CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 bij toelichting - ruimtelijke onderbouwing Elleboogstraat 3 in DD.PDF

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststellen bestemmingsplan "Ontwikkelingen 2 Buitengebied Oss - 2021"24.770 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Hiermee blijft gewaarborgd dat bij eventuele toekomstige bodemverstoringen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm een archeologisch onderzoek verplicht is. Er zijn hiermee geen belemmeringen voor onderhavig initiatief vanuit het aspect archeologie. Cultuurhistorie Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo

- 55 -

Ruimtelijke onderbouwing Elleboogstraat 3 Deursen-Dennenburg

Gemeente Oss

wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening. In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt.

Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”.

Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuur-

- 56 -

Ruimtelijke onderbouwing Elleboogstraat 3 Deursen-Dennenburg

Gemeente Oss

historische beleid is verankerd in de Verordening ruimte provincie Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Evenals voor het aspect ‘archeologie’ kan de gemeente Oss met bestemmingsplanregels (zoals dubbelbestemmingen) ook de cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. De ‘vlakken’ die opgenomen zijn op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010 komen overeen met de ‘vlakken’ zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening. De systematiek is hetzelfde als met betrekking tot de archeologische waarden. Waarden en karakter van het gebied worden omschreven in de Interim omgevingsverordening en er zijn regels aan de bescherming er van gekoppeld. De planlocatie is getoetst aan de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. De planlocatie is gelegen binnen de regio Maaskant. In de regio ligt het volgende cultuurhistorische landschap van provinciaal belang: Beerse en Baardwijkse Overlaat.

Dragende structuren in de regio zijn de openheid in de polders, de dijken, de weteringen, de sluizen en gemalen maar ook de kloostercomplexen. Nabij de planlocatie is ‘Klooster Soeterbeek’ gelegen, dat is aangemerkt als complex van cultuurhistorisch belang. Het complex betref een rijksmonument dat in 1732 werd gesticht door augustinessen die waren verdreven uit het klooster Soeterbeek bij Nuenen. De voorgenomen bestemmingswijziging van Agrarisch naar Wonen heeft geen (negatieve) invloed op het kloostercomplex. De op de planlocatie aanwezige woonboerderij is opgenomen in de monumentenlijst van de gemeente Oss. De boerderij is aangemerkt als ‘Langhuis boerderij’. Als gevolg van de voorgenomen bestemmingswijziging vinden echter geen (bouwkundige) wijzigingen plaats aan de woonboerderij. Wijziging naar de woonbestemming vergroot de (financiële) mogelijkheden tot behoud van deze monumentale boerderij. Er zijn hiermee geen belemmeringen voor onderhavig initiatief vanuit het aspect cultuurhistorie.

4.10 Externe veiligheid Wettelijk kader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van

- 57 -

Ruimtelijke onderbouwing Elleboogstraat 3 Deursen-Dennenburg

Gemeente Oss

een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ➢ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ➢ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ➢ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.

Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Binnen het invloedsgebied is een verantwoordingsplicht van het groepsrisico van toepassing. De specifieke eisen hieraan zijn vastgelegd in de besluiten Bevi, Bevb en Bevt. Beleidsvisie externe veiligheid Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe Veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Het plan voldoet aan de vereisten uit de Beleidsvisie Externe Veiligheid van de gemeente Oss. Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.

- 58 -

Ruimtelijke onderbouwing Elleboogstraat 3 Deursen-Dennenburg

Gemeente Oss

planlocatie

Figuur 4.9: Uitsnede Risicokaart met planlocatie (www.risicokaart.nl)

Beschouwing risicobronnen Met behulp van de risicokaart is nagegaan of er risicobronnen aanwezig zijn die van invloed zijn op het plangebied. Het plangebied ligt op 250 meter afstand van het spoortracé Tilburg – Nijmegen. In figuur 4.9 is een uitsnede van de risicokaart Noord-Brabant weergegeven met daarop de planlocatie aangeduid. Verantwoording groepsrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortracé Tilburg - Nijmegen. Dit betekent dat een verantwoording van het groepsrisico nodig is. Bij het spoortracé is ter hoogte van de planlocatie geen sprake van een overschrijding van 0,1 maal de oriënterende waarde voor het groepsrisico (0,1*OW). Voor het spoortracé geldt daarom dat kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico (ingevolge artikel 8, lid 2, Besluit externe veiligheid transport). Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen de zelfredzaamheid van personen en de bestrijdbaarheid van een ramp binnen het plangebied beschouwd te worden. Maatgevend rampscenario voor het spoortracé is een gasexplosie (BLEVE) van de vervoerseenheid (ketelwagen).

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario (in dit geval explosie).

- 59 -

Ruimtelijke onderbouwing Elleboogstraat 3 Deursen-Dennenburg

Gemeente Oss

Explosie Onderscheid kan gemaakt worden tussen een koude BLEVE en warme BLEVE. Een koude BLEVE wordt veroorzaakt door een externe beschadiging, bijvoorbeeld een botsing. Hierbij komt brandbaar gas vrij dat direct ontsteekt. Een warme BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de ketel doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de ketelwand. Brandbaar gas komt vrij en ontsteekt. De effecten van een warme BLEVE kunnen verder reiken dan de effecten van een koude BLEVE (circa 300 m). Voor beide scenario’s geldt dat er een vuurbal en een drukgolf ontstaat, met hittestraling, overdruk en scherfwerking tot gevolg. Met goederenvervoerders en verladers zijn al in 2012 afspraken gemaakt over het veilig samenstellen en rijden van treinen met gevaarlijke stoffen. Zo worden wagons met brandbaar gas zoveel mogelijk gescheiden vervoerd van wagons met zeer brandbare vloeistof (warme BLEVE vrij samenstellen). Deze afspraken zijn in een convent vastgelegd. In geval van een warme BLEVE kan het plangebied bij tijdige alarmering worden ontvlucht. De ontvluchting vanuit het plangebied van de spoorlijn af is goed. Op korte afstand van het spoor zullen vanwege hittestraling brandbare materialen vlam vatten. Bij een BLEVE op grotere afstand kan in de gebouwen worden geschuild, mits de toepassing van brandbare en ontvlambare materialen wordt beperkt.

