Bijlage 8A Toelichting St Jansstraat 1 Neerlangel
Tekst van het document
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 26 van 64 ontwerp 19 mei 2022
Hoofdstuk 5
5.1
Omgevingsaspecten
Landschap
5.1.1 Nota Landschapsbeleid Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst. Het plangebied is gelegen binnen de Oeverwal.
De oeverwal is een hogergelegen rug in het landschap en ligt hoog en droog, binnendijks op enige afstand van de rivier de Maas. Het karakter van de oeverwal is kleinschalig en halfopen tot besloten. Het verkavelingspatroon op de oeverwal is blokvormig en overwegend regelmatig. Bebouwing (veelal geconcentreerd in kleine kernen en in bebouwingslinten), beplantingselementen (houtwallen, een enkele boomgaard) en grondgebruik (grasland, bouwland) bepalen hier de maat van de ruimte. Het menselijk handelen is in dit landschapstype duidelijk aanwezig; het is een intensief in cultuur gebracht gebied. Deels is nog de oude percelering van voor 1850 herkenbaar aanwezig. Zo’n 100 jaar geleden was de karakteristiek van de oeverwal uitgesprokener dan nu: het was zeer kleinschalig en besloten, met veel boomgaardjes, houtwallen, boomsingels, akkers en kleine kernen. Op diverse plekken dragen monumentale bomen bij aan het ruimtelijke beeld. In het Nota landschapsbeleid is aangegeven dat recreatie en toerisme een steeds belangrijker rol zal gaan spelen. Door de vergrijzing en doordat mensen meer vrije tijd hebben zal er meer behoefte zijn aan recreatie in de woonomgeving. Om routegebonden recreatie te versterken zijn routes naar toeristisch aantrekkelijke gebieden wenselijk. Daarnaast zullen mogelijkheden moeten worden geboden voor ‘een blokje om’.
Ook naar recreatief medegebruik van landbouwgronden, het zogenaamde ‘wandelen over boerenland’ zal vraag zijn. Er zal volgens de Nota in het buitengebied meer kleinschalige bedrijvigheid komen die gericht is op toerisme en recreatie, zoals bed & breakfast en dergelijke. Ook de verbrede landbouw zoals kamperen bij de boer zal zich verder ontwikkelen. Door de toename van de recreatie zal de vraag naar een aantrekkelijk landschap toenemen. Door in te zetten op de toeristische en recreatie nevenfunctie naast de reeds bestaande en te behouden agrarische hoofdfunctie, wordt ingespeeld op de visie binnen de oeverwal. De beoogde herontwikkeling past daarmee binnen de gemeentelijke Nota landschapsbeleid.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 27 van 64 ontwerp 19 mei 2022
5.1.2 Kwaliteitsverbetering van het landschap Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist, bij een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied, een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit staat in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. In januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. Dit regionale afsprakenkader is oorspronkelijk bedoeld als uitwerking van regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte. Het afsprakenkader geldt nog steeds. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die de gemeente Oss regionaal heeft afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is.
Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1. de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden.
De realisatie van een woonfunctie binnen de cultuurhistorisch waardevolle boerderij valt binnen categorie 1. Een tegenprestatie is daartoe dan ook niet noodzakelijk. De realisatie van de recreatiewoningen vindt plaats binnen eveneens cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Geen sprake zal zijn van nieuwbouw. Met deze nevenactiviteit wordt een passende herbestemming gegeven aan cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Sprake zal zijn van een beperkte impact. Deze activiteit kan dan ook worden gezien als een categorie 2-ontwikkeling, waarvoor enkel een landschappelijke inpassing noodzakelijk wordt geacht. Ook met de uitbreiding van de ambachtelijke bierbrouwerij binnen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en het daarbij behorend terras kan worden gezien als een categorie 2-ontwikkeling, waartoe enkel een landschappelijke inpassing wordt vereist.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 28 van 64 ontwerp 19 mei 2022
Het plangebied is reeds landschappelijk goed ingepast maar zal als gevolg van de beoogde herontwikkeling nog veder worden ingepast. Het plangebied ligt aan de rand van Neerlangel, op de oeverwal van de Maas, met aan de oostzijde de oeverwal en de dijk, met bebouwing, kleinschaligheid en menging van functies. De beoogde herontwikkeling sluit goed aan bij de beoogde ontwikkeling in het gebied dat beleidsmatig wordt nagestreefd. Met de beoogde landschappelijke inpassing wordt hierop ingespeeld door de dichtheid en kleinschaligheid centraal te laten staan. De beoogde landschappelijke inpassing is reeds nader toegelicht in hoofdstuk 3 van onderhavige toelichting. Door de toekenning van duurzame passende herbestemming binnen de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing met het daarbij behorende herstel, behoud en onderhoud van de cultuurhistorische waarden, wordt voorzien in een aanzienlijke kwaliteitsverbetering ter plaatse. Een restauratie- en renovatieplan voor de boerderij is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 29 van 64 ontwerp 19 mei 2022
5.2
Natuur
5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming.
