Bijlage 8 bij toelichting - Locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Tekst van het document
Project:
Osseweg 38a Berghem
Onderwerp: Kenmerk: Auteurs:
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen wil/R202444/2401d J. Wildschut
Datum:
24-9-2024
Bijlagen:
-
1.
Adromi B.V. Reeweg 146 3343 AP Hendrik-Ido-Ambacht T 078 – 684 55 55 F 078 – 684 55 59 algemeen@adromi.nl www.adromi.nl
Inleiding
Onderhavige notitie is opgesteld in opdracht van Van Wanrooij Projectontwikkeling B.V. met betrekking tot het ontwerp bestemmingsplan “Osseweg 38a Berghem” (21 november 2023). Dit ontwerpbestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van nieuwe woningen tussen Berghem en Oss, tegen de westelijke komgrens van Berghem aan. Er is een zienswijze ingediend, waarin wordt aangegeven dat gevreesd wordt voor mogelijk toekomstige beperkingen ten aanzien van de agrarische exploitatiemogelijkheden van de gronden grenzend aan het plangebied voor wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. 1.1. Nieuwe regelgeving Op onderhavige procedure is, overeenkomstig artikel 4.4 van de Invoeringswet omgevingswet, nog de Wet ruimtelijke ordening van toepassing. Echter vanuit oogpunt van goede ruimtelijke ordening wordt in onderhavige notitie ook ingegaan op de Omgevingswet. 1.2. Locatiespecifiek onderzoek Met onderhavige notitie wordt in het licht van de jurisprudentie nader beoordeeld of in het kader van de goede ruimtelijke ordening het voorgestelde plangebied kan worden gerealiseerd waarbij rekening wordt gehouden met de door de ondernemer ingeroepen spuitzone. Daarbij dient in feite antwoord te worden gegeven op de volgende vragen. -
Milieuspoor: Worden bestemde rechten van omliggende bedrijven mogelijk aangetast door deze ontwikkeling? Ruimtelijk ordeningsspoor: Kan worden voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat?
Dit in het kader van de beoordeling of sprake is van goede ruimtelijke ordening (artikel 3.1, lid 1 Wet ruimtelijke ordening) c.q. een evenwichtige toekenning van functies aan locaties (artikel 2.1 lid 3 onder k van de Omgevingswet). 1.3. Drift, gezondheid, aandachtsafstanden In het kader van de goede ruimtelijke ordening c.q. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook het gezondheidsaspect in de beschouwing te worden betrokken.
Adromi B.V.
Pagina 1 van 29
Uit rechtspraak op grond van de Wet ruimtelijke ordening volgt dat in het kader van de goede ruimtelijke ordening per situatie dient te worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar risico op blootstelling aan drift (d.w.z. onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen buiten het behandelde perceel via de lucht). In deze rechtspraak wordt een aandachtszone geformuleerd van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt1. Indien een kortere afstand wordt aangehouden tussen een gevoelige functie en gronden waar sprake kan zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, dan dient een besluit, waarmee een nieuwe functie aan een locatie wordt toegekend, volgens genoemde rechtspraak te voorzien in een deugdelijke motivering middels een zogenaamd ‘locatiespecifiek onderzoek’. Een reguliere aanwezigheid in de buitenlucht dient hierbij als het bepalende blootstellingsscenario te worden beschouwd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in de tuin bij een woning (verblijf op een terras, spelende kinderen etc.).
Blootstelling in een gebouw is niet bepalend, omdat inpandige blootstelling via lucht en bijvoorbeeld huisstof zeer gering is ten opzichte van dermale blootstelling (blootstelling van de huid aan druppeldrift) en/of orale blootstelling (hand-mond bewegingen, in de mond steken van blootgestelde objecten, met name relevant voor kleine kinderen). Onderhavige onderzoeksnotitie beoogt te voorzien in genoemd locatiespecifiek onderzoek ter onderbouwing dat een kortere afstand dan 50 meter als ruimtelijk aanvaardbaar kan worden beschouwd. In deze notitie wordt enkel het professionele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beschouwd in bedrijfsmatige context. Particulier gebruik en professionele inzet van gewasbescherming in niet agrarisch cq. openbaar gebied (zoals op laanbomen, parkvegetatie, sportvelden, natuurgebieden en begraafplaatsen) is niet beschouwd. 1.4. Representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden Op basis van rechtspraak dient bij het bepalen van de invloed van bedrijfsmatige activiteiten op het woon- en leefklimaat, waaronder ook de invloed van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale functiemogelijkheden die het Omgevingsplan biedt2.
Deze invulling dient representatief te zijn in die zin dat in principe geen rekening hoeft te worden gehouden met een ingrijpende, of anderszins niet voor de hand liggende, omschakeling in de bedrijfsactiviteiten. De invulling dient daarentegen maximaal te zijn in relatie tot de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Idem dient rekening te worden gehouden met een maximale invulling van de beoogde gevoelige functies.
1 2
ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855 Zie ABRvS 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2439, ov. 82.3
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 2 van 29
Doel van deze aanpak is een worstcase benadering waarbij rekening wordt gehouden met toegelaten exploitatiemogelijkheden zonder dat dit mag leiden tot een woon- en leefklimaat dat niet aanvaardbaar is, gelet op hiermee mogelijk samenhangende gezondheidseffecten (ook op de lange termijn).
2.
Locatie en omgeving
2.1. Bestaande situatie Verwezen wordt naar afbeelding 1. Zoals aangegeven is sprake van een ontwikkeling tussen de kernen Berghem en Oss. Het plangebied grenst aan de zuidzijde aan de Osseweg en aan de oostzijde aan een fietspad langs de bestaande woningen Het Reut. De nieuwe woningen zullen ontsluiten via de Osseweg en ook aansluiten op dit fietspad. In noordelijke richting is sprake van agrarische gronden, aan de oost- en zuidzijden is sprake van stedelijke functies. Aan de westzijde is sprake van ruigte met een wandelpad.
Afbeelding 1: locatie (rood omcirkeld) en omgeving (bron: OpenStreetMap)
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 3 van 29
Afbeelding 2: luchtfoto met daarin het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
In de huidige situatie is ter plaatse een sportcomplex met parkeerterrein aanwezig. 2.2. Planologische situatie In de huidige situatie gelden voor de planlocatie en de relevante agrarische gronden via het Omgevingsplan Oss nog het bestemmingsplan ‘Zone Oss – Berghem 2017’ en het ‘Parapluplan Wonen 2023’. Deze laatste regeling is in onderhavige context niet relevant. 2.2.1. Plangebied In dit bestemmingsplan is het plangebied kort gezegd bestemd voor sport – sporthal en een bijbehorend parkeerterrein. Er is ten behoeve van de sporthal(len) een bouwvlak ingetekend. In de beoogde situatie is voorzien van woonbestemmingen met bijbehorende verkeersbestemming voor ontsluiting en groenbestemming voor inkleding van het plangebied. De groenbestemming en de verkeersbestemming zijn tevens bedoeld voor speelvoorzieningen, markten, terrassen en evenementen. 2.3. Agrarische gronden De betrokken agrarische gronden zijn aangeduid voor ‘Agrarisch met waarden – landschap’. De gronden zijn bestemd voor -onder meer- bedrijfsmatig en hobbymatig agrarisch grondgebruik, natuurbeheer en natuureducatie, speelvoorzieningen en extensief recreatief medegebruik.
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 4 van 29
Teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend toegelaten in de vorm van leipalen tot een hoogte van 3 meter. Verwezen wordt naar afbeelding 3.