Alarmering: Ter hoogte van de planlocatie is de WAS-dekking (sirene burgerbescherming) op orde. In geval van een calamiteit zal tevens NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NLAlert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Vluchtmogelijkheden: Het plangebied is naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobronnen af. Er zijn geen aanwijzingen dat binnen het plangebied niet – of verminderd – zelfredzame personen aanwezig zullen zijn. Schuilmogelijkheden: Voor het scenario explosie geldt het gebied ontvluchten de meeste bescherming biedt. Schuilen binnen de bebouwing, vooral in de directe nabijheid van de risicobron, is geen optie. Bestrijdbaarheid Bij het bestrijden van een incident zijn de bluswatervoorziening, de bereikbaarheid en de opkomsttijd belangrijk.

- 60 -

Ruimtelijke onderbouwing Elleboogstraat 3 Deursen-Dennenburg

Gemeente Oss

De bestrijding dient in dit geval plaats te vinden bij de risicobron, waarbij het van belang is dat hier voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig zijn. Conform de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening zijn de volgende hoeveelheden water noodzakelijk om het scenario te bestrijden: ➢ Warme BLEVE: ➢ Uitdampen van een gevaarlijke stof:

6.000 liter per minuut 4.500 liter per minuut

Deze hoeveelheden water moeten binnen 200 meter en bij elke toegangsdeur van het spoor bereikbaar zijn. Een ander belangrijk aandachtspunt is dat deze hoeveelheden water binnen 20 minuten na het incident beschikbaar zijn. De planlocatie is goed bereikbaar. Ontvluchten kan via de De Rijt en de Dorpenweg in alle gevallen van de risicobron af. De aanbevolen opkomsttijd is vervat in de brandweerzorgnorm en is afhankelijk van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar de plaats van het incident. De uitruktijd van een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. De planlocatie ligt binnen het invloedsgebied van het spoortracé Tilburg - Nijmegen. Het groepsrisico is verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol: ➢ het geringe groepsrisico neemt niet tot nauwelijks toe; ➢ er zijn geen negatieve gevolgen voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Door de gemeente Oss wordt een advies bij de Veiligheidsregio opgevraagd.

Er zijn hiermee geen belemmeringen vanuit het aspect externe veiligheid voor onderhavig initiatief.

4.11 Spuitzones Vanuit het oogpunt van gezondheidsrisico’s dient een minimale afstand te worden aangehouden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt in Nederland een afstand van 50 meter gehanteerd tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming.

- 61 -

Ruimtelijke onderbouwing Elleboogstraat 3 Deursen-Dennenburg

Gemeente Oss

Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de fruitteler niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. Binnen een afstand van 50 meter van de planlocatie zijn geen gronden gelegen die in gebruik zijn als fruitboomgaard. Het aspect spuitzones vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.12 Hoogspanningslijnen Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. De laatste jaren is hier meer aandacht voor, mede omdat er statistische aanwijzingen zijn (dus geen aangetoond oorzakelijk verband) dat de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogelijk van invloed kunnen zijn op de gezondheid van kinderen. Het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen is gebaseerd op het voorzorgprincipe. De internationale norm is dat voorkomen moet worden dat burgers worden blootgesteld aan magneetvelden van meer dan 100 microTesla. Deze norm wordt in Nederland op maaiveldniveau nergens overschreden. Aanvullend hierop adviseert het Rijk, vanuit het voorzorgprincipe, om zoveel als mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen van meer dan 0,4 microTesla. In het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de magneetveldzone. Dit betekent dat, zoals hierboven reeds aangegeven is, voorkomen moet worden dat er gevoelige functies binnen een zone van een hoogspanningslijn komen te liggen. Is dit wel het geval, dan moet er een zorgvuldige afweging plaatsvinden.

Het RIVM heeft een kaart ontwikkeld waarop indicatieve zones voor magneetvelden van alle bovengrondse hoogspanningslijnen zijn opgenomen. De indicatieve zones zijn de meest ruime afstanden waar rekening mee moet worden gehouden. Uit deze kaart blijkt dat de planlocatie op ruime afstand van de hoogspanningslijnen is gelegen, buiten de indicatieve zone. Het aspect hoogspanningslijnen vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.13 Kabels en leidingen In en in de directe omgeving van de planlocatie zijn volgens de provinciale risicokaart geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is

- 62 -

Ruimtelijke onderbouwing Elleboogstraat 3 Deursen-Dennenburg

Gemeente Oss

evident. Als gevolg van het plan is echter geen sprake van nieuwe aansluitingen op deze voorzieningen.

4.14 Verkeer en parkeren Mobiliteitsvisie Oss De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie wordt uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg wordt de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Verkeer In de huidige situatie is op de planlocatie binnen de agrarische bestemming reeds sprake van een ingenieursbureau met buitendienst en een bedrijfswoning. Voorliggende bestemmingswijziging ziet er op toe dit gebruik op een goede wijze te regelen binnen een hiervoor passende bestemming. Er vindt geen uitbreiding van bedrijfsactiviteiten plaats. Sterker nog, de maximale oppervlakte voor het ingenieursbureau met buitendienst wordt begrensd op 400 m2 en vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan, waarmee zeker wordt gesteld dat de bedrijfsactiviteiten ter plaatse niet meer uitgebreid kunnen worden. Het initiatief leidt dan ook niet tot extra verkeersbewegingen.