5.2.2 Groen en natuur/biodiversiteit Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft er naar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel ‘natuurinclusief’ te bouwen. Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om dit ook te doen. Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd.
5.2.3 Natuurtoets 5.2.3.1 Inleiding Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden 5.2.3.2 Gebiedsbescherming Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. Hoewel er geen directe relatie lag en ligt tussen een bestemmingsplan en de PAS, is het sneuvelen van de PAS ook voor RO en bestemmingsplannen van belang, met name ook door de aandacht voor stikstof. Tot nu toe werd
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 30 van 64 ontwerp 19 mei 2022
als ondergrens waaronder je geen Natuurvergunning nodig had (0,05 Mol/ha) ook in de RO vaak gebruikt om aan te tonen dat stikstof geen probleem was voor de voorgenomen planontwikkeling. De beoogde herontwikkeling heeft geen nieuwbouw tot gevolg. Een passende herbestemming wordt gegeven aan cultuurhistorisch waardevolle bebouwing ter plaatse. Bovendien is het plangebied gelegen op grote afstand tot Natura 2000-gebieden. Een berekening van de stikstofdepositie op basis van een aanlegfase is dan ook niet aan de orde. Wel is een AERIUS-berekening gemaakt ten behoeve van de gebruiksfase. Sprake zal zijn van een toename van een drietal recreatiewoningen, met een toename van 2,6 vervoersbewegingen per etmaal per recreatiewoning. Voor de plattelandswoning wordt gerekend met een toename van 7,8 vervoersbewegingen per etmaal. Voor de beoogde horecafunctie is gerekend met een toename van nog eens 6 vervoersbewegingen. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling zal sprake zijn van een toename van circa 21,6 vervoersbewegingen per etmaal. De plattelandswoning en de recreatiewoningen mogen in principe nog worden aangesloten op het gasnet, en zijn derhalve in de berekening meegenomen met de nieuwe situatie. Per woning is gerekend met een emissie van 3,59 kg nox/jaar. Vanuit de bierbrouwerij zal geen sprake zijn van stikstofemissie.
Bij het huidige verwarmingsproces wordt wel stikstofoxide uitgestoten, namelijk door het verbranden van aardgas. Met de huidige brouwinstallatie wordt door aardgas te verbranden de installatie voorzien van warmte door het ‘maischen’ en ‘koken’. Echter wordt in de beoogde situatie gekozen voor een elektrische brouwinstallatie, waardoor geen gas meer wordt gebruikt. De daarvoor benodigde elektriciteit wordt volledig opgewekt door de eigen zonnepanelen op de tuinbouwloods in het noorden van het plangebied. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat de beoogde herontwikkeling niet leidt tot rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. De uitgevoerde AERIUS-berekening is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. Gesteld kan worden dat de beoogde herontwikkeling geen significante negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden. 5.2.3.3 Soortenbescherming Als gevolg van de beoogde herontwikkeling gaan geen gebouwen of landschapselementen verloren. Ter plaatse worden enkel landschapselementen toegevoegd en wordt een passende herbestemming gegeven aan cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Initiatiefnemer is zelfs voornemens om nestkasten op te hangen aan de achterzijde van de plattelandswoning. De nestkasten zijn bedoeld voor de typische soorten van erven op de oeverwal, zoals de steenuil en kerkuil.
