Bijlage bij toelichting 04-Archelogisch onderzoek Hoornwerk dd 30-10-2024
Tekst van het document
Het lijkt er op dat er mogelijk na het slechten van de versterkingen in 1672 en het opstellen van de kadastrale minuut in 1811-1832 wel een en ander opnieuw uitgegraven is geweest, waardoor de exacte locatie van de knik in de korte en lange keel verdwenen is. De aanwezigheid van asfaltverharding zorgde ervoor dat er geen verdere boringen meer konden gezet worden. Behalve de locatie van de gracht en de keel is de opbouw van de wal ook een van de onderzoekspunten. Helaas bleken in werkputten 1 tot 3 nergens meer resten van deze wal aanwezig te zijn. Ook was het binnenplein in werkputten 1 en 2 volledig leeg. Enkel ter hoogte van werkput 3 zijn nog sporen aanwezig (zie onder). Ter hoogte van de locatie van de wal is enkel een vergraving op te merken in de profielen. Dit komt overeen met de afgraving die ingemeten is tijdens de begeleiding van de OOO-werkzaamheden (afb. 6.1). Hierdoor zijn alle mogelijke resten van het wallichaam (indien dit nog aanwezig zou zijn) vermoedelijk verdwenen. Naast sporen van het hoornwerk zijn ook enkele oudere sporen aanwezig die vermoedelijk zijn te relateren aan hoeve ‘den Potlepel’. Het gaat hierbij om verschillende kuilen, een uitbraakspoor en twee greppels (waarvan één ook een verdere doorloop kent in de proefsleuf uit 2021). Op basis van het aardewerk uit deze sporen moeten deze in de 16e-vroege 17e eeuw gedateerd worden.
Het is niet onwaarschijnlijk dat deze hoeve afgebroken is op het moment dat het hoornwerk aangelegd is. Vermoedelijk zijn deze sporen onderdeel van een grotere vindplaats die zich ook ter hoogte van de noordelijke helft van de proefsleuf uit 2021 bevond. Het lijkt erop dat het zuidoostelijke deel van het binnenplein leeg is. Over de noordelijke en oostelijke delen van het binnenplein kunnen geen uitspraken gedaan worden. Hier kunnen potentieel nog sporen aanwezig zijn.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
41
Afb. 6.1 Synthesekaart onderzoeken bovenste hoornwerk op kadastrale minuut (1811-1832).
42
Proefsleuvenonderzoek
6.2 Waardering 6.2.1 Toelichting In deze paragraaf wordt bekeken welke waardestellende elementen op de vindplaats(en) aanwezig zijn en wat de kwaliteit daarvan is. Deze gegevens worden afgezet tegen wat bekend is over vergelijkbare sites in de regio en in de betreffende regio. De KNA beschrijft de criteria op basis waarvan een vindplaats gewaardeerd wordt (VS06). Het proces van waarderen, bij welke scores een vindplaats wel of niet als behoudenswaardig kan worden aangemerkt en welke afwegingen daarbij gemaakt moeten worden, staat uitgebreid beschreven in bijlage IV van KNA. In de onderstaande stroomdiagram is het proces van waardering samengevat (afb. 6.2).
Afb. 6.2 Stroomdiagram waarderingsproces (bron: CCvD 2028, Bijlage IV).
Beleving
In eerste instantie wordt nagegaan of de vindplaats vanwege zijn belevingswaarde (schoonheid en herinneringswaarde) behoudenswaardig is. Als de beleving van een vindplaats een hoge score oplevert, is de vindplaats in principe behoudenswaardig. Toch moet dan ook gekeken worden naar de fysieke- en inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats om een goede afweging te kunnen maken. Met name de ensemblewaarde en representativiteit zijn dan van belang. Bij de beleving wordt gekeken naar de bovengrondse zichtbaarheid van de vindplaats schoonheid) en of de vindplaats herinnert aan een specifieke gebeurtenis in het verleden (herinneringswaarde). Meestal is een vindplaats niet meer zichtbaar. Voorbeelden van vindplaatsen die wél zichtbaar zijn, zijn terpen en wallen die als verhoging in het landschap aanwezig zijn, of grachten die zichtbaar zijn door inklinking van de grachtvulling. Fysieke kwaliteit
Vervolgens wordt gekeken naar de fysieke kwaliteit (gaafheid en conservering) van de vindplaats. Wanneer de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld scoren (vijf of zes punten), is de vindplaats in principe behoudenswaardig. Bij een hoge score kan op grond van de inhoudelijke kwaliteiten de vindplaats echter toch niet behoudenswaardig zijn. Bij een lage score (vier punten of minder) kan op grond van de inhoudelijke kwaliteit toch nog sprake zijn van een behoudenwaardige vindplaats (zie hieronder).
Ravenstein, Gemeenschapshuis
43
Bij de fysieke kwaliteit wordt de mate waarin archeologische overblijfselen nog intact en in hun oorspronkelijke positie aanwezig zijn, beoordeeld op gaafheid (de sporen en vondsten en in relatie tot elkaar en in relatie met de omgeving) en conservering (de vondsten). Bijlage IV van de KNA noemt de volgende parameters om de gaafheid te beoordelen: - aanwezigheid van sporen; - gaafheid sporen; - ruimtelijke gaafheid; - stratigrafie intact; - mobilia in situ; - ruimtelijke relatie tussen mobilia onderling; - ruimtelijke relatie tussen mobilia en sporen; - aanwezigheid antropogeen biochemisch residu; - stabiliteit van de natuurlijke omgeving. Voor de conservering wordt gekeken naar de conservering van het vondstmateriaal op zich. De beoordeling is gerelateerd aan de archeoregio waarin de vindplaats zich bevindt. Een vlakgraf zonder botmateriaal maar met een lijksilhouet krijgt in pleistoceen Nederland een hoge waardering. In Holoceen Nederland kan de afwezigheid van botmateriaal juist leiden tot een lage waardering, omdat botmateriaal in dit deel juist wel verwacht kan worden. Een vindplaats wordt op basis van fysieke kwaliteit als in principe behoudenswaardig aangemerkt, als er een bovengemiddeld, vijf of zes punten, wordt gescoord.
