CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing_ inclusief landschappelijke inpassing Oijen en onderbouwing kwaliteitsverbetering landschap-gecomprimeerd

Gemeenteraad 26 oktober 2023, gemeente OssBij agendapunt: A (Ontwerp) verklaring van geen bedenkingen Rioolwaterzuivering Oijen18.718 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Afbeelding 4.5 Inpassingsplan

Bij de hoofdingang worden twee rijen wilgen aangeplant om de entree te benadrukken. Aan de westzijde wordt het groen gedeeltelijk doorgezet met smalle doorkijkjes. Deze geven verbinding met de dijk en het waardevolle landschap langs de Maas. Door het toepassen van lage onderbeplanting blijft de verbinding met het omliggende landschap behouden. Het verbeteren van de randen van het plangebied en het behoud/terugbrengen van landschappelijke kenmerken, brengt karakter terug in het plangebied en directe omgeving. Het inkoopstation en influentwerk zijn zo veel mogelijk ingepast in de groene rand van bosplantsoen en de lijn van de haag rondom. Het station dient 24 uur per dag goed bereikbaar te zijn van buitenaf. Vandaar dat deze niet volledig in het groen kan worden opgenomen. Met de inpassing tussen het groen en de rietoevers (huidige situatie), is het zicht vanaf het zuiden op het inkoopstation zo veel mogelijk beperkt. Onderstaande afbeelding laat het ontwerp zien.

28 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

Afbeelding 4.6 Inpassingsontwerp van inkoopstation en influentwerk

Conclusie Met de beoogde wijzigingen is geen sprake van wijzigingen van de functionele karakteristieken van het plangebied. Ook zijn het met de toepassing van het landschappelijk inpassingsplan de wijzigingen van de RWZI niet in strijd met goede ruimtelijke ordening en wordt voldaan aan de eisen vanuit het bestemmingsplan.

29 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

5 FINANCIËLE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 5.1

Financiële uitvoerbaarheid

Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. Het project is een particulier initiatief. Het plan wordt gerealiseerd op initiatief van waterschap Aa en Maas. De kosten die gepaard gaan met de voorbereidingen en realisatie van de plannen voor renovatie en nieuwbouw van RWZI Oijen komen voor rekening van de initiatiefnemer. Hiermee is het kostenverhaal voldoende verzekerd.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12 lid 1 onder a, onder 3 van de Wabo is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Op de ontwerp-omgevingsvergunning kan door eenieder een zienswijze worden ingediend bij het bevoegd gezag. De ontwerp omgevingsvergunning ligt 6 weken ter inzage. Daarna volgt de definitieve omgevingsvergunning. Tegen de definitieve omgevingsvergunning kan in twee instanties beroep worden ingesteld, eerst bij de Rechtbank en in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Door middel van de uitgebreide voorbereidingsprocedure wordt eenieder in staat gesteld bedenkingen ten aanzien van de werkzaamheden op de RWZI Oijen kenbaar te maken. De beoogde ontwikkelingen hebben ook een maatschappelijk belang. Vooral in de omgeving is veel belangstelling voor de wijzigingen, met name door de extra filters en aanpassingen in de geurbehandeling waardoor de geuroverlast verminderd wordt. Tevens draagt het voornemen bij aan de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte water. Deze verbetering heeft een positieve bijdrage aan de natuur en de gezondheid van de mensen.

30 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

Bijlage(n)

I BIJLAGE: DE NOTA LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Bijlage I | Definitief 04

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING

4

2

HISTORIE

6

3

ABIOTISCHE FACTOREN

8

4

KANSEN & KNELPUNTEN

5

INPASSINGSPLAN

10 11

3

II BIJLAGE: BODEMONDERZOEK

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Bijlage II | Definitief 04

RAPPORT VERKENNEND BODEMONDERZOEK PARALLELSTRAAT 1 TE OIJEN Gemeente Oijen, sectie E, nummer 375 PROJECT: 18301

VERANTWOORDING Titel

VERKENNEND BODEMONDERZOEK PARALLELSTRAAT 1 TE OIJEN

Opdrachtgever

Waterschap Aa en Maas Postbus 5049 5201 GA ‘s-Hertogenbosch

Rapportnummer

18301

Datum

11 november 2020

Projectleider

handtekening

handtekening

Boormeester

Boormeester

handtekening

handtekening

NIPA milieutechniek b.v. Landweerstraat – Zuid 109 5349 AK Oss

tel. +31 (0)412 – 65 50 58 www.nipamilieu.nl info@nipamilieu.nl

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/2

INHOUDSOPGAVE VERANTWOORDING ________________________________________________________________ 2 1

INLEIDING _____________________________________________________________________ 4

2

LOCATIEGEGEVENS _____________________________________________________________ 5

3

2.1

ALGEMEEN __________________________________________________________________ 5

2.2

VOORONDERZOEK _____________________________________________________________ 5

2.2.1

Omgeving _____________________________________________________________ 5

2.2.2

Algemeen _____________________________________________________________ 5

2.2.3

Bodemopbouw en geohydrologie __________________________________________ 6

2.3

DOELSTELLING _______________________________________________________________ 9

2.4

HYPOTHESE _________________________________________________________________ 9

UITGEVOERD BODEMONDERZOEK ________________________________________________ 10 3.1

ALGEMEEN _________________________________________________________________ 10

3.2

VELDWERKZAAMHEDEN ________________________________________________________ 12

3.3

LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN _________________________________________________ 12

4

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ______________________________________ 13

5

RESULTATEN __________________________________________________________________ 15 5.1

ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ___________________________________________________ 15

5.2

ANALYSERESULTATEN EN BODEMKWALITEIT ___________________________________________ 16

6

INTERPRETATIE, CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN __________________________________ 20

7

REFERENTIES _________________________________________________________________ 30

Bijlage 1 2 3 4 5 6 7

Situering in de regio Kadastrale gegevens Locatieoverzicht Boorprofielbeschrijvingen Analysecertificaten grond en grondwater Toetsingstabellen Gegevens vooronderzoek

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/3

1

INLEIDING Waterschap Aa en Maas te ‘s-Hertogenbosch heeft, in verband met het voornemen voor het vernieuwen en renoveren van de rioolwaterzuiveringsinrichting, aan NIPA milieutechniek b.v. te Oss opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en een nul- en eindsituatie onderzoek conform de NEN 5740 op het perceel Parallelstraat 1 te Oijen. NIPA milieutechniek b.v. te Oss is een ISO 9001:2015 gecertificeerd onderzoeksbureau. Tevens is NIPA milieutechniek b.v. op grond van artikel 12 van het Besluit bodemkwaliteit erkend voor de werkzaamheid “Veldwerk”. Deze erkenning geldt voor de volgende protocollen: 

2001 – Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen

2002 – Het nemen van grondwatermonsters

2003 – Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek

2018 – Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem

NIPA milieutechniek b.v. verklaart dat het veldwerk onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd conform de eisen van BRL SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen. De contactpersoon van de opdrachtgever is de heer G. Helmes. De werkzaamheden bij NIPA milieutechniek b.v. zijn gecoördineerd door mevrouw J.P.E.E. van Kempen-Mesterom.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/4

2

LOCATIEGEGEVENS 2.1

Algemeen

De onderzoekslocatie betreft de RWZI gelegen op het perceel Parallelstraat 1 te Oijen (gemeente Oss) en staat kadastraal bekend als gemeente Oijen, sectie E, nummer 375. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 179.600 m². De situering van de onderzoekslocatie in de regio is weergegeven in bijlage 1. Het locatieoverzicht is opgenomen als bijlage 3. 2.2

Vooronderzoek

Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een vooronderzoek door Witteveen + Bos Raadgevende ingenieurs B.V. uitgevoerd conform hoofdstuk 6 van de NEN 5725. In bijlage 7 zijn de relevante kopieën vanuit het vooronderzoek opgenomen. 2.2.1 Omgeving De onderzoekslocatie is gelegen aan de Hemelrijkse Waard ten westen van de kern van Oijen (gemeente Oss) en ten zuidoosten van de Maas. De directe omgeving van de locatie bestaat uit landbouwgebied met verspreid boerenbedrijven. 2.2.2 Algemeen De onderzoekslocatie is sinds eind jaren ’70 in gebruik als waterzuiveringsinstallatie. Hiervoor kende de locatie een agrarische bestemming.

