Bijlage_7_Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (booronderzoek), verkennende fase Molenstraat 32 te Oss Gemeente Oss
KSP rapport 25053
Colofon Versie Status
: :
KSP Rapport Auteur ISSN Foto’s en afbeeldingen Beheer en plaats documentatie Autorisatie Datum autorisatie
: : : : :
1.0 Nog niet door de opdrachtgever ter goedkeuring aangeleverd bij de bevoegde overheid. Over dit rapport heeft nog geen (inhoudelijke) afstemming met de bevoegde overheid plaatsgevonden. 25053 5.1.2e (senior KNA Prospector) 2542-7490 KSP Archeologie KSP Archeologie te Duiven
: :
5.1.2e (senior KNA Prospector) 19 december 2025
5.1.2e
www.ksparcheologie.nl | info@ksparcheologie.nl Disclaimer Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen. KSP Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 voor protocol 4002 ‘bureauonderzoek’ en protocol 4003 ‘inventariserend veldonderzoek – onderdeel overig’. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de bevoegde overheid omdat die sanctioneerbaar zijn.
KSP Archeologie
2
Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Toekomstige situatie 1.3 Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1.4 Overheidsbeleid 1.5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Bureauonderzoek 2.1 Huidige situatie 2.2 Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens 2.3 Historische situatie en mogelijke verstoringen 2.4 Beschrijving van archeologische gegevens 2.5 Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden 2.6 Gespecificeerde archeologische verwachting 2.7 Conclusie en advies 3 Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase 3.1 Werkwijze 3.2 Veldsituatie 3.3 Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens 3.4 Archeologische indicatoren 3.5 Toetsing van de archeologische verwachting 4 Conclusie en advies 4.1 Conclusie 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 4.3 Selectieadvies Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
6 7 7 7 8 8 9 11 11 11 15 20 26 27 29 30 30 30 31 31 31 33 33 33 34 36
Geomorfologische kaart Bodemkaart Archeologische gegevens Boorpuntenkaart Boorbeschrijving Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Vernieuwing van de Post-Telegraaf-Telefoonlocatie
Lijst van afbeeldingen Figuur 1: Het plangebied (rode kader) op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster). 5 Figuur 2: Toekomstige situatie binnen het plangebied (bron: opdrachtgever). 7 Figuur 3: Het plangebied op de gemeentelijke archeologische beleidskaart (Boshoven e.a. 2024). 9 Figuur 4: Het plangebied (rode vlek linksboven) op de geologische overzichtskaart van Nederland (bron: TNO Geologische Dienst 2021). 12 Figuur 5: Geologische boring 45BE0023 op ca. 70 m ten westen van plangebied binnen groenen cirkel (bron: www.dinoloket.nl). 13 Figuur 6: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). 14 Figuur 7: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). 17 Figuur 8: Het plangebied op de kaart uit 1868 (bron: www.topotijdreis.nl). 18 Figuur 9: Het plangebied op de kaart uit 1899 (bron: www.topotijdreis.nl). 18 Figuur 10: Het plangebied op de kaart uit 1956 (bron: www.topotijdreis.nl). 19 Figuur 11: Het plangebied op de kaart uit 1967 (bron: www.topotijdreis.nl). 19 Figuur 12: Het plangebied op de kaart uit 1967 (bron: www.topotijdreis.nl). 20 Figuur 13: Het plangebied op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart voor het Paleolithicum tot en met Neolithicum (Boshoven e.a. 2024).
24 Figuur 14: Het plangebied op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart voor de Bronstijd tot en met de Romeinse Tijd (Boshoven e.a. 2024). 25
KSP Archeologie
3
Figuur 15: Het plangebied op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart voor de Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd (Boshoven e.a. 2024). 26 Figuur 16: De binnenplaats aan de zuidoostzijde, gefotografeerd richting het zuidwesten (bron: KSP Archeologie). 30
Lijst van tabellen Tabel 1: Overzicht van de AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen (OM) en vondstmeldingen (VM) binnen een straal van ca. 200 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). 21 Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied. 27
KSP Archeologie
4
Administratieve gegevens KSP Projectnummer Opdrachtgever Uitvoerder/projectleider Bevoegde overheid Deskundige namens bevoegde overheid Onderzoeksmelding Provincie Gemeente Toponiem Centrum-coördinaat Kadastrale gegevens Periode uitvoering onderzoek
: : : : :
25053 Duo Pertinox B.V. (via Crijns Rentmeesters bv) KSP Archeologie, 5.1.2e (senior KNA Prospector) Gemeente Oss
: : : : : : :
5827110001 Noord-Brabant Oss Molenstraat 32 te Oss x: 164.644 / y: 419.791 Sectie E, nummers: 3863, 6615, 6980, 7988, 7989 en 7990 Augustus en december 2025
5.1.2e
Figuur 1: Het plangebied (rode kader) op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster).
KSP Archeologie
5
Samenvatting KSP Archeologie heeft in augustus en december 2025 een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Molenstraat 32 in Oss (gemeente Oss). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouwplannen. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart (Figuur 3) ligt het grootste deel van het plangebied binnen de historische stadskern van Oss met uitzondering van het ten noordoosten gelegen toegangspad. Daarnaast geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor alle andere archeologische perioden (Paleolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Op basis van de landschappelijke ligging op mogelijk een dekzandrug dan wel binnen een zone met dekzandwelvingen en de archeologische onderzoeksmeldingen en vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw).
Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling een hoge verwachting toegekend. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat de onverstoorde natuurlijke ondergrond zich bevindt op een diepte vanaf respectievelijk 205 cm -mv in boring 1, 170 cm -mv in boring 2 en 245 cm -mv in boring 3 (respectievelijk 5,35 m, 6,03 en 5,40 m +NAP), dit is tevens het potentiële archeologische niveau, waar vanaf archeologische resten kunnen worden aangetroffen. De onverstoorde natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzand die ten dele is verspoeld. De oorspronkelijk was waarschijnlijk een podzolbodem, die door het gebruik als akkerland voor het grootste deel of zelfs geheel is verploegd en opgenomen in de enkeergrond (boring 3). Hierbij wordt opgemerkt dat in boring 3 sprake is van een scherpe overgang van de Aapb-horizont naar de C-horizont, waardoor het mogelijk geen echte enkeerdgrond is. Op basis hiervan is de middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum naar laag bijgesteld en blijft de hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) gehandhaafd.
De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de hoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Indien de bodemingrepen voor de nieuwbouw dieper reiken dan 1,4 m -mv adviseert KSP Archeologie om een archeologisch vervolgonderzoek te laten voeren. Mochten de ingrepen dieper reiken dan 1,4 m -mv, dan adviseert KSP Archeologie een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Voor dit gravende archeologisch onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het onderzoek vastgelegd.
KSP Archeologie
6
1
Inleiding
1.1
Onderzoekskader
In opdracht van Duo Pertinox B.V. (via Crijns rentmeesters) heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Molenstraat 32 in Oss (gemeente Oss). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouwplannen. Het onderzoek is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.2) met bijbehorende protocollen (KNA 4.2) 4002 (bureauonderzoek bij landbodems) en 4003 (inventariserend veldonderzoek, overig) (www.sikb.nl) en de gemeentelijke eisen. Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 6. Geologische formaties, laagpakketten en lagen worden beschreven conform https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator. 1.2
Toekomstige situatie
Binnen het plangebied zullen 67 woningen en een dagbestedingslocatie van 145 m2 worden gerealiseerd (Figuur 2, Bijlage 7). De exacte aard en omvang van de toekomstige bodemverstoring is nog niet bekend, maar het plangebied zal voor meer dan de helft bebouwd woorden, waarbij de funderingen voor de bouwputten waarschijnlijk tot ca. 80 cm beneden maaiveld worden uitgegraven.
Figuur 2: Toekomstige situatie binnen het plangebied (bron: opdrachtgever).
Voor zover bekend zijn binnen het plangebied geen graafwerkzaamheden voor een bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne of om niet gesprongen conventionele explosieven op te sporen. Het waterpeil c.q. bodempeil binnen het plangebied zal niet veranderen door de geplande bodemingrepen en zal daarmee geen gevolgen hebben voor de conserveringstoestand van eventuele aanwezige archeologisch resten.
KSP Archeologie
7
1.3
Afbakening plan- en onderzoeksgebied
Het plangebied is gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologische onderzoek is uitgevoerd. Het plangebied is ca. 3.116 m2 groot en ligt aan de Molenstraat 32 in Oss (Figuur 1). Het terrein wordt in het zuidwesten begrensd door de Molenstraat, in het noordoosten door de Oostwal en in het zuidoosten en noordwesten door aangrenzende percelen met bebouwing. 1.4
Overheidsbeleid
In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologische erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Gemeenten houden bij de vaststelling van een omgevingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Omgevingswet). In algemene zin geldt dat als er planologisch iets verandert (bij Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) of bij wijziging Omgevingsplan), de regels van de archeologische beleidskaart dienen te worden gevolgd. Bij een ‘reguliere’ omgevingsvergunning (OPA) is het Omgevingsplan leidend bij het vaststellen van de onderzoeksplicht ( www.omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.) De bestemmingsplannen zoals die er lagen voordat de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking trad, zijn opgenomen in het tijdelijke Omgevingsplan.
Hierin is ook de bruidsschat opgenomen, een soort van vangnet zodat er geen (rechts)vacuüm ontstaat. In de bruidsschat (hoofdstuk 22) staat m.b.t. archeologie een vrijstellingsgrens van 100 m² opgenomen. Als een regel uit de bruidsschat strijdig is met die uit bestaande ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen), prevaleert de laatste. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Oss uit 2024 (Figuur 3, Boshoven e.a. 2024) geldt voor het grootste deel van het plangebied de beleidscategorie 3 (historische stads/dorpskern) en voor een deel beleidscategorie 6 - hoge verwachting (bebouwd). Voor beleidscategorie 3 betekent dit, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 0,3 m archeologisch onderzoek noodzakelijk is en voor beleidscategorie 6 dat bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 0,3 m onderzoek nodig is. Aangezien deze ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen worden overschreden (zie paragraaf 1.2), is archeologisch onderzoek noodzakelijk. In het kader van het de vergunningaanvraag is voor het plangebied een archeologisch vooronderzoek nodig dat bestaat uit een bureauonderzoek gecombineerd met een verkennend booronderzoek.
KSP Archeologie
8
Figuur 3: Het plangebied op de gemeentelijke archeologische beleidskaart (Boshoven e.a. 2024).
1.5
Onderzoeksdoel en vraagstellingen
Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, welke strategie hierbij het beste gevolgd kan worden.
Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied.
KSP Archeologie
9
Het resultaat van het onderzoek is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies (buiten normen van tijd en geld). Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen door de bevoegde overheid. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Er kan dan vervolgonderzoek worden geadviseerd of om af te zien van verder onderzoek. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Het inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. De strategie die gekozen wordt, hangt onder andere af van de omvang van het plangebied, de aard van de geplande werkzaamheden, de verwachte archeologische resten en het archeologiebeleid van de gemeente. Dit onderzoek betreft een verkennend onderzoek. De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap (bodemopbouw) die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor mogelijk vervolgonderzoek.
Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied?
KSP Archeologie
10
2
Bureauonderzoek
2.1
Huidige situatie
Om de huidige situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Huidige topografische kaart (Figuur 1); Luchtfoto uit 2024 (PDOK); Grondwaterstanden (Wageningen Environmental Research (2023), https://www.dinoloket.nl/ ondergrondmodellen/kaart; Grondwatertrappen gekoppeld aan de Bodemkaart schaal 1:50.000 versie 2006 (geoplaza.vu.nl); Bebouwde rijksmonumenten (archis.cultureelerfgoed.nl): geen monumenten aanwezig; Gemeentelijke monumenten (www.monumenten.nl): geen gemeentelijke monument aanwezig; Informatie van de opdrachtgever over het plangebied; Informatie over kabels en leidingen (KLIC-melding); Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (www.bagviewer.kadaster.nl). Binnen het plangebied staat een telefoniecentrale uit 1969 (www.bagviewer.kadaster.nl), die nu niet meer in gebruik is. Daarnaast staat er een zendmast die in gebruik is voor mobiele telefonie. Ten zuidoosten van het hoofdgebouw van de telefoniecentrale staat een loods, die volgens het kadaster uit 1950 stamt. Van de telefoniecentrale en bijbehorende bebouwing zijn geen bouwdossiers beschikbaar, omdat deze tot de strategische infrastructuur worden gerekend. De aanwezige bebouwing is door de gemeente en het rijk (archis.cultureelerfgoed.nl) niet aangemerkt als historisch waardevol.
Binnen het plangebied zijn voor zover bekend geen kelders of andere ondergrondse werken aanwezig (bijvoorbeeld funderingen of drainage). Rondom de bebouwing is verharding aanwezig in de vorm van klinkers. Rondom de bebouwing liggen enkele kabels en leidingen (KLIC-melding). Tot 2006 waren de (freatische) grondwater(spiegeldiepte)standen door middel van grondwatertrappen (I, nat t/m VIII droog) gekoppeld aan de kaarteenheden van de bodemkaart 1:50.000 (Bijlage 2). Aangezien het plangebied binnen de bebouwde kom van Oss is deze niet gekarteerd. Dat geldt ook voor het meest actuele grondwaterdieptespiegelmodel (Wageningen Environmental Research 2023, https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen). 2.2
Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens
Om het landschap ter plaatse en rondom het plangebied in kaart te brengen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Geologische overzichtskaart van Nederland (TNO Geologische Dienst 2021); Geomorfologische kaart van Nederland van Nederland, versie 2023 via BRO-loket; Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, versie 2023 via BRO-loket; Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl, AHN4 grid 0,5 x 0,5 m). Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (www.dinoloket.nl); Het plangebied ligt in het zuidelijk zandgebied van Nederland. Het is een relatief vlak gebied, dat nooit door het landijs bedekt is geweest ( 5.1.2e 2005). De ondergrond wordt doorsneden door een aantal zuidoost-noordwest georiënteerde breuken, die het Peel Blok begrenzen. Ten oosten van het Peelblok ligt de Venloslenk en ten westen de Roerdalslenk. Volgens de geologische overzichtskaart van Nederland (Figuur 4) ligt het plangebied op het noordelijke deel van het Peelblok, op ca. 2 km ten oosten van de Roerdalslenk.
KSP Archeologie
11
Figuur 4: Het plangebied (rode vlek linksboven) op de geologische overzichtskaart van Nederland (bron: TNO Geologische Dienst 2021).
In dit als gevolg van tektonische bewegingen hoog gelegen gebied ligt een betrekkelijk dunne laag dekzand op het pleistocene rivierzand ( 5.1.2e 2005). Het rivierzand is afgezet door de Maas in het Vroeg-Saalien en wordt tot de Formatie van Beegden gerekend ( 5.1.2e e.a. 2011). De Maas werd in deze ijstijd gekenmerkt door een vlechtend riviersysteem, waarbij grindrijke rivierafzettingen zijn afgezet. Door de eroderende werking van de insnijdende Maas ontstond in de loop van het Saalien en het Weichselien aan de oostzijde van het Peelblok een steilrand (Boshoven e.a. 2024). Een dergelijke rand is ook aan de noordzijde van de Peelhorst ontstaan, ongeveer op de lijn Heesch, Schaijk en Grave net ten zuiden van de N324 en daarmee ook net door het zuidelijkste puntje van de gemeente Oss loopt. Ten zuiden van deze rand worden Maasafzettingen aan het oppervlak verwacht, terwijl ten noorden van deze rand vanaf de Saale ijstijd tot in de Weichsel IJstijd sediment is afgezet door voornamelijk de Rijn (Figuur 4, respectievelijk BE3 en Kr2). Laatstgenoemde afzettingen worden gerekend tot de Formatie van
KSP Archeologie
12
Kreftenheye. In de geologische boring B45E0023, uitgevoerd op ca. 70 m ten westen van het huidige plangebied, wordt de hierboven beschreven op bouw goed weerspiegeld (Figuur 5). Onderin, vanaf 7,011,5 m -mv, zijn grindrijke afzettingen en soms zelfs keien aanwezig afgezet door de Maas behorend tot de Formatie van Beegden. Daarboven, vanaf 3,8-7,0 m -mv, bevindt zich een pakket zand afgezet door de Rijn behorend tot de Formatie van Kreftenheye. Het Rijnzand wordt afgedekt, vanaf het maaiveld tot 3,8 m -mv, door fluvioperiglaciale afzettingen en mogelijk in de top door dekzand behorend tot de Formatie van Boxtel.
Figuur 5: Geologische boring 45BE0023 op ca. 70 m ten westen van plangebied binnen groenen cirkel (bron: www.dinoloket.nl).
Na de ijstijd van het Saalien volgde een warmere periode, het Eemien (ca. 126.000 – 114.000 jaar geleden). In de lage plekken op het Peel Blok werd humeus zand, leemgyttja en veen afgezet (Formatie van Boxtel). Het noordelijker gelegen Maasdal werd opgevuld met grind en grove zanden (Formatie van Kreftenheye) ( 5.1.2e e.a. 2011). In de laatste ijstijd, het Weichselien, werd het opnieuw zeer koud (ca. 114.000 – 11.700 jaar geleden). Aan het begin van het Weichselien lag de zeespiegel ongeveer 30 tot 40 m lager dan nu. De Maas sneed zich opnieuw in en schuurde een dal uit. De huidige in het landschap zichtbare steilrand tussen het Peel Blok en het Maasdal is hoogstwaarschijnlijk in deze periode gevormd ( 5.1.2e e.a. 2011). In de koudste en droogste perioden van het Weichselien, met name in het Laat-Pleniglaciaal (ca. 26.000 –15.700 jaar geleden) en Laat-Glaciaal (ca. 15.700 – 11.755 jaar geleden), is de vegetatie vrijwel verdwenen, waardoor op grote schaal verstuiving is opgetreden ( 5.1.2e e.a. 2015). Hierbij is een dunne laag dekzand over de rivier- en/of fluvioperiglaciale afzettingen afgezet. Dit (soms lemige) zand is kalkloos, fijnkorrelig (150 – 210 μm), goed afgerond, goed gesorteerd en arm aan grind en wordt tot
KSP Archeologie
13
het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend ( 5.1.2e e.a. 2015). Het reliëf van de dekzanden wordt gekenmerkt door vlaktes, depressies en dekzandkopjes, afgewisseld met langgerekte ruggen. Door het pakket dekzand werden de steilranden aan de noord- en oostkant van het Peelblok minder geprononceerd. De hogere ligging van het Peelblok zorgde dat veel dekzand weer verwaaide, waardoor in dit gebied tegenwoordig nog maar een dunne laag dekzand aanwezig is, of zelfs geheel ontbreekt (Boshoven e.a. 2024). Op de geomorfologische kaart is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging binnen de bebouwde kom van Oss. Op grond van de aangrenzende kaarteenheden zijn er waarschijnlijk dekzandwelvingen aanwezig (Bijlage 2, code L51). Volgens de aardkundige kaart van de gemeente (Boshoven e.a. 2024) ligt het plangebied op een dekzandrug die al dan niet is afgedekt met een plaggendek. Uit boring B45E0023 (Figuur 5) en andere boringen uit de omgeving blijkt dat niet zeker is of er inderdaad dekzand aanwezig is. Daarom wordt er gesproken van de Formatie van Boxtel, vooral fluvioperiglaciaal afgezet, en staat niet apart aangegeven dat er in de top dekzand aanwezig is behorend tot het Laagpakket van Wierden van deze formatie. In het Holoceen (de laatste ca. 11.750 jaar) is het klimaat warmer en vochtiger geworden.
Door de toenemende vegetatie zijn de fluvioperiglaciale afzettingen en het dekzand vastgelegd en is het landschap ter plekke van het plangebied door geologische processen weinig veranderd. De beken hebben zich ingesneden, waarbij beekdalen zijn ontstaan. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen beken aanwezig. Ten noorden van Oss, ten noorden van de noordelijke steilrand van het Peelblok, maakte het gebied in deze periode onderdeel uit van de holocene riviervlakte van de Maas en werden daar bedding-, oever- en komafzettingen afgezet behorend tot de Formatie van Echteld. Op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN, Figuur 6) is te zien dat het plangebied een middenpositie (gele tot geeloranje kleuren, ca. 7,1 m +NAP) inneemt wat hoogteligging betreft, tussen het lager gelegen noordwestelijke deel (lichtgroene kleuren, 6,2 m +NAP) en het hoger gelegen zuidelijke deel (oranje tot donkeroranje kleuren, 7,6 m +NAP). Uit dit hoogtebeeld kan niet worden afgeleid of er al dan niet dekzandruggen aanwezig zijn, behalve dat het terrein gezien vanaf het zuiden afloopt richting het noorden.
Figuur 6: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).
KSP Archeologie
14
Op de bodemkaart is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging binnen de bebouwde kom van Oss. Gezien de aangrenzende kaarteenheden ten noorden, oosten, zuiden en ten westen van het plangebied (enkeergronden, Bijlage 2: bEZ21 en zEZ21), lijkt het aannemelijk dat ook binnen het plangebied oorspronkelijk enkeerdgronden aanwezig waren. Aangezien een groot deel van de gronden binnen het plangebied in het verleden in gebruik was als landbouwgrond (paragraaf 2.3, Figuur 7). Onder invloed van het warmere en vochtigere klimaat heeft in het zand bodemvorming plaatsgevonden. Op de hogere zandgronden vindt het bodemvormende proces podzolering plaats. Bij een podzolbodem worden door podzolering kleine deeltjes, zoals ijzer, aluminium en humus uitgespoeld door infiltrerend regenwater. Dit proces wordt ook wel uitloging genoemd (De Bakker & Schelling 1989). Deze deeltjes worden door het water naar beneden getransporteerd en spoelen daar in, waardoor podzolgronden ontstaan. De podzolgrond bestaat uit een donkere, humeuze bovengrond (A-horizont), waaronder een lichtgrijze E-horizont (uitspoelingshorizont) aanwezig is. Hieronder ligt de bruine moderpodzol Bhorizont (Bws-horizont, inspoelingshorizont), die geleidelijk via een BC-horizont overgaat in de natuurlijke ondergrond (C-horizont).
Afhankelijk van de vroegere bodembewerking is de oorspronkelijke A-, E- en/of B-horizont in meer of mindere mate intact. Enkeerdgronden bestaan uit een donkere, humeuze bovengrond die meer dan 50 cm dik is, met daaronder de oorspronkelijke bodem. De humeuze bovengrond betreft op de hogere zandgronden vaak een plaggendek, ook wel esdek genoemd. Plaggendekken zijn ontstaan, doordat in Zuid-Nederland vanaf ca. de 14e en 15e eeuw op grote schaal het systeem van potstalbemesting is toegepast (Spek 2004). Plaggen worden met mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid om de bodem vruchtbaarder te maken. In de loop van de tijd is een plaggendek op de oorspronkelijke bodem ontstaan. 2.3
Historische situatie en mogelijke verstoringen
Om de historische situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Oude kadasterkaarten: kadastrale minuut en oorspronkelijk aanwijzende tafels 1811 – 1832 voor toenmalige eigenaar/gebruiker (beeldbank.cultureelerfgoed.nl); Historische kaarten uit de afgelopen 200 jaar (www.topotijdreis.nl); Cultuurhistorische regiobeschrijving provincie Noord-Brabant (CultGIS/Haartsen 2009); Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant: geen cultuurhistorische elementen aanwezig; Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten van onderzoek binnen het onderzoeksgebied: is niet van toepassing; Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl): geen verwachting op specifieke resten uit WOII; Kaart van verdedigingswerken/ Militaire landschapskaart (https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=militaire_landschapskaart): er zijn geen verdedigingswerken binnen het plangebied bekend vanaf de Middeleeuwen tot aan de Koude Oorlog; Bouw-/constructietekeningen van te slopen of te wijzingen historische bouwwerk: is niet van toepassing; Gegevens van milieukundig bodemonderzoek (https://noord-brabant.nazca4u.nl/rapportage/) : geen melding binnen het plangebied; Luchtfoto’s uit de periode 2006-heden (www.topotijdreis.nl); Geomorfologische kaart van Nederland, versie 2023 via BRO-loket: hierop zijn geen
bodemverstoringen in het plangebied aangegeven; Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, versie 2023 via BRO-loket: hierop zijn geen bodemverstoringen in het plangebied aangegeven; Vergraven gronden project Alterra (Brouwer & Van der Werff 2012): hierop zijn geen bodemverstoringen in het plangebied aangegeven;
KSP Archeologie
15
Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl): hierop zijn geen kunstmatige ophogingen en/of afgravingen zichtbaar; In het kader van dit onderzoek zijn geen archieven geraadpleegd omdat een gerichte vraagstelling ontbreekt.
Hieronder volgt een beschrijving van het historische gebruik (bebouwing, grondgebruik, historische wegen etc.) van het plangebied en de directe omgeving. Daarnaast is gekeken of er sprake is van (mogelijke) bodemverstoringen en/of bodemvervuilingen (aard, omvang, diepteligging en locatie) binnen het plangebied. Het plangebied ligt aan de noordkant van de Peel. Dit betrof vroeger een uitgestrekt, 100.000 hectare groot veenmoeras. Lange tijd vormde dit ondoordringbare veengebied een barrière tussen de Kempen en de Meierij van Den Bosch aan de westkant en de dorpen van de Maasvallei in het oosten. In het westen is de grens van het deelgebied getrokken bij de dorpsgebieden van Someren, Deurne, Gemert, Uden en Nistelrode. In het noorden is de lijn Heesch-Schaijk-Reek ongeveer de grens tussen het zand en de rivierkleiafzettingen van de Maas, waarbij Oss een uitzonderingspositie inneemt net ten noorden van deze lijn. Het waren voornamelijk agrarische dorpen, met grote akkercomplexen en vrij weinig weilanden. Uitzondering hierop vormde wederom Oss dat een belangrijke handelsplaats was. De boeren gebruikten de randen van de Peel om hun vee te weiden, om strooisel te winnen voor de potstallen en om, op bescheiden schaal, turf te steken. De afgelopen 1000 jaar is er vanuit deze dorpen geleidelijk steeds meer veen verdwenen.
Dit proces raakte in een stroomversnelling door de systematische, grootschalige veenwinning die inzetten nadat de gebroeders Van der Griendt de exploitatie van het veen vanaf 1853 ter hand gingen nemen. Het resultaat was dat het veen in bijna een eeuw vrijwel geheel is afgegraven. De vrijkomende grond werd geschikt gemaakt voor de landbouw of voor bosaanleg (Haartsen 2009). Vanwege de ligging binnen de bebouwde kom van Oss is op Histland geen landschapstype onderscheiden, maar zal het plangebied op grond van het te verwachten bodemtype van een enkeerdgrond (paragraaf 2.2) waarschijnlijk tot het landschapstype van de kampontginningen met plaatselijke essen behoren. De oudste vermelding van Oss stamt uit 1161. Uit een document van die tijd bleek dat de abdij van Echternach hier het patronaatsrecht bezat. Op 6 december 1286 werden aan de bewoners van Oss, Berghem en het ten oosten van Berghem gelegen Duuren de gemeenterechten uitgegeven door Hertog Jan I van Brabant. Niet lang na 1346 bloeide de economie van Oss op en bestond er reeds een lakenhal. Ook kreeg de plaats omstreeks deze tijd marktrechten en er waren enkele molens. De plaats werd een centrum voor de boterhandel. Het aantal inwoners oversteeg de 1000 echter niet. Omstreeks 1374 werd het Kasteel van Oss gebouwd.
Dit was een stadskasteel, gericht tegen Gelre, dat regelmatig binnenviel in het Hertogdom Brabant en dat de Brabantse hertogen noopte om verdedigingsmaatregelen te nemen. De stichting van versterkte steden, tevens voorzien van een stadskasteel, en de aanleg van landweren behoorden tot deze maatregelen. In 1387, nadat de stad in brand was gestoken, werden er grachten aangelegd en in 1398 waren er ook al stadspoorten. Hertogin Johanna van Brabant schonk Oss in 1399 stadsrechten. De stad werd tijdens verschillende oorlogen aan het einde van de 15e en het begin van de 16e eeuw geplunderd. Vanaf het midden van de 17e eeuw verloren de vestingwerken hun functie. In 1751 is door een stadbrand tweederde van de huizen in de binnenstad verwoest. Na de stadsbrand werd Oss herbouwd. Alleen het patroon en de namen van straten in het centrum herinneren sindsdien nog aan de oude versterkte stad. Het huidige plangebied ligt op ca. 185 m ten zuiden van de middeleeuwse kern (Figuur 8). Voor de historische ontwikkeling is historisch kaartmateriaal geraadpleegd. De eerste kadastrale minuten zijn opgesteld in de periode 1811-1832. Op het minuutplan (Figuur 7) was het plangebied onbebouwd en grotendeels in gebruik als akkerland (nummers 13, 16 en 20) en voor een klein deel als tuin (nummer 18), behorend bij het huis ten zuidoosten van de tuin.
Op de kaart uit 1868 (Figuur 8) is zowel de bebouwing ten noordwesten als ten zuidoosten van het plangebied verdwenen. Op deze kaart
KSP Archeologie
16
is ten noorden van het plangebied nog het zuidelijke deel van de middeleeuwse stadsgracht te zien. Op de kaart uit 1899 is er binnen de noordwestzijde van het plangebied als erbuiten bij de Molenstraat een gebouw te zien. Ook is er nu ten zuidoosten een groot gebouw aanwezig. Vanaf het begin van de 20e eeuw heeft binnen het plangebied een groot post- en telegraafkantoor gestaan (Bijlage 7), dat ook op fotografisch materiaal is vastgelegd, maar niet op het kaartmateriaal vanaf 1900 tot en met 1955 is afgebeeld. Mogelijk hangt dit samen om kritiek infrastructuur vanuit veiligheidsoverwegingen niet op kaart af te beelden. Pas in 1956 (Figuur 10) is er op de locatie van het huidige plangebied een kruisvormiggebouw aanwezig, dat wat vorm betreft niet lijkt op het post- en telegraafkantoor uit het begin van de 20e eeuw. Zowel aan de achterzijde van het pand als aan de zuidoostzijde is er binnen het plangebied bebouwing aanwezig. Op de kaart uit 1967 (Figuur 11) ziet de bebouwing binnen het plangebied er geheel anders uit dan op de kaart uit 1956. Of deze bebouwing overeenkomt met het oude post- en telegraafkantoor is niet duidelijk.
Volgens het kadaster (paragraaf 2.1) stamt de huidige telefoniecentrale binnen het plangebied uit 1969, wat betekent dat het oude post- en telegraafkantoor ervoor moet zijn gesloopt (volgens geraadpleegde bron is dit pas in 1972 gebeurd, www.kliknieuwsoss.nl/nieuws/historie/207501/de-geschiedenis-van-oss). Dit beeld verandert pas weer op de kaart uit 1988 waar een vrij massief gebouw wordt afgebeeld. Dit en later kaartmateriaal voegt weinig toe ten opzichte van de huidige aanwezige bebouwing (Figuur 1). Het gebouw dat nu aan de zuidoostzijde te zien is binnen het plangebied en niet op de kaart uit 1967 was afgebeeld, stamt volgens het kadaster uit 1950 (prargraaf 2.1)
5.1.2e
Figuur 7: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
KSP Archeologie
17
Figuur 8: Het plangebied op de kaart uit 1868 (bron: www.topotijdreis.nl).
Figuur 9: Het plangebied op de kaart uit 1899 (bron: www.topotijdreis.nl).
KSP Archeologie
18
Figuur 10: Het plangebied op de kaart uit 1956 (bron: www.topotijdreis.nl).
Figuur 11: Het plangebied op de kaart uit 1967 (bron: www.topotijdreis.nl).
KSP Archeologie
19
Figuur 12: Het plangebied op de kaart uit 1967 (bron: www.topotijdreis.nl).
Voor de historische ontwikkeling is ook gekeken naar archeologische resten als gevolg van conflict. Op basis van de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl) en de Militaire landschappenkaart van de RCE zijn deze niet bekend in het plangebied. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend geen bodemverontreinigingen, saneringen of ondergrondse olietanks, benzinepompinstallaties en dergelijke bekend die schade hebben kunnen brengen aan het archeologische niveau (https://noord-brabant.nazca4u.nl/rapportage/). Van de telefoniecentrale en bijbehorende bebouwing zijn geen bouwdossiers beschikbaar, omdat deze tot de strategische infrastructuur worden gerekend. Vandaar dat niet bekend is tot welke diepte de bodem is verstoord bij de aanleg ervan. De bodem kan zijn aangetast door het eeuwenlange gebruik als akkerland. Gemiddeld reikt de bodembewerking ten behoeve van de landbouw tot 30 – 50 cm beneden maaiveld. Op basis van de historische ontwikkeling worden geen diepe bodemverstoringen verwacht. Onder de bebouwing kan de bodem verstoord zijn tot in de C-horizont. 2.4
Beschrijving van archeologische gegevens
Om een beeld te krijgen van de archeologische gegevens, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Archeologische Monumenten Kaart (AMK) (via archis.cultureelerfgoed.nl); Archeologische rijksmonumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl); Archeologische onderzoeken en vondstmeldingen in Archis (archis.cultureelerfgoed.nl); E-depot archeologie (DANS): rapporten en onderzoeksgegevens van archeologisch onderzoek (https://archaeology.datastations.nl/);
KSP Archeologie
20
Historische kaarten (zie paragraaf 2.3); Gemeentelijke archeologische beleidskaart en verwachtingskaarten (Boshoven e.a. 2024).
Het plangebied maakt onderdeel uit van de historische stadskern van Oss (AMK-terrein 16813) uit de Late Middeleeuwen tot met Laat-Nieuwe Tijden betreft een terrein van hoge archeologische waarde. Binnen het plangebied zijn geen onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen aanwezig. Vanwege de grote hoeveelheid onderzoeksmeldingen in de directe omgeving, zijn de onderzoeksmeldingen binnen en straal van ca. 200 m bekeken Tabel 1, Bijlage 3), waaruit ook een goed beeld kan worden verkregen wat er eventueel aan archeologische resten binnen het plangebied te verwachten is. De meldingen liggen rond Oss in de gemeente Oss, tenzij anders vermeld in Tabel 1. AMK-terrein
Locatie en ligging
Aard terrein/waarde/datering
16813
Centrum, op 0 m
Historische stadskern, terrein van hoge archeologische waarde: MEL-NT
Onderzoeks/vondstmelding
Locatie en ligging
Type onderzoek
Aard en datering vondstlocatie/resultaten
OM 2012317100
Oss-Bergoss, op 20 m ten O
Bureau- en booronderzoek 2000 door RAAP
Geen rapport in Archis en Dans, zie onderzoeksmelding hieronder
OM 2094185100
Oss-Bergoss, op 20 m ten O
Proefsleuven 2005 door Archol
Zie tekst
OM 2231803100
Terwaenen en Burgwal
Begeleiding 2005 door BAAC
Zie tekst
OM 2262187100
V&D, op 0 m ten N
Bureau- en booronderzoek 2009 door VUhbs (Norde)
Geen rapport in Archis en Dans
OM 2359533100
Gemeente Oss, op 0 m
Bureauonderzoek 2012 door Archol (Goddijn 2012)
Voegt niets toe aan huidig onderzoek
OM 2360983100
Walstraat 19, op 130 m ten N
Begeleiding 2012 door BAAC
Zie tekst
OM 4632774100
Raadhuislaan, op 5 m ten O
Begeleiding 2018 door BAAC
Zie tekst
OM 4890979100
Walkwartier, op 100m ten NW
Bureauonderzoek 2020 door BAAC (Bergman 2020)
Voegt niets toe aan huidig onderzoek
OM 4990121100
Walkwartier, op 100 m ten NW
Proefsleuven 2021 door BAAC
Zie tekst
OM 5141120100
Spoorlaan, op 185 m ten ZO
Bureau- en booronderzoek 2021 Vestigia
Zie tekst
OM 5141201100
Spoorlaan, op 185 m ten ZO
Bureau- en booronderzoek 2021 Vestigia
Betreft hetzelfde onderzoek als hierboven
VM 2788186100
Koekfabriek, op 117 m ten ZO
Niet-archeologisch graafwerk 1988
Keramiek: MEL
VM 2910698100
Geen info, op 195 m ten O
Niet-archeologisch graafwerk 1975
Bronzen munt: ROML
VM 2918903100
Ridderstraat, op 2202 m ten Z
Niet-archeologisch graafwerk 1988
Keramiek: MEL
Tabel 1: Overzicht van de AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen (OM) en vondstmeldingen (VM) binnen een straal van ca. 200 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl).
Onderzoeksmelding 2094185100 (Oss-Bergoss, Linde e.a. 2006) Na aanleiding van het onderzoek van het booronderzoek van RAAP, waar een deels intact esdek is aangetroffen in het dekzand met scherfmateriaal uit de prehistorie, Romeinse tijd en de Middeleeuwen zijn proefsleuven aangelegd. Op het terrein bevindt zich op een aantal plaatsen een goed bewaard esdek. Dit heeft gezorgd voor goede conserveringsomstandigheden voor eventuele archeologische sporen. Onder het esdek is op een aantal plaatsen nog een voor dit gebied typerend podzolprofiel
KSP Archeologie
21
aanwezig die zich gevormd heeft in het dekzand, de natuurlijke, pleistocene ondergrond. Het verkennend en waarderend proefsleuvenonderzoek heeft op beperkte schaal bewonings- en gebruikssporen uit de IJzertijd en de Post-Middeleeuwen opgeleverd. Het weinige vondstmateriaal dateert uit de IJzertijd, de Middeleeuwen en Post-Middeleeuwen. Naast enkele losse scherven uit de (Post-)Middeleeuwen zijn geen (bewonings)sporen uit deze periode aangetroffen. Dit wijst erop dat tot aan de bouw van de eerste Bergoss fabriek in 1880 dit gebied in gebruik is geweest als akkergronden. Deze gronden lagen buiten de stadsgracht- en wal die begin 15e eeuw zijn aangelegd. Advies om tijdens toekomstige graafwerkzaamheden ruimte te bieden voor inspectie van de cunetten en bouwputten zonder dat deze de werkzaamheden in de weg staan.
Onderzoeksmelding 2231803100 (Terwaenen en Burgwal, Nuenen 2006) De diepte van het ongestoorde dekzand onder maaiveldniveau kon op meerdere plaatsen in de binnenstad worden vastgesteld: in Terwaenen(straat) ligt deze op 1,7 meter onder het maaiveld, in Terwaenen(parkeerplaats) op 1,6 meter onder het maaiveld in het zuidelijk deel en op 1,1 meter onder het maaiveld in het noordelijk deel van het onderzocht gebied; in de Burgwal op ca. 1,1 meter onder het maaiveld en in de Walstraat op ca. 1,0 meter onder het maaiveld aan de noordzijde aflopend tot 2,6 meter onder het maaiveld aan de zuidzijde (in verband met de hier gelokaliseerde gracht). De onder de bestrating en vleilaag aanwezige opgebrachte lagen kunnen overwegend in de 19e eeuw gedateerd worden; de op een dieper niveau aanwezige lagen dateren vanaf de 15e eeuw (in Terwaenen) tot de 17e18e eeuw (op de Burgwal). Alleen op Terwaenen(straat) kon een gedeelte van de oorspronkelijke bodemvorming gedocumenteerd worden. De waargenomen sporen betreffen voornamelijk restanten van voormalige bebouwing, waarover slechts beperkte uitspraken mogelijk waren. Voor zover het de sporen in het noordelijk deel van de Burgwal betreft kunnen deze gekoppeld worden aan de op de kadasterkaart van 1832 afgebeelde bebouwing aan de Hooghuisstraat, die voor deze doorbraak werd gesloopt.
Deze sloop heeft in de 60-er jaren van de vorige eeuw plaatsgevonden. Daarnaast bestaan er aanwijzingen dat de bewoning hier terug kan gaan tot de 15e eeuw. De globale vondstverspreiding bevestigt het vermoeden dat de oudste bewoning, vanaf de 12e eeuw, zich in de noordwesthoek (rondom Terwaenen) heeft bevonden, terwijl het gedeelte rondom de Burgwal later, in de loop van de 15e eeuw, in gebruik is genomen. In de Walstraat tenslotte kon door een combinatie van gedocumenteerde profielen en meerdere boringen de omvang van de voormalige aarden omwalling en de locatie van de gracht worden vastgesteld. Ook het dichtgooien van de gracht kon nauwkeurig worden gedateerd: kort na 1890. Vanwege de verstorende invloed van een oude rioleringssleuf kon de overgang van de wal naar de insteek van de gracht niet nauwkeurig geregistreerd worden.
Onderzoeksmelding 2360983100 (Walstraat 19, Ter Wal 2012) De bodemopbouw bleek binnen het plangebied geheel verstoord te zijn. Tot onder de verstoringsdiepte van circa 40 cm beneden maaiveld bleek de oorspronkelijk aanwezige bodem recentelijk te zijn afgegraven en vervangen door schoon, licht grijs, ‘scherp’ zand. Naar het noorden toe, richting de Walstraat, ging dit geleidelijk over in donkergrijs humeus zand. Ook dit humeuze zand bleek recent verstoord gezien de aanwezigheid van recent puin en andere moderne materialen als vensterglas en plastic. Gezien de beperkte ouderdom van het vondstmateriaal is dit niet verzameld.
Onderzoeksmelding 4632774100 (Raadhuislaan, De Winter 2019) Het plangebied bevindt zich in een dekzandgebied. Ondanks de relatief natte omstandigheden van de bodem heeft zich in de zuidwesthoek van het plangebied een veldpodzolbodem kunnen ontwikkelen. Elders is de bodem verdwenen door ontginningen en egalisatie van het terrein. In noordelijke richting loopt de top van de natuurlijke ondergrond af. Ofschoon de bodem enigszins nat is geweest, heeft in de zuidwesthoek van het plangebied toch bewoning plaatsgevonden. Sporen, waaronder paalsporen, kuilen en greppels, en het vondstmateriaal tonen aan dat het plangebied op twee locaties in de (late) middeleeuwen en/of het begin van de nieuwe tijd bewoond is geweest. Gebouwplattegronden konden gezien de smalle sleuven en de beperkte oppervlakte van het onderzoeksgebied evenwel niet worden herkend. Afgezien van de bewoningssporen zijn ook karrensporen, perceleringssporen en
KSP Archeologie
22
grondverbeteringssporen aangetroffen in het oostelijk deel van het plangebied. De karrensporen bevinden zich ter hoogte van de huidige Molenstraat en Oostwal. Ter hoogte van de Oostwal zijn ook greppels gevonden, die parallel aan de karrensporen lagen. Langs de greppel zijn ook paalsporen blootgelegd die als weidepalen geïnterpreteerd kunnen worden. Perceleringssporen zijn er ook in de vorm van muurwerk. Deze delen muurwerk betreffen tuinmuren langs twee verschillende percelen. Ondanks de smalle sleuven zijn toch archeologische waarden vastgesteld binnen het plangebied. Direct ten zuiden van de oude kern van Oss heeft bewoning plaatsgevonden in de middeleeuwen en/of het begin van de nieuwe tijd en mogelijk zelfs eerder in de Romeinse tijd of prehistorie. Het zuidelijk deel van het plangebied was in de nieuwe tijd en vermoedelijk al in de middeleeuwen in gebruik als weg, evenals het oostelijke centrale deel. De noordoostzijde van het plangebied is in de middeleeuwen in gebruik geweest en wellicht in de nabije omgeving bewoond.
Onderzoeksmelding 4990121100 (Walkwartier, De Winter 2022) De natuurlijke bodem is niet meer aanwezig in het plangebied. Door de ontwikkeling van het gebied, de bouw en sloop van de voormalige V&D en Winkelstrip, is deze verdwenen. In het westelijke deel van het terrein is de bodem tot diep in de C-horizont verstoord, in het oostelijke deel tot in de top van de natuurlijke ondergrond. In het westelijke deel zijn sporen vergraven. Aan de uiterste noordzijde van het plangebied is op twee locaties de stadsgracht nog gezien. In het oostelijke deel zijn ontginningssporen uit de 18e eeuw aangetroffen. Andere sporen waren hier niet aanwezig. Op basis van de resultaten adviseert BAAC om het gehele plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkelingen.
Onderzoeksmelding 5141120100 (Spoorlaan, Koot e.a. 2021) De basis van het plaggendek en daaronder een restant van de B-horizont van de oorspronkelijke podzolbodem binnen het plangebied is in 5 boringen intact gebleven en van 2 andere boringen is de verstoring van de bovengrond tot net in de top van de C-horizont zodat daar eventueel aanwezige sporen deels kunnen zijn bewaard. De overige 9 boringen tonen een bodemverstoring tot enkele decimeters in het gele zand van de C-horizont. De westzijde van het plangebied lijkt over een groot oppervlak verstoord, maar vanaf boring 2924015 naar het zuiden zouden eventueel aanwezige sporen bewaard kunnen zijn gebleven. Buiten het bebouwd oppervlak heeft ongeveer 2.000 m2 van het plangebied de potentie om archeologische sporen te tonen. Advies proefsleuven binnen het gebied met potentie. Uit de bestudeerde onderzoeksmeldingen blijkt dat de ondergrond die is aangetroffen geïnterpreteerd is als dekzand, waarop vaak nog een restant van een plaggendek is aangetroffen met daaronder in het dekzand soms nog een restant van een podzolbodem. Op grond van de aanwezige of gesloopte bebouwing is de bodem vaak aanzienlijk verstoord.
Gezien de nabije ligging van de middeleeuwse kern en dat de Molenstraat al een uitvalsweg was vanaf de Middeleeuwen kunnen binnen het huidige plangebied resten uit deze periode tot en met de Nieuwe Tijd worden verwacht, voor zover deze door de bebouwing vanaf de 20e eeuw niet is verstoord. Ook eventuele ouder bewoningssporen kunnen nog aanwezig zijn. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart (Figuur 3) ligt het grootste deel van het plangebied binnen de historische stadskern van Oss (beleidscategorie 3) met uitzondering van het ten noordoosten gelegen toegangspad. Daarnaast geldt voor het plangebied een hoge verwachting (beleidscategorie 6) voor alle andere archeologische perioden (Paleolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Daarnaast heeft de gemeente nog enkele specifieke archeologische verwachtingskaarten opgesteld. Voor het plangebied geldt een middelhoge verwachting voor vindplaatsen vanaf het Paleolithicum tot en met Neolithicum (Figuur 13). Voor het plangebied geldt een hoge verwachting voor vindplaatsen vanaf de Bronstijd tot en met de Romeinse Tijd (Figuur 14). ). Voor het plangebied geldt een hoge verwachting voor vindplaatsen vanaf de Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd (Figuur 15) en worden er resten verwacht van de historische stadskern.
KSP Archeologie
23
Figuur 13: Het plangebied op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart voor het Paleolithicum tot en met Neolithicum (Boshoven e.a. 2024).
KSP Archeologie
24
Figuur 14: Het plangebied op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart voor de Bronstijd tot en met de Romeinse Tijd (Boshoven e.a. 2024).
KSP Archeologie
25
Figuur 15: Het plangebied op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart voor de Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd (Boshoven e.a. 2024).
2.5
Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden
Hoewel het plangebied momenteel voor een groot deel is bebouwd met een telefoniecentrale en deels bebouwing heeft gekend vanaf het einde van de 19e – en het begin van de 20e eeuw, zijn geen oudere (ondergrondse) bouwhistorische resten binnen het plangebied bekend (paragraaf 2.1). Op grond van het historisch kaartmateriaal (paragraaf 2.3) worden deze ook niet verwacht, maar op grond van de archeologische gegevens (paragraaf 2.4) kunnen deze eventueel wel aanwezig zijn.
KSP Archeologie
26
2.6
Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek (paragraaf 2.1 t/m 2.5) is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (samengevat in Tabel 2). Deze verwachting zal in de onderstaande tekst worden toegelicht. Periode
Verwachting
Verwachte kenmerken vindplaats
Laat-Paleolithicum – Neolithicum
Middelhoog
Bewoningssporen, tijdelijke kampementen, vuursteen artefacten, haardkuilen
Neolithicum – Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw)
Hoog
Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw)– Nieuwe tijd
Hoog
Nederzetting: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, fragmenten aardewerk, natuursteen, gebruiksvoorwerpen Begravingsresten: kringgreppel, fragmenten aardewerk (urn), verbrande botresten Huisplaats: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, bakstenen, fragmenten aardewerk, gebruiksvoorwerpen
Diepteligging sporen Onder het humeuze cultuurdek vanaf de top van de podzolbodem (vanaf ca. 50 cm -mv) Onder het humeuze cultuurdek vanaf de top van de podzolbodem (vanaf ca. 50 cm -mv) tot in de C-horizont
Onder de bovengrond (vanaf ca. 30 cm -mv) tot diep in de C-horizont
Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.
Het landschap heeft met name voor de prehistorische mens een belangrijke rol gespeeld in de keuze voor een bewoningslocatie. Het plangebied ligt mogelijk op een dekzandrug dan wel binnen een zone met dekzandwelvingen. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum kozen als woon- en verblijfplaats vaak voor de hoger liggende terreingedeelten in het landschap, bij voorkeur in de buurt van open water zoals een beekdal of vennetje. Water was een belangrijk gegeven, niet alleen voor het lessen van de dorst. Nabij water heerst er ook een grotere biodiversiteit wat de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel vergemakkelijkt. Archeologische vindplaatsen uit deze periode komen dus met name voor op overgangen van nat naar droog (de zogenaamde gradiëntzones). Aangezien het niet duidelijk is of er sprake is van een ligging binnen een gradiëntzone (dekzand) en er geen beekdal ligt in de directe omgeving, is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum. 1. 2. 3. 4.
5.
6. 7.
Datering: Laat-Paleolithicum - Neolithicum. Complextype: kampement/vuursteenvindplaats. Omvang: een paar vierkantenmeter (klein) tot enkele honderden vierkantenmeters (groot). Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het humeuze cultuurdek in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem (vanaf ca. 50 cm -mv). Eventuele diepere grondsporen zoals haardkuilen kunnen tot in het dekzand (C-horizont) reiken. Gaafheid en conservering: het archeologische sporen- en vondstenniveau kan goed zijn beschermd tegen moderne grondroeringen door een humeus cultuurdek dat vanaf de Late Middeleeuwen is opgebracht. Een deel van het sporen- en vondstniveau kan in de onderzijde van dit humeuze dek zijn opgenomen vóór of bij de aanleg van het humeuze dek of bij diepere bodemingrepen zoals diepspitten. Aangezien vuursteenvindplaatsen kwetsbaar zijn voor bodemingrepen, omdat ze voornamelijk een vondststrooiing en ondiepe sporen bestaan, is dan de kans klein dat er sprake is van een intacte vuursteenvindplaats. Wel kan de aanwezigheid van een vuursteenvindplaats worden aangetoond op basis van concentraties van fragmenten vuursteen in het plaggendek en/of in de onderliggende bodem. Locatie: hele plangebied. Uiterlijke kenmerken: Vuursteenvindplaatsen worden gekenmerkt door een vuursteenspreiding (artefacten, afslagen e.d.) en eventueel sporen in de vorm van ondiepe haardkuilen.
KSP Archeologie
27
8.
Mogelijke verstoringen: vuursteenvindplaatsen zijn kwetsbaar voor bodemingrepen omdat ze zich in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem bevinden. Door landbewerking kan het archeologische vondstenniveau geheel zijn opgenomen in het plaggendek en door bebouwing uit het einde van de 19e en 20e eeuw kan de bodem tot grote diepte verstoord zijn.
Vanaf het Neolithicum ontstaan in onze streken de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door sedentaire nederzettingen. In de beginperiode combineert men akkerbouw met het jagen en verzamelen, maar geleidelijk stapt men over naar akkerbouw en veeteelt. In de periode vanaf het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) heeft men een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden, die geschikt waren voor akkerbouw. Aangezien het plangebied op een dekzandrug dan wel binnen een zone met dekzandwelvingen ligt, is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). 1. 2. 3.
4.
5.
6. 7.
8.
Datering: Neolithicum – Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Complextype: vindplaatsen vanaf het Neolithicum bestaan uit nederzettingssporen en/of sporen van begravingen. Omvang: nederzettingsterreinen of grafvelden/begravingen variëren in grootte van enkele honderden tot duizenden vierkante meters en kunnen zich soms over meerdere hectaren uitstrekken. Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het humeuze cultuurdek in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem (vanaf ca. 50 cm -mv). De (diepere) grondsporen reiken tot in het dekzand (C-horizont). Gaafheid en conservering: het archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont zal naar verwachting goed zijn beschermd door een humeus cultuurdek dat vanaf de Late Middeleeuwen is opgebracht. Wel zal (een deel van) het vondstniveau in de onderzijde van het plaggendek zijn opgenomen. Locatie: hele plangebied. Uiterlijke kenmerken: De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die vaak diep in de grond gefundeerd waren. Waterputten werden gegraven voor de watervoorziening terwijl in en nabij de nederzetting afvalkuilen werden gegraven om afval te begraven. Naast nederzettingsresten kunnen ook begravingen voorkomen. Restanten hiervan kunnen bestaan uit kringgreppels, fragmenten aardewerk (urnen), crematieresten, inhumaties e.d. De sporen kunnen diep in de bodem reiken.
Vondstmateriaal van de nederzetting kan door landbewerking in het bovenliggende plaggendek terecht zijn gekomen. Mogelijke verstoringen: de kans dat het archeologische sporenniveau in de top van de Chorizont is verstoord, wordt aanzienlijk geacht. De verzamelde gegevens in het bureauonderzoek (door bebouwing uit het einde van de 19e en 20e eeuw) kan de bodem tot grote diepte verstoord zijn.
Vanaf de Late Middeleeuwen verandert het bewoningspatroon. Bewoning concentreert zich in dorpen, steden en bewoningsclusters. Rondom deze dorpen ligt het landbouwareaal dat instaat voor de voedselvoorziening van de inwoners. In deze periode is de landschappelijke ligging van het gebied niet meer doorslaggevend voor de locatiekeuze. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van de historische stadskern van Oss en dat de Molenstraat, waaraan het huidige plangebied ligt, al een uitvalsweg is vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw). Op basis hiervan is de kans groot dat er bewoning in het plangebied heeft plaatsgevonden in de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot in de Nieuwe tijd. Voor deze periode geldt daarom een hoge verwachting. 1. 2.
Datering: Nieuwe tijd (13e – 20e eeuw). Complextype: nederzetting (huisplaats).
KSP Archeologie
28
3. 4. 5.
6. 7.
8.
2.7
Omvang: gehele plangebied (3.116 m2), maar waarschijnlijk in het voorste deel van het plangebied aan de Molenstraat. Diepteligging: het leesbare sporenniveau wordt onder de bovengrond verwacht (vanaf ca. 30 cm -mv) tot diep in de bodem. Gaafheid en conservering: omdat de archeologische resten voor de huisplaats naar verwachting uit bouwmateriaal bestaan (baksteen) en relatief jong zijn, kan de gaafheid en conservering goed zijn mits de funderingen niet zijn verwijderd. Locatie: in het zuidwestelijke deel van het plangebied aan de Molenstraat. Uiterlijke kenmerken: ter plaatse van de huisplaats kunnen muurresten (baksteen), afvalkuilen, paalkuilen en mogelijk ophogingslagen aanwezig zijn. Daarnaast kan vondstmateriaal aanwezig zijn in de vorm van fragmenten aardewerk, fragmenten metaal, gebruiksvoorwerpen e.d. Mogelijke verstoringen: de huisplaats kan zijn aangetast/verdwenen door sloopwerkzaamheden van de bebouwing uit het einde van de 19e en 20e eeuw. Conclusie en advies
Op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart ligt het plangebied binnen de historische stadskern en worden er resten uit die periode verwacht. Daarnaast geldt een hoge verwachting voor resten uit alle andere archeologische perioden (Figuur 3). Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting nader gespecificeerd per periode/bijgesteld. Op basis van de landschappelijke ligging op een dekzandrug dan wel binnen een zone met dekzandwelvingen en de archeologische onderzoeksmeldingen en vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het LaatPaleolithicum tot en met het Neolithicum. Aan het plangebied is een hoge verwachting toegekend voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling een hoge verwachting aan het plangebied toegekend. Het advies is om de verwachting te toetsen door middel van een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. Met dit onderzoek wordt de bodemopbouw in kaart gebracht en wordt de intactheid van de bodem en het potentiële archeologische niveau vastgesteld.