Afbeelding 3: uitsnede bestemmingsplan ‘Zone Oss – Berghem 2017’ plangebied ‘Osseweg 38a’ rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
2.3.1. Basisregistratie Via de Basisregistratie Gewaspercelen kan een indruk worden verkregen van agrarische teelten in de omgeving. In 2023 is voor het perceel ten westen van het plangebied geen teelt geregistreerd; dit perceel is zoals aangegeven ingericht als natuur met een wandelpad. Ten noorden is sprake van tijdelijk grasland. Overige agrarisch bestemde gronden bevinden zich op een grotere afstand dan 50 meter. Verwezen wordt naar afbeelding 4. In de verdere omgeving is overwegend sprake van akkerbouw en beperkt van tuinbouw.
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 5 van 29
Afbeelding 4: uitsnede basisregistratie gewaspercelen (bron: PDOK)
2.3.2. Perceel ten noorden De agrarische gronden ten noorden van het plangebied zijn in eigendom bij een gemengd agrarisch bedrijf (akkerbouw en veeteelt). Het betrokken perceel is door de jaren heen gebruikt voor de teelt van maïs en als grasperceel. Mede gelet op de bestaande bedrijfsvoering wordt geen rekening met een omschakeling van de agrarische exploitatie3 naar bijvoorbeeld tuinbouw, sierteelt of fruitteelt. De huidige bedrijfsvoering is immers qua materieel, logistiek en expertise niet gericht op dergelijke teelten. In de omgeving is evenmin sprake van agrarische bedrijven die zijn gericht op tuinbouw, sierteelt of fruitteelt. In lijn daarmee behoeft geen rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat andere agrarische bedrijven het betrokken perceel op andere wijze in hun bedrijfsvoering zouden kunnen betrekken.
3
Zie o.m. ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:869, ov. 4.3, ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524 alsook ABRvS 15 juni 2022, ECLI:RVS:2022:1692.
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 6 van 29
2.3.3. Perceel ten westen De gronden gelegen aan de westzijde van het plangebied zijn zoals aangegeven voorzien van een agrarische bestemming welke ook natuur en recreatie toelaat. Deze gronden zijn in eigendom bij de gemeente Oss die op het perceel de natuur en het wandelpad heeft gerealiseerd. De gemeente Oss heeft verklaard niet voornemens te zijn deze bestaande natuurinrichting te transformeren naar een agrarische exploitatie. Blijkens de Structuurvisie Oss 2020 (tot 2040) is ter plaatse een groene ruimte beoogd tussen de kernen Oss en Berghem. De huidige inrichting is overeenkomstig het beleid zoals vastgelegd in de Structuurvisie. Verwezen wordt naar afbeelding 5.
Afbeelding 5: Uitsnede Structuurvisie Oss – zone Oss – Berghem (bron: gemeente Oss)
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 7 van 29
2.4. Water Gelet op de ontoereikende mogelijkheden die de landelijke voorziening omgevingswet.overheid.nl biedt om een overzicht te bieden van het geldende Leggerbesluit, is gebruik gemaakt van de leggerkaart op de website van het Aa en Maas. Verwezen wordt naar afbeelding 6. Blijkens deze leggerkaart is geen sprake van beschermde watergangen. Er is op de grens met de agrarische gronden ook geen sprake van watervoerende watergangen. Enkel op momenten dat de watergang watervoerend is, zou langs deze watergang een zogenaamde teeltvrije zone moeten worden aangehouden (zie verder paragraaf 3.2.1 en 3.2.2). De locatie is niet gelegen in grondwaterbeschermingsgebied, zodat op die grondslag geen aanvullende beperkingen gelden bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Afbeelding 6: uitsnede leggerkaart, locatie rood omcirkeld (bron: Waterschap Aa en Maas)
2.5. Conclusie agrarische exploitatie Gelet op het voorgaande is sprake van een brede agrarische bestemming. Het perceel ten westen is in gebruik voor natuur en recreatie binnen de parameters van deze brede agrarische bestemming. Op deze gronden wordt geen rekening gehouden met relevant gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Op het perceel ten noorden is sprake van grasland en akkerbouw. Gelet op het bekende agrarische gebruik door de jaren heen alsook het feit dat er in de omgeving evenmin sprake is van boomteelt of boomgaarden, wordt teelt in de vorm van akkerbouw en vergelijkbare eenjarige/laagblijvende teelt als
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 8 van 29
representatief beschouwd voor dit perceel. Met andere woorden wordt hier geen rekening gehouden met teelten waarbij sprake zal kunnen zijn van zijwaarts en opwaarts spuiten.
3.
Regelgeving
3.1. Biocidenverordening Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt gereguleerd door Verordening 528/2012/EU (hierna ook: de Biocidenverordening). In deze Verordening is bepaald dat alleen gewasbeschermingsmiddelen op de Europese markt mogen worden toegelaten waarvan voldoende is vastgesteld dat deze geen gevaar vormen voor de volksgezondheid. Op basis van artikel 5 van de Verordening worden een aantal categorieën van gevaarlijke stoffen verboden voor toepassing in gewasbeschermingsmiddelen. In de Verordening zijn verder goedkeuringsprocedures en testmethoden vastgelegd, welke zijn gebaseerd op algemeen in de wetenschap aanvaarde toxicologische uitgangspunten. Daarnaast is in de Verordening bepaald dat periodieke herziening dient plaats te vinden van toegelaten middelen. Naast de bescherming van de volksgezondheid heeft de Verordening ook ten doel om dieren en het milieu te beschermen. Voor wat betreft het aspect volksgezondheid wordt naast blootstelling via consumptie ook blootstelling bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen beoordeeld, zowel voor betreft toepassers als voor omwonenden, waaronder mensen met een bijzondere kwetsbaarheid (artikel 19 en punt 24 van bijlage VI van de Verordening). Voor wat betreft die laatste groep wordt de bescherming van zwangeren en kleine kinderen concreet benoemd (punt 3 van de considerans van de verordening).
De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden betreft de uitwerking van de Biocidenverordening. Krachtens deze wet is het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) ingesteld. Het Ctgb beoordeelt volgens internationale afspraken en de in genoemde Verordening verankerde criteria of gewasbeschermingsmiddelen en biociden – bij juist gebruik – veilig zijn voor mens, dier en milieu en of ze werkzaam zijn. Op grond van deze beoordeling besluit het college of een middel in Nederland verkocht en gebruikt mag worden. Daarbij stelt het ook duidelijke voorschriften verplicht, die minimaal op het etiket moeten staan (het zogenaamde wettelijk gebruiksvoorschrift). Het gebruiksvoorschrift schrijft niet alleen de toepassingswijze voor (professioneel en/of particulier gebruik, aantal toepassingen per jaar, toepassingsintervallen, veiligheidstermijn – d.w.z. minimale termijn tussen toepassing en oogst etc.), maar hierin is ook aangegeven voor welke doelstellingen en voor welke teelten een middel mag worden ingezet.
Relevant daarbij is dat een beoordeling aan de hand van de Biocidenverordening ervan uitgaat dat een gewasbeschermingsmiddel geen gevaar voor de volksgezondheid mag opleveren, zonder dat hiervoor aanvullende maatregelen zouden moeten worden getroffen in de vorm van afscherming o.i.d., aangezien in de toelatingsprocedure een reëel, worst case gebruikspatroon dient te worden aangehouden (zie artikel 19, lid 2a van de Verordening).