Het Waterschap Aa en Maas is voornemens de RWZI deels te vernieuwen en renoveren. Voor de renovatie van de RWZI zijn (onder andere) grondroerende werkzaamheden (aanleg kabels en leidingen, deellocatie A) voorzien. Voor het bepalen van de arbeidshygiënische risico’s dient de kwaliteit van de bodem bekend te zijn.

Onderdeel van de renovatie van de RWZI is het vervangen van verschillende installaties en/of nieuwbouw van installaties. Voor deze voorgenomen activiteiten is door Witteveen + Bos Raadgevende ingenieurs B.V. een notitie opgesteld waarin de voorgenomen activiteiten beoordeeld zijn op potentiële bodem bedreigendheid.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/5

De activiteiten waarvoor in het kader van het Activiteitenbesluit een nulsituatie-/eindsituatie bodemonderzoek noodzakelijk zijn, betreffen: Deellocatie B) realisatie 2 nieuwe vetvangputten; Deellocatie C) nieuwbouw 3 energiegebouwen Deellocatie D) sloop huidige energiegebouwen; Deellocatie E) nieuwe ijzerchlorideopslag; Deellocatie F) renovatie opstelplaatsen roostergoed en zandcontainers.

Het voornemen bestaat ook om een fysische voorzuivering (deellocatie G) en PACAS installatie (deellocatie H) te realiseren. Voor de beide nieuwbouw locaties dient voor de aanvraag van de Omgevingsvergunning de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vastgesteld te worden. De beide activiteiten worden niet als potentieel bodembedreigend beschouwd.

De onderzoeksopzet is overgenomen uit de notitie van Witteveen+Bos. Ten behoeve van de notitie is door Witteveen+Bos reeds voldoende vooronderzoek uitgevoerd, waardoor voor het onderhavig vooronderzoek achterwege kon blijven. Het uitgevoerde vooronderzoek is opgenomen in bijlage 7. 2.2.3 Bodemopbouw en geohydrologie De onderzoekslocatie ligt in de gemeente Oss. De gemiddelde maaiveldhoogte varieert van circa 2,2 meter +NAP (polder bij Lith) tot circa 15 meter (Herperduin). In onderstaande figuur is de bodemopbouw schematisch weergegeven. Het figuur is gebaseerd op het Digitaal Geologisch Model (DGM).

Het DGM is een regionaal lagenmodel van de Nederlandse ondergrond tot een diepte van ongeveer 500 meter. De bodemlagen in dit deel van de ondergrond bestaan hoofdzakelijk uit onverharde sedimenten, waarin de grondsoorten klei, zand, grind en veen voorkomen. De lagen worden op basis van verschillen in lithologie en andere eigenschappen ingedeeld in lithostratigrafische eenheden. Het DGM is een model van de opbouw en de samenhang (geometrie) van deze lithostratigrafische eenheden. De basis en de top van de eenheden worden in het model door dieptevlakken weergegeven. Uit de rasters van de top en de basis wordt de dikte van de eenheden afgeleid.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/6

BR

Breda

ST

Sterksel

SY

Stramproy

MS

Maassluis

KI

Kiezeloöliet

Zand, zeer fijn tot zeer grof (105 420 µm), kleiig, spoor tot veel schelpgruis en schelpen, spoor tot weinig glauconiethoudend.  Klei en zandige klei, zwak tot sterk siltig.  Schelpenbanken, enkele decimeters tot > 10 meter in dikte De Formatie bestaat uit een complexe opeenvolging van ondiep mariene en in de kustzone gevormde afzettingen. De aanwezigheid van glauconiet is zeer kenmerkend voor de formatie. Over het algemeen bestaan de afzettingen uit:  Zand, zeer fijn tot matig fijn (105 210 µm), siltig, grijsgroen tot zwartgroen, glauconiet- en kalkhoudend.  Klei, sterk zandig tot matig siltig.  Zand, matig grof tot uiterst grof (210 - 2000 µm), zwak tot sterk grindig, kalkloos tot kalkrijk, grijsbruin, roodbonte (rossige) componenten, matig tot sterk glimmerhoudend.  Grind, grijsbruin, roodbonte (rossige) componenten.  Kleilagen, zwak tot uiterst siltig, blauwgrijs tot grijs, kalkloos tot kalkrijk, regelmatig met zeer dunne tot dunne (mm-cm) zandlaagjes. Zand, uiterst fijn tot zeer grof (63 – 420 µm), lichtgrijs, lichtbruin of grijswit, gebleekt, kalkloos tot kalkrijk.  Zand, uiterst fijn tot matig grof (63 300 µm), grijs, overwegend kalkrijk, schelphoudend (mariene schelpen), glimmers.  Klei, grijs tot donkergrijs, vaak siltig, vaak zandig, overwegend kalkrijk, glimmers, schelparm tot schelphoudend (mariene schelpen).

 Zand, zeer fijn tot uiterst grof (105 2000 µm), wit van kleur.  Klei, zwak zandig tot zwak siltig, donkergrijs en bruin van kleur, op veel plaatsen met tot bruinkool ingekoolde veenlagen.  Grind, fijn tot zeer grof (2-63 mm).

Van minder dan 1 m tot meer dan 700 m; sterk variabel.

Dikte varieert van enkele meters tot maximaal ca. 60 m. In Midden en West-Nederland bedraagt de gemiddelde dikte 15 meter.

De dikte varieert van minder dan 1 tot meer dan 100 m. De dikte is sterk variabel en wordt voornamelijk bepaald door de geometrie van het Noordzeebekken ten tijde van de afzetting. De dikte neemt globaal in noordwes-telijke richting toe. Aan de randen van het verbreidingsgebied neemt de dikte af tot enkele tientallen meters. De dikte van de afzettingen varieert van minder dan 1 m tot 200 m. De afzettingen dagzomen in Zuid-Limburg. In de Roerdalslenk ligt de bovenkant van de formatie tussen 150 en 250 m beneden maaiveld.

De algemene stromingsrichting van het grondwater is noordwestelijk. Dit stromingspatroon wordt bepaald door de ondergrondse afstroming van de hoger gelegen gebieden in Noord-Brabant. De stromingsrichting van het freatisch grondwater wordt hoogstwaarschijnlijk beïnvloed door de stand van de nabijgelegen Maas.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/8

2.3

Doelstelling

Het onderzoek heeft tot doel: 

vast te stellen of uit te sluiten dat op de locatie bodemverontreiniging aanwezig is die een belemmering vormt voor het voorgenomen gebruik van de bodem;

vast te stellen wat de voorlopige veiligheidsklassen ten behoeve van de uitvoering van de graafwerkzaamheden zal zijn;

vast te stellen of op de locatie bodemverontreiniging aanwezig is die is toe te wijzen aan de bedrijfsactiviteiten die het RWZI daar heeft uitgevoerd;

het verkrijgen van een toetsingsreferentie voor de eventuele beëindiging van de activiteiten in de toekomst.

2.4

Hypothese

Op basis van de beschikbare gegevens wordt per deellocatie onderstaande de hypothese gesteld: 

Deellocatie A kabels- en leidingentracé, is onverdacht met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging;

Deellocatie B twee nieuwe vetvangputten, zijn verdacht met betrekking tot de aanwezigheid van een bodemverontreiniging met minerale olie;

Deellocatie C drie nieuwe energiegebouwen, zijn potentieel? verdacht met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging met minerale olie en vluchtige minerale olie;

Deellocatie D sloop energiegebouwen, is verdacht met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging met minerale olie en vluchtige minerale olie;

Deellocatie E nieuwe ijzerchlorideopslag, is potentieel? verdacht met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging met ijzer en chloride;

Deellocatie F renovatie opstelplaatsen roostergoed en zandcontainers, is verdacht met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging met zware metalen, minerale olie, PCB en PAK;

Deellocatie G nieuwe fysische voorzuivering en depots, is onverdacht met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging;

Deellocatie H nieuwe PACAS installatie, is onverdacht met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/9

3

UITGEVOERD BODEMONDERZOEK 3.1

Algemeen

De onderzoeksopzet is gemaakt conform de NEN 5740, per deellocatie is de strategie weergegeven. De te verrichten boringen en analyses zijn per deellocatie weergegeven in tabel 2. Na uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn de voorgenomen bouwlocaties voor de deellocaties C en H herzien waardoor ter plaatse van de nieuwe locaties ook onderzoek is uitgevoerd. De aanvullende werkzaamheden zijn ook opgenomen in tabel 2.

