Bijlage bij toelichting 04-Archelogisch onderzoek Hoornwerk dd 30-10-2024
Tekst van het document
Ravenstein, Gemeenschapshuis Proefsleuvenonderzoek
O.J.R. VAN REMOORTER, MA
BAAC-RAPPORT A-23.0846
Auteur: O.J.R. Van Remoorter Status: Definitief
Ravenstein, Gemeenschapshuis Proefsleuvenonderzoek BAAC-rapport A-23.0846
oktober 2024
2
Proefsleuvenonderzoek
Colofon
ISSN:
1873-9350
Versie:
2.1
Auteur(s):
O.J.R. Van Remoorter, Ma
Met een bijdrage van:
O.J.R. Van Remoorter (aardewerk)
Cartografie
O.J.R. Van Remoorter
Vormgeving:
E.R.A. Smits
Inhoudelijke controle (KNA):
M.A. Tolboom
In overleg met de initiatiefnemer heeft de initiatiefnemer het rapport ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde overheid. Het rapport is goedgekeurd door de bevoegde overheid. Er heeft inhoudelijke afstemming met de bevoegde overheid plaatsgevonden.
© BAAC, ’s-Hertogenbosch 2024. BAAC aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
n BAAC - Archeologie en Bouwhistorie Graaf van Solmsweg 103 Popovstraat 54 5222 BS ‘s-Hertogenbosch 8013 RK Zwolle Tel.: (073) 61 36 219 (038) 303 66 50 E-mail: denbosch@baac.nl zwolle@baac.nl
Ravenstein, Gemeenschapshuis
3
4
Proefsleuvenonderzoek
Inhoudsopgave n
Samenvatting
7
n 1
Inleiding
9 9 11 12 13
n 2
Onderzoekskader
2.1 Landschappelijke achtergrond 2.2 Bewoningsgeschiedenis 2.2.1 Archeologie 2.2.2 Historie 2.2.3 Archeologische verwachting 2.3 Onderzoeksvragen 2.3.1 Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders 2.3.2 Vraagstelling 2.3.3 Onderzoeksvragen 2.4 Werkwijze 2.4.1 Veldwerk 2.4.2 Uitwerking
15 15 15 15 16 17 18 18 18 18 20 20 23
n 3
Bodemopbouw en landschap
25
n 4 Sporen en structuren 4.1 Sporen van hoeve ‘den Potlepel’? 4.2 Sporen van het bovenste hoornwerk
27 31 32
n 5
Vondstmateriaal
39 39 40 40 40
n 6
Synthese, waardering en advies
6.1 Synthese 6.2 Waardering 6.2.1 Toelichting 6.2.2 Vindplaats 1 (sporen van het Bovenste Hoornwerk) 6.2.3 Vindplaats 2 (sporen gelinkt aan hoeve ‘de Potlepel’) 6.3 Advies
41 41 43 43 45 45 47
n 7
Geraadpleegde bronnen
49
1.1 1.2 1.3 1.4
5.1 5.2 5.3 5.4
Aanleiding Ligging en aard van het terrein Administratieve gegevens Leeswijzer
Aardewerk en bouwkeramiek Dierlijke resten Metaal Natuursteen
n 8 Bijlagen Bijlage 1 Geologische en archeologische tijdvakken Bijlage 2 Onderzoeksvragen uit het Programma van Eisen Bijlage 3 Sporenlijst Bijlage 4 Vondstenlijst Bijlage 5 Determinatielijst keramiek (losse bijlage)
51 53 55 59 61
Ravenstein, Gemeenschapshuis
5
Bijlage 6 Allesporenkaarten Bijlage 7 Synthesekaart
6
Proefsleuvenonderzoek
63 67
Samenvatting
In opdracht van de gemeente Oss heeft BAAC tussen 5 en 8 augustus 2024 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd op de terreinen van het bovenste hoornwerk te Ravenstein. De primaire doelstellingen van het onderzoek zijn tweeledig en omvatten een gedeelte hoornwerk en een gedeelte overgang hoornwerk naar het Bleekveld: Voor het gedeelte hoornwerk is vooral het inzicht verkrijgen in de oorspronkelijke positie, opbouw van de aarden vestingwal van belang voor onder meer de visualisatie en beleefbaar maken van de aarden wal en de vondstsituatie ter hoogte van de geplande nieuwbouw te toetsen. Voor het gedeelte overgang hoornwerk naar Bleekveld is voor het inzicht verkrijgen in de oorspronkelijke begrenzing van het hoornwerk en de vestinggracht van belang, eveneens voor de toekomstige visualisatie hiervan. In de proefsleuven is de gracht enkel in werkput 6 duidelijk herkend. In het vlak is de gracht minstens 30 meter breed, op circa 2 m -MV is de gracht circa 15 m breed. Daarnaast werd ook vermoedelijk de aanzet tot het halfbastion Oranje aangesneden in het tweede vlak en in de profielen. In werkputten 4 en 5, waar de overgang hoornwerk/gracht verwacht werd, is de gracht niet aangesneden. De aanzet tot de gracht is door middel van een boorraai in het verlengde van werkput 4 wel herkend. Het binnenterrein van het hoornwerk is dus veel groter geweest dan oorspronkelijk gedacht.
Er moet hierbij wel vermeld worden dat deze waarnemingen slechts gedeeltelijke waarnemingen zijn. Op basis van de veldwaarnemingen is geen volledig betrouwbare reconstructie te maken van de keel van het hoornwerk. In werkput 6 is de richting van de gracht duidelijk aangetoond, en met de boringen in het verlengde van werkput 4 is ook een tweede punt aangetroffen waar de grachtoever aangesneden is. Voor de reconstructie van de keel en de exacte locatie van de knik tussen de korte en de lange keel is dit helaas te weinig data om een reconstructie te maken. Als de gegevens van de verschillende historische kaarten vergeleken worden, kan wel een relatief accuraat beeld van de keel verkregen worden. Wel lijkt het er op dat de situatie van 1811-1832 klopt met de veldwaarnemingen. Vermoedelijk is een deel van de oorspronkelijke keel vergraven bij een heruitgraving van de vestinggracht. Derhalve kan een zekere graad van vrijheid gegeven worden aan de landschapsarchitecten, met inachtname van het veel grotere binnenplein van het hoornwerk. Naast sporen van de vestingwerken zijn ook sporen van bewoning voorafgaand aan de aanleg van het hoornwerk gevonden. In werkput 3 zijn verschillende greppels, kuilen en een uitbraakspoor aangesneden die vermoedelijk tot eenzelfde hoeve behoorde als de sporen die in de proefsleuf van 2021 zijn gevonden.
Op basis van de historische gegevens en de aardewerkvondsten kan deze hoeve in de late 16e-vroege 17e eeuw gedateerd worden. Vermoedelijk is deze hoeve afgebroken voor de aanleg van het hoornwerk. Deze sporen lijken zich vooral in het noordwesten van het plangebied te bevinden. Samen vormen de sporen twee archeologische vindplaatsen, die als behoudenswaardig worden gewaardeerd. BAAC adviseert om deze vindplaats te behouden in situ, of indien dat niet mogelijk is ex situ door middel van een opgraving. Eventuele herinrichtingswerken ten behoeve van de reconstructie van het plangebied kunnen bovengronds plaatsvinden. Indien de graafwerken dieper dan 30 cm -MV plus een buffer van 20 cm gaan, dient rekening gehouden te worden met mogelijke archeologie.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
7
8
Proefsleuvenonderzoek
1
Inleiding
1.1 Aanleiding In opdracht van de gemeente Oss heeft BAAC een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het plangebied het Hoornwerk te Ravenstein, gemeente Oss. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bouw van een nieuw gemeenschapshuis en de herinrichting van de parkeerplaats en binnenplein van het hoornwerk. Hierbij is ook de intentie om zowel de wal als de keel van het hoornwerk opnieuw te visualiseren. De primaire doelstellingen van het onderzoek zijn tweeledig en omvatten een gedeelte hoornwerk en een gedeelte overgang hoornwerk naar het Bleekveld: - Voor het proefsleufonderzoek Hoornwerk: n Inzicht verkrijgen in de oorspronkelijke positie/aanzet van de aarden wal; n Inzicht in de oorspronkelijke opbouw van de aarden vestingwal, omwille van visualisatie en het beleefbaar maken van de aarden wal; n Meer inzicht krijgen in de vondstsituatie ter plaatse van de geplande nieuwbouw Vidi Reo, of naderhand bij de uitvoering van de nieuwbouw een opgraving noodzakelijk is. - Voor het proefsleufonderzoek overgang Hoornwerk Bleekveld: • Inzicht verkrijgen in de oorspronkelijke begrenzing Hoornwerk en westelijk gelegen grachtverloop; • Het leveren van input voor inrichtingswensen Bleekveld zoals de visualisatie en het beleefbaar maken van (delen van) het vroegere grachtverloop.
Verder is het doel van het proefsleuvenonderzoek het karteren en waarderen van de vindplaats ten behoeve van een waardestelling van de vindplaats mogelijk te maken en een aanbeveling te kunnen doen voor behoud in situ / ex situ. Voorafgaande aan het proefsleuvenonderzoek heeft eerder onderzoek plaatsgevonden. In 2021 heeft in eerste instantie een archeologische begeleiding (ARCHIS zaakidentificatienummer 5024432100) plaatsgevonden tijdens bodemverstorende activiteiten bij OOO-onderzoek, namelijk het verwijderen van de toplaag in een deel van het terrein en het vrijgeven van verdachte punten. Daarnaast is besloten tot een aanvullend bureau- en booronderzoek om de archeologische verwachting toe te spitsen. Hierop volgend heeft in hetzelfde jaar een proefsleuvenonderzoek (uitgevoerd in september 2021, ARCHIS zaakidentificatienummer 5113313100) plaatsgevonden, zoals geadviseerd in het bureau- en booronderzoek vanwege de hoge verwachting op het aantreffen van resten van het Bovenste hoornwerk en mogelijk een deel van het halfbastion Oranje.1 Uit het bureau- en booronderzoek (ARCHIS zaakidentificatienummer 5113313100) bleek dat er een hoge verwachting was voor het aantreffen van resten van het hoornwerk. In één boring werd een grachtvullling gevonden, wat mogelijk de gracht van het hoornwerk zou kunnen zijn.
Op basis daarvan werd overgegaan tot een proefsleuvenonderzoek, waarbij één lange proefsleuf was voorzien. Bij het proefsleuvenonderzoek zijn meerdere archeologische sporen aangetroffen en werden vondsten gedaan uit de 17e tot en met de 20e eeuw. In het noorden van het plangebied is een gracht gevonden. Ten zuiden daarvan zijn puinkuilen, greppels en muurwerk gevonden. De aangetroffen gracht komt qua locatie overeen met een uitstulping van de westelijke gracht van het hoornwerk, die op de minuutkaart uit 1832 te zien is (zie bijlage 7). Het is onduidelijk of de andere sporen bij het hoornwerk hoorden, of ouder zijn. Samen vormen de aangetroffen sporen uit dit vooronderzoek een archeologische vindplaats, die als behoudenswaardig wordt gewaardeerd. BAAC adviseert om deze vindplaats te behouden in situ, of indien dat niet mogelijk is ex situ door middel van een opgraving. Op basis van de resultaten kan de vindplaats niet begrensd worden. Dit advies geldt dan ook voor het gehele plangebied. Eventueel kan de vindplaats verder begrensd worden met aanvullende proefsleuven.2
1 2
Lameris et al. 2022. Ibidem.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
9
Volgend op dit advies is door de gemeente Oss een selectiebesluit3 genomen: ‘conform het advies van BAAC is in het gehele plangebied archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een (gefaseerde) opgraving noodzakelijk. Dit betekent niet dat het gehele plangebied integraal moet worden opgegraven. In fases kan bekeken worden in hoeverre de vindplaats zich uitstrekt over het gebied. Eventueel kan de vindplaats eerst nog verder begrensd worden met aanvullende proefsleuven. Ook het uiteindelijke inrichtingsplan zal richtinggevend zijn bij de noodzaak tot verder onderzoek. Voor de verdere (plan)procedure betekent dit het volgende: -
De opgraving kan worden beperkt tot het deel van het plangebied dat daadwerkelijk verstoord wordt tot een minimale diepte van 25 cm – Mv. Een opgraving diet te worden uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen (PvE) dat dient te zijn goedgekeurd door de gemeentelijk archeoloog (mw. M. Peeters, gemeente Oss). De aanvang van het archeologisch onderzoek dient twee weken voor de start aan de gemeentelijk archeioloog te worden gemeld per email (m.peeters@oss.nl). Er geldt ten alle tijden een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische resten. Zolang het terrein een archeologische waarde heeft en het terrein is nog niet volledig onderzocht (definitief vrijgegeven), dient deze planologisch beschermd te blijven d.m.v. een dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie’ (met een kleine vrijstellingsgrens, aangezien sprake is van een vindplaats) in een nieuw bestemmingsplan.’
Het onderhavige onderzoek vormt een aanvullend onderzoek om zo de vindplaats verder te begrenzen, waarbij vooral de hierboven reeds geformuleerde tweeledige vraagstelling leidend is. Het proefsleuvenonderzoek vond plaats tussen 5 en 8 augustus 2024. Contactpersoon namens de opdrachtgever is J. Smulders. De gemeente Oss is de bevoegde overheid voor dit project. M. Peeters is de contactpersoon namens de bevoegde overheid. De gemeente wordt hierbij geadviseerd door H. Hundertmark. Het veldteam bestond uit O.J.R. Van Remoorter (senior KNA-archeoloog, projectleider), R. van der Mark (senior KNA-archeoloog), I. Cleijne (senior KNA-archeoloog) en D. Postma (veldarcheoloog). De graafmachine werd op maandag geleverd door de opdrachtgever, de overige veldwerkdagen werd de graafmachine geleverd via Overvest loonbedrijf bv. Tijdens het veldonderzoek zijn geen specialisten ingezet. Tijdens het onderzoek was er heel wat belangstelling van de heemkundige kring en stichting vestingwerken Ravenstein.
3
10
Peeters 2022.
Proefsleuvenonderzoek
1.2 Ligging en aard van het terrein Het plangebied is gelegen ten oosten van de historische kern van Ravenstein, in de gemeente Oss (zie afb. 1.2). Het plangebied wordt in het noorden begrensd door de Maasdijk, in het zuiden en oosten door water (stadsgracht) en een woning aan de Doolhof en in het westen door een parkeerterrein aan de Bleek. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 1,7 ha. Het binnenplein van het hoornwerk is een voormalige camping en bestaat uit een grasveld. De locatie van de gracht bestaat deels uit een verhard parkeerterrein en deels uit grasvelden met hondenlosloopweide en skatepark.
Afb. 1.1 De ligging van het plangebied op de topografische kaart van Nederland.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
11
1.3 Administratieve gegevens locatiegegevens provincie
Noord-Brabant
gemeente
Oss
plaats
Ravenstein
toponiem
Gemeenschapshuis
RD-coördinaten
x:173447, y:423145 x:173569, y:422972 x:173604, y:432055 x:173387, y:423066
kaartblad
45F
kadastrale gegevens
RVS00-A-1702 (partim), RVS00-A-1622
oppervlakte plangebied
Ca 1,9 ha
oppervlakte onderzoeksgebied
864 m2
projectgegevens projectnummer
A-23.0846
type onderzoek
Proefsleuvenonderzoek (IVO-P)
Archis-zaakidentificatienr.
5627008100
opdrachtgever
Gemeente Oss Contactpersoon: J. Smulders
adviseur namens opdrachtgever
H. Hundertmark
projectleider BAAC
O.J.R. Van Remoorter
bevoegde overheid
Gemeente Oss contactpersoon: M. Peeters
datum opdracht
12-07-2024
datum veldwerk
05-08-2024
datum rapport versie 1.1
09-09-2024
datum rapport versie 1.2
08-10-2024
datum rapport versie 1.3
16-10-2024
datum goedkeuring rapport
18-10-2024
datum rapport versie 2.1
29-10-2024
beheer en plaats van vondsten en documentatie
Momenteel op het kantoor van BAAC te ’s-Hertogenbosch, deze worden na afronding van de rapportage overgedragen aan: Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Noord-Brabant contactpersoon: L. Sasabone
vindplaatsgegevens Vindplaats 1 complextype
Vestingwerken
datering
Nieuwe tijd
vindplaatsgegevens Vindplaats 2
12
complextype
Nederzetting
datering
Nieuwe tijd
Proefsleuvenonderzoek
1.4 Leeswijzer Deze rapportage omvat de uitwerking van archeologisch onderzoek in het plangebied ‘Gemeenschapshuis’ te Ravenstein. Alvorens over te gaan tot de bespreking van de onderzoeksresultaten, zullen in hoofdstuk 2 de landschappelijke, archeologische en historische achtergronden van het plangebied en de directe omgeving worden beschreven. Deze worden gevolgd door paragrafen met daarin de onderzoeksvragen en de werkwijze in het veld en van de uitwerking. De resultaten van het onderzoek komen aan de orde in hoofdstuk 3, 4 en 5. In deze hoofdstukken staat het landschap beschreven waarin de opgegraven vindplaats is gelegen, de sporen en structuren die tot de vindplaats zijn te rekenen en het vondstmateriaal dat tijdens het veldwerk is verzameld. Het geheel zal in hoofdstuk 6 worden afgesloten met een synthese waarin de resultaten in relatie tot elkaar worden besproken en er aandacht is voor de relevantie van de vindplaats voor de regio. Vervolgens wordt de vindplaats gewaardeerd en wordt er een archeologisch advies geformuleerd omtrent de vindplaats. Achter in het rapport zijn de literatuurlijst en enkele bijlagen terug te vinden, zoals diverse lijsten en overzichten en de beantwoording van de onderzoeksvragen uit het PvE.
Afb. 1.2 Het plangebied voor aanvang van de werkzaamheden ter hoogte van de locatie voor werkputten 1-3.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
13
14
Proefsleuvenonderzoek
2
Onderzoekskader
Aan het plangebied is op basis van het archeologisch vooronderzoek een hoge archeologische verwachting voor resten uit de nieuwe tijd toegekend. Het proefsleuvenonderzoek dat in deze rapportage wordt beschreven, heeft geresulteerd in een betere begrenzing van de mogelijke resten van hoeve de ‘Potlepel’ en de ligging en loop van de gracht tussen het hoornwerk en halfbastion Oranje. Het doel van de navolgende paragrafen is om dit gegeven in een context te plaatsen. Hierbij wordt gekeken naar de ligging van het plangebied in het landschap en ten opzichte van bekende archeologische resten in de directe omgeving. Ook wordt gekeken wat op basis van historisch kaartmateriaal of andere historische gegevens bekend is over bewoning en landgebruik binnen het plangebied. Deze gegevens zijn overgenomen uit het archeologisch vooronderzoek4 en waar nodig aangevuld met nieuwe gegevens. De onderzoeksvragen die met het proefsleuvenonderzoek dienen te worden beantwoord en de nationale en regionale onderzoeksthema’s zijn overgenomen in paragraaf 2.3. Het hoofdstuk sluit af met een beschrijving van en verantwoording voor de gehanteerde werkwijze en de keuzes die tijdens het veldwerk en de uitwerking zijn gemaakt. De informatie in dit hoofdstuk is overgenomen uit het vooronderzoek en waar nodig aangevuld met nieuwe informatie.
Voor de afbeeldingen, achtergronden en verdere verwijzingen wordt verwezen naar het vooronderzoek.5
2.1 Landschappelijke achtergrond Het plangebied ligt in Noord-Brabant in het ‘Land van Ravenstein’ in de fysisch geografische regio ‘het rivierengebied’. Op de Geologische Kaart van Nederland ligt het plangebied in een gebied met rivierklei en rivierzand van de Formatie van Echteld (Ec1). Deze afzettingen zijn gevormd voor de bedijking in de 12e eeuw. Na de bedijking en het verlanden van de strang van de Maas bij Ravenstein, waaraan de plaats zijn ontstaan te danken heeft6, had de rivier geen vrij spel meer op het achterland. Vanaf de 12e eeuw is de vesting Ravenstein ontstaan, waarbij de natuurlijke ondergrond van de historische kern en de vestingwerken door de eeuwen zijn opgehoogd met een dik pakket grond. Ook de Maasdijk is waarschijnlijk gefaseerd ontstaan en diverse malen opgehoogd.7 Op de Geomorfologische kaart van Archis38 is het plangebied vanwege de ligging binnen de bebouwde kom niet in zijn geheel gekarteerd. Extrapolatie van de gegevens uit de omgeving typeren de bebouwde kom als stroomrug en het deel ten noorden van de Maasdijk als meanderruggen en –geulen vanwege de invloed van de Maas. Het is aannemelijk dat beide in het plangebied aanwezig zullen zijn. Het meeste noordelijke deel van het plangebied ligt op de Maasdijk. In welke mate er nog sprake is van een opgehoogd grondlichaam uit de vestingperiode is vooralsnog onbekend.
Het doel van het proefsleuvenonderzoek is onder andere te bepalen wat er nog resteert van de opbouw en het oorspronkelijke grondlichaam en profiel van het vestingwerk.
2.2 Bewoningsgeschiedenis 2.2.1 Archeologie Gemeente Oss beschikt over een eigen archeologiebeleid. Er is een archeologische beleidskaart uit 2012.9 Op de Archeologische beleidskaart van de gemeente Oss ligt het plangebied in een zone met hoge archeologische verwachting. Het ligt binnen de historische kern van Ravenstein. In 2018 heeft RAAP voor het gehele traject van het project Meanderende Maas een project specifieke waardenkaart vervaardigd. Hierop is het deel van het plangebied dat betrekking heeft op Ravenstein (de Maasdijk) aangegeven als een gebied met een zeer hoge archeologische waarde door historische bewoning en verdediging. Tevens ligt het in
4 5 6 7 8 9
Lameris et al. 2022. Lameris et al. 2022; Cobben et al. 2020. De nevenstrang lag in de doorgaande vaarroute waar de Heren van Ravenstein hun tol hieven op passanten. Cobben et al. 2020, 8. Archis3 Goddijn 2012.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
15
de zone van een historische dijk met specifieke verwachtingen voor resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Het plangebied ligt in de historische kern van Ravenstein (zeer hoge archeologische verwachting) ten oosten van een terrein van (hoge) archeologische waarde. De hoge archeologische verwachting is bevestigd door het proefsleuvenonderzoek door BAAC in 2021.10 Het is lastig gebleken de vindplaats te begrenzen op basis van één proefsleuf (zie afb 2.1). Alhoewel de zuidelijke helft van de proefsleuf geen archeologische resten heeft opgeleverd, is het goed mogelijk dat de aangetroffen resten in zuidwestelijke richting doorlopen. Daarnaast was de verwachting dat het binnenterrein van het hoornwerk leeg zou zijn en was dit proefsleuvenonderzoek vooral gericht op het aantreffen dan wel uitsluiten van de aanwezigheid van de gracht en wallen. Nu er wel archeologische waarden op het binnenterrein zijn aangetroffen is de verwachting hoog dat ze ook in het oostelijke deel van het plangebied aanwezig zijn. Op basis daarvan beslaat de vindplaats het gehele plangebied (9.483 m2 ). Indien binnen het plangebied bodemverstorende activiteiten zullen plaatsvinden, zal hieraan voorafgaand archeologisch onderzoek plaats dienen te vinden door middel van een opgraving.
Alvorens over te gaan op een opgraving kan de vindplaats eerst verder begrensd worden door middel van aanvullende proefsleuven.
Afb. 2.1 Projectie van de allesporenkaart van het eerdere proefsleuvenonderzoek op een tekening van de vestingwerken rond 1649 (links) en de minuutkaart uit 1832 (rechts). Het noorden is boven, schaal 1:3500. Bron: BHIC en Beeldbank RCE.
2.2.2 Historie11 Voorafgaand aan de aanleg van het bovenste hoornwerk is vermoedelijk al reeds een hoeve binnen het plangebied aanwezig. Er is in een recente publicatie van de heemkundige kring namelijk nieuwe data gepubliceerd over het plangebied. Met name is er sprake van een hoeve genaamd de ‘Potlepel’ die op deze locatie zou hebben gestaan.12 Mogelijk zijn tijdens het veldwerk in 2021 reeds de eerste resten van deze hoeve aangesneden. Vermoedelijk is de hoeve afgebroken voor de aanleg van het hoornwerk. Op 25 maart 1621 startten de Staatse troepen met de bouw van de vesting Ravenstein. Van de bouwplannen zijn vier oorspronkelijke handgetekende tekeningen bewaard gebleven. Drie tekeningen maken deel uit van de Brabantcollectie van de universiteit Tilburg, op één tekening is een schaal in 50 Verges ten opzichten van 4,5 cm weergegeven. Verder is in het archief in Tilburg een tekening met een schaal in 50 voeten ten opzichte van 6,5 cm aanwezig, de derde tekening is gemaakt in 1628 en is een uitbreidingplan, waarin is voorzien in nog twee extra hoornwerken (het bovenste hoornwerk en het benedenste hoornwerk) , deze tekening heeft een schaal van 100 roeden veltmate ten opzichten van 4,07 meter (waarschijnlijk maar gedeeltelijk uitgevoerd).13 Van de vierde tekening
10 11 12 13
16
Lameris et al. 2022. Grotendeels ontleend aan Cobben et al. 2020 Mondelinge informatie J. Vlemmix. Cobben et al. 2020, 11.
Proefsleuvenonderzoek
heeft dhr. J. Vlemmix14 een kopie in zijn bezit. Als laatste is er in 1659 een gravure uitgebracht met een Scala 25 Ruthen ten opzichten van 3,2 cm.15 Op de grootste handgetekende vestingkaart is tevens een dwarsprofiel getekend in 50 Verges van de hoofdwal de gracht en de contrescarp. Deze maten zouden ook iets moeten zeggen over de hoogtematen van de half bastions, ravelijnen en de courtine wal van de hoornwerken, ook al zijn deze niet getekend op de kaart.16 De hoornwerken waren in ieder geval lager dan de vuurlijn vanaf de wal, zodat de eigen troepen niet in de eigen vuurlinie kwamen te liggen tijdens een belegering. In 1672 wordt de vesting ontmanteld na de overwinning van de Fransen. Alle wallen, bastions, ravelijnen en het hoornwerk worden gesloopt of geëgaliseerd. Het plangebied komt vanaf dat moment op de Maasdijk te liggen en in de strang van de Maas. In de 19e eeuw is de vesting verder ontmanteld. Op de Topografische Militaire Kaart van 1850 is het hoornwerk deels afgegraven en zijn de omliggende grachten ten dele gedempt en versmald, waarschijnlijk met de afgegraven grond van het hoornwerk. Het hoornwerk zelf is in gebruik als weiland en als bleek met in het noordoosten een gebouw. Buiten de gracht ligt bos. In 1880 is dit nog het geval, als is er op het hoornwerk in grijs nog water aanwezig.
In het noordoostelijk deel zijn nu twee gebouwtjes aanwezig.17 In 1918 komt er in het zuidoosten een gebouwtje bij. In het centrale deel is het in 1880 nog aanwezige water gedempt. De rest van het plangebied blijft gelijk. Op de kaart van 1955 zijn er in het noordoosten en in het centrale deel meer gebouwen gerealiseerd. In het centrale deel en langs de dijk in het noorden is een groenstrook met bomen gerealiseerd. In het westelijk deel is de gracht gedempt. In het zuidwesten is een brug over de gracht aangelegd met een (gestippeld) zandweggetje over het hoornwerk. In 1971 zijn er in het oosten weer meer gebouwen gerealiseerd en is de (gestippelde) weg uit 1955, nu verbreed en verhard aangelegd. In 1980 is in het westelijk deel de parkeerplaats De Bleek aangelegd. In het zuidoostelijk deel zijn gebouwen verdwenen. In 1990 is er in het centrale deel in een rondlopende weg aangelegd en is er op dezelfde plek een camping gerealiseerd. In 2015 is in het noordoostelijke deel een weg aangelegd en een extra gebouw gerealiseerd. Er zijn in totaal vijf gebouwen en gebouwtjes in het oostelijk deel van het plangebied aanwezig. Tijdens het veldbezoek van dhr. M. Cobben en dhr. J.
Vlemmix18 op 26 november 2020 is duidelijk zichtbaar geworden dat de vorm (contourlijn) van het hoornwerk nog steeds voldoet aan de hedendaagse situatie tot zelfs aan het laatste puntje toe van het half bastion, waar de petroleumloods op staat. Deze locatie is in het verleden lang gebruikt voor petroleum opslag en uitgifte. Verder was dit ook de werkplaats waar de gemeente Ravenstein jarenlang zijn houten palen met bitumen heeft geverfd. Ook dit stuk grond is van de gemeente.
2.2.3 Archeologische verwachting Op basis van het vooronderzoek en het reeds uitgevoerde proefsleuvenonderzoek bestaat een hoge verwachting op het aantreffen van resten van de gebastionneerde versterking van Ravenstein als op sporen op het binnenterrein. Het gaat hierbij dan om resten van de vestinggracht, maar ook mogelijke bewoningssporen zoals kuilen, muurresten, greppels en uitbraaksporen. Deze sporen zijn op basis van het proefsleuvenonderzoek vooral in de noordelijke helft van het hoornwerk gelegen, maar een verdere doorloop naar het zuiden toe is op basis van één proefsleuf niet uit te sluiten. Deze sporen zijn op basis van het vondstmateriaal in de 17e eeuw te dateren. De dempingslagen van de vestinggracht zijn echter in de jaren 20-30 van vorige eeuw te plaatsen. Enkel de onderste lagen zijn vermoedelijk wel 17e-eeuws. De bodemopbouw in het plangebied is niet verstoord en de archeologische sporen zijn goed bewaard gebleven. De verschillende materiaalcategorieën zijn redelijk tot goed bewaard gebleven. De sporen zijn vanaf een niveau van circa 50 cm – MV te verwachten (onder een ophoogpakket (S1810)).
14 15 16 17 18
Inwoner van Ravenstein en lid van Heemkundekring Ravenstein Schriftelijke mededeling dhr. J. Vlemmix, d.d. 25-11-2020. Ibidem. Voor het bijbehorende kaartmateriaal in deze paragraaf wordt verwezen naar het briefverslag van Cobben et al., 2020. Beiden inwoners van Ravenstein en lid van de heemkundige kring Ravenstein. Dhr. Cobben is tevens ook de architect van de toekomstige plannen.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
17
2.3 Onderzoeksvragen Het doel van het onderzoek is uitgebreid beschreven in Hoofdstuk 1 van het onderzoek. Het onderzoek moet leiden tot een waardestelling van de vindplaats, zodat de gemeente Oss een besluit kan nemen of aanvullend onderzoek door middel van een opgraving noodzakelijk is en delen van de vindplaats vrij gegeven kunnen worden om de bouw van het gemeenschapshuis Vidi Reo mogelijk te maken.
2.3.1 Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders Relevante onderzoeksvragen in relatie tot de onderzoeksthema’s uit de NOaA zijn: 8. Conflictarcheologie Hoe zijn complexe militaire structuren zoals linies en belegeringswerken samengesteld en landschappelijk ingebed? (NOaA 2.0-vraag 101) Wat zeggen archeologische resten en structuren over de aard en het verloop van gewapende conflicten en achterliggende militair-strategische inzichten? (NOaA 2.0-vraag 93) 21. De dynamiek van het landgebruik Op welke wijze werden bodemverbetering en herstructurering van landbouwgrond gerealiseerd? (NOaA 2.0-vraag 107) Hoe werden ruimte afgebakend en grenzen gemarkeerd? (NOaA 2.0-vraag 106) Welke economische functies hadden perifere gebieden (‘marginale’ landschappelijke zones) en wat zijn de archeologische verschijningsvormen van dit gebruik? (NOaA 2.0-vraag 33) 22. Mens - materiële cultuurrelaties Op welke wijze kregen in gewapende conflicten industrieel vervaardigde massaproducten een persoonlijke geschiedenis? (NOaA 2.0-vraag 110)
2.3.2 Vraagstelling Het primaire doel van het onderzoek is te onderzoeken wat er nog resteert van het voormalige bovenste hoornwerk van de vesting Ravenstein zoals dat gefunctioneerd heeft vanaf de aanleg vanaf 1621 en de ontmanteling van de vesting in 1672, teneinde een gedeeltelijke reconstructie van het hoornwerk op historische en archeologische gronden mogelijk te maken.
2.3.3 Onderzoeksvragen De onderstaande onderzoeksvragen dienen zoveel mogelijk beantwoord te worden. Indien een onderzoeksvraag niet beantwoord kan worden, dan dient gemotiveerd te worden waarom deze niet beantwoord kan worden. n Bodemopbouw en landschap
1. Hoe is de opbouw van het profiel (lithologische laagopeenvolging en bodemhorizonten)? 2. Wat was (waarschijnlijk) het niveau van het maaiveld in de onderscheiden archeologische perioden? 3. In welke mate is de bodem in het plangebied verstoord c.q. is het oorspronkelijke verdedigingswerk aangetast? n Sporen en structuren
4. Wat is de precieze aard, omvang, datering en conserveringstoestand van de archeologische resten, grondsporen en structuren en wat is de volgorde van de aanleg van het hoornwerk en eventuele voorgangers. 5. Zijn er aanwijzingen over de oorspronkelijke positie/aanzet van de aarden vestingwal?
18
Proefsleuvenonderzoek
6. Wat is de ruimtelijke verspreiding van de archeologische resten, zowel in horizontale als verticale (stratigrafische) zin? 7. Zijn er aanwijzingen voor de afbraak van hoornwerk en zo ja wat was de werkwijze en is er een volgorde in het slechten van het aardwerk en de gracht aan te geven? n Vondsten en paleo-ecologische resten
8. Wat is de fysieke kwaliteit van sporen en vondsten? 9. Kan op basis van de aangetroffen mobilia zoals projectielen (van pistool, geweer en geschut) en fragmenten van wapens, wapenonderdelen, uniformknopen, insignes, munten, etc. bepaald worden met welke wapens er gevochten werd, welk legeronderdeel ter plaatse actief is geweest (bijvoorbeeld artillerie, cavalerie of infanterie) en welk land van herkomst de betreffende (huur)soldaten hadden? 10. Welke mobiele vondsten zijn gedaan? 11. Wat is de datering van de vondsten en waarop is de datering gebaseerd? 12. In welke mate bevinden vondsten zich in primaire positie/gesloten context en in welke mate gaat het om vondsten zonder context? 13. Zijn er plaatsen aan te wijzen met een opvallend grote vondstconcentratie en wat is de samenstelling ervan? 14. In welke mate dragen de mobiele vondsten bij aan de datering van lagen, sporen, structuren? Wat is : 15. de aard en conservering van paleo-ecologische resten?19 En in welke mate en in welke context worden ze aangetroffen? 16. Welke betekenis ontlenen zij of kunnen zij geven aan deze context? 17. In welke mate kunnen ze bijdragen aan de datering van sporen, lagen, structuren? 18. Welke informatie kunnen zij geven over landschap en vegetatie (voorafgaand, tijdens en/of na bewoningsfase(n)), voedseleconomie, verwerving en toepassing van organisch materiaal e.d.? 19.
Kan aan de hand van het aangetroffen zoölogisch en botanisch materiaal in potentie worden afgeleid hoe het (cultuur)landschap voor, tijdens en na de fase van activiteiten er heeft uit gezien? 20. Indien ja, wat is de specifieke potentie en welke methoden zijn het meest kansrijk? Ten behoeve van de waardering van de vindplaats: 21. In welke mate zijn de archeologische kenmerken van de locatie zichtbaar of herkenbaar en in welke mate is er sprake van belevingswaarde? Wat is: 22. De fysieke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten? 23. Welke verschillen zijn er t.a.v. dit aspect binnen het onderzoeksgebied? Wat is: 24. De inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen resten? 25. Welke verschillen zijn er t.a.v. dit aspect binnen het onderzoeksgebied?
19 Deze specialistische vraag wordt in een tabel (bijlage) met toelichtende tekst in het rapport beantwoord.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
19
26. Welke waarde is er samenvattend te geven aan het onderzoeksgebied en de daarin te onderscheiden delen (binnen verticale en/of horizontale grenzen; complextypen, periode, sites)? Beschrijf en beredeneer de verschillen in waarde. Maak daartoe gebruik van VSO6 (KNA-protocol 4003) en bijlage IV – waarderen van vindplaatsen. Maak tevens gebruik van §5.3.3; hoofdstuk 12 en hoofdstuk 13 (tabel 1; Zoetbrood e.a. 2006). Zie verder ook §5.2; 27. Is er een verwachting dat buiten het nu onderzochte gebied nog resten van deze vindplaats aanwezig zijn en wat is de verwachting over de fysieke en inhoudelijke kwaliteit daarvan? n Behoudsperspectief (indien behoud tot de mogelijkheden behoort)
28. Indien het daadwerkelijk om behoudenswaardige resten gaat, welke realistische aanpassing van de inrichtingsplannen voor het plangebied zijn mogelijk voor het ter plaatse (in situ) behoud van de archeologische resten? 29. Is in het plangebied ten aanzien van het in-situ behoud vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? n Conclusie, evaluatie, aanbevelingen
30. Hoe verhouden de conclusies zich tot de resultaten van het eerdere onderzoek of andere bekende gegevens? In welke mate wijkt de geconstateerde waarde af van de eerder toegekende waarde of van de gespecificeerde verwachting? 31. In welke mate heeft dit onderzoek bij kunnen dragen aan onderzoeksthema’s uit de NOaA? In welke mate heeft dit onderzoek in een datalacune kunnen voorzien? Hoe is het kennisrendement te omschrijven? 32. Wat is de status van het terrein na afronding van het archeologisch onderzoek? (met andere woorden, zijn er nog behoudenswaardige archeologische resten in het gebied aanwezig of te verwachten die nog niet zijn onderzocht/opgegraven en die een bescherming van het terrein in de toekomst noodzakelijk maken?) 33. Dient (een deel van) het plangebied in de toekomst via het omgevingsplan archeologisch beschermd te blijven?
2.4 Werkwijze 2.4.1 Veldwerk Tijdens het veldwerk zijn verspreid over het plangebied zes proefsleuven aangelegd, werkput 1 tot en met 6 (afb. 2.2). De afmetingen van werkput 1, 2 en 3 zijn 40 x 4 m. De noord-zuid georiënteerde sleuven worden haaks getrokken op de zuidflank van het hoornwerk vanaf de oever van de gracht richting het noorden. Werkput 4 diende in afwijking op het PvE door de aanwezigheid van teerhoudend asfalt en aanwezige kabels en leidingen (gas en middenspanning) ingekort te worden. De oorspronkelijke bedachte lengte van de sleuf was 40 m. Door de inkorting van de sleuf heeft deze uiteindelijk een lengte van 16 m en een breedte van 4 m. Aanvullend op de aangelegde werkput is nog een extra boorraai uitgezet in lijn van de oorspronkelijke sleuf uit het PvE, om zo toch nog te proberen de overgang van het hoornwerk naar de gracht te vinden. Werkput 5 heeft een lengte van 21 m een breedte van 4 m. In afwijking op het PvE is hier licht verschoven met de locatie van de sleuf. Ook hier diende rekening gehouden te worden met het teerhoudend asfalt, de parkinrichting en een stuk van de verharding die uitgebroken diende te worden voorafgaand aan het veldwerk. Uiteindelijk is de aangelegde oppervlakte en richting zo goed als gelijk gebleven. Werkput 6 tenslotte heeft een lengte van 35 m en een breedte van 4 m.
De sleuven worden eveneens haaks aangelegd op de vermoedelijke westflank van het hoornwerk. Totaal is 828 m2 onderzocht, wat een dekkingsgraad van bijna 5% betreft. Als de oppervlakte van de proefsleuf uit 2021 bij het onderhavige onderzoek gerekend wordt, is er een dekkingsgraad van circa 6,4%. Aangezien werkput 6 in vervuilde grond aangelegd is, moest de uitgraving onder milieukundige begeleiding gebeuren. Deze begeleiding is door Antea Group gedaan, de DLP-er is door Miltop bv geleverd. De uitgraving van de grond gebeurde in vooraf bepaalde laagdiktes en werd ook zo terug aangevuld.
20
Proefsleuvenonderzoek
Afb. 2.2 Puttenplan.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
21
Met een machine met gladde bak is laagsgewijs verdiept tot op het niveau van de natuurlijke ondergrond (de C-horizont) en is met de hand bijgeschaafd. Vervolgens is het vlak gefotografeerd en zijn sporen en NAP-hoogtes van het vlak en het maaiveld digitaal ingemeten met een GPS. De afstand tussen de hoogtemetingen bedraagt 5 m. In elke werkput (met uitzondering van werkput 5) zijn twee profielen gedocumenteerd. De profielen zijn door middel van fotografie en een digitale tekening op schaal 1:20 vastgelegd. De ligging van de profielen is eveneens met behulp van een GPS ingemeten. Een deel van de sporen is gecoupeerd ten behoeve van de beantwoording van de vraagstelling en de waardering van het onderzoeksterrein. Deze sporen zijn gefotografeerd en digitaal getekend op schaal 1:20. Het vlak en de stort zijn met behulp van een metaaldetector onderzocht op de aanwezigheid van metaal. Vondsten zijn bij de aanleg van het vlak in vakken van 4 x 5 m verzameld en indien mogelijk aan sporen en/of stratigrafische lagen toegewezen. Tijdens het veldwerk zijn geen specialisten ingezet. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd volgens de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA)20, het PvE en het PvA.21 De opgravingsdocumentatie bevindt zich momenteel bij de BAAC-vestiging te ’s-Hertogenbosch.
Te zijner tijd zal dit worden overgedragen aan het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Noord-Brabant.
Afb. 2.3 Sfeerfoto van het veldwerk tijdens het uitgraven van werkput 6 (onder milieukundige begeleiding).