Tijdens de werkzaamheden binnen het plangebied dient wel te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen. Artikel 1.11 van de Wnb stelt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. De zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om zodoende die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht geldt altijd, en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. Gesteld kan dan ook worden dat de beoogde herontwikkeling geen bezwaar is in het kader van flora- en faunawaarden. Een flora- en faunaonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 31 van 64 ontwerp 19 mei 2022
5.3
Archeologie en Cultuurhistorie
5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.
5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv
Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten
35 m2 / 30 cm -Mv
Historische stads-/dorpskern
50 m2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde
100 m 2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein
1000 m2 / 30 cm -Mv
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 32 van 64 ontwerp 19 mei 2022
Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde
5 hectare / 30 cm -Mv
Reeds onderzocht
Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.
Verstoord
Geen onderzoeksplicht
Volgens de archeologische beleidskaart heeft het plangebied gedeeltelijk een hoge verwachtingswaarde. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m².
5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied een hoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Toetsing van de plannen De beoogde herontwikkeling heeft geen bodemroeringen tot gevolg. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Archeologisch onderzoek is niet aan de orde. De reeds bestaande dubbelbestemming voor archeologische verwachtingswaarde blijft niettemin behouden, waarmee ook eventuele archeologische waarden in de toekomst gewaarborgd blijven.
5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening. In de Wet tot wijziging van de
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 33 van 64 ontwerp 19 mei 2022
Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.
De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen.
Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorie: waardenbepaling binnen plangebied Ter plaatse van het plangebied is sprake van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. In samenwerking met Jos Bertens is door Schamp Bouwkundig Advies een bouwhistorische verkenning gemaakt waaruit een waardestelling voortkomt met daar bij behorende aanbevelingen. Naar aanleiding van de eerste aanbevelingen heeft overleg plaatsgevonden met de gemeentelijke Erfgoedcommissie, waarna de stukken zijn aangevuld. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit de uitgevoerde verkenning: “Conclusie De boerderij heeft als onderdeel van een historische dorpskern een hoge situationele waarde. Aangezien de hoofdvorm van het gebouw geheel is behouden en de wijzigingen, die in het verleden zijn aangebracht, door bouwsporen in de gevels herkenbaar zijn gebleven, wordt deze waarde nog versterkt. Een minpunt is de reeks bijgebouwen aan de westzijde.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 34 van 64 ontwerp 19 mei 2022
Advies Daar de bouwsporen in de gevels exact aangeven hoe de situatie in het verleden is geweest, adviseren wij om de hinderlijke wijzigingen uit die tijd conform deze informatie ongedaan te maken. Bouwsporen uit een langer verleden, die te maken hebben met de evolutie van het boerenbedrijf, kunnen worden gehandhaafd. We denken dan aan de twee mestdeuren in de eindgevel en de beide woonhuisvensters in het stalgedeelte aan de westzijde. De bouw van de noodkerk pal naast de boerderij kan hiertoe ook gerekend worden. Een aangepaste voorgevel van dit bijgebouw strekt dan wel tot aanbeveling.” Deze bouwhistorische verkenning met waardestelling en aanbeveling d.d. 21 maart 2022 is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. Naar aanleiding van deze verkenning wordt de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing binnen het plangebied gerestaureerd, waarmee een aanzienlijke kwaliteitsverbetering ontstaat ter plaatse van het plangebied maar ook in de omgeving hiervan. Door Schamp Bouwkundig Advies is tevens een restauratie- en renovatieplan opgesteld, waarin omschreven is hoe wordt omgegaan met de bestaande, te handhaven maar ook terug te brengen waarden. Het restauratie- en renovatieplan d.d. 21 maart 2022 is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.