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 9 van 29
Bij toelating (en bij periodieke herbeoordeling) wordt een gewasbeschermingsmiddel op alle gezondheidsrisico’s beoordeeld4, ook gezondheidsrisico’s op de lange termijn (artikel 19, lid 1 onder b ten iii van de Verordening). In ieder geval wordt getoetst op neurotoxiciteit en immunotoxiciteit (artikel 19, lid 4 onder e van de Verordening) en eventuele hormoonontregelende eigenschappen (bijlage 2 onderdeel 1, 8.9.4 van de Verordening). Verder wordt getoetst op cumulatieve en synergetische effecten (artikel 19, lid 2 onder d van de Verordening). Voorgaande betekent dat in maatschappelijk opzicht geen rekening behoeft te worden gehouden met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen welke volgens algemeen aanvaarde toxicologische normen en op basis van beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis als schadelijk voor de volksgezondheid mogen worden beschouwd bij toepassing volgens het gebruiksvoorschrift. Dit is anders in de context van de Nederlandse ruimtelijke ordening, aangezien de Afdeling bestuursrechtspraak het beoordelingskader van de Biocidenverordening voor de ruimtelijke ordening als niet toepasbaar heeft aangemerkt. Verwezen wordt naar paragraaf 6.1. 3.2. Aanvullende regelgeving Zoals beschreven vormt de Europese Biocidenverordening het wettelijke kader voor de bescherming van de volksgezondheid.
Aangezien de Biocidenverordening stelt dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen al vanaf de rand van een teeltperceel geen nadelen mag opleveren voor de volksgezondheid zonder extra maatregelen zoals afscherming, is geen sprake van een afstand welke (aanvullend) aangehouden zou moeten worden tot gevoelige functies op buurpercelen. Dit is evenmin voorgeschreven in het Omgevingsbesluit of in het van toepassing zijnde Omgevingsplan, nu de Nederlandse wetgever gekozen heeft voor hogere eisen aan driftreductie als maatregel in de zin van de artikelen 11 en 12 van richtlijn 2009/128/EU (in plaats van bijvoorbeeld extra afstand). De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is inmiddels vervangen door de Omgevingswet en het daarop gebaseerde Besluit activiteiten leefomgeving. In het onderstaande wordt nader ingegaan op zowel de oude als de geldende Nederlandse regelgeving. Op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (oud) en het daarop gebaseerde Activiteitenbesluit milieubeheer (oud) was sprake van aanvullende ecologische bescherming door het aanhouden van zogenaamde teeltvrije zones langs oppervlaktewater. Deze bepalingen zijn vrijwel ongewijzigd overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving dat is gebaseerd op de Omgevingswet. Hierbij is evenwel gespecificeerd dat bepaalde bepalingen zijn bedoeld ter bescherming van zowel ecologie als volksgezondheid.
4
De Biocidenverordening is daarbij bedoeld om de menselijke gezondheid als zodanig te beschermen, niet als een regeling om bij toelating van middelen de beoordeling te beperken tot in de verordening opgenomen beoordelingscriteria, zie HvJ 24 april 2024, ECLI:EU:C:2024:356 ov. 78 e.v.
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 10 van 29
3.2.1. Activiteitenbesluit milieubeheer (oud) In artikel 3.78a, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer was vastgelegd dat in ieder geval een driftreductie moet worden bereikt van 75%, bepaald volgens Meetprotocol voor het vaststellen van de driftreductie van neerwaartse en op- en zijwaartse spuittechnieken, versie van 1 juli 2017 (artikel 3.78a, lid 2 Activiteitenbesluit milieubeheer jo. artikel 3.81 Regeling omgevingsrecht - Rarim)5. Op grond van het Activiteitenbesluit werden aanvullende beperkingen gesteld aan de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op korte afstand van oppervlaktewater, in de vorm van een teeltvrije zone en aanvullende driftreducerende technieken. Uitgaande van artikel 3.80 van het Activiteitenbesluit milieubeheer diende te worden uitgegaan van een teeltvrije zone van 50 centimeter tot 5 meter, afhankelijk van de teelt en de gehanteerde driftreducerende techniek. Voor handmatige spotsgewijze onkruidbestrijding met afscherming (kap) gold in principe geen teeltvrije zone. In principe was toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid van meer dan 5 m/s niet toegelaten. 3.2.2. Besluit activiteiten leefomgeving In artikel 1.3 van de Omgevingswet is onder meer vastgelegd dat deze wet ten doel heeft om een gezonde fysieke leefomgeving te behouden en te bereiken.
In artikel 4.723c van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is aangegeven dat ten minste een driftreducerende techniek dient te worden toegepast van 75%. In het artikel is voor verschillende teelten een referentietechniek opgenomen ten opzichte waarvan deze driftreductie dient te worden bepaald. In artikel 4.723d Bal zijn teeltvrije zones opgenomen langs watergangen welke afhankelijk van de teelt en de gebruikte driftreducerende techniek 50 cm tot 5 meter breed dienen te zijn. De artikelen 4.723f en 4.723g bevatten uitzonderingen hierop, bijvoorbeeld in de vorm van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen met een afgeschermde dop. In artikel 4.723e Bal is bepaald dat niet mag worden gespoten bij een windsnelheid groter dan 5 m/s, met uitzondering van teeltbedreigende situaties of bij inzet van een overkapte beddenspuit. De regeling ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen is primair bedoeld ter bescherming van het waterleven. De artikelen 4.723c (driftreductie) en 4.723e (spuiten bij lage windsnelheden) zijn mede bedoeld ter bescherming van de menselijke gezondheid. 3.2.3. Overig Als een bedrijf geen relevante bestrijdingsmiddelen zou toepassen (uitsluitend middelen op basis van zogenaamde laag risico stoffen6 c.q. een alternatieve bestrijding van plagen), dan vormt het aspect 5
Door toepassing van bijvoorbeeld een tunnelspuit, een dwarsstroomspuit of axiaalspuit met schermen aan de installatie zelf of driftarme doppen. Het Activiteitenbesluit bevat op dit punt een aanvullende regeling voor wat betreft de toe te passen spuitdoppen (artikel 3.83, lid 4 Activiteitenbesluit milieubeheer). 6 Gewasbeschermingsmiddel dat blijkens toelating voldoet aan de criteria van bijlage II, punt 5 van Verordening EU/1107/2009.
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 11 van 29
volksgezondheid geen punt van aandacht. Echter in het kader van deze notitie dient het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als maximale representatieve invulling van de planologische mogelijkheden te worden beschouwd. Relevant hierbij is verder dat zogenaamde biologische gewasbeschermingsmiddelen7 net zo goed toelating van het Ctgb nodig hebben voor professionele toepassing, waarbij voor die middelen eveneens maximaal acceptabele blootstellingsnormen gelden. Bij bedrijfsmatige toepassing van gewasbeschermingsmiddelen dient te worden voldaan aan het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierbij geldt verder dat bepaalde gewasbeschermingsmiddelen enkel voor professionele toepassingen zijn toegelaten en niet voor huis-, tuin- en keukengebruik. In een dergelijke hobbymatige context zal verder hoogstens sprake zijn van spotsgewijze/handmatige bespuitingen, niet van integrale machinale behandeling van een perceel (rij- of vlakbehandeling met een spuitmachine). 3.3. Conclusies milieuregelgeving 3.3.1. Mate van bescherming In de Biocidenverordening is geen verminderde bescherming vastgelegd voor bepaalde situaties of omstandigheden. De Verordening kent de volgende beschermingscategorieën: - Consumenten (het gebruik van voorwerpen en het nuttigen van agrarische producten); - Toepassers (agrariërs, loonbedrijven, hoveniers en particulier gebruik); - Omwonenden (blootstelling aan drift).