20 Centraal College van Deskundigen 2018. 21 Van der Kuijl 2024.Van Remoorter & Boin 2024.
22
Proefsleuvenonderzoek
2.4.2 Uitwerking Na afloop van het veldwerk is onder leiding van de verantwoordelijke senior KNA-archeoloog de uitwerking gestart. De veldtekeningen zijn hiertoe verwerkt tot kaarten en op basis hiervan zijn de sporen geanalyseerd. De vondsten zijn gewassen, gedroogd, gedetermineerd en gedateerd. Vervolgens is onderhavig rapport opgesteld, waarin de resultaten van het proefsleuvenonderzoek beschreven zijn. Naar aanleiding van de resultaten zijn een waardering van de archeologische waarden en een advies met betrekking tot vervolgonderzoek opgesteld. Alle afbeeldingen in deze rapportage zijn door BAAC gemaakt, tenzij anders vermeld. materiaal
specialist
Aardewerk, middeleeuwen-nieuwe tijd
O.J.R. Van Remoorter
Natuursteen
L. Tebbens
Metaal
M. Hendriksen
Dierlijk bot
J.H.J.M. Aal
Ravenstein, Gemeenschapshuis
23
24
Proefsleuvenonderzoek
3
Bodemopbouw en landschap
De bodemopbouw binnen het plangebied is in kaart gebracht door middel van elf profielen, waarbij vooral de profielen in werkputten 1 tot en met 5 een zelfde bodemopbouw lieten zien. Onder de bouwvoor (Ap-horizont) die tussen 10 en 20 cm dik is, lijkt over een groot deel van het terrein een zelfde laag voor te komen, namelijk laag S810. Deze laag werd op basis van de waarnemingen uit het eerder uitgevoerde proefsleuvenonderzoek in de eerste helft van de 20e eeuw gedateerd. Echter, bij het huidige onderzoek is gebleken dat deze laag wel een hogere ouderdom heeft en wellicht in de 17e eeuw dateert. Mogelijk gaat het om een laatste restant van de ophoging van het binnenplein van het hoornwerk, of om een oude akkerlaag die hier voorafgaand aan de opwerping van het hoornwerk gelegen heeft. Onder laag S810 is de natuurlijke bodem aanwezig. De top van de moederbodem ligt op circa 50 cm – MV. Deze laag (laag S820) bestaat in werkputten 1 tot en met 5 uit een zelfde lichtbruine klei waarin af en toe wat baksteenspikkels vermengd zitten. Lokaal is de klei af en toe wat zandiger, maar vaak gaat het om licht siltige klei. De klei is licht gelaagd en kan vermoedelijk als een overstromingspakket omschreven worden. Gezien de ligging vlak bij de Maas is dit dus niet verwonderlijk.
Ter plekke van de locatie van de vermoedelijke wal is de bodem al dusdanig vergraven dat laag S810 niet meer aanwezig is en zelfs een stuk van de natuurlijke ondergrond lijkt hierbij verwijderd te zijn. Deze vergraving kan gelinkt worden aan de afgraafwerken tijdens de OOO-werkzaamheden.
Afb. 3.1 Profiel 201 met ingekraste lagen. Dit is het typische bodemprofiel voor het binnenplein, met bovenaan de bouwvoor (laag S800), ophogingslaag (?) S810 en de natuurlijke bodem.
In werkput 6 kan duidelijk de oeverwal van de Maas herkend worden. Zowel in het vlak als in het profiel is bovenaan de natuurlijke bodemlagen een pakket lichtgeel pakket grof en gelaagd afgezet rivierzand (S6850) te herkennen. Dit pakket is tot onder een recent ophogingspakket (S6811) aanwezig. Dit zandpakket vertoont ook een duidelijke helling richting het oosten. Onder het natuurlijke rivierzand bevinden zich verschillende kleilagen (lagen S6860-S6870-S6870), waarbij in profiel 601 ook een duidelijke vegetatiehorizont herkend kon worden in de klei (laag S6860). Deze vegetatiehorizont kenmerkt zich als een lichtgrijs kleiig bandje bovenop bruine klei.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
25
Afb. 3.2 Combinatie van profieltekening en veldfoto van profiel 601 met de ingekraste lagen. Links op de foto zijn de natuurlijke lagen te zien, rechts de aanzet tot de vestinggracht (zie ook infra) en een recente verstoring.
De natuurlijke ondergrond bestaat dus duidelijk uit gelaagde afzettingen van zandige tot siltige klei en licht tot sterk siltig zand. Verder van de Maas weg gaat de ondergrond over in een dikker pakket homogene klei. Dit sluit aan bij het beeld uit het booronderzoek en het beeld van het eerdere proefsleuvenonderzoek waarbij oeverafzettingen uit verschillende stroomsystemen aangesneden zijn.
26
Proefsleuvenonderzoek
4
Sporen en structuren
In het plangebied zijn in totaal 49 spoornummers uitgedeeld (Tabel 4.1 en bijlage 3). Hiervan zijn 35 sporen archeologisch relevant, te weten één gracht, één uitbraakspoor, twee greppels, zeven kuilen, zeven ophogingslagen en 10 antropogene lagen in profielen. Verder zijn ook nog 16 spoornummers aan natuurlijke lagen en vijf spoornummers aan recente verstoringen uitgedeeld. De gracht is aangesneden in werkput 6, één van de greppels in werkput 5 en het gros van de sporen is in werkput 3 aangetroffen. Alle sporen dateren in de nieuwe tijd. Tabel 4.1 Overzicht aantallen sporen en datering. aard spoor
aantal
datering
gracht
1
nieuwe tijd
greppel
2
nieuwe tijd
kuil
7
nieuwe tijd
profiellaag
10
nieuwe tijd
natuurlijke laag
16
n.v.t.
ophogingslaag
7
nieuwe tijd
uitbraakspoor
1
nieuwe tijd
verstoring, recent
5
recent
totaal
49
Ravenstein, Gemeenschapshuis
27
Afb. 4.1 Allesporenkaart.22 De resultaten van het proefsleuvenonderzoek uit 2021 zijn hier ook aan toegevoegd.
22 Een grotere versie van de ASK met de gegevens van de proefsleuf uit 2021 is als bijlage 6 bij dit rapport opgenomen.
28
Proefsleuvenonderzoek
Afb. 4.2 Allesporenkaart werkputten 1 tot 3.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
29
Afb. 4.3 Allesporenkaart werkputten 4 tot 6.
30
Proefsleuvenonderzoek
4.1 Sporen van hoeve ‘den Potlepel’? Verspreid in werkputten 3 en 5 zijn verschillende sporen aangetroffen die op basis van het aardewerk in de tweede helft van de 16e-vroege 17e eeuw gedateerd kunnen worden. Het gaat hierbij om enkele kuilen, een uitbraakspoor en twee greppels. Verspreid over heel werkput 3 zijn in totaal vijf kuilen gevonden. Het gaat hierbij zowel om grotere als kleinere formaten. De exacte functie van deze kuilen is onduidelijk, maar bij S3003 kan wel aan een functie als poel gedacht worden gezien de vrij grote omvang van dit spoor. Dwars doorheen S3003 loopt een lineair verlopend uitbraakspoor S3004. Het gaat om een circa 4,3 m lang en tussen de 80 en 40 cm breed spoor van baksteenpuin. Net ter hoogte van waar dit spoor de sleufwand zou raken, lijkt er een hoek in de uitbraaksleuf te zitten. Er zaten geen volledige baksteenfragmenten in dit uitbraakspoor, waardoor een datering op basis van een baksteenformaat niet gemaakt kan worden. Op basis van de vondsten uit S3003 kan wel een datering van de uitbraak ergens tussen of na de tweede helft van de 16e en de vroege 17e eeuw vastgesteld worden. Greppel S5002 heeft een noordwest-zuidoost oriëntatie en loopt circa 6 m doorheen werkput 5. In het vlak heeft deze greppel een breedte van circa 1,2 m. In de coupe is een komvormig profiel met een bewaarde diepte van circa 20 cm te zien.
De vulling bestaat uit een heterogene grijs en lichtgrijs gevlekte klei waarin wat fragmenten aardewerk, baksteen, houtskool en mangaan als inclusies aanwezig zijn. Het verdere verloop van deze greppel is niet in de proefsleuf uit 2021 aangetroffen, waardoor het verdere verloop van de greppel onduidelijk is. Greppel S3005 loopt in de oostelijke helft van werkput 3 en is vermoedelijk slechts voor ongeveer de helft zichtbaar in het vlak. De oostelijke oever loopt dus net buiten de werkput. De greppel is in het vlak minstens 2 m breed. Er is getracht een coupe te registreren over deze greppel (afb 4.4), maar door het opkomende grondwater kon de onderzijde niet bereikt worden. De minimale diepte van dit spoor is 71 cm. In de coupe is een gefaseerde uitgraving waar te nemen, waarbij de oudste fase vermoedelijk vrij strakke oevers heeft. Deze oudste fase is opgevuld met een homogene lichtgrijsbruine klei waarin wat brokjes baksteen en verbrande klei vermengd zijn. De jongste fase heeft een meer komvormige uitgraving en is opgevuld met een grijsbruine klei waarbij vooral onderin een opvallend pakket houtskool, baksteen en verbrande klei aanwezig is. De greppel wordt oversneden door kuilen S3003 en S3007. In het vlak heeft deze laatste kuil een afgeronde vorm met een heterogene, grijs en lichtgrijs gevlekte kleivulling.
