Bijlage 9 bij toelichting rob Leiweg 5c-7 Geffen.PDF
Tekst van het document
BESTEMMINGPSLAN Ontwikkelingen 2 Buitengebied Oss - 2021 Bijlage 9 bij toelichting
Leiweg tussen 5c en 7, Geffen
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Gemeente Oss <Status>
Actualisatie ruimtelijke onderbouwing buitengebied bijenmuseum Geffen
colofon
BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl www.bro.nl
bron Kaft BRO
BRO Projectleider TSc Projectteam LVu, RM
opdrachtgever Bijenteeltmuseum - Imkerij Ecopoll
projectnummer P03840
datum 4 februari 2020
titel rapport Actualisatie ruimtelijke onderbouwing buitengebied bijenmuseum Geffen
Prof. Hans Galjaard
“Als we anderen de ruimte niet gunnen zullen we zelf steeds meer opgesloten raken.”
Planbeschrijving
Beleidskader 3.1 Inleiding 3.2 Algemeen 3.3 Rijksbeleid 3.4 Provinciaal beleid 3.5 Gemeentelijk beleid
Uitvoeringsaspecten 4.1 Geluid 4.2 Bodem
2
3
4
woensdag 25 november 2020
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
1
Inhoudsopgave
11 11 11
6 6 6 6 7 8
5
3 3 3 3 4
Slotconclusie
6 Bijlage 1: Landschappelijke inpassing
Uitvoeringsaspecten 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5
4.3 Water 4.4 Milieueffectenrapportage 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Mobiliteit en infrastructuur 4.7 Cultuurhistorie en archeologie 4.8 Flora en fauna 4.9 Bedrijven en milieuzonering / hinderlijke bedrijvigheid 4.10 Externe veiligheid
21
20 20 20
12 13 13 14 15 15 16 17
2
Aanleiding
1.1
woensdag 25 november 2020
De initiatiefnemer wil ten behoeve van het reeds bestaande ‘Bijenteeltmuseum - Imkerij Ecopoll’ haar gronden verder ontwikkelen om bezoekers nog beter van dienst te kunnen zijn. Hiertoe wil initiatiefnemer de reeds aanwezige parkeervoorziening uitbreiden en tevens extra bebouwing oprichten (130 m2). Deze voorziening en bebouwing zijn thans niet mogelijk binnen de vigerende bestemmingsplankaders. Een passende planologisch-juridische regeling is derhalve noodzakelijk om het totaalplan te kunnen realiseren.
De familie Schuurmans (hierna verder te noemen: de initiatiefnemer) houdt sinds vele jaren bijen op het huisadres aan de Leiweg 7 te Geffen. Deze hobby is uitgegroeid tot een ware passie welke zij aan anderen over wil brengen en met anderen wil delen. Het leven van bijen is voor veel mensen een onbekend terrein en daarom ontvangt de initiatiefnemer sinds jaar en dag thuis geïnteresseerde bezoekers om hen te vertellen over bijen en het houden van bijen in het bijzonder. Sinds enige tijd beschikt de initiatiefnemer, met zijn bedrijf ‘Bijenteeltmuseum - Imkerij Ecopoll’, ook over een ware bijenhal om mensen te ontvangen en van de nodige informatie te voorzien. In feite is er dan ook sprake van een bijenmuseum/-bezoekerscentrum, een toeristische-recreatieve functie met dagbesteding-/zorgfuncties in het buitengebied van Geffen, gemeente Oss.
Inleiding
1
Plangebied
Figuur 1.1. Globale ligging plangebied (bron: Google Maps).
Figuren 1.2 en 1.3 weergeven de ligging en globale begrenzing van de planlocatie.
De planlocatie is gelegen tussen Geffen en Oss, in het buitengebied van Geffen, behorende tot de voormalige gemeente Maasdonk. Sinds 1 januari 2016 behoort Geffen tot de gemeente Oss.
Onderhavige ruimtelijke onderbouwing heeft specifiek betrekking op de gronden gelegen aan de Leiweg 5c, even ten oosten van het dorp Geffen, gemeente Oss. Het plangebied bestaat uit de percelen GFN00 - D - 310 en GFN00 - D - 918 en heeft een totale oppervlakte van ca. 3.720 m2.
1.2
1 Inleiding
Vigerend bestemmingsplan
3
Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’, vastgesteld op 16 april 2020 door de gemeente Oss het geldende planologisch-juridisch kader. Het plangebied heeft op basis van het vigerende bestemmingsplan de bestemmingen ‘Maatschappelijk’, ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ en ‘Natuur’. Daarnaast gelden de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’ en de functieaanduiding ‘Specifieke vorm van cultuur en ontspanning – bijenteeltmuseum’.
1.3
Figuur 1.2. Globale begrenzing plangebied (bron: Google Maps).
Actualisatie ruimtelijke onderbouwing buitengebied bijenmuseum Geffen
geving ervan. In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid en de landschappelijke toets, alle ruimtelijke en milieukundige aspecten nader beschouwd. Alvorens het plan kan worden gerealiseerd, dient aan een aantal deels juridische randvoorwaarden te worden voldaan. Het betreft daarbij met name de volgende vier voorwaarden: 1. het motiveren van de afwijking van de geldende bestemming middels het opstellen van de ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ als basis voor het verlenen van de omgevingsvergunning; 2. het met de ruimtelijke onderbouwing aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; 3. het in procedure brengen van de actualisatie van het beFiguur 1.3. Uitsnede vigerend bestemmingsplan (bron: Ruimtelijkestemmingsplan “Buitengebied Maasdonk 2012” met plannen.nl). daarin opgenomen een passende bestemming voor de plangronden; Het planvoornemen is thans niet mogelijk binnen de vigerende 4. het aanvragen en verlenen van de noodzakelijke omgebestemmingsplankaders. Een passende planologisch-juridivingsvergunning. sche regeling is derhalve noodzakelijk om het totaalplan te kunnen realiseren.
De maatschappelijke bestemming zal hier- Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt derhalve een planobij worden uitgebreid waardoor het gehele perceel een maatlogisch-juridische basis gelegd om het plan te kunnen realiseschappelijke bestemming zal krijgen. Verder maakt het verleg- ren. gen van de natuurbestemming deel uit van het plan, naar een zuidelijk van het terrein gelegen perceel. Zoals in het verdere vervolg van deze ruimtelijke onderbouwing zal blijken, heeft het bouwplan geen negatieve ruimtelijkVoor het wijzigen van de gronden van agrarische gebruik naar fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen voor de gebruik ten behoeve van parkeren en natuur is een omgeplanlocatie en de directe omgeving ervan. vingsvergunning nodig. In de ruimtelijke onderbouwing wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Uit de ruimtelijke onderbouwing moet dus blijken hoe het plan zich verhoudt – zowel in negatieve als positieve zin – tot de aanwezige functies en waarden op de planlocatie en de directe om-
woensdag 25 november 2020
1 Inleiding
Leeswijzer
aan de orde.
stuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid
voorliggende ruimtelijke onderbouwing. In het laatste hoofd-
verse planologische aspecten die van belang zijn voor de
leid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in di-
wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk be-
4
die deze omgevingsvergunning mogelijk maakt. In hoofdstuk 3
hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling
schrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende
Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een be-
In deze ruimtelijke onderbouwing wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke en milieu- hygiënische effecten van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt op voorhand hoe het voorgenomen plan zich verhoudt – zowel in negatieve als positieve zin – tot de aanwezige functies en waarden van de planlocatie en de directe omgeving ervan. In dit kader worden alle ruimtelijke en milieukundige aspecten nader beschouwd. Deze onderbouwing maakt dus inzichtelijk wat de ruimtelijk- fysieke, logistieke en milieuhygiënische gevolgen zijn van voorliggende planontwikkeling voor de planlocatie en de directe omgeving ervan.
1.4
Actualisatie ruimtelijke onderbouwing buitengebied bijenmuseum Geffen
Planbeschrijving Onderdeel van het plan is tevens het aanleggen van een ‘belevenis- en educatiepad’. Dit pad loopt van de thuislocatie aan de Leiweg 7 naar het museum.
woensdag 25 november 2020
De nieuwe bebouwing krijgt een oppervlakte van circa 130 m2. De natuurbestemming wordt verlegd/gecompenseerd bij een zuidelijk gelegen perceel. De parkeervoorziening is kleinschalig van opzet, groen van karakter en voorzien van bescheiden verlichting. Hiermee wordt parkeren aan de weg zo veel mogelijk voorkomen.
In de bijenhal en de gewenste extra bebouwing op de plangronden kan de initiatiefnemer presentaties verzorgen en informatie verstrekken over onder andere: de leefomgeving van de bijen in het algemeen; de flora en fauna rondom de bijenhal; biodiversiteit in planten die voor bijen van belang zijn; industrie rond bijenproducten in Nederland in vergelijking met het buitenland; het zelf houden van bijen; het ondersteunen van geïnteresseerden die zelf bijen willen gaan houden; het geven van cursussen voor geïnteresseerden.
Figuur 2.1: Schets plangebied
De initiatiefnemer heeft het voornemen om nieuwbouw te realiseren en de bestaande parkeervoorziening uit te breiden, om Een en ander draagt bij aan de bijengerelateede educatieve zijn bezoekers nog beter van dienst te kunnen zijn. Het geheel en toeristisch-recreatieve functie van het terrein. Zodoende is wordt vormgegeven in een groene en landschappelijke seteen meerwaarde voor de omgeving gewaarborgd, blijven geting. biedseigen kenmerken in stand en vindt er een versterking van het landschappelijke karakter plaats. De locatie als geheel krijgt door voorgestane ontwikkeling nog meer de functie van een educatieve, toeristisch-recreatieve Een en ander is vertaald in een landschappelijk inpassings- en trekpleister voor wandelaars en fietsers die het al bestaande versterkingsplan (zie bijlage 1). bijenmuseum/-bezoekerscentrum op de locatie willen bezoeken om meer over bijen en overige flora en fauna te weten te Figuur 2.1. toont de voorgenomen ontwikkelingen op de plankomen. Ook is er de mogelijkheid voor dagbesteding-/zorglocatie. functies.
