Bijlage 8A Toelichting St Jansstraat 1 Neerlangel
Tekst van het document
5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: -
de burger beschermen tegen geurhinder;
-
de veehouderijen niet onnodig beperken;
-
ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 45 van 64 ontwerp 19 mei 2022
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
Veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied In de omgeving van het plangebied is een aantal veehouderijbedrijven gevestigd. Navolgende figuur geeft een beeld van de ligging van deze bedrijven ten opzichte van het plangebied. Het plangebied is weergegeven in de zwarte cirkel. Dijkstraatje 3 Maasdijk 63
Maasdijk 61
Hoogstraat 6
Figuur 13: Veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied
Op deze veehouderijen zijn de navolgende dieraantallen vergund:
Figuur 14: Vergunde dieraantallen Dijkstraatje 3 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 46 van 64 ontwerp 19 mei 2022
Figuur 15: Vergunde dieraantallen Hoogstraat 6 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)
Figuur 16: Vergunde dieraantallen Maasdijk 61 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)
Figuur 17: Vergunde dieraantallen Maasdijk 63 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)
Woon- en leefklimaat Inleiding Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend wordt derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij het dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. Op de veehouderijen aan Hoogstraat 6, Maasdijk 61 en Maasdijk 63 worden (ook) dieren gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Derhalve kan voor deze dieren geen geurberekening worden uitgevoerd maar dient een vaste afstand aangehouden te worden van ten minste 25 meter. Met een afstand van respectievelijk ruim 700 meter, 35 meter en 110 meter tot het plangebied wordt voldaan aan deze vaste afstand. Op de veehouderijen aan Dijkstraatje 3 en Maasdijk 63 worden (ook) dieren gehouden waarvoor wel bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Gezien de afstand tot het plangebied en de
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 47 van 64 ontwerp 19 mei 2022
geuremissie afkomstig van de betreffende veehouderij, kan worden gesteld dat de veehouderij aan Maasdijk 63 de dominante veehouderij betreft. Derhalve is een geurberekening gemaakt van de voorgrondbelasting op het plangebied, afkomstig van de veehouderij aan Maasdijk 63. Navolgend is de berekening weergegeven. De XY-coördinaten van de geurgevoelige locatie betreffen hierbij de hoekpunten van de cultuurhistorisch waardevolle boerderij binnen het plangebied. Het XY-coördinaat van de veehouderij betreft hierbij de meest dicht bij het plangebied gelegen hoekpunt van het bouwvlak. Hiermee is de worst-case-scenario berekend vanuit de veehouderij. Berekende ruwheid: 0,11 m Meteo station: Eindhoven
Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
Maasdijk 63
172 700
424 533
6,0
6,0
0,50
4,00
27 070
Geurbelasting
Geur gevoelige locaties: Volgnummer
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
2 3 4 5
N W O Z
172 745 172 725 172 754 172 734
424 371 424 352 424 362 424 343
8,0 8,0 8,0 8,0
6,0 5,0 5,3 4,7
Tabel 1: Voorgrondbelasting Maasdijk 63 op cultuurhistorisch waardevolle boerderij
De voorgrondbelasting afkomstig van de veehouderij aan Maasdijk 63 op de cultuurhistorisch waardevolle boerderij binnen het plangebied bedraagt maximaal 6 oue/m³. Achtergrondbelasting De geurbelasting van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De Omgevingsdienst Zuidoost Brabant publiceert jaarlijks een kaart met de achtergrond geurbelasting. Navolgend is een uitsnede weergegeven van deze kaart met daarop de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied. Het plangebied is weergegeven in de zwarte cirkel. Als bronnenbestand van deze kaart is een export van het bestand veehouderijen Brabant genomen (februari 2021).
Figuur 18: Achtergrondbelasting ter plaatse van plangebied (Bron: odzob.nl)
Ter plaatse van het plangebied is sprake van een achtergrondbelasting van 7-13 oue/m³.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 48 van 64 ontwerp 19 mei 2022
Conclusie woon- en leefklimaat Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Met een voorgrondbelasting van maximaal 6 oue/m³ kan worden gesteld dat ter plaatse van het plangebied de voorgrondbelasting bepalend is. Met een dergelijke voorgrondbelasting kan op grond van de Wet geurhinder en veehouderij worden gesteld dat sprake is van een ‘redelijk goed woon- en leefklimaat’. Belangenafweging Als gevolg van de beoogde herontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in de belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit het voortzetten van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen. Binnen de cultuurhistorisch waardevolle boerderij binnen het plangebied wordt weer een woonfunctie toegekend in de vorm van een plattelandswoning. De plattelandswoning blijft onderdeel uit maken van de agrarische inrichting ter plaatse. Tussen deze woning en omliggende veehouderijen zijn overigens reeds geurgevoelige objecten gelegen.
