CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 - Ecologisch Inrichtingsplan oopenbare ruimte

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Verklaring van geen bedenkingen tijdelijke woningen / tiny houses Gewandeweg Oss18.172 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

20608.003 versie D2

10 / 27

Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd en er zijn geen bomen aanwezig, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Negatieve effecten ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen binnen de onderzoekslocatie, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Daarnaast zijn de aanwezige bomen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, welke kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen eveneens uitgesloten. Negatieve effecten ten aanzien van vleermuizen, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen.

Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft weilanden, akkers, tuinen, watergangen en bomenrijen. Negatieve effecten ten aanzien van foerageerhabitat van vleermuizen, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Op de onderzoekslocatie zijn dergelijke elementen en daarmee vliegroutes niet aanwezig. Direct naast de onderzoekslocatie zijn dit soort elementen (zie figuur 5.4 t/m 5.7) echter wel aanwezig en kunnen vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn. Tijdens de bouwfase en in de eindsituatie kan sprake zijn van toename van verlichting ten opzichte van de huidige situatie. Verlichting kan voor vleermuizen een barrière vormen en ertoe leiden dat een vliegroute minder of helemaal niet meer gebruikt kan worden. Negatieve effecten ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen niet worden uitgesloten zonder het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het nemen van maatregelen (zie hoofdstuk 6).

20608.003 versie D2

11 / 27

Figuur 5.4 Bomenrij ten zuiden van de onderzoekslocatie.

Figuur 5.5 A-watergang ten noorden van de onderzoekslocatie.

Figuur 5.6 Struiken/bomen ten (zuid)oosten van de onderzoekslocatie.

Figuur 5.7 Potentiële vliegroutes van vleermuizen (gele lijnen) direct naast de onderzoekslocatie (wit omkaderd).

5.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en licht beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, boommarter, bunzing, damhert, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter, wezel en wolf.

20608.003 versie D2

12 / 27

Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel Steenmarters (in niet stedelijke omgevingen) en kleine marterachtigen maken als rust- of voortplantingsplaats vaak gebruik van stenenstapels, hout- en takkenhopen, ruimtes onder boomwortels en oude holen (van bijvoorbeeld konijnen en muizen). Kleine marterachtigen zijn verder ook sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en struweel, omdat deze dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van voorgenoemde elementen en schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats voor zowel steenmarters als kleine marterachtigen. Direct naast de onderzoekslocatie zijn dit soort elementen (zie figuur 5.8 t/m 5.11) echter wel aanwezig en kunnen migratieroutes en/of verblijfplaatsen aanwezig zijn. Negatieve effecten ten aanzien van de steenmarter, bunzing, wezel en hermelijn, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen niet worden uitgesloten zonder het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het nemen van maatregelen (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.8 hol westelijk van de onderzoekslocatie.

Figuur 5.9 Struiken oostelijk van de onderzoekslocatie.

Figuur 5.10 Braamstruweel westelijk van de onderzoekslocatie.

Figuur 5.11 Potentiële migratieroutes en/of verblijfplaatsen van steenmarter en/of kleine marterachtigen (roze lijnen) direct naast de onderzoekslocatie (wit omkaderd).

20608.003 versie D2

13 / 27

Eekhoorn De onderzoekslocatie en directe omgeving vormen geen geschikt habitat voor de eekhoorn vanwege de afwezigheid van voor de eekhoorn geschikte groene verbindingen zoals hoge bomen met dicht bladerdek. Tevens konden de bomen direct naast de onderzoekslocatie door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Negatieve effecten ten aanzien van de eekhoorn, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Das De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Negatieve effecten ten aanzien van de eekhoorn, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Overige grondgebonden zoogdieren Het voorkomen van (sporen van) overige grondgebonden zoogdieren zoals bever, boommarter, damhert en wolf waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld.

Vanwege het ontbreken van geschikt habitat op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Negatieve effecten ten aanzien van deze soorten, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, haas en algemene muissoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat hazenlegers en muizenholen worden vergraven (zie hoofdstuk 6).

5.4 Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 10 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: hazelworm, levendbarende hagedis, muurhagedis en ringslang. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Waarnemingen van de hazelworm, levendbarende hagedis, muurhagedis en ringslang hebben betrekking op de nabijgelegen natuurgebieden ten zuidoosten van Oss. Negatieve effecten ten aanzien van reptielen, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten.

20608.003 versie D2

14 / 27

5.5 Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 10 jaar de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, knoflookpad, poelkikker en rugstreeppad. Streng beschermde soorten Heikikker De heikikker maakt gebruik van ondiepe stilstaande wateren van oeverzones en is op het land te vinden in gebieden met heide, hoogveen, laagveen, halfnatuurlijk grasland, bos en/of struweel. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing (Creemers, R., Van Delft, J. & RAVON, 2009). Op basis van het voorgaande is het uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het leefgebied van deze soort. Negatieve effecten ten aanzien van de heikikker, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Knoflookpad De knoflookpad maakt gebruik van (grote) diepe poelen met veel oever- en watervegetatie en is op het land te vinden in agrarisch gebied, ruderaal terrein (zoals volkstuinen), rivierduintjes en halfnatuurlijke graslanden. De soort wordt ook relatief vaak gemeld op en rond infrastructuur (dijken, wegen en spoorlijnen) en uit de randen van heideterreinen, bos en struweel.

Een absolute voorwaarde voor deze (grotendeels ondergronds levende) soort is de aanwezigheid van open zandplekken omringd door vegetatie. Het zand moet daarbij een zodanige structuur hebben, dat het goed vergraafbaar is. Op basis van het voorgaande is het uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het leefgebied van deze soort. Negatieve effecten ten aanzien van de knoflookpad, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker De alpenwatersalamander en kamsalamander maken gebruik van allerlei typen water, zolang het niet snel stromend, niet rijk aan vis en (in het geval van de kamsalamander) niet sterk beschaduwd is. De poelkikker is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren met een goed begroeide oever. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. De watergang ten noorden en oosten van de onderzoekslocatie is mogelijk geschikt voor desbetreffende soorten, maar deze maakt geen onderdeel uit van de voorgenomen plannen en blijft in de huidige staat behouden.

De alpenwatersalamander en kamsalamander hebben een voorkeur voor beboste gebieden en zijn ook te vinden in kleinschalige landschappen met heggen en struwelen (vaak in de directe omgeving van het voortplantingswater). Poelkikkers hebben een voorkeur voor heide- en hoogveenterreinen en zijn ook te vinden in halfnatuurlijke graslanden, agrarisch gebied en laagveen. Kamsalamanders komen zelden in akkerbouwgebieden voor (Creemers, R., Van Delft, J. & RAVON, 2009) en voor de alpenwatersalamander geldt dat akkers en intensief benut grasland worden gemeden (Creemers, R., Van Delft, J. & RAVON, 2009). Het kan incidenteel voorkomen dat een migrerend individu op de onderzoekslocatie aanwezig is, maar door de afwezigheid van goed vergraafbare grond en van beschutting zoals bosschages, struweel en strooisellagen vormt de onder-

20608.003 versie D2

15 / 27

zoekslocatie geen geschikt landhabitat voor amfibieën waaronder desbetreffende soorten. Als gevolg van de voorgenomen plannen zal geen beschadiging en/of vernietiging van verblijfplaatsen plaatsvinden. Echter dient wel rekening gehouden te worden met incidenteel voorkomende individuen (zie hoofdstuk 6). Rugstreeppad In de huidige situatie is op de onderzoekslocatie geen geschikt habitat aanwezig voor de rugstreeppad. De rugstreeppad is echter een echte pionier die zich snel kan vestigen wanneer ondiepe plassen ontstaan. Geadviseerd wordt om hier tijdens het bouwrijp maken en de bouwfase rekening mee te houden (zie hoofdstuk 6). Licht beschermde soorten Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. Het kan incidenteel voorkomen dat een migrerend individu op de onderzoekslocatie aanwezig is, maar door de afwezigheid van goed vergraafbare grond en van beschutting zoals bosschages, struweel en strooisellagen vormt de onderzoekslocatie geen geschikt landhabitat voor amfibieën. Als gevolg van de voorgenomen plannen zal geen beschadiging en/of vernietiging van verblijfplaatsen plaatsvinden. Echter dient wel rekening gehouden te worden met incidenteel voorkomende individuen (zie hoofdstuk 6).

