CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 - Ecologisch Inrichtingsplan oopenbare ruimte

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Verklaring van geen bedenkingen tijdelijke woningen / tiny houses Gewandeweg Oss18.172 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE TIJDELIJKE WONINGEN LOCATIE GEWANDEWEG OSS DATUM OPDRACHTGEVER PROJECTNR

: FEBRUARI 2024 : BRABANT WONEN EN GEMEENTE OSS : 20221230

colofon

DATUM: PROJECT: OPDRACHTGEVER: PROJECTNUMMER: Referte:

februari 2024 Tijdelijke woningen Oss, locatie Gewandeweg Brabant Wonen en Gemeente Oss 20221230 Marieke Rekswinkel, Eric van der Aa, Rutger Kerstens

CONTACT T: 058- 2564055 E: marieke.rekswinkel@rho.nl W: www.rho.nl

RHO ADVISEURS - Eindhoven Torenallee 20 5617 BC Eindhoven

info@rho.nl 040 402 27 34

INHOUDSOPGAVE 1.

2.

INLEIDING 3 1.1

AANLEIDING EN DOEL

1.2

LEESWIJZER

ANALYSE LANDSCHAP & NATUUR 5 2.1

DE LOCATIE EN OMGEVING

2.2

HOOGTELIGGING

2.3

LANDSCHAP

2.4

ACTUELE NATUURWAARDEN

2.4.1 LIGGING TOV NNN EN NNB

2.4.2 BESCHERMDE SOORTEN

3.

STEDENBOUWKUNDIG PLAN

4.

ECOLOGISCH RAAMWERK OPENBARE RUIMTE 4.1 ALGEMEEN 4.2 GROEN RAAMWERK

4.2.1 BOSSTROKEN/ ELZENSINGELS 4.2.2 SOLITAIRE BOMEN 4.2.2 VOEDSELBOS 4.2.3 GRASLANDEN | ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 3 / 25

4.3

WATERSYSTEMEN

4.3.1 WATERBERGING

4.3.2 SLOTEN - EN GREPPELSTRUCTUUR

4.3.3 AMFIBIEENPOEL 4.4

BEHEER EN ONDERHOUD GROEN EN WATER

4.5

VERLICHTING

BIJLAGEN BIJLAGE 1; QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING GEWANDEWEG, ECOSULTANCY, 21/01/2023 BIJLAGE 2; MEMO AANVULLENDE INSPECTIE GEWANDEWEG 47 (TBV KERK- EN STEENUIL), ECONCULTANCY, 01/05/2023 BIJLAGE 3; MEMO AANVULLENDE INSPECTIE DASSEN EN MARTELACHTIGEN, ECONSULTANCY, 31/01/2024

1. INLEIDING

1.1 AANLEIDING EN DOEL

1.2 LEESWIJZER

In nagenoeg heel Nederland is er een tekort aan (betaalbare) woningen. De woningmarkt is krap, ook in de gemeente Oss. Er is behoefte aan een flexibele woningvoorraad in de vorm van tijdelijke huisvesting voor mensen die op korte termijn een woning nodig hebben. De wens vanuit de gemeente is om samen met Brabant Wonen te komen tot een kwalitatief hoogwaardige invulling. Het streven is om tijdelijke huisvesting te realiseren op een manier die qua uitstraling en omvang past bij de locatie.

In hoofdstuk 2 wordt kort ingegaan op het landschap en de natuur van het plangebied en de omgeving. In hoofdstuk3 volgt het stedenbouwkundig plan. In hoofdstuk 4 wordt het ecologisch raamwerk beschreven. Hierbij wordt zowel het groene als het blauwe raamwerk beschreven. In de bijlagen volgen de rapporten van Ecoconsultancy.

Een van de locaties die de gemeente voor ogen heeft, om voor een periode van 30 jaar tijdelijke woningen te plaatsen, is een locatie in het westen van Oss; aan de noordzijde van de Gewandeweg. Om er voor te zorgen dat het geheel goed landschappelijk wordt ingepast, en geen ecologische waarden verloren gaan, maar juist worden toegevoegd, is deze notitie opgesteld. Er zijn diverse veldonderzoeken uitgevoerd door Ecoconsultancy (zie 2.4 en bijlagen) In dit Ecologisch inrichtingsplan openbare ruimte Gewandeweg Oss is hier rekening mee gehouden.

het plangebied aan de Gewandeweg te Oss

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 5 / 25

2. ANALYSE LANDSCHAP & NATUUR

2.1 DE LOCATIE EN OMGEVING Mikkeldonk

Het plangebied ligt ten noordwesten van Oss, tegen de wijk Mikkeldonk. Deze wijk is gebouwd in de jaren 90 van de vorige eeuw en bestaat volledig uit laagbouw in de vorm van vrijstaande, 2-onder-1-kap- en rijenwoningen. Rondom Mikkeldonk is een groenstrook met een brede watergang aanwezig. De noordoosthoek van het plangebied grenst aan een parkstrook met wandelpaden. Dit parkje sluit weer aan op een aantal brede bosstroken aan de Mikkeldonkweg. De woningen van de wijk staan met de achter- of zijkanten richting het plangebied. Ten zuidoosten van het plangebied is een klein woonwagenkampje. Vanuit de Forel is een doodlopende weg richting plangebied.

De polder

Het plangebied ligt in de open polder. Er zijn in westelijke en noordelijke richting verre zichtlijnen en er is sprake van een enorme weidsheid. In de polder zijn vrijwel geen bomen aanwezig, afgezien van erfbeplanting bij de enkele boerderijen die er staan. Vanaf de boerderijen aan de Huizenbeemdweg 24 en 37 is zicht op het plangebied.

Water

Op ongeveer een kilometer afstand van de planlocatie loopt de Hertogswetering, welke van oost naar west door het buitengebied van Oss loopt. Aan de noordzijde van Oss zijn een aantal natuurstroken met wandelpaden die de stad met de Hertogswetering verbinden. Aan noordzijde van het plangebied loopt een brede watergang van zo’n 5 meter breed. Deze sluit aan op de Hertogswetering. Aan de westzijde van het plangebied loopt een smalle sloot, met wilgenopschot.