Als gevolg van de toekenning van de plattelandswoning worden omliggende veehouderijbedrijven niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie. Daarbij is bij de berekening van de voorgrondbelasting ter plaatse, reeds alle geuremissie van de veehouderij aan Maasdijk 63 op de hoekpunt van het bouwvlak geprojecteerd, daar waar in de huidige situatie geen sprake is van bebouwing. Gesteld kan dan ook worden dat, zelfs indien deze veehouderij zou uitbreiden tot dit hoekpunt van het bouwvlak, nog steeds sprake zou zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Bij besluitvorming omtrent de geurgevoelige objecten binnen het plangebied dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord te worden gegeven op de vragen: - Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd? - Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? Ter plaatse is sprake van een ‘redelijk goed woon- en leefklimaat’. Ook worden als gevolg van de beoogde herontwikkeling geen veehouderijen in de belangen geschaad. De beoogde herontwikkeling is in het kader van het aspect ‘geur’ geen bezwaar. 5.7.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast.
Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd met een geurcontour in het kader van de NeR.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 49 van 64 ontwerp 19 mei 2022
5.7.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt enkel een plattelandswoning toegekend in de cultuurhistorisch waardevolle boerderij ter plaatse van het plangebied, wordt een drietal recreatiewoningen toegevoegd en de kleinschalige ambachtelijke bierbrouwerij uitgebreid, met tevens een kleinschalige horecafunctie met bijbehorend terras. Met de tool Niet in Betekenende Mate (versie 2021) is bezien of de beoogde herontwikkeling in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Hierbij zijn de uitgangspunten uit paragraaf 5.4.1 van deze toelichting gehanteerd.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 50 van 64 ontwerp 19 mei 2022
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2022
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
21,6
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m
3
0,01
3
0,00 1,2
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m 3
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Tabel 2: Uitkomst NIBM-tool
Gesteld kan worden dat het plan onder een NIBM-project valt en het aspect luchtkwaliteit niet van toepassing is op de beoogde herontwikkeling. Niettemin dient ten alle tijden sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van het aspect luchtkwaliteit. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het plangebied en directe omgeving weer. Het plangebied is hierbij aangeduid met zwarte cirkel.
Figuur 19: Fijnstof 2019 (PM10) (Bron: Altasleefomgeving.nl)
De jaargemiddelde concentratie fijnstof PM10 bedraagt ter plaatse van het plangebied 18-19 µg/m³. De concentratie blijft daarmee ruim beneden de norm.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 51 van 64 ontwerp 19 mei 2022
Figuur 20: Fijnstof 2019 (PM2,5) (Bron: Atlasleefomgeving.nl)
De jaargemiddelde concentratie fijnstof PM2,5 bedraagt ter plaatse van het plangebied 10-11 µg/m³. De concentratie blijft daarmee ruim beneden de norm. Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van het plangebied op grond van het aspect fijnstof sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Stikstofdioxide De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer. Het plangebied is weergegeven in de zwarte cirkel.
Figuur 21: Stikstofdioxide 2019 (NO2) (Bron: atlasleefomgeving.nl)
Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 14-16 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 52 van 64 ontwerp 19 mei 2022
5.7.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. In de directe nabijheid van het plangebied is geen sprake van een hoogspanningslijn. Dit aspect is dan ook niet van toepassing.
5.7.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.
De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Met de beoogde herontwikkeling wordt een plattelandswoning toegekend in de cultuurhistorisch waardevolle boerderij, welke kan worden gezien als geluidsgevoelig object.
Ter plaatse is echter in het verleden altijd sprake geweest van een bedrijfswoning. Aangenomen kan worden dat voldaan wordt aan de vereisten zoals gesteld in de Wet geluidhinder. De beoogde recreatiewoningen worden in de Wet geluidhinder niet gezien als geluidsgevoelige objecten. De Wet geluidhinder beschermt namelijk: - woningen;
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 53 van 64 ontwerp 19 mei 2022
-
andere geluidsgevoelige gebouwen; geluidsgevoelige terreinen.