5.4
Mobiliteit en parkeren
5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen Het plan behelst de toevoeging van een wooneenheid binnen de cultuurhistorisch waardevolle boerderij, een drietal recreatiewoningen en een kleinschalige horecafunctie. Voor de toename motorvoertuigbewegingen is gekeken naar de kencijfers zoals gesteld in de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, Van parkeerkencijfer naar parkeernormen’. Voor een extra woning in het ‘Landelijk wonen’ wordt gerekend met 7,8 bewegingen per etmaal. Voor een recreatiewoning wordt gerekend met 2,6 vervoersbewegingen per etmaal, waarmee dan ook sprake zal zijn van een toename van 7,8 vervoersbewegingen per etmaal. De beoogde horecafunctie wordt niet benoemd in de CROWpublicatie. Beoogd wordt ook vooral om in te spelen op de fietsende voorbijganger. Deze functie zal dan ook nauwelijks een toename van motorvoertuigbewegingen tot gevolg hebben.
Naar eigen inschatting wordt hiervoor gerekend met een toename van nog eens 6 vervoersbewegingen per etmaal. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling kan dan ook sprake zijn van een toename van in totaal circa 21,6 verkeersbewegingen per etmaal. Deze minimale toename leidt niet tot problemen over de weg. Verkeer: ontsluitingswegen De St. Jansstraat betreft een zijstraat van de Langelsestraat. De bestaande bedrijfswoning is dan ook gesitueerd aan de Langelsestraat. Deze beide wegen betreffen Erftoegangswegen type II, met een maximumsnelheid van 60 km/uur. De minimale toename van vervoersbewegingen als gevolg van de beoogde herontwikkeling vormt geen belemmering voor de wegen St. Jansstraat dan wel de Langelsestraat. Ook de afwikkeling vanuit de straat op het plangebied zal niet leiden tot problemen. De bedrijfswoning behoudt haar eigen inrit vanuit de Langelsestraat, om daarmee privégedeelte gescheiden te houden van het agrarisch bedrijf. De inrit tussen de beoogde recreatiewoningen en het beoogde terras komt te vervallen. Gebruik zal worden gemaakt van de inrit ten noordoosten hiervan, waartoe een duidelijke toegang gerealiseerd zal worden ten oosten van de cultuurhistorisch waardevolle boerderij.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 35 van 64 ontwerp 19 mei 2022
5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein. Voor de parkeerbehoefte is gekeken naar de normen zoals gesteld in de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, Van parkeerkencijfer naar parkeernormen’. Voor de extra wooneenheid binnen de cultuurhistorisch waardevolle boerderij geldt een norm van 2,4 parkeerplaatsen. Ten (zuid)westen van deze woning is hiervoor voldoende ruimte. Voor de recreatiewoningen wordt in de CROW-publicatie een parkeernorm van 2,1 parkeerplaatsen per recreatiewoning aangehouden. Hiertoe dient dan ook ruimte te worden gevonden voor in totaal 6,3 parkeerplaatsen. Het plangebied biedt hiertoe voldoende ruimte. Voor de beoogde kleinschalige horecafunctie ter plaatse wordt geen specifieke norm gesteld in de CROW-publicatie. Ingezet wordt ook voornamelijk op de fietsende voorbijganger. Niettemin dient rekening te worden gehouden met parkeerplaatsen, waarbij gerekend wordt met 2,4 parkeerplaatsen per 100 m² bvo (bedrijf, arbeidsintensief / bezoekersextensief). Met de bierbrouwerij à 165 m² en terras à 150 m² komt dit neer op 7,6 parkeerplaatsen. In totaal dient te worden voorzien in 17 (16,3) parkeerplaatsen. Op navolgende figuur is indicatief de beoogde parkeergelegenheid weergegeven.
Het plangebied biedt meer dan voldoende ruimte voor de benodigde parkeergelegenheid.
Figuur 11: Beoogde parkeergelegenheid
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 36 van 64 ontwerp 19 mei 2022
5.5
Water
5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.
De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van Waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem/ 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: Schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; De waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; De kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; De betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap: Keur, legger, communicatie en strimuleringsmiddelen. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 37 van 64 ontwerp 19 mei 2022
en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm.
