Bijlage 7 Archeologisch onderzoek Meanderende Maas.pdf
Tekst van het document
65 66
Buijks 1996 in Botman 2009 Van der W oud 2004: 95.
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[2 8 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
e
Normalisatie in de 19 en 20e eeuw Pas in de tweede helft van de 19e eeuw werd een meer blijvende oplossing gevonden gebaseerd op de waterbeweegkunde.
67
Deze theorie was in het midden van de 18e eeuw ontwikkeld, ma ar
nooit op grote schaal toegepast. De waterbeweegkunde ging ervan uit dat door de hoofdstroom te geleiden de rivier zelf diepten kon uitschuren en daarna de bedding op diepte houden. De rivier werd bijgestuurd door de aanleg van kribben. Waar ernstige obs takels voorkwamen, bijvoorbeeld in de vorm van meanders of ondiepten, werden deze doorgraven. Uiteindelijk moest de rivier worden ingesloten met een korset van kribben met aan beide zijden voldoende uite rwaard die de onveilige schaardijken verleden tijd maakten. In de eerste fase werd een streefbeloop uitgemeten. Om de rivier hierheen te leiden werden strangen afgedamd en kribben aang elegd op plaatsen waar de rivier te dicht langs de dijk liep. Door kribben te verlengen, of nieuwe aan te leggen werd de rivier langzaam richting zijn streefbeloop gedirigeerd. Toen de rivier zijn streefbeloop had gekregen brak de tweede fase aan. De rivier kreeg zijn korset van kribben die hem op zijn plaats zouden houden en voor voldoende diepgang zou zorgen. Diverse dijkdoorbraken langs de Maas tijdens hoogwater begin januari 1926 waren aanleiding tot grootschalige aanpassingen aan de loop van de Maas en waartoe ir. C. Lely onderzocht heeft hoe de waterafvoer van de Maas kon worden verbeterd en waarmee het waterafvoer verhoog d 3
3
kon worden van 1.300 m per seconde naar 3.200 m per seconde. Het ontwerp bestond uit: de aanleg van een stuw bij Lith; - opruiming van heggen in het werkzame deel van het winterbed; - verbreding van het zomerbed naar 100 m, hier en daar met enige verdiepi ng van het zomerbed; - aanleg van diverse bochtafsnijdingen in het gebied tussen Grave en Blauwe Sluis waardoor het traject van de Maas tussen deze plaatsen bijna 20 km korter werd (van 56,6 naar 37,5 km) . Deze werken zijn vanaf de jaren 1930 uitgevoerd.
Oorlog en defensie Zuiderwaterlinie Het onderzoeksgebied ten zuiden van de Maas maakt deel uit van de Zuiderwaterlinie (ook wel e
Zuiderfrontier). Deze linie is ontstaan in het begin van de 18 eeuw en betrof in feite een uitbreiding van de oudere West-Brabantse waterlinie en Staats-Spaanse linies in Zeeuws Vlaanderen die al in de Tachtigjarige Oorlog zijn aangelegd. De Zuiderwaterlinie liep van Grave tot aan Zeeland. Binnen het onderzoeksgebied vormde Ravenstein een vestingstad die onderdeel was van de linie. Verder kon het binnendijkse gebied ten zuiden van de Maas bij dreiging onder wate r worden gezet zodat in feite een dubbele waterlinie ontstond (het geïnundeerde gebied met direct ten noorden hiervan de Maas). Later is van dit gebied gebruik gemaakt om de Beerse Overlaat aan te leggen om bij hoge waterstanden op de Maas dijkdoorbraken en overstromingen te voo rkomen en het water via een overstroombedding van Beers (bij Cuijk) naar Den Bosch te leiden.
67
Van der W oud, 2004: 101
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[2 9 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
De overstroombedding lag ten zuiden van het onderzoeksge bied. Aangezien het onderzoeksgebied zich beperkt tot een zone van 100 m langs de dijk en het maaiveld in deze zone langs de dijk op de oeverwal van de Maas wat hoger lag en ligt, zal de invloed van de Beerse Overlaat gering zijn geweest in het onderzoeksgebied zelf.
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[3 0 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
3 Archeologie 3.1 Methoden en bronnen 3.1.1 Toelichting op de landschappelijke inventarisatie Voor een goede indruk van de archeologische verwachtingen en de verspreiding van archeol ogische vindplaatsen is een gedetailleerde analyse van de on tstaansgeschiedenis (geomorfogenese) en opbouw van het landschap noodzakelijk. Het grondgebied van het onderzoeksgebied maakt in zijn geheel deel uit van het middenstroomse gedeelte van de Maas - en Rijndelta. De geschiedenis van de Maas en Rijn zijn dan ook in hoge mate bepalend voor de landschappelijke opbouw en vormt een belangrijke basis voor het begrijpen van de archeologische betekenis van het landschap. Voor het gemeentelijk grondgebied van de drie gemeenten zijn reeds archeologische verwachtingskaarten beschikbaar. Deze kaart is grotendeels gebaseerd de eerder vervaardigde gemeen68
telijke verwachtingskaart (bijlagen 1a, 1b en 1c) , op de stroomgordelkaart van Cohen & Stouthamer (2012) en zanddieptekaart (Cohen e.a., 2009). De gemeentelijke verwachtingskaarten zijn vrij recent, maar laten in veel gevallen de gehele uiterwaarden vallen in een zone met een lage verwachting. In tegenstelling tot de Waal en Rijn is echter gebleken dat delen van de Maas uiterwaard een grote ouderdom heeft. Daarom is gek ozen om de ouderdom van het uiterwaardengebied gedetailleerd in kaart te brengen om zo een gespecificeerde verwachting aan deze zones te kunnen koppelen. Hierbij is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: - De stroomgordelkaarten van het rivierengebied;
69
- Archeologische verwachtingskaart uiterwaarden rivierengebied;
70
- Zanddieptekaarten van het Gelders rivierengebied, schaal 1:25.000;
71
- De bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000; - De geologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000; - De geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000; - Verscheidene historische topografische kaarten; e
72
e
- De serie rivierkaarten uit de 19 en 20 eeuw; - Kadastrale minuutplans uit circa 1832; - Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN; versie 2); - Overzicht met aardkundig waardevolle gebieden van provincie Noord-Brabant;
68 69 70 71 72
Goossens, 2009, Sueur e.a., 2013 en gemeente Oss, 2014 Cohen & Stouthamer, 2012 Cohen e.a., 2014 Cohen e.a., 2009 www.topotijdreis.nl
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[3 1 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
- Overige lokale geologische, bodemkundige en/of archeologische studies. Het AHN2 vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser-altimetrie verkregen digitale hoogtebestand vormt een uiterst gedetailleerde kaart van het huidige reliëf in het onderzoeksgebied. Het AHN is met name gebruikt bij het in kaart brengen van restgeulen, het bijstellen van de begrenzing van meandergordels en oeverz ones, en het in kaart brengen van ontgrondingen of afgravingen. Voor het onderzoeksgebied wordt dit plaatselijk bemoeilijkt door de verschillende overstromingen en inundaties van het g ebied. Door sedimentafzetting in een groot deel van de gemeente zijn de hoogteverschillen plaa tselijk sterk genivelleerd en wordt landschapsanalyse door middel van het AHN bemoeilijkt. Door combinatie van de informatie op de geraadpleegde kaarten, het AHN en aanvullende bodemku ndige bronnen met archeologische gegevens is het landschap van het onderzoeksgeb ied onderverdeeld in archeolandschappelijke eenheden. De kenmerken van deze eenheden worden b eschreven in paragraaf 3.3. Per archeolandschappelijke eenheid is vervolgens een archeol ogische verwachting gekoppeld. Ook is op de kaart een uiterwaardgebied ten oosten van Megen weergegeven die als aardkundig waardevol gebied is aangeduid door provincie Noord -Brabant.