De recreatiewoningen betreffen geen ‘woningen’ daar deze niet zijn bestemd voor permanente bewoning. Andere geluidsgevoelige gebouwen betreffen: - onderwijsgebouwen; - ziekenhuizen en verpleeghuizen; - verzorgingstehuizen; - psychiatrische inrichtingen; - kinderdagverblijven. De recreatiewoningen kunnen dan ook niet worden aangemerkt als zijnde geluidsgevoelig. Een akoestisch onderzoek ten behoeve van deze ontwikkeling is dan ook niet aan de orde. Andersom wordt binnen het plangebied de ambachtelijke bierbrouwerij uitgebreid met de realisatie van een terras. Nauwelijks sprake zal zijn van geluidemissie afkomstig van de bierbrouwerij. Enkel 4 tot 6 keer per maand zal productie plaatsvinden, waar zeer minimaal geluid wordt geproduceerd door onder andere de condensor en afzuigingen. Deze geluidemissie is verwaarloosbaar binnen het agrarisch bouwvlak met actieve bedrijfsvoering. Op het terras en in het proeflokaal zal sprake zijn van achtergrondmuziek, maar er zal geen sprake zijn van versterkte muziek. Stemgeluid zal maatgevend zijn. Ten behoeve van deze beoogde nevenactiviteit is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd.
Navolgende conclusie komt voort uit het uitgevoerde onderzoek: “Uit dit onderzoek volgt dat de onderzochte bedrijfsvoering geen knelpunten veroorzaakt met betrekking tot de geluiduitstraling en dat het bestaande woon- en leefklimaat ter plaatse van geluidgevoelige objecten in de omgeving niet onevenredig wordt aangetast.” De volledige rapportage (Akoestisch onderzoek industrielawaai Sint Jansstraat 1 te Neerlangel, NIPA milieutechniek bv, rapportnummer N210620.002/LHO d.d. 21 maart 2022) is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Geen sprake zal zijn van geluidhinder afkomstig van het plangebied op de omgeving.
5.7.9 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.
In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 54 van 64 ontwerp 19 mei 2022
vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b.
terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Conform de vigerende vergunning wordt aan Dorpenweg 27 te Deursen-Dennenburg een tiental geiten gehouden. Dit betreft echter een woonbestemming, temidden van meerdere woonbestemmingen. Niet aannemelijk wordt geacht dat ter plaatse kan worden voorzien in een volwaardige geitenhouderij. Binnen een straal van 2 kilometer zijn verder geen geitenhouderijen gevestigd. Op grond van dit aspect kan dan ook worden gesteld dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.7.10 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een richtafstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehandhaafd. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits er een locatie specifiek onderzoek wordt uitgevoerd. Voor onderhavige ontwikkeling geldt dat in de nabijheid van het plangebied sprake is van gronden die agrarisch worden gebruikt. Binnen een straal van 50 meter rondom het plangebied is echter geen sprake van boomteelt of de teelt van andere gewassen waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen en waarvan drift afkomstig is. Spuitzones vormen geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 55 van 64 ontwerp 19 mei 2022
5.8 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.
Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording Voor dit bestemmingsplan is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Geen van de beoogde ontwikkelingen komen voor op de C-lijst. Op de D-lijst staat een activiteit welke mogelijk m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, te weten: -
D37.1 de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie van een bierbrouwerij.
Navolgend wordt bezien of wordt voldaan aan de drempelwaarde in kolom 2: ‘gevallen’: -
D37.1: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een productiecapaciteit van 75 miljoen liter per jaar of meer.
In de huidige situatie is reeds sprake van een kleinschalige ambachtelijke bierbrouwerij. Er is reeds een vergunning verleend voor het brouwen van 20 hectoliter (2.000 liter) per maand, dus 24.000 liter per jaar. De kleinschalige ambachtelijke bierbrouwerij wordt iets uitgebreid, maar zal de drempelwaarde van 75 miljoen liter per jaar nooit overschrijden. De bierbrouwerij blijft kleinschalig van aard, als zijnde nevenfunctie naast het akkerbouwbedrijf. Dit plan blijft dan ook ruim onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D37.1. Het plan is derhalve niet m.e.r.-plichtig.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 56 van 64 ontwerp 19 mei 2022
Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient dus wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Hiertoe is een aanmeldnotitie opgesteld en als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 57 van 64 ontwerp 19 mei 2022
Hoofdstuk 6
6.1
Toelichting op de regels
Algemeen
Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan ‘St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022’ is gekozen voor een gedetailleerde regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikel 3 en 4), de algemene regels (artikelen 5 tot en met 12) en de overgangs- en slotregels (de artikel 13 en 14). Bij de regels hoort een bijlage, te weten een lijst met mogelijkheden voor functieverandering agrarische bedrijven, bedrijvenlijst, lijst van rechtstreeks toelaatbare aan-huisgebonden activiteiten, mogelijkheden kleinschalige activiteiten bij agrarische bedrijven en een lijst van hobbymatig vee.
In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht.