Omwonenden worden gelijkelijk beschermd door de Verordening, ongeacht de status of functie van het verblijf of de reden van blootstelling. De Verordening kent geen groepen van mensen aan wie een verminderde bescherming toekomt, maar hanteert enkel het uitgangspunt dat de blootstelling van kwetsbare groepen normbepalend is (artikel 19, lid 1b onder iii van de Verordening). De vraag of omwonenden wonen in een woning die hoort bij het bedrijf zelf waar gewasbescherming wordt toegepast, dan wel bij een ander agrarisch bedrijf (waar al dan niet gewasbescherming wordt toegepast) of in een zorgboerderij zonder agrarische bestemming maakt geen verschil voor de mate van bescherming waar deze bewoners/gebruikers aanspraak op hebben krachtens de Biocidenverordening. Hetzelfde geldt voor medewerkers van een bedrijf. Aan deze medewerkers komt eenzelfde bescherming toe, ongeacht of sprake is van medewerkers van een agrarisch bedrijf of een ander bedrijf en ongeacht of sprake is van een agrarisch bedrijf waar ook gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast8.
7
Een biologisch gewasbeschermingsmiddel kan chemisch identiek zijn aan een regulier beschermingsmiddel. Enig verschil is dat het middel en de daarin aanwezige werkzame stoffen een biologische oorsprong hebben en niet zijn gesynthetiseerd. 8 De uitspraak ABRvS 202200246/1/R2 ov 10.2, kan dus niet de strekking hebben dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening rekening mag worden gehouden met een lager beschermingsniveau v.w.b. blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen voor bewoners van een agrarische bedrijfswoning cq. een plattelandswoning, aangezien dat in strijd zou zijn met de Biocidenverordening.
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 12 van 29
In dit kader is verder relevant dat ook functies met een relatief korte verblijfstijd worden beschermd door het Europese recht, zoals openbaar verblijfsgebied, zoals paden en pleinen9. Op grond van de milieuregelgeving is de bescherming tegen drift dus niet afhankelijk gesteld van de status of reden van de aanwezigheid in de nabijheid van percelen waar gewasbescherming kan worden toegepast. Evenmin is kortdurend verblijf noodzakelijkerwijs aanleiding om uit te gaan van verminderde bescherming. De milieuregelgeving houdt verder geen rekening met aantallen, d.w.z. dat aan één persoon evenveel bescherming toekomt als aan honderd personen. Het enige wat in het kader van planologische besluitvorming dus relevant kan zijn, is de vraag of een planologisch besluit ertoe leidt dat voorstelbaar is cq. niet kan worden uitgesloten dat zich veranderingen voordoen qua: - de verblijftijd van personen10; - de verbijfswijze (zoals binnen of buiten); - de kwetsbaarheid van personen (zoals woon- of werkomgeving, kinderen e.d.). 3.3.2. Gezondheidscriteria De methoden uit de milieuregelgeving, waarmee wordt vastgesteld of er een risico is voor de volksgezondheid mogen, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling, niet worden benut ter onderbouwing van planologische besluitvorming.
Door de Afdeling worden in het planologische kader ook maatschappelijke sentimenten beschouwd, bijvoorbeeld ten aanzien van ongemakken die omwonenden kunnen ervaren wanneer ze dicht op landbouwpercelen wonen, zoals geur en/of neerslag van deeltjes. Hier zijn geen gevalideerde modellen voor, want bij dat soort risico’s speelt het aspect gezondheid geen rol. Verwezen wordt naar paragraaf 4.1. 3.3.3. Evaluatie en herziening milieuregelgeving Gelet op de rapportages ingevolge artikel 18 van de Biocidenverordening van de Europese Commissie van 7 maart 201611 en 20 mei 202012, zijn er geen aanwijzingen dat al dan niet consumptieve
9
Zie artikel 12 en de considerans van richtlijn 2009/128/EU en zie ook het standpunt van de Europese Commissie blijkens ‘Proposal for a regulation on the sustainable use of plant protection products and amending Regulation (EU) 2021/2115, COM/2022/305 final, https://eur-lex.europa.eu/legalcontent/EN/TXT/?uri=CELEX:52022PC0305, geraadpleegd op 20 februari 2023. 10 In die strekking ook ABRvS 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1575 ov. 11.5.1 dat een fietspad vanwege korte verblijfstijd geen voor driftblootstelling relevante functie is. 11 Report from the commission on the sustainable use of biocides pursuant to Article 18 of Regulation (EU) No 528/2012 of the European Parliament and of the Council concerning the making available on the market and use of biocidal products, COM(2016) 151 https://health.ec.europa.eu/document/download/68a5733b-67b9-4727-a77db2df88b01afb_en?filename=2016_report_sustainableuse_biocides_en.pdf, geraadpleegd op 7 februari 2024 12 Report from the commission on the experience gained by Member States on the implementation of national targets established in their National Action Plans and on progress in the implementation of
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 13 van 29
blootstelling aan in de EU toegelaten gewasbeschermingsmiddelen13 gepaard gaat met risico’s voor de menselijke gezondheid, waaronder de gezondheid van kwetsbare groepen. De gezondheidsverkenningen van RIVM uit 201814 en 202015 ondersteunen de conclusie van deze evaluatie16, waarbij in de zogenaamde OBO rapportage van RIVM17 ook niet is gebleken van een grotere blootstelling dan waar bij goedkeuring van gewasbeschermingsmiddelen rekening mee is gehouden. Dat geen sprake is van gezondheidsrisico’s wordt ook onderschreven door Bundesinstitut für Risikobewertung - BfR18. Het is duidelijk dat de Nederlandse wetgever, in lijn met deze wetenschappelijke data, het beschermingsniveau van de Biocidenverordening als afdoende beschouwt, mede nu er overeenkomstig artikel 11 en 12 van richtlijn 2009/128/EU uit voorzorg hogere driftreductie verplicht is gesteld in Nederland. Zoals al gebleken is uit paragraaf 3.1, gelden er geen afstandseisen ten aanzien van het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen nabij driftgevoelige functies omdat bij toelating van middelen wordt uitgegaan van een hoog beschermingsniveau, waarbij een kwetsbare persoon als normpersoon worden aangehouden, gekoppeld aan worst case praktijkcondities. Bij de beoordeling en de herbeoordeling van middelen wordt uitgegaan van apparatuur die maximaal 50% driftreductie biedt.
De in Nederland verplicht gestelde minimaal verplichte 75% driftreductie vormt een extra voorzorgmaatregel. Er wordt al met al geen rekening gehouden met een relevant humaan restrisico bij toepassing van gewasbescherming overeenkomstig het Unierecht. Wel heeft de Europese Commissie het initiatief genomen om in het kader van de zogenaamde ‘Green Deal’ de ecologie beter te beschermen tegen gewasbeschermingsmiddelen. Gelet op het voorgaande is verder duidelijk dat de Europese en de Nederlandse wetgever de volksgezondheid beschermen via toelating van steeds veiliger middelen (en uitfasering van andere
Directive 2009/128/EC on the sustainable use of pesticides, COM(2020) 204 final, https://food.ec.europa.eu/document/download/e4380b91-8cca-4f0c-b5f4dd9d99692ec6_en?filename=pesticides_sud_report-act_2020_en.pdf geraadpleegd op 8 februari 2024 13 Relevant is te vermelden dat sommige lidstaten een lange opgebruiktermijn hebben gehanteerd voor gewasbeschermingsmiddelen die al lang onder de Biocidenverordening zijn verboden. Blijkens artikel L258-8 IV van de Code Rural hanteerde Frankrijk bijvoorbeeld een opgebruiktermijn tot 1 januari 2022. Dit betekent dat pas vanaf 1 januari 2022 de Biocidenverordening in volle omvang van toepassing is in Frankrijk, terwijl lidstaten zoals Nederland op basis van reeds voor de Biocidenverordening gehanteerd systeem van periodieke herbeoordeling al vrijwel direct alleen middelen toelieten die onder de Verordening waren (her)beoordeeld.