De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
5.5.2 Watertoets Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt niet voorzien in nieuwe bebouwing. Voorzien wordt wel in een terras met een oppervlakte van 150 m². Op basis van de ‘Algemene regels Keur 2015’ geldt voor een dergelijke ontwikkeling een vrijstelling van het verbod voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. De gemeente geeft er de voorkeur aan om hemelwater te infiltreren op eigen terrein. Het plangebied biedt voldoende ruimte om hemelwater van de verharding te laten afvloeien om vervolgens te infiltreren op eigen terrein. Het terras kan ook iets worden verhoogd, met een bijvoorbeeld een infiltratiegoot over de
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 38 van 64 ontwerp 19 mei 2022
volledige lengte van het terras, waarmee al het extra hemelwater wat valt op dit terras, direct kan worden geïnfiltreerd op de bodem ter plaatse. 5.5.3 Afvalwater De toename van afvalwater zal minimaal zijn; enkel een plattelandswoning wordt toegevoegd en een drietal recreatiewoningen. Door de gemeente Oss wordt aangegeven dat in de buitengebied gebruik wordt gemaakt van mechanische riolering. Deze wordt aangelegd voor het inzamelen en transport van afvalwater (of wat daar naar aard en omvang gelijk aan is) en geen afvoer van afstromend hemelwater. Uitgangspunt hierbij is de capaciteit die gelijk wordt gesteld aan een maximaal debiet van 0,36 m³/h en dat vervolgens 10 uur per dag, geeft 3,6 m³ per dag. Vanuit de recreatiewoningen wordt afvalwater verwacht als gevolg van voornamelijk douchen en toiletgebruik en slechts sporadisch koken en afwassen. Gerekend wordt met circa 4 m³ per maand, per recreatiewoning. Voor drie recreatiewoningen wordt derhalve rekening gehouden met 12 m³ per maand, overeenkomende met circa 0,4 m³ per etmaal. Voor de extra wooneenheid binnen de cultuurhistorisch waardevolle boerderij wordt gerekend met een toename van circa 0,5 m³ per etmaal. Binnen de brouwerij worden toiletten gerealiseerd voor bezoekers. Hier zal naar schatting sprake zijn van een toename van circa 0,6 m³ per etmaal. Het afvalwater vanuit de bierbrouwerij is verwaarloosbaar.
Per brouwdag zal er 200 liter aan water worden gebruikt als spoelwater. Dit gebeurt 4 tot 6 maal per week. Hierbij wordt rekening gehouden met bezoekersdagen; op een drukke dag wordt niet gebrouwen. De (spoel)keuken, waar ook hapjes worden bereid, wordt voorzien van vetafscheider, waarbij geen vet wordt afgevoerd in de riolering. Gesteld kan worden dat de beoogde herontwikkeling met verwachte toename lozing van afvalwater geen negatief effect zal hebben op de bestaande riolering ter plaatse.
5.6 Defensie Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: -
Radarverstoringsgebieden;
-
Obstakelbeheergebieden;
-
Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen;
-
Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen.
Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 39 van 64 ontwerp 19 mei 2022
5.7 Milieuaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: -
Bedrijven en milieuzonering
-
Bodem
-
Externe veiligheid
-
Geurhinder: agrarisch
-
Geur: industrieel
-
Luchtkwaliteit
-
Straling
-
Weg-, spoor-, en industrielawaai
-
Gezondheid
-
Spuitzones
5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk of rustig buitengebied’: “Een rustige woonwijk is een woonwijk die is gericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.
Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.” De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De omgeving van het plangebied kan worden gezien als een ‘gemengd gebied’. Richtafstanden zoals aangegeven in de VNG-brochure kunnen dan ook met één afstandsstap verlaagd worden. Bedrijven in de omgeving van het plangebied Ten (noord)oosten van het plangebied is sprake van een maatschappelijke bestemming, alwaar de kerk is gesitueerd.
