijvoorbeeld natuur en participatie zullen bijgesteld moeten worden. Er wordt verzocht om hiermee rekening te houden door bijvoorbeeld concreet te maken wat de hoeken van het speelveld precies inhouden. De meest logische uitwerking wat reclamant betreft is om het initiatief aan Osse zijde meer ruimte te geven in opwekcapaciteit zodat enerzijds aan de toekomstige doelen tegemoetgekomen kan worden en anderzijds wensen zoals natuurontwikkeling en participatie ingevuld kunnen worden.
De hoeken van het speelveld dienen nog nader geformuleerd en geconcretiseerd te worden. Hierbij geldt dat de alternatieven die in het MER onderzocht worden uitvoerbaar dienen te zijn en moeten beantwoorden aan de doelstelling van beide gemeenten.
nee
Gevolg voor het MER?
Reactie
Zienswijze
Nr. reclamant
Nr. zienswijze nota
nr. 3 (gemeente ’s-Hertogenbosch) 14
1a en 15
De nut en noodzaak van de verhoging van de doelstelling van Den Bosch van 9 naar 16 windturbines is niet onderbouwd, mede vanwege de windenergie die op zee opgewekt gaat worden.
De doelstelling van de gemeente 's-Hertogenbosch voor de Duurzame Polder, is gewijzigd van 0,86 PJ uit wind en zon, minus 100 ha. zon elders in de gemeente, naar 16 windturbines minus 50 ha. zon elders. Dit betekent inderdaad wel een versnelling c.q. verhoging van de eerdere vastgestelde opgave. We verwijzen voor de verdere onderbouwing naar de beschrijving in paragraaf 2.3 van de zienswijzennota.
nee, zie § 2.3
15
1b
De keuze voor 100% wind druist in tegen het raadsbesluit voor de Verkenning Duurzame Polder (reg.nr. 9841637). Waarom wordt afgezien van zonnevelden?
De gemeente 's-Hertogenbosch kiest ervoor om haar opgave en de versnelling te realiseren met windenergie in de Duurzame Polder. De gemeenteraad heeft eerder besloten om op zoek te gaan naar 100 ha zonnevelden buiten de Duurzame Polder, om zo de opgave binnen de polder te verkleinen. Deze uitvraag heeft niet de gewenste 100, maar 50 ha opgeleverd aan potentiële zonnevelden. Deze gaan we realiseren. De resterende opgave nemen we mee in de vorm van windenergie. Windenergie vraagt veel minder ruimtebeslag dan zonne-energie en is te combineren met andere functies zoals landbouw en natuur. Deze afspraak is opgenomen in het Bestuursakkoord van de gemeente van mei 2022, en is op 31 mei 2022 ook door de gemeenteraad met een raadsbesluit ondersteund.
nee
16
1c
Milieueffecten van 9 en van 16 windturbines moeten beoordeeld worden.
In het MER worden de effecten van verschillende alternatieven beschreven en beoordeeld. De alternatieven worden gekozen om de hoeken van het speelveld in beeld te brengen. Hierbij wordt uitgegaan van de vastgestelde opgave, dus 16 windturbines tot 2030 op grondgebied van ’sHertogenbosch.
nee
17
1d
Door geen zon op te nemen komt leveringszekerheid in gevaar op windstille dagen. Dit moet meegenomen worden in het MER. Ook varianten met zon en wind moeten worden meegenomen.
Wat betreft varianten voor zonneenergie wordt verwezen naar paragraaf 2.4 van de zienwijzennota.
nee, zie § 2.4
20 | 55
Zienswijze
Gevolg voor het MER?
Nr. reclamant 1e
Het is onbegrijpelijk dat een nieuwe coalitie met haar coalitieakkoord feitelijk een dikke streep door de RES-opgave zet en ‘zelfstandig’ besluit veel meer te willen doen.
Deze stelling van reclamant lijkt ingegeven vanuit de voorkeur om zo min mogelijk en slechts de minimale duurzame energie opgave te realiseren. De gemeente ‘s-Hertogenbosch heeft echter grote duurzaamheid -en klimaatambities, waardoor ervoor gekozen is om de RES-opgave te versnellen.
nee
19
2
Op voorhand moet duidelijk zijn welke beperkingen in het zoekgebied gelden en hoe deze het zoekgebied verkleinen.