14 RIVM rapport 2018-0068, Gezondheidsverkenning omwonenden van landbouwpercelen, 2018 15 RIVM report 2020-0056, Health survey on people living in the direct vicinity of agricultural plots: additional analyses, 2020 16 Deze conclusies zijn niet geldig voor landen zoals Frankrijk welke na invoering van de Biocidenverordening een opgebruiktermijn hebben gehanteerd, zie hiervoor paragraaf 4.2 17 RIVM Rapport 2019-0052 Onderzoek Blootstelling Omwonenden (OBO) Bestrijdingsmiddelen en omwonenden Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten 18 Bfr, Fernab vom Feld: Gesundheitliche Beeinträchtigungen durch Abdriften von Pflanzenschutzmitteln sind unwahrscheinlich, Mitteilung Nr. 054/2020 des BfR vom 23. November 2020 zie: https://www.bfr.bund.de/cm/343/fernab-vom-feld-gesundheitliche-beeintraechtigungen-durch-abdriften-vonpflanzenschutzmitteln-sind-unwahrscheinlich.pdf (geraadpleegd op 1 juni 2023)
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 14 van 29
middelen) en via bronmaatregelen in de vorm van driftreductie19, niet via overdrachtsmaatregelen in de vorm van afstandseisen.
19
Voor diverse gewasbeschermingsmiddelen geldt bijvoorbeeld al een eis om aanvullende driftreductie toe te passen (meer dan 75%). Daarnaast kenden diverse waterschappen in met name de waterrijke gebieden subsidieregelingen voor de aanschaf van 99% driftreducerende spuitapparatuur. Hiervoor kan ook subsidie bij RVO worden verkregen: Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (https://www.rvo.nl/sites/default/files/202211/Lijst%20met%20investeringen-Investeringsregeling%20POP3%2B2022_0.pdf)
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 15 van 29
4.
Beoordeling gezondheidsaspecten
4.1. Verspreidings- en blootstellingsmodellen Als achtergrond bij onderhavige notitie is het volgende van belang. In de zaak Houten26 heeft de Afdeling overwogen dat in het kader van de ruimtelijke ordening geen gebruik mag worden gemaakt van extrapolatie van gegevens uit de zogenaamde PRI 2012 rapportage27, aangezien deze rapportage onvoldoende wetenschappelijke basis biedt als het gaat om het aspect driftverspreiding. In de zaak Wijchen heeft de Afdeling overwogen dat ook het nieuwe rapport PRI 201528 onvoldoende wetenschappelijke basis biedt voor wat betreft de verspreiding van drift29, nu dit weliswaar is gebaseerd op PRI 201430 maar voor het overige geen aanvullende brede wetenschappelijke basis biedt ten opzichte van PRI 2012. In de uitspraak Broedershof Neder-Betuwe31 heeft de Afdeling bevestigd dat gebruikmaking van het PRI 2015 rapport onvoldoende deugdelijk is voor de ruimtelijke ordening, ook al had in deze situatie adviesbureau SPAWNP bij de beoordeling van de driftblootstelling aanvullende voorzorgmarges ingebouwd voor wat betreft verspreiding van druppeldrift, afscherming door middel van een haag en cumulatieve effecten. Blijkens de uitspraak Asdonkterrein Beuningen32 accepteert de Afdeling bestuursrechtspraak de achterliggende toxicologische basis van het zogenaamde EFSA-OPEX model niet voor de ruimtelijke ordening.
In de uitspraken Lentsesteeg Rheden33, Heilig Kempke Lith34 en Slotstraat Opijnen35 en Bornerbroekseweg Enter36 is deze stellingname bevestigd. Redengeving van de Afdeling hierbij is de volgende. Het EFSA-OPEX model betreft het verspreidingsmodel dat is ontwikkeld door de European Food Safety Authority, wat in de EU wordt benut om de toelaatbaarheid gewasbeschermingsmiddelen te (her)beoordelen binnen de door de Biocidenverordening gestelde kaders. Het model kent ook erkenning buiten de EU, nu het ook in andere landen wordt gebruikt als referentie bij toelating van gewasbeschermingsmiddelen.
26
ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855 Plant Research International, Onderzoek naar driftblootstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Tholen, maart 2012, PRI rapport 441 28 Plant Research International, Driftblootstelling van omstanders en omwonenden bij de bespuiting van veldgewassen met een veldspuit, november 2015, PRI rapport 610 29 ABRvS 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1741 30 Plant Research International, Onderzoek naar driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen Project Skaeve Huse in de gemeente Nijmegen, mei 2014, PRI rapport 568 31 ABRvS 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3018 32 ABRvS 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023 33 ABRvS 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3387 34 ABRvS 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2959 35 ABRvS 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4523 36 ABRvS 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1599 27
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 16 van 29
Mede op basis van het advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak37, waarin wordt verwezen naar een briefrapport van RIVM38, komt de Afdeling bestuursrechtspraak in de uitspraak Asdonkterrein Beuningen tot de conclusie dat via een beoordeling waarbij gebruik gemaakt wordt van het EFSA-OPEX model geen sprake kan zijn van goede ruimtelijke ordening voor wat betreft gezondheidsrisico’s van driftblootstelling. De kanttekeningen die de Afdeling plaatst bij het EFSA-OPEX model hebben betrekking op wetenschappelijke onzekerheid over fysische uitgangspunten (de natuurkundige aspecten ten aanzien van de verspreiding van druppels, aerosolen en dampen door de lucht), toxicologische uitgangspunten (dosis en norm) en op de gebruiksfunctionaliteit van het model. Voor wat betreft fysische aspecten keurt de Afdeling het model af omdat sprake is van wetenschappelijke onzekerheid over in het model gehanteerde standaardwaarden: - Druppelverspreiding; - Nalevering van emissies door uitdamping na toepassing; - Drift ten gevolge van lange boombespuitingen. Voor wat betreft gebruiksfunctionaliteit keurt de Afdeling het model af omdat hiermee geen berekeningen kunnen worden uitgevoerd voor wat betreft: - Cumulatie; - De invloed van (hoge) gebouwen; - Het driftreducerende effect van een windhaag.
Vanwege de volgende toxicologische aspecten keurt de Afdeling het model af: - Wetenschappelijke onzekerheid over cumulatieve en geaggregeerde blootstelling aan stoffen. - De redenen waarom blootstelling en gezondheidsrisico’s van kinderen uit de leeftijdscategorie 1 tot 3 jaar representatief zijn voor mensen met een bijzondere kwetsbaarheid zijn niet overtuigend. Voor de goede orde zij vermeld dat in deze context gemakshalve wordt gesproken over uitspraken van de Afdeling over het EFSA-OPEX model, maar dat de Afdeling de wetenschappelijke achtergrond en de toxicologische basis die aan dit model ten grondslag ligt negatief heeft beoordeeld. Het model zelf kan worden beschouwd als de schoen aan de voet van beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis in de zin van de Biocidenverordening39. Met de huidige versie van het EFSA-OPEX model (januari 2022, versie 1.0.1) worden de kritiekpunten van de Afdeling voor wat betreft gebruiksfunctionaliteit en toxicologie niet ondervangen, mede omdat de essentie van de beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis niet gewijzigd is.