Bodemverstoringen In het gebied zijn zones aanwezig waar de archeologisch relevante niveaus reeds verstoord zijn door graafwerkzaamheden. De locaties met bodemverstoringen zijn geïnventariseerd aan de hand van de volgende bronnen: - Het provinciaal bestand met ontgrondingsvergunningen en bodemsaneringen; - De gemeentelijke verwachtingskaarten; - Het Actueel Hoogtebestand Nederland. De verstoringen zijn in GIS geïnventariseerd en gecategoriseerd in drie klassen: - Diepe bodemverstoringen, waarbij kan worden aangenomen dat alle relevante archeologische niveaus verstoord zijn; - Ondiepe bodemverstoringen, waarbij alleen de top van het bodemprofiel (tot ca. 0,5 à 1,0 m – Mv) verstoord is. Dit betekent dat alleen een eventueel archeologisch niveau in de top van het bodemprofiel verstoord is. Eventuele dieper gelegen niveaus kunnen nog intact zijn; - Ophogingen die hebben geleid tot afdekking van de ondergrond. Eventuel e aanwezige archeologische niveaus zijn hierbij afgedekt wat kan hebben geleid tot verblauwing (blauwe grondverkleuring door het ontbreken van zuurstof) en/of deformatie van het betreffende niveau.
3.1.2 Toelichting op de archeologische inventarisatie De archeologische inventarisatie (kaartbijlage 1) heeft als primaire doelstelling een zo actueel en compleet mogelijk beeld te geven van de bekende archeologische vindplaatsen in het onde rzoeksgebied. Bekende vindplaatsen vormen de meest directe verwijzinge n naar menselijke activiteiten in het verleden en hebben daarmee een duidelijke signaalfunctie voor te verwachten archeologische resten in situ. Daarnaast biedt een zo compleet mogelijk overzicht van bekende archeologische vindplaatsen de beste mogelijkheid om tot een zo gedetailleerd mogelijk ver-
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[3 2 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
wachtingsmodel te komen. Belangrijk zijn daarvoor het type vindplaatsen en de datering. Tijdens de archeologische inventarisatie zijn de volgende bronnen geraadpleegd:
het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) en de archeologische monumentenkaart (AMK) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te Amersfoort;
Gegevens uit de cultuurhistorische inventarisatie voor het onderzoeksgebied;
Gegevens van lokale heemkundeverenigingen: o
Archeologische werkgroep van heemkundekring Land van Ravenstein (contactpersoon mevr. M.van den Broek);
o
Heemkundekring Land van Ravenstein (contactpersoon dhr. T. van Hooff)
o
Stichting Vestingwerken
o
Heemkundekring Lith/ Maasdorpen (contactpersoon dhr. N. Bo ngers/R.Verschuur)
o
Werkgroep Zuiderwaterlinie (contactpersoon dhr. N. Bongers)
o
Heemkunde Megen, Haren en Macharen (contactpersoon dhr. K. van de Wiel)
gegevens uit eerder archeologisch onderzoek (zie literatuurlijst);
ARCHIS vindplaatsen De basis van de inventarisatie van bekende archeologische vindplaatsen wordt gevormd door het zeer omvangrijke vindplaatsenbestand in ARCHIS. Dit bestand bestaat uit waarnemingen en vondstmeldingen. In totaal komen er in het onderzoeksgebied 45 vindplaatsen voor uit de ARCHIS database. De vindplaatsen zijn gecontroleerd op het voorkomen van onvolkomenheden (met name datering) en opgenomen in de database van dit rapport (GIS -bijlage 1). AMK-terreinen Op de archeologische monumentenkaart van de provincie s Gelderland en Noord-Brabant (AMK Gelderland en AMK Noord-Brabant) staan terreinen geregistreerd waaraan de rijksoverheid (op grond van onderzoek) een archeologische status heeft toegekend. Het betreft in totaal 15 terreinen (met 17 complexen) die geheel of gedeeltelijk in het onderzoeksgebied zijn g elegen. Geen van de AMK-terreinen betreft een archeologisch rijksmonument. Drie terreinen zijn aangeduid als terrein van archeologische waarde en twaalf terreinen als terrein van hoge archeologische waarde. Deze zijn opgenomen in de database van dit rappor t (GIS-bijlage 1).
Onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied staan in totaal 81 archeologische onderzoeksmeldingen geregistreerd (bestand ARCHIS): - 14 bureauonderzoeken; - 42 booronderzoeken; - 1 archeologische inspectie; - 2 archeologische karteringen; - 3 geofysische onderzoeken; - 8 proefsleuvenonderzoeken; - 8 begeleidingen; - 1 opgraving;
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[3 3 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
- 2 onderzoeken waarvan type onbekend is. Overige vindplaatswaarnemingen Een aanvulling op het vindplaatsenbestand is verkregen aan de hand van literatuuronderzoek (o.a. historische kaarten). Oude woongronden Op de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart worden ook de zgn. ‘oude woongro nden’ aangegeven. Deze informatie is voornamelijk afkomstig van bodemkarteringen , voor dit gebied afkomstig van de gedetailleerde bodemkaart van Van Diepen (1954). De oude woongronden vallen vaak samen met de meest intensief gebruikte delen van nederzettingsterreinen uit de Romeinse tijd en Middeleeuwen. Historische dorpskernen De oudste delen van de bestaande kerkdorpen vormen per definitie rijke archeologische vindplaatsen, waarin doorgaans tot 1200 jaar bewoningsgeschiedenis ligt opgeslagen. In de gemeente Oss zijn deze historische kernen reeds gekarteerd op de gemeentelijke archeologische b eleidskaart. Binnen het onderzoeksgebied dat is gelegen ten noorden van de Maas liggen alleen de randen van de historische kernen van Batenburg en Maasbommel nog net in het onderzoek sgebied. De overige historische kernen als die van Alphen en Appeltern liggen in z’n geheel bu iten het onderzoeksgebied. Beperkingen en onzekerheden van het bronnenmateriaal De informatie over in ARCHIS geregistreerde vindplaatsen is grotendeels gebaseerd op geg evens van derden.
De nauwkeurigheid van deze vindplaatsgegevens loopt hierdoor sterk uiteen. Hoewel tijdens onderhavig onderzoek is gestreefd naar een ‘volledig’ overzicht van bekende archeologische vindplaatsen in het onderzoeksgebied, moet worden opgemerkt dat hierbij met name gebruik is gemaakt van geregistreerde (officieel gemelde) vindplaatsen en vondsten.
3.2 Toelichting op het archeologisch verwachtingsmodel 3.2.1 Principes en nauwkeurigheid Een archeologische verwachtingskaart is een kaart waarop de verwachte dichtheid aan arche ologische resten vlakdekkend is weergegeven. Een archeologische verwachting skaart vormt daarmee de grafische weergave van een voorspellingsmodel dat gebaseerd is op het principe dat archeologische resten niet willekeurig over een gebied zijn verspreid, maar gerelateerd zijn aan bepaalde landschappelijke kenmerken of eigenschappen . Het vaststellen van de archeologische verwachting voor het onderzoeksgebied is gebaseerd op een hypothetische benadering (deductieve benadering). Een deductieve benadering is gebaseerd op kennis over de locatiekeuzen in het verleden. Door algemene kennis over de ligging en verspreiding van archeologische vindplaatsen te combineren met landschappelijke gegevens (geologie, bodemgesteldheid en geomorfologie) zijn de lan dschappelijke eenheden in het gebied voorzien van een archeologische verwachting. Uitgan gs-
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[3 4 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
punt is de analyse van de landschappelijke kenmerken van bekende vindplaatsen in het gebied en in landschappelijk opzicht overeenkomstige referentiegebieden. Onder archeologische ve rwachting wordt de kans op het voorkomen van archeologische resten versta an. Archeologische verwachting zegt dus iets over de dichtheid waarin archeologische terreinen binnen een lan dschappelijke eenheid voorkomen of worden verwacht. Hoe hoger de archeologische verwachting van een bepaalde landschappelijke eenheid, hoe groter d e verwachte dichtheid aan archeologische resten. Met de termen lage, middelhoge en hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten wordt dit tot uitdrukking gebracht. De verwachte dichtheid aan archeologische resten binnen de landschappelijke eenheden moet niet verward worden met de waarde van individuele archeologische vindplaatsen die binnen deze eenheden voorkomen. Een archeologische vindplaats in een gebied met een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten is niet per definitie waardevolle r dan een vindplaats in een gebied met een lage verwachte dichtheid aan archeologische resten. De waarde van individuele vindplaatsen is namelijk afhankelijk van de criteria gaafheid, zeldzaamheid en de externe (lan dschappelijke) context en niet van de ligging binnen een bepaalde verwachtingszone.
3.2.2 Vestigingsfactoren en locatiekeuze Tot op heden zijn archeologische verwachtingsmodellen in Nederland voornamelijk gebaseerd op vestigingsfactoren en locatiekeuzen die voortkomen uit economische en landbo uwkundige motieven. Over andere motieven (bijvoorbeeld van politieke, religieuze, sociale of strategische aard) is tot dusverre nog zo weinig bekend dat ze slechts bij hoge uitzondering gebruikt worden bij het opstellen van verwachtingsmodellen. Economische en landbouwkundige motieven hebben in hoofdzaak betrekking op de fysieke mogelijkheden en beperkingen van het landschap waarin men leefde. Door gebruik te maken van geologische en bodemkundige gegevens kunnen deze op relatief eenvoudige wijze worden herleid. Aan bepaalde landschappelijke parameters kan in alle archeologische perioden een vergelijkbare verwachting worden gekoppeld. Voor het riviere nlandschap geldt bijvoorbeeld in hoofdlijnen: hoog en droog = hoge archeologische verwachting; laag en nat = lage archeologische verwachting. Vooral de holocene stroomgordels waren hoge en goed herkenbare elementen in het overwegend moerasachtige en dichtbegroeide riviere nlandschap. In het verleden werden zowel oeverwallen als (rest)geulen gebruikt als verbinding sroute tussen verschillende gebieden. Toch zijn er in de loop van de tijd ook duidelijke verschillen in locatiekeuze te onderscheiden.
Het meest markant zijn deze verschillen tussen jager verzamelaars enerzijds en landbouwers anderzijds. Jager-verzamelaars (Paleolithicum t/m Midden Neolithicum) Een belangrijk kenmerk van de Oude en Midden Steentijd en ten dele ook de Nieuwe Steentijd is dat de mens in zijn voedselvoorziening voorzag door middel van jagen en verzamelen. Deze zgn. jager-verzamelaars trokken door het landschap en verbleven alleen tijdelijk op een bepaalde plaats. Bij een analyse van de verspreiding van steentijdvindplaatsen in het rivierengebied blijkt dat de ligging van vindplaatsen van jager-verzamelaars sterk aan bepaalde landschappelijke eenheden is gebonden. In vrijwel alle gevallen zijn de vindplaatsen van jager -verzamelaars te vinden op de overgang van nat naar droog. Dit verband is sterker naarmate deze overgang ma r-
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[3 5 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
kanter is (bijvoorbeeld op hoge zandkoppen in laaggelegen gebieden). Een verklaring voor deze sterke relatie moet worden gezocht in de volgende factoren: - Landschappelijke overgangen worden gekenmerkt door het op korte afstand van elkaar voo rkomen van een grote verscheidenheid aan vegetatietypen. Dit brengt voor jager -verzamelaars met zich mee dat er op dergelijke locaties een grote verscheidenheid aan voedselbronnen op korte afstand voorhanden is in de vorm van planten en dieren. - Landschappelijke overgangsgebieden zijn markante en goed herkenbare elementen in het landschap. In het verleden kunnen deze zijn gebruikt als migratieroute tussen verschillende g ebieden. De sterke voorkeur voor landschappelijke overgangssituaties is een van de weinige locatiekeuz efactoren voor jager-verzamelaars op grond waarvan een ruimtelijk vo orspellingsmodel kan worden geformuleerd. Gebieden met een hoge archeologische verwachting zijn: - oevers van (crevasse)geulen en andere depressies; - ruggen en koppen (zoals bijvoorbeeld rivierduinen) in natte, laaggelegen terreinen. Landbouwers (Midden Neolithicum t/m Late Middeleeuwen) Met de introductie van de landbouw in de loop van het Neolithicum stelde de mens geleidelijk andere eisen aan zijn landschappelijke omgeving. De locatiekeuze werd steeds meer bepaald door de mate waarin gronden geschikt waren voor de akkerbouw.
De eerste landbouwers hadden nagenoeg geen technische middelen om de bodemstructuur en -vruchtbaarheid te verbeteren (de oudst bekende, zeer primitieve ploeg dateert uit de IJzertijd). Oogstrisico’s werden bepaald door de fysische eigenschappen van het landschap. Belangrijke parameters waren grondwaterregime, natuurlijke vruchtbaarheid, bewerkbaarheid van de bodem en areaal geschikte landbouwgrond. Tot de gebieden met een hogere archeologische verwachting moeten in de eerste pla ats de relatief hooggelegen fossiele meandergordels worden gerekend. In het rivierengebied worden de meandergordels over het algemeen gekenmerkt door een hoge dichtheid aan archeologische vindplaatsen uit de Prehistorie en latere archeologische perioden . Naast reliëf en bodemkwaliteit kan de aanwezigheid van voormalig open water in de vorm van restgeulen worden genoemd als locatiekeuzefactor. In het rivierengebied zijn resten van bew oning uit de IJzertijd en Romeinse tijd met name te vinden op oevers langs restgeulen die fungeerden als natuurlijke, bevaarbare verbindingen tussen nederzettingen.
Binnen het onde rzoeksgebied is op basis van de bestaande gemeentelijke verwachtingskaart en aangevuld met het AHN en de verwachtingskaart van de uiterwaarden (Cohen e.a, 2014) de ouderdom van de diverse delen van de uiterwaard gereconstrueerd en daarmee is nader te specificeren welk type archeologische resten uit welke archeologische periode te verwachten zijn.
3.2.3 Archeologisch verwachtingsmodel De archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart (kaartbijlage 1) is onder andere tot stand gekomen door kennis over de opbouw van het landschap (beschreven in hoofdstuk 2) te combineren met kennis over de gebruiksmogelijkheden van dit landschap voor de mens gedurende de verschillende archeologische perioden. Samen met de reeds bekend e archeologische vindplaat-
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[3 6 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
sen geeft deze kaart een zo compleet mogelijk overzicht van de huidige archeologische kennis over het onderzoeksgebied. Binnen het onderzoeksgebied kan op basis van de ouderdom van individuele stroomgordels, de geologische ontstaansgeschiedenis, geomorfologie en bodemgesteldheid, onderscheid worden gemaakt in eenheden met een eigen karakter en periodespecifieke archeologische verwachting. De volgende eenheden worden onderscheiden: - Pleistocene afzettingen: - het rivierterras en het vroegholocene dalsysteem - Holocene afzettingen: - Holocene meandergordels en restgeulen (binnendijks gelegen):
Periode van de jager/verzamelaars (specifiek Neolithicum-IJzertijd)
Periode van de Landbouwers (Bronstijd-Volle Middeleeuwen)
Periode van na de bedijking (Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd
- Afzettingen buiten de meandergordels:
Oeverafzettingen (van de Maas en van oudere stroomgordels)
Dijkdoorbraakafzettingen (overslaggronden)
- Holocene meandergordels (buitendijks gelegen):
stroomgordel buitendijks voor periode Neolithicum-IJzertijd
stroomgordel buitendijks voor periode IJzertijd-Romeinse tijd
stroomgordel van de Maas:
verlanding in de Romeinse tijd
verlanding in de Vroege Middeleeuwen
verlanding in de Late Middeleeuwen
verlanding in de Nieuwe tijd
historische Maasloop (verland dan wel gedempt)
historische Maasloop, nu nog aanwezig
huidige Maasloop die na 1950 is aangelegd
3.3 Archeolandschappelijke eenheden en verwachtingen 3.3.1 Pleistocene afzettingen: het rivierterras en het vroegholocene dalsysteem Vanuit literatuur (o.a. Cohen e.a, 2009; Cohen & Stouthamer 2012) zijn er geen aanwijzingen voor rivierduinen in het onderzoeksgebied. Theoretisch kunnen in de delen van het onderzoeksgebied waar in het Holoceen geen stroomgordel heeft gelegen nog delen van het pleistocene terras intact zijn. In de top van dit laatpleistocene terras kunnen theoretisch nog archeologische resten uit het Mesolithicum en Vroeg Neolithicum aanwezig zijn. Dit betreft met name de zones direct langs de diverse terrasranden en op de oevers van vroegholocene geulen. Zoals uit figuur 3.1 blijkt, is de top van de pleistocene afzettingen in bijna het gehele onderzoeksgebied ve rstoord door meanderend gedrag van de diverse stroomgordels in de loop van het Holoceen. A lleen in de zone direct langs de huidige Maasdijk (zowel binnendijks als buitendijks) zijn hier en daar nog locaties te duiden waar de top van het pleistocene terras intact is. Door stijging van de zeespiegel is het pleistocene terras in de loop van het Holoceen weer afgedekt. Volgens de ge-
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[3 7 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
gevens van Cohen & Stouthamer (2012) zou in de periode tussen 7000 en 5800 jaar (Laat Mes olithicum – Midden Neolithicum) geleden zijn gebeurd.
Figuur 3.1 De laatpleistocene en vroegholocene terrasniveaus (boven) en de gebieden waar de top van het pleistocene/vroegholocene terras verstoord is door latere stroomgordels (onder). De kaarten zijn gebaseerd op gegevens van Cohen & Stouthamer (2012).
Archeologische verwachting In het Mesolithicum en Vroeg Neolithicum moeten de oevers van de geul en de ingesneden vroegholocene dalvlakte met bijbehorende randen geschikte locaties zijn geweest voor bew o-
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[3 8 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
ning. Uit het onderzoeksgebied zijn echter geen vindplaatsen uit deze periode bekend en zijn, gezien de verstoringen door latere rivierlopen niet te verwachten ter plaatse van deze vroegholocene dalvlakte en/of bijbehorende terrasrand. Over de archeologische verwachting van de het terras X-niveau dan wel Laagterras kunnen, gezien het ontbreken van informatie over de locatie van geulen en kopjes uit die periode, geen uitspraken worden gedaan. Voor deze terrasniveaus geldt derhalve een onbekende verwachting.
3.3.2 Holocene stroomgordels en restgeulen (binnendijks) De periode waarin de stroomgordelafzettingen ontstonden, wordt aangegeven met een beginfase en eindfasedatering. Voor het onderzoeksgebied geldt dat zowel in de beginfase dateringen (aanvang van rivieractiviteit) als de eindfase een grote spreiding is te onderscheid en (de dateringen zijn in de meeste gevallen gebaseerd op
14
C-dateringen van monsters uit restgeulen of de
basis van oeverpakketten, evenals op archeologische waarnemingen en zanddiepten). Door de vele stroomgordelverleggingen zijn delen van oude fossiele stroomgordels geërodeerd door jongere fasen. In het buitendijkse gebied heeft met name de Maas over een groot oppervlak aan oudere stroomgordels opgeruimd. Daar staat tegenover dat met name in het binnendijkse gebied het stelsel van prehistorische meandergordels gevrijwaard is gebleven van erosie. In het onde rzoeksgebied worden 9 stroomgordels onderscheidden. Archeologische verwachting Voor het toekennen van een archeologische verwachting kan onderscheid worden gemaakte in de stroomgordels die actief waren in de volgende perioden: - Periode van de jager/verzamelaars (Mesoliticum-Neolithicum): Hoewel er voor de diepgelegen meandergordels nauwelijks informatie over bewoningsmog elijkheden voorhanden is, wordt aangenomen dat ze wel gedurende enige tijd geschi kt waren om er zich (al dan niet langdurig) te vestigen. Hoe lang de diepgelegen meandergordels exact geschikt voor bewoning waren, is niet bekend. In de nationale onderzoeksagenda archeologie (NOAa; Deeben e.a., 2006) wordt in hoofdstuk 8 dit expliciet al s kennislacune genoemd. De oudste stroomgordels in het onderzoeksgebied zijn ontstaan in het Vroeg Neolithicum en in de loop van het Neolithicum dan wel Bronstijd buiten gebruik geraakt.
Voor deze stroomgordels geldt dan ook een hoge archeologische verwachting vanaf het Neolithicum. Deze verwachting loopt door tot de IJzertijd, aangezien de oevers van deze stroomgordels nog lange tijd als rel atief hooggelegen zones in het landschap liggen. - Periode van de Landbouwers (Bronstijd-Volle Middeleeuwen): Binnen het onderzoeksgebied komen meerdere stroomgordels voor uit de periode Bronstijd tot en met Volle Middeleeuwen. Van al deze stroomgordels zijn archeologische resten bekend. Voor deze stroomgordels geldt een hoge archeologische verwachting. - Periode van na de bedijking (Late Middeleeuwen- Nieuwe tijd). De stroomgordels die na de bedijking aanwezig zijn betreffen het huidige buitendijkse gebied. Dit gebied wordt in paragraaf 3.3.4 besproken.
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[3 9 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
3.3.3 Afzettingen buiten de meandergordels Oeverafzettingen (van de Maas en van oudere stroomgordels) De stroomgordels worden geflankeerd door zones met relatief zandige oeverafzettingen. Deze worden veelal gekenmerkt door een wigvormige opbouw. Terwijl dicht tegen de stroomgordels dikke pakketten oeverafzettingen zijn afgezet, neemt de dikte van het oeverpakket op grotere afstand geleidelijk af. De oeverafzettingen representeren de bloeifase van een stroomgordel; de rivier was in die fase zo actief dat deze ook op grotere afstand van de actieve bedding zandig materiaal afzette. In het algemeen liggen oeverafzettingen op komkleiafzettingen waarin de m eandergordel zich heeft ingesneden. Het oever-op-komprofiel is dan ook kenmerkend voor de zones aan weerszijden van de stroomgordels. De oeverzones liggen op veel plaatsen hoger dan de aangrenzende zones met stroomgordelafzettingen en vormen daarmee zeer geschikte loc aties voor bewoning. Overigens worden stroomgordels niet altijd vergezeld door aangrenzende zones met oeverafzettingen. Bij het ontstaan van een stroomgordel vindt er in eerste instantie voornamelijk insnijding plaats in de bestaande holocene afzettingen (bijvoorbeeld komafzetti ngen), waar de nieuwe rivierloop zich een weg door baant. Ook de onderliggende pleistocene afzettingen worden daarbij meestal ingesneden.
Indien de meandergordel weinig actief is of als de ontwikkeling plotseling stagneert, kan het zijn dat de verticale opbouw niet boven de top van de bestaande afzettingen uit komt. De activiteiten van de rivier blijven in dat geval beperkt tot de meandergordel en oeverwallen worden niet of nauwelijks gevormd. Archeologische verwachting Op basis van de beschikbare gegevens is de exacte breedte van de oeverzone van de Maas niet vast te stellen, maar is een zone van 250 m aangehouden, waarmee feitelijk het gehele binnendijks gelegen deel van het onderzoeksgebied is afgedekt met oeverafzettingen van de Maas . Aan de oeverzones van de Maas kan een middelhoge archeologische verwachting worden to egekend. Op de oeverzones zijn resten te verwachten van nederzettingsterrei nen, maar ook grafvelden, wegen e.d. Dijkdoorbraakafzettingen (overslaggronden) Een bijzonder type afzettingen wordt gevormd door de dijkdoorbraakafzettingen of overslaggro nden. Op verschillende plaatsen zijn de winterdijken van de Waal in de afgelopen ee uwen doorgebroken, waarbij diepe kolken (zgn. wielen) zijn ontstaan. Het grofzandige en grindrijke mater iaal uit die kolken is daarbij als een waaier over het achterliggende land afgezet. De oversla ggronden hebben een beperkte omvang en geen invloed op de archeologische verwachting.
Wel is het bodemarchief ter hoogte van overslaggronden door de afdekking beter bewaard gebleven. Archeologische verwachting Deze archeolandschappelijke eenheid is in bijna het gehele binnendijkse deel van het onderzoeksgebied aanwezig, maar heeft geen invloed op de archeologische verwachting . Wel kan worden gesteld dat de aanwezigheid van dergelijk overslagmateriaal heeft geleid tot een betere conservering van het onderliggende archeologische pakket met uitzondering van een zon e direct achter de betreffende dijkdoorbraak waar het onderliggende archeologische pakket geërodeerd kan zijn door de kracht van het water.
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[4 0 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
3.3.4 Stroomgordels buitendijks (stroomgordels en kronkelwaarden van de Maas) De geologische opbouw van de uiterwaarden wijkt in hoge mate af van de stroomgordels die vóór de bedijking zijn ontstaan doordat de mens sinds de Late Middeleeuwen veel invloed heeft gehad op de ontwikkeling van de Maasloop. Veel van de huidige meanders van de Maas stammen uit de Romeinse tijd of Vroege Middeleeuwen. In de loop van de tijd konden de meanders groeien door erosie in de buitenbocht en sedimentatie in de binnenbochten. Na de bedijking waren enkele zones waar de dijk direct naast de buitenbocht van de Maas lag. Om verdere er osie en daarmee ondermijning van de dijk te voorkomen moesten op deze locaties maatregelen plaatsvinden. Door de aanleg van kribben in de buitenbocht kon de stroomsnelheid van de Maas worden gereguleerd en werd op deze manier voorkomen dat de buitenbocht verder erodeerde. In tegenstelling tot de uiterwaarden van de Waal zijn in het buitendijkse gebied van de Maas diverse zones te duiden met een Romeinse of Vroegmiddeleeuwse ouderdom (oudere delen van de kronkelwaard), terwijl de jongere delen van de kronkelwaard veelal dateren uit de Late Middeleeuwen.
Archeologische verwachting Op basis van de datering van de diverse delen van de kronkelwaard van de Maas kunnen aan de oudere zones (verland in de Romeinse tijd dan wel Vroege Middeleeuwen) een hoge archeologische verwachting worden toegekend, terwijl voor de zones die pas in de Late Middeleeuwen verland zijn een lage tot middelhoge archeologische verwachting geldt. e
Het buitendijkse gebied is vanaf de systematische bedijkingen in de 13 eeuw onderhevig geweest aan erosie- en sedimentatieprocessen, maar in tegenstelling tot de Waal die ook na de bedijking flink is blijven meanderen, gaat de oorsprong van de huidige meanders van de Maas terug naar de periode voor de bedijking. Er kunnen met name in de vroeg verlande delen van de uiterwaarden archeologische resten (in situ) worden verwacht en kunnen betrekking hebben op nederzettingslocaties. Maar ook in de zones die pas in de loop van de (Vroege) Middeleeuwen verland zijn, kunnen archeologische resten worden verwacht en zijn bij Maasbommel en op de Maasakkers reeds aangetoond. In de restgeulen die in het gebied voorkomen en de delen van de huidige Maasgeul die niet gegraven zijn dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van (resten van) beschoe iingen, dammen, kribben, vaartuigen en andere watergerelateerde archeologische objecten uit de (Late Middeleeuwen B en) Nieuwe tijd. Tot slot geldt voor dit gebied dat de aanwezigheid van verspoelde archeologische resten nergens kan worden uitgesloten. Met name in zones met zandige en grindrijke afzettingen dient hier rekening mee te worden gehouden. De vondsten met sterk uiteenlopende dateringen, aangetroffen in grindgaten in de omgeving van het gebied, b evestigen dat.
3.3.5 De Maasdijk Archeologische verwachting e
Aan de Maasdijk zelf (de dijkvakken ouder dan 20 eeuws) kan een middelhoge archeologische verwachting worden toegekend voor de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. In het dij k-
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[4 1 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
profiel zijn sporen te verwachten waarmee de fasering van de aanleg van de dijk te bepalen zijn. Als zone is een breedte van 40 m aangehouden. Onder het dijklichaam zijn bovendien nog oudere archeologische resten te verwachten uit de periode voor de dijkaanleg.
3.3.6 Historische nederzettingen / historische locaties De historische kernen en historische locaties zoals deze op basis van historisch kaartmateriaal e
uit de 19 eeuw en andere bronnen zijn gekarteerd gaan veelal terug tot in de Late of Vroege Middeleeuwen. Archeologische verwachting Aan de historische kernen kan, gezien de hoge dichtheid aan (historische) bebouwing, een zeer hoge archeologische verwachting worden toegekend. Archeologische resten hebben betrekking op individuele huisplaatsen, nederzettingsterreinen en bijbehorende resten als waterputten, w egen etc.
3.3.7 Militair erfgoed Binnen het plangebied liggen twee grotere militaire werken: de vesting van Ravenstein (zie paragraaf 2.5) en het Fort aan het Luttereind. Vanaf 1698 werd aan de zuidkant van de Republiek een waterlinie aangelegd van zuidwest naar noordoost door Noord-Brabant om de Republiek te beschermen tegen invallen vanuit het zuiden. Echt belangrijk is deze Zuiderfrontier nooit geweest omdat het zogenaamde Barrièretractaat uit 1697 de Republiek toestond om garnizoenen onder te brengen in grenssteden in de Oostenrijkse Nederlanden.
73
Pas na de afscheiding van België in 1830 kwam er weer behoefte om in deze
contreien aan landsverdediging te doen. De Zuiderfrontier werd nieuw leven ingeblazen als de Noord-Brabantse Waterlinie. Rond de inlaat bij Lithoije n werd als onderdeel van de Stelling van Lithoijen in 1833 het fort aan het Luttereind gebouwd. Samen met twee lunetten (net ten zuiden van het plangebied) sloot dit fort de in 1825 verhoogde Litherenweg af. In 1886 verviel de milita ire functie en heden ten dage is er van het fort niets meer te vinden, behalve de naam van de Batterijweg en de bocht van deze weg nabij de Lutterstraat.
74
De vesting Ravenstein werd na enkele voorgangers vanaf 1621 aangelegd volgens het oud Nederlandse stelsel. In het Rampjaar 1672 werden de Staatse troepen door de Fransen verdreven en kreeg de hertog van Neuburg de stad terug in zijn bezit, op voorwaarde dat de vesting geslecht zou worden. Dit gebeurde niet maar de vesting werd wel verwaarloosd. In de Franse Tijd werd de strategische rol van Ravenstein definitief verleden tijd. In 1923 werden de oude grachten hersteld om de oude vestingstad beter zichtbaar te maken.
75
De contouren van de in
het onderzoeksgebied geleden Bovenste en Benedenste Hoornwerk zijn daardoor zichtbaar in de loop van grachten en straten.
73 74 75
https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/zuiderfrontier geraadpleegd 12-03-2018 https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/de -noord-brabantse-waterlinie geraadpleegd 12-03-2018 https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/vesting-ravenstein en http://vestingravenstein.nl/geschiedenis -ravenstein geraadpleegd 12-03-2018
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[4 2 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
Archeologische verwachting Binnen de zones met militaire werken geldt een zeer hoge archeologische verwachting en kunnen archeologische resten worden aangetroffen met betrekking op de belegering, zoals militaria, sporen van grachten, loopgraven en houten verschansingen.
3.3.8 Oude Woongronden De oude woongronden zijn gekarteerd ten behoeve van de vervaardiging van de bodemkaart 1:25.000, de gedetailleerde bodemkaart van Van Diepen (1954) en zijn reeds opgenomen in de archeologische beleidskaart van gemeente Oss. Ten behoeve van onderhavig onderzoek is bovendien het AHN bestudeerd op de aanwezigheid van zones waar sprake is/kan zijn van oude woongronden. Het betreft zones waar door eeuwenlange bewoning een bodem met een dikk e humeuze bovengrond is ontstaan. Het merendeel van de oude woongronden is tot op heden als verhoging in het landschap zichtbaar. Archeologische verwachting Aan de oude woongronden kan een zeer hoge archeologische verwachting worden toegekend. Het betreft zones die veelal vanaf de IJzertijd of Romeinse tijd intensief bewoond zijn geweest. Soms hebben ze echter betrekking op delen van middeleeuwse dorpskernen.
3.3.9 Zones waarin de bodem reeds (diep dan wel ondiep) is afgegraven en ophogingen Ter plaatse van de zand- en/of grindputten in het onderzoeksgebied, waar de bodem reeds diep is afgegraven, geldt geen archeologische verwachting voor archeologische resten in situ. Voor de zones die minder diep zijn afgegraven dan wel vergraven (gemiddeld tot 1 m) geldt dat de top van het archeologische niveau verstoord is, maar dat in deze zones rekening dient te worden gehouden dieper gelegen archeologische niveaus. Bij terreinen die zijn opgehoogd is het onderliggende archeologische niveau beschermd tegen verstoringen. Wel dient in deze zones rekening te worden gehouden met deformaties van a rcheologische niveaus evenals met verblauwing.
3.4 Bekende archeologische vindplaatsen Door clustering van de verzamelde archeologische gegevens zijn 45 vindplaatsen gedefinieerd: plaatsen waar archeologische vondsten zijn geregistreerd. De vindplaatsen zijn weergegeven op de archeologische bronnenkaart (kaartbijlage 1). Naast de vindplaatsen worden op de kaartbijlage AMK-terreinen, ARCHIS-onderzoeksmeldingen, middeleeuwse dorpskernen, oude woongronden en historische elementen met archeologische lading weergegeven.
3.4.1 Vindplaatsen In de afgelopen decennia zijn in het onderzoeksgebied 81 archeologische onderzoeken in ARCHIS geregistreerd. Hiervan hebben meerdere een archeolog ische vindplaats opgeleverd. Veel vindplaatsen betreffen daarnaast particuliere meldingen of archeologische monumententerre inen). De huidige inventarisatie omvat 45 vindplaatsen (peildatum: januari 2018). Hoewel vind-
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[4 3 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
plaatsen verspreid over het gehele grondgebied voorkomen, zijn er duidelijke verschillen in dichtheid te onderscheiden. Veel vindplaatsen hebben betrekking op nederzettingsterreinen uit de Late IJzertijd en Romeinse Tijd, maar vooral op complexen uit de (Late) Middeleeuwen en Nieuwe tijd, zoals nederzettingsterreinen in de dorpskernen, maar ook relatief veel kasteelterre inen en kerken/kloosters. Deze locaties worden veelal gekenmerkt door een hoge dichtheid aan vondsten van nederzettingsafval. Andere typen vindplaatsen zoals grafvelden, infrastru ctuur (wegen, afwateringssystemen) en cultusplaatsen laten veel minder sporen na. Deze zijn dan ook voor de meeste perioden ondervertegenwoordigd in het vindplaatsenspectrum en worden over het algemeen alleen tijdens (al dan niet archeologische) graafwerkz aamheden ontdekt. Opgemerkt moet worden dat in de archeologische vindplaatsen database (GIS-bijlage 1) niet alle nog bestaande (of reeds verdwenen) historische gebouwen zijn opgenomen. In ARCHIS worden doorgaans vondsten ingevoerd na archeologisch onderzoe k. Hierdoor staan bijvoorbeeld niet alle kerken in de database. De nog bestaande historische gebouwen staan echter centraal in de cu ltuurhistorische studie van het onderzoeksgebied.
De historische elementen met archeologische lading worden daarom niet toegevoegd aan het archeologische vindplaatsenbestand, maar wel op kaart weergegeven. De volgende complextypen (van vindplaatsen) zijn aanwezig: 1.
Begravingen en religie begraving (niet nader bepaald) kerk
2.
Nederzetting bewoning (niet nader bepaald) nederzetting met stedelijk karakter
3.
Versterking kasteel versterking onbepaald
4.
Infrastructuur dijk
5.
Overig scheepvaart onbekend complex
De geïnventariseerde vindplaatsen zijn verdeeld in een aantal categorieën. De verschillende vindplaatscategorieën worden hieronder toegelicht. Indien de functie of betekenis van een archeologische waarneming niet duidelijk is, valt deze onder de categorie onbekend. Begravingen en religie Vondsten die (kunnen) duiden op de aanwezigheid van een graf, grafveld of crematieresten zijn ondergebracht in de categorie begravingen. Eenduidige grafwaarnemingen zijn de vindplaatsen waar menselijke resten (bot of verbrand bot) en/of grafstructuren (bijv. kringgreppels) zijn aang etroffen.
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[4 4 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
Behalve begravingen staan in ARCHIS ook enkele kerken en kapellen geregistreerd. Deze worden in de cultuurhistorische studie nader toegelicht. Nederzettingen en oude woongronden De term nederzetting is gebruikt voor plaatsen waar archeologische vondsten vermoedelijk du iden op de aanwezigheid van bewoningsresten. Uit de Steentijd kan het gaan om basiskampen en vuursteensites. Deze komen als zodanig niet voor in het vindplaatsenbestand. Uit latere perioden kan het zowel gaan om enkele boerderijen (Bronstijd-Romeinse tijd). Veelal zijn deze agrarische nederzettingen in het rivierengebied langdurig bewoond geweest. Doordat deze zich al op natuurlijke hoogten bevonden en door voortdurende aanrijking met nederzettingsafval zijn deze vaak als een (lage) verheffing in het landschap herkenbaar. Alleen bij woongronden die in gebruik waren na het sluiten van de dijkenring in de Late Middeleeuwen kan daarnaast sprake zijn geweest van doelbewuste ophoging door de mens. Dergelijke hooggelegen nederzettingsterreinen met een dik pakket donker gekleurde vondstlagen staan bekend als oude woongronden. Oude woongronden zijn tijdens bodemkarteringen in kaart gebracht en vormen een directe ve rwijzing naar bewoning in het verleden.
Versterkingen In het onderzoeksgebied kunnen op basis van schriftelijke bronnen, historisch kaartmateriaal en archeologische vondsten op een aantal plaatsen versterkte huisplaatsen worden onderscheiden. Het betreft veelal omgrachte huisplaatsen en kastelen. Op de kadastrale kaarten uit de eerste helft van de 19e eeuw zijn de omgrachtingen van op deze manier verst erkte landhuizen/boerderijen in de meeste gevallen nog duidelijk aanwezig. Het is aannemelijk dat de oo rsprong van deze versterkte huisplaatsen in veel gevallen in de Late Middeleeuwen ligt. In de meeste gevallen wordt dit ondersteund door historische bron nen en archeologische vondsten. Overige Op meerdere plaatsen zijn archeologische vondsten of waarnemingen geregistreerd waarvan de archeologische context niet duidelijk is. Deze zijn in de catalogus opgenomen als onbekend complex. Dit zijn voorwerpen die voor zover bekend buiten de context van een grotere archeol ogische vindplaats zijn aangetroffen of die niet in een van de andere categorieën ondergebracht kunnen worden. Het kan gaan om bijvoorbeeld fragmenten aardewerk uit diverse perioden, metalen gebruiksvoorwerpen, bot en munten die zijn aangetroffen tijdens werkzaamheden of een oppervlaktekartering.
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[4 5 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
3.4.2 AMK-terreinen In het onderzoeksgebied staan 15 AMK-terreinen
76
geregistreerd. Dit zijn terrein waarvan de zgn.
archeologische waarde al is bepaald door de RCE/provincie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen vier verschillende typen, waarvan twee typen voorkomen in het onderzoeksgebied: - terrein van archeologische waarde (3); - terrein van hoge archeologische waarde (12); - terrein van zeer hoge archeologische waarde (0). - terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd ( 0).
3.4.3 Onderzoeksmeldingen Binnen ARCHIS staan 82 onderzoeksmeldingen geregistreerd in (dan wel direct om) het onderzoeksgebied. - bureauonderzoek (14); - veldkartering (2); - booronderzoek (43);
77
- geofysisch onderzoek (3); - proefsleuvenonderzoek (8); - begeleiding (8); - inspectie (1); - opgraving (1); - onderzoeken waarvan type onbekend is (2).
3.4.4 Overige vindplaatswaarnemingen Oude woongronden Op basis van de gedetailleerde bodemkaarten, de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart en de aanvullende AHN-studie zijn binnen het onderzoeksgebied oude woongronden in kaart gebracht. Het betreft zones die boven het omliggende landschap uitsteken en zijn eeuwe nlang bewoond geweest. Middeleeuwse dorpskernen Alle middeleeuwse dorpskernen binnen het onderzoeksgebied zijn opgenomen in de archeologische inventarisatie. Deze worden nader toegelicht in de cultuurhistorische beschrijving.
3.4.5 Archeologische vindplaatsen uit historische bron Een groot deel van de elementen die voor de cultuurhistorische inventarisatiekaart (kaartbijlage 2) zijn geïnventariseerd, zijn indicatief op de archeologische bronnenkaart opgenomen (kaartbi jlage 1), omdat deze ook als archeologische vindplaats kunnen worden beschouwd. De elemen-
76 77
Het betreft 14 terreinen met in totaal 16 complexen. Twee AMK -terreinen bevatten elk twee complexen; de overige AMK-terreinen hebben betrekking op 1 complex. Dit betreft zowel verkennend als karterend en waarderend booronderzoek.
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[4 6 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
ten zijn hier vereenvoudigd op weergegeven, gegroepeerd per categorie. Voor de nadere typ ering van de elementen wordt verwezen naar kaartbijlage 2. Historische bebouwing De locaties met 19e-eeuwse bebouwing kunnen worden beschouwd als potentiële vindplaatsen. Niet alleen voor bebouwing uit de vroege 19e eeuw, maar ook voor de perioden daarvoor. Omdat de kernen van de nederzettingen sinds de Karolingische tijd weinig zijn verschoven, kunnen op de plaats van de 19e-eeuwse bebouwing sporen van bewoning worden aangetroffen uit de periode vanaf de Karolingische tijd. Waterstaat Zoals blijkt uit het landschappelijk en historisch kader (hoofdstuk 2) zijn er nog veel kennislee mtes over de waterstaatsgeschiedenis. Dit geldt voor een zowel de Late middeleeuwen als Nieuwe tijd. In dit kader zijn verschillende waterstaat gerelateerde elementen op de archeologische bronnenkaart opgenomen. Het betreft onder andere de kweldammen en –kades, zomerdijken en een groot aantal kribben.
3.5 Tweede Wereldoorlog Ter hoogte van het recreatiegebied De Gouden Ham heeft in de Tweede Wereldoorlog de West Maas Stelling gelegen. Dit betrof een kazemattenlinie die liep van de Maas naar de Waal en vormde een verbinding tussen de Grebbelinie/Betuwestelling in het noorden en de PeelRaamstelling in het zuiden. Gezien de grootschalige vergravingen in het gebied van De Gouden Ham zijn binnen het onderzoeksgebied weinig tot geen resten meer te verwachten van deze stelling. Net ten noorden van het veer Appeltern-Megen ligt nog een bunker. Het bedrijf Bombs Away heeft in het kader van het project de Meanderende Maas een vooronderzoek conventionele 78
explosieven uitgevoerd . Dit onderzoek heeft veel relevante locaties uit WOII opgeleverd, zij het dat dit onderzoek zich beperkt heeft tot de locaties waar nog explosieven aanwezig kunnen zijn. In veel gevallen zijn juist deze locaties (als vliegtuigcrashes, bunkerlocaties, stellingen e.d.) ook vanuit archeologisch oogpunt interessant. De belangrijkste elementen van deze inventarisatie zijn opgenomen op de archeologische verwachtingskaart. Daarnaast wordt nadrukkelijk ook verwezen naar de inventarisatiekaart van Bombs Away voor een compleet overzicht van relevante locaties.
78
Bombs Away, 2018
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[4 7 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
4 Cultuurhistorie 4.1 Inleiding Dit hoofdstuk vormt een toelichting op de cultuurhistorische inventarisatie- en waarderingskaart (kaartbijlagen 2, 3 en 4). Allereerst zullen in paragraaf 4.2 de methoden en bronnen worden b eschreven. In paragraaf 4.3 volgt een beschrijving van de onderscheiden cultuurlandschappen en hun waardering. In de paragraaf daarop wordt het dijklandschap beschreven en de waardering ervan toegelicht.
4.2 Methoden en bronnen 4.2.1 Cultuurlandschappen Inventarisatie Het landschap in het onderzoeksgebied is een complex geheel dat is ontstaan ond er invloed van natuurlijke en menselijke factoren. Daarbij speelde allereerst de geologie een rol. De mens heeft zich laten leiden door de aardkundige uitgangssituatie en deze door het gebruik ook deels zelf aangepast. Bij de typering van het historisch cultuurlandschap beschrijven we de wijze waarop de mens haar invloed heeft laten gelden in het landschap, daarmee het natuurlijk landschap geleidelijk heeft omgevormd, en welke elementen daarmee samenhangen. Landschap in lagen De genese van het landschap kan op verschillende manieren worden ontrafeld. Eén van de m anieren om inzicht te krijgen in deze complexe materie is de ontleding ervan middels een zog enaamd lagenmodel. Hierbij wordt inzichtelijk gemaakt hoe opeenvolgende fasen in de lan dschapsontwikkeling zich ten opzichte van elkaar verhouden. Het model biedt ruimte voor uitee nlopende invalshoeken, zoals infrastructuur, landgebruik, occupatie, territoria en biedt daarnaast ruimte om de ontwikkelingen van deze lagen door de tijd inzichtelijk te maken. I n de landschapstypering en -beschrijving hebben we aspecten van deze lagenbenadering meegenomen.
Landschapstypologie De vroegste nauwkeurige landsdekkende kaarten zijn de kadastrale minuutplans, gemaakt bij de totstandkoming van het Kadaster. Percelen en bebouwing, evenals wateroppervlakken, wegen en enkele andere landschapselementen zijn uiterst nauwkeurig gekarteerd. Samen met minder g edetailleerde maar meer ‘aangeklede’ kaarten als de Topografisch -Militaire Kaart (TMK) bieden de e
minuutplans een nauwkeurig beeld van het landschap in de 19 eeuw. Deze kaarten vormen dan ook het uitgangspunt bij het inzichtelijk maken van de landschapsontwikkeling van het plang ebied. Vooral met behulp van deze kaarten is een landschapstypologie opgesteld. Voor ons zicht op eerdere tijdslagen zijn we afhankelijk van archeologische en schriftelijke bro nnen. Deze leveren echter zowel ruimtelijk als in temporeel opzicht een versnipperd beeld dat
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[4 8 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
lastig toepasbaar is op het gewenste schaalniveau. Dit probleem is deels ondervan gen door aan de hand van de landschapstypologie niet alleen het 19e -eeuwse landschap maar ook de ontwikkelingen daarvoor te beschrijven. Het 19e -eeuwse landschap is dus slechts een hulpmiddel om de voorgaande perioden en de periode daarna te beschrijven en mag niet als eindstadium of hoogtepunt van het historisch cultuurlandschap worden gezien. Jongere landschappen In de 20e eeuw heeft zich een aantal grootschalige ruimtelijke transformaties voorgedaan, waa rvan de kanalisatie van de Maas, de verandering in het grondgebruik, het ontstaan van zandwinplassen en de bevolkingstoename de belangrijkste zijn. Hierbij zijn nieuwe lagen aan het lan dschap toegevoegd, waarbij soms wel en soms niet rekening is gehouden met de toen aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten in het landschap. De mate waarop deze cultuurhistorische kwalite iten zijn opgenomen in deze nieuwe laag blijkt wanneer we het kaartbeeld van 1850 vergelijken met het huidige landschap en met kaartbeelden uit de tussenliggende periode. Kartering De kartering zoals we die hier presenteren gaat primair uit van landschaps - en dorpstypen zoals die op basis van historische informatie te onderscheiden en begrenzen zijn.
Op basis van een vergelijking met de huidige situatie biedt dit een goed vertrekpunt om in beheer en planontwikkeling keuzes te maken. Die keuzes hebben dan betrekking op het behoud en herstel van histor ische karakteristieken die het ene landschap of dorp anders maken dan het andere. Deze ke nmerken, die we in deze rapportage ook beschrijven, di enen daarnaast ter inspiratie bij nieuwe ruimtelijke opgaven. Historische contrasten tussen verschillende landschapstypen, zowel de hoofdlijnen als subtiele verschillen, kunnen versterkt worden. Daarvan profiteert niet alleen het landschap zelf, maar ook bijvoorbeeld de gebruikers, bewoners en recreanten die elk op hun eigen manier met het landschap te maken hebben. Het karteren van landschaps- en dorpstypen dient systematisch en consequent plaats te vinden. Binnen elk landschaps- en dorpstype zou de variatie zo gering mogelijk moeten zijn. Uiteraard is dat nooit volledig te bereiken, omdat het landschap per definitie veelvormig is en je altijd zult moeten generaliseren. Desondanks zijn de afgelopen jaren met succes classificatiesystemen voor het historisch cultuurlandschap ontwikkeld, passend in een Wageningse traditie van lan dschapstypologie bij de Stichting voor Bodemkartering en zijn opvolgers.
79
Onderscheiden eenheden De manier van classificeren die we voor het landschap van het onderzoeksgebied hebben t oegepast, sluit dus aan op wat we de Wageningse methode kunnen noemen. In de kern komt het erop
79
Baas & Brand, 2011. W ageningen is één van de fundamenten van de hi storische geografie in Nederland, achteree nvolgens onder leiding van dr. A.W . Edelman-Vlam (1909-1999), A.D.M. Veldhorst, prof. drs. J.A.J. Vervloet en hun medewerkers aan de Stichting voor Bodemkartering, DLO -Staring Centrum, Alterra en de W ageningen Univ ersiteit. Toepassing van kennis in beleidsvorming is altijd een peiler geweest binnen de W ageningse instituten. Daarom wordt er wel gesproken over W ageningse tradities binnen de historische geografie.
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[4 9 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
neer dat we op basis van de kenmerken van het landschap in het midden van de 19e eeuw het landschap in een aantal hoofdtypen indelen, die vervolgens weer onderv erdeeld zijn in subtypen. Zoals gezegd, hebben voor de kartering van de landschapstypen de kadastrale minuutplans met de TMK van Nederland in combinatie met de huidige topografische kaart – en andere tussentijdse kaarten - een belangrijke rol. Op basis van de minuutplans zijn de grenzen tussen de verschillende landschapstypen, zowel op hoofd- als op subniveau, getrokken. Na kartering van de hoofdlandschapstypen werden deze verdeeld in kleinere gebieden (subt ypen), waarbij als stelregel werd gehanteerd dat een belangrijk deel van de ruimtelijke variatie binnen deze subtypen gevangen moest worden. De onderverdeling in subtypen is gemaakt op basis van een aantal criteria: 1.
verschil in vorm, regelmaat en positionering;
2.
verschil in historisch en hedendaags grondgebruik;
3.
verschil in genese;
4.
verschil in natte/droge omgeving;
5.
verschil in openheid/geslotenheid voor wat betreft opgaand groen.
Waardering De waardering van het historisch cultuurlandschap heeft plaatsgevonden door elk gekarteerd deelgebied op drie criteria te beoordelen: 1. de gaafheid van de huidige topografie ten opzichte van de situatie omstreeks 1850 c.q. de situatie ten tijde van de aanleg, d.w.z. type grondgebruik, verkaveling, percelering etc.; 2. de gaafheid van de huidige verticale dimensie in het la ndschap (fysiognomie) ten opzichte van de situatie omstreeks 1850 c.q. de situatie ten tijde van de aanleg, d.w.z. de openheid of geslotenheid van het landschap (aan- of afwezigheid van opgaand groen), de aanwezigheid van bebouwing, etc.; 3. de aanwezigheid van bijzondere kenmerken, waardoor het gebied een hogere waardering moet krijgen dan het op basis van andere twee criteria krijgt, zoals bijvoorbeeld een hoge o uderdom. Op elk criterium is een score van 0 tot 5 genoteerd. Voor de eerste twee criteria is da t op basis van een strakke definitie gebeurd (tabellen 4.1 en 4.2), voor de laatste op basis van expert judgement (beoordeling op basis van algemene kennis van de vakspecialist). Voor het derde criter ium hebben we geen exacte omschrijving gegeven wat er on der welke score verstaan wordt, omdat dit per deelgebied kan verschillen en het afhangt van de bijzonderheid die in dat specifieke deelgebied aan de orde is.
Van deze waarderingssystematiek kon op heel specifieke gronden worden afgeweken. Die zijn in de achterliggende database verwoord.
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[5 0 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
score
omschrijving
1
overbouwd of volledig gewijzigd
2
verkaveling sterk gewijzigd, grondgebruik sterk gewijzigd
3
hoofdstructuur verkaveling grotendeels intact, grondgebruik sterk gewijzigd óf hoof dstructuur in belangrijke mate gewijzigd, maar grondgebruik grotendeels intact
4
hoofdstructuur verkaveling grotendeels intact, grondgebruik merendeels intact
5
verkaveling grotendeels intact, grondgebruik grotendeels intact
Tabel 4.1 Waardering gaafheid van de historische situatie in de huidige topografie cq. de aanlegperiode.
score
omschrijving
1
overbouwd of volledig gewijzigd