Parkeren Op 13 december 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders de nota ‘Parkeernormen 2017’ vastgesteld. In deze notitie staat beschreven welke parkeernormen gehanteerd moeten worden bij nieuwe projecten (zowel uitbreiding als herstructurering). Uitgangspunt voor herontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost. Voor een vrijstaande koopwoning in het buitengebied is door de gemeente Oss een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen vastgelegd. Voor bedrijven is een onderscheid gemaakt in de parkeerbehoefte per type bedrijvigheid. Het ingenieursbureau met buitendienst kan worden aangemerkt als een ‘arbeidsextensief/bezoekersextensief’ bedrijf (loods, opslag, transport). Hiervoor geldt in het buitengebied een parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per 100 m2 bvo. De bedrijfsactiviteiten hebben een omvang van 400 m2 en zijn ook als zodanig begrensd in het bestemmingsplan. Hiermee geldt voor het ingenieursbureau een parkeernorm van 4,4 parkeerplaatsen. In totaliteit komt het aantal vereiste parkeerplaatsen voor de totale ontwikkeling op basis van de nota ‘Parkeernormen

- 63 -

Ruimtelijke onderbouwing Elleboogstraat 3 Deursen-Dennenburg

Gemeente Oss

2017’ hiermee op 6,8 parkeerplaatsen. Dit aantal wordt naar boven afgerond op 7 parkeerplaatsen. In de huidige situatie is met 10 parkeerplaatsen reeds voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein voor zowel de vrijstaande woning alsmede voor het ingenieursbureau met buitendienst. Er wordt hiermee ruimschoots voldaan aan de benodigde parkeerbehoefte. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.15 M.e.r.-beoordeling Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieu-effectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kader stellend is voor projecten met grote milieugevolgen een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage in het Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011, de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r.. De bestemmingswijziging van Agrarisch naar Wonen zonder uitbreiding van bebouwing valt niet onder onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Een aanmeldnotitie M.e.r. is hiermee niet noodzakelijk.

- 64 -

Ruimtelijke onderbouwing Elleboogstraat 3 Deursen-Dennenburg

5.

Gemeente Oss

Economische uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

5.1

Kostenverhaal Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro). In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en grondeigenaar een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist.

5.2

Gemeentelijke grondexploitatie De ontwikkeling van de locatie is een particulier initiatief. Alle kosten en risico's van de planontwikkeling, - voorbereiding en –uitvoering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De eventuele planschade als gevolg van het uit te voeren plan komt ook voor rekening van initiatiefnemers. Dit is vastgelegd in een anterieure overeenkomst. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend ruimtelijk plan. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.

- 65 -

Ruimtelijke onderbouwing Elleboogstraat 3 Deursen-Dennenburg

6.

Gemeente Oss

Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van voorliggend bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet niet allen in financieel maar ook in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

6.1

Inspraak Onderhavig initiatief is opgenomen in het bestemmingsplan ‘Ontwikkelingen 2 Buitengebied Oss – 2021’. Dit bestemmingsplan zal in procedure worden gebracht waarbij vooroverleg plaatsvindt.

6.2

De omgeving De ruimtelijke impact van voorliggend initiatief is nihil daar enkel de bestemming wijzigt van Agrarisch met waarden naar Wonen, zonder dat er verder ruimtelijke ingrepen plaatsvinden. Desondanks zijn door initiatiefnemer de meest directe buren aan Elleboogstraat 1 op de hoogte gesteld van de voorgenomen ontwikkeling.

- 66 -

Indexpagina bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing Bijlage 1

- Landschappelijke inpassing

Bijlage 2

- Bodemonderzoek

Bijlage 3

- Asbestonderzoek

Bijlage 4

- Watertoets

Bijlage 1

- Landschappelijke inpassing

Landschappelijk inpassingsplan

Colofon Opdrachtgever: Elleboogstraat 3 5352 LP Deursen Opdrachtnemer:

TBH Tuin en Landschapinrichting BV Elleboogstraat 3 5352 LP Ravenstein www.tuinentbh.nl T 0486-436607 F 084-7445284 KVK 50100556 Auteur R. Hoefnagel Datum vrijgave Februari 2021

CONCEPT 2021 TBH Tuinenlandschapinrichting BV, Ravenstein. Dit document is intellectueel eigendom van de opdrachtgever

TBH Tuin en Landschapinrichting

blad 1 van 15

Inhoudsopgave 1. Inleiding

3

2. Luchtfoto plangebied en omgeving

4

3. Totstandkoming landschappelijk inpassingsplan

6

4. Ontwerp

7

5. Landschappelijk inpassingsplan

9

6. Landschapsplan met onderhoudsmaatregelen

12

7. Conclusie

13

Bijlage 1

14

TBH Tuin en Landschapinrichting

blad 2 van 15

1. Inleiding Het landschappelijk inpassingplan is opgesteld in het kader van bestemmingsplanwijziging, met als doel om te komen tot een landschappelijke inpassing van de ingreep, zodat deze voldoet aan het gemeentelijke beleid ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit bij functieverandering. De oorspronkelijke agrarische functie van de initiatieflocatie en de ligging ervan, nabij een karakteristieke kloosterterrein (Soeterbeeck) en tegen een ruimtelijk weidevlakte gebied, zorgen voor een divers palet aan mogelijkheden tot inpassing in dat landschap. Het agrarische karakter van het gebied is op de onderstaande kaart goed te zien.

Om de nieuwe ontwikkelingen in combinatie met de bestaande situatie juridisch-planologisch mogelijk te maken dient in het kader van het gemeentelijk kwaliteitsmenu (basiskwaliteit (plus) en aanvullende kwaliteit) een kwaliteitsbijdrage met het planvoornemen te worden geleverd en dient het geheel landschappelijk ingepast te worden. Om de beoogde landschappelijke inpassing inzichtelijk te maken is onderhavig landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit landschappelijk inpassingsplan maakt inzichtelijk op welke wijze invulling wordt gegeven en voldaan wordt aan het gemeentelijke kwaliteitsmenu.