Verder blijkt uit de uitspraken Heilig Kempke Lith en Slotstraat Opijnen dat de Afdeling bestuursrechtspraak van oordeel is dat het hanteren van worst case uitgangspunten ten einde de bekende wetenschappelijke onzekerheid te ondervangen vanuit planologisch oogpunt onvoldoende is. 37
StAB 41286, 30 september 2021 RIVM, Modellen om de humane blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen te berekenen: een stand van zaken, RIVM Briefrapport 2019-0031 https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2019-0031.pdf 39 In ABRvS 27 juli 2022 202001586/1/R4 is een gebrek aan wetenschappelijke consensus benoemd om -in dit geval- planologische beperkingen te rechtvaardigen, niet toepassing van een bepaald model. 38
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 17 van 29
Uit de uitspraak Heilig Kempke Lith kan worden afgeleid dat Afdeling voor de beoordeling van cumulatieve en geaggregeerde effecten een gewogen optelling van blootstelling aan stoffen (zonder enige discontering) afwijst. In de uitspraak Bornerbroekseweg40 nuanceert de Afdeling dit standpunt en volgt de Afdeling de conclusie van de StAB dat in planologische context niet mag worden gecorrigeerd voor de bekende wetenschappelijke onzekerheden, zolang deze achterliggende wetenschappelijke onzekerheden niet zijn weggenomen. Hiermee wijst de Afdeling vooralsnog ook cumulatiebeoordelingen af welke minder worst case zijn. Enkelvoudige optelling betreft immers een benadering die worst case is ten opzichte van alle andere methoden, waaronder de zogenaamde Monte Carlo Risk Assessment (MCRA)41. Met deze uitspraken komt de Afdeling terug op een ander recent uitgesproken oordeel dat cumulatieve blootstelling minder relevant is voor drift42. De toxicologische uitgangspunten volgen uit richtlijnen welke door OECD en/of ECHA zijn vastgesteld.
Aangezien de toxicologische uitgangspunten waar ook het EFSA model gebruik van maakt aan de basis ligt van elke blootstellingsbeoordeling (niet alleen gewasbescherming) zullen vooralsnog geen door de Afdeling geaccepteerde kwantitatieve uitspraken kunnen worden gedaan over toxicologische aspecten die spelen bij blootstelling aan stoffen in planologische context. Gelet op de bescherming die de milieuregelgeving beoogt te bieden, behoeft geen rekening te worden gehouden met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen welke als schadelijk voor de volksgezondheid dienen te worden beschouwd bij toepassing volgens het gebruiksvoorschrift. Op grond van de toelatingscriteria en het systeem van periodieke herbeoordeling worden middelen ten aanzien waarvan onverhoopt blijkt van eerder onbekende risico’s uitgefaseerd. Dat geldt ook indien voor middelen alternatieven ontwikkeld worden waarvan het gezondheidsrisico kleiner is. De methoden uit de milieuregelgeving en de in die context gangbare toxicologische benaderingswijzen, waarmee wordt vastgesteld of er een risico is voor de volksgezondheid, mogen evenwel, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling, niet worden benut ter onderbouwing van planologische besluitvorming. 4.2.
Inpassing zonder modelmatige beoordeling Op grond van de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak kan nog steeds afgeweken worden van de 50 meter middels een deugdelijk locatiespecifiek onderzoek, waarbij kan worden aangetoond dat onder de gegeven omstandigheden ook bij het hanteren van een kortere afstand een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gevoelige functie is gegarandeerd. Hierbij is het een vereiste dat dit alles onderzocht wordt door een milieudeskundige43. 40
ABRvS 17 april 2024, 202104367/2/R3 EFSA, Proposal for a data model for probabilistic cumulative dietary exposure assessments of pesticides in line with the MCRA software, 19-04-2018, Efsa Journal 2018-15(4);1375 42 ABRvS 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:851 ov. 52.1, in deze uitspraak kon worden volstaan met de beoordeling van blootstelling aan één stof, Captan welke vanwege hoge schadelijkheid als representatief kon worden beschouwd. Inmiddels wordt Captan als minder schadelijk beschouwd dan waar in het bestemmingsplan waar onderhavige uitspraak betrekking op had vanuit is gegaan, zie: https://doi.org/10.2903/j.efsa.2020.6230. 43 ABRVS 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1353 41
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 18 van 29
In een recente uitspraak44 is geoordeeld: “Een kleinere afstand kan aanvaardbaar zijn indien (bijvoorbeeld) driftreducerende maatregelen worden getroffen”. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat, in het geval het agrarische perceel45 direct gelegen is naast het perceel met de gevoelige functie, door het plaatsen en in stand houden van een struweelhaag voldoende is onderbouwd dat een kortere afstand van 50 meter kan worden aangehouden. Onderhoud en instandhouding van een dergelijke haag dient daarbij te worden verzekerd middels een vergunningvoorschrift of een instandhoudingsverplichting. De optie om afscherming toe te passen ten einde een kortere afstand dan 50 meter te rechtvaardigen is ook al in eerdere uitspraken benoemd46. Deze lijn is in een andere uitspraak bevestigd47, waarbij in die uitspraak wordt verwezen naar het zogenaamde OBO onderzoeksrapport van RIVM48 dat is uitgevoerd in de bollenstreek. Uit dit rapport van RIVM blijkt dat mensen in de nabijheid van agrarische gronden blootgesteld staan aan kleine hoeveelheden stoffen afkomstig uit gewasbeschermingsmiddelen die niet (alleen) uit voedsel afkomstig zijn. Uit dit onderzoek van RIVM blijkt eveneens, dat mensen die dichtbij landbouwpercelen wonen, gemiddeld iets gezonder lijken te zijn dan personen die daar verder vandaan wonen. De Gezondheidsraad komt tot dezelfde conclusies49.
In genoemde uitspraak wordt overwogen dat ook het Ctgb de bevindingen van RIVM heeft bevestigd. Nu bollenteelt ook gepaard gaat met inzet van gewasbeschermingsmiddelen die niet mogen worden toegepast op voedselgewassen, zijn de conclusies van het OBO rapport in zoverre ook representatief te noemen voor teelt van voedselgewassen50. Ook in een uitspraak van 19 maart 2023, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank MiddenNederland geoordeeld dat een kleinere afstand kan worden aangehouden, mits dit op basis van zorgvuldig en op locatie toegesneden onderzoek deugdelijk kan worden gemotiveerd51. In de genoemde uitspraken wordt daarbij ook steeds het belang van het aanbrengen van een vanggewas of een andere vorm van afscherming benadrukt in situaties waarin sprake is van een korte onderlinge afstand of zelfs aan elkaar grenzende tuinen en gewaspercelen.
44
ABRvS 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3160 De uitspraak had betrekking op een agrarische bestemming die tevens boomgaarden en boomteelt toelaat. 46 ABRvS 25 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3921 47 ABRvS 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:269 48 RIVM Rapport 2019-0052 Onderzoek Blootstelling Omwonenden (OBO) Bestrijdingsmiddelen en omwonenden Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten 49 Gezondheidsraad, Vervolgadvies gewasbescherming en omwonenden, 2010/10, Den Haag 2020, p. 36 50 De bron van aanwezigheid van stoffen in het lichaam kan bij middelen die op voedselgewassen worden toegepast met minder zekerheid worden vastgesteld, aangezien blootstelling aan deze middelen ook via consumptie zal verlopen. Hetzelfde zal gelden voor werkzame stoffen welke (ook) benut worden in gewasbeschermingsmiddelen voor particulier gebruik. 51 Rechtbank Midden Nederland 19 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1048 45
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 19 van 29
4.3. Aandachtzones Zoals aangegeven in paragraaf 1.2 hanteert de Afdeling bestuursrechtspraak standaard een aandachtzone van 50 meter. De afstand van 50 meter is blijkens een uitspraak uit 200252 gebaseerd op het toenmalige beleid van de provincie Gelderland voor de goedkeuring van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen aanwezig zouden zijn (de ‘Handreiking bestemmingsplannen’ uit 1996). Ten tijde van dat beleid gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963, het daarop gebaseerde Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en de bijbehorende Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, een verplichting om driftreductie toe te passen van minimaal 50%. Op grond van het Activiteitenbesluit c.q. het huidige Besluit activiteiten leefomgeving dient standaard een driftreducerende techniek te worden gehanteerd van minimaal 75%, een norm die kortom de helft strenger is geworden53, waardoor bedoelde afstand van 50 meter thans minstens kan worden gehalveerd tot 25 meter.