Gewandeweg

Aan de zuidzijde van het plangebied loopt de Gewandeweg, een doorgaande route tussen Oss en Den Bosch. De weg heeft geen vrijliggende fietspaden. Deze weg wordt als sluiproute gebruikt. Ook wordt er hard gereden. Ter hoogte van het plangebied is laanbeplanting van essen aanwezig. Ter hoogte van de kruising met de Huizenbeemdweg stopt deze laanbeplanting. Komende vanuit Oss, rijdend over de Gewandeweg, ontplooit zich plotseling een zeer open landschap; er is een zeer abrupte overgang tussen stad en land. Vanaf het westelijk deel van de Gewandeweg is het zicht op Oss groen, door de park- en bosstroken die de stad scheiden van de polder.

De randen van Oss

De westrand van Oss kenmerkt zich door een scherp contrast tussen de dichte stad en het open landschap, met opgaande, dichte groene rand. Een aantal groene vingers verbinden de stad met het land. Deze groene lobben hebben een halfopen karakter..

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 7 / 25

2.2 HOOGTEN HOOGTELIGGING Op de Algemene Hoogtekaart Nederland (AHN) is te zien dat aan de noord- en westzijde van het plangebied de laagste gronden liggen (blauw) en aan de zuidoostzijde de hoogte (oranje). Ook is de verhoogde ligging van de vuilstort aan de zuidzijde goed te zien. Inzoomend op het plangebied valt de iets hogere ligging van de twee plekken in het zuiden van het plangebied, en de lagergelegen sloten rondom het perceel op. Aan de westzijde van het perceel loopt een noord-zuid gerichte sloot en een noord-zuid gerichte laagte/ greppel.

hoogteligging AHN Gewandeweg Oss

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 8 / 25

dwarsdoorsnede plangebied van noord naar zuid

dwarsdoorsnede plangebied van west naar oost

hoogteligging AHN Gewandeweg Oss; ingezoomd

2.3 LANDSCHAP LANDSCHAPSTYPEN De nota Landschapbeleid (2015) gaat uit van de vijf landschapstypen die in Oss voorkomen: de uitewaard, de oeverwal, het komgebied, de dekzandrand en de zandrug. Het plangebied ligt nog net op de dekzandrand, op de grens met het komgebied. Qua uitstraling lijkt het plangebied meer op het komgebied dan op dekzandrandgebieden, vanwege het open karakter.

De dekzandrand De dekzandrand is een overgangszone van het lagergelegen kleigebied naar de hogergelegen dekzandrug. De dekzandranden zijn van oudsher de meest geschikte bewoningsplaatsen; vrijwel de gehele kern Oss ligt op deze rand. De dekzandranden kenmerken zich van oorsprong door een kleinschalige opbouw, met een halfopen tot besloten karakter en met nabij de kernen een onregelmatig verkavelingspatroon. Op grotere afstand van de kernen en buurtschappen zijn later ontstane nieuwere, grootschaliger, rationele en lineaire ontginningen te vinden, zoals ook in het plangebied. Kenmerkend zijn de opgaande elzensingels op de kavelgrenzen. De delen van de dekzandrand die niet bebouwd zijn zijn voornamelijk in agrarisch gebruik. Ze bestaan uit grootschalige intensieve land (- en tuin) bouwlanden ( met name Engels raaigras en maïs) die meestal een grote mate van openheid hebben. Zo ook ten westen van de stad Oss. De zogenaamde groene lobben (of vingers), die vanuit het buitengebied de stad ‘inprikken’ bevinden zich ook op de dekzandrand. De grens tussen de dekzandrand en het open komgebied is nabij het plangebied eigenlijk niet zichtbaar; de dekzandrand loopt vrijwel ongemerkt over in de lager liggende rivierkom.

Het komgebied De komgronden beslaan een groot gedeelte van het grondoppervlak van de gemeente Oss. Deze kleiige, relatief laaggelegen polders, worden begrensd door de oeverwal in het noorden en de dekzandrand in het zuiden. Het landschap is grootschalig, open tot zeer open en wordt gekenmerkt door een zeer regelmatig, rationeel, rechtlijnig verkavelingspatroon. De ruimtelijke opbouw wordt bepaald door de openheid, de smalle slagenverkaveling, waterlopen, enkele kades, boerderijen al dan niet met erfbeplanting, een aantal eendenkooien. De openheid in het komgebied is zeer kenmerkend. De Hertogswetering is gelegen in het laagste gedeelte van de kom en vormt een belangrijke lijn in het landschap. De open komgebieden zijn van groot belang voor weidevogels. Het is een belangrijk fourageergebied voor vogels als bijvoorbeeld de grutto.

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 9 / 25

2.4 ACTUELE NATUURWAARDEN LIGGING TOV NATUUR NETWERK NEDERLAND (NNN) EN NATUUR NETWERK BRABANT (NNB) Het plangebied ligt op grote afstand van Natuur Netwerk Nederland. Het meest nabij gelegen Natuur Netwerk Brabant- gebied ligt op zo’n 100 meter ten noordoosten van het plangebied (N16.04 Vochtig bos met productie).

BESCHERMDE SOORTEN Door de gemeente Oss is aangeven dat er in de buurt van het plangebied één of meerdere dassen, bevers, wezels en vleermuizen aanwezig zijn. Hiermee zal in het ontwerp en bij de uitvoering rekenen dienen te worden gehouden. Door Econsultancy is op 21 januari 2023 een Quickscan Wet Natuurbescherming Gewandeweg en op 1 mei 2023 de Memo aanvullende inspectie Gewandeweg 47 te Oss (tbv kerk- en steenuil) opgesteld. Er wordt geadviseerd om maatregelen te treffen in de bouwfase en eindsituatie voor vleermuizen, steenmarter en/of kleine marterachtigen. Ook voor amfibieën wordt geadviseerd maatregelen te treffen. Verder wordt geadviseerd om buiten het broedseizoen te starten met de bouwwerkzaamheden en dient rekening te worden gehouden met algemene zorgplicht. Bij de aanvullende inspectie op 1 mei 2023 zijn er geen sporen gevonden die wijzen op het gebruik door kerk- en/of steenuil van het perceel Gewandeweg 47 Oss.

pijp dassenburcht (uit rapport Econsultancy 20608)

Op 31 januari 2024 is wederom veldwerk verricht. Deze keer ligt de focus op de das en kleine marterachtigen. In de buurt komen meerdere daasenburchten voor. Daarnaast is onderzocht of in de rand en directe omgeving van de noordzuid lopende sloot holen van marterachtigen aanwezig zijn. Bij twee van de drie dassenburchten zijn recente graafsporen waargenomen. Ook is een wissel waargenomen. Door de afstand van de onderzoekslocatie tot de burchten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie, is directe verstoring als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op voorhand uit te sluiten. Wel wordt geadviseerd maatregelen te treffen om het plangebied aantrekkelijk te maken voor de das. In het plangebied zijn meerdere (muizen)holen in of nabij de greppels waargenomen. Deze holen kunnen gebruikt worden door kleine marterachtigen. Omdat bij de voorgenomen werkzaamheden mogelijk holen en daarmee mogelijke vaste rust- en voortplantingsplaatsen van kleine marterachtigen worden vergraven zijn negatieve effecten niet op voorhand uit te sluiten.

wissel (uit rapport Econsultancy 20608)

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 10 / 25

3. STEDENBOUWKUNDIG PLAN

3. STEDENBOUWKUNDIG PLAN

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 12 / 25

TOELICHTING OP HET STEDENBOUWKUNDIG PLAN Het plangebied bestaat uit een aantal groene kamers waarbinnen de flexwoningen gesitueerd worden. De vier noordzuid lopende elzensingels refereren naar het oorspronkelijke landschap van de dekzandrand. Nabij de singels worden sloten aangelegd. Aan de westzijde wordt een (voedsel) bos aangelegd. In oostwest richting zullen plukken groen en lanen worden aangebracht, om de kamers van elkaar te onderscheiden en de elzensingels met elkaar te verbinden. Door al deze groene ingrepen zal de biodiversiteit in het gebied sterk verhoogd worden. Het is wenselijk de elzensingels ook aan de zuidzijde van de Gewandeweg door te trekken. Aan de zuidzijde van het plangebied is gekozen voor een open karakter, om de oorspronkelijke verkavelingsstructuur goed zichtbaar te maken. De bebouwing staat hier op ruime afstand van de weg, waardoor hier ruimte is voor bijvoorbeeld bloemrijk grasland en waterberging.

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 13 / 25

Aan de noordzijde van het plan loopt een sloot van het Waterschap Aa en Maas. Deze sloot is een zogenaamde leggerwatergang, waardoor hier aan weerszijden over een breedte van 5 meter geen obstakels mogen worden aangebracht, ten behoeve van beheer en onderhoud. In het stedenbouwkundig plan is uitgegaan van een struinroute langs deze watergang, om de woonwijken van Oss te verbinden met het buitengebied en de Hertogswetering. Ook kan hier natuur ontwikkeld worden. Het plangebied reikt uiteraard niet tot de Hertogswetering, maar vormt een aanzet om op de lange termijn deze hele verbinding aan te leggen.

PRINCIPES - STEDENBOUW EN LANDSCHAP

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 14 / 25

4. ECOLOGISCH RAAMWERK OPENBARE RUIMTE

4.1 ALGEMEEN In dit hoofdstuk wordt het ecologische raamwerk binnen het plangebied toegelicht. Dit raamwerk maakt geheel deel uit van de openbare ruimte en wordt direct bij de start van de realisering van het tijdelijke woningbouwterrein aangelegd. Daarmee is dit raamwerk al voor een belangrijk deel functioneel wanneer de verblijfplaatsen en leefgebieden van soorten als vleermuis en kleine marterachtigen worden aangetast als leefgebied voor de fauna. In de openbare ruimte wordt een groen en blauw raamwerk van zowel waterpartijen, opgaande beplanting en kruidenrijke graslanden gerealiseerd. Door een natuurvriendelijke inrichting en beheer worden de ecologische potenties van dit raamwerk maximaal ontwikkeld. In de volgende paragrafen wordt eerst het groene raamwerk toegelicht, daarna het blauwe (water) netwerk.

4.2 GROEN RAAMWERK 4.2.1 INHEEMSE SOORTEN Binnen het ecologisch raamwerk wordt een groen raamwerk van opgaande beplanting en kruidenrijke graslanden gerealiseerd. De opgaande beplanting bestaat uit een aantal elzensingels, solitaire bomen, plukken groen en een voedselbos. De groene elementen worden met elkaar verbonden, waardoor een ecolologische verbinding ontstaat. De keuze voor inheemse soorten heeft meerdere redenen: • Deze soorten zijn het best aangepast aan bodem, waterhuishouding en klimaat en kennen daarom weinig uitval; • Het blad van inheemse soorten verteert snel (dit scheelt ook veel bladafval dat moet worden opgeruimd) en draagt belangrijk bij aan de gezondheid van de bodem; • Biodiversiteit: de ecologische meerwaarde van inheemse soorten is zeer groot. Zo is elke volwassen eik een ecosysteem op zich en kan één boom 423 verschillende soorten insecten en mijten herbergen. Deze rijkdom aan insecten maakt inheemse bomen ook van grote waarde voor o.a. vogels en vleermuizen. Uitheemse bomen herbergen daarentegen een veel lagere soortenrijkdom; zo zijn van de Amerikaanse eik ook na 200 jaar in Nederland slechts 12 soorten insecten en mijten bekend.

zoveel mogelijk bomen aangeplant. Bij het bepalen van de locaties van de bomen is rekening gehouden met zichtlijnen vanuit zowel de nieuwe als de reeds bestaande stedenbouwkundige structuur. Door een gradiënt te realiseren in het groen wordt een positief effect gecreërd op de biodiversiteit, door voor verschillende flora en fauna een leef en/of foerageergebied te realiseren. De gradiënt loopt van bloemrijk grasland over in een enkele meters brede zoom van ruig grasland met kruiden en dan over in een mantel die bestaat uit inheemse struiken. Tot slot komen de boomvormers (zie figuur hieronder). Keuze soorten en aanleg In het projectgebied worden inheemse boom- en struiksoorten voorgesteld, die op de overgang van de dekzandrand naar de komgronden geschikt zijn om aan te planten. Toe te passen boomsoorten hier zijn zwarte els, ruwe berk, zachte berk, veldesdoorn, fladderiep, witte els en wilde boskriek. Toe te passen struiksoorten zijn hier: vuilboom/ sporkehout, wilde lijsterbes, meidoorn, sleedoorn, rode kornoelje, gelderse roos, hazelaar, kardinaalsmuts en wilde liguster. Nederlandse naam • • • • • • • • • • • •

Latijnse naam

zwarte els Alnus glutinosa (ca 60%) witte els Alnus incana vuilboom/sporkehout Rhamus frangula wilde lijsterbes Sorbus aucuparia meidoorn Crataegus laevigata sleedoorn Prunus spinosa rode kornoelje Cornus sanguinea gelderse roos Viburnum opulus hazelaar Corylus avellana kardinaalsmuts Euonymus europaeus wilde liguster Ligustrum vulgare wilde boskriek Prunus avium

De natuurwaarden in het gebied kunnen aanzienlijk verhoogd worden. De uitdaging is om dat zo te doen dat de mogelijkheid aanwezig is om deze rijkdom te beleven en ervan te genieten. Voor de locatie aan de Gewandeweg zijn er kansen om met de volgende elementen natuurwaarden te ontwikkelen. Het is van belang dat er aandacht besteed wordt aan klimaatadaptatie; bomen leveren schaduw in warme tijden. Daarnaast houden hun wortels water vast bij stortbuien. Daarom worden in het plan Mantelzoom, bron: Landschapsbeheer Groningen

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 16 / 25

Bron: Stedelijke Ecologische Verbindingszones in Den Haag

4.2.2 ELZENSINGELS Elzensingels zijn kenmerkend voor de dekzandrand van Oss. Deze elzensingels volgen de oorspronkelijke verkavelingsstructuur in noordzuid richting. De elzensingels bestaan hoofdzakelijk uit zwarte els (Alnus glutinosa), maar daarnaast ook uit struweelbeplanting. Deze struiken worden op hebben een onderlinge afstand van 1.00 tot 1.50 meter geplaatst. Toe te passen soorten zijn zwarte els (ca 60%) en daarnaast ook witte els, vuilboom/sporkehout , wilde lijsterbes, meidoorn, sleedoorn, rode kornoelje, gelderse roos, hazelaar, kardinaalsmuts, wilde liguster en wilde boskriek. Plantmaat De plantmaat voor de bomen is gelijk aan die van de aan te planten struiken: 60 - 80. Hierdoor krijgen de bomen en struiken de kans om samen op te groeien, en ontstaat een robuuste beplantingsstrook. Mantelzoom De boomvormers komen in het midden van de groenstrook, daarna wordt de beplanting afgebouwd met lagere struiken. Daar waar ruimte is, zal vervolgens een strook met ruig grasland met kruiden worden toegepast. ‘Plukken groen‘ Met name aan de noordzijde van het plangebied komen plukken groen. Deze bestaan uit een aantal inheemse struiken dat helemaal mag uitgroeien. Doelsoorten De elzensingels en ‘plukken groen‘ zijn voor vleermuizen en dassen van belang. Vleermuizen gebruiken lijnvorige elementen om zich te orenteren en langs te vliegen.

De das kan de singels en groenplukken gebruiken als route om zich beschermd te verplaatsen en tevens als fourageergebied met diverse bessen en hazelnoten.

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 17 / 25

4.2.3 SOLITAIRE BOMEN

Naast de elzensingels worden verspreid door het gebied solitaire bomen aangeplant. Toe te passen soorten zijn fladderiep, veldesdoorn, haagbeuk, zomereik en wintereik. Nederlandse naam • zwarte els • •

Latijnse naam Alnus glutinosa

veldesdoorn Acer campestre iep Ulmus laevis

• zomereik • wintereik • haagbeuk

Quercus robur Quercus petraea Carpinus betulus

4.2.4 VOEDSELBOS

Het westelijk deel van het plangebied wordt ingericht als zogenaamd voedselbos met meerdere vegetatielagen. Afhankelijk van het seizoen varieert de oogst van diverse soorten fruit, noten, zaden en groenten tot wortels, knollen, paddenstoelen, eetbare bloemen en honing. De in par. 4.2.1 genoemde soorten hazelaar en wilde kers kunnen onderdeel zijn van een dergelijk voedselbos. Niet alleen voor mensen maar ook voor de das kan het bos een belangrijke voedselbron gaan vormen. Er zullen diverse fruit-, bes en nootdragende boom- en struiksoorten zijn. Aanvullend kunnen ook frambozen, wilde aardbeien en bramen worden aangeplant (de laatste komt mogelijk reeds vanzelf). Lokale imkers willen wellicht enkele bijenkasten plaatsen. Aanvulling van het voedselbos met passende, uitheemse soorten is een mogelijke optie, mede ter vergroting van het keuze-menu aan eetbare soorten en ter bevordering van de vitaliteit en veerkracht van het ecosysteem als geheel. Uitheemse soorten uit vergelijkbare of iets warmere klimaten kunnen immers de weerstand van het groen tegen opwarming van het klimaat vergroten. Uiteraard ontstaat dan wel strijdigheid met het streven om uitsluitend inheemse soorten te gebruiken. Verder mag geen gebruik worden gemaakt van soorten die als ‘invasief’ te boek staan.

Mogelijke soorten zijn onder andere: • Walnoot Juglans regia • Chinese mahonieboom Toona sinensis • Tamme kastanje Castanea sativa • Jostabes Ribes nidigrolaria • Herfstolijfwilg Eleagnus umbellata • Kiwibes Actinidia arguta • Nashi peer Pyrus pyrifolia • Honingbes Lonicera caerulea • Chocoladewingerd Akebia quinata • Erwtenstruik Caragana arborescens Ook fruitbomen (appel, peer, kers, pruim zijn geschikt op aan te planten. De uitwerking van dergelijke voedselbossen luistert nauw. Bij projecten van derden kan de stichting Voedselbosbouw Nederland professionele ondersteuning bieden bij de realisatie.

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 18 / 25

4.2.5 BLOEMRIJKE GRASLANDEN

De graslanden in de openbare ruimte worden daar waar mogelijk ingezaaid met een bloemenmengsel van inheemse soorten dat zeer aantrekkelijk is voor bijen, vlinders en vogels. Indirect draagt het ook bij aan het foerageergebied voor soorten als de huismus en gewone dwergvleermuis. Door jaarlijks vanaf augustus 1 tot 2 keer te maaien en het maaisel na enkele dagen af te voeren zal er zich een blijvende middelhoge vegetatie ontwikkelen. Een bloemrijk resultaat kan vanaf het tweede of derde jaar verwacht worden. In een bloemrijk grasland zijn het vooral de gradiënten (overgangen) die de grootste soortenvariatie in zich hebben. Door het vergraven van het terrein ontstaan overgangen tussen droog en vochtig, voedselrijk en voedselarm, zuur en kalkrijk. Voedingsstoffen worden van hogere delen uitgespoeld naar de lagere delen in een terrein. Maak gebruik van dit gegeven bij het streven naar diversiteit. Hierbij kunnen bijvoorbeeld van de voedselrijke teeltlaag heuvels gemaakt worden, die worden afgedekt met een schralere laag. Bijvoorbeeld Kruydthoeck of Neuteboom hebben geschikte mengsels. Het mengsel bestaat uit soorten als duizendblad, bolderik, gele kamille, wondklaver, korenbloem, gewone margriet, gewone rolklaver, muskuskaarsjeskruid, middelste teunisbloem, smalle weegbree, scherpe boterbloem, kleine ratelaar, dagkoekoeksbloem en klaproos.

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 19 / 25

4.3 WATERSYSTEMEN 4.3.1 WATERBERGING (WADI OF LAAGTE)

In het plangebied dient waterberging gerealiseerd te worden, omdat een deel van het plangebied verhard wordt. De waterberging wordt uitgevoerd in de vorm van een of meerdere laagtes in het zuiden van het plangebied, in de lagere delen van het plangebied. Er is een kans dat bijzondere plantensoorten hier nog altijd in de zaadbank aanwezig zijn en na decennia alsnog zullen ontkiemen. Overwogen kan worden om de vegetatieontwikkeling enkele jaren aan te zien. Als na jaarlijks maaien en afvoeren van de vegetatie nog steeds een ruige, soortenarme vegetatie aanwezig is, kunnen de gewenste soorten alsnog worden ingezaaid of geïntroduceerd met maaisel uit nabijgelegen natuurgebieden met kwelgraslanden.

Streefbeeld waterberging met o.a. gevlekte orchis, spaanse ruiter en beemdkroon

Wadi in de openbare ruimte

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 20 / 25

Wadi in de openbare ruimte

4.3.2 SLOTEN- EN GREPPELSTRUCTUUR

Naast de aanleg van wadi’s of laagtes wordt de waterberging wordt uitgevoerd in een vorm die refereert aan de vroegere greppel- en slootstructuur zoals die is te zien op oude topografische kaarten. Binnen het plangebied wordt de bestaande sloten- en greppelstructuur gehandhaafd en versterkt. Deze hebben ook een bergingsfunctie. Naast de bergingsfunctie hebben deze sloten/ greppels ook de functie om afstromend hemelwater oppervlakkig te verwerken. Natuurvriendelijke oevers De sloten krijgen aan minimaal één zijde een natuurvriendelijke oever. Hoewel er veel soorten natuurvriendelijke oevers denkbaar zijn kunnen ze grofweg in drie hoofdtypen ingedeeld worden: • plasberm; • drasberm; • flauwhellend talud. Een plasberm of onderwaterterras is permanent watervoerend. Ondiepe plasbermen met een diepte van maximaal 40 cm bij zomerpeil zijn geschikt voor oeverplanten die bestand zijn tegen permanente inundatie zoals riet en lisdodde. Diepere plasbermen van 40-100 cm bij zomerpeil zijn geschikt voor ondergedoken waterplanten en drijfplanten zoals gele plomp, waterlelie en watergentiaan.

wensbeeld slotenstructuur

Drasbermen zijn oevers die min of meer op gelijke hoogte met de waterlijn van de watergangen zijn. Drasbermen zijn geschikt voor oeverplanten, planten van vochtige graslanden en ruigtekruiden. Een drasberm met functies voor planten van natte en vochtige omstandigheden mag hoogstens 10 cm boven water liggen. Welke vegetatie tot stand komt is afhankelijk van het maaibeheer. Bij minimaal 1keer per jaar maaien en afvoeren ontwikkelt zich een bloemrijke grasvegetatie. Bij een minder intensief maaibeheer zullen uiteindelijk ruigtekruiden gaan overheersen en vindt wilgen- en elzenopslag plaats. Een flauwhellend talud dat loopt van beneden de waterlijn tot boven de waterlijn is geschikt voor waterplanten, oeverplanten, planten van vochtige graslanden en ruigtekruiden en is hiermee een combinatie van een plas- en een drasberm waardoor een grotere variatie in vegetatie mogelijk is. Indien het waterpeil ‘s zomers veel (0,3-0,4 m) hoger is dan ’s winters dan is een flauwhellend talud een betere oplossing dan een plas- of drasberm. Een plas- en een drasberm worden op een bepaalde hoogte aangelegd. Die hoogte wordt grotendeels bepaald door het waterpeil. Bij een hoger zomerpeil dan winterpeil kun je eigenlijk geen goede hoogte voor de plas- of drasberm bepalen.

Een flauwhellend talud is minder afhankelijk van het waterpeil en daarmee meer geschikt in gebieden met een (veel) hoger zomerpeil dan winterpeil.

sloot in komgebied ten westen van plangebied

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 21 / 25

4.3.3 AMFIBIEENPOELEN In het zuidelijk deel van het plangebied is ruimte voor een kleine amfibieënpoel. Bij de aanleg van een amfibieënpoel zijn de volgende punten van belang. •

•

•

•

De poel moet op een zonnige plaats komen te liggen en dus in ieder geval vanuit zuidelijke richting niet beschaduwd worden. Het noordtalud moet zo flauw mogelijk zijn (1:5, liefst 1:10) doordat de zon voornamelijk op deze zijde schijnt. Door een flauwe oever warmt het water sneller op wat een gunstig effect heeft op de ontwikkeling van de eieren en larven van amfibieën. Ook kunnen op een flauwe oever meer soorten oeverplanten een plekje vinden, waartussen amfibieën eieren afzetten. Rondom de poel dient voldoende afstand te liggen tussen poel en beplanting om inval van blad te voorkomen. Bladinval zorgt voor een toename van voedingsstoffen in het water waardoor de poel sneller dichtgroeit met bijvoorbeeld kroos en algen. Ook groeit de sliblaag op de bodem sneller waardoor er vaker baggerwerkzaamheden (= verstoring voor de amfibieën) nodig zijn. Aan de zuidzijde is het ook belangrijk dat de beplanting voldoende afstand tot de poel heeft vanwege de schaduwwerking en bladinval. Een poel mag niet in verbinding staan met sloten of andere wateren. Dit voorkomt dat er vis in de poel komt. Vissen eten amfibieëneieren en maken de poel daardoor voor veel soorten ongeschikt. Daarbij kunnen sloten voedingsstof-fen van aanliggende bemeste percelen aanvoeren, wat de kans op algenbloei en kroosvorming vergroot. Amfibieën bevinden zich maar een beperkt deel van het jaar in het water.

Houtwallen, ruigten en overhoekjes in de nabijheid van de poel zorgen voor beschutting en voedsel en stellen amfibieën in staat zich te verplaatsen naar andere leefgebieden.

Beheer • Amfibieën en andere dieren en planten vestigen zich snel op natuurlijke wijze in de poel. Het is dus niet nodig planten en dieren uit te zetten. Zet geen vis uit in de poel! Vissen (zelfs een kleine soort als de stekelbaars) maken poelen voor veel amfibieën ongeschikt doordat zij de larven en eieren eten. • Gebruik (uiteraard) geen bestrijdingsmiddelen of bemesting in en rondom de poel. • Voer onderhoudswerkzaamheden uit in de periode 1 september-half oktober. In deze periode zijn er nauwelijks amfibieën in het water aanwezig. • ie Bagger de poel in gedeelten. Bijvoorbeeld het ene jaar de oostzijde van de poel en het jaar erop de westzijde. Op deze manier blijft altijd een deel van de belangrijke noordoever intact. Natuurvriendelijke oevers De poel heeft een natuurvriendelijke oever in de vorm van een flauwhellend talud. Zie 4.3.2.

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 22 / 25

Streefbeeld amfibieënpoel

4.4 BEHEER EN ONDERHOUD GROEN EN WATER 4.4.1 GROEN

Bomen Zeker het eerste jaar is het van belang dat de wortels voldoende water krijgen. Bij droogte / warm weer zal dus water worden gegeven aan de bomen. Er vindt zogenaamde ‘inboet‘ plaats: indien de beplanting binnen twee jaar na aanplant dood gaat, zal herplant plaatsvinden. Onderhoud aan de bomen vindt in principe niet plaats, tenzij blijkt dat dit noodzakelijk is (na jaarlijkse inspectie op gezondheid van de boom). Struweel/struiken Het struweel aan de oost- en westrand van het plangebied wordt in rijen aangeplant, met een onderlinge afstand van 1.00 tot 1.50 meter. Groepsgewijze menging zorgt ervoor dat minder dominante beplantingsoorten niet snel verdwijnen. Het struweel krijgt uiteindelijk een hoogte van maximaal 3 meter. Eén keer per vijf jaar wordt door middel van hakhoutbeheer maatwerk uitgevoerd waarbij de dominante en hard groeiende soorten worden teruggesnoeid. Het reguliere onderhoud wordt in fases uitgevoerd (maximaal 45% van het oppervlakte per jaar). De zoom De zoom wordt als ruigte beheerd. Dit houdt in maximaal 1x per 2 jaar maaien, nooit over de volle lengte. Een aantal locaties blijft in de winter ongemaaid, zodat er overwinteringsmogelijkheden zijn voor o.a. insecten en kleine zoogdieren. Het dagelijks onderhoud vindt plaats volgens de ecologische of natuurvriendelijke beheermethode.

Bloemrijk grasland Jaarlijks maaien is noodzakelijk om te voorkomen dat de openbare ruimte verruigt. Cruciaal is bovendien het afvoeren van het maaisel, om verschraling te stimuleren. Wanneer dit blijft liggen ontstaat in

Maaibeheer per ontwikkelingsfase

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 23 / 25

het gunstige geval een eentonig gazon, maar waarschijnlijker is een geleidelijke verruiging met o.a. brandnetels, distels, ridderzuring etc. Gazonbeheer is bovendien arbeidsintensiever (en duurder) dan hooilandbeheer. Het maaitijdstip en de frequentie luisteren in ecologisch opzicht nauw en zijn afhankelijk van de uitgangssituatie. Gezien het huidige intensieve agrarische grondgebruik is het de eerste jaren waarschijnlijk noodzakelijk vaker te maaien. Wanneer bijvoorbeeld een beoogde bloemenweide sterk is vergrast, dan betekent dit meestal dat er te weinig en te laat wordt gemaaid en afgevoerd. Maaien wanneer de dominante grassen net beginnen met bloeien, geeft het meeste resultaat (eind mei, begin juni). In latere jaren kan de frequentie worden verlaagd. Het maaien dient buiten de bloeiperiode van de kruiden en bloemen plaats te vinden. Het wordt éénof tweemaal per jaar gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd om verschraling te stimuleren. Bij één keer maaien per jaar kan vanaf half juni gemaaid en afgevoerd worden. Bij twee keer maaien: eerste maaibeurt 50% maaien na half juni. Tweede maaibeurt in september, de overige 50%. Bij kruidenrijk grasland dient het maaisel enkele dagen te blijven liggen alvorens te worden afgevoerd. Dit maakt het mogelijk dat zaden op de bodem achterblijven en de basis kunnen vormen voor de volgende generatie bloemen.

Onderstaand schema laat de mogelijke opties voor het maaibeheer zien. Jaarlijks moet worden gemonitord in welke fase de vegetatie zich bevindt. Verder kan jaarlijks 10 tot 20% van de vegetatie ongemoeid blijven, steeds op andere locaties. Dit biedt mogelijkheden voor meerjarige kruiden, overwinterende insecten en biedt daarmee tevens insecten en zaden voor o.a. vogels in de winter.

4.4.2 WATER

De greppels zullen één keer per jaar uitgemaaid worden. Indien nodig zullen de sloten uitgebaggerd worden. De amfibieënpoel behoeft in principe geen onderhoud.

Ecologisch beheer, Bron: Stichting ecologisch beheer

Beheer, Bron: Google

4.6 VERLICHTING De hoeveelheid verlichting en lichtvervuiling neemt in Nederland sterk toe: in 43% van Nederland is op een heldere nacht de Melkweg niet meer zichtbaar. In de openbare ruimte staan naar schatting 3,4 miljoen lantaarnpalen en andere lichtmasten. Daarnaast hebben bedrijven en woningen vaak ook hun eigen terrein-, tuin- of gevelverlichting. Het plangebied is nog relatief donker en dit is een kwaliteit die behoudenswaardig is. vleermuizen Vleermuizen worden snel verstoord door verlichting. Soms kunnen vleermuizen door verlichting een verblijfplaats, vliegroute of voedselgebied zelfs niet meer gebruiken. De mate waarin het licht vleermuizen verstoort, is afhankelijk van de hoeveelheid licht, de lichtkleur en de gevoeligheid van een soort voor licht. Wit, blauw en groen licht is door het aandeel Uv-licht veel verstorender als rood licht. Waar om veiligheidsredenen toch verlicht moet worden, kan verstoring voorkomen worden door het kiezen van de juiste armatuur en lamphoogte. Een goede armatuur en lamphoogte richt het licht precies daar waar het nodig is. Bomen, struiken en groene wallen kunnen voorkomen dat aangrenzend leefgebied door verlichting wordt verstoord. Verlichtingsschema’s afgestemd op verkeersdrukte, werktijden en kwetsbare perioden voor vleermuizen kunnen veel verstoring voorkomen.

Bewegingsmelders schakelen (intensere) verlichting alleen in wanneer mensen aanwezig zijn. Om de hoeveelheid straatlicht af te stemmen op de gebruiksbehoefte, kan gebruik worden gemaakt van het Interact City lichtmanagementsysteem van Signify. De lichtmanagementsoftware maakt realtime beheer op afstand van de ledstraatverlichting mogelijk en is verbonden met sensoren zodat het licht alleen brandt wanneer mensen worden gedetecteerd. Het systeem levert een energiebesparing op die kan oplopen tot 70% ten opzichte van de oude situatie. Ook de keuze van de lichtkleur kan verstoring van vleermuizen verminderen. Rood of amberkleurig licht verstoort vleermuizen minder op vliegroutes en bij het jagen op insecten. Avalite heeft een gevarieerd aanbod aan vleermuisvriendelijke verlichting.

| ECOLOGISCH INRICHTINGSPLAN OPENBARE RUIMTE Gewandeweg Oss | 24 / 25

LEEUWARDEN - GRONINGEN- ROTTERDAM - DEVENTER - MIDDELBURG - EINDHOVEN

RAPPORTAGE Quickscan Wet natuurbescherming Gewandeweg te Oss

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Gewandeweg te Oss Opdrachtgever

Rho Adviseurs voor leefruimte Torenallee 20 5617 BC Eindhoven

Rapportnummer

20608.003

Versienummer

D2

Status

Eindrapportage

Datum

21 februari 2023

Opsteller

De heer M.G. van Essen-Kok, BSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole Paraaf

De heer ir. B.H.H. Verdijck

Daarom Econsultancy KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ............................................................................ 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .............................................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

6

Vogels ............................................................................................................................................. 9 Vleermuizen ................................................................................................................................. 10 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 12 Reptielen ...................................................................................................................................... 14 Amfibieën ..................................................................................................................................... 15 Vissen ........................................................................................................................................... 16 Ongewervelden ............................................................................................................................ 16 Planten ......................................................................................................................................... 17

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 18 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

7

Zorgplicht ....................................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ...................................................................................................................... 6 Gebiedsbescherming ...................................................................................................................... 7 Houtopstanden .............................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................................. 18 Vleermuizen ................................................................................................................................. 19 Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel .................................................................................. 19 Amfibieën ..................................................................................................................................... 20 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................................. 21 Overige soort(groep)en ................................................................................................................ 21

TOETSING AAN GEBIEDSBESCHERMING .................................................................................................. 22 7.1 7.2

Natura 2000 ................................................................................................................................. 22 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 23

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 24

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 25

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst

20608.003

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Rho Adviseurs voor leefruimte opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Gewandeweg te Oss. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen ontwikkeling van de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000 gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

20608.003 versie D2

1 / 27

2

GEBIEDSBESCHRIJVING

2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 3 ha) ligt aan de Gewandeweg te Oss. In figuur 2.1 is de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 162.164, Y = 420.535.

Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood omlijnd bij gele pijl).