Een kerk valt volgens de VNG-brochure binnen de milieucategorie 2, waarvoor in een ‘gemengd gebied’ een vaste afstand van ten minste 10 meter aangehouden dient te worden tot een gevoelige functie. Tussen de maatschappelijke bestemming en het plangebied is sprake van een afstand van circa 8 meter. Echter, de daadwerkelijke kerkelijke activiteiten bevinden zich op grotere afstand van het plangebied. De kerk zelf is gelegen op een afstand van bijna 50 meter tot het plangebied. Gevoelige
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 40 van 64 ontwerp 19 mei 2022
functies binnen het plangebied bevinden zich ook op nog grotere afstand van de kerk. Deze maatschappelijke functie vormt van ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling. Aan Maasdijk 61 is sprake van een agrarisch bedrijf met een recreatieve nevenfunctie. Ter plaatse is sprake van vakantiewoningen, een multifunctionele ruimte, een theehuis en een terras. Tevens is sprake van een beroep aan huis in de vorm van een fotostudio. De meest dicht bij het plangebied gelegen activiteiten betreffen een vakantiewoning, een parkeerterrein en terras. Het terras en parkeerterrein vallen binnen de milieucategorie 2, waarvoor in een ‘gemengd gebied’ een afstand van ten minste 10 meter aangehouden dient te worden tot een gevoelig object. Een vakantiewoning is in de VNG-brochure niet nader gedefinieerd maar kan gelijk worden gesteld aan ‘hotels en pensions’. Dit valt binnen de milieucategorie 1 waarvoor in een ‘gemengd gebied’ een vaste afstand geldt van 0 meter. Alle functies binnen de locatie Maasdijk 61 zijn gelegen op grotere afstand van het plangebied en vormen derhalve geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling ter plaatse van het plangebied. Bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied Andersom worden binnen het plangebied nevenfuncties toegestaan waarbij rekening dient te worden gehouden met de omgeving.
Ter plaatse van het plangebied wordt reeds een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan binnen de milieucategorie 2. De beoogde kleinschalige horecafunctie valt eveneens binnen de milieucategorie 2. De beoogde recreatiewoningen vallen binnen de milieucategorie 1. De beoogde nevenfuncties zijn daarmee dan ook altijd minder milieubelastend dan het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf. De ambachtelijke bierbrouwerij is reeds kleinschalig toegestaan binnen de bestaande agrarische bestemming als nevenactiviteit. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt deze vergroot tot een oppervlakte van maximaal 165 m². Aan een volwaardige bierbrouwerij wordt conform de VNG-brochure een milieucategorie 4.2 toegekend (SBI-code 1105). De maatgevende factor hiervoor is de factor Geur, waarvoor in een ‘gemengd gebied’ in principe een afstand aangehouden dient te worden van minimaal 200 meter tot een gevoelig object. Echter, de beoogde activiteit binnen het plangebied is niet te vergelijken met een bierbrouwerij zoals bedoeld in de VNG-brochure. Er wordt slechts op kleine schaal gebrouwen. Enkel tijdens het verwarmen/koken komt geuremissie vrij, gedurende een proces van circa 4 uur, gemiddeld 4 tot 6 maal per maand. Echter, zal de beoogde installatie zijn uitgerust met een condensor, welke de geur afvangt en afvoert naar het riool.