De beperkingen in het zoekgebied worden in de huidige fase (van het ontwerpend onderzoek) aan de voorkant inzichtelijk gemaakt in een Quickscan milieu door het bureau dat het MER opstelt (Witteveen+Bos). In de Quickscan worden de belemmeringen vanuit wetgeving en milieueffecten inzichtelijk gemaakt. Met deze belemmeringen wordt rekening gehouden in de ontwikkeling van de varianten.
nee
20
3
De provincie heeft miljoenen subsidies verstrekt aan natuurprojecten (plas-dras-gebieden et cetera) In het beoordelingskader moet opgenomen worden welke investeringen in het verleden gedaan zijn, teniet gedaan worden. De vernietiging van natuurstimulerende maatregelen moet gezien worden als een milieueffect.
In het MER worden de effecten van de alternatieven op natuurwaarden onderzocht. De bedoelde investeringen uit het verleden komen (mogelijk) terug in deze bestaande natuurwaarden, waardoor de effecten op deze natuurprojecten ook onderdeel zijn van het MER. Eerdere gedane investeringen / subsidies maken niet direct onderdeel uit van het MER.
nee
21
4
In het verleden zijn belanghebbenden onvoldoende geïnformeerd en betrokken. Een zeer matig participatieproces lag aan de basis van de aanwijzing van de Rosmalense en Nulandse polder als gebied voor grootschalige opwekking.
Wat betreft het participatieproces wordt verwezen naar paragraaf 4.4 van de zienswijzennota. We streven ernaar belanghebbenden hierbij zo volledig mogelijk te informeren en te betrekken.
nee, zie § 4.4
22
5
Het moet op voorhand duidelijk wat de rijks- en provinciale belangen zijn en hoeverre deze van invloed zijn op het zoekgebied en beoordelingskader.
De rijks -en provinciale belangen zijn meegenomen bij het Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, de raadsbesluiten en de Bestuursovereenkomst Duurzame Polder. Daarmee zijn ze op voorhand inzichtelijk gemaakt. Deze belangen en eventuele beperkingen in het zoekgebied (zoals bijvoorbeeld beschermde natuur- of grondwaterbeschermingsgebieden) worden in de huidige fase (van het ontwerpend onderzoek) aan de voorkant inzichtelijk gemaakt in een Quickscan milieu door het
nee
21 | 55
Reactie
Nr. zienswijze nota 18
Gevolg voor het MER?
Reactie
Zienswijze
Nr. reclamant
Nr. zienswijze nota
bureau dat het MER opstelt (Witteveen+Bos). In de Quickscan worden de belemmeringen vanuit wetgeving en milieueffecten inzichtelijk gemaakt. Met deze belemmeringen wordt rekening gehouden in de ontwikkeling van de varianten. 23
6
In de MER moet rekening worden gehouden met actuele beleidsmatige ontwikkelingen, zowel lokaal als landelijk. Bijv. wind op zee, nieuw beleid t.a.v. afstands-/ geluidsnormen, RvS Windpark Delfzijl.
Wat betreft het betrekken van nieuwe inzichten wordt verwezen naar paragraaf 2.7 van de zienswijzennota.
nee, zie § 2.7
24
7
Er moet ook worden gekeken naar de trendmatige ontwikkeling van (weide)vogels.
Wat betreft natuur (waaronder de bescherming van vogels) wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van de zienswijzennota.
nee
25
8
Laagfrequent geluid kan tot grote afstanden een negatief effect hebben op de gezondheid.
Wat betreft geluid (inclusief laagfrequent geluid) wordt verwezen naar paragraaf 4.5 van de zienswijzennota, en wat betreft gezondheid naar paragraaf 4.3.
nee, zie § 4.3 en 4.5
26
9
Een industrieel windpark maakt het behouden en versterken van natuurgebieden voor vogels praktisch onmogelijk. Als natuurgebieden worden verplaatst wie gaat daar dan voor betalen? Deze kosten moeten landen bij de initiatiefnemers.
Wat betreft natuur (waaronder de bescherming van vogels) wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van de zienswijzennota en wat betreft mitigatie en compensatie wordt verwezen naar paragraaf 4.2. De betaling van het verplaatsen van natuurgebieden is geen onderdeel van de NRD en het MER.
nee
27
10
Worden er criteria vastgesteld en wegingsfactoren om de verschillende belangen objectief te kunnen afwegen? Nu worden andere belangen ondergeschikt aan de duurzame opgave, dit is niet acceptabel en past niet bij de integrale aanpak. Reclamant mist duidelijke doelen op gebied van natuur, woningbouw, recreatie en circulaire woningbouw. Reclamant wil dat er duidelijke doelen toegevoegd worden voor de andere aandachtsgebieden dan alleen energie en dat daarvoor ook voor de verschillende scenario’s de milieueffecten onderzocht worden.
Wat betreft integraliteit wordt verwezen naar paragraaf 4.7 van de zienswijzennota.