Tabel 2: Werkzaamheden per deellocatie Deellocatie verdachte activitei- OppervlakStrategie ten te/ lengte NEN 5740

Boringen

Grond bovengrond: 2 x NEN 5740 + 2 x PFAS ondergrond: 2 x NEN 5740 + 2 x PFAS

Grondwater 2 x NEN 5740

5 x 2,75 m –mv (01 t/m 05*) 1 x peilbuis (06)

ondergrond: 1 x NEN 5740 + 1 x PFAS

1 x NEN 5740

NEN 5740 ONV-L

4 x 2,5 m –mv (12 t/m 15) 1 x peilbuis (16)

1 x NEN 5740

NEN 5740 NUL

2 x 0,5 m –mv (23 en 24) 1 x 2,0 m –mv (25) 1 x peilbuis (8 bestaand) 2 x 0,5 m –mv (27 en 28) 1 x peilbuis (26) 1x 0,5 m –mv (29) 1x 2,0 m –mv (30) 1 x peilbuis (107 bestaand) 1x 0,5 m –mv (34) 1 x peilbuis (33)

bovengrond: 1 x NEN 5740 + 1 x PFAS ondergrond: 2 x NEN 5740 + 2 x PFAS 1 x minerale olie

1 x minerale olie

1 x minerale olie

1 x minerale olie + 1 x minerale olie vluchtig

1 x minerale olie 1x minerale olie vluchtig

1 x minerale olie + 1x minerale olie vluchtig 1 x minerale olie + 1 x minerale olie vluchtig

1 x minerale olie 1x minerale olie vluchtig 1 x minerale olie 1x minerale olie vluchtig

A1

kabels en leidingentracé (ten noorden en oosten van opstelplaatsen roostergoed)

160 m1

NEN 5740 ONV-L

5 x 2,5 m –mv (7 t/m 11) 1 x peilbuis (13 bestaand)

A2

kabels en leidingentracé (retourslibgemaal-west naar retourslibgemaalzuid)

250 m1

NEN 5740 ONV-L

A3

kabels en leidingentracé (amoveren stamriool van influentgemaal)

150 m1

B

twee nieuwe vetvangputten

30 m2 (noordelijk)

30 m2 (zuidelijk) C

drie nieuwe energiegebouwen

< 100 m3 (C1) < 100 m3 (C2) < 100 m3 (C3)

Analyses

NEN 5740 NUL NEN 5740 NUL

NEN 5740 NUL NEN 5740 NUL

2x 0,5 m –mv (85 en 86) 1 x peilbuis (83**)

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

1 x minerale olie

CB/18301/10

< 100 m3 (C4) < 100 m3 (C5) D

sloop energiegebouwen

< 100 m2 (D1)

NEN 5740 NUL

1x 0,5 m –mv (32) 1 x peilbuis (31)

NEN 5740 NUL

1x 0,5 m –mv (70) 1 x peilbuis (69)

NEN 5740 VEP

2 x 0,5 m –mv (36 en 37) 1 x peilbuis (35) 1 x 0,5 m –mv (84***) 1 x peilbuis (83) 2 x 0,5 m –mv (41 en 43) 1 x peilbuis (42) 11 x 0,5 m –mv (71, 73 t/m 79, 81 en 82) 1 x peilbuis (4 bestaand) 13 x 0,5 m –mv (44, 45, 46, 48 t/m 52, 54, 57, 60, 61 en 62) 4 x 3,0 m –mv (53, 55, 58 en 59) 2 x peilbuis (47 en 56) 2 x 0,5 m –mv (63 en 65) 1 x 2,0 m –mv (64) 1 x peilbuis (13 bestaand) 2 x 0,5 m –mv (67 en 68) 1 x peilbuis (66)

< 100 m2 (D2)

NEN 5740 VEP

E

nieuwe ijzerchlorideopslag

< 100 m2

NEN 5740 NUL

F

renovatie opstelplaatsen roostergoed en zandcontainers

2.000 m2

NEN 5740 VEP

G

nieuwe fysische voorzuivering en depots

7.500 m2

NEN 5740 ONV

H

nieuwe PACAS installatie

< 100 m2

NEN 5740 ONV

< 100 m2

NEN 5740 ONV

1 x minerale olie + 1 x minerale olie vluchtig 1 x minerale olie + 1 x minerale olie vluchtig 1 x minerale olie + 1 x minerale olie vluchtig 1 x minerale olie

1 x ijzer + 1 x chloride

1 x minerale olie 1x minerale olie vluchtig 1 x minerale olie 1x minerale olie vluchtig 1 x minerale olie + 1x minerale olie vluchtig 1 x minerale olie + 1x minerale olie vluchtig 1 x ijzer + 1 x chloride

3 x NEN 5740

1 x NEN 5740

bovengrond: 3 x NEN 5740 + 3 x PFAS ondergrond: 2 x NEN 5740 + 2 x PFAS

2 x NEN 5740

bovengrond: 1 x NEN 5740 + 1 x PFAS ondergrond: 1 x NEN 5740 + 1 x PFAS bovengrond: 1 x NEN 5740 + 1 x PFAS ondergrond: 1 x NEN 5740 + 1 x PFAS

1 x NEN 5740

1 x NEN 5740

*) in verband met de aanwezige kabels en leidingen was het niet mogelijk om de betreffende boringen te verrichten. **) de peilbuis is gecombineerd met deellocatie D. ***) conform de onderzoeksstrategie hadden 2 boringen tot 0,5 meter –mv moeten worden verricht, echter door de aanwezige kabels en leidingen was het niet mogelijk om meer dan 1 boring te verrichten. Voor de analyses op minerale olie vluchtig zijn behulp van een steekbus grondmonsters genomen van de ongeroerde bodemlaag.

Voor het berekenen van de gestandaardiseerde meetwaarden zijn van de grond(meng)monsters tevens de percentages aan lutum en/of organisch stof bepaald.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/11

3.2

Veldwerkzaamheden

De veldwerkzaamheden, te weten het uitvoeren van de boringen, het plaatsen van de peilbuizen, het bemonsteren van de grond en van het grondwater en de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters, zijn uitgevoerd volgens de methoden zoals aangegeven in de relevante NPRen NEN-normen zoals beschreven in de beoordelingsrichtlijn “Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodemonderzoek” [2]. De situering van de boringen is opgenomen in bijlage 3. Alle boringen zijn op 6, 7, 12, 14 en 25 mei, 29 juni en 9, 15 en 27 juli 2020 met handkracht uitgevoerd. Het grondwater is op 15 en 17 juni en 27 juli 2020 bemonsterd. De troebelheid (NTU), pH en de geleidbaarheid (Ec) van het grondwater zijn in het veld bepaald. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat VB-002. De boorwerkzaamheden en grondwatermonstername zijn uitgevoerd door de heer R. Reinders en de heer R.J. van der Laan. 3.3

Laboratoriumwerkzaamheden

De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters zijn uitgevoerd door een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium. Voor de toegepaste analysemethoden wordt verwezen naar bijlage 5.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/12

4

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE De verontreinigingssituatie van de vaste bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes aan de achtergrond- en interventiewaarde [3 & 4]. De streefwaarden voor grond zijn per 1 oktober 2008 vervangen door de achtergrondwaarden (AW2000), deze zijn vastgesteld in de Regeling bodemkwaliteit [5]. De achtergrondwaarden zijn landelijk vastgesteld en worden in het Besluit bodemkwaliteit als volgt gedefinieerd: Achtergrondwaarden: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gehaltes aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. In gemeenten die beschikken over een bodemkwaliteitskaart kan bij een overschrijding van de achtergrondwaarde getoetst worden aan de P90-waarde. Deze geeft een regionaal vastgestelde verhoogde achtergrondwaarde aan. Bij hergebruik van vrijkomende grond binnen de bodemkwalitietskaart dient het verkennend bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel/voorinformatie beschouwd te worden, maar kan niet als een erkend bewijsmiddel dienen. De bodemkwaliteitskaart vormt het erkende bewijsmiddel conform de Regeling bodemkwaliteit. Het grondwater wordt getoetst aan de streef- en interventiewaarden. De streef- en interventiewaarden voor grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2013 [3].

De streefwaarden geven het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de bodem aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de vaste bodem en het grondwater hebben voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een “geval van ernstige bodemverontreiniging” te spreken dient voor ten minste één stof het gemiddelde gehalte van minimaal 25 m³ grond of 100 m³ grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. In bijzondere situaties, zoals bij volkstuinen en bij kruipruimten, kan reeds bij een geringere omvang en bij gehaltes beneden de interventiewaarden sprake zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Op grond van de daadwerkelijk optredende blootstelling aan de verontreiniging dient bekeken te worden of onaanvaardbare risico’s voor mensen en/of ecosystemen optreden.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/13

Uit de NEN 5740 [1] kan het volgende worden afgeleid. De interpretatie van de onderzoeksresultaten en de noodzaak tot het uitvoeren van vervolgonderzoek hangen voor een belangrijk deel af van de aanleiding en doelstelling van het onderzoek en de ‘gevoeligheid’ van het gebruik en de bestemming van de locatie. Ook de onderzoeksinspanning van het vervolgonderzoek wordt voor een belangrijk deel hierdoor bepaald. Bij overschrijding van de interventiewaarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de spoedeisendheid te bepalen.

De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of organisch stofgehalte van de bodem. Bij de berekening van de gestandaardiseerde meetwaarden voor de vaste bodem is uitgegaan van gemeten lutum- en organisch stofgehaltes. De gestandaardiseerde meetwaarden zijn bepaald met behulp van BoToVa. De gestandaardiseerde meetwaarden en de toetsing aan de achtergrond- en interventiewaarden zijn opgenomen in bijlage 6.

Bij de interpretatie van de toetsingsresultaten is uitgegaan van de BodemIndex (BI) BodemIndex (BI) = (gestandaardiseerde meetwaarde - AW) / (IW - AW) AW = achtergrondwaarde (grond) of streefwaarde (grondwater) IW = interventiewaarde BodemIndex < 0:

gestandaardiseerde meetwaarde < AW

BodemIndex = 0:

gestandaardiseerde meetwaarde = AW

0 < BodemIndex < 0,5:

gestandaardiseerde meetwaarde > AW maar < Tussenwaarde

BodemIndex = 0,5:

gestandaardiseerde meetwaarde = Tussenwaarde

0,5 < BodemIndex < 1:

gestandaardiseerde meetwaarde > Tussenwaarde maar < IW

BodemIndex = 1,0:

gestandaardiseerde meetwaarde = IW

BodemIndex > 1: gestandaardiseerde meetwaarde > IW NB: De BodemIndex heeft geen wettelijk kader en heeft slechts de functie van hulpmiddel bij de interpretaties van de toetsingsresultaten. De Tussenwaarde heeft eveneens geen wettelijk kader, maar wordt veelal toegepast als een signaalwaarde om tot aanvullend onderzoek over te gaan

De BodemIndex per analyseresultaat is eveneens weergegeven in de tabellen in bijlage 6.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/14

5

RESULTATEN 5.1

Zintuiglijke waarnemingen

Voor de boorprofielbeschrijvingen wordt verwezen naar bijlage 4. De bodem kent vanaf maaiveld minimaal tot het diepste punt van de boringen, circa 3,80 meter –mv, een gevarieerde bodemopbouw uit zand, dan wel klei. De oorzaak hiervoor kan gevonden worden in de ligging nabij de rivier de Maas.

Tijdens de uitvoering van het veldwerk zijn bij een aantal boringen bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen. Hierbij is ook gelet op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. De betreffende boringen en bijmengingen zijn opgenomen in tabel 3.

Tabel 3: Overzicht bijmengingen per boring boring 06 07 08 09 10 27 29 30 33 46 47 52 53 58 63 65 70 72 73 78 80 81

traject (m-mv) 1,00 – 1,20 1,00 – 2,00 0,00 – 0,50 0,50 – 0,80 0,50 – 1,00 0,50 – 1,10 0,08 – 0,50 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 1,10 – 1,30 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 0,60 – 1,00 0,00 – 0,50 0,50 – 1,30 0,50 – 1,00 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 0,00 – 1,00 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50

samenstelling klei klei zand klei klei zand klei klei zand zand klei klei klei klei zand zand klei klei klei klei klei klei

bijmengingen sterk kolengruis sporen baksteen sterk metselpuin en sterk beton matig metselpuin en matig beton zwak kolengruis zwak kolengruis zwak beton zwak metselpuin zwak slakken, sporen baksteen en zwak metselpuin sterk baksteen en sterk kolengruis sporen metselpuin sporen baksteen zwak baksteen en matig metselpuin sporen baksteen en sporen kolengruis matig baksteen en sterk asfalt zwak baksteen en zwak kolengruis sporen metselpuin sporen baksteen en zwak metselpuin zwak beton sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen

Opgemerkt wordt dat de bijmengingen met baksteen, kolengruis en/of asfalt niet als asbestverdacht beschouwd hoeven te worden. De bijmengingen met metselpuin en beton worden wel als asbestverdacht beschouwd. Geadviseerd wordt om ter plaatse van de boringen met bijmengingen aan metselpuin en beton een asbest in grond onderzoek uit te voeren.

De grondwaterstand bevond zich tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden op een diepte van circa 1,70 meter –mv.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/15

5.2

Analyseresultaten en bodemkwaliteit

De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn opgenomen in bijlage 5; de analyseen toetsingsresultaten zijn samengevat in de tabellen 4 en 5.

Tabel 4: Toetsingsresultaten grond monster

deelmonsters

traject bijmengingen >achtergrondm-mv waarde A1) kabels en leidingentracé (ten noorden en oosten van opstelplaatsen roostergoed) MMA1a 07: 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 09: 0,00 – 0,50 10: 0,00 – 0,50 11: 0,00 – 0,50 MMA1b 07: 1,00 – 1,50 0,50 – 2,00 sporen baksteen, 07: 1,50 – 2,00 zwak kolengruis 09: 0,50 – 1,00 10: 0,50 – 1,00 MMA1c 07: 2,00 – 2,50 1,00 – 2,50 08: 1,00 – 1,50 09: 2,00 – 2,50 10: 1,50 – 2,00 10: 2,00 – 2,50 11: 1,00 – 1,50 11: 1,50 – 1,75 A2) kabels en leidingentracé (retourslibgemaal-west naar retourslibgemaal-zuid) MMA2.1 06: 1,00 – 1,20 1,00 – 1,20 sterk kolengruis kobalt (0,00)* A3) kabels en leidingentracé (amoveren stamriool van influentgemaal) MMA3a 13: 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 14: 0,00 – 0,40 15: 0,00 – 0,50 MMA3.1 16: 0,50 – 1,00 0,50 – 2,00 kobalt (0,01) 16: 1,00 – 1,40 16: 1,50 – 2,00 MMA3.2 13: 0,50 – 1,00 0,40 – 2,30 13: 1,30 – 1,70 13: 1,70 – 2,20 14: 0,40 – 0,90 14: 1,80 – 2,30 15: 0,50 – 1,00 15: 1,00 – 1,50 MMA3.3 15: 2,20 – 2,70 2,20 – 4,70 15: 3,20 – 3,70 15: 4,20 – 4,70 14: 2,70 – 3,20 14: 3,70 – 4,20 14: 4,20 – 4,70 B1) noordelijke nieuwe vetvangput MMB1 23: 0,08 – 0,50 0,08 – 0,50 24: 0,08 – 0,50 25: 0,08 – 0,50 B2) zuidelijke nieuwe vetvangput MMB2 26: 0,08 – 0,50 0,08 – 0,50 zwak beton 27: 0,08 – 0,50 28: 0,08 – 0,50 C1) nieuwe energiegebouw MMC1 29: 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 zwak slakken, 30: 0,00 – 0,50 sporen baksteen, zwak metselpuin

>interventiewaarde

maatgevende gehaltes PFAS **/***

-

PFOSsom = 4,6 (NT) PFOAsom = 1,0 (AW)

-

PFOSsom = 0,1 (AW) PFOAsom = 0,1 (AW)

-

PFOSsom = 0,1 (AW) PFOAsom = 0,1 (AW)

-

-

-

PFOSsom = 0,1 (AW) PFOAsom = 0,1 (AW)

-

-

-

PFOSsom = 0,1 (AW) PFOAsom = 0,1 (AW)

-

PFOSsom = 0,1 (AW) PFOAsom = 0,1 (AW)

-

-

-

-

-

-

M1 30: 1,70 – 1,90 C2) nieuwe energiegebouw M1 33: 2,60 – 2,80 M2 33: 0,00 – 0,50

1,70 – 1,90

-

-

-

-

2,60 – 2,80 0,00 – 0,50

-

-

-

-

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/16

C3) nieuwe energiegebouw MMC100 83: 0,00 – 0,15 0,00 – 0,50 85: 0,00 – 0,50 86: 0,00 – 0,50 M83-2A 83: 1,90 – 2,10 1,90 – 2,10 C4) nieuwe energiegebouw MMC2 31: 3,00 – 3,20 3,00 – 3,20 MMC3 32: 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 C5) nieuwe energiegebouw MC69 69: 1,70 – 1,50 1,70 – 1,50 MMC 69: 0,00 – 0,25 0,00 – 0,50 70: 0,00 – 0,50 D1) sloop energiegebouw MMD1 35: 2,30 – 2,50 2,30 – 2,50 MMD2 35: 0,08 – 0,40 0,08 – 0,50 36: 0,08 – 0,50 37: 0,08 – 0,50 D2) sloop energiegebouw MMD100 84: 0,00 – 0,40 0,00 – 0,40 E) nieuwe ijzerchlorideopslag MME1 41: 0,08 – 0,50 0,08 – 0,60 42: 0,10 – 0,60 43: 0,08 – 0,50 F) renovatie opstelplaatsen roostergoed en zandcontainers FMM1 72: 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 sporen baksteen 75: 0,00 – 0,50 80: 0,00 – 0,50 81: 0,00 – 0,50 FMM2 71: 0,15 – 0,50 0,08 – 0,50 79: 0,08 – 0,50 82: 0,08 – 0,50 FMM3 73: 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 sporen baksteen 78: 0,00 – 0,50 G) nieuwe fysische voorzuivering en depots MMG1 44: 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 sporen baksteen 45: 0,00 – 0,50 48: 0,00 – 0,50 46: 0,00 – 0,50 49: 0,00 – 0,30 MMG2 50: 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 51: 0,00 – 0,50 54: 0,00 – 0,50 53: 0,00 – 0,50 55: 0,00 – 0,50 59: 0,00 – 0,50 60: 0,00 – 0,50 61: 0,00 – 0,50 62: 0,00 – 0,50 MMG3 52: 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 sporen baksteen, 57: 0,00 – 0,50 sporen kolengruis MMG4 53: 1,30 – 1,50 0,50 – 2,00 matig baksteen, 58: 0,50 – 1,00 sterk asfalt, zwak 55: 1,50 – 2,00 kolengruis

MMG5 53: 0,50 – 1,00 0,50 – 1,50 55: 0,50 – 1,00 56: 0,50 – 1,00 56: 1,00 – 1,50 58: 1,00 – 1,50 59: 0,50 – 1,00 59: 1,00 – 1,50 H1) nieuwe PACAS installatie MMH1 63: 0,50 – 1,00 0,50 – 1,00 sporen metsel65: 0,50 – 1,00 puin, sporen baksteen

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

ijzer (3700 mg/kg d.s.)

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

PFOS = 2,3 (W/I) PFOA = 0,5 (AW)

kobalt (0,00)*

-

PFOS = 1,1 (AW) PFOA = 0,5 (AW)

-

-

-

-

PFOS = 2,6 (W/I) PFOA = 0,7 (AW) PFOS = 1,2 (AW) PFOA = 0,2 (AW)

-

-

PFOS = 0,4 (AW) PFOA = 0,1 (AW)

zink (0,00)*

-

PFOS = 2,0 (W/I) PFOA = 0,4 (AW)

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/17

MMH2

64: 0,90 – 1,40 64: 1,40 – 1,90 64: 2,00 – 2,50

0,90 – 2,50

-

kobalt (0,01)

-

PFOS = 0,5 (AW) PFOA = 0,2 (AW)

H2) nieuwe PACAS installatie M3

M4

66: 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 cadmium (0,01) PFOS = 19 (NT) 67: 0,00 – 0,50 zink (0,04) PFOA = 1,5 (AW) 68: 0,00 – 0,50 66: 0,50 – 1,00 0,50 – 2,00 kobalt (0,02) PFOS = 0,3 (AW) 66: 1,10 – 1,50 nikkel (0,00)* PFOA = 0,2 (AW) 66: 1,50 – 2,00 (xxx) bodemindex * betreft minimale overschrijding van de achtergrondwaarde ** gehaltes in µg/kg.ds *** Indicatieve toetsing aan Regeling bodemkwaliteit voor PFAS: AW: voldoet aan Achtergrondwaarde, vrij toepasbaar W/I: voldoet aan maximale waarde voor bodemkwaliteitsklasse Wonen en Industrie NT: niet toepasbaar

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/18

Tabel 5: Toetsingsresultaten grondwater monster

filterstelpH Ec in µS/cm troebel>streefwaarde ling heid (NTU) m-mv A1) kabels en leidingentracé (ten noorden en oosten van opstelplaatsen roostergoed) PB31 3,90 – 4,90 6,82 187 17,54 A2) kabels en leidingentracé (retourslibgemaal-west naar retourslibgemaal-zuid) M11 PB06 3,20 – 4,20 6,94 384 192 barium (0,03) A3) kabels en leidingentracé (amoveren stamriool van influentgemaal) M10 PB16 2,00 – 3,00 6,95 150 16,36 B1) noordelijke nieuwe vetvangput M1 PBB08 0,00 – 0,00 6,96 202 13,95 B2) zuidelijke nieuwe vetvangput M4 PB26 3,30 – 4,30 6,94 201 186 C1) nieuwe energiegebouw M3 PBB107 1,40 – 2,40 6,99 440 106 C2) nieuwe energiegebouw PB33 3,20 – 4,20 6,71 754 56 C3) nieuwe energiegebouw PB83 2,50 – 3,50 6,35 390 10,23 C4) nieuwe energiegebouw M9 PB31 3,90 – 4,90 6,94 187 17,54 C5) nieuwe energiegebouw PB69 2,30 – 3,30 6,62 734 17,2 D1) sloop energiegebouw M8 PB35 2,80 – 3,80 6,92 188 3,75 D2) sloop energiegebouw PB83 2,50 – 3,50 6,35 390 10,23 E) nieuwe ijzerchlorideopslag M7 PB42 2,50 – 3,50 6,93 396 63 F) renovatie opstelplaatsen roostergoed en zandcontainers PBB4 5,00 – 6,00 6,12 417 3,67 G) nieuwe fysische voorzuivering en depots M6 PB47 2,50 – 3,50 6,93 165 20,11 M5 PB56 2,30 – 3,30 6,94 95 3,35 H1) nieuwe PACAS installatie M2 PBB13 4,00 – 5,00 6,92 534 3,75 barium (0,03) H2) nieuwe PACAS installatie PB66 4,80 – 5,80 6,75 761 80 barium (0,17) vinylchloride (0,17) 1,

2-Dichloorethenen (0,14) (xxx) bodemindex

>interventiewaarde

-

* De pH en de Ec hebben, voor deze regio, normale waarden. **Verondersteld wordt dat het water in de bodem van nature een troebelheid van 0 – 10 NTU heeft. Een troebelheid hoger dan 10 NTU is niet bezwaarlijk maar kan bij de interpretatie van de analyseresultaten worden gebruikt. Een verhoogde NTU kan leiden tot een overschatting van organische parameters en zware metalen. De verhoogde troebelheid hangt waarschijnlijk samen met het feit dat het grondwater slecht toestroomt en de aanwezigheid van onoplosbare bestanddelen in het grondwater. Aangezien maximaal licht verhoogde gehaltes (aan anorganische parameters) zijn aangetoond, en de NTU van 10 geen normatieve grens is, bestaat geen aanleiding het grondwater opnieuw te bemonsteren.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/19

6

INTERPRETATIE, CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek, nulsituatie en eindsituatie onderzoek uitgevoerd op het perceel Parallelstraat 1 te Oijen, kadastraal bekend als gemeente Oijen, sectie E, nummer 375, blijken de onderstaande resultaten.