Geen sprake zal dan ook zijn van geur- of fijnstofuitstoot. Ook geluidemissie zal zeer minimaal zijn. Met een akoestisch onderzoek industrielawaai is aangetoond dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor geluid. Gebruik wordt voornamelijk gemaakt van eigen grondstoffen dan wel grondstoffen uit de omgeving. Afvalstoffen blijven eveneens op eigen terrein. Het aantal transportbewegingen zal dan ook zeer minimaal zijn. De bedrijfsactiviteiten komen meer overeen met de activiteiten van ‘vervaardiging van wijn ,cider, e.d.’ (SBI-code 1102 t/m 1104), wat wordt gezien als milieucategorie 2. Gesteld kan dan ook worden dat de ambachtelijke bierbrouwerij zodanig weinig milieueffect heeft, dat dit geen belemmering vormt voor gevoelig objecten in de omgeving. De beoogde plattelandswoning bevindt zich binnen de zelfde bebouwing als de bierbrouwerij. Nauwelijks sprake zal zijn van milieueffecten afkomstig van deze activiteit, zoals hiervoor omschreven. Slechts enkele malen per maand wordt er geproduceerd, waarbij nauwelijks milieuhinder kan worden ondervonden. Bovendien gebeurt het productieproces door bewoner van de plattelandswoning zelf. Bewoner van de plattelandswoning zal dan ook geen hinder ondervinden. Conclusie Het aspect Bedrijven en Milieuzonering vormt geen belemmering.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 41 van 64 ontwerp 19 mei 2022
5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Ter plaatse van het plangebied is reeds verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde onderzoek: “Resultaten NEN5740 Tijdens het veldwerk is een meest zwakke bijmenging van met name baksteen aangetroffen in de bodem tot 0,70 m-mv. In het mengmonster BG1 van de bovengrond ter plaatse van de bovengrondse dieseltank is geen gehalte aan minerale olie gemeten boven de achtergrondwaarde. In het grondwater van peilbuis 1a is geen gehalte aan minerale olie gemeten boven de streefwaarde. In het mengmonster BG2 van de baksteen en plastichoudende bovengrond zijn gehaltes aan minerale olie, zware metalen, PAK en OCB’s gemeten boven de achtergrondwaarden. Het gehalte aan minerale olie is verhoogd boven de tussenwaarde en vormt aanleiding voor aanvullend onderzoek.
De verhoogde gehaltes zijn gerelateerd aan de waargenomen bijmengingen en het gebruik van het terrein door de jaren heen. In het mengmonster BG3 van visueel schone bovengrond zijn gehaltes aan zware metalen en PAK gemeten boven de achtergrondwaarden. De aangetoonde concentraties vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In het mengmonster BG4 van baksteenhoudende bovengrond zijn gehaltes aan PCB’s, PAK en zware metalen gemeten boven de achtergrondwaarden. De aangetoonde concentraties vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In het mengmonster OG1 van de zintuiglijk schone ondergrond zijn gehaltes aan zware metalen gemeten boven de achtergrondwaarden. De aangetoonde concentraties vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 6 is een gehalte aan barium gedetecteerd boven de streefwaarde. De verhoging is toe te schrijven aan natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde en vormt geen aanleiding voor nader onderzoek. Resultaat aanvullend onderzoek BG2 Uit aanvullend onderzoek van mengmonster BG2 naar het gehalte aan minerale olie blijkt dat in beide deelmonsters geen gehalte aan minerale olie is gemeten boven de achtergrondwaarde. De resultaten vormen geen aanleiding voor nader onderzoek.
Resultaten verkennend asbestonderzoek druppelzone Tijdens inspectie van maaiveld en gaten is geen asbestverdacht plaatmateriaal visueel waargenomen. Analyse heeft derhalve niet plaatsgevonden. In het geanalyseerde grondmengmonster mm1 is hechtgebonden asbest aangetroffen. Het gewogen gehalte aan asbest bedraagt 16 mg/kgds. Deze concentratie vormt geen aanleiding voor nader onderzoek of bodemsanering. Conclusie en advies De resultaten van het onderzoek stemmen niet geheel overeen met de gestelde hypotheses. De resultaten vormen echter geen aanleiding voor het aanpassen van de onderzoeksstrategie. De locatie is, behoudens de onderzochte druppelzone, onverdacht op aanwezigheid van asbest in bodem. Op basis van het verrichte bodemonderzoek bestaat geen belemmering voor de bestemmingswijziging en herontwikkeling van de locatie.” Aanvullend hierop heeft Bodeminzicht geconstateerd dat ter plaatse van de mogelijke druppelzone in het verleden sprake was van dakgoten. Geconcludeerd kan worden dat geen sprake is van een asbestverdachte druppelzone. Ter verduidelijking is een fotoblad toegevoegd aan het uitgevoerde
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 42 van 64 ontwerp 19 mei 2022
bodemonderzoek welke als bijlage is bijgevoegd. Hieruit blijkt dat sprake was van goten en hemelwaterafvoer ten tijde van de asbesthoudende dakplaten. Het uitgevoerde onderzoek (Bodeminzicht, verkennend bodemonderzoek Sint Jansstraat 1 te Neerlangel, projectnummer B2840, versie 4, d.d. 2 mei 2022) is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. Een nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. 5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: -
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
-
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
-
het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt.