Bij een middelmatige tot lage score, tot en met vier punten, wordt naar de inhoudelijke kwaliteit gekeken om te bepalen of een vindplaats toch behoudenswaardig is. Bij een hoge score (zeven of meer punten) op inhoudelijke kwaliteit kan een vindplaats alsnog als behoudenswaardig worden aangemerkt. Inhoudelijke kwaliteit
Na de beoordeling van de fysieke kwaliteit wordt naar de inhoudelijke kwaliteit (zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde) van de vindplaats gekeken. - In welke mate is een bepaalde vindplaats schaars in een bepaald gebied (zeldzaamheid)? - Wat is de betekenis van de vindplaats als bron van kennis over het verleden (informatiewaarde)? - Welke meerwaarde kan aan de vindplaats worden toegekend als je kijkt naar de archeologische en landschappelijke context van de vindplaats (ensemblewaarde)? Bij een bovengemiddelde score (zeven punten of meer) op de deze drie onderdelen wordt de vindplaats als behoudenswaardig aangemerkt. Bij een lagere waardering kan eventueel op grond van de representativiteit nog sprake zijn van een behoudenswaardige vindplaats. Bij representativiteit wordt de mate bepaald waarin een vindplaats karakteristiek is voor een bepaalde periode of een gebied. De representativiteit is alleen relevant indien bij het uitvoeren van de waardering het vermoeden bestaat dat duurzaam behoud van de vindplaats gerealiseerd kan worden. Het waardeoordeel van de vindplaats neemt toe naarmate er meer informatie beschikbaar is over vergelijkbare vindplaatsen uit dezelfde periode en hetzelfde gebied. In het plangebied zijn twee vindplaatsen vastgesteld. Hieronder volgt de waardering van deze vindplaatsen en de scores samengevat in een waarderingstabel.
Het hoofdstuk sluit af met een advies over eventueel vervolgonderzoek in het plangebied.
44
Proefsleuvenonderzoek
6.2.2 Vindplaats 1 (sporen van het Bovenste Hoornwerk) Binnen vindplaats 1 zijn sporen van het bovenste hoornwerk te verwachten. Het gaat hierbij zowel om resten van de gedempte grachten, als de mogelijke wallen. Tabel 6.1 Waardering van de vindplaats volgens de criteria van de KNA. Ravenstein, Gemeenschapshuis. Archeologische waarderingstabel volgens KNA Vindplaats 1: vestingwerken Waarden
Criteria
Scores Hoog
Beleving Fysieke kwaliteit Inhoudelijke kwaliteit
Midden
Schoonheid
Wordt niet gescoord
Herinneringswaarde
Wordt niet gescoord
Gaafheid
2
Conservering
2
Zeldzaamheid
2
Informatiewaarde
2
Ensemblewaarde Representativiteit
Laag
3 N.v.t.
n Beleving
Op beleving wordt niet gescoord, omdat de sporen zich onder het maaiveld bevinden. n Fysieke kwaliteit
Op gaafheid scoort deze vindplaats 2. De sporen van de gedempte vestinggracht zijn zeer goed bewaard en tot grote diepte. De sporen van de wal echter zijn volledig verdwenen, waardoor de score voor de fysieke kwaliteit naar beneden is bijgesteld. De conservering scoort ook 2. Het vondstmateriaal is doorgaans vrij goed geconserveerd, maar het is wel sterk gefragmenteerd materiaal. Verder gaat het ook niet om primair gedeponeerd afval, maar om verspit materiaal. In totaal scoort de vindplaats 4 punten voor fysieke kwaliteit. n Inhoudelijke kwaliteit
Op inhoudelijke kwaliteit scoort deze vindplaats 7 punten. De zeldzaamheid is middel gescoord, aangezien er in Nederland meerdere gebastionneerde steden bestaan. Ook de informatiewaarde wordt middel gescoord. Gezien de soms mindere bewaring van de sporen en vondsten en de reeds verkregen kennis uit voorgaand en onderhavig onderzoek is de intrinsieke kenniswinst iets beperkter. De ensemblewaarde voor deze vindplaats is echter wel heel hoog. De vindplaats is een belangrijk deel van de vestingbouwkundige evolutie van Ravenstein en maakt hier een onlosmakelijk deel van uit.
6.2.3 Vindplaats 2 (sporen gelinkt aan hoeve ‘de Potlepel’) Sporen (kuilen, greppels en een uitbraakspoor) die vermoedelijk aan hoeve ‘de Potlepel’ gelinkt kunnen worden. Deze sporen lopen verder door in noordoostelijke richting (zie IVO-P uit 2021). Mogelijk is greppel S3005 de begrenzing van de hoeve.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
45
Tabel 6.2 Waardering van de vindplaats volgens de criteria van de KNA. Ravenstein, Gemeenschapshuis. Archeologische waarderingstabel volgens KNA Vindplaats 2: nederzetting Waarden
Criteria
Scores Hoog
Beleving Fysieke kwaliteit Inhoudelijke kwaliteit
Midden
Laag
Schoonheid
Wordt niet gescoord
Herinneringswaarde
Wordt niet gescoord
Gaafheid
3
Conservering
3
Zeldzaamheid
2
Informatiewaarde
3
Ensemblewaarde
3
Representativiteit
N.v.t.
n Beleving
Op beleving wordt niet gescoord, omdat de sporen zich onder het maaiveld bevinden. n Fysieke kwaliteit
Op fysieke kwaliteit scoort deze vindplaats 6 punten. De sporen zijn doorgaans goed bewaard en duidelijk zichtbaar in de moederbodem. De sporen worden afgedekt door een ophogingslaag (S810) die over het hele binnenterrein lijkt voor te komen. Ook het vondstmateriaal in de sporen is doorgaans goed bewaard. Het gaat wellicht om primair afval. n Inhoudelijke kwaliteit
Op inhoudelijke kwaliteit scoort de vindplaats 8 punten. Qua zeldzaamheid scoort de vindplaats middel, aangezien vindplaatsen uit de nieuwe tijd niet verschrikkelijk zeldzaam zijn. Qua informatiewaarde en ensemblewaarde scoort de vindplaats wel hoog, aangezien de vindplaats vermoedelijk een hoeve vertegenwoordigt die net buiten de stad gelegen was en afgebroken werd voor de aanleg van het hoornwerk. Gezien de link met de gekende historische gegevens en het grotere verhaal dat hier achter zit, zijn beide punten hoog gescoord.
Afb. 6.3 Vindplaatsenkaart.