Hierbij is ook van belang dat bedoelde 50 meter werd gehanteerd in een tijd dat gewasbeschermingsmiddelen waren toegelaten welke nu al geruime tijd vanwege herbeoordelingen onder het regime van de Biocidenverordening zijn uitgefaseerd, terwijl nieuwe middelen met een lagere potentiële schadelijkheid en lagere persistentie hiervoor in de plaats zijn gekomen. Bedoelde afstand van 50 meter is gebaseerd op gewasbehandeling bij boomteelt en in boomgaarden. Bij dergelijke teelten is het risico op drift groter, omdat dan opwaarts en zijwaarts kan worden gespoten en bepaalde behandelingen ook plaatsvinden buiten het volbladseizoen, waardoor bladeren in het gewas zelf geen aanvullende driftreductie bieden. In situaties waarin enkel rekening behoeft te worden gehouden met neerwaartse gewasbehandelingen, kan om die reden genoemde afstand nogmaals worden gehalveerd tot 12,5 meter. Alhoewel de Afdeling op dit vlak geen specifieke afstanden noemt, is er steun te vinden in uitspraken dat in situaties waarin enkel rekening moet worden gehouden met neerwaarts spuiten mag worden uitgegaan van een kortere afstand qua mogelijke driftblootstelling54. Per slot van rekening is in geen van de uitspraken waarin de Afdeling afscherming als goede ruimtelijke ordening heeft geaccepteerd sprake van een afscherming over 50 meter (d.w.z.
afscherming op alle posities waar de afstand tussen gewasperceel en driftgevoelige functie minder dan 50 meter bedraagt). Hieruit blijkt dat de Afdeling de 50 metergrens hanteert als aandachtsafstand en niet als normafstand. Driftreductie wordt bereikt door spuitmachines grotere druppels te laten produceren. Grote druppels vallen immers onder invloed van de zwaartekracht uit de lucht, terwijl kleine druppels (nevel) gedurende langere tijd in de lucht zullen blijven hangen en dus een veel groter risico in zich sluiten om zich te verspreiden door de lucht (en eerder overgaan in de gasfase cq. transformeren naar aerosol). Uiteraard kan niet volledig worden uitgesloten dat gedurende het spuitproces toch enige vorm van verneveling optreedt (turbulentie in de lucht, botsingen druppels met gewas etc.). Echter op dit vlak kan er zonder meer van worden uitgegaan dat er geen rekening meer hoeft te worden gehouden met
52
ABRvS 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3436 Zie ook paragraaf 3.1. 54 ARRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1263 53
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 20 van 29
relevante blootstelling aan druppeldrift op een afstand van 12,5 meter uit gewassen die neerwaarts worden gespoten en 25 meter bij opwaarts spuiten. Blootstelling op die afstanden zal enkel nog kunnen plaatsvinden in de vorm van blootstelling aan dampen en aerosolen. Het gaat hierbij om zeer kleine hoeveelheden. Immers gewasbeschermingsmiddelen worden ook gekozen op een zo laag mogelijke uitdampbaarheid. Mensen staan uitsluitend nog bloot aan deze dampen en aerosolen bij inademing. Relevante doses door opname via de huid of door hand-mond bewegingen zijn uitgesloten. De aanwezige dampen en aersolen zullen steeds verder verdunnen in de lucht. Een vergelijking met blootstelling aan bijvoorbeeld stikstofdioxiden en fijnstof afkomstig van wegverkeer, industrie en veehouderijen gaat maar gedeeltelijk op. Gewasbeschermingsmiddelen breken immers ook relatief snel af onder invloed van zonlicht. Stoffen afkomstig van wegverkeer e.d. blijven evenwel langer aanwezig in de lucht en verdwijnen hier alleen uit middels neerslag.
5.
Omgevingsaspecten
5.1. Relevante teeltsituatie Zoals beschreven in paragraaf 2.3 wordt rekening gehouden met laagblijvende teelten in de vorm van akkerbouw op de agrarische gronden ten noorden. Op het perceel ten westen is sprake van natuur/park. Op deze gronden wordt geen rekening gehouden met agrarisch grondgebruik nu de geldende bestemming hier een andere invulling heeft gekregen en er vanuit de gemeente ook geen rekening wordt gehouden met herinrichting ten behoeve van agrarische doeleinden. 5.2. Toekomstige beperkingen In de huidige situatie is de betrokken agrarische grond al gelegen tussen diverse driftgevoelige bestemmingen, concreet de bestaande inrichting van het plangebied voor een sportcomplex, de woonbestemmingen ten oosten daarvan en het natuurperceel met wandelpad ten westen daarvan. Verwezen wordt naar paragraaf 3.3.1. De Afdeling bestuursrechtspraak beschouwt de verwachting van toekomstige milieuregelgeving welke mogelijk beperkingen zal stellen aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als een rechtens te beschermen belang55. Volgens de rechtspraak van de Afdeling kunnen deze toekomstige beperkingen niet worden uitgesloten binnen de al beschreven aandachtsafstand van 50 meter tussen gewaspercelen en driftgevoelige percelen.
Zoals gebleken is uit paragraaf 3.1 en 3.2, gelden er geen beperkingen ten aanzien van het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen nabij driftgevoelige functies omdat bij toelating van middelen wordt uitgegaan van worst case praktijkcondities en Nederland aanvullende eisen stelt aan driftreductie. Zoals is gebleken uit paragraaf 3.3.3, is bij evaluatie van de milieuregelgeving geen sprake van humaan risico. Wel heeft de Europese Commissie wel aanleiding gezien om in het kader van de zogenaamde 55
ABRvS 6 juni 2015, 201507691/1/R2 ov. 7.2
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 21 van 29
‘Green Deal’ de ecologie beter te beschermen tegen gewasbeschermingsmiddelen. Bij de huidige stand van de milieuregelgeving is kortom voorstelbaar dat voor onbepaalde tijd moet worden gewacht op een wettelijke regeling welke een beperking stelt ten aanzien van het spuiten nabij een driftgevoelige functie: vanuit de milieuregelgeving wordt immers gestuurd op toelating van steeds veiliger middelen (en uitfasering van andere middelen) en op verdergaande algemene driftreductie56. 5.3. Toename van gevoeligheid Ten opzichte van de huidige sportbestemming zullen de nieuwe woonbestemmingen leiden tot langduriger menselijke aanwezigheid. Een woonbestemming zal immers betekenen dat rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van in principe voortdurende aanwezigheid van mensen. Verder is thans sprake van inpandige sportfaciliteiten in de vorm van sporthallen, waarbij relevant buitenterrein alleen in gebruik is voor parkeren. In de beoogde situatie zal ook sprake zijn van tuinen. Tot slot ligt voor de hand dat het aandeel personen met een bijzondere kwetsbaarheid kan toenemen door de nieuwe woonbestemming, nu deze categorie van personen mogelijk minder in een sportomgeving aanwezig zal zijn (of alleen bij wedstrijden als toeschouwer). 5.4.