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 43 van 64 ontwerp 19 mei 2022
Toetsing plangebied Inleiding Navolgend is een uitsnede weergegeven van de regionale veiligheidskaart met daarop de mogelijke transportlijnen en -leidingen, inrichtingen en risicocontouren inzichtelijk gemaakt. Het plangebied is hierbij weergegeven in de zwarte cirkel.
Figuur 12: Uitsnede kaart externe veiligheid (Bron: atlasleefomgeving.nl)
Inrichtingen Het meest dicht bij het plangebied gelegen bedrijf waar sprake is van gevaarlijke stoffen, is gelegen op een afstand van circa 840 meter ten oosten van het plangebied. Op zodanig grote afstand kan worden gesteld dat geen sprake kan zijn van beïnvloeding. Vervoer over de weg De meest dicht bij het plangebied gelegen weg waarover gevaarlijke stoffen vervoerd kunnen worden betreft de A50, gelegen op een afstand van circa 1,8 kilometer ten oosten van het plangebied. Op zodanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatshebben. Vervoer over het water Het plangebied is gelegen op een afstand van ruim 200 meter vanuit de Maas, een Basisnetbinnenvaartroute. De Maas is gecategoriseerd als zware vaarroute. Dit betekent: -
er is geen sprake van plaatsgebonden risico-contouren op de oever.
-
het invloedsgebied is 1.070 meter, gebaseerd op het vervoer van toxische stoffen.
Binnen 200 meter dient extra aandacht te worden besteed aan de verantwoording van het groepsrisico. Met een afstand van ruim 200 meter tussen het plangebied en de Maas is dit aspect hierbij dan ook niet aan de orde. Vervoer over het spoor Het plangebied is gelegen op een afstand van bijna 900 meter vanuit het spoortracé Tilburg – Nijmegen, waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Het plangebied is daarmee gelegen binnen het invloedsgebied van 3 kilometer. Over de spoorweg Tilburg – Nijmegen worden veel brandbare vloeistoffen vervoerd (o.a. benzine, diesel, LPG) en in mindere mate toxische stoffen (acrylnitril). Het spoortraject Tilburg – Nijmegen heeft geen PR10-6 contour. Bij ruimtelijke besluiten binnen een invloedsgebied dient invulling gegeven te worden aan de verantwoordelijkheid van het groepsrisico. In de ‘Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Oss’ zijn daarvoor planologische kaders gegeven welke zijn afgestemd op de kans dat een groep mensen in een gebied betrokken raakt bij een incident met gevaarlijke stoffen. De kaders zijn gebaseerd op een zone indeling, gebaseerd op de reikwijdte van effecten van incidenten met gevaarlijke stoffen. Door het volgen van deze zone indeling wordt door
St. Jansstraat 1 Neerlangel – 2022, pag. 44 van 64 ontwerp 19 mei 2022
middel van ruimtelijke scheiding de externe veiligheid geborgd. In navolgende tabel is de zone-indeling uit de ‘Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Oss’ weergegeven. Zone indeling voor spoor- en rijkswegen Zones Grootte (vanaf de rand van de bron) I 0-30 meter II 30-200 meter III 200-300 meter IV >300 meter Het plangebied valt met een ligging van bijna 900 meter binnen zone IV. Hier geldt een standaard verantwoordingsplicht. Binnen deze zone wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied zijn geen functies uitgesloten, bescherming wordt geboden door ‘ramen en deuren te sluiten’. Schuilen binnen bouwwerken biedt dan de beste wijze van zelfredzaamheid. Door Brandweer Brabant-Noord is een advies gegeven op onderhavige ontwikkeling. Het advies is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.