5.6 Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.

5.7 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte, meer algemene, waardplanten voor beschermde vlindersoorten als bruine eikenpage (zomereik), grote vos (iep, zoete kers, populier en sommige wilgen), iepenpage (iep), veldparelmoervlinder (smalle weegbree) en teunisbloempijlstaart (teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik en kattestaart) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort.

20608.003 versie D2

16 / 27

Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

5.8 Planten Volgens gegevens van de NDFF zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen gedaan van de streng beschermde kartuizer anjer en kluwenklokje. Gezien de onderzoekslocatie geheel bestaat uit intensief beheerd akkerland (voorheen was het in gebruik als maisakker, de afgelopen twee jaar is het in gebruik als grasland), is het voorkomen van de kartuizer anjer en kluwenklokje op deze locatie uitgesloten.

20608.003 versie D2

17 / 27

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen.

6.1 Broedvogels Steenuil en kerkuil (jaarrond beschermde broedvogels) De kerkuil en de steenuil en hun leefgebied zijn beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soorten staan tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van de kerkuil zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 3 van vogelnesten (zeer honkvaste broeders of afhankelijk van bebouwing (geen kolonie)). De nesten van de steenuil zijn eveneens het hele jaar beschermd, maar vallen onder categorie 1 van vogelnesten (jaarrond gebruikte nesten). Nabij de onderzoekslocatie zijn op het perceel van de Gewandeweg 47 twee schuren aanwezig welke potentieel geschikt zijn als broedplaats en/of roestplaats voor beide soorten. Deze potentiële broedplaats en/of roestplaats ondervinden mogelijk een negatief effect door de voorgenomen plannen. Nader onderzoek dient uitgevoerd te worden in de betreffende voortplantingsperiode van steenuil, zijnde februari tot en met juli en in de voortplantingsperiode van de kerkuil, zijnde februari tot en met augustus. Indien een nestplaats en/of roestplaats van de steenuil aanwezig is, dient tevens bepaald te worden of een leefgebied analyse noodzakelijk is.

Indien verstoringen niet kunnen worden voorkomen door de geplande nieuwbouwwoningen op de onderzoekslocatie dienen maatregelen te worden genomen om negatieve effecten van de geplande nieuwbouwwoningen voor de steenuil en kerkuil geheel of zoveel mogelijk te voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de Provincie NoordBrabant, middels een ontheffingsaanvraag. Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op of direct naast de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien buiten het broedseizoen wordt gestart met de werkzaamheden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien de voorgenomen werkzaamheden toch binnen het broedseizoen zullen starten, zal het terrein

20608.003 versie D2

18 / 27

actief vanaf het begin van het broedseizoen tot aan de start van de werkzaamheden broedvrij gehouden moeten worden en/of dient er een vogelinspectie uitgevoerd moeten worden.

6.2 Vleermuizen Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Direct naast de onderzoekslocatie zijn elementen (watergang, struiken en bomenrij) aanwezig die potentieel een functie als vliegroute vervullen voor vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart en baardvleermuis). Als gevolg van de voorgenomen plannen treedt, zonder het treffen van maatregelen in de bouwfase en eindsituatie, mogelijk een overtreding op de Wet natuurbescherming op. Het wordt daarom geadviseerd om maatregelen op te nemen in het inrichtings- en beheersplan als onderdeel van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Deze maatregelen kunnen bijvoorbeeld zijn het groen inrichten van de randzones met opgaande struweelhagen en bomenrijen in combinatie met het strategisch plaatsen van toekomstige verlichting. Tevens zijn maatregelen mogelijk in de vorm van amberkleurige verlichting nabij de infrastructuur en woningen zelf.

Het wordt geadviseerd om het inrichtings- en beheersplan te laten beoordelen door de begeleidend ecoloog om te borgen dat de maatregelen afdoende zijn om een overtreding op voorhand te voorkomen. De te nemen maatregelen worden vervolgens door de ecologisch deskundige opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Een andere optie is om aanvullend onderzoek uit te voeren om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat in de periode half april tot en met september twee veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. In het geval van een overtreding van de Wet natuurbescherming is een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van de vliegroute(s) behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie NoordBrabant, middels een ontheffingsaanvraag.

6.3 Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel In de provincie Noord-Brabant zijn de steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel beschermde inheemse diersoorten en tevens opgenomen in onderdeel A, behorende bij artikel 3.10, eerste lid, onderdeel A, van de nationaal beschermde dier- en plantensoorten volgens de Wet natuurbescherming. Direct naast de onderzoekslocatie zijn elementen (struweel, greppels en holen) aanwezig die potentieel een functie als migratieroute(s) en/of verblijfplaats vervullen voor steenmarter en/of kleine marterachtigen. Als

20608.003 versie D2

19 / 27

gevolg van de voorgenomen plannen treedt, zonder het treffen van maatregelen in de bouwfase en eindsituatie, mogelijk een overtreding op de Wet natuurbescherming op. Het wordt daarom geadviseerd om maatregelen op te nemen in het inrichtings- en beheersplan als onderdeel van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Deze maatregelen kunnen bijvoorbeeld zijn het groen inrichten van de randzones met takkenrillen en struweel in combinatie met het aanplanten van hagen en struiken verspreid over de onderzoekslocatie. Het wordt geadviseerd om het inrichtings- en beheersplan te laten beoordelen door de begeleidend ecoloog om te borgen dat de maatregelen afdoende zijn om een overtreding op voorhand te voorkomen. De te nemen maatregelen worden vervolgens door de ecologisch deskundige opgenomen in een ecologisch werkprotocol. De inrichting van de randzones dient afgerond te zijn voordat wordt overgegaan tot de verdere werkzaamheden. Een andere optie is om aanvullend onderzoek uit te voeren om de daadwerkelijke functie van het gebied voor de steenmarter en kleine marterachtigen te kunnen vaststellen. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. In het geval van een overtreding van de Wet natuurbescherming is een ontheffingsaanvraag aan de orde.

Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van de migratieroute(s) en/of verblijfplaats(en) behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie NoordBrabant, middels een ontheffingsaanvraag.

6.4 Amfibieën Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker De alpenwatersalamander is beschermd middels artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. De kamsalamander en poelkikker zijn beschermde inheemse diersoorten als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming op basis van het feit dat de soorten zijn opgenomen in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en zijn benoemd in Bijlage III van de Conventie van Bern. Het kan incidenteel voorkomen dat een migrerend individu van bovengenoemde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig is. In het kader van de zorgplicht en om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen wordt daarom geadviseerd een amfibieënscherm te plaatsen en deze maatregel door de ecologisch deskundige op te laten nemen in een ecologisch werkprotocol. Het scherm dient geplaatst te worden in de periode wanneer de amfibieën zich in het water bevinden (mei-juni). Rugstreeppad In de huidige situatie is geen geschikt habitat aanwezig voor de rugstreeppad op de onderzoekslocatie. De rugstreeppad is echter een echte pionier die zich snel kan vestigen wanneer ondiepe plassen ontstaan. Door werkzaamheden zoals het bouwrijp maken kunnen ondiepe plassen ontstaan waardoor de onderzoekslocatie alsnog geschikt wordt en de rugstreeppad zich hier kan vestigen.

Om overtredingen van de Wet natuurbescherming te voorkomen wordt geadviseerd een amfibieënscherm te plaatsen en deze maatregel door de ecologisch deskundige op te laten nemen in een ecologisch werkprotocol.

20608.003 versie D2

20 / 27

6.5 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en hazenlegers en muizenholen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen. Dit kan bijvoorbeeld door tijdens het bouwrijp maken van de onderzoekslocatie bouwrijp in één richting te werken. Ook kunnen tijdens de werkzaamheden aangetroffen individuen verplaatst worden door de ecologisch deskundige.