Wind Volgens het artikel 3.83 lid 5 Activiteitenbesluit (oud) en volgens artikel 4.723e Besluit activiteiten leefomgeving mogen er geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast bij snelheden hoger dan 5 m/s. Deze windsnelheid komt overeen met windkracht 2 à 3 Beaufort. Alhoewel de overheersende windrichting noordwest gericht is in Nederland, geldt die conclusie niet voor de lage windsnelheden waarbij gewasbescherming mag worden toegepast. Bij deze lage windsnelheden kan de wind in feite uit alle richtingen van de kompasroos komen57, zelfs als rekening wordt gehouden met de gemiddelde windrichting per seizoen58. De positie van een teeltperceel ten opzichte van een gevoelige functie is kortom beperkt relevant in relatie tot driftblootstelling. Wel is relevant dat de behandeling uit de aard der zaak veel minder effectief is als gespoten wordt bij hogere windsnelheden en dat dit ook geldt voor de driftblootstelling. In algemene zin geldt dat bij hogere windsnelheden de drift groter zal zijn, maar drift zich ook veel sneller verspreiden en verdunnen in de buitenlucht. In die situatie is de blootstellingsduur korter en de dosis lager. Echter bij hogere windsnelheden is niet beheersbaar waar drift zal deponeren en bestaat het risico dat door specifieke combinatie van turbulentie en luwte plaatselijk juist zeer hoge depositie zal optreden.
Zie de afbeeldingen 7 en 8, waarbij weerstation Volkel is aangehouden als representatief voor Berghem.
56
Voor diverse gewasbeschermingsmiddelen geldt bijvoorbeeld al een eis om aanvullende driftreductie toe te passen (meer dan 75%). Daarnaast kenden diverse waterschappen in met name de waterrijke gebieden subsidieregelingen voor de aanschaf van 99% driftreducerende spuitapparatuur. Hiervoor kan ook subsidie bij RVO worden verkregen: Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (https://www.rvo.nl/sites/default/files/202211/Lijst%20met%20investeringen-Investeringsregeling%20POP3%2B2022_0.pdf) 57 Zie: https://www.knmi.nl/klimaat-viewer/grafieken-tabellen/windrozen/windroos-lelystad (link gecontroleerd op 14 maart 2024) 58 https://www.weerplaza.nl/weerinhetnieuws/klimaat/wind-in-nederland/6820/ (link gecontroleerd op 20 juli 2023)
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 22 van 29
Afbeelding 7: windroos (bron: KNMI)
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 23 van 29
Afbeelding 8: gemiddelde windrichting per maand (bron: Weerplaza)
6.
Maatregelen
6.1. Afscherming Mede gelet op de jurisprudentie welke is aangehaald in paragraaf 4.2, is toepassing van afscherming ook geaccepteerd in het kader van planologische besluitvorming59 ten einde uit voorzorg te zorgen voor extra driftreductie. Dat is in de gegeven situatie ook de aangewezen weg, aangezien het geen optie is om aanvullende driftreducerende maatregelen te treffen bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op de omliggende percelen. In lijn hiermee is uiteraard van belang hoe de effectiviteit van een afscherming dient te worden beoordeeld. 6.1.1. Algemeen Er zijn de nodige wetenschappelijke gegevens voorhanden als het gaat om de afschermende werking van een windhaag60. Verder is van belang dat een windhaag erkend is als driftreducerende techniek; een windhaag staat als zodanig op de ‘lijst met indeling van spuittechnieken in DriftReducerende Techniek-klassen’ (DRT-lijst) van de Technische Commissie Techniekbeoordeling (TCT) van 11 december 202361. Dit geldt voor een windhaag voor de periode vanaf 1 mei met 90% bladdichteid tot 50% bladval van de windhaag. In 59
Vergelijk in dit verband ABRvS 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3904, waarin is overwogen dat aannemelijk is dat een driftreducerende voorziening bestaande uit dubbele hagen leidt tot een ruime driftreductie. 60 Vergelijk in dit verband ABRvS 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3904, waarin is overwogen dat aannemelijk is dat een driftreducerende voorziening bestaande uit dubbele hagen leidt tot een ruime driftreductie en zie: Zande, J.C. van de en M. Wenneker, 2015. Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen. Wageningen, the foundation Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek. Plant Research International, Wageningen UR (University & Research centre), PRI-rapport 609. 68 blz.; 7 fig.; 20 tab.; 53 ref. 61 Zie: https://iplo.nl/publish/pages/151722/6-informatieblad-windhaag-20220718.pdf (geraadpleegd op 5 maart 2024)
Adromi B.V.
Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 24 van 29
combinatie met de (wettelijk standaard verplichte) 75% driftreductie van een spuitmachine biedt een haag aanvullend 75% driftreductie, zodat tot 94% driftreductie mogelijk is. Uit andere wetenschappelijke studies kan een hoger driftreducerend effect van een windhaag worden afgeleid62 en hier wordt in het PRI 201563 ook naar verwezen. Dit betekent dat de 75% driftreductie welke de TCT hanteert, kan worden beschouwd als een conservatief uitgangspunt. 6.1.2. Configuratie op grens teeltgewas In principe is hierbij van belang te kiezen voor een gewas dat een egale dichtheid biedt. Bij een dergelijke bladerdichtheid zal een luchtstroom maximaal worden afgeremd waarbij eventueel aanwezige drift in druppelvorm zo veel mogelijk in de haag zelf zal achterblijven. Een te hoge dichtheid zorgt voor een afname in de filterende werking, doordat er niet voldoende lucht door de haag kan stromen64, 65, 66. De dichtheid van een windhaag kan worden gemeten als de optische dichtheid door het bepalen van de optische porositeit: de zichtbaarheid achter/door de haag oftewel de som van de “gaten” in het bladerdek. Dit kan worden gemeten met behulp van een digitale camera, een witte doek achter de haag en specifieke (analyse)software67.
Het aansluitend effect van uitdamping uit de haag en aansluitende respiratoire blootstelling wordt verwaarloosbaar geacht, mede nu gewasbeschermingsmiddelen worden toegelaten op hun lage uitdampbaarheid. Daarnaast is relevant dat uitdamping voornamelijk kan plaatsvinden op een droge zonnige dag, dus op het moment dat afbraak van de betrokken stoffen onder invloed van de zon ook maximaal is68. De meeste middelen worden daarbij verspoten aan het begin van het groeiseizoen wanneer temperaturen nog lager liggen, niet in het warmere oogstseizoen. Er kan voor de verdere configuratie van een haag worden uitgegaan van een overhoogte van 1 meter in situaties waarin sprake is van opwaarts of zijwaarts spuiten. In geval sprake is van uitsluitend neerwaarts spuiten kan worden uitgegaan van een overhoogte van 50 centimeter. In situaties dat 62
Porskamp H.A.J., Michielsen, J.M.G.P., Huismans, J.F.M., De invloed van een windhaag op emissies bij fruitteeltspuiten, 1999, IMAG-DLO Rapport 94-29, pag. 29 en Wenneker, M., Heijne, B., Van de Zande, J.C., Effect of natural windbreaks on drift reduction in orchard spraying, Communications of Applied Biology Science, Universiteit Gent, 70(2005)4 pag. 961. 63 Plant Research International, Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen, maart 2015 64 Felsot, A. S., Unsworth, J. B., Linders, J. B., Roberts, G., Rautman, D., Harris, C., & Carazo, E. (2010). Agrochemical spray drift; assessment and mitigation—A review. Journal of Environmental Science and Health Part B, 46(1), 1-23. 65 Mercer, G. N. (2009). Modelling to determine the optimal porosity of shelterbelts for the capture of agricultural spray drift. Environmental modelling & software, 24(11), 1349-1352. 66 Zie echter ABRvS 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1741 ov. 16. De overweging dat aannemelijk is dat een volledig dichte muur 99% driftreductie kan bieden is minder correct, uitgaande van beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis.