Bijlage 5A Toelichting BP Kortestraat 3 Dieden - 2023
Tekst van het document
Het plangebied ligt in een gebied dat wordt aangeduid als ‘oeverwal’. De oeverwal is een hoger gelegen rug in het landschap en ligt hoog en droog, binnendijks op enige afstand van de rivier de Maas. Het karakter van de oeverwal is kleinschalig en halfopen tot besloten. Het verkavelingspatroon op de oeverwal is blokvormig en overwegend regelmatig. Bebouwing (veelal geconcentreerd in kleine kernen en in bebouwingslinten), beplantingselementen (houtwallen, een enkele boomgaard) en grondgebruik (grasland, bouwland) bepalen hier de maat van de ruimte. Ruimtelijk gezien is het wenselijk om de hoogteligging van de oeverwal in het landschap duidelijker te laten zien. Daarnaast is het wenselijk om de kleinschaligheid en groene karakter van de oeverwal te versterken. Met name in en rond de kernen wordt gestreefd naar een verdichting van de beplanting. In de kernen worden de kleinschalige groenelementen als hagen, boomgaarden en grote tuinen gehandhaafd en versterkt. De realisatie van de nieuwe woning gaat gepaard met een landschappelijke inpassing van niet alleen de nieuwe woning, maar ook de bestaande woning. Zie hiervoor paragraaf 3.3 en bijlage 1.
Met deze landschappelijke inpassing worden de landschappelijke kenmerken van de oeverwal en de groene structuur versterkt doordat de kleinschaligheid wordt benadrukt door de bestaande beplantingen te versterken en nieuwe beplantingen aan te brengen bij de nieuwe woning.
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 28 van 62 september 2023
5.2
Natuur
5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 5.2.2 Groen en natuur/biodiversiteit Natuur- en landschapsvisie 2005 De visie vormt een toetsings- en ontwikkelingskader voor het natuur- en landschapsbeleid in Oss. Zij geeft richting aan ontwikkelingen en nodigt initiatiefnemers uit om een bijdrage te leveren aan projecten. De visie heeft als bouwsteen bijgedragen aan de Structuurvisie Oss 2020.
De ambities die in de visie zijn opgenomen zijn: Het realiseren van een tweetal natuur- en landschapsparken, te weten: 'Maashorst-Herperduin' en het Maaspark'. Het realiseren van stevige verbindingen tussen de natuur- en landschapsparken. Behoud en herstel van natuur- en landschapswaarden in het 'Land van Grutto en Pastinaak' en het 'Land van Dassen en Struweel'. Het realiseren van een groenblauw lint door de polder rond de Hertogswetering. Het ontwikkelen van aantrekkelijke groengebieden in en rond Oss en de dorpen, te weten de 'Groenblauwe Slinger door Oss', de 'Groene geledingszone ten zuiden van Oss', de 'Groene dorpen' en de 'Maasband'. Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft er naar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel ‘natuurinclusief’ te bouwen. Aan initiatiefnemer wordt gevraagd om dit ook te doen. Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”.
In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd.
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 29 van 62 september 2023
5.2.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden. Soortenbescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van soorten niet in gevaar komt. Binnen Nederland zijn 166 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van deze gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante negatieve effecten’ op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. 5.2.3.1.
Gebiedsbescherming Voor de Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Activiteiten en ontwikkelingen die een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen hebben, zijn verboden. Voor een plan geldt op grond van artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming dat bepalend is of het significante gevolgen kan hebben voor een (of meer) Natura 2000-gebied(en). Is dat het geval, dan dient het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, bij de vaststelling van een plan met toepassing van artikel 2.7 Wnb, een passende beoordeling te maken, zoals bedoeld in artikel 2.8 Wnb. In een toetsing wordt bepaald of er negatieve effecten kunnen optreden. Een eerste toetsing (voortoets) geeft aan of er negatieve effecten kunnen optreden en zo ja of deze van dien aard kunnen zijn dat de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen. Indien dat het geval is, wordt een tweede toetsing verricht welke dieper ingaat op de mate van effect (passende beoordeling). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Rijntakken, ligt op ongeveer 7,5 kilometer afstand van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is.
Over een afstand van 7,5 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden logischerwijs uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Sinds 1 juli 2018 is het voor nieuwe woningen niet meer toegestaan een gasaansluiting te realiseren. Vanuit de nieuwe woningen vindt derhalve geen uitstoot van NOx door het verbranden van gas plaats. De enige wijze van uitstoot van stikstof in en bij de woningen is met uitstoot van verkeer. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de nieuwe woning is gebruik gemaakt van de CROWpublicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de functie ‘koop, huis, vrijstaand’ en het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ in ‘niet stedelijk gebied’.
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 30 van 62 september 2023
De nieuwe woning zal op basis daarvan 7,4 – 8,6 verkeersbewegingen per etmaal genereren. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de woning lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Hierbij is er van uitgegaan dat het verkeer zich hoofdzakelijk in door het dorp van Dieden via de Sint Laurensstraat en Osstraat naar de Dorpenweg zal begeven, alwaar het verkeer zal opgaan in het heersende verkeersbeeld. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator (zie bijlage 2) niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden. Ook tijdens de bouw is sprake van (tijdelijke) stikstofemissie, veroorzaakt door verkeer van en naar de bouwlocatie (vrachtwagens die bouwmaterialen komen leveren, vervoer bouwvakkers, etc.) en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwlocatie (kraan, betonpomp, etc.). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van een reguliere bouw voor vergelijkbare woningen.
Dit betreffen de volgende gegevens: Aanvoer beton voor fundering: 4 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) Aanvoer stenen: 4 vrachtwagens Aanvoer beton voor begane grondvloer: 4 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) Aanvoer breedplaatvloeren eerste verdieping: 1 vrachtwagen Aanvoer beton voor eerste verdiepingsvloer: 4 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) Aanvoer breedplaatvloeren tweede verdieping: 1 vrachtwagen Aanvoer beton voor tweede verdiepingsvloer: 4 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) Aanvoer dakplaten: 1 vrachtwagen Aanvoer dakpannen: 1 vrachtwagen Aanvoer divers klein materiaal (kozijnen, ramen, deuren, etc.): 5 vrachtwagens Afvoer afval en materiaal: 5 vrachtwagens In totaal zullen 34 vrachtwagens de locatie tijdens de bouw aandoen, wat resulteert in 68 zware verkeersbewegingen. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Het personeel komt over het algemeen gezamenlijk in 1 bestelbusje. Voor overige bezoekers is eveneens 1 bestelbusje aangehouden per dag. Uitgaande van een bouwperiode van 1 jaar (met circa 260 werkdagen) betekent dit in totaal 520 bestelbusjes, wat resulteert in 1.040 lichte verkeersbewegingen. Een worst-case scenario is ingevoerd in AERIUS Calculator, bestaande uit 34 zware voertuigen in totaal en 2 middelzware voertuigen per etmaal tijdens de bouwfase.
Emissies ten gevolge van de bouw van een woning kunnen sterk variëren afhankelijk van bouwlocatie tot bouwlocatie afhankelijk van de gebruikte technieken, materialen, bodemgesteldheid, grondverzet, type woning, etc. Voor het bepalen van de emissie afkomstig van mobiele werktuigen op de locatie tijdens de bouwfase is daarom gebruik gemaakt van de ministeriele gegevens zoals opgenomen in “Methode inschatting depositie woningbouwprojecten”. Hierin staat vermeld dat de uitstoot van NOx tijdens de bouw van een woning gemiddeld 3,0 kg bedraagt. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator (zie bijlage 3) niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden tijdens de bouw. Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden tijdens de bouw.
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 31 van 62 september 2023
5.2.3.2. Soortenbescherming De Wnb geeft kaders voor de bescherming van planten en dieren. Zo is het verboden om dieren te vangen of verwonden en om vaste rust- en verblijfplaatsen te vernielen. Dit is vastgelegd in drie vergelijkbare beschermingsregimes voor soorten. Indien deze verbodsbepalingen overtreden worden, is er een ontheffing nodig. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Om het voorkomen van flora en fauna binnen het plangebied aan te tonen en het effect van het oprichten en gebruiken van een nieuwe woning hierop te onderzoeken is een quickscan flora- en fauna 3 uitgevoerd (zie bijlage 4). Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen of andere beschermde flora en fauna aanwezig zijn in de te slopen bijgebouwen. De aanwezigheid van beschermde amfibieën, reptielen, vissen, vlinders en libellen is tevens uit te sluiten vanwege het ontbreken van geschikt habitat. Met de sloop van de twee bijgebouwen zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wnb. De te slopen bijgebouwen bestaan volledig uit wanden en dak van damwand en zijn volledig ongeschikt voor verblijf-, schuil- en nestplaatsen van beschermde diersoorten.
De ingreep zal naar verwachting leiden tot een zeer beperkt en tijdelijk verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat het erf geschikt blijft als leefgebied en het relatief algemene soorten betreft. Door de locatie na de bouw geheel in te passen en natuurinclusief te bouwen zal het leefgebied van genoemde soorten niet verslechteren. De aanwezige vegetatie in het plangebied blijft behouden. Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren naar deze soorten. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten, vaste rust-of verblijfsplaatsen of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden (15 maart - 15 juli). Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord.
In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. Bij onvoorziene omstandigheden dient er direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
3 Brabant Eco, Ecologische quickscan Kortestraat 3 Dieden, 18 november 2022, rapportnummer: 2022-BE-0451
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 32 van 62 september 2023
5.3
Archeologie en Cultuurhistorie
5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.
5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld.
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 33 van 62 september 2023
Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv
Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten
35 m2 / 30 cm -Mv
Historische stads-/dorpskern
50 m2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde
100 m 2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein
1000 m2 / 30 cm -Mv
Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde
5 hectare / 30 cm -Mv
Reeds onderzocht
Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.
Verstoord
Geen onderzoeksplicht
5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied een hoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 50 m². Toetsing van de plannen Omdat deze ondergrenzen worden overschreden is ter plekke van de beoogde nieuwe woning een archeologisch onderzoek 4 uitgevoerd (zie bijlage 5). Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied ligt aan de rand van de historische kern Dieden. In de omgeving (met name in de akker ten zuiden van het plangebied) zijn er veel metaalvondsten gedaan uit de periode ijzertijd – middeleeuwen. Uit de oudste historische kaarten blijkt dat het plangebied in gebruik was als bouwland en in het westen van het plangebied liep een weg. Het jaarlijks ploegen van de bodem zal geresulteerd hebben in een verstoorde homogene bovenste 30 a 40 cm van de bodem. Er geldt een hoge verwachting voor resten van bewoning uit de periode ijzertijd – nieuwe tijd. Naar aanleiding van de resultaten uit het veldonderzoek kan de verwachting voor bewoningsresten van alle perioden naar beneden worden bijgesteld. Dit vanwege het ontbreken van cultuurlagen in de oeverafzettingen. Behalve voor het gebied in het noordwesten van het plangebied, bij boring 1.
Hier is in de top van de oeverafzettingen nog een begraven cultuurlaag aangetroffen, eventuele archeologische resten kunnen daar heel plaatselijk nog aanwezig zijn. Enkel ter plaatse van boring 1 is een cultuurlaag aangetroffen. In alle andere gevallen is er sprake van een geroerde bodem. Vondsten kunnen gedaan worden in de gehele bovenste laag oeverafzettingen, voornamelijk in cultuurlagen. De diepte van deze ongeroerde oeverafzettingen varieert in het plangebied van 50 tot 140 cm -mv. Door de aangetroffen mate van verstoring/aftopping van de bovenste laag van de oeverafzettingen lijkt archeologisch vervolgonderzoek niet zinvol. Uitzondering hierop is de regio rondom boring 1, waar wel een cultuurlaag is aangetroffen in de oeverafzettingen. Echter ligt er direct ten westen van boring 1 hoogstwaarschijnlijk een verstoring in de bodem vanwege de oude doorgaande weg. Hierdoor lijkt de cultuurlaag in boring een ‘puntvondst’ te zijn in een verstoorde zone. Vervolgonderzoek lijkt niet zinvol.
4 RAAP, Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend
booronderzoek) plangebied Kortestraat 3 te Dieden, 20 december 2022
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 34 van 62 september 2023
Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het overgrote deel van het plangebied sprake is van een verstoring tot in de archeologisch relevante cultuurlaag. Het overgrote deel van het perceel recent is verstoord en er wordt in het kader van de nieuwe woning geen vervolgonderzoek nodig geacht. Naar aanleiding van de resultaten van het archeologisch onderzoek is de archeologische dubbelbestemming van dit deel van het plangebied verwijderd. De gemeente Oss neemt het advies van RAAP over (zie selectiebesluit bijlage 6). • Besloten wordt dat voor het terrein geen archeologische restricties meer gelden ten aanzien van de werkzaamheden. Archeologisch vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. • In het gebied geldt wel een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische resten. • In het bestemmingsplan hoeft het plangebied (= noordwestelijk deel van het bestemmingsplangebied) niet meer planologisch beschermd te blijven door middel van een dubbelbestemming ‘Waardearcheologie’.
5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.
De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen.
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 35 van 62 september 2023
Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.
Op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is onderhavige locatie gelegen in een gebied van historische stedenbouw. De historische stedenbouw betreft ter plaatse van het plangebied betreft van oorsprong een Middeleeuwse oeverwaldorp, dat is ontstaan aan de Maasdijk. Het betreft een voornamelijk agrarische bebouwingsconcentratie bij de twee direct aan de dijk gesitueerde kerken. Het oeverwaldorp kenmerkt zich als langgerekt bebouwingslint met voornamelijk boerderijen (die parallel aan de dijk liggen), strook met wielen, griendresten, specieputten, boomgaarden en tuinen (boomgaarden, hagen, berceau). Het voornemen bestaat om aan de Kortestraat 3 in Dieden voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, in de vorm van schuren, te slopen en ter compensatie van de sloop een nieuwe woning te realiseren. De woning is beoogd op de plek waar de bebouwing wordt gesloopt. In het kader van het initiatief is sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit doordat bebouwing wordt gesloopt en een nieuwe woning (die beter aansluit bij de omgeving) wordt gerealiseerd. Daarnaast wordt de woning landschappelijk ingepast zodat deze onderdeel uitmaakt van de omgeving. Het initiatief is zodoende passend binnen de waarden van de historische stedenbouw.
5.4
Mobiliteit en parkeren
5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen Het initiatief heeft een effect op het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie. In de huidige situatie is slechts sprake van één woning. In de beoogde situatie is sprake van twee woningen, hierdoor verandert het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie.
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 36 van 62 september 2023
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de nieuwe woning is gebruik gemaakt van de CROWpublicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeercijfers naar parkeernormen’. Er is uitgegaan van de functie ‘koop, huis, vrijstaand’ en het gebiedstype ‘rest bebouwde kom in niet stedelijk gebied’. Op basis van de kencijfers genereert één vrijstaande woning per etmaal minimaal 7,4 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert de nieuwe woning dagelijks 8,6 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 4,3 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Verkeer: ontsluitingswegen Het plangebied wordt uitstekend ontsloten via de Kortestraat. Vanuit de Kortestraat kan in noordelijke richting worden gereden naar het dorpscentrum van Dieden en verder via de Sint Laurensstraat naar de Osstraat en de Dorpenweg. Via de Dorpenweg kan het centrum van Oss worden bereikt, alsook is er een directe aansluiting op de snelweg A50. Het plangebied is daarmee uitstekend uitsloten. Gezien het profiel van de Kortestraat zal de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen goed kunnen verwerken.
5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Met onderhavig initiatief is sprake van het oprichten van een nieuwe vrijstaande woning. Voor vrijstaande woningen geldt een parkeereis van 2,3 parkeerplaatsen per woning. Dit wil zeggen dat bij de woning minimaal 3 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Op eigen terrein is meer dan voldoende ruimte beschikbaar voor het realiseren van drie parkeerplaatsen, hiermee wordt voldaan aan de parkeernormen van de gemeente Oss.
5.5
Water
5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGRP een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.
De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod.
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 37 van 62 september 2023
Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.
In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘ Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid.
De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm.
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 38 van 62 september 2023
De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. 5.5.2 Watertoets De digitale watertoets is ingevuld op www.dewatertoets.nl (zie bijlage 7). Het waterschap bekijkt aan de hand van de aangeleverde gegevens of in het plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse van het projectgebied.
De watertoets doorloopt de waterhuishoudkundige doelstellingen en levert mogelijk aandachtspunten en knelpunten op. Het waterschap heeft in de watertoets het volgende aangegeven: “Uit de door u ingevoerde gegevens blijkt dat uw planvoornemen één of meerdere waterbelangen raakt. Vandaar dat waterschap Aa en Maas graag wil meedenken over de voorgenomen ontwikkeling”. Oppervlaktewater Conform de leggerkaarten van het waterschap ligt aan de overzijde van de Kortestraat een B-watergang. Daarnaast ligt aan de zuidzijde van het plangebied eveneens een B-watergang. Op beide watergangen is de Keur van toepassing. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergang niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. De nieuwe woning is op meer dan 5 meter van deze watergangen af gesitueerd. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd. Grondwater Op de Bodemkaart van Nederland wordt de deklaag van het plangebied aangeduid als Nuenengroep en Holoceen, bestaande uit fijne kleiige zanden en (rivier)klei. De stromingsrichting van het freatisch grondwater is ter plaatse noordwest gericht. De grondwaterstand wordt ingeschat op een diepte van 1,4 tot 2,2 m-mv. Ten tijde van het verkennend bodemonderzoek (november / december 2022) is het grondwater op een diepte van 1,7 m-mv aangetroffen.
Hemelwater Voldaan moet worden aan het uitgangspunt van hydrologisch neutraal bouwen. Dit betekent dat er door het initiatief niet meer water mag worden afgevoerd vanuit het plangebied dan in de bestaande situatie. Vaak neemt het verhard oppervlak toe bij de realisatie van een nieuwbouwplan.
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 39 van 62 september 2023
Bij ver- en nieuwbouw in bebouwd gebied moet tenminste de eerste 10 mm regen (10 liter per m2 afstromende verharding) van een bui op het eigen terrein kunnen worden vastgehouden en lokaal worden verwerkt door infiltratie of lozing op het oppervlak (vijver, wadi of lager gelegen grond). Met onderhavig initiatief neemt de verharding toe in de vorm van de nieuwe woning en nieuwe bijgebouwen. In totaal wordt circa 250 m2 aan bebouwing gerealiseerd (bouwvlak 150 m2 + bijgebouwen 100 m2). Daarnaast wordt circa 100 m2 aan erfverharding toegevoerd. In totaal neemt de verharding toe met 350 m2. Er is daarom sprake van een verhardingstoename van 350 m2. Daartegenover staat echter de sloop van twee bijgebouwen met een oppervlakte van in totaal 440 m2. Uitgaande van het nieuwe verhard oppervlakte zal de capaciteit van de infiltratievoorziening 350 * 0,01 = 3,5 m3 dienen te bedragen. Dit wordt geïnfiltreerd op eigen terrein. Berging en infiltratie van het hemelwater is alleen mogelijk boven de grondwaterspiegel anders loopt de infiltratievoorziening vol water. De infiltratievoorziening kan daardoor niet dieper dan 1,7 m-mv worden gerealiseerd. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal dit nader worden beschreven. Afvalwater Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden.
Voor de nieuwe woning dient een nieuwe aansluiting op de riolering van de Kortestraat te worden aangelegd. Het rioleringsstelsel is voldoende van omvang om van slechts één woning en de daarmee gepaard gaande geringe toename aan afvalwater te kunnen verwerken.
5.6
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.
Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 40 van 62 september 2023
5.7
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG-publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3.
een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype rustige woonwijk.
Er is geen sprake van een matige of sterke functiemenging en het plangebied is niet direct gelegen aan hoofdinfrastructuur, welke volgens de VNG publicatie eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied behoren, omdat daar de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden kan rechtvaardigen.
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 41 van 62 september 2023
De nieuwe woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kan de nieuwe woning milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies. In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: dienstverlening (conferentie-oord) in voormalig kerkgebouw Maasdijk 79, afstand tot het plangebied 170 meter een veehouderij op de locatie Langestraat 12, afstand tot het plangebied 195 meter bedrijvigheid van categorie 1 en 2 op de locatie Maasdijk 78, afstand tot het plangebied 200 meter een veehouderij op de locatie Maasdijk 81 5, afstand tot het plangebied 480 meter Voor een conferentie-oord (Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra) dienen de volgende richtafstanden te worden aangehouden: 10 meter voor geur, 0 meter voor stof, 10 meter voor geluid en 10 meter voor gevaar. Aan al deze richtafstanden wordt ruimschoots voldaan. Ter plaatse van de bedrijfsbestemming voor lichte bedrijvigheid van categorie 1 en 2 is een autobedrijf gevestigd.
Voor een autobedrijf (Handel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven) dienen de volgende richtafstanden te worden aangehouden: 10 meter voor geur, 0 meter voor stof, 30 meter voor geluid en 10 meter voor gevaar. Aan al deze richtafstanden wordt ruimschoots voldaan. Voor veehouderijen (Fokken en houden van rundvee, overige graasdieren, varkens, pluimvee en overige dieren) dienen de volgende richtafstanden te worden aangehouden: 200 meter voor geur, 50 meter voor stof, 50 meter voor geluid en 10 meter voor gevaar. Aan al deze richtafstanden wordt voldaan, behalve net niet voor de richtafstand voor geur in geval de locatie Langestraat 12. Voor het aspect geur geldt echter de bijzondere regeling in het kader van de Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv). In paragraaf 5.7.4 wordt het aspect geur van deze veehouderij nader beschouwd. Uit deze paragraaf blijkt dat geur van deze veehouderij niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat in de nieuwe woning. Omliggende milieubelastende functies vormen daarmee geen belemmering voor het garanderen van een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woning.
5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Voor de realisatie van de nieuwe woning is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd 6 (zie bijlage 8). Uit het bodemonderzoek blijkt dat zintuiglijk tijdens de uitvoering van de boringen geen verontreinigingen zijn waargenomen. In de bovengrond zijn plaatselijk sporen of in zwakke mate resten van (rode) baksteen waargenomen.
5 De vergunning voor het houden van dieren is op 26 maart 2019 ingetrokken echter op basis van het vigerende
bestemmingsplan is de locatie nog aangewezen als veehouderij.
6 Van Oort Bodemonderzoek BV, Verkennend bodemonderzoek Kortestraat 3 te Dieden, 15 december 2022, projectnummer: KST.334522
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 42 van 62 september 2023
Op basis van het laboratoriumonderzoek zijn de volgende conclusies te trekken: In het zintuiglijk schone mengmonster van de zandige bovengrond (MMB1) is ten opzichte van de achtergrondwaarde een verhoogd PAK-gehalte aangetoond. In het monster van de zandige bovengrond met puinbijmengingen (MB3) zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde geen verhoogde gehaltes waargenomen. In het mengmonster van de klei-bovengrond met puinbijmengingen (MMB2) zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde verhoogde gehaltes cadmium, zink en PAK gemeten. In het mengmonster van de zandige bovengrond nabij de voormalige dieselolietank (MMB4) is ten opzichte van de achtergrondwaarde een verhoogd gehalte minerale olie aangetoond. In het mengmonster van de klei-ondergrond (MMO5) zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde verhoogde gehaltes kobalt en zink gemeten. De boven- en ondergrond zijn licht verontreinigd. Aangenomen is dat de lichte verontreinigingen met minerale olie en PAK het gevolg zijn van de voormalige agrarische activiteiten en het gebruik van de voormalige olietank. De verontreinigingen met zware metalen zijn vermoedelijk het gevolg van lokaal verhoogde achtergrondwaarden. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit is de bovengrond beoordeeld als achtergrondwaarde-grond en wonengrond (bij toepassing als landbodem).
De ondergrond is vanwege een verhoogd zinkgehalte beoordeeld als industriegrond. Op basis van het laboratoriumonderzoek is de volgende conclusie te trekken: In zowel het mengmonster van de bovengrond als het mengmonster van de ondergrond zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde geen verhoogde gehaltes gemeten. De boven- en ondergrond zijn niet verontreinigd en voldoen aan de achtergrondwaarde. De resultaten van het onderzoek geven geen directe aanleiding tot een vervolgonderzoek. Op basis van het totaal aan onderzoeksgegevens behoeft de bodemkwaliteit geen belemmering te vormen voor een woonbestemming en het verlenen van een omgevingsvergunning. Geadviseerd wordt om tussen sloop en nieuwbouw een actualisatie naar de kwaliteit van de bovengrond uit te voeren. 5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes).
Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest.
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 43 van 62 september 2023
Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie.
Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Met onderhavig initiatief wordt een nieuwe woning gerealiseerd. Hiermee is als het ware sprake van een nieuw kwetsbaar object (namelijk de nieuwe woning). Dit betekent dat er zeer zorgvuldig gekeken moet worden naar de realisatie van de woning in de buurt van externe veiligheidsbronnen. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Noord-Brabant is een risicokaart samengesteld waarop de risicoveroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van deze risicokaart bevindt zich in de omgeving van het plangebied één risicovolle activiteit; vervoer van gevaarlijke stoffen over de Maas. De Maas is een belangrijke binnenvaarroute. Dit betekent dat er geen sprake is van plaatsgebonden risicocontouren op de oever. Het invloedsgebied is 1.070 meter, gebaseerd op het vervoer van toxische stoffen. De nieuwe woning is gelegen op circa 440 meter vanaf de oever van de Maas. In de beleidsvisie van de gemeente Oss is opgenomen dat langs waterwegen de standaard verantwoording zoals opgenomen in bijlage 2 bij de beleidsvisie van toepassing is.
Deze luidt als volgt: Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: vanwege de afstand tot de plaats van mogelijke incident, de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas), het groepsrisico niet significant zal toenemen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item. Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer / de Veiligheidsregio opgestelde ‘risicoprofiel’.
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 44 van 62 september 2023
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zij hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. Externe veiligheid vormt daardoor geen belemmering voor de nieuwe woning.
5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De nieuwe woning betreft een geurgevoelig object in de zin van de Wgv.
In Dieden geldt voor geurgevoelige objecten dat de maximale geurbelasting op de objecten 2,0 Ou/m3 mag zijn. Met het initiatief is sprake van het oprichten van één woning. In de woning dient te worden aangetoond dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Een woning betreft namelijk een geurgevoelig object. Voorgrondbelasting De gemeente verdeelt het grondgebied van de gemeente in gebieden en hanteert per soort gebied een eigen geurnorm. Met het geurbeleid wil de gemeente zowel de bescherming van de agrarische ondernemers borgen als de doorgang van gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Op basis van de normenkaart geldt voor het plangebied een geurnorm van 6 OU/m3.
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 45 van 62 september 2023
Afbeelding 10. Uitsnede Geurnormenkaart gemeente Oss
De nieuwe woning zou geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen. In de directe omgeving (1 kilometer van het plangebied) is sprake van de volgende locaties waar een vergunning verleend is voor het houden van dieren:
1. 2. 3. 4. 5.
Type veehouderij
Locatie
Vergunde geuremissie
Afstand tot projectgebied
Paardenhouderij Melkrundveehouderij Geitenhouderij Varkenshouderij Varkenshouderij
Langestraat 12 Langestraat 7 Weijenstraat 10 Sint Laurensstraat 17 Sint Laurensstraat 19
0 Ou 0 Ou 7.183 Ou 52.992 Ou 23.230 Ou
195 meter 790 meter 800 meter 880 meter 910 meter
Voor een aantal diersoorten zijn in de Wet geurhinder en veehouderij geen emissiefactoren opgenomen, maar gelden vaste afstanden. Dit geldt onder andere voor een melkrundveehouderij en een paardenhouderij. De afstand tussen deze veehouderijen en een voor geurhinder gevoelig object moet minstens 100 meter bedragen voor objecten binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. Aan deze afstandsnormen wordt voor de paardenhouderij en melkveehouderij ruimschoots voldaan. Van de overige veehouderijen dient de daadwerkelijke geurbelasting op het plangebied berekend te worden. Het effect van de vergunde geuremissie van deze veehouderijen op het plangebied is door middel van het programma V-stacks Vergunning berekend (zie bijlage 9). Daarbij is uitgegaan van een worst-case benadering waarbij de vergunde geuremissie wordt geëmitteerd vanuit de dichtstbijzijnde hoek van het bouwvlak.
Kortestraat 3 Dieden - 2023, pag. 46 van 62 september 2023