A1) kabels en leidingentracé (ten noorden en oosten van opstelplaatsen roostergoed) Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn in de bovengrond van boring 8 bijmengingen met metselpuin en beton aangetroffen waardoor de bodem ter plaatse verdacht is op het voorkomen van asbest.

Uit de resultaten blijkt dat zowel in boven- als ondergrond (MMA1A, MMA1B en MMA1C) voor de geanalyseerde milieukundige parameters geen verhoogde gehaltes ten opzichte van de achtergrondwaarde zijn gemeten. Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat de bovengrond, indicatief getoetst aan Regeling bodemkwaliteit, door het gehalte aan PFOS, als zijnde niet toepasbaar beschouwd dient te worden. Geadviseerd wordt om de bovengrond na aanleg van de leidingen weer terug te plaatsen in de ontgraving. Indien dit niet mogelijk is dient de grond afgevoerd te worden naar een erkende verwerker.

De bodemkwaliteit van de ondergrond ter plaatse van het onderzoekstracé voldoet op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit aan de klasse Achtergrondwaarde.

In het grondwater (PB31) zijn, voor de geanalyseerde parameters, geen verhoogde gehaltes ten opzichte van de streefwaarde aangetoond.

De werkzaamheden ter plaatse kunnen worden uitgevoerd onder de basishygiëne volgens CROW 400.

Op basis van deze resultaten dient de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.4, in principe verworpen te worden. De gevolgde strategie is echter als voldoende te beschouwen.

Met betrekking tot het aangetroffen metselpuin en beton in boring 8 wordt geadviseerd om een asbest in grond onderzoek uit te voeren. Voor het overig deel van de deellocatie is het uitvoeren van een aanvullend of nader onderzoek niet zinvol.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/20

A2) kabels en leidingentracé (retourslibgemaal-west naar retourslibgemaal-zuid) Uit de resultaten blijkt dat de kolengruishoudende ondergrond (MMA2.1) licht verontreinigd is met kobalt. De aangetroffen lichte verontreiniging hangt waarschijnlijk samen met de aanwezige bijmengingen in de grond. Het licht verhoogde gehalte in de ondergrond is dermate laag dat geen aanleiding bestaat voor het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek.

De bovengrond is vanwege de vele kabels en leidingen niet onderzocht. Geadviseerd wordt om de bovengrond bij buiten gebruik stelling van de kabels en leidingen alsnog te laten onderzoeken op milieukundige parameters en PFAS.

In het grondwater (PB06) is een licht verhoogde concentratie aan barium aangetoond. Licht verhoogde gehaltes aan barium kunnen van nature in het grondwater voorkomen en duiden niet op een noemenswaardige verontreiniging. Omdat voor de aanwezigheid van het licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater geen antropogene bron/oorzaak gevonden is, wordt het barium niet als een verontreiniging beschouwd.

De werkzaamheden ter plaatse kunnen worden uitgevoerd onder de basishygiëne volgens CROW 400.

Op basis van deze resultaten dient de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.4, in principe verworpen te worden. De gevolgde strategie is echter als voldoende te beschouwen. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, niet zinvol. Tegen de voorgenomen werkzaamheden op de deellocatie zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren.

A3) kabels en leidingentracé (amoveren stamriool van influentgemaal) Uit de resultaten blijkt dat in de bovengrond (MMA3A) voor de geanalyseerde milieukundige parameters geen verhoogde gehaltes ten opzichte van de achtergrondwaarde zijn gemeten. In de ondergrond (MMA3.1) is plaatselijk een licht verhoogd gehalte kobalt aangetoond. Voor het aangetoonde licht verhoogde gehalte aan kobalt is geen eenduidige oorzaak aan te wijzen.

In de overige ondergrondmengmonsters (MMA3.2 en MMA3.3) zijn voor de geanalyseerde milieukundige parameters geen verhoogde gehaltes ten opzichte van de achtergrondwaarde zijn gemeten.

In zowel de boven- als ondergrond overschrijden de gehaltes aan PFAS de achtergrondwaarde, zoals is vastgesteld in de geactualiseerde gewijzigde handelskader niet.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/21

In het grondwater (PB16) zijn voor de geanalyseerde parameters geen verhoogde gehaltes ten opzichte van de streefwaarde gemeten.

De werkzaamheden ter plaatse kunnen worden uitgevoerd onder de basishygiëne volgens CROW 400.

Op basis van deze resultaten dient de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.4, in principe verworpen te worden. De gevolgde strategie is echter als voldoende te beschouwen. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, niet zinvol. Tegen de voorgenomen werkzaamheden op de deellocatie zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren.

B1) noordelijke nieuwe vetvangput Uit de resultaten blijkt dat de bovengrond (MMB1) ter plaatse van de nieuwe vetvangput geen verhoogd gehalte aan minerale olie bevat ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater (PBB08) bevat geen verhoogd gehalte aan minerale olie ten opzichte van de streefwaarde.

De nulsituatie is hiermee vastgelegd. Indien de activiteiten in de toekomst worden beëindigd dient een eindsituatie onderzoek plaats te vinden waarvoor het onderhavig rapport als toetsingsreferentie dient.

B2) zuidelijke nieuwe vetvangput Uit de resultaten blijkt dat de bovengrond (MMB2) ter plaatse van de nieuwe vetvangput geen verhoogd gehalte aan minerale olie bevat ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater (PB26) bevat geen verhoogd gehalte aan minerale olie ten opzichte van de streefwaarde.

De nulsituatie is hiermee vastgelegd. Indien de activiteiten in de toekomst worden beëindigd dient een eindsituatie onderzoek plaats te vinden waarvoor het onderhavig rapport als toetsingsreferentie dient.

C1) nieuwe energiegebouw Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn in de grond van boringen 29 en 30 bijmengingen met metselpuin aangetroffen waardoor de bodem ter plaatse verdacht is op het voorkomen van asbest.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/22

Uit de resultaten blijkt dat zowel de boven- (MMC1) als de ondergrond (M1, steekbus) ter plaatse van de geplande locatie voor het nieuwe energiegebouw geen verhoogde gehaltes aan minerale olie en vluchtige minerale olie bevatten ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater (PBB107) bevat geen verhoogd gehaltes aan minerale olie en vluchtige minerale olie ten opzichte van de streefwaarde.

De nulsituatie is hiermee vastgelegd. Indien de activiteiten in de toekomst worden beëindigd dient een eindsituatie onderzoek plaats te vinden waarvoor het onderhavig rapport als toetsingsreferentie dient. Ten aanzien van de aangetroffen bijmengingen met metselpuin in de boringen 29 en 30 wordt geadviseerd een asbest in grond onderzoek uit te voeren.

C2) nieuwe energiegebouw Uit de resultaten blijkt dat zowel de boven- (M2) als de ondergrond (M1, steekbus) ter plaatse van de geplande locatie voor het nieuwe energiegebouw geen verhoogde gehaltes aan minerale olie en vluchtige minerale olie bevatten ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater (PB33) bevat geen verhoogd gehaltes aan minerale olie en vluchtige minerale olie ten opzichte van de streefwaarde.

De nulsituatie is hiermee vastgelegd. Indien de activiteiten in de toekomst worden beëindigd dient een eindsituatie onderzoek plaats te vinden waarvoor het onderhavig rapport als toetsingsreferentie dient.

C3) nieuwe energiegebouw Uit de resultaten blijkt dat zowel de boven- (MMC100) als de ondergrond (M83-2A, steekbus) ter plaatse van de geplande locatie voor het nieuwe energiegebouw geen verhoogde gehaltes aan minerale olie en vluchtige minerale olie bevatten ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater (PB83) bevat geen verhoogd gehaltes aan minerale olie en vluchtige minerale olie ten opzichte van de streefwaarde.

De nulsituatie is hiermee vastgelegd. Indien de activiteiten in de toekomst worden beëindigd dient een eindsituatie onderzoek plaats te vinden waarvoor het onderhavig rapport als toetsingsreferentie dient.

C4) nieuwe energiegebouw Uit de resultaten blijkt dat zowel de boven- (MMC3) als de ondergrond (MMC2, steekbus) ter plaatse van de geplande locatie voor het nieuwe energiegebouw geen verhoogde gehaltes aan minerale olie

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/23

en vluchtige minerale olie bevatten ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater (PB31) bevat geen verhoogd gehaltes aan minerale olie en vluchtige minerale olie ten opzichte van de streefwaarde.

De nulsituatie is hiermee vastgelegd. Indien de activiteiten in de toekomst worden beëindigd dient een eindsituatie onderzoek plaats te vinden waarvoor het onderhavig rapport als toetsingsreferentie dient.

C5) nieuwe energiegebouw Uit de resultaten blijkt dat zowel de boven- (MMCB) als de ondergrond (MMC69, steekbus) ter plaatse van de geplande locatie voor het nieuwe energiegebouw geen verhoogde gehaltes aan minerale olie en vluchtige minerale olie bevatten ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater (PB69) bevat geen verhoogd gehaltes aan minerale olie en vluchtige minerale olie ten opzichte van de streefwaarde.

De nulsituatie is hiermee vastgelegd. Indien de activiteiten in de toekomst worden beëindigd dient een eindsituatie onderzoek plaats te vinden waarvoor het onderhavig rapport als toetsingsreferentie dient.

D1) sloop energiegebouw Uit de resultaten blijkt dat zowel de boven- (MMD2) als de ondergrond (MMD1, steekbus) ter plaatse van het te slopen energiegebouw geen verhoogde gehaltes aan minerale olie en vluchtige minerale olie bevatten ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater (PB35) bevat geen verhoogde concentraties aan minerale olie en vluchtige minerale olie ten opzichte van de streefwaarde.

De eindsituatie is hiermee vastgelegd. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, niet zinvol.

D2) sloop energiegebouw Uit de resultaten blijkt de bovengrond (MMD100) ter plaatse van het te slopen energiegebouw geen verhoogd gehalte aan minerale olie bevat ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater (PB83) bevat geen verhoogde concentraties aan minerale olie en vluchtige minerale olie ten opzichte van de streefwaarde.

De eindsituatie is hiermee vastgelegd. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, niet zinvol.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/24

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/25

E) nieuwe ijzerchlorideopslag Uit de resultaten blijkt dat de bovengrond (MME1) ter plaatse van de geplande locatie voor de nieuwe ijzerchlorideopslag geen verhoogd gehalte ten opzichte van de achtergrondwaarde aan chloride bevat. Het gehalte aan ijzer bedraagt 3.700 mg/kg d.s. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aan chloride en ijzer ten opzichte van de streefwaarde gemeten.

De nulsituatie is hiermee vastgelegd. Indien de activiteiten in de toekomst worden beëindigd dient een eindsituatie onderzoek plaats te vinden waarvoor het onderhavig rapport als toetsingsreferentie dient.

F) renovatie opstelplaatsen roostergoed en zandcontainer Uit de resultaten blijkt dat zowel in de baksteenhoudende bovengrond (FMM1 en FMM3) als in de zintuiglijk schone bovengrond (FMM2) voor de geanalyseerde parameters van het standaardpakket geen verhoogde gehaltes ten opzichte van de achtergrondwaarde zijn gemeten.

In het grondwater (PBB4) zijn voor de geanalyseerde parameters geen verhoogde concentraties ten opzichte van de streefwaarde aangetoond.

Op basis van deze resultaten kan de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.4, in principe worden aanvaard. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, niet zinvol. Tegen voorgenomen renovatie van de opstelplaatsen roostergoed en zandcontainers zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren.

G) nieuwe fysische voorzuivering en depots Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn in boring 47 bijmengingen met metselpuin aangetroffen waardoor de bodem ter plaatse verdacht is op het voorkomen van asbest.

Uit de resultaten blijkt dat in de bijmenginghoudende bovengrond (MMG1 en MMG3) voor de geanalyseerde parameters van het standaardpakket geen verhoogde gehaltes ten opzichte van de achtergrondwaarde zijn gemeten. De zintuiglijk schone bovengrond (MMG2) is licht verontreinigd met kobalt. Voor het aangetoonde licht verhoogde gehalte aan kobalt is geen eenduidige oorzaak aan te wijzen.

In de bijmenginghoudende ondergrond (MMG4 en MMG5) zijn voor de geanalyseerde parameters van het standaardpakket geen verhoogde gehaltes ten opzichte van de achtergrondwaarde gemeten.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/26

Het gehalte aan PFAS in de bovengrond overschrijdt de achtergrondwaarde, waardoor de bovengrond indicatief getoetst aan de Regeling Bodemkwaliteit voldoet aan klasse wonen/ industrie. In de ondergrond overschrijden de gehaltes aan PFAS de achtergrondwaarde niet waardoor de ondergrond vrij toepasbaar is.

In het grondwater (PB47 en PB56) zijn voor de geanalyseerde parameters geen verhoogde concentraties ten opzichte van de streefwaarde aangetoond.

Op basis van deze resultaten dient de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.4, in principe verworpen te worden. De gevolgde strategie is echter als voldoende te beschouwen.

Met betrekking tot het aangetroffen metselpuin in boring 47 wordt geadviseerd om een asbest in grond onderzoek uit te voeren. Voor het overig deel van de deellocatie is het uitvoeren van een aanvullend of nader onderzoek niet zinvol.

H1) nieuwe PACAS installatie Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn in de bovengrond van boring 65 bijmengingen met metselpuin aangetroffen, waardoor de bodem ter plaatse verdacht is op het voorkomen van asbest.

Uit de resultaten blijkt de bijmenginghoudende bovengrond (MMH1) een licht verhoogd gehalte aan zink bevat. Het aangetroffen licht verhoogde gehalte aan zink in de bovengrond hangt waarschijnlijk samen met de aanwezige bijmengingen in de grond. De zintuiglijk schone ondergrond is licht verontreinigd met kobalt. Voor het aangetoonde licht verhoogde gehalte aan kobalt is geen eenduidige oorzaak aan te wijzen.

Het gehalte aan PFAS in de bovengrond overschrijdt de achtergrondwaarde, waardoor de bovengrond indicatief getoetst aan de Regeling Bodemkwaliteit voldoet aan klasse wonen/ industrie. In de ondergrond overschrijden de gehaltes aan PFAS de achtergrondwaarde niet waardoor de ondergrond vrij toepasbaar is.

In het grondwater (PBB13) ter plaatse is een licht verhoogde concentratie aan barium aangetoond. Licht verhoogde gehaltes aan barium kunnen van nature in het grondwater voorkomen en duiden niet op een noemenswaardige verontreiniging. Omdat voor de aanwezigheid van het licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater geen antropogene bron/oorzaak gevonden is, wordt het barium niet als een verontreiniging beschouwd.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/27

Op basis van deze resultaten dient de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.4, in principe verworpen te worden. De gevolgde strategie is echter als voldoende te beschouwen.

Met betrekkin to h t aangetrof en metselpuin in b ri g 65

ordt geadv se rd m een asbest in

grond nde zo k uit t voe en. Voor h t ov rig de l van de de ll cat e is het itv ere van een aa ullen of nader onde zoek ni

zi vol.

2) ni uwe PACAS i sta la ie Uit de esulta en li kt dat de oven rond M3) licht ver nt ein gd is m t admiu d rgron is licht ver ntr inigd aan zwa e

e zink. De o -

et kobalt n ni kel Voor het a ngetoo de lichte verontr ini ingen

etal n is geen enduidi e o rz ak aan

wi zen.