TBH Tuin en Landschapinrichting

blad 3 van 15

2. Luchtfoto plangebied en omgeving Op onderstaande luchtfoto is een overzicht te zien van het plangebied en de directe omgeving. Hierop is duidelijk het agrarische karakter van de omgeving terug te zien maar ook de recreatieve elementen die in de directe omgeving aanwezig zijn en dus ook hun invloed op het plangebied hebben. Het plangebied is op onderstaande kaart rood omkaderd.

Transportbedrijf en agrarisch bedrijf

Conferentiecentrum Klooster Soeterbeeck Veehouderij

Varkenshouderij

Weidegebied

Industrieterrein

Voetbalveld

TBH Tuin en Landschapinrichting

blad 4 van 15

Op de onderstaande afbeelding is op te maken dat het plangebied in het komgebied valt volgens het Landschapsbeleid van de gemeente Oss. De uitgangspunten voor deze landschappelijke inpassing zal hier zoveel mogelijk op aansluiten.

In het Landschapsbeleidsplan van de gemeente Oss is duidelijk dat men veel waarde hecht aan struweel beplanting gevarieerd met volwassen bomen van grote orde. Zeker het beeld van landbouwhuisdieren past zeker in de voor ogen hebbende landschappelijk geheel. Ons voornemen is dan ook om hier aan de wens de gemeente te kunnen voldoen.

TBH Tuin en Landschapinrichting

blad 5 van 15

3. Totstandkoming landschappelijk inpassingsplan en ontwerp Het landschappelijk inpassingsplan is opgesteld in het kader van bestemmingsplanwijziging, met als doel om te komen tot een landschappelijke inpassing van de ingreep, zodat deze voldoet aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit bij functieverandering. Ten behoeve hiervan is middels een veldbezoek de huidige situatie in beeld gebracht. Bij het veldbezoek zijn de huidige landschappelijke kenmerken van de omgeving beoordeeld en zijn de groeiplaats omstandigheden op de locatie ingeschat. De gemeente Oss streeft kwaliteit voor de omgeving én voor de eigenaar/locatie na. Dit landschappelijk inpassingsplan is dan ook tot stand gekomen door nauw overleg met de diverse partijen, waarbij opdrachtgever aangegeven heeft het belangrijk te vinden dat het zijn intentie is om zijn locatie in te passen in de omgeving met respect voor natuur en milieu. Hierdoor zal het huidige landschap een duidelijke impuls krijgen, zowel optisch als ook zeker als toegevoegde waarde voor de natuur. Met behulp van de verzamelde informatie, is het inpassingsplan verder uitgewerkt, wat geresulteerd heeft in bijgevoegd ontwerp.

TBH Tuin en Landschapinrichting

blad 6 van 15

4. Ontwerp Op de ontwerptekening zijn de landschapselementen te zien die er voor zorgen dat de initiatieflocatie in het bestaande landschap zal passen. Aan de linkerzijde van de tekening is de bestaande dierenweide geprojecteerd waar een diversiteit aan parkdieren verblijven. In deze dierenweide zijn ook recent een negental fruitbomen geplant, die in de lente een fraai beeld opleveren met de bloesem en geven hierna schaduw aan de aanwezige dieren. Daarnaast zijn ook recent al vanaf de straatzijde de waterpartij om de dierenweide van een meidoornhaag met knotwilgen voorzien, dit zorgt voor de aansluiting van het aanwezig groen zoals aan de overzijde bij terrein Soeterbeeck te zien is.

Hierop aansluitend ligt een waterpartij die als buffer voor het op te vangen regenwater dient en aansluit op de waterleiding die naast het stationspaadje ligt, Naast de functie van waterbuffering levert deze ook een grote bijdrage aan de natuurwaarde van het plangebied. Het onderhoudspad dat naast de dierenweide is aangebracht, is van gebroken puin voorzien, waardoor deze bij zonnig weer snel opwarmt, hierdoor wordt deze aantrekkelijk voor diverse insecten, maar ook voor de zo bij paardenstallen gewenste zwaluwen. Rondom de dierenweide is een hekwerk aanwezig met een maximale hoogte van 2,0 meter. Dit hekwerk zorgt ervoor dat de aanwezige dieren, waaronder de wallaby’s, niet kunnen ontsnappen. De positie van het hekwerk is aangegeven op de ontwerptekening in bijlage 1. In de dierenweide en weiland aan de rechterzijde staan 2 grote eiken, deze zorgen voor een aangenaam klimaat voor het werken met dieren in de buitenlucht. Daarnaast geven ze het robuuste karakter van de omgeving goed weer en kleden de omgeving aan. De tuin en parkeerplaatsen zijn omringd door een haag van groene beuk, deze is karakteristiek voor de omgeving (de gemeente heeft deze ook als wens in hun landschappelijk beleidsplan opgenomen) geeft een landelijke uitstraling en biedt voor veel

TBH Tuin en Landschapinrichting

blad 7 van 15

vogelsoorten uitstekende schuilgelegenheid. Ook de paardenbak zal worden afgezet met deze beukenhagen. Verder is het voornemen om in de strook weiland tussen het stationspaadje en de waterleiding nog een aantal meerstammige boomvormers en of knotwilgen te planten. Deze zullen enigszins de overgang naar het achterliggende weidegebied gaan vormen. Hiermee is er tevens een zichtbare barrière te vormen om het station te camoufleren. Onderstaande foto geeft het gezelschap van de aanwezige parkdieren weer, die veel bekijks trekken vanaf het door de gemeente geplaatste bankje voor deze dierenweide.

Hiernaast het schattige beeld van een Wallaby met jong in de buidel. Ook deze trekt veel bekijks en geeft voor de omgeving een toegevoegde waarde aan de wandelroute vanuit het stationspaadje over terrein Soeterbeeck richting Ravenstein.

TBH Tuin en Landschapinrichting

blad 8 van 15

5. Landschappelijk inpassingplan Investeringen op de initiatieflocatie zelf. Deze inpassing bestaat uit 2 delen van een aantal recent aangebrachte groenelementen en nog aan te brengen groenvoorzieningen. • Aanplant van een meidoornhaag met knotwilgen die aansluit aan omliggend groen. Er zijn langs de waterpartij aan de onderzijde van de waterkant meidoornhagen geplant en een 8 tal knotwilgen met een esdoorn en een zomereik welke een fors exemplaar die er enkele jaren is gesneuveld moet gaan vervangen. Zie onderstaande foto.

• Aanleg van waterpartij met een natuurlijk karakter. Rondom de waterpartij ligt een zoom met kruiden die insecten aantrekken. Deze zoom gaat geleidelijk over in een deel bosplantsoen en de dienweide. Door met verschillen in diepte te werken is de kans groot dat ook in drogere perioden de vijver niet droogvalt. Rondom de waterpartij is een verhoogd onderhoudspad aangelegd die hierdoor droger en warmer is dan de omgeving, wat voor veel insecten aantrekkelijk is. Doordat een deel van het talud flauwer is kan het wild dat in de omgeving leeft, van de vijver gebruik maken als drinkplaats. Door de vijver ook kikkervriendelijk te maken, hierdoor kunnen de kikkers de larven van diverse insecten (muggen, paardendaas) bestrijden. Het samenspel van al deze factoren hebben tot gevolg dat een natuurlijke waterpartij/ sloot ontstaat die in een natuurlijk evenwicht zal geraken en daardoor een hoge waarde heeft voor de omgeving.

TBH Tuin en Landschapinrichting

blad 9 van 15

• Aanplanten van hagen met daarin solitaire bomen die dienen als afscheiding van de paardenbak. Hiervoor worden voor de omgeving karakteristieke hagen van beuk (Fagus) geplant. Deze keuze is mede ingegeven door het feit dat deze soort ook in de winter lang het blad vast houd. Dit biedt voor veel vogelsoorten ook in deze periode beschutting. Op de onderstaande foto is de beukenhaag van de voorkant van de tuin te zien. Deze is grens tussen looppad en gazon geplant. Op de initiatieflocatie is gekozen om de haag langs de paardenbak te zetten om zo de gelegenheid te hebben een meer natuurlijke overgang te maken met o.a. bottelrozen (Rosa rugosa).

Solitaire bomen Voor de solitaire bomen op de initiatieflocatie is bewust gekozen voor bomen die vruchten dragen, tamme kastanje, walnoot, eik. Deze bomen leveren veel voedsel voor in de omgeving levende knaagdieren en vogels. Daarnaast is er gekozen om ook fruitdragende bomen te gebruiken. Enerzijds passen deze gecultiveerde, vaak kleinere bomen niet in de wat robuustere omgeving. Dit om de boomgaard die er dertig jaar geleden heeft gestaan weer een beetje te herstellen.

TBH Tuin en Landschapinrichting

blad 10 van 15

Investeringen in de omgeving. • De bestaande structuur aan houtopschot aan het stationspaadje uitbreiden en of herstellen. Hierbij zullen de 3 populieren die de gemeente 1,5 jaar geleden heeft omgezaagd worden terug geplant om dit beeld te herstellen. Daarnaast zullen een aantal knotwilgen geplant worden in de voet van het dijkje waar het stationspad op gesitueerd is. Hiermee zal ook het beeld van struikgewas weer hersteld worden zoals dit voorheen ook was. De vogels verblijven hier maar al te graag.

TBH Tuin en Landschapinrichting

blad 11 van 15

6. Inrichting en onderhoudsplan met soortaanduiding uit ontwerptekening Op de tekening op de voorgaande is het landschapsplan te zien waarbij de planten- en boomsoorten zijn aangegeven die in onderstaand overzicht terug zijn te vinden met de bijbehorende onderhoudsmaatregelen. Onderhoudsplan met soortenaanduiding uit ontwerptekening als bijlage 1 Nr A

B C D

Type beplanting

Naam beplanting

Maat

Aantal

Haag Gemengde haag Eenstijlige Meijdoorn 5 st per m1 Zomereik

Fagus sylvatica

80/100 80/100

120 m 50 m

60/80

60 m

10/12

3 3 3 2 3 10 1 1 1 3

Hoogstamfruit E F G H I J

Knotwilg Es Lijsterbes Elst Populieren

TBH Tuin en Landschapinrichting

crataegus monogyna Quercus robur Appel Peer Pruim Kers Salix Fraxinus excelsior Sorbus aucuparia Alnus glutinosa Populus alba

8/10 10/12 10/12 10/12 10/12 10/12

blad 12 van 15

7. Conclusie Door samenwerking, zorgvuldig overleg en deskundig advies met respect voor natuur, milieu en omgeving, kan hier door transformatie van een verouderde voormalige agrarische locatie een schitterend complex gerealiseerd worden op een hoog kwaliteitsniveau, waarbij kosten nog moeite gespaard zijn, zowel in investeringen in het landschap als in beeldkwaliteit. Door de zorgvuldig gemaakte keuze van materialen en groenvoorzieningen is een aanzienlijke verbetering van de, in agrarisch staat verkerende, planlocatie te realiseren. Vooral de overgang naar het aanwezige stationspaadje als ook naar de locatie Soeterbeeck, hebben een grote invloed op de uiteindelijke plannen om de inpassing in het landschap te realiseren. Door hiermee als uitgangspunten aan de slag te gaan is een realistisch plan met een breed draagvlak ontstaan; voor de initiatiefnemer een prachtige locatie om als woonruimte met een kantoorfunctie te ontwikkelen waarbij omgeving, natuur en recreant de uiteindelijke winnaars zijn.

TBH Tuin en Landschapinrichting

blad 13 van 15

BIJLAGE 1

TBH Tuin en Landschapinrichting

blad 14 van 15

Bijlage 2

- Bodemonderzoek

Bodem en Bouwstoffen

Verkennend Bodemonderzoek Elleboogstraat 3 Deursen-Dennenburg rapport 3509R003-4

datum: opdrachtgever:

10 augustus 2020 TBH, Elleboogstraat 3A, 5371 LL Ravenstein.

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en / of openbaar gemaakt zonder schriftelijke toestemming van Archimil BV. Op al onze werkzaamheden zijn de algemene leveringsvoorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Eindhoven, onder nummer 17159750.

10 augustus 2020 rapportnummer: 3509R003-4

I

VERANTWOORDING

Ing. P. Heesakkers Adviseur

Ing. G. van der Kant Adviseur

Archimil B.V. Koningsplein 18, 5721 GJ Asten, Tel.nr. 0493-671818 – Faxnr. 0493-671800, Email: info@archimil.nl Archimil BV, Laagheidehof 5, 5804 XB Venray, telnr. 0478-515736 Rabobank Iban NL70RABO01636.28.580, Kvk nr. 17159750

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

10 augustus 2020 rapportnummer: 3509R003-4

II

SAMENVATTING Voor een verklaring van de gebruikte terminologie met betrekking tot eventuele verontreinigingen verwijzen wij naar de ‘Circulaire Bodemsanering 2013’ en het ‘Besluit bodemkwaliteit’. Op een terrein aan de Elleboogstraat 3 te Deursen-Dennenburg is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Nederlandse norm NEN 5740. De geografische gegevens van de onderzoekslocatie staan weergegeven in het volgende overzicht: Gemeente

Oss

Adres

Elleboogstraat 3 te Deursen-Dennenburg

Kadastraal

Sectie: D

Nr: 202 (ged.)

Coördinaten

X: 172.205

Y: 423.207

Oppervlakte onderzoekslocatie

Circa 2750 m2

Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de resultaten van het vooronderzoek van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Op basis van de in het vooronderzoek verzamelde gegevens is de locatie als nietverdacht beschouwd. Veld- en laboratoriumwerkzaamheden zijn derhalve uitgevoerd conform de strategie onverdacht uit de NEN 5740. Uit het onderzoek volgt dat in de bovengrond een zwakke tot sterke bijmenging met baksteen of puin is aangetroffen. In lijn met de NEN 5707 dient de bijmenging met puin als verdacht voor asbest te worden beschouwd. De puinhoudende grond uit de bovenlaag (0-0,9 m-mv) is licht verontreinigd met lood, minerale olie, PAK’s en/of PCB’s. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De hypothese niet-verdachte locatie kan voor het grondwater worden aangenomen en dient voor de bovengrond te worden verworpen op basis van de onderzoeksresultaten. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merken wij op dat de aangetroffen bijmengingen met puin in de bovengrond aanleiding geven tot een verkennend onderzoek naar asbest.

Voor het overige behoeven er ons inziens, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan de gewenste functieverandering en uitbreiding van één van de bijgebouwen De lichte verontreinigingen in de bovengrond en het grondwater vormen geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek of het treffen van sanerende maatregelen. De aanwezigheid van bovengenoemde componenten vormt, gezien de concentraties, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaar. Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit.

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

10 augustus 2020 rapportnummer: 3509R003-4

III

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING 1

INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK ................................................................................ 1

2

VOORONDERZOEK ......................................................................................................................... 3 2.1 GEOGRAFISCHE GEGEVENS.......................................................................................................... 3 2.2 HUIDIG EN VOORMALIG BODEMGEBRUIK ........................................................................................ 3 2.3 BODEMONDERZOEKEN ............................................................................................................... 4 2.3.1 STORTPLAATS ................................................................................................................ 5 2.4 TOEKOMSTIG GEBRUIK .............................................................................................................. 5 2.5 BODEMOPBOUW EN (GEO-)HYDROLOGIE ......................................................................................... 5 2.5.1 Algehele bodemkwaliteit................................................................................................... 6 2.5.2 PFAS................................................................................................................................ 6 2.6 CONCLUSIE VOORONDERZOEK ..................................................................................................... 7

3

OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK .......................................................................... 8 3.1 3.2 3.3

OPZET BODEMONDERZOEK ......................................................................................................... 8 ANALYSEPAKKETTEN ................................................................................................................ 8 UITVOERING BODEMONDERZOEK .................................................................................................. 8

4

WIJZE VAN BEOORDELEN EN INTERPRETATIE ........................................................................10

5

RESULTATEN...............................................................................................................................11 5.1 VELDWERK GROND .................................................................................................................. 11 5.2 AANPASSING ONDERZOEKSOPZET .............................................................................................. 11 5.3 VELDWERK GRONDWATER ........................................................................................................ 11 5.4 ANALYSERESULTATEN ............................................................................................................. 11 5.4.1 Grondmengmonsters ....................................................................................................... 11 5.4.2 Grondwatermonsters ...................................................................................................... 12

6

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...........................................................................................13

TABELLEN ...........................................................................................................................................14 Bijlage 1 ............................................................................................................ overzichtstekening Bijlage 2 .................................................................................................................. vooronderzoek Bijlage 3 ............................................................................................................locatie en boringen Bijlage 4 ........................................................................................................................ boorstaten Bijlage 5 ............................................................................................................. analyseresultaten Bijlage 6 ........................................................................................................................ referenties

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

10 augustus 2020 rapportnummer: 3509R003-4

1

1

INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK

In verband met de gewenste functieverandering en uitbreiding van enkele bijgebouwen aan de Elleboogstraat 3 te Deursen-Dennenburg is door TBH schriftelijk opdracht verleend om een verkennend bodemonderzoek op bovengenoemde locatie uit te voeren. Het doel van het onderzoek bestaat uit het verkrijgen van inzicht in de kwaliteit van de grond en het freatische grondwater op het te onderzoeken terrein. Voor de milieuhygiënische verklaring kan dit onderzoek dienen als bewijs voor de kwaliteit van de ontvangende bodem (Regeling bodemkwaliteit artikel 4.3.4) in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van NEN 5740 [2] conform de BRL2000 met bijhorende protocollen van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsboring Bodemonderzoek [3]. De grondmengmonsters en het grondwatermonster zijn geanalyseerd op de parameters welke opgenomen zijn in het NEN-pakket of op eventueel verdachte componenten. De analyseresultaten zijn getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden, zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering 2013 [8]. Het rapport is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de verzamelde gegevens van de onderzoekslocatie en/ of de daaromheen liggende percelen, welke tijdens het vooronderzoek naar voren zijn gekomen. De opzet en uitvoering van het onderzoek worden besproken in hoofdstuk 3.

In hoofdstuk 4 wordt het toetsingskader van de resultaten gepresenteerd waarna in hoofdstuk 5 de gevonden resultaten besproken zullen worden. Tot slot worden in hoofdstuk 6 de conclusies besproken en worden enkele aanbevelingen gedaan. De in de tekst aangehaalde literatuurbronnen zijn opgenomen in bijlage 6. Contactpersoon voor de opdrachtgever was de heer R. Hoefnagel.

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

10 augustus 2020 rapportnummer: 3509R003-4

2

Luchtfoto onderzoekslocatie en omgeving

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

10 augustus 2020 rapportnummer: 3509R003-4

2

3

VOORONDERZOEK

Het vooronderzoek met betrekking tot het bodemonderzoek is uitgevoerd op het standaardniveau, conform NEN 5725. Het vooronderzoek heeft zich gericht op de onderzoekslocatie en de direct aanliggende percelen vanaf de grens van het onderzoeksgebied tot aan 25 meter buiten het onderzoeksgebied. Het doel van het vooronderzoek is het verzamelen van relevante informatie over de locatie van het bodemonderzoek, door het opvragen van informatie bij de opdrachtgever, de eigenaar en de gemeente, houden van interviews, uitvoeren van terreininspectie en archiefonderzoek. De te verzamelen informatie heeft betrekking op het voormalige gebruik, het huidige gebruik, het toekomstige gebruik, de bodemopbouw, de geohydrologische situatie en financieel-juridische aspecten. Hiervoor worden de volgende informatiebronnen geraadpleegd: milieuvergunningdossiers, archief bodemonderzoeken, etc. In bijlage 2 is een overzicht weergegeven van deze (geraadpleegde) informatiebronnen en de verkregen informatie. Op basis van de verzamelde informatie wordt het veld- en chemisch onderzoek goed voorbereid en wordt de onderzoekshypothese voor het verkennend of nader bodemonderzoek opgesteld. Ook worden de resultaten van het vooronderzoek gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek.

2.1 Geografische gegevens De geografische gegevens van de onderzoekslocatie staan weergegeven in het volgende overzicht:

Gemeente

Oss

Adres

Elleboogstraat 3 te Deursen-Dennenburg

Kadastraal

Sectie: D

Nr: 202 (ged.)

Coördinaten

X: 172.205

Y: 423.207

Oppervlakte onderzoekslocatie

Circa 2750 m2

Op de onderzoekslocatie is er voor zover bekend geen sprake van een calamiteit of overtreding van voorschriften in het kader van de Wet Milieubeheer en/of Wet Bodembescherming en/of andere milieuregelgeving. 2.2 Huidig en voormalig bodemgebruik Het onderzoeksterrein, is momenteel in gebruik als langgevelboerderij met kantoor, twee bijgebouwen, opslagruimte, zwembad en tuin. De boerderij is opgenomen in de monumentenlijst van de gemeente Oss. De woning en kantoorruimte en het bijgebouw aan de linkerzijde van de woning zijn gedekt met een pannen dak. De opslagruimte alsmede het kleinere bijgebouw zijn gedekt met golfplaten en voorzien van regengoten die afwateren op de riolering.

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

10 augustus 2020 rapportnummer: 3509R003-4

4

Het onderzoeksterrein is voor zover bekend niet opgehoogd met bodemvreemde materialen zoals puin, sintels of gebroken asfalt. Op de onderzoekslocatie hebben voor zover bekend geen olietanks in of op de bodem gelegen. Er zijn geen gegevens bekend omtrent eventuele activiteiten of calamiteiten op de onderzoekslocatie welke geleid kunnen hebben tot een bodemverontreiniging. Uit de historische kaarten (bron: http://www.topotijdreis.nl) blijkt dat de woning gebouwd is rond 1830 en later is uitgebouwd en verbouwd. In de jaren ’50 van de vorige eeuw is de ligging van de westelijk gelegen Elleboogstraat gewijzigd. Op de locatie zijn in het verleden diverse bijgebouwen aanwezig geweest.

Omstreeks 1935

1967

1993

2015

2.3 Bodemonderzoeken In 2007 is op de locatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door BOOT BV. Bij de gemeente Oss zijn alleen onderzoeksresultaten bekend. Uit deze resultaten volgt dat het mengmonster van de boven-grond licht verontreinigd is met koper. De ondergrond bleek niet verontreinigd te zijn. In het grondwater was een licht verhoogd gehalte naftaleen aangetroffen.

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

10 augustus 2020 rapportnummer: 3509R003-4

5

2.3.1 Stortplaats Aan de overzijde van de Elleboogstraat is een stortplaats gelegen. Het terrein is momenteel in gebruik als parkeerterrein. De stortplaats heeft, op basis van de VOS en NAVOS rapportage, een oppervlakte van circa 2000 m2 en een maximale diepte van 2 m. De deklaag heeft een dikte van circa 20 cm. De stortplaats betreft een voormalig wiel en is tussen 1963 en 1965 gebruikt voor de stort van huisvuil en bouw- en sloopafval. Uit het NAVOS onderzoek volgt dat in de deklaag en het grondwater geen noemenswaardige verhogingen aanwezig zijn. Gelet op de beperkte omvang (op basis van de contour geschat op 200 m2), de grondwaterstroming (NNO) en het ontbreken van substantiële verhogingen in de boden het grondwater zal de aanwezigheid van de stortlaag geen negatief effect hebben op de bodemkwaliteit van de huidige onderzoekslocatie. 2.4 Toekomstig gebruik De onderzoekslocatie heeft momenteel de bestemming agrarisch, welke zal worden gewijzigd naar wonen. Aan de zuidzijde zal de opslagruimte van 250 m² worden uitgebreid met ± 200 m². Het bodemgebruik van het resterend terrein zal nadien naar alle waarschijnlijkheid ongewijzigd blijven. 2.5 Bodemopbouw en (geo-)hydrologie Het te onderzoeken terrein heeft een hoogteligging gelijk aan ca. 7,1 m + N.A.P. De opbouw van de ondergrond is schematisch weergegeven in figuur A. Figuur A: opbouw ondergrond.

Holocene afzetting Formatie van Kreftenheye Formatie van Beegden Formatie van Peize / Waalre Formatie van Oosterhout Formatie van Breda

Zwak tot matig siltig fijn tot fijn tot matig fijn zand Matig grof tot uiterst grof, kalk- en grindhoudend zand Zandige leem tot grind, uitkomst van Maasafzettingen Fluviatiel wit of grijs grof zand en grind Middelgrof tot grof schelpenzand. Het bovenste deel bevat kleilagen Mariene zanden en kleien

De freatische grondwaterspiegel bevindt zich op circa 2,0 m-mv. De stromingsrichting van het freatische grondwater is vermoedelijk noordoostelijk, richting de aanwezige watergang, gericht. De stromingsrichting van het grondwater in het eerste watervoerende pakket is globaal noordnoordoostelijk gericht. Voorgenoemde geohydrologische gegevens zijn ontleend aan de grondwaterkaart van Nederland [6]. Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

10 augustus 2020 rapportnummer: 3509R003-4

6

2.5.1 Algehele bodemkwaliteit De gemeente Oss maakt gebruik van een goedgekeurde bodemkwaliteitskaart en bodembeheerplan (februari 2018) waarin diffuus verhoogde achtergrondgehalten aan verontreiniging zijn vastgelegd. De onderzoekslocatie bevindt zich op de grens van niet gezoneerd en buitengebied klei. Aangezien de arcering wordt gebruikt voor (vml.) stortplaatsen wordt aangenomen dat de onderzoekslocatie in de zone buitengebied klei is gelegen en de arcering niet correct is weergegeven. De gemeente Oss maakt gebruik van een goedgekeurde bodemfunctieklassenkaart (september 2017). Van de regio oost Brabant, noord- en midden Limburg is bekend dat er zich verhoogde achtergrondwaarden aan zware metalen in het grondwater manifesteren. Deze zijn enerzijds toe te schrijven aan uitloging uit deze verhardingen van zinkassen en depositie van zware metalen door het productieproces van deze zinkassen in de fabriek in Budel-Dorplein (diffuse verontreinigingen). Wanneer dit het geval is op een locatie zal de stof zink overheersen bij de verontreinigingen. Een andere bron van verontreiniging met zware metalen in het grondwater zijn de chemische processen die optreden wanneer anaeroob grondwater opkwelt. Doordat in de bodem ijzerhoudende lagen aanwezig zijn kunnen zware metalen in oplossing gaan en in het grondwater terechtkomen.

Over het algemeen zijn arseen en nikkel overheersende componenten wanneer deze situatie zich voordoet. 2.5.2 PFAS In het rapport “Aanwezigheid PFAS in Nederland Deelrapport B Verdachte locaties” 2 is een overzicht opgenomen van potentiële risico-locaties voor het voorkomen van PFAS-verbindingen. Voor de locatie van herkomst is geen sprake van een bronlocatie. Opgemerkt wordt dat op basis van recente gegevens de bovengrond van een groot deel van Nederland mogelijk in lichte mate verontreinigd is met PFASverbindingen1 en dat uitspoeling naar de ondergrond kan plaatsvinden. Door het ministerie is een tijdelijk handelingskader PFAS opgesteld (versie 2 juli 2020) voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie, waarbij een achtergrondwaarde van 1,9 µg/kgds (PFOA) danwel 1,4 µg/kgds (PFAS) is vastgesteld 3. De gezamenlijke omgevingsdiensten in Brabant hebben eind 2019 tijdelijke lokale achtergrondwaarden opgesteld welke, zolang een gemeente geen bodemkwaliteitskaart heeft, gebruikt kunnen worden als toepassingsnorm voor de ontvangende bodem 4. Hierin is ondermeer een lokaal verhoogd gehalte PFOA vastgesteld van 1,1 µg/kgds. 1

https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/grond-bagger/handelingskader-pfas/tijdelijk/ https://www.expertisecentrumpfas.nl/images/Handelingskader/DDT219-1-18-008.228-rapd-Voorkomen_PFAS_in_Nederland__deelrapport_B_Verdachte_locaties_-_definitief.pdf 3 https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2020/07/03/bijlage-geactualiseerd-tijdelijkhandelingskader/bijlage-geactualiseerd-tijdelijk-handelingskader.pdf 4 https://odzob.nl/file-download/download/public/1570 2

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=8069e2e7-230c-48e3-9a92-dac1ae0e58e1