6.2
Regels
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Agrarisch met waarden - Landschap Het gehele plangebied kent de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ ten behoeve van een agrarisch bedrijf, met daaronder begrepen hobbymatig agrarisch grondgebruik. Ter plaatse wordt tevens een drietal recreatiewoningen toegestaan binnen de aanduiding ‘recreatiewoning’, een ‘terras’ voor kleinschalige horeca binnen de aanduiding ‘terras’, een bedrijfswoning, een plattelandswoning binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - plattelandswoning’ en een ambachtelijke bierbrouwerij binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijke bierbrouwerij’. Artikel 4: Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog Een gedeelte van het plangebied kent de dubbelbestemming ten behoeve van de instandhouding en bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 58 van 64 ontwerp 19 mei 2022
Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 5:
Anti-dubbeltelregel
Artikel 6:
Landschappelijke tegenprestatie
Artikel 7:
Algemene bouwregels
Artikel 8:
Algemene gebruiksregels
Artikel 9:
Algemene aanduidingsregels
Artikel 10:
Afwijken van de bouw- en gebruiksregels algemeen
Artikel 11:
Wijzigingsregels
Artikel 12:
Overige regels
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 13: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 14: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald. Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5:
Mogelijkheden functieverandering agrarische bedrijven Bedrijvenlijst Lijst van rechtstreeks toelaatbare aan-huis-gebonden activiteiten Mogelijkheden kleinschalige activiteiten bij agrarische bedrijven Hobbymatig vee
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 59 van 64 ontwerp 19 mei 2022
Hoofdstuk 7
7.1
Handhaving
Beleidskader
Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: -
het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels;
-
het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken;
-
zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.
Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: -
het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes;
-
nakoming van afspraken en naleving van regels.
In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven.
7.2
Professionele handhaving en handhavingsprogramma
De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 60 van 64 ontwerp 19 mei 2022
7.3
Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht
De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk.
Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee mee recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor.
Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 61 van 64 ontwerp 19 mei 2022
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook van toepassing. Dat betekent dat meerkosten voor de planologische procedure als gevolg van particuliere ontwikkelingen dienen te worden verhaald op de initiatiefnemer(s). De verhaal van deze kosten kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via een exploitatieplan. De gemeente Oss heeft nadrukkelijk de voorkeur om dit via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer te regelen omdat het opstellen van een exploitatieplan aanzienlijke meerkosten voor gemeente én initiatiefnemer tot gevolg heeft. Dit plan is een particulier initiatief. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. De kosten die voortvloeien uit het plan zijn voor rekening en risico van initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. In de anterieure overeenkomst is ook vastgelegd dat de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 62 van 64 ontwerp 19 mei 2022
Hoofdstuk 9
Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid
9.1 Omgevingsdialoog Begin mei 2021 heeft initiatiefnemer een omgevingsdialoog gevoerd in de omgeving van het plangebied. Zes adressen in de directe omgeving, Stichting Neerlangel Historie en Toekomst en Sint Jansgilde Neerlangel zijn betrokken bij deze dialoog. De dialoog is informeel gevoerd, is positief ontvangen en heeft niet geleid tot aanpassingen in het bestemmingsplan. Een verslag van de omgevingsdialoog is bekend bij de gemeente Oss.
9.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereidingen van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Daarom is het concept ontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, het Waterschap Aa en Maas en Veiligheidsregio Brabant-Noord. Ook is het concept ontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan Dorpsraad Ravenstein. Het vooroverleg heeft het volgende opgeleverd.
9.2.1 Provincie Noord-Brabant De provincie heeft op 29 juli 2021 een reactie gegeven. Het inhoudelijke standpunt is als volgt geformuleerd. “Afwijkende regels Wonen in landelijk gebied (IOV art. 3.69, onder b) Op grond van het vigerende bestemmingsplan is 1 bedrijfswoning toegestaan. Alleen deze woning zou in beginsel omgezet kunnen worden naar plattelandswoning. Dit gebeurt dan op grond van de Wet plattelandswoning. Indien het gaat om een voormalige -niet legaal aanwezige- bedrijfswoning zou er bij uitzondering een nieuwe woonfunctie in gevestigd kunnen worden, in geval het een cultuurhistorisch waardevol pand betreft en de woonfunctie is gericht op het behoud en herstel van het gebouw. Als we het bestemmingsplan goed lezen betreft dit hier het restaureren van de boerderij. Welke cultuurhistorische waarden er behouden c.q. hersteld worden en op welke wijze is echter niet duidelijk. De betreffende cultuurhistorische bebouwing komt niet voor op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart, en ook niet op de gemeentelijke Erfgoedkaart. Volgens het bij het bestemmingsplan bijgevoegde rapport is het gebouw vooral om situationele redenen waardevol. Op welke wijze deze (deel)ontwikkeling hieraan bijdraagt is ook niet duidelijk. Wij verzoeken u dit aspect nader toe te lichten en indien nodig hierover nader in overleg te treden. Kwaliteitsverbetering van het landschap (IOV art.
3.9) De recreatieve nevenfunctie binnen het bestaande gebouw (3 recreatiewoningen) over een oppervlakte van 200–250 m², valt binnen categorie 2, waartegenover een landschappelijke inpassing staat. Ook de uitbreiding van de ambachtelijke bierbrouwerij en daarbij behorend terras kan worden gezien als een categorie 2-ontwikkeling, waarvoor ook een landschappelijke inpassing wordt vereist. Een inrichtingsplan is bijgevoegd bij het plan, echter de borging hiervan met een voorwaardelijke verplichting in de planregels ontbreekt nog. Wij verzoeken u dit aan te passen.” Naar aanleiding van deze reactie is aan het bestemmingsplan toegevoegd een Omschrijving van de uitgangspunten van het plan, met betrekking tot behoud en versterking van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Hierin is opgenomen welke elementen op welke wijze gerestaureerd worden en behouden blijven. Deze omschrijving is opgenomen in de bijlagen behorende bij deze toelichting. Het landschappelijk inrichtingsplan is met een voorwaardelijke verplichting geborgd in de regels.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 63 van 64 ontwerp 19 mei 2022
9.2.2 Waterschap Aa en Maas Het waterschap heeft op 14 juni 2021 aangegeven dat er geen ruimtelijke waterschap belangen binnen het plangebied van toepassing zijn. Er zijn dan ook geen opmerkingen.
9.2.3 Veiligheidsregio Brabant-Noord De Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft op 17 juni 2021 het volgende advies gegeven. “De relevante scenario’s i.r.t het plangebied zijn een BLEVE en een toxische wolk. Voor het scenario BLEVE geldt dat het plangebied op de 1% letaliteitsgrens ligt met een klein deel. Het grootste deel valt buiten deze grens. Om deze reden wordt het scenario BLEVE niet relevant geacht. In 5.7.3. wordt ingegaan op het aspect externe veiligheid. Hierin wordt aangegeven wat het handelingsperspectief is voor het scenario toxisch. Dit wordt onderschreven door de veiligheidsregio. Aanvullend adviseert de veiligheidsregio het volgende: -
Bij dreiging moet men binnen blijven en het gebouw zo goed mogelijk proberen af te sluiten. Geadviseerd wordt om voor het gebouw of onderdeel van het gebouw extra aandacht te besteden aan de afdichting van het gebouw. Een eventuele aanwezige luchtbehandelingsinstallatie moet afgeschakeld kunnen worden.
-
Informeer de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid.”
Het advies van de Veiligheidsregio is opgenomen de bijlagen bij deze toelichting. In paragraaf 5.7.3 wordt hiernaar verwezen. Het advies geeft geen aanleiding tot aanpassing van het plan.
9.2.4 Dorpsraad Ravenstein Dorpsraad Ravenstein is op 18 november 2021 via de wijkcoördinator geïnformeerd.
9.3 Inspraak De gemeente is wettelijk niet verplicht om een voorontwerpbestemmingsplan te maken en daar een inspraakprocedure voor te volgen. Het gemeentelijke beleid voor de toepassing van inspraak bij ruimtelijke plannen biedt de mogelijkheid om bij kleine plannen af te zien van inspraak. Dit is aan de orde bij plannen die een beperkte impact hebben. In dit geval gaat het om herbestemming van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing binnen het agrarisch bouwvlak, waarbij een plattelandswoning wordt toegekend binnen de bestaande bebouwing, de ambachtelijke bierbrouwerij wordt uitgebreid met tevens de realisatie van een nieuw terras en een drietal recreatiewoningen wordt gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing. De gemeente heeft in dit geval geen voorontwerpbestemmingsplan gemaakt en dus ook geen inspraakprocedure gevolgd. 9.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht voor iedereen gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tegelijkertijd is het plan elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Burgemeester en wethouders hebben de terinzagelegging vooraf meegedeeld in het plaatselijke blad Oss Actueel, in het Gemeenteblad en op de gemeentelijke website.
Iedereen kon zijn zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad naar voren brengen tijdens de terinzagelegging. Er is
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 64 van 64 ontwerp 19 mei 2022
PM zienswijze naar voren gebracht. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het raadsbesluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan.