CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7A Toelichting BP Molenstraat 56-58 Lith - 2023

Gemeenteraad 14 december 2023, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling 12 bestemmingsplannen, gebundelde procedure19.805 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Gezien het voor het planvoornemen niet nodig is om te slopen of nieuw te bouwen en er geen beplanting o.i.d. wordt verwijderd is het onderwerp ‘Soorten’ van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde. Een quickscan flora en fauna hoeft niet te worden uitgevoerd. Soorten vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Soortenbescherming ingevolge de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Het aspect ‘Natuur’ vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.

5.3

Archeologie en Cultuurhistorie

5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 31 van 61 30 september 2023

Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.

5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument

Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv

Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten

35 m2 / 30 cm -Mv

Historische stads-/dorpskern

50 m2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde

100 m 2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein

1000 m2 / 30 cm -Mv

Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde

5 hectare / 30 cm -Mv

Reeds onderzocht

Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.

Verstoord

Geen onderzoeksplicht

Volgens de archeologische beleidskaart heeft het plangebied de verwachtingswaarde ‘Archeologisch monument’ en ‘Hoge verwachtingswaarde’. Vanuit het archeologiebeleid geldt voor het gebied dat is aangeduid als ‘Archeologisch monument’ een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld. Voor het gebied dat is aangeduid met een ‘Hoge verwachtingswaarde’ geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m².

5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied de verwachtingswaarde ‘Archeologisch monument en ‘Hoge verwachtingswaarde’ toegekend. Concreet betekent dit dat voor de gronden met de verwachtingswaarde ‘Archeologisch monument’ een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 32 van 61 30 september 2023

maaiveld. Voor de gronden met de aanduiding ‘Hoge verwachtingswaarde’ geldt een archeologische onderzoeksplicht indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Toetsing van de plannen Voor het planvoornemen is het niet nodig bodemingrepen te doen. Er wordt niet nieuw gebouwd, niet gesloopt en niet aangelegd. De vrijstellingsgrenzen worden dus niet overschreden. Archeologisch onderzoek is niet aan de orde. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. In het vigerende bestemmingsplan zijn dubbelbestemmingen opgenomen ter bescherming van eventueel in de bodem aanwezige archeologische waarden. Deze dubbelbestemmingen zijn in onderhavig bestemmingsplan overgenomen.

5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.

In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 33 van 61 30 september 2023

monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang.

Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. In onderhavige situatie zijn geen cultuurhistorische waarden aan de orde.

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 34 van 61 30 september 2023

5.4

Mobiliteit en parkeren

5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen Voor een bedrijfsverzamelgebouw (vergelijkbaar met een bedrijfsverzamelplek) in het buitengebied geldt volgens CROW een verkeersaantrekkende werking van 7,85 (gemiddelde van 7 tot 8,7) mvt/ 100 m2 BVO. In totaal is sprake van 3950 m2 BVO. Dit heeft een verkeersaantrekkende werking van 310 mvt/ etmaal tot gevolg. In de huidige situatie is sprake van een bouwbedrijf/ timmerwerkplaats. Dit is een bedrijf dat conform CROW gecategoriseerd kan worden als een arbeidsintensief/ bezoekersextensief bedrijf. Voor een dergelijk bedrijf in het buitengebied geldt een verkeersaantrekkende werking van 10 mvt/ 100 m2 BVO. In totaal is sprake van 3950 m2 BVO. Dit heeft een verkeersaantrekkende werking van 395 mvt/ etmaal tot gevolg. De verkeersaantrekkende werking blijft in de toekomstige situatie gelijk aan de huidige. Er zijn geen belemmeringen/ problematieken bekend.

Het aspect ‘verkeersaantrekkende werking’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Verkeer: ontsluiting De ontsluiting van het plangebied is goed te noemen. Het plangebied is volgens de normen op de Molenstraat aangesloten. Vanaf de Molenstraat geraakt verkeer snel op de Molenakkerstraat en vervolgens op de N625, een provinciale gebiedsontsluitingsweg, waardoor het plangebied voor veel en groot verkeer gemakkelijk te bereiken is. Er zijn in de huidige situatie (en het volledig in bedrijf zijn van de locatie) geen verkeersbelemmeringen of problematieken bekend. Gezien de verkeersaantrekkende werking nagenoeg niet en de ontsluiting niet verandert worden voor de toekomstige situatie geen belemmeringen of problemen verwacht. De ontsluiting van het plangebied blijft in de toekomstige situatie gelijk aan de huidige. Er zijn geen belemmeringen/ problematieken bekend. Het aspect ‘ontsluiting’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Voor een bedrijfsverzamelgebouw (vergelijkbaar met een bedrijfsverzamelplek) geldt volgens de nota parkeernormen 2017 gemeente Oss een norm van 2 parkeerplaatsen per 100m2 BVO. Er is sprake van 3950 M2 BVO, wat een parkeergeneratie betekent van 79 parkeerplaatsen. Er is op de locatie voldoende ruimte aanwezig om dit aantal auto’s (uitgaande van een parkeerplaats voor haaks parkeren van 2,5 x 5 meter) te laten parkeren. Hieronder is een afbeelding opgenomen waarop dit zichtbaar is gemaakt (6 parkeerplaatsen op het voorterrein, 74 parkeerplaatsen op het achterterrein).

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 35 van 61 30 september 2023

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 36 van 61 30 september 2023

5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 20232029). Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. In bebouwd gebied vraagt de zorg voor oppervlaktewater extra aandacht. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij de watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • Schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • De waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • De kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • De betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen.

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 37 van 61 30 september 2023

Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: - Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; - Voorkomen van vervuiling van water; - Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2.

Infiltratie/bergen 3. Afvoer - Hydrologisch neuraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De Afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 38 van 61 30 september 2023

5.5.2

Watertoets

In verband met het planvoornemen is geen watertoets uitgevoerd. In onderhavige situatie verandert er niets aan het verhard oppervlak, ook is geen sprake van feitelijke ontwikkelingen in of in de nabijheid van de dijk. Het planvoornemen bestaat slechts uit een interne functiewijziging, waardoor het niet relevant is een watertoets uit te voeren. Op de verbeelding zijn wel de vrijwaringszones e.d. opgenomen zoals deze ook het vigerende bestemmingsplan van toepassing zijn. De regels van dit bestemmingsplan bevatten de bij deze aanduidingen behorende regels.

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 39 van 61 30 september 2023

5.6

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 40 van 61 30 september 2023

5.7

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geurhinder: agrarisch Geur: industrieel Luchtkwaliteit Straling Weg-, spoor-, en industrielawaai Gezondheid Spuitzones

5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. In het plangebied is in de nieuwe situatie sprake van bedrijvigheid, net zoals dit in de vigerende situatie aan de orde is. In de nieuwe situatie wordt geen hogere milieucategorie toegelaten dan in de bestaande situatie reeds het geval is. In de bestaande situatie is sprake van een bouwbedrijf/timmerfabriek, inclusief biomassavergistingsinstallatie met een bedrijfsoppervlak van 3900 m2 voor het bouwbedrijf/ de timmerwerkfabriek toegelaten en 288 m2 voor de biomassavergistingsinstallatie. Een bouwbedrijf van deze omvang betreft een categorie 3.2 bedrijf met op basis van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering de navolgende sbi-code en richtafstanden (van bestemmingsvlak bedrijf tot aan de dichtstbij gesitueerde gevel van een gevoelig object).

SBI-code: 41, 42, 43; geur: 10 meter; stof: 30 meter; geluid: 100 meter; gevaar: 10 meter. In een gemengd gebied zoals in onderhavige situatie aan een drukke N-weg (N625), geldt een verkleining met één afstandstrap. Voor de woning aan Sluisstraat 3 wordt dan op alle aspecten voldaan. Voor de woning aan Molenstraat 52-54 wordt op het aspect geluid niet voldaan. Met die reden is door Aelmans een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (zie bijlage 3 bij deze toelichting). Het akoestisch onderzoek kent de resultaten zoals in de tabel hieronder is opgenomen.

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 41 van 61 30 september 2023

Deze uitkomsten zijn aan de orde in geval voor de nachtperiode een beperking wordt opgelegd v.w.b. de maximaal te veroorzaken piekgeluiden. Het gaat om een maximaal toelaatbaar piekgeluid van 103 dB(A). In geval deze begrenzing wordt opgelegd kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie akoestisch inpasbaar is en sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bedrijven en milieuzonering vormt – bij het opleggen van een begrenzing van een maximaal toelaatbaar piekgeluid van 103 dB(A) in de nachtperiode - geen belemmering voor het planvoornemen.

5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. In onderhavige situatie is het niet nodig een bodemonderzoek uit te voeren. De bestemming wijzigt niet en er worden geen gebouwen opgericht. Bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 42 van 61 30 september 2023

verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat eronder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.

Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Het initiatief bevat 8 beperkt kwetsbare objecten (artikel 1 Bevi). Voor wat betreft de nieuw op te richten beperkt kwetsbare objecten het volgende. De nieuwe objecten zijn niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR10-6 jaar). Zie onderstaande uitsnede van de risicokaart.

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 43 van 61 30 september 2023

De ontwikkeling is wel gelegen binnen het invloedsgebied van een vaarroute (Maas). Het invloedsgebied is 1080 meter gebaseerd op het vervoer van toxische stoffen. Verder ligt de locatie binnen het invloedsgebied van de N625. Deze weg is niet aangewezen als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, er worden echter wel gevaarlijke stoffen over vervoerd. De relevante scenario’s zijn daarom een BLEVE en een plasbrand. In verband met beide transportroutes moet een verantwoording worden opgenomen. Deze volgen hieronder. Maas In de beleidsvisie van de gemeente Oss is opgenomen dat langs waterwegen de standaard verantwoording zoals opgenomen in bijlage 2 bij de beleidsvisie van toepassing is. Deze is als volgt. Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: - vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident, - de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas), het groepsrisico niet significant zal toenemen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item. - Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. - De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein.

De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde 'risicoprofiel'.

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 44 van 61 30 september 2023

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. N625 Over deze weg vindt in beperkte mate vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.

Dit betekent dat in relatie tot het wegvervoer conform artikel 7 van het Bevt voor dit plan het groepsrisico moet worden verantwoord. In de beleidsvisie externe veiligheid Oss is hiervoor een verantwoordingskader opgesteld (zwaarte 2). De verantwoording van het groepsrisico conform het verantwoordingskader (zwaarte 2) volgt hieronder. 1. er hoeft geen noodzaak te worden aangetoond om de voorziening op deze plek te realiseren; 2. de zelfredzaamheid is goed De mate van zelfredzaamheid is redelijk. De ontwikkeling voorziet in het oprichten van 8 bedrijven en richt zich niet specifiek op mensen die niet of verminderd zelfredzaam zijn. Aangenomen mag worden dat deze mensen in staat zijn om op een dreiging te reageren. Het plangebied is via meerdere routes toegankelijk. Er kan van de bron af worden gevlucht. Door de beperkte afstand tussen de bedrijfsbebouwing en de weg zal een incident snel waargenomen worden, waardoor tijdig gevlucht kan worden. 3. bestrijdbaarheid: In het algemeen geldt op onderhavige locatie dat externe veiligheidsincidenten per definitie moeilijk bestrijdbaar zijn, aanvullend daarop geldt per bestrijdbaarheidsonderwerp het volgende. a. er is een goede verkeerskundige ontsluiting voor hulpdiensten; Hiervan is sprake. De ontsluiting van het plangebied betreft niet de weg waarover de gevaarlijke stoffen vervoerd worden.

Als op die weg een incident voorvalt, kunnen de hulpdiensten het plangebied nog steeds gemakkelijk bereiken. b. er wordt voldaan aan de Handleiding bluswatervoorziening of een gelijkwaardig voorstel van de brandweer; De capaciteit van de ter plaatse aanwezige brandkraan is voldoende om een incident met gevaarlijke stoffen effectief te kunnen bestrijden. c. er is voldoende opvang, afvoersloten; In en rondom het plangebied zijn sloten aanwezig, verder is rondom de bedrijfsbebouwing in het plangebied weiland aanwezig waar het water afkomstig van een eventueel noodzakelijke vuurbestrijding naartoe kan stromen, waarna het via de sloten in het plangebied kan worden afgevoerd. De berging van calamiteitenwater is derhalve geen probleem. d. er zijn minimaal twee vluchtroutes van de bron af; Hiervan is sprake. e. kwetsbare objecten moeten aan risicoluwe zijde worden gerealiseerd. Geen van de objecten die gerealiseerd worden zijn kwetsbaarder dan andere. 4. maatregelen:

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 45 van 61 30 september 2023

a. maatregelen moeten in beschouwing worden genomen; Maatregelen zijn niet aan de orde. b. Privaatrechtelijk afdwingen is niet nodig. c. Aandacht voor organisatorische en communicatiemaatregelen. Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio heeft op 11 augustus 2022 advies gegeven over onderhavige ontwikkeling. Het advies is als volgt: “In paragraaf 5.7.3 van het bestemmingsplan wordt ingegaan op het aspect externe veiligheid. De veiligheidsregio onderschrijft deze paragraaf maar heeft daarbij 1 aanvulling. De relevante scenario's bij de N625 zijn een BLEVE en een plasbrand. Dit scenario zorgt gezien de korte afstand tot het plangebied voor potentieel een groot aantal slachtoffers.” Op basis van het advies zijn in deze paragraaf de relevante scenario’s bij de N625 toegevoegd. De scenario’s staan de ontwikkeling niet in de weg, wel is het belangrijk dat de initiatiefnemer, potentiële rechtsopvolgers en gebruikers van de locatie op de hoogte zijn van de gevolgen van een dergelijk scenario. Dit kunnen zij meenemen in hun afweging inzake de exploitatie van de locatie. Externe veiligheid vormt – met inachtneming van het advies van de Veiligheidsregio - geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss

1,0 Ou

B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij

2,0 Ou

C. Plangebied (bij kern A en B)

3,0 Ou

D. Woonkern met intensieve veehouderij

6,0 Ou

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 46 van 61 30 september 2023

E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal

6,0 Ou

F. Recreatiegebieden

8,0 Ou

G. Extensiveringsgebieden

8,0 Ou

H. Bedrijventerreinen

8,0 Ou

I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk

12,0 Ou

J. Verwevingsgebied

14,0 Ou

K. Landbouwontwikkelingsgebied

14,0 Ou

In het plangebied worden 8 nieuwe geurgevoelige objecten opgericht. Ingevolge de kaart behorende bij de verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 geldt er plaatse van het plangebied een norm voor de voorgrondbelasting 8,0 Ou. Gezien er geen veehouderijen met dieren met een geuremissiefactor nabij het plangebied zijn gelegen worden hier geen belemmeringen inhoudende de overschrijding van de hier geldende geurnorm. Ook is in de nabijheid van het plangebied geen sprake van veehouderijen met dieren waarvoor in verband met geurhinder een vaste afstand geldt. Hieronder is een uitsnede opgenomen van de kaart inzake de achtergrondbelasting behorende bij de actualisatie van de geurgebiedsvisie gemeente Oss 2015 ter hoogte van het plangebied. Op de kaart is zichtbaar dat in het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Veehouderijen worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Geurhinder afkomstig van veehouderijen vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.7.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig;

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 47 van 61 30 september 2023

-

als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is.

Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. In de nabijheid van het plangebied zijn geen industrieterreinen gelegen of individuele bedrijven die geurhinder veroorzaken op geurgevoelige objecten in het plangebied, zie ook paragraaf 5.7.1. De ontwikkeling is eveneens niet belemmerend voor nabijgelegen bedrijven. In het plangebied is wel sprake van bedrijvigheid. In paragraaf 5.7.1 is deze bedrijvigheid besproken. Hieruit volgen voor wat betreft het aspect geurhinder geen belemmering ten opzichte van geurgevoelige objecten in de omgeving van het plangebied. Industriële geurhinder vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.7.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.

Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 48 van 61 30 september 2023

functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Grenswaarden luchtkwaliteit Voor de meest voorkomende stoffen zijn de luchtkwaliteitsnormen als volgt.

Plan Met dit plan worden 8 bedrijven op een bestaande bedrijfslocatie toegelaten. Bijdrage plan aan luchtkwaliteit Om te berekenen of een plan effect heeft op de luchtkwaliteit is er een rekentool ontwikkeld die via www.infomil.nl beschikbaar is en gebruikt kan worden. Voor onderhavig plan is het relevant om te weten of de extra verkeersbewegingen die het met zich meebrengt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Het initiatief genereert 310 verkeerbewegingen per dag. Dit aantal is ingevoerd in de hiervoor genoemde rekentool. De conclusie die volgt uit de rekentool is dat het effect van deze extra verkeersbewegingen niet in betekenende mate is (NIBM). Zie de uitsnede van de ingevulde tool hieronder waaruit dit blijkt.

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 49 van 61 30 september 2023

Toetsing in verband met aanvaardbaar woon- en leefklimaat Naast het effect van het initiatief op de luchtkwaliteit is het ook van belang dat de toestand van de luchtkwaliteit in de bestaande (voorspelde) situatie geschikt is voor de nieuwe functie. Er moet een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kunnen worden gegarandeerd. Gekeken naar de voorspellingen voor NO2, PM10 en PM2,5 met behulp de kaarten (monitoring NSL) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) blijkt dat (ruim) voldaan wordt aan de gestelde grenswaarden. Een uitsnede van de tool ter hoogte van het plangebied is hieronder opgenomen.

Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.7.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 50 van 61 30 september 2023

hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Het plangebied is niet gelegen nabij een hoogspanningslijn, wat betekent dat ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een magnetische veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla ten gevolge van hoogspanningslijnen. Straling vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.7.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.

De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Het initiatief bevat op basis van de Wet geluidhinder geen geluidgevoelige functies.

Onderzoek naar weg, rail- en industrielawaai van externe bronnen is met die reden niet aan de orde. Het initiatief bevat wel geluidsbronnen en in de nabijheid van het plangebied zijn gevoelige functies gelegen. In onderhavige situatie is op dit moment een bouwbedrijf/timmerfabriek, inclusief biomassavergistingsinstallatie met een bedrijfsoppervlak van 3900 m2 voor het bouwbedrijf/ de timmerwerkfabriek toegelaten en 288 m2 voor de biomassavergistingsinstallatie. Een bouwbedrijf van deze omvang betreft een categorie 3.2 bedrijf met op basis van de VNG-brochure Bedrijven en

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 51 van 61 30 september 2023

Milieuzonering de navolgende sbi-code en richtafstanden. SBI-code: 41, 42, 43; geur: 10 meter; stof: 30 meter; geluid: 100 meter; gevaar: 10 meter. In een gemengd gebied zoals in onderhavige situatie aan een drukke N-weg, geldt een verkleining met één afstandstrap. Voor de woning aan Sluisstraat 3 wordt dan voldaan. Voor de woning aan Molenstraat 52-54 wordt niet voldaan. In de nieuwe situatie worden binnen de bestaande bedrijfsbebouwing/ het bestemmingsvlak meerdere (8) bedrijven toegelaten. Deze bedrijven mogen geen hogere milieucategorie hebben dan in de huidige situatie het geval is, dit is via de verbeelding/ regels van dit bestemmingsplan vastgelegd. Dat betekent dat in de huidige situatie, net als in de vigerende situatie, voor Molenstraat 52-54 niet wordt voldaan en voor de andere omliggende gevoelige functies wel. Nu Molenstraat 52-54 later is gerealiseerd dan Molenstraat 56-58 is bij de realisatie van Molenstraat 52-54 rekening gehouden met de hinderlijke bedrijvigheid op Molenstraat 5658. Er is op het perceel van Molenstraat 52-54 bebouwing gerealiseerd die geluidsafschermend werkt en er is door maatregelen aan de woning gezorgd voor een aanvaardbaar binnengeluidsniveau. Daarbij geldt dat de bebouwing op het perceel Molenstraat 56-58 geluidsafschermend werkt voor wat betreft de buitenruimte bij Molenstraat 52-54.

Gezien de situatie door onderhavig planvoornemen niet wijzigt en bij de oprichting van Molenstraat 52-54 gezorgd is voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden omliggende gevoelige functies door de ontwikkeling niet belemmerd.

5.7.9 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.

In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen).

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 52 van 61 30 september 2023

Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Geitenhouderijen Binnen twee kilometer van het plangebied is een geitenhouderij gelegen (Valkseweg 36).

De geitenhouderij ligt op 600 meter van de rand van het plangebied en heeft een vergunning voor 2.400 (opfok)geiten. Uit recente volksgezondheids-onderzoeken (VGO) blijkt dat er een verhoogd risico op longontsteking is in een zone binnen twee kilometer van een bedrijf met geiten. En uit het meest recente VGO3 onderzoek blijkt zelfs dat er een causaal verband is tussen een kleinere afstand tot een geitenhouderij en het verhoogde risico. Uit onderzoek is nog niet gebleken waaraan dit te wijten is. De provincie volgt de lijn uit het VGO-3 en geeft aan dat de dat de gemeentes een afweging moeten maken over het toevoegen van functies binnen deze straal van 2 kilometer. Deze motivatie is als volgt. Het plangebied ligt op circa 600 meter en dus binnen de zone van 0,5 tot 2 km van één geitenhouderij waar op dit moment geen geiten worden gehouden, maar de vergunning voor 2400 (opfok)geiten nog wel actief is. Dit betekent dat er nog steeds rekening mee moet worden gehouden, want de rechten mogen in principe gebruikt worden. Daarmee verdient het een afweging of de mate van het op dit moment in algemene zin aangetoonde verhoogde risico, mede gelet op de aard, situering en het belang van de plan, toch de reële verwachting kan billijken dat een acceptabel woon- en leefklimaat in de toekomst binnen bereik is.

Er wordt een bedrijfsverzamelplek ontwikkeld op een locatie die reeds voor bedrijvigheid bestemd en deels in gebruik is, binnen twee kilometer van een geitenhouderij. De personen die hier werken zullen dus in meer of mindere mate worden blootgesteld aan het verhoogde gezondheidsrisico rondom geitenhouderijen. Beoordeeld is in hoeverre de geitenhouderij belemmerend is voor de ontwikkeling: - de ontwikkeling is niet actief gericht op een kwetsbare doelgroep; - er is de mogelijkheid, voorafgaand, nieuwe bedrijven en hun toekomstige medewerkers te informeren om ze een bewuste keuze te laten maken; - er is reeds verblijf in het plangebied door evenveel personen als in de toekomstige situatie mogelijk; - er is sprake van een versnelde transitie in de veehouderij. De effecten zijn velerlei maar betekenen in Oss in ieder geval dat behalve minder veehouderijen de impact van de resterende bedrijven op de omgeving drastisch zal verbeteren. Er is sprake van allerlei innovatieve ontwikkelingen die de emissie en immissie van aan gezondheid te relateren stoffen zo niet geheel dan toch in beduidende mate

Molenstraat 56-58 Lith – 2023, pag. 53 van 61 30 september 2023

zullen beperken. Als tijdelijke voorzorgsmaatregel heeft de provincie Noord-Brabant in 2017 besloten tot een moratorium die bouw en ingebruikname van nieuwe geitenstallen verbiedt. Gezien voorgaande feiten en overwegingen heeft de gemeente geconstateerd dat de huidige en de nieuwe situatie qua blootgestelden niet wijzigt en van doorslaggevende betekenis is voor wat betreft de doorgang van onderhavig bestemmingsplan. Aanvullend op voorgaand is ook het stappenplan van de GGD doorlopen in verband met het opvragen van een eventueel advies. Zie hieronder. GGD-stappenplan Advisering GGD De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Door alle zeven stappen te doorlopen en beantwoorden kan worden nagegaan of er knelpunten aan de orde zijn en het zinvol is de GGD om advies te vragen. Hieronder is aan het stappenplan getoetst. Stap 1 De ontwikkeling voldoet aan de endotoxine ‘richt-afstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 2. Stap 2 De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/ of fijnstof en/ of ammoniak. GGDadvies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3a. Stap 3a Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. het wettelijk kader voor geur.

GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3b. Stap 3b Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. de gezondheidskundige advieswaarde. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 4. Stap 4a+b Er zijn geen veehouderijen in de buurt waar meer dan één diersoort wordt gehouden. Er zijn geen varkens- en/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 5. Stap 5a Binnen een afstand van 2 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten is één geitenhouderij gelegen. Dit leidt tot GGD-advies. Binnen een afstand van 1 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten is geen pluimveebedrijf gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Binnen een afstand van 250m van nieuwe woon- en verblijfsruimten is geen overige veehouderij gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 6 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 6 Er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 7 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 7 Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Dit leidt niet tot GGD-advies. Na het doorlopen van het stappenplan bleek dat de enige aanleiding voor een GGD-advies het aspect geiten is binnen een straal van 2 kilometer vanaf het initiatief.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=f8df41c7-ca5f-484a-9ace-597b4cebbf66