De onderzoekslocatie betreft een agrarisch perceel volledig bestaande uit grasland. Ten westen bevinden zich soortgelijke agrarische percelen. Langs de noordwestelijke hoek van de onderzoekslocatie bevindt zich een Bwatergang (sloten met een lokale functie voor water aan- en afvoer) en langs de noordoostelijke hoek van de onderzoekslocatie bevindt zich een A-watergang (vaarten en weteringen met een belangrijke functie voor water aan- of afvoer). Tevens is ten oosten achter deze watergang een woonwijk aanwezig. Ten zuidoosten bevindt zich het woonperceel van de Gewandeweg 47 en ten zuiden de Gewandeweg. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m figuur 2.8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

20608.003 versie D2

2 / 27

Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie (wit omkaderd) en directe omgeving.

Figuur 2.3 Zuiden van de onderzoekslocatie (foto richting westen).

Figuur 2.4 onderzoekslocatie gezien vanaf Gewandeweg richting noorden.

Figuur 2.5 Zuiden van de onderzoekslocatie (foto richting oosten).

Figuur 2.6 Noordwestelijke hoek van de onderzoekslocatie met direct daarnaast de B-watergang.

Figuur 2.7 A-watergang noordelijk van onderzoekslocatie (foto richting oosten).

Figuur 2.8 Oosten van de onderzoekslocatie (foto richting zuiden).

20608.003 versie D2

3 / 27

2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse van de onderzoekslocatie tijdelijke flexwoningen (maximaal voor een periode van 15 jaar) te realiseren om de acute druk op de huidige woningmarkt te verlichten. De flexwoningen zijn bedoeld voor 1- en 2-persoons huishoudens die hier tijdelijk kunnen wonen. Er is op dit moment nog geen voorlopig ontwerp beschikbaar met betrekking tot voorgenoemde voornemens. Rho Adviseurs voor leefruimte wil bij het maken van een dergelijk ontwerp rekening houden met de bevindingen van de onderhavige quickscan, zodat indien mogelijk op voorhand rekening gehouden kan worden met onder de Wet natuurbescherming beschermde plantensoorten, diersoorten, houtopstanden en/of gebieden.

20608.003 versie D2

4 / 27

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 4 januari 2023. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

20608.003 versie D2

5 / 27

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

4.1 Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht.

4.2 Soortenbescherming Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);

20608.003 versie D2

6 / 27

• •

soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

4.3 Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen.

Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:

20608.003 versie D2

7 / 27

• • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

4.4 Houtopstanden De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

20608.003 versie D2

8 / 27

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.

5.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied waar de onderzoekslocatie is gelegen kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer en steenuil. Vanwege de afwezigheid van bebouwing is de aanwezigheid van de huismus op de onderzoekslocatie op voorhand uit te sluiten. Boomvalk, buizerd, havik, sperwer, ransuil en roek Boomvalk, buizerd, havik, sperwer, ransuil en roek zijn allen voor hun nesten afhankelijk van (hoge) boomopstanden. De onderzoekslocatie is door de afwezigheid van bomen ongeschikt als nestlocatie voor de desbetreffende soorten. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie staan wel enkele bomen welke in potentie geschikt zijn als nestlocatie. Tijdens het veldbezoek konden deze bomen echter goed onderzocht worden op aanwezigheid van nesten en zijn er geen (grote) nesten aangetroffen. Negatieve effecten ten aanzien van de boomvalk, buizerd, havik, sperwer, ransuil en roek, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen dan ook worden uitgesloten.

Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt en foerageert voornamelijk aan oevers van (snelstromende) beken en rivieren, maar ook wel aan stilstaand water, bij voorkeur omzoomd met loofbomen. De soort broedt in een nis in een muur of onder een brug, bij boomwortels in oevers of in speciale nestkasten. Op de onderzoekslocatie zijn geen elementen aanwezig die geschikt zijn als potentiële nestlocatie voor de grote gele kwikstaart. Dit geldt eveneens voor de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Negatieve effecten ten aanzien van de grote gele kwikstaart, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Ooievaar Ooievaars bouwen grote nesten in bomen en op daken, kerktorens en speciaal gemaakte platforms op palen. Ze komen voornamelijk voor in open natte gebieden, graslanden en agrarische gebieden. Op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn geen (potentiële) ooievaarsnestlocaties aangetroffen. Negatieve effec-

20608.003 versie D2

9 / 27

ten ten aanzien van de grote gele kwikstaart, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Kerkuil en steenuil De kerkuil broedt in schuren, kerktorens en veelal in speciale nestkasten. Heel incidenteel kan de kerkuil in boomholtes broeden. De steenuil broedt in natuurlijke holtes van bomen (knotwilgen of hoogstam fruitbomen) of in rustige hoekjes of nissen van gebouwen, in schuren en nestkasten. Op de onderzoekslocatie zijn geen elementen aanwezig die geschikt zijn als nestlocatie voor deze uilen. Echter zijn in de directe omgeving (op het perceel van de Gewandeweg 47) twee schuren aanwezig welke mogelijk geschikt zijn als broedplaats en/of roestplaats voor beide soorten (zie figuur 5.1, 5.2 en 5.3). Verder kan de onderzoekslocatie, indien de steenuil aanwezig is op het naastliggende perceel, potentieel als essentieel foerageergebied dienen voor de steenuil. Negatieve effecten ten aanzien van de kerkuil en steenuil als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.1 Geschikte nestlocaties in schuren voor kerk- en steenuil.

Figuur 5.2 Geschikte nestlocatie voor kerk- en steenuil in westelijke schuur.

Figuur 5.3 Geschikte nestlocatie voor kerk- en steenuil in oostelijke schuur.

Overige broedvogels Door het ontbreken van bebouwing en beplanting is de onderzoekslocatie ongeschikt als nestlocatie voor boom- en gebouwbewonende broedvogels. Wel is het mogelijk dat een grond nestelende broedvogelsoort zoals bijvoorbeeld de veldleeuwerik de onderzoekslocatie kan gebruiken als nestlocatie. De nesten van desbetreffende soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

5.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart en baardvleermuis.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=9fb7ff4b-178e-489f-93dc-2274db75216d