Ook in dit spoor zijn verschillende brokjes verbrande klei, baksteen en houtskool aanwezig als inclusies. In de coupe (afb 4.4) heeft de kuil een min of meer bakvormige uitgraving met een bewaarde diepte van 18 cm. De oversnijding met S3003 is eerder onduidelijk, het is hierbij mogelijk dat S3005 uitmondt in S3003. Als de resultaten van het huidige onderzoek geplot worden samen met deze van het voorgaande proefsleuvenonderzoek uit 2021, dan lijkt het er op dat greppel S3005 de verdere doorloop is van greppel S1011 (zie ook afb. 4.5). Vermoedelijk zijn met de sporen uit werkput 3 en 5 een deel van de resten van hoeve ‘den Potlepel’ aangesneden. Er is in een recente publicatie van de heemkundige kring namelijk nieuwe data gepubliceerd over dit gebied.23 Zo wordt de hoeve met naam genoemd, en ook met locatie: … het huijs met de plaetse daar het huijs opgestaen hefft genaamd den Potlepel int Bovenste hornwerck vergraven …
Er is dus duidelijk sprake van een hoeve die voorafgaand aan de aanleg van het hoornwerk hier zou hebben gestaan en de naam ‘den Potlepel’ heeft gehad.24
23 Kocken 2024. 24 Ibidem, 19.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
31
Afb 4.5 Allesporenkaart met reconstructie van het verloop van greppel S3005/S1011. Afb. 4.4 Coupe van greppel S3005 (in blauwe stippellijn) en kuil S3007 (in rode stippellijn).
4.2 Sporen van het bovenste hoornwerk Het proefsleuvenonderzoek was in eerste instantie vooral gericht op het onderzoek van het wallichaam en grachten van het Bovenste Hoornwerk. Hiervoor waren een aantal proefsleuven op strategische plekken ingepland. Helaas bleek de realiteit dat het plangebied al danig afgegraven, dan wel genivelleerd was, waardoor er geen resten van het wallichaam meer bewaard waren. De demping van de gracht kon wel duidelijk in kaart gebracht worden in werkput 4 en 6. Op de locatie waar de westelijke flank van het hoornwerk gelegen was, waren drie proefsleuven ingepland (werkputten 1 tot 3) om zo de opbouw, breedte en bewaring van de aarden wal te toetsen. Helaas bleek er van het wallichaam geen spoor meer over te zijn. Ter plekke van de verwachte locatie waren enkel verstoringen tot in de C-horizont op te tekenen in alle drie de sleuven. Verder onderzoek op kantoor bracht echter duidelijkheid in de aard van deze verstoring. Deze is gegraven in 2021 ten gevolge van de munitiesanering tijdens OOO-werkzaamheden. Hierbij is heel de zone waar de wal mogelijk zou kunnen liggen afgegraven tot net in de C-horizont (zie ook synthesekaart afb 6.1 voor de omvang en locatie van deze afgraving).
Op het binnenplein van het hoornwerk zijn amper sporen aangetroffen die gelinkt kunnen worden aan de periode van het gebruik van het terrein als onderdeel van de vesting Ravenstein. In alle profielen en deels in het vlak is laag S810 aanwezig. Het gaat mogelijk om een oude akkerlaag, ophogingslaag of een nivelleringslaag van het hoornwerk. Het is door de sterke aftopping van het terrein onduidelijk wat de exacte aard van dit pakket is. Op basis van het aardewerk uit deze laag kan wel een datering in de 17e eeuw gegeven worden. Een bijzonder spoor dat helaas enkel in profiel waargenomen is, is kuil S3006. Deze kuil zit onder laag S810 en heeft een bakvormige uitgraving met een bewaarde diepte van 32 cm. De opvulling van de kuil bestaat uit een grijze en lichtgrijsbruine gevlekte klei. Op de bodem van de kuil zijn in de hoeken in situ verbrandingssporen te zien. Verder liggen boven het zuidelijke verbrandingsspoor nog baksteenfragmenten, mogelijk is dit een restant van een haardvloertje? Dergelijke kuilen komen in militaire contexten vaker voor en worden vaak als zit- of kookkuilen geïnterpreteerd. Helaas is geen vondstmateriaal aangetroffen bij het opschonen van het profiel, waardoor de exacte datering van dit spoor onduidelijk blijft.
32
Proefsleuvenonderzoek
Afb 4.5 Allesporenkaart met reconstructie van het verloop van greppel S3005/S1011.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
33
Afb. 4.6 Coupe van kuil S3006 met onderin in situ verbrandingssporen.
In het noordoostelijke deel van het onderzoeksgebied, ter plekke van werkput 6, zijn echter wel duidelijke sporen van de versterkingen waargenomen. Het gaat hierbij om de gedempte vestinggracht en de mogelijke aanzet tot het halfbastion Oranje. Afb. 4.7 Vlakfoto van werkput 6 met in het vlak (van links naar rechts) de natuurlijke ondergrond, de oudste fase (S6002-vulling 1) en de jongste fase (S6002-vulling 2 tot en met 5) van de vestinggracht.
34
Proefsleuvenonderzoek
De vestinggracht (S6002) is in het vlak duidelijk aanwezig als een brede, oost-west georiënteerde structuur die schuin door de werkput loopt. De gracht is duidelijk zichtbaar in het vlak net onder de bouwvoor en een recent ophoogpakket dat vermoedelijk te linken is aan de afbraak van het tijdelijk schoolgebouw dat hier gestaan heeft in de tweede helft van de 20e eeuw. In het vlak is de gracht minstens 30 m breed, op circa 2 m – MV is de gracht circa 15 m breed. In profiel 601 is de veldzijde van de vestinggracht duidelijk in kaart gebracht. Dit profiel loopt helaas wel schuin op de gracht, waardoor een lichte vertekening van de effectieve uitgraving aanwezig is. Algemeen genomen kunnen twee fasen in de gracht opgemerkt worden. De oudste fase wordt gevormd door vulling 1. Deze vulling is ook in het vlak op te merken en bestaat uit een homogene, lichtbruine klei. In het profiel heeft deze grachtfase een getrapte uitgraving. Mogelijk is dit een restant van de oorspronkelijke gracht uit de 17e eeuw en is deze (deels?) opgevuld met grond van het geslechte wallichaam. In deze vulling zijn geen vondsten aangetroffen. De ondiepe bewaring en de weinig humeuze aard van de vulling lijken ook geen potentie te hebben voor eventuele bemostering. Deze laag lijkt eerder ook een demping te zijn dan een actieve grachtfase.
De vestinggracht is vermoedelijk in de loop van de 18e-19e eeuw heruitgegraven. Helaas is in profiel 601 de oversnijding tussen beide grachtlagen niet meer zichtbaar door een recente verstoring. In het profiel lijkt de nieuwe oever een meer steile uitgraving gehad te hebben. De overige waargenomen lagen in dit profiel (lagen 2 t/m 5) zijn alle dempingslagen die vermoedelijk in de jaren 30 van vorige eeuw aangevuld zijn. In deze lagen zit opvallend weinig vondstmateriaal, enkel in laag 4 zijn een aantal emaille potten en conservenblikken gevonden. Deze vondsten zijn niet ingezameld wegens de verdere lage informatiewaarde. Lagen 2, 3 en 4 van de gracht bestaan over het algemeen genomen uit heterogene pakketten donkerbruine tot zwarte licht zandige klei waarin wel wat fragmenten bouwkeramiek, grind, hout en mortel als inclusies aanwezig zijn. In laag 2 zijn bij de aanleg van het vlak enkele scherven aardewerk gevonden. Laag 5 bestaat uit een meer homogene grijze klei waarin enkel fragmenten bouwkeramiek als inclusie aanwezig zijn.
Afb. 4.8 Ingekrast profiel 601 met de aanzet van de vestinggracht. De foto is richting het zuiden genomen.
Circa 14 m meer naar het noordwesten is een tweede profiel aangelegd. Hierbij is de noordelijke (=stadszijde) oever van de vestinggracht aangesneden. Ook dit profiel is schuin op de gracht aangelegd, waardoor een lichte vertekening van de effectieve uitgraving aanwezig is. De aangetroffen lagen hebben hier doorgaans een heterogene, donkerbruine tot lichtgeelbruine gevlekte kleiige vulling. Een opvallend gegeven hier, is dat de moederbodem nergens waargenomen is. In het profiel is wel op de grens tussen de opvulling van gracht S6002 en ophogingslaag S6004 een soort oeverzone aanwezig (laag 8).
Ravenstein, Gemeenschapshuis
35
Deze laag bestaat uit een homogene, donkerbruine humeuze klei die vermoedelijk als verlandingshorizont moet omschreven worden. Waarschijnlijk is hier de aanzet tot de het halfbastion Oranje aangesneden. De mogelijke aanzet tot het halfbastion Oranje bestaat uit een dik pakket (minimaal 1 m, onderzijde niet bereikt) klei met een heterogene, lichtgeelbruine en lichtbruin gevlekte kleur. Als inclusies kunnen fragmenten verbrande klei, baksteen en houtskool opgemerkt worden. Ook in het tweede vlak dat hier lokaal geregistreerd is, volgen de lagen van het halfbastion de algemene richting van de gracht.
Afb. 4.9 Profiel 602 met centraal de donkere verlandingshorizont. Linksboven zijn de dempingslagen van de vestinggracht en rechtsonder is de aanzet tot halfbastion Oranje zichtbaar.
Een derde en laatste onderzoeksitem, is de locatie van de overgang van de gracht naar het binnenterrein van het hoornwerk, de zogenaamde keel. Bij reguliere hoornwerken is de keel steeds een naar binnen gerichte punt, echter, bij de vestingwerken van Ravenstein is door de ongelukkige ligging van het halfbastion Oranje een omgekeerde keel ontstaan, met een naar buiten gerichte punt. De locatie van de knik van deze keel is een belangrijk onderzoekspunt. Door de aanleg van proefsleuven 4 en 5 werd gehoopt deze knik te kunnen reconstrueren. Helaas bleek in deze sleuf nergens de aanzet tot de gracht in het vlak waarneembaar te zijn. Door het zetten van enkele aanvullende boringen in het verlengde van werkput 4 kon de aanzet tot de gracht in het zuiden toch enigszins gereconstrueerd worden. Een opvallend gegeven is dat het binnenterrein van het hoornwerk veel verder doorliep richting de stad dan oorspronkelijk aangenomen. Het binnenplein loopt nog circa 20 m meer naar het westen door. Mogelijk is de knik van het hoornwerk door een latere heruitgraving (zie hierboven) afgevlakt. Ook de aanwezigheid van een aparte kronkel in de gracht en de vergraving van het halfbastion Oranje lijken te wijzen op vrij grootschalige veranderingen van de grachtenstelsels in de periode tussen het slechten van de vestingwerken in 1672 en 1811-1832.
Als de boringen en de veldgegevens geplot worden op de kadastrale minuut, lijkt de situatie van 1811-1832 wel te kloppen.
36
Proefsleuvenonderzoek
Afb 4.10 Allesporenkaart en boringen geplot op de kadastrale minuut (1811-1832). MB = moederbodem.
Ravenstein, Gemeenschapshuis
37
38
Proefsleuvenonderzoek
5
Vondstmateriaal
Het vondstmateriaal bestaat uit 90 fragmenten aardewerk en één fragment bouwkeramiek, een stuk verbrande rivierkei, één fragment dierlijk bot en drie fragmenten metaal (bijlage 4).
5.1 Aardewerk en bouwkeramiek O.J.R. Van Remoorter De aangetroffen keramische vondsten bestaan uit 90 fragmenten aardewerk en één fragment bouwkeramiek. Het (post)middeleeuws aardewerk is beschreven volgens de standaard van het zogenaamde Deventer Systeem. Het aangetroffen materiaal is per vondstnummer geteld en gedetermineerd, met als doel sporen en structuren te dateren, en vervolgens onderzoeksvragen te beantwoorden. Het eindresultaat van de determinatie is opgesteld in bijlage 5.1. Het aangetroffen gebruiksaardewerk is in totaal in vier bakselsoorten te onderscheiden (afb. 5.1, tabel 5.1). Deze bakselsoorten dekken globaal de periode van de 16e tot in de 20e eeuw. De verhouding van het materiaal is ook weergegeven in het overzicht van het totaal aantal aardewerkscherven. Alle scherven kunnen in de nieuwe tijd gedateerd worden. Het gros van het aardewerk is uit sporen afkomstig die op basis van de veldgegevens tot een fase voor de aanleg van het hoornwerk kunnen gerekend worden. Mogelijk gaat het om sporen die tot hoeve ‘den Potlepel’ kunnen gerekend worden. Het aardewerk bestaat voor het grootste gedeelte uit roodbakkend (r) en witbakkend (w) aardewerk en steengoed met oppervlaktebehandeling (s2). Het aardewerk is niet afkomstig uit gesloten contexten. Daarnaast gaat het om vaak sterk gefragmenteerd materiaal. Er zijn weinig tot geen passende stukken aangetroffen.
Binnen het aardewerk is enkel standaard huisraad aanwezig. Zo kunnen er binnen het roodbakkend aardewerk grapen (r-gra-30 en r-gra-102), een kom (r-kom-42), een voorraadpot (r-pot-59) herkend worden. Bij het steengoed komen vooral drinkkannen voor van het type s2-kan-9, maar ook een fragment van een voorraadpot s2-pot-4. Bij het witbakkend aardewerk zijn er geen randfragmenten aanwezig. Dit materiaal kan globaal tussen de 16e en het begin van de 17e eeuw gedateerd worden. Uit de opvulling van de vestinggracht S6002 komen slechts enkele fragmenten aardewerk. Het gaat hierbij om enkele fragmenten residueel, ouder materiaal (vooral roodbakkend aardewerk), maar ook een randfragment van een deksel in witbakkend aardewerk (type w-dek-11) en een rand van een theepot in europees porselein (ep-the-3). Dit laatste materiaal kan in het begin van de 20e eeuw gedateerd worden en correspondeert met de vermoedelijke demping van dit stuk gracht in de jaren 30 van vorige eeuw. Tabel 5.1 Overzicht van het gebruiksaardewerk uitgesplitst naar aantal scherven per bakselgroep van het Deventer Systeem. Bakselcode
Omschrijving
aantal
ep
Europees porselein
1
w
witbakkend aardewerk
6
s2
Steengoed met oppervlaktebehandeling
40
r
Roodbakkend aardewerk
43
totaal
90
Ravenstein, Gemeenschapshuis
39
Afb. 5.1 Totaaloverzicht van het aardewerk per baksel door middel van de kleurcodes van het Deventer Systeem (gebruikte afkortingen: s2: steengoed met oppervlaktebehandeling; w: witbakkend aardewerk; ep: Europees porselein; r: roodbakkend aardewerk).
5.2 Dierlijke resten Determinatie door J.H.J.M. Aal, tekst door O.J.R. Van Remoorter Er is één fragment dierlijk botmateriaal ingezameld (vnr. 5). Het gaat om een hoektandfragment van een varken (vermoedelijk een vrouwelijk individu op basis van het formaat van de tand).
5.3 Metaal Uit de opvulling van S3003 zijn drie fragmenten metaal verzameld (vnr. 7). Het gaat om een loden reparatieplaat en twee sterk gecorrodeerde ijzeren spijkers. Op basis van het vondstmateriaal zijn deze vondsten in de nieuwe tijd te dateren. Er zitten geen behoudenswaardige vondsten tussen. Er wordt voorgesteld om deze vondsten te deselecteren.
5.4 Natuursteen Onder vondstnummer 11 is één fragment natuursteen verzameld. Het gaat om een verbrande rolkei die natuurlijk van oorsprong is.
40
Proefsleuvenonderzoek
6
Synthese, waardering en advies
6.1 Synthese Het proefsleuvenonderzoek heeft een beter inzicht verschaft in de gebruiksgeschiedenis van het terrein voorafgaand aan de opwerping van het hoornwerk, maar ook in de locatie van de gracht en de omvang van het hoornwerk zelf. Qua landschap zijn geen nieuwe bijzonderheden aangetroffen. De bodem komt overeen met deze die al reeds eerder geattesteerd is tijdens het voorgaande proefsleuvenonderzoek. Het plangebied bevindt zich binnen de rivierafzettingen van de Maas waarbij vermoedelijk verschillende stroomgordels aangesneden zijn. Hoewel er een duidelijke verwachting was op sporen van het hoornwerk (gracht, keel en wal), zijn deze tijdens het veldwerk slechts moeizaam herkend. De gracht zelf is slechts in één proefsleuf aangetroffen (werkput 6). In werkputten 4 en 5 was de verwachting de overgang van de gracht naar het hoornwerk te snijden, maar dit bleek niet correct. Het binnenterrein van het hoornwerk blijkt veel verder door te lopen dan oorspronkelijk gedacht (zie afb. 6.1). De overgang naar de gracht kon in een boorraai in het verlengde van werkput 4 wel waargenomen worden. Helaas kan hieruit geen betrouwbare reconstructie verkregen worden voor de keel van het hoornwerk.