46
Proefsleuvenonderzoek
6.3 Advies Als gekeken wordt naar de waarderingstabel in paragraaf 6.2, is voor vindplaats 1 een score van 4 punten voor fysieke kwaliteit en een score van 7 punten voor inhoudelijke kwaliteit aanleiding om de vindplaats te behouden. Het advies van BAAC is dan ook om vindplaats 1 te beschermen middels behoud in situ en indien dit niet mogelijk is door behoud ex situ door middel van een opgraving. Echter, hierbij moet de kanttekening gemaakt worden dat de zuidelijke zijde van het plangebied binnen het hoornwerk zo goed als leeg blijkt te zijn. Hierdoor kunnen deze zones, met uitzondering van de delen die binnen vindplaats 2 vallen, vrijgegeven worden voor verdere werkzaamheden. De vrij te geven zone is circa 4195 m² groot. De centrale en noordelijke zones zijn niet bijkomend gewaardeerd, waardoor de kans reëel is dat ook hier nog sporen in situ bewaard zijn. Derhalve kunnen deze delen van het binnenterrein niet vrijgegeven worden (zie afb 6.4). Deze niet vrij te geven zone is circa 16.530 m² groot en omvat zowel het terrein van het hoornwerk, de vestinggracht als vindplaats 2. Als gekeken wordt naar de waarderingstabel in paragraaf 6.2, is voor vindplaats 2 een score van 6 punten voor fysieke kwaliteit en een score van 8 punten voor inhoudelijke kwaliteit aanleiding om de vindplaats te behouden.
Het advies van BAAC is dan ook om vindplaats 2 te beschermen middels behoud in situ en indien dit niet mogelijk is door behoud ex situ door middel van een opgraving. Bijkomend bij dit advies is het gegeven dat de archeologische data ook gebruik zullen worden voor de reconstructie van het plangebied. Er is vanuit de landschapsarchitecten de intentie om de locatie van de keel visueel weer te geven. Op basis van de veldwaarnemingen is geen volledig betrouwbare reconstructie te maken van de keel van het hoornwerk. In werkput 6 is de richting van de gracht duidelijk aangetoond, en met de boringen in het verlengde van werkput 4 is ook een tweede punt aangetroffen waar de grachtoever aangesneden is. Voor de reconstructie van de keel en de exacte locatie van de knik tussen de korte en de lange keel is dit helaas te weinig data om een reconstructie te maken. Als de gegevens van de verschillende historische kaarten vergeleken worden, kan wel een relatief accuraat beeld van de keel verkregen worden. Zoals hierboven reeds aangegeven, bestaat het vermoeden dat de keel mogelijk bij het heruitgraven van de gracht weggegraven is. Derhalve kan een zekere graad van vrijheid gegeven worden aan de landschapsarchitecten, met inachtname van het veel grotere binnenplein van het hoornwerk. Voor de reconstructie van de wal zal enkel bovengronds gewerkt worden.
Over de oorspronkelijke breedte van de wal zijn nergens aanwijzingen in het veld aangetroffen. Ook hier kan met enige vrijheid, maar wel met respect voor de vermoedelijke oorspronkelijke opbouw, gebouwd worden. Er hoeven hierdoor geen wijzigingen aan de beoogde plannen te worden doorgevoerd. Indien er toch meer zekerheden omtrent de locatie van de keel zouden moeten komen, kan dit opgelost worden door middel van boringen ter plekke van de parkeerterreinen. Indien de verificatie door middel van profielen dient te gebeuren, kan dit ook door middel van een of meerdere proefsleuven ter plekke van de parkeerterreinen. Echter dient hier wellicht rekening te worden gehouden met vervuiling. Een andere optie is dat er tijdens de uitgraafwerken te behoeve van de reconstructie van het plangebied een opgraving (variant archeologische begeleiding) uitgevoerd wordt, waarbij de eventuele nieuwe data omtrent de loop van de gracht gebruikt worden om de locatie van de visualisatie van de keel bij te stellen. De bovengrondse werken kunnen zonder problemen doorgevoerd worden. Indien toch graafwerken zouden plaatsvinden, moet, indien deze dieper gaan dan 30 cm – MV, rekening gehouden worden met mogelijke relevante archeologie indien deze graafwerken binnen de te behouden zones vallen. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies.
Dit betekent niet dat reeds gestart kan worden met bodemverstorende activiteiten of de daarop voorbereidende activiteiten. Het selectieadvies dient namelijk eerst beoordeeld te worden door de bevoegde overheid wat uiteindelijk leidt tot een selectiebesluit. Hoewel getracht is een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden, kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten in de gebieden waarvoor geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen. Daarom blijft de meldingsplicht ten aanzien van archeologische vondsten conform de Erfgoedwet gelden. Dit betekent dat, indien er tijdens toekomstige grondwerkzaamheden toch onverwacht archeologische vondsten en structuren worden aangetroffen, men dit zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en de gemeente Oss dient te melden (Omgevingswet afdeling 19.2).
Ravenstein, Gemeenschapshuis
47
Afb. 6.4 Advieskaart vrijgave terrein.
Coördinaten zone vrijgave: 1: x: 173514.69, y:423058.38 2: x: 173570.40, y:423033.60 3: x: 173556.00, y:423006.92 4: x: 173578.89, y:422991.34 5: x: 173569.22, y: 422970.57 6: x: 173484.24, y: 423013.29
48
Proefsleuvenonderzoek
7
Geraadpleegde bronnen
Literatuur
Geraadpleegde kaarten en websites
Centraal College van Deskundigen (CCvD) 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Landbodems, versie 4.1. Gouda (SIKB).
Kadasterkaart (minuutplan en OAT), 1811-1832, http:// beeldbank.cultureelerfgoed.nl, 20-08-2024.
Cobben, M. et al. 2020: Briefverslag Quickscan Archeologie plangebied Bovenste Hoornwerk, te Ravenstein, Gemeente Oss. Hamaland Advies projectnummer 203064. Goddijn, M.A. 2012: Actualisatie Archeologiebeleid gemeente Oss. Een herziende archeologische beleidsadvieskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss, Archol-Rapport 183. Leiden. Kocken, J. 2024: Ravenstein na de stadsbrand van 1606. Tussen Maas en Erfdijk 14–20. Lameris, N.H., R. van der Mark, W. Bergman & D.E.P.C.M. Beckers 2022: Ravenstein De Bleek, Drie onderzoeken op het “bovenste hoornwerk”, BAACrapport A-19.0367/A-20.0045. ’s-Hertogenbosch. Van der Kuijl, E.E.A. 2024: Programma van Eisen, het Bovenste Hoornwerk (Vidi Reo) te Ravenstein, BAAC Project A-23.0918. ’s-Hertogenbosch. Van Remoorter, O. & B. Boin 2024: Plan van Aanpak, project A-23.0846, Ravenstein, het Hoorn. ’s-Hertogenbosch.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
49
50
Proefsleuvenonderzoek
8
Bijlagen
Bijlage 1 Geologische en archeologische tijdvakken Bijlage 2 Onderzoeksvragen uit het Programma van Eisen Bijlage 3 Sporenlijst Bijlage 4 Vondstenlijst Bijlage 5 Determinatielijst Bijlage 6 Allesporenkaart Bijlage 7 Synthesekaart
Ravenstein, Gemeenschapshuis
51
52
Proefsleuvenonderzoek
Bijlage en B jlage 1: 1 GeGeologische ologische en arch eolarcheologische ogische tijdvakken tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen (warme periode)
1
11.650
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
13.900 14.030
Laat
Laat
30.000
60.000
Weichselien (ijstijd)
14.640
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
75.000
Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm) LaatPleniglaciaal (zeer koud)
2
MiddenPleniglaciaal (koud)
3
VroegPleniglaciaal (zeer koud)
4
Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel) Formatie van Kreftenheye (Rijn)
VroegWeichselien (gematigd koud)
Pleistoceen
5b 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6-10
Holsteinien (warme periode)
11
Elsterien (ijstijd)
12
Cromerien (warme periode)
1322
Pre-Cromerien
23104
Eem Formatie (marien, lagunair en lacustrien) Formatie van Drente (Glaciaal)
130.000
Midden
410.000
Midden
370.000
475.000
2.600.000
Vroeg
Vroeg
850.000
Formatie van Urk (Rijn) Formatie van Peelo (Glaciaal) Formatie van Sterksel (Rijn)
Formatie van Stamproy (eolisch en lokaal terrestrisch)
117.000
Kwartair
5a
Formatie van Beegden (Maas)
12.850
Lithostratigrafie
Formatie van Boxtel (eolisch en lokaal terrestrisch)
Ouderdom (jr) 0 = 1950 n. Chr.