6.6 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

20608.003 versie D2

21 / 27

7

TOETSING AAN GEBIEDSBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

7.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Rijntakken, bevindt zich op circa 8,5 kilometer afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 7.1).

Figuur 7.1 Ligging onderzoekslocatie (wit omkaderd bij gele pijl) ten opzichte van Natura 2000 (groene en rode vlakken).

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand (± 8,5 km) in combinatie met de schaal van de voorgenomen plannen op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van

20608.003 versie D2

22 / 27

stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).

7.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. De meest nabijgelegen gebieden bevinden zich circa 125 meter ten noorden van de onderzoekslocatie. In figuur 7.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 7.2 Ligging onderzoekslocatie (wit omkaderd) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (lichtgroene vlakken).

Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk en gezien de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.

20608.003 versie D2

23 / 27

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Wegens het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

20608.003 versie D2

24 / 27

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Gewandeweg te Oss. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen ontwikkeling van de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000 gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse van de onderzoekslocatie tijdelijke flexwoningen (maximaal voor een periode van 15 jaar) te realiseren om de acute druk op de huidige woningmarkt te verlichten. De flexwoningen zijn bedoeld voor 1- en 2-persoons huishoudens die hier tijdelijk kunnen wonen. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 9.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten.

In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 9.1

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.

soortgroep

geschikt habitat

ingreep verstorend

nader onderzoek

ontheffingsaanvraag

bijzonderheden / opmerkingen

algemeen

ja

nee, mits..

nee

nee

..nestgelegenheden buiten het broedseizoen worden verwijderd én buiten het broedseizoen wordt gestart met de werkzaamheden. OF ..nestgelegenheden buiten het broedseizoen worden verwijderd én het terrein tijdens het broedseizoen tot aan de start van de werkzaamheden actief broedvrij wordt gehouden.

jaarrond beschermd

ja

mogelijk

ja

mogelijk

aanvullend onderzoek noodzakelijk ten aanzien van kerkuil en steenuil op naastgelegen perceel (Gewandeweg 47)

verblijfplaatsen

nee

nee

nee

nee

broedvogels

-

vleermuizen vliegroutes

ja

nee, mits

nee, mits..

nee, mits..

..maatregelen worden opgenomen in het inrichtings- en beheersplan, deze maatregelen worden beoordeeld door de ecologisch deskundige en opgenomen in een ecologisch werkprotocol.

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar.

20608.003 versie D2

25 / 27

soortgroep

geschikt habitat

ingreep verstorend

nader onderzoek

ontheffingsaanvraag

bijzonderheden / opmerkingen

streng beschermd

ja

nee, mits..

nee, mits..

nee, mits..

..maatregelen worden opgenomen in het inrichtings- en beheersplan, deze maatregelen worden beoordeeld door de ecologisch deskundige en opgenomen in een ecologisch werkprotocol.

licht beschermd

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht t.a.v. konijn, haas en algemene muissoorten.

streng beschermd

nee

nee, mits..

nee

nee, mits..

..het plaatsen van een amfibieënscherm (maatregel) wordt door de ecologisch deskundige opgenomen in een ecologisch werkprotocol.

licht beschermd

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht t.a.v. licht beschermde amfibieën

reptielen

nee

nee

nee

nee

-

vissen

nee

nee

nee

nee

-

libellen en vlinders

nee

nee

nee

nee

-

overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

8,5 km

mogelijk

ja

mogelijk

Natuurnetwerk Nederland

125 m

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

nee

n.v.t

n.v.t

n.v.t

-

overige zoogdieren

amfibieën

onderzoek stikstofdepositie uitvoeren

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

20608.003 versie D2

26 / 27

Conclusie Op basis van de onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient voorafgaand aan de werkzaamheden middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de functie van het direct aangrenzende perceel van de onderzoekslocatie voor de kerkuil en steenuil. Als gevolg van de voorgenomen plannen treedt, zonder het treffen van maatregelen in de bouwfase en eindsituatie, mogelijk een overtreding op de Wet natuurbescherming op ten aanzien van vliegroute(s) van vleermuizen en migratieroute(s) en/of verblijfplaatsen van steenmarter en/of kleine marterachtigen. Het wordt daarom geadviseerd om maatregelen op te nemen in het inrichtings- en beheersplan als onderdeel van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Het wordt geadviseerd om het inrichtings- en beheersplan te laten beoordelen door de begeleidend ecoloog om te borgen dat de maatregelen afdoende zijn om een overtreding op voorhand te voorkomen. De te nemen maatregelen worden vervolgens door de ecologisch deskundige opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Het kan incidenteel voorkomen dat een migrerend individu van de alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker op de onderzoekslocatie aanwezig is. Tevens kunnen door werkzaamheden zoals het bouwrijp maken ondiepe plassen ontstaan waardoor de onderzoekslocatie alsnog geschikt wordt voor de rugstreeppad en deze zich hier kan vestigen.

Om overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soorten te voorkomen wordt geadviseerd een amfibieënscherm te plaatsen en deze maatregel door de ecologisch deskundige op te laten nemen in een ecologisch werkprotocol. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen (lopend globaal van maart tot half augustus) te starten. Indien de voorgenomen werkzaamheden toch binnen het broedseizoen zullen starten, zal het terrein actief vanaf het begin van het broedseizoen tot aan de start van de werkzaamheden broedvrij gehouden moeten worden en/of dient er een vogelinspectie uitgevoerd moeten worden. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden in de omgeving van Oss (Rijntakken) is naar aanleiding van de voorgenomen plannen een onderzoek naar stikstofdepositie (middels een AERIUS-calculatie) noodzakelijk.

Met betrekking tot het (Brabantse) Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie.

Econsultancy Boxmeer, 21 februari 2023

20608.003 versie D2

27 / 27

GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2017a). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019-KennisdocumentSteenuil-1.0.pdf. BIJ12 (2017b). Kennisdocument kerkuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-011-KennisdocumentKerkuil-1.0.pdf. Creemers, R., Van Delft, J. & RAVON (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9: 1-480. Uitgave van Museum Naturalis & EIS-Nederland, Leiden. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 21 februari 2023 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Oss, periode 2012-2022. NDFF. Geraadpleegd op 21 februari 2023 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht.

Geraadpleegd op 21 februari 2023 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. RAVON (z.d.). Soortinformatie. Geraadpleegd op 18 januari 2023 van https://ravon.nl/Soorten/Soortinformatie. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 21 februari 2023 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-02-17.

Provinciale bron Noord-Brabant www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant)

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nade lige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

1. 2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lid staten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

Zoogdieren

bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat

Walvisachtigen

bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn

Vleermuizen

Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis

Amfibieën

boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad

Reptielen

dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis

Vissen

houting, steur

Vlinders

apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje

Libellen

bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel

Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn Insecten

brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever

Overig

Bataafse stroommossel, platte schijfhoren

Vogels

appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel, krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel, pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend,

slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw

Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.

In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieën en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren

Zoogdieren

aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*

Amfibieën

Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander

Reptielen

adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang

Vissen

beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal

vlinders

aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan

Libellen

beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer

Overige soorten

Europese rivierkreeft, vliegend hert

Artikel 3.10. Andere soorten Planten

akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, de nnenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, stijve wolfsmelk, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam

Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI. Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming Artikel 4.1

De artikelen uitgezonderd artikel 4.6 zijn niet van toepassing op: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwagen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Artikel 4.2

1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.

Artikel 4.3 lid 1 en 2

Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen.

Artikel 4.4 lid 1

De artikelen 4.2, eerste en derde lid, en 4.3, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op: het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel in het kader van natuurontwikkeling en -beheer

Artikel 4.5

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst

Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Broedseizoen Voor het broedseizoen staat in de wet geen vaste periode. De looptijd verschilt per soort en varieert per jaar. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 augustus. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of voortplantingsplaats te behouden.

Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied.

Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras.

Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen.

In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening.

Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantingsplaats of rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=9fb7ff4b-178e-489f-93dc-2274db75216d