De b vengrond, ndicatie ge oetst aa Regeling bodem walit it, ien door h t g halt aa PFAS ls z jnde niet oepasbaar be chouwd e word n. Indien de oven ro d n et i het werk ter gge racht an wo de dien de grond af evoerd te w rde naar een er erker. De bode kwa it it van de ndergro d oldoe op bas s van een i dicatiev to tsi g aan h t Besluit bode kwa it it aan de klasse Achtergr

dwa rde.

Het rondwa er (PB66 is licht ver ntr inigd m t barium, vin lc lor de en 1,2 –dichlo reth ne . Voor de a ngetoo de lichte verontr in ging n is geen enduidi e o rz ak aan

w jzen.

Op basi van deze esult te dient de ypoth se, zoal v rwoord in para ra f 2.4, i principe er worpen e orden. D gevolgde st ategie is chter als vo doende te b

ho wen.

De a ngetoonde verontr in ginge i grond en rond ater zi n de mat laa dat geen anleidi g be taa voor het uit oer n van een an ullen of nader bodem nderz ek. Tegen v orgenomen nie wb uw va de PACAS i stall tie zijn, on inz ens, geen zw arwegende milieuh giënische bez aen aan

ren.

Algemee Eventueel rijko end

ro d mag op de locatie

orden hergebr ik onder dezelf e

o standigh den, du d zelfde locatie en t epa sings iep e’. at g ld met name voo d PFOS-houdende n nie -toep sba e rond w lke bij de nieuwe PA AS-installati is aa getro fen I dien grond van de oc tieafg vo rd dient te worden, is de ege ing bodemkwali eit v n t epa sing: -

p as s van dit ra por is de gro d binnen het gebied van dezel de bodemkwalit itskaart herbruikbaar;

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/28

-

Vrijkomende grond die elders wordt hergebruikt, dient voorafgaand aan de toepassing als een partij gekeurd te worden conform het BRL SIKB 1000 VKB protocol 1001. -

Afvoer van de vrijkomende grond naar een erkende grondbank of verwerker is op basis van dit rapport eveneens mogelijk.

Opgemerkt wordt dat wij slechts een adviserende taak hebben en dat het bevoegd gezag de noodzaak tot de uitvoering van nader of aanvullend onderzoek vaststelt. Alhoewel het onderzoek met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen is uitgevoerd dient opgemerkt te worden dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses wordt uitgevoerd. Niet geheel uitgesloten kan worden dat op de locatie een verontreiniging aanwezig is die bij dit onderzoek niet is aangetroffen.

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/29

7

REFERENTIES 1.

NEN 5740, januari 2009. Bodem, bodem- landbodem- strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en grond [13.080.05]. NNI, Delft

2.

Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Beoordelingsrichting voor het SIKB procescertificaat Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodemonderzoek, BRL SIKB 2000, Gouda, 1 februari 2018

3.

Circulaire Bodemsanering per 1 juli 2013, 27 juni 2013, BWBR0033592

4.

Landelijke referentiewaarden ter onderbouwing van maximale waarden in het bodembeleid, RIVM rapport 711701053

5.

Regeling bodemkwaliteit, 13 december 2007, BWBR0023085

Verkennend bodemonderzoek Parallelstraat 1 te Oijen, sectie E, nummer 375

CB/18301/30

Bijlage 1

Onderzoekslocatie

Uw referentie: 18301

Bijlage 2

Bijlage 3

Bijlage 4

08

, m aaiveld

0

0 A

zand, m at ig fijn, kleiig, m at ig grindig, zwak hum eus, neut raal bruin, st erk m et selpuin, st erk bet on, edelm an

50

-50 B C

100 D

zand, m at ig fijn, m at ig grindig, neut raal bruin, m at ig m et selpuin, m at ig bet on, edelm an -80

klei, zwak zandig, neut raal bruin, grijs, m at ig roest , edelm an -100

klei, m at ig silt ig, donker grijs, edelm an, gest aakt ivm inval

150

-150

t ype g r on d b or in g dat um 2 5 -0 5 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

09

, m aaiveld

0

0 A

klei, st erk zandig, zwak grindig, zwak hum eus, neut raal bruin, edelm an

50

-50 B

klei, zwak zandig, neut raal bruin, m at ig roest , zwak kolengruis, edelm an

C

zand, m at ig grof, zwak silt ig, zwak grindig, neut raal beige, edelm an

100

100

-140

150

klei, m at ig silt ig, donker grijs, edelm an D

200

-200 E

klei, st erk silt ig, neut raal grijs, m at ig roest , edelm an

250

-250

t ype g r on d b or in g dat um 2 5 -0 5 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

bodem profielen sch a a l 1 :5 0 onderzoek project code get ekend conform

RW Z I Oije n 18301 N EN 5 1 0 4

10

, m aaiveld

0

0 A

klei, st erk zandig, zwak grindig, zwak hum eus, neut raal bruin, edelm an

50

-50 B

klei, zwak zandig, neut raal bruin, m at ig roest , zwak kolengruis, edelm an

C

klei, m at ig silt ig, donker grijs, edelm an

100 -110

150 D 200

-200 E

klei, st erk silt ig, neut raal grijs, m at ig roest , edelm an

250

-250

t ype g r on d b or in g dat um 2 5 -0 5 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

11

, m aaiveld

0

0 A

klei, st erk zandig, zwak grindig, zwak hum eus, neut raal bruin, edelm an

B

klei, zwak zandig, neut raal bruin, m at ig roest , edelm an

C

klei, m at ig silt ig, donker grijs, edelm an

50

-50

100

-100

150 D E

-175

klei, m at ig silt ig, donker grijs, st erk hout , edelm an, gest aakt -190

t ype g r on d b or in g dat um 2 5 -0 5 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

bodem profielen sch a a l 1 :5 0 onderzoek project code get ekend conform

RW Z I Oije n 18301 N EN 5 1 0 4

27

klinker, m aaiveld

0

0 A

50

-8

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak grindig, neut raal beige, zwak bet on, edelm an -50

t ype g r on d b or in g dat um 0 6 -0 5 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

28

klinker, m aaiveld

0

0 A

50

-8

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak grindig, neut raal beige, edelm an -50

t ype g r on d b or in g dat um 0 6 -0 5 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

29

, m aaiveld

0

0 A

klei, zwak zandig, zwak hum eus, neut raal bruin, zwak roest , zwak m et selpuin, edelm an

50

-50

t ype g r on d b or in g dat um 0 6 -0 5 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

30

, m aaiveld

0

0 A

klei, zwak zandig, zwak grindig, zwak hum eus, neut raal bruin, zwak slakken, sporen bakst een, zwak m et selpuin, edelm an

B

klei, m at ig silt ig, neut raal bruin, grijs, st erk roest , edelm an

C

klei, zwak zandig, donker bruin, grijs, st erk bakst een, st erk kolengruis, edelm an

50

-50

100 -110

150

D E

-130

klei, m at ig silt ig, donker grijs, zwak roest , edelm an -170

klei, m at ig silt ig, neut raal grijs, st eekbus -190

t ype g r on d b or in g dat um 0 6 -0 5 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

bodem profielen sch a a l 1 :5 0 onderzoek project code get ekend conform

RW Z I Oije n 18301 N EN 5 1 0 4

44

, m aaiveld

0

0 A

zand, zeer fijn, kleiig, zwak grindig, zwak hum eus, neut raal bruin, zwak roest , edelm an

50

-50

t ype g r on d b or in g dat um 0 7 -0 5 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

45

, m aaiveld

0

0 A

zand, zeer fijn, kleiig, zwak grindig, zwak hum eus, neut raal bruin, zwak roest , edelm an

50

-50

t ype g r on d b or in g dat um 0 7 -0 5 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

46

, m aaiveld

0

0 A

zand, zeer fijn, kleiig, zwak grindig, zwak hum eus, neut raal bruin, zwak roest , sporen bakst een, edelm an

50

-50

t ype g r on d b or in g dat um 0 7 -0 5 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

bodem profielen sch a a l 1 :5 0 onderzoek project code get ekend conform

RW Z I Oije n 18301 N EN 5 1 0 4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=2474387c-8daf-4b59-81d4-14d08eb8a51b