Chrono-, zuurstofisotopen- en lithostratigrafie voor Noordwest-Europa naar De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Berendsen (2008) en Cohen et al. (2009). Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor Cultuurhistorisch Erfgoed (RCE). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2008). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Ravenstein, Gemeenschapshuis
53
B i j l a g e 1 b : AB R - c o d e s a r c h e o l o g i s c h e t i j d v a k k e n PREH ST E E N PALEO PALEOV PALEOM PALEOL PALEOLA PALEOLB M E SO MESOV MESOM MESOL NE O NEOV NEOVA NEOVB NEOM NEOMA NEOMB NEOL NEOLA NEOLB B R ONS BRONSV BRONSM BRONSMA BRONSMB BRONSL I JZ IJZV IJZM IJZL PROTO R OM ROMV ROMVA ROMVB ROMM ROMMA ROMMB ROML ROMLA ROMLB ME MEV MEVA MEVB MEVC MEVD MEL MELA MELB NT NTV NTM NTL R E C E NT
54
P re h i sto ri e St e e n t i j d Paleolithicum/oude steentijd Paleolithicum vroeg Paleolithicum midden Paleolithicum laat Paleolithicum laat A Paleolithicum laat B M e so l i th i cu m / m i d d e n ste e n ti j d Mesolithicum vroeg Mesolithicum midden Mesolithicum laat N e o l i t h i c u m / n i e u we s t e e n t i j d Neolithicum vroeg Neolithicum vroeg A Neolithicum vroeg B Neolithicum midden Neolithicum midden A Neolithicum midden B Neolithicum laat Neolithicum laat A Neolithicum laat B B ro n sti j d Bronstijd vroeg Bronstijd midden Bronstijd midden A Bronstijd midden B Bronstijd laat I J ze r t i j d IJzertijd vroeg IJzertijd midden IJzertijd laat Protohistorie R o m e i n se ti j d Romeinse tijd vroeg Romeinse tijd vroeg A Romeinse tijd vroeg B Romeinse tijd midden Romeinse tijd midden A Romeinse tijd midden B Romeinse tijd laat Romeinse tijd laat A Romeinse tijd laat B M i d d e l e e u we n Middeleeuwen vroeg Middeleeuwen vroeg A Middeleeuwen vroeg B Middeleeuwen vroeg C Middeleeuwen vroeg D Middeleeuwen laat Middeleeuwen laat A Middeleeuwen laat B N i e u we t i j d Nieuwe tijd vroeg Nieuwe tijd midden Nieuwe tijd laat R e ce n t
Proefsleuvenonderzoek
t o t 1 2 vo o r C h r . t o t 2 0 0 0 vo o r C h r . tot 8800 voor Chr. tot 300.000 voor Chr. 300.000-35.000 voor Chr. 35.000-8800 voor Chr. 35.000-18.000 voor Chr. 18.000-8800 voor Chr. 8 8 0 0 - 4 9 0 0 vo o r C h r . 8800-7100 voor Chr. 7100-6450 voor Chr. 6450-4900 voor Chr. 5 3 0 0 - 2 0 0 0 vo o r C h r . 5300-4200 voor Chr. 5300-4900 voor Chr. 4900-4200 voor Chr. 4200-2850 voor Chr. 4200-3400 voor Chr 3400-2850 voor Chr. 2850-2000 voor Chr. 2850-2450 voor Chr. 2450-2000 voor Chr. 2 0 0 0 - 8 0 0 vo o r C h r . 2000-1800 voor Chr. 1800-1100 voor Chr. 1800-1500 voor Chr. 1500-1100 voor Chr. 1100-800 voor Chr. 8 0 0 - 1 2 vo o r C h r . 800-500 voor Chr. 500-250 voor Chr. 250-12 voor Chr. 12 voor Chr. -450 na Chr. 1 2 vo o r C h r . - 4 5 0 n a C h r . 12 voor Chr. -70 na Chr. 12 voor Chr.-25 na Chr. 25-70 na Chr. 70-270 na Chr. 70-150 na Chr. 150-270 na Chr. 270-450 na Chr. 270-350 na Chr. 350-450 na Chr. 4 5 0 -1 5 0 0 n a C h r. 450-1050 na Chr. 450-525 na Chr. 525-725 na Chr. 725-900 na Chr. 900-1050 na Chr. 1050-1500 na Chr. 1050-1250 na Chr. 1250-1500 na Chr. 1500-1850 1500-1650 na Chr. 1650-1850 na Chr. 1850-1950 na Chr. 1950-heden
Bijlage 2 Onderzoeksvragen uit het Programma van Eisen n Bodemopbouw en landschap
1.
Hoe is de opbouw van het profiel (lithologische laagopeenvolging en bodemhorizonten)? In alle profielen op het binnenterrein van het hoornwerk (werkputten 1-5) is een zelfde bodemopbouw waar te nemen. Onder de recente ploeglaag is een mogelijk akker- of ophogingspakket (S810) aanwezig. Onder deze laag is steeds de natuurlijke ondergrond aanwezig die uit kleiige afzettingen bestaat. Enkel bij werkput 6 zijn zandige rivierafzettingen aanwezig.
2.
Wat was (waarschijnlijk) het niveau van het maaiveld in de onderscheiden archeologische perioden? Het oorspronkelijke maaiveld is niet meer te achterhalen. De oorspronkelijke natuurlijke bodemopbouw is niet meer bewaard en het is onduidelijk tot op welk niveau laag S810 kwam.
3.
In welke mate is de bodem in het plangebied verstoord c.q. is het oorspronkelijke verdedigingswerk aangetast? De locaties waar de zuidelijke flank gelegen was, zijn in het verleden (lees 2021) reeds afgegraven ten behoeve van OOO-werkzaamheden. De overige delen van het terrein lijken ook deels afgetopt te zijn geweest, maar het is onduidelijk wanneer dit gebeurd is. Mogelijk gaat het om een afgraving in het kader van de aanleg van het hoornwerk.
n Sporen en structuren
4.
Wat is de precieze aard, omvang, datering en conserveringstoestand van de archeologische resten, grondsporen en structuren en wat is de volgorde van de aanleg van het hoornwerk en eventuele voorgangers. Voorafgaand aan de aanleg van het hoornwerk is een hoeve aanwezig, hoeve den Potlepel. Van deze hoeve zijn tijdens het onderhavige onderzoek en de proefsleuven uit 2021 enkele kuilen, greppels, muurresten (enkel tijdens het onderzoek in 2021) en uitbraaksporen aangetroffen. Vermoedelijk werd deze hoeve afgebroken voor de aanleg van het hoornwerk. Van het eigenlijke hoornwerk zijn geen resten van het wallichaam meer bewaard. Van de gracht is in werkput 6 een gedeeltelijke doorsnede gemaakt. Het lijkt er op dat tussen het slechten van de vestingwerken en de periode 1811-1832 een heruitgraving heeft plaatsgevonden, waarbij mogelijk de knik in de keel van het hoornwerk deels vergraven is. Een precieze reconstructie van de keel is bijgevolg dus niet mogelijk
5.
Zijn er aanwijzingen over de oorspronkelijke positie/aanzet van de aarden vestingwal? Er zijn geen restanten meer bewaard van de oorspronkelijke aarden wal. Het terrein lijkt zeer sterk geëgaliseerd te zijn geweest. Alsook de afgraving voor de OOO-werkzaamheden hebben waarschijnlijk ook veel verstoord.
6.
Wat is de ruimtelijke verspreiding van de archeologische resten, zowel in horizontale als verticale (stratigrafische) zin? De resten van de hoeve den Potlepel lijken zich vooral rond werkput 3 te situeren en lopen in noordoostelijke richting door. Deze sporen zijn enkel in de moederbodem zichtbaar. Van het hoornwerk zijn enkel de opvullingslagen van de gracht aanwezig. De resten van de wal zijn volledig verdwenen.
7.
Zijn er aanwijzingen voor de afbraak van hoornwerk en zo ja wat was de werkwijze en is er een volgorde in het slechten van het aardwerk en de gracht aan te geven? Door het ontbreken van resten van de wal kan op deze vraag geen antwoord gegeven worden.
n Vondsten en paleo-ecologische resten
8.
Wat is de fysieke kwaliteit van sporen en vondsten? De aanwezige sporen en vondsten zijn goed geconserveerd. De verwachtte resten van het wallichaam zijn volledig verdwenen, hierdoor kan gesteld worden dat deze sporen dus slecht geconserveerd zijn.
9.
Kan op basis van de aangetroffen mobilia zoals projectielen (van pistool, geweer en geschut) en fragmenten van wapens, wapenonderdelen, uniformknopen, insignes, munten, etc. bepaald worden met welke wapens er gevochten werd, welk legeronderdeel ter plaatse actief is geweest (bijvoorbeeld artillerie, cavalerie of infanterie) en welk land van herkomst de betreffende (huur)soldaten hadden? Tijdens het veldwerk zijn geen indicaties van militaire oorsprong aangetroffen. Het gaat uitsluitend om huishoudelijk afval dat grotendeels aan de verdwenen hoeve kan gekoppeld worden.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
55
10. Welke mobiele vondsten zijn gedaan? De meeste vondsten bestaan uit fragmenten aardewerk. Daarnaast zijn ook enkele fragmenten metaal, dierlijk bot en natuursteen ingezameld. 11. Wat is de datering van de vondsten en waarop is de datering gebaseerd? De meeste vondsten dateren in de periode 16e-begin 17e eeuw. Het gaat om materiaal dat uit huishoudelijke context afkomstig is. 12. In welke mate bevinden vondsten zich in primaire positie/gesloten context en in welke mate gaat het om vondsten zonder context? Bijna alle vondsten komen uit grondsporen. Het gaat hierbij zowel om grondsporen te linken aan hoeve den Potlepel als de dempingslagen van de vestinggracht. De vondsten uit de grondsporen zijn mogelijk als primaire depositie te beschouwen, maar de dempingslagen van de gracht zijn als verstoorde/verspitte context te aanzien. 13. Zijn er plaatsen aan te wijzen met een opvallend grote vondstconcentratie en wat is de samenstelling ervan? Er zijn geen vondstconcentraties aangetroffen tijdens het veldwerk. 14. In welke mate dragen de mobiele vondsten bij aan de datering van lagen, sporen, structuren? De vondsten geven een indicatie dat er voor de aanleg van het hoornwerk een hoeve aanwezig was. Sporen direct te linken aan het hoornwerk ontbreken (met uitzondering van de gedempte vestinggracht). Wat is : 15.
de aard en conservering van paleo-ecologische resten?25 En in welke mate en in welke context worden ze aangetroffen? Er zijn geen paleo-ecologische resten verzameld. Er zijn geen actieve grachtlagen aangesneden tijdens het veldwerk. Noch zijn er bij de sporen van de hoeve interessante afvalcontexten aanwezig. 16. Welke betekenis ontlenen zij of kunnen zij geven aan deze context? N.v.t. 17. In welke mate kunnen ze bijdragen aan de datering van sporen, lagen, structuren? N.v.t. 18. Welke informatie kunnen zij geven over landschap en vegetatie (voorafgaand, tijdens en/of na bewoningsfase(n)), voedseleconomie, verwerving en toepassing van organisch materiaal e.d.? N.v.t. 19. Kan aan de hand van het aangetroffen zoölogisch en botanisch materiaal in potentie worden afgeleid hoe het (cultuur)landschap voor, tijdens en na de fase van activiteiten er heeft uit gezien? N.v.t. 20. Indien ja, wat is de specifieke potentie en welke methoden zijn het meest kansrijk? N.v.t. Ten behoeve van de waardering van de vindplaats: 21. In welke mate zijn de archeologische kenmerken van de locatie zichtbaar of herkenbaar en in welke mate is er sprake van belevingswaarde? Er zijn geen bovengrondse resten van het hoornwerk meer bewaard. Wat is: 22. De fysieke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten? De meeste sporen zijn pas zichtbaar vanaf het niveau van de natuurlijke ondergrond.
De sporen zijn duidelijk zichtbaar en zijn goed bewaard. Er is vaak sprake van vondstmateriaal welke een datering mogelijk maakt.
25
56
Deze specialistische vraag wordt in een tabel (bijlage) met toelichtende tekst in het rapport beantwoord.
Proefsleuvenonderzoek
23. Welke verschillen zijn er t.a.v. dit aspect binnen het onderzoeksgebied? De meeste sporen lijken zich te concentreren rond werkput 3. Vermoedelijk gaat het om resten van hoeve den Potlepel. In de overige werkputten komen weinig tot geen sporen voor. Ter plekke van de verwachte wal is de bodem reeds afgegraven tot in de top van de natuurlijke ondergrond. Hierdoor is elke kans op het aantreffen van resten van de wal verloren gegaan. In werkput 6 is de gedempte vestinggracht en de aanzet van het halfbastion Oranje duidelijk aanwezig. Wat is: 24. De inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen resten? Zoals reeds gesteld zijn de sporen in werkput 3 (en ook werkput 5) te linken aan hoeve den Potlepel. Deze hoeve is afgebroken voor de aanleg van het hoornwerk. Van het hoornwerk is enkel de vestinggracht en mogelijk de aanzet van het halfbastion Oranje aangesneden. Van de wal is geen enkel spoor meer bewaard. 25. Welke verschillen zijn er t.a.v. dit aspect binnen het onderzoeksgebied? Er zijn verspreid over het terrein relevante sporen aanwezig, ofwel van hoeve de Potlepel, ofwel van het hoornwerk. Werkputten 1, 2 en 4 zijn leeg, hier zijn geen sporen aangetroffen. 26.
Welke waarde is er samenvattend te geven aan het onderzoeksgebied en de daarin te onderscheiden delen (binnen verticale en/of horizontale grenzen; complextypen, periode, sites)? Beschrijf en beredeneer de verschillen in waarde. Maak daartoe gebruik van VSO6 (KNA-protocol 4003) en bijlage IV – waarderen van vindplaatsen. Maak tevens gebruik van §5.3.3; hoofdstuk 12 en hoofdstuk 13 (tabel 1; Zoetbrood e.a. 2006). Zie verder ook §5.2; Binnen het onderzoeksgebied zijn twee vindplaatsen aanwezig, vindplaats 1 omvat het eigenlijke Hoornwerk inclusief grachten. Vindplaats 2 omvat de resten van hoeve den Potlepel. 27. Is er een verwachting dat buiten het nu onderzochte gebied nog resten van deze vindplaats aanwezig zijn en wat is de verwachting over de fysieke en inhoudelijke kwaliteit daarvan? Vindplaats 1 loopt buiten het onderzoeksgebied verder door en maakt deel uit van de vestingwerken van Ravenstein. Vindplaats 2 ligt volledig binnen de grenzen van het onderzoeksgebied. n Behoudsperspectief (indien behoud tot de mogelijkheden behoort)
28. Indien het daadwerkelijk om behoudenswaardige resten gaat, welke realistische aanpassing van de inrichtingsplannen voor het plangebied zijn mogelijk voor het ter plaatse (in situ) behoud van de archeologische resten? Indien enkel bovengronds werken zullen plaatsvinden (zoals de intentie is van de architecten), kunnen alle resten in situ bewaard blijven. Een gedeelte van de onderzochte zone van het binnenterrein van het hoornwerk zou in principe vrijgegeven kunnen worden. 29. Is in het plangebied ten aanzien van het in-situ behoud vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? Ophogen van de terreinen voor de bouw lijkt het ideale scenario. Indien graafwerken plaatsvinden en deze gaan niet dieper dan 30 cm - mv, dan is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk, aangezien er zo een voldoende grote buffer is ten opzichte van het archeologisch niveau dat zich op ca 50 cm – mv bevindt. n Conclusie, evaluatie, aanbevelingen
30. Hoe verhouden de conclusies zich tot de resultaten van het eerdere onderzoek of andere bekende gegevens? In welke mate wijkt de geconstateerde waarde af van de eerder toegekende waarde of van de gespecificeerde verwachting? Het binnenterrein van het hoornwerk loopt veel verder door richting de stad dan oorspronkelijk gedacht. Hierdoor ligt de aanzet van de gracht net buiten de voorziene werkputten. Een gevolg hiervan is dat de locatie van de knik van de keel van het hoornwerk niet met zekerheid kan gereconstrueerd worden. 31. In welke mate heeft dit onderzoek bij kunnen dragen aan onderzoeksthema’s uit de NOaA? In welke mate heeft dit onderzoek in een datalacune kunnen voorzien? Hoe is het kennisrendement te omschrijven? Gezien de beperkte resten van het hoornwerk is de bijdrage aan de onderzoeksthema’s eerder beperkt te noemen.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
57
32. Wat is de status van het terrein na afronding van het archeologisch onderzoek? (met andere woorden, zijn er nog behoudenswaardige archeologische resten in het gebied aanwezig of te verwachten die nog niet zijn onderzocht/ opgegraven en die een bescherming van het terrein in de toekomst noodzakelijk maken? Er zijn twee vindplaatsen aanwezig op het terrein. Vindplaats 1 omvat het gehele hoornwerk en vindplaats 2 omvat de resten van hoeve den Potlepel. Beide vindplaatsen worden als behoudenswaardig gescoord. Indien mogelijk wordt aanbevolen om de resten in situ te bewaren. De voorziene plannen gaan nu vooral uit van bovengrondse ingrepen, wat een behoud in situ enkel maar ten goede komt. 33. Dient (een deel van) het plangebied in de toekomst via het omgevingsplan archeologisch beschermd te blijven? De twee behoudenswaardige vindplaatsen kunnen als gebieden van hoge archeologische waarde ingetekend worden op de omgevingsplannen.
58
Proefsleuvenonderzoek
Bijlage 3 Sporenlijst
Ravenstein, Gemeenschapshuis
59
60
Proefsleuvenonderzoek
Bijlage 4 Vondstenlijst
VONDSTENLIJST PROJECT
VONDSTNR
VZAKNR
SPOOR
VULLING
MATERIAAL
CATEGORIE
AANTAL
GEWICHT (G)
VERZAMELWIJZE
A-23.0846
1
0
6002
0
STRUCTUUR
VINDPLAATS
KAW
ME/NT
4
110,9
AANV
A-23.0846
1
1
6002
0
KBW
-
1
117,7
AANV
A-23.0846
2
0
6002
0
KAW
ME/NT
6
30,3
AANV
A-23.0846
3
0
5002
0
KAW
ME/NT
7
316,4
AANV
A-23.0846
4
0
3810
0
KAW
ME/NT
5
44,3
AANV
A-23.0846
5
0
3002
0
KAW
ME/NT
5
135,6
AANV
A-23.0846
5
1
3002
0
ODB
-
1
1,8
AANV
A-23.0846
6
0
3003
0
KAW
ME/NT
3
41,9
AANV
A-23.0846
7
0
3003
0
KAW
ME/NT
14
800,2
AANV
A-23.0846
7
1
3003
0
MXX
-
3
588,8
AANV
A-23.0846
8
0
3005
0
KAW
ME/NT
15
798,7
AANV
A-23.0846
9
0
3005
0
KAW
ME/NT
5
88,9
AANV
A-23.0846
10
0
3005
0
KAW
ME/NT
3
190
COUP
A-23.0846
11
0
3007
0
KAW
ME/NT
2
23,2
COUP
A-23.0846
11
1
3007
0
SXX
-
1
132,5
COUP
A-23.0846
12
0
3008
0
KAW
ME/NT
2
28,9
AANV
A-23.0846
13
0
2810
0
KAW
ME/NT
17
254
AANV
A-23.0846
14
0
1001
0
KAW
ME/NT
2
116,6
AANV
Ravenstein, Gemeenschapshuis
OPMERKINGE
61
PLAATS
TOPONIEM
ZAAKNUMMER PROJECT
VONDST VZAKNR VOLGNR MATERIAAL CATEGORIE SUBCATEGORIE
ARTEFACT
DEVENTER SYSTEEM
Ravenstein
Gemeenschapshuis
5627008100
A‐23.0846
1
0
1
KAW
ME/NT
LME/NT‐OVERIG
XXX
r‐pot‐
Ravenstein
Gemeenschapshuis
5627008100
A‐23.0846
1
0
2
KAW
ME/NT
LME/NT‐OVERIG
XXX
ep‐the‐3
Ravenstein
Gemeenschapshuis
5627008100
A‐23.0846
1
1
1
KBW
OVERIG
XXX
‐‐
Ravenstein Ravenstein Ravenstein Ravenstein Ravenstein
Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis
5627008100 5627008100 5627008100 5627008100 5627008100
A‐23.0846 A‐23.0846 A‐23.0846 A‐23.0846 A‐23.0846
2 2 3 3 4
0 0 0 0 0
1 2 1 2 1
KAW KAW KAW KAW KAW
LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG
XXX XXX XXX XXX XXX
r‐gra‐94 w‐dek‐11 s2‐kan‐ r‐‐ s2‐‐
ME/NT ME/NT ME/NT ME/NT ME/NT
HERKOMST AANTAL
GEWICHT (G)
RAND
WAND
BODEM
PROFIEL
OOR
OVERIG
AFWERKING BINNEN
3,00
86,70
2
1
0
0
0
0
LOOD
Duitsland
1,00
24,90
1
0
0
0
0
0
TIN
regionaal
1,00
118,20
0
1
0
0
0
0
lokaal regionaal Raeren regionaal Raeren
5,00 1,00 6,00 1,00 3,00
22,70 7,60 301,50 15,00 35,60
2 0 0 0 0
3 0 4 0 3
0 0 1 1 0
0 0 0 0 0
0 0 0 0 0
0 0 0 0 0
LOOD GLAZ
Gemeenschapshuis
5627008100
A‐23.0846
4
0
2
KAW
ME/NT
LME/NT‐OVERIG
XXX
r‐‐
regionaal
2,00
8,50
1
1
0
0
0
0
Gemeenschapshuis
5627008100
A‐23.0846
5
0
1
KAW
ME/NT
LME/NT‐OVERIG
XXX
s2‐‐
Raeren
4,00
83,70
0
4
0
0
0
0
Ravenstein
Gemeenschapshuis
5627008100
A‐23.0846
5
0
2
KAW
ME/NT
LME/NT‐OVERIG
XXX
r‐pot‐59
regionaal
1,00
52,00
1
0
0
0
0
0
Ravenstein Ravenstein Ravenstein Ravenstein Ravenstein Ravenstein Ravenstein Ravenstein Ravenstein
Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis
5627008100 5627008100 5627008100 5627008100 5627008100 5627008100 5627008100 5627008100 5627008100
A‐23.0846 A‐23.0846 A‐23.0846 A‐23.0846 A‐23.0846 A‐23.0846 A‐23.0846 A‐23.0846 A‐23.0846
6 7 7 7 7 7 7 8 8
0 0 0 0 0 0 0 0 0
1 1 2 3 4 5 6 1 2
KAW KAW KAW KAW KAW KAW KAW KAW KAW
ME/NT ME/NT ME/NT ME/NT ME/NT ME/NT ME/NT ME/NT ME/NT
LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG
XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX
s2‐kan‐9 w‐‐ r‐‐ s2‐‐ s2‐‐ s2‐kan‐9 s2‐pot‐4 s2‐‐ w‐‐
Raeren regionaal lokaal Raeren Raeren Raeren Raeren Raeren regionaal
3,00 2,00 5,00 3,00 2,00 1,00 1,00 8,00 1,00
41,90 9,30 88,70 465,10 25,60 60,60 151,30 624,90 2,60
1 0 0 0 0 1 1 0 0
2 2 3 3 2 0 0 3 1
0 0 2 0 0 0 0 5 0
0 0 0 0 0 0 0 0 0
0 0 0 0 0 0 0 0 0
0 0 0 0 0 0 0 0 0
Ravenstein
Gemeenschapshuis
5627008100
A‐23.0846
8
0
3
KAW
ME/NT
LME/NT‐OVERIG
XXX
r‐‐
lokaal
6,00
171,30
1
4
1
0
0
0
Ravenstein Ravenstein Ravenstein
Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis
5627008100 5627008100 5627008100
A‐23.0846 A‐23.0846 A‐23.0846
9 9 10
0 0 0
1 2 1
KAW KAW KAW
ME/NT ME/NT ME/NT
LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG
XXX XXX XXX
s2‐‐ w‐‐ s2‐kan‐9
Raeren regionaal Raeren
4,00 1,00 2,00
82,90 6,40 115,40
0 0 2
3 1 0
1 0 0
0 0 0
0 0 0
0 0 0
LOOD/CuO LOOD
Gemeenschapshuis
5627008100
A‐23.0846
10
0
2
KAW
ME/NT
LME/NT‐OVERIG
XXX
r‐kom‐42
lokaal
1,00
74,40
1
0
0
0
0
0
Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis Gemeenschapshuis
5627008100 5627008100 5627008100 5627008100 5627008100
A‐23.0846 A‐23.0846 A‐23.0846 A‐23.0846 A‐23.0846
11 12 12 13 14
0 0 0 0 0
1 1 2 1 1
KAW KAW KAW KAW KAW
ME/NT ME/NT ME/NT ME/NT ME/NT
LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG LME/NT‐OVERIG
XXX XXX XXX XXX XXX
s2‐‐ s2‐‐ w‐‐ r‐gra‐30 r‐gra‐102
Raeren Raeren regionaal lokaal lokaal
2,00 1,00 1,00 17,00 2,00
23,20 15,50 13,60 254,00 116,60
0 0 0 2 1
2 1 1 9 1
0 0 0 6 0
0 0 0 0 0
0 0 0 0 0
0 0 0 0 0
LOOD GLAZ ZOUT ZOUT
Ravenstein
Ravenstein
TIN
LOOD
Ravenstein
Ravenstein Ravenstein Ravenstein Ravenstein Ravenstein
AFWERKING AAN VERHITTING BUITEN KOEKSEL
LOOD/CuO ZOUT LOOD ZOUT LOOD
ZOUT
LOOD ZOUT/ENG ZOUT ZOUT ZOUT ZOUT
LOOD ZOUT LOOD/CuO ZOUT
ZOUT ZOUT LOOD LOOD LOOD
LOOD LOOD
BEGIN DATERING
EIND BEGIN DATERING PERIODE
EIND PERIODE
OPMERKINGEN (KERAMIEK)
PUT
VLAK
SPOOR
VULLING SPOORAARD
VERZAMEL ONDER UITVOERDER WIJZE ZOEKER
INGEVOERD
6
1
6002
0
GRA
AANV
BAAC
OVR
29‐aug‐24
6
1
6002
0
GRA
AANV
BAAC
OVR
29‐aug‐24
6
1
6002
0
GRA
AANV
BAAC
OVR
29‐aug‐24
6 6 5 5 3
1 1 1 1 1
6002 6002 5002 5002 3810
0 0 0 0 0
GRA GRA GR GR LGO
AANV AANV AANV AANV AANV
BAAC BAAC BAAC BAAC BAAC
OVR OVR OVR OVR OVR
29‐aug‐24 29‐aug‐24 29‐aug‐24 29‐aug‐24 29‐aug‐24
3
1
3810
0
LGO
AANV
BAAC
OVR
29‐aug‐24
3
1
3002
0
KL
AANV
BAAC
OVR
29‐aug‐24
3
1
3002
0
KL
AANV
BAAC
OVR
29‐aug‐24
3 3 3 3 3 3 3 3 3
1 1 1 1 1 1 1 1 1
3003 3003 3003 3003 3003 3003 3003 3005 3005
0 0 0 0 0 0 0 0 0
KL KL KL KL KL KL KL GR GR
AANV AANV AANV AANV AANV AANV AANV AANV AANV
BAAC BAAC BAAC BAAC BAAC BAAC BAAC BAAC BAAC
OVR OVR OVR OVR OVR OVR OVR OVR OVR
29‐aug‐24 29‐aug‐24 29‐aug‐24 29‐aug‐24 29‐aug‐24 29‐aug‐24 29‐aug‐24 29‐aug‐24 29‐aug‐24
3
1
3005
0
GR
AANV
BAAC
OVR
29‐aug‐24
3 3 3
1 1 1
3005 3005 3005
0 0 0
GR GR GR
AANV AANV COUP
BAAC BAAC BAAC
OVR OVR OVR
29‐aug‐24 29‐aug‐24 29‐aug‐24
3
1
3005
0
GR
COUP
BAAC
OVR
29‐aug‐24
3 3 3 2 1
1 1 1 1 1
3007 3008 3008 2810 1001
0 0 0 0 0
KL KL KL LGO LGN
COUP AANV AANV AANV AANV
BAAC BAAC BAAC BAAC BAAC
OVR OVR OVR OVR OVR
29‐aug‐24 29‐aug‐24 29‐aug‐24 29‐aug‐24 29‐aug‐24
NEE
NEE
1750
1900
NTM
NTL
voorraadpotje met bandoor, eenvoudige afgeronde rand met lichte dekselgeul
NEE
NEE
1850
1950
NTL
RECENT
groene verflijn op top rand, Meissen?
NEE
NEE
1875
1950
NTL
RECENT
NEE NEE NEE NEE NEE
NEE NEE NEE NEE NEE
1650 1750 1500 1500 1550
1750 1850 1650 1650 1700
NTM NTM NTV NTV NTV
NTM NTL NTM NTM NTM
NEE
NEE
1600
1750
NTV
NTM
NEE
NEE
1550
1700
NTV
NTM
NEE
NEE
1500
1650
NTV
NTM
NEE NEE NEE NEE NEE NEE NEE NEE NEE
NEE NEE NEE NEE NEE NEE NEE NEE NEE
1550 1550 1550 1600 1550 1550 1550 1550 1550
1650 1650 1650 1700 1650 1650 1650 1650 1650
NTV NTV NTV NTV NTV NTV NTV NTV NTV
NTM NTM NTM NTM NTM NTM NTM NTM NTM
NEE
NEE
1550
1650
NTV
NTM
NEE NEE NEE
NEE NEE NEE
1550 1550 1550
1650 1650 1650
NTV NTV NTV
NTM NTM NTM
NEE
NEE
1550
1650
NTV
NTM
NEE NEE NEE NEE NEE
NEE NEE NEE NEE NEE
1550 1550 1550 1600 1550
1650 1650 1650 1700 1650
NTV NTV NTV NTV NTV
NTM NTM NTM NTM NTM
machinaal geperste dakpan, deels geglazuurd residueel? engobe onder glazuur standring met schaarse loodglazuur vermoedelijk randfragment van bord, maar onduidelijk door sterke fragmentatie roetsporen buitenzijde, mogelijk als kookpot gebruikt?
3 grote zware wanden van tonvormige
1 rand kruik, randtype niet met zekerheid vast te stellen
2 randen van 2 kannen rand melkteil met aanzet horizontaal oor
bord? Kom?
62
Proefsleuvenonderzoek
Bijlage 6 Allesporenkaarten
Ravenstein, Gemeenschapshuis
63
64
Proefsleuvenonderzoek
Ravenstein, Gemeenschapshuis
65
66
Proefsleuvenonderzoek
Bijlage 7 Synthesekaart
Ravenstein, Gemeenschapshuis
67
Proefsleuvenonderzoek
Rapport A-23.0846
Ravenstein, Gemeenschapshuis
O.J.R. VAN REMOORTER, MA
ARCHEOLOGIE BAAC Graaf van Solmsweg 103 5222 BS Den Bosch 073 613 62 19
Popovstraat 54 8013 RK Zwolle 038 303 66 50
info@baac.nl www.baac.nl