2
2 Planbeschrijving
5
Actualisatie ruimtelijke onderbouwing buitengebied bijenmuseum Geffen
Inleiding
3.1
Rijksbeleid
De plannen sluiten aan bij de doelstellingen uit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) om te komen tot de bevordering van krachtige dorpen en steden en duurzaam en zuinig ruimtegebruik. Het voldoet aan de eis om ruimtelijke ontwikkelingen integraal te bezien en zorgvuldig om te gaan met de leefomgeving. Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid.
3.3
woensdag 25 november 2020
Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat Nationale Omgevingsvisie (NOVI), 2020 noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciIn het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu aal belang. gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Welke op 11 september Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbin2020 naar de Tweede Kamer gestuurd is. Met de Nationale dende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun beOmgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toelangen veilig te stellen. komst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te 3.2 Algemeen bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij Er vindt geen noemenswaardige toename van verkeersbewe- die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, ging en activiteiten plaats.
Activiteiten binnen de bijenhal blijven kleinschalig van karakter. Onderhavig plan voorziet vooral circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. in het plaats bieden van een parkeervoorziening en toevoegen Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe van meerwaarde van natuurlijke elementen, passend bij de aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken omgeving. op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuAl met al wordt het gebruik van de planlocatie niet of nauweele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. lijks geïntensiveerd, aanwezige kwaliteiten niet geschaad, maar juist versterkt, en belangen niet verstrengeld. In de volHet streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI gende paragrafen is dan ook zeer summier aandacht besteed valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een aan de diverse beleidsdocumenten die vigeren binnen de ver- onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: schillende overheidsniveau. Met name is gezocht naar aan Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; sluiting op het gebied van toeristisch-recreatieve uitgangspun- Sterke en gezonde steden en regio’s; ten en ambities van de diverse overheden.
Beleidskader
3
3 Beleidskader
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
6
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), 2012 Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In de NOVI wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om be-
Doorwerking plangebied De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is.
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht, welke ‘nationale belangen’ genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur.
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Welke zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven. De drie afwegingsprincipes zijn: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen wordt voorkomen.
Actualisatie ruimtelijke onderbouwing buitengebied bijenmuseum Geffen
Provinciaal beleid
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
woensdag 25 november 2020
1
Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brakeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke bantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeeha- Met de Omgevingsvisie Noord-Brabant wil de provincie gaan werken volgens de uitgangspunten van de Omgevingswet. De venterrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties Brabantse Omgevingsvisie bespreekt de ambities voor vier of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurenige omvang moet zijn.1 zame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essen- leefomgeving te laten zijn? tie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De
past bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwik-
is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toege-
3.4
perkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogetoelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke lijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de die kaderstellende uitspraken. behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand steDoorwerking plangebied delijk gebied, een motivering waarom niet binnen het beZoals al in voorgaande paragraaf bij de NOVI is aangegeven, staand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied. (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Doorwerking plangebied Het onderhavig planvoornemen betreft de realisatie van Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 nieuwbouw (130 m2) en de uitbreiding van de reeds aanweBro) zige educatieve, zorg-gerelateerde en toeristisch-recreatieve functie van het terrein. Er is geen sprake van een ‘stedelijke Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober ontwikkeling’ als bedoeld in artikel 1.1.1, lid 1, aanhef en on2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder der i van het Bro.
Derhalve is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvor-
ming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder
3 Beleidskader
7
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld, deze is op 1 maart 2020 geconsolideerd. De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening nog niet allemaal zijn verwerkt in de Interim Omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014.
Doorwerking plangebied Met onderhavig planvoornemen wordt een bijenteeltmuseum verder ontwikkeld. Deze ontwikkeling past binnen de ambities en doelstellingen, welke in de Omgevingsvisie zijn vastgelegd. De ontwikkeling is in lijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de Omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
Actualisatie ruimtelijke onderbouwing buitengebied bijenmuseum Geffen
woensdag 25 november 2020
d.
c.
b.
3.5
Gemeentelijk beleid
8
welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op an- Lid 3. Als een binnen de omgeving passende omvang geldt Structuurvisie Buitengebied Oss (2015) dere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ont- voor: De drie kernpunten van de structuurvisie Oss zijn: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een wikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om 1. het versterken van de positie van de stad Oss, 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de 2. een leefbaar buitengebied en deze te vestigen op een bedrijventerrein; omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de 3. meer kwaliteit en differentiatie bij de ruimtelijke inrichting. sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; Landelijk gebied. In deze structuurvisie is op strategisch niveau een samenhanc. een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omer vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; gend beleid geformuleerd: Er wordt ingezet op meer natuur en vang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.
overtollige bebouwing wordt gesloopt; recreatie in de Maasrand (uiterwaarden, dijk en oeverwallen), de vestiging heeft geen betrekking op: het openhouden van de komgebieden en de vorming van een De wijziging leidt niet tot een onevenredige publieks- en/of 1. een kantoor met baliefunctie; nat natuurlint de Hertogswetering. Voor de flank (dekzandverkeersaantrekkende werking. Met de ruimtelijke onderbou2. lawaaisport; rand) wordt ingezet op de versterking van de ecologische, rewing wordt vastgesteld welke specifieke gebruiksactiviteit is 3. mestbewerking. creatieve en landschappelijke kwaliteiten. toegestaan. Het betreft een voorziening ten dienste van vrije tijd, welke kleiner is dan 1 hectare.
2.
De ontwikkeling heeft geen invloed op de omgeving, zoals hoofdstuk 4 onderbouwd. Door middel van een landschappelijk inpassingsplan wordt bijgedragen aan de versterking van de omgevingskwaliteit. Daarnaast vindt er geen splitsing plaats van het bouwperceel, er is geen overtollige bebouwing welke gesloopt kan worden en het planvoornemen heeft geen betrekking op een kantoor met baliefunctie, lawaaisport of mestbewerking.
Voor ontwikkelingen in het buitengebied is het belangrijk dat dat de ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extenDoorwerking plangebied sieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. In de Interim Omgevingsverordening is hiervoor artikel De planlocatie waar de ontwikkeling plaats gaat vinden is de 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap opgenomen. Met dit plan Interim Omgevingsverordening aangeduid als ‘gemengd landelijk gebied en ‘landelijk gebied’. Onderstaande artikelen uit wordt slechts 130 m2 aan bebouwing toegevoegd. Dit wordt de Interim Omgevingsverordening zijn van toepassing. ingepast. Er is sprake van een categorie 2 ontwikkeling die inLid 2. Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, gepast moet worden, maar hoeft niet gecompenseerd te worborgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de den. Tevens zou er vergunningsvrij ook al bebouwing gerealiVoor de vestiging van een niet-agrarische functie in landelijk ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: seerd mogen worden op het perceel. Ten behoeve van de vergebied is artikel 3.73 van toepassing: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieks- betering van de landschappelijke kwaliteit is een landschappeLid 1.
Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gelijk inpassingsplan opgesteld. Dit landschappelijk inpassingsaantrekkende werking; bied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische plan is reeds besproken in hoofdstuk 2 en opgenomen in de functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; bijlagen. Daarmee is het initiatief in lijn met artikelen 3.9 (kwavoorwaarden is voldaan: c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie liteitsverbetering landschap) en artikel 3.73 (vestiging niet agrarische functie in landelijk gebied) van de Interim Omgegebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane vingsverordening. 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en omvang. functies passen in de omgeving;
beleid, zoals de omgevingsvisie. De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.
3 Beleidskader Actualisatie ruimtelijke onderbouwing buitengebied bijenmuseum Geffen
Figuur 3.1. Uitsnede streefbeeld Geffen-Oss, rood: globale
woensdag 25 november 2020
In de structuurvisie valt de planlocatie binnen het deelgebied ligging planlocatie (bron: Gemeente Oss). ‘Geffen-Oss’. Op de navolgende afbeelding is het streefbeeld voor dit gebied weergegeven. De planlocatie ligt binnen een Uit de afbeelding blijkt dat de planlocatie op de grens tussen kampenlandschap. Binnen dit landschap zijn open en besloten het open en het besloten landschap ligt. Dit betekent dat door
In gebieden met een menging van functies (zoals extensiveringsgebied – overig) kunnen nieuwe recreatieve functies worden toegestaan. Voorwaarden hierbij zijn het behouden dan wel verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast mogen bestaande agrarische functies niet belemmerd worden in hun ontwikkeling.
De gemeente richt zich op het in stand houden, verbeteren en uitbreiden van het recreatieve aanbod. De dagrecreatieve functies wil de gemeente stimuleren, bijvoorbeeld door de verbetering van wandel- en fietspaden.
gedeelten te onderscheiden. In de structuurvisie wordt gestuurd op het behoud van de ruimtelijke diversiteit: kleine en grote open gebieden; versterking van afwisseling open en beslotenheid; onregelmatige blokkavels behouden; bebouwing passend binnen de bestaande verkavelingstructuur; bouwmassa bebouwing refererend aan beeldbepalende Doorwerking plangebied bebouwing in de omgeving; Voor het tussengebied Geffen-Oss (waar ook de planlocatie is detaillering afgestemd op de gebiedseigen karakteristiek; gelegen) heeft de Gemeenteraad van de voormalige ge gebruik van donkere aarde tinten en materiaalgebruik meente Maasdonk de ‘Uitgewerkte visie tussengebied Geffenaansluitend op het streekeigen materiaalgebruik van de Oss’ vastgesteld. Eén van de doelstellingen van deze visie omgeving; was de versterking van de toeristisch-recreatieve functie. Er behoud van bestaande loofboomen. dient een landschappelijke kwaliteitsslag geleverd te worden door bijvoorbeeld de sanering van visueel hinderlijke (agrarische) bedrijfsgebouwen. Deze doelstelling bestaat nog steeds.
Er wordt naar gestreefd de kernen in het landelijk gebied levend te houden met oog voor de leefbaarheid en ontwikkelingsruimte. Tot slot wordt aandacht besteed aan de mogelijkheden om te blijven ondernemen in het buitengebied. In de structuurvisie wordt de zogenaamde Maasband geïntroduceerd; een beoogd recreatielandschap tussen Oss- Noord en Megen.
3 Beleidskader
9
Er is een aantal thema’s die op dit moment een belangrijke rol spelen. Deze thema’s zijn bepalend voor het landschap: nieuwe landgoederen, windmolens, zonneweides, erfinrichting, (agrarische) bebouwing, erfbeplanting, (de randen van de) kernen en diverse objecten, zoals hekwerken, schuilhutten en verlichting. De nota biedt ruimte voor ontwikkelingen die passen in het landschap van de gemeente Oss. Belangrijke vragen die bij elke ontwikkeling moeten worden gesteld zijn: Wat is (nog) passend in een bepaald gebied? Kan het landschap deze ontwikkeling dragen? Versterkt deze ontwikkeling de kwaliteit van het landschap? Als deze vragen positief beantwoord kunnen worden, is een ontwikkeling landschappelijk gezien aanvaardbaar.
Nota Landschapsbeleid (2015) De Nota Landschapsbeleid gaat uit van de vijf landschapstypen die in Oss voorkomen: de uiterwaard, de oeverwal, het komgebied, de dekzandrand en de zandrug. Deze landschapstypen hebben elk hun eigen karakteristieken. Deze karakteristieken bepalen waar en hoe het landschap kan worden versterkt. Uitgangspunt hierbij is dat de identiteit van elk gebied en het contrast tussen de gebieden worden versterkt. Voor elk type landschap is een landschappelijke visie gemaakt. Deze visies zijn gebaseerd op de bestaande kwaliteiten en de kenmerken en knelpunten die in dit gebied spelen. Per landschapstype benoemt de nota doelstellingen en randvoorwaarden voor de gewenste ontwikkeling en inrichting van het landschap.
de inrichting van het perceel deze waarden behouden moeten blijven en mogelijk versterkt worden.
Actualisatie ruimtelijke onderbouwing buitengebied bijenmuseum Geffen
woensdag 25 november 2020
Plan in relatie tot beleid Met in achtneming van de provinciale beleidskaders is onderhavige planontwikkeling vanuit gemeentelijk beleidsperspectief slechts van beperkte relevantie. Vergaande ruimtelijke ingrepen zijn niet aan de orde. In die zin blijft de locatie voldoen aan de ambities en uitgangspunten, zoals opgenomen in het gemeentelijke beleid. Onderhavige ontwikkeling sluit aan op de ambitie van de gemeente om bestaande structuren in stand te houden en waar mogelijk te verbeteren. Het plan draagt bij aan een versterking van de kwaliteit van het educatie en toeristisch-recreatieve product en op groei op bepaalde locaties.
Doorwerking plangebied Bij de inpassing van het plan is nadrukkelijk rekening gehouden met de aanwezige landschaps- en natuurwaarden en kwaliteiten. Hierbij is tevens de Nota Landschapsbeleid in ogenschouw genomen. In dit kader wordt verwezen naar het inpassingsplan dat als bijlage 1 is opgenomen. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de gemeente nastreeft en heeft geformuleerd in de Nota Landschapsbeleid. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in deze nota.
3 Beleidskader
10
Actualisatie ruimtelijke onderbouwing buitengebied bijenmuseum Geffen
Uitvoeringsaspecten
Geluid
woensdag 25 november 2020
Stiltegebieden Blijkens de kaarten, behorend bij de Milieuverordening NoordBrabant, is de planlocatie niet gelegen in of nabij een stiltecentrum.
Vliegtuiglawaai De planlocatie is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld. Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk.
Spoorweglawaai In de directe omgeving van de planlocatie is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk.
Industrielawaai In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen bedrijven gelegen die vallen onder artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Er is verder geen geluidzone industrielawaai aanwezig in of nabij de planlocatie. Nader onderzoek naar de gevolgen van industrielawaai is derhalve niet noodzakelijk.
Bodem
11
Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een
4.2
Algehele conclusie Vanuit akoestisch oogpunt levert het bestemmingsplan geen De nieuwbouw wordt niet als een geluidgevoelig object aange- belemmeringen op en wordt een nader akoestisch onderzoek merkt. (Nader) akoestisch onderzoek naar de gevolgen van niet noodzakelijk geacht. Het leefklimaat ter plaatse van het wegverkeerslawaai is derhalve niet noodzakelijk. de planlocatie en de directe omgeving is gewaarborgd.
Motivering en conclusies geluid voor planlocatie Wegverkeerslawaai De volgende objecten worden in Wet geluidhinder beschermd: woningen; andere geluidgevoelige gebouwen; geluidgevoelige terreinen.
De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie.
De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt.
Vanuit akoestisch oogpunt levert het plan derhalve geen beDoelstelling en (wettelijk) beleidskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals wo- lemmeringen op. Het verblijfsklimaat ter plaatse van de planlocatie is gewaarborgd. ningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving.
4.1
Dit hoofdstuk gaat in op de milieu-hygiënische en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de voorgenomen ontwikkeling in het gebied gelegen aan de Leiweg 7 te Geffen. De resultaten van de kwalitatieve onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer, parkeren en mobiliteit, getoetst. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling.
Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen.
De ruimtelijke ontwikkeling dient praktisch uitvoerbaar te zijn. In dit kader is het noodzakelijk om aandacht te besteden aan alle ruimtelijke en milieuhygiënische (deel)aspecten.
4
4 Uitvoeringsaspecten Actualisatie ruimtelijke onderbouwing buitengebied bijenmuseum Geffen
4.3
Water
woensdag 25 november 2020
12
Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets. Hierbij staan de volgende princiDoelstelling en (wettelijk) beleidskader pes centraal: Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de wa wateroverlastvrij bestemmen; terhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwaMet behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het ter; waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltrabeleid toe te passen op de beoogde planlocatie, waarbij op tie - buffering - afvoer’; basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar De Woningwet bepaalt dat alleen nog voor bouwwerken die hydrologisch neutraal bouwen; een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. specifiek bedoeld zijn voor het verblijf van mensen, een bo water als kans; demtoets uitgevoerd moet worden. Het betreft hier bouwwer meervoudig ruimtegebruik; De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 5.1.3 van het Beken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen voorkomen van vervuiling sluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen verblijven, bijvoorbeeld om te wonen en werken, onderwijs te rekening houden met waterschapsbelangen. van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemgeven of te genieten.
Voorbeelden van bouwwerken waar mingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de wasprake is van structureel verblijf door mensen zijn woningen, De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van scholen, kantoren maar ook recreatiewoningen en sportkantileid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het nes. naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situakader van de Wet ruimtelijke ordening. tie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenMotivering en conclusies bodem voor planlocatie seren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn dus beleid en uitDe locatie is geen locatie verdacht van bodemverontreiniging. waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. gangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met Op de planlocatie hebben (in het verleden) geen potentieel afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Ook worden Het Waterschap Aa en Maas maakt gebruik van recent waterbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen er geen leefruimtes ingericht waar ‘nagenoeg voortdurend’ relevant beleid en regelgeving.
Een en ander is opgenomen in van de volgorde ‘hergebruik-vasthouden-berging-afvoer’. mensen zullen verblijven. het nieuwe Waterbeerplan ‘waardevol water’, de meest recente Keur oppervlaktewater, Handreiking Watertoets (versie Het uiteindelijke doel van de watertoets is waarborgen dat waDe voorgestane ontwikkeling brengt verder geen hoger vervuimaart 2015). De huidige en toekomstige situatie van de planterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichlingsrisico met zich mee. Van uitloging van (gevaarlijke) stoflocatie en gebiedsspecifieke waterbelangen zijn van belang tige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuisfen in de bodem zal geen sprake zal zijn. Bodembedreigende voor de waterparagraaf. houdkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. handelingen vinden derhalve niet plaats; de bodemkwaliteit wordt niet bedreigd. Plannen met een verhardingstoename tot 2.000 m 2 zijn onder De planlocatie valt binnen het beheersgebied van Waterschap de nieuwe keur vrijgesteld van compensatie. Vanuit het waterAa en Maas. Ook voor het Waterschap Aa en Maas is hydroConclusie is dat het aspect bodem op voorhand de beoogde systeem geredeneerd bestaat er geen aanleiding om onder logisch neutraal ontwikkelen speerpunt bij ruimtelijke ingrepen planontwikkeling niet in de weg staat. Indien door de gedeze oppervlaktemaat compenserende maatregelen te eisen.
in haar beheersgebied. meente gewenst kan – voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning – alsnog een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd.
eventuele saneringsnoodzaak. Artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4 Uitvoeringsaspecten Actualisatie ruimtelijke onderbouwing buitengebied bijenmuseum Geffen
Motivering en conclusies milieueffectrapportage voor planlocatie In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst).
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen.
Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.- procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig.
In hoofdstuk 4, ‘Milieu- en ruimtelijke waardentoets’, zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Zoals uit bovenstaande opsomming blijkt, is het niet noodzakelijk om een m.e.r.- beoordeling uit te voeren in het kader van dit project.
4.5
Luchtkwaliteit
Uit de bovenstaande opsomming en overige relevante milieuparagrafen van deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het niet gaat om ‘belangrijke nadelige gevolgen’ waarbij een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd dient te worden.
3.
woensdag 25 november 2020
13
Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de wette4.4 Milieueffectenrapportage bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden lijke normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeDoelstelling en (wettelijk) beleidskader problemen op. ling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieuHet voorkomen van aantasting van het milieu is van groot gevolgen zijn. maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubeHet doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van in1. In het plangebied worden per saldo geen extra woningen lang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in zicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om mogelijk gemaakt. Er is daarmee geen sprake van een de praktijk vorm aan te geven is de milieueffectrapportage onteen goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet overschrijding van de drempelwaarden uit lijst C en D van wikkeld (zie met name hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer). luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worhet Besluit m.e.r. Een m.e.r.-beoordeling is immers pas den meegewogen.
Gegevens over de luchtkwaliteit worden noodzakelijk voor de bouw van meer dan 2.000 woningen Gemeenten en provincies moeten vanaf 1 april 2011 ook bij verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het in aaneengesloten gebied (lijst D, categorie 11.2). kleine bouwprojecten beoordelen of een milieueffectrappordoorgaan van het plan al dan niet aanvullende maatregelen 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is betage (m.e.r.) nodig is, via een zogenaamde m.e.r.- beoordenodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdipaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als ling. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine prooxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die bejecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt schermd worden op basis van de natuurwaarden, landkleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een plan op een schappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waof een MER nodig is. bepaalde locatie. terwingebieden. Het plangebied behoort niet tot een dergelijk gebied.
De auto’s bewegen zich eenvoudig over het nieuwe parkeerterrein en is er voldoende mogelijkheid voor afwatering van regenwater, aangezien de bestrating waterdoorlatend is. De hydrologisch neutrale situatie ter plaatse van de planlocatie is hiermee in feite gewaarborgd.
Motivering en conclusies water voor planlocatie De parkeervoorziening geschiedt in de vorm van halfverharding en de beoogde bebouwing is minimaal (130 m2). Op het laagste punt van de parkeerplaats zal een goot worden aangebracht om het water te sturen richting een opvangmogelijkheid van waaruit het hemelwater dat op de parkeerplaats valt in de grond kan zakken, zonder dat er risico bestaat dat het hemelwater zal afwateren in het oppervlaktewater. Er zijn daarnaast geen werkzaamheden gepland nabij de watergang ten zuiden van het perceel. Het plan heeft dan ook geen invloed hierop.
4 Uitvoeringsaspecten Actualisatie ruimtelijke onderbouwing buitengebied bijenmuseum Geffen
woensdag 25 november 2020
Concreet is in het Besluit NIBM vastgelegd in welke gevallen een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een ontwikkeling is NIBM als aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2.
De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeeld moet worden welk effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit. Er zijn echter situaties waarin een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is.
De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.
4 Uitvoeringsaspecten
Onderhavige ontwikkeling heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1.500 nieuwe woningen of 66.667 m² nieuw kantooroppervlakte. Hierdoor valt het plan
Motivering en conclusies luchtkwaliteit voor planlocatie Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt.
Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken). De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 1% op 500 woningen. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 1.000 woningen worden gehanteerd.
Mobiliteit en infrastructuur
14
De gemeente Oss streeft naar een goede ontsluiting, maar ook naar een goede parkeerbalans binnen en buiten bestaand
De ontsluiting van en naar de planlocatie wijzigt en verbeterd ten opzichte van de huidige situatie. De recreanten zullen derhalve gebruik maken van een nieuwe inrit/uitrit die direct aansluit op de Leiweg.
Als gevolg van de realisatie van het plan neemt het aantal verkeersbewegingen, en daardoor de verkeersintensiteit/-druk op de Leiweg, niet of nauwelijks toe ten opzichte het huidige niveau. De parkeervoorziening is slechts aanvullend op een bestaande functie. Het belangrijkste doel van de oprichting van de parkeervoorziening, is een verbetering van de verkeerskundige situatie ter plaatse.
4.6
Het plan zelf biedt geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het plan het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. Het planvoornemen houdt geen juridisch relevante verslechtering in voor de luchtkwaliteit.
Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit zal voldoen aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. De plannen voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op voor de planontwikkelingen.
ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2. De plannen dragen dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.
Actualisatie ruimtelijke onderbouwing buitengebied bijenmuseum Geffen
4 Uitvoeringsaspecten
In de Flora- en faunawet geldt dus een verbod op activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient dan ook uitgezocht te worden of er in dit kader belemmeringen aanwezig zijn. In 2005 is echter met het gewijzigde Besluit vrijstelling beschermde dieren plantensoorten het beschermings- regime versoepeld. Met deze aangepaste regelgeving is niet meer altijd een ontheffing nodig voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte. Voor regulier voor- komende werkzaamheden en ruimtelijke ontwikkelingen geldt nu een vrijstellingsregeling.
betekent dat geen schade mag worden aangebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Soms is het optreden van schade aan beschermde dieren en planten echter onvermijdelijk. In die situaties is het nodig om vooraf te bekijken of hiervoor een vrijstelling geldt of dat een ontheffing moet worden aangevraagd.
woensdag 25 november 2020
15
In de Flora- en faunawet is ook een zorgplicht opgenomen. De zorg houdt in ieder geval in dat handelen met nadelige gevolgen voor de flora en fauna, voor zover dit in redelijkheid kan worden verlangd, achterwege blijft of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan worden gemaakt. De zorgplicht geldt altijd en Tot slot kan worden geconcludeerd dat de aspecten archeolo- voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de gie en cultuurhistorie niet aan de realisatie van het planvoorhet geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijArcheologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten nemen in de weg staan. De archeologische dubbelbestemstelling is verleend. In het kader van de zorgplicht moet altijd van de wet zijn: ming blijft ook na uitvoering van onderhavig plan van kracht op met het volgende rekening worden gehouden: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bede locatie. bij het verwijderen van beplanting, slopen van bebouwing waren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in en overige verstorende werkzaamheden moet men besitu) niet mogelijk is; 4.8 Flora en fauna dacht zijn op de aanwezigheid van broedvogels.
Bij voor de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in keur worden de werkzaamheden buiten het broedseizoen Doelstelling en (wettelijk) beleidskader een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele ar(buiten 15 maart – 15 juli) uitgevoerd; cheologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal Soortenbescherming: Flora- en faunawet bij het verwijderen van beplanting, maar ook bijvoorbeeld worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot voor- Doelstelling van de Flora- en faunawet is de bescherming en bij opslagplaatsen van puin, stapels stenen e.d. moet onderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan versto- het behoud van in het wild levende planten- en diersoorten. men, in het bijzonder in de periode van 1 november – 15 ren; Het uitgangspunt van de wet is het ‘nee, tenzij- principe’. Dit
stedelijk gebied. Voor de planlocatie betekent dit dat de ont bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en sluiting van het terrein afdoende moet zijn en dat er voldoende mogelijke opgravingen. parkeergelegenheid op eigen terrein gerealiseerd moet en kan De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamworden. Deze parkeergelegenheid is thans niet aanwezig, heden komen ten laste van de initiatiefnemer. maar wordt bij realisatie van onderhavig planvoornemen realiteit. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom de planloca4.7 Cultuurhistorie en archeologie tie cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een beDoelstelling en (wettelijk) beleidskader paalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar Belangrijk bij de afweging of er gebouwd kan worden is het geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vernagaan of in of rondom de planlocatie belangrijke archeoloeist is. gische en, cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het voorkomen van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat er Motivering en conclusies archeologie voor planlocatie ter plaatse niet gebouwd kan worden, maar geeft aan dat Aangezien aan onderhavig planvoornemen geen grondwerkzorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is.
zaamheden ten grondslag liggen, zullen eventueel archeologische waarden niet worden aangetast. Derhalve zijn uitspraDoel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beken of maatregelen ten aanzien van de archeologie in dit kaschermen van archeologische waarden en het streven naar der niet aan de orde. behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegeIn algemene zin geldt er altijd een meldingsplicht, indien er tijvens over de archeologische resten in de bodem teneinde in dens latere bouwgraafwerkzaamheden alsnog archeologische een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van indicatoren aangetroffen worden. alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen.
Actualisatie ruimtelijke onderbouwing buitengebied bijenmuseum Geffen
afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert. Met de Wnb geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797). De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid. Het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, wordt vervangen door deze wet. Voordat de Wnb in werking treedt, wil de provincie, om dat te borgen, een aantal regels in de Omgevingsverordening vaststellen. Het betreft regels voor gebieden, soorten en houtopstanden, inclusief de verplichtingen die in de Wet Natuurbescherming zijn opgenomen.
woensdag 25 november 2020
Wet natuurbescherming (Wnb) Vanaf 1 januari 2017 geldt de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb). In het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) is
Gebiedenbescherming: Natuurbeschermingswet 1998 Om de Europese biodiversiteit te behouden en te herstellen wordt gestreefd naar de ontwikkeling van een groot Europees netwerk van beschermde natuurgebieden (‘Natura 2000’). Om dit te bereiken zijn onder meer de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992) opgesteld. Op basis van deze Europese richtlijnen zijn alle lidstaten, dus ook Nederland, verplicht om beschermde habitats, soorten en hun leefgebieden in stand te houden of te herstellen. In de Natuurberschermingswet 1998 zijn de Habitatricthlijn en Vogelrichtlijn opgenomen en deze wet regelt onder andere de aanwijzing van Natura 2000-gebie- Motivering en conclusies flora en fauna voor planlocatie den. Op de planlocatie hebben geen bouwwerken gestaan. De planlocatie betreft in de huidige situatie een agrarisch ingeDe Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) beschermt gebierichte kavel. De aanwezigheid of vestiging van beschermde den in Nederland met een bijzondere ecologische betekenis. vaatplanten kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Binnen de De belangrijkste gebieden die door de Nb-wet worden beplanlocatie zijn geen aantoonbaar (grondgebonden) zoogdieschermd zijn de Natura 2000 gebieden, Beschermde Natuurren en vogels aanwezig. De aanwezigheid van standplaatsen monumenten en wetlands.
Activiteiten waarvan de kans be(flora) of vaste rust- of verblijfplaatsen (fauna) van strikter bestaat dat er een verslechtering/significant negatief effect opschermde soorten kan niet worden uitgesloten. De voorgenotreed in een door de Nb-wet beschermd gebied, zijn vergunmen ontwikkeling zal rust- en verblijfplaatsen niet verstoren, ningplichtig en dienen getoetst te worden middels de Habitat- maar juist verstreken. Flora en fauna krijgen binnen de planlotoets. De Habitattoets is de procedure tot vergunningverlening catie de ruimte om zich te ontwikkelen. Negatieve effecten op en bestaat uit de voortoets en verslechteringstoets (geringe eventueel aanwezige beschermde soorten in de omgeving effecten) of de passende beoordeling (significante effecten). kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. Als uit de voortoets blijkt dat geen effecten optreden behoeft geen vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Slotconclusie is dat ecologische waarden de beoogde planontNatuurbeschermingswet. wikkeling niet in de weg staan.
april, bedacht zijn op de aanwezigheid van overwinterende amfibieën. Wanneer amfibieën worden aangetroffen, worden deze in vervangend overwinteringsgebied geplaatst.
4 Uitvoeringsaspecten
Bedrijven en milieuzonering / hinderlijke bedrijvigheid
16
Ad. 2 Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van
Ad. 1 Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.
Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied.
4.9
Actualisatie ruimtelijke onderbouwing buitengebied bijenmuseum Geffen