CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing_ inclusief landschappelijke inpassing Oijen en onderbouwing kwaliteitsverbetering landschap-gecomprimeerd

Gemeenteraad 26 oktober 2023, gemeente OssBij agendapunt: A (Ontwerp) verklaring van geen bedenkingen Rioolwaterzuivering Oijen18.718 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RWZI Oijen fase 2 Ruimtelijke onderbouwing

Waterschap Aa en Maas 13 september 2023

Project Opdrachtgever

RWZI Oijen fase 2 Waterschap Aa en Maas

Referentie

Ruimtelijke onderbouwing Definitief 04 13 september 2023 116005/23-014.634

Projectcode

116005

Document Status Datum

Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door

)

Goedgekeurd door

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Stationsweg 5 Postbus 3465 4800 DL Breda +31 (0)76 523 33 33 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Ligging plangebied

5

1.3

Vigerend bestemmingsplan

7

1.4

Leeswijzer

7

2

TOEKOMSTIGE SITUATIE

9

2.1

Afwijken bestemmingsplan

10

3

BELEIDSKADER

11

3.1

Rijksbeleid

11

3.2

Provinciaal beleid

12

3.3

Beleid waterschap Aa en Maas

14

3.4

Gemeentelijk beleid

15

4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

17

4.1

Bodem

17

4.2

Lucht

18

4.3

Geur

18

4.4

Geluid

21

4.5

Water

22

4.6

Externe veiligheid

23

4.7

Conventionele explosieven

24

4.8

Natuur

24

4.9

Cultuurhistorie en archeologie

26

4.10

Landschappelijke inpassing

27

5

FINANCIËLE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

30

5.1

Financiële uitvoerbaarheid

30

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

30

Laatste pagina

30

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

De Nota Landschappelijk inpassingsplan

18

II

Bodemonderzoek

316

III

Geuronderzoek

30

IV

Akoestisch onderzoek

94

V

Rapport waterveiligheid

38

VI

Onderzoek conventionele explosieven

107

VII

Verkennend natuur onderzoek

18

VIII

Notitie Dassen

10

IX

Toelichting kwaliteitsverbetering

9

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

De zorg voor schoon water is één van de belangrijkste taken van een waterschap. De RWZI’s, verspreid over Nederland, zorgen gecombineerd voor de inname van afvalwater van huishouders en bedrijven om dit water vervolgens schoon in de rivieren, beken en sloten af te voeren. Waterschap Aa en Maas beheert een afvalwaterzuivering in Oijen (hierna RWZI). Deze afvalwaterzuivering zuivert het water van huishoudens en bedrijven uit de gemeenten Oss, Grave, Landerd en 's-Hertogenbosch. De zuivering is gebouwd in 1975 en dient nu grootschalig onderhoud plaats te vinden. Hiertoe heeft het waterschap onderzoek uitgevoerd om te bezien op welke wijze deze renovatie het beste kan worden uitgevoerd met een doorkijk naar ook de nieuwe lozingsnormen in de toekomst op basis van onder andere de Kaderrichtlijn Water (hierna: KRW). Om deze reden heeft het waterschap gekozen om naast renovatiewerkzaamheden ook een aantal nieuwe installaties bij te plaatsen voor de verdere zuivering van het afvalwater. Door de RWZI modern te houden door middel van renovaties en vervangingen, wordt niet alleen bijgedragen aan schoon water, maar wordt dit ook op een energiezuinige manier gedaan. De nieuwe installaties en renovatiewerkzaamheden zorgen dat deze taak nog beter uitgevoerd kan worden. Verschillende onderdelen van de RWZI worden aangepast.

Voor een deel betreft het renovatiewerkzaamheden, voor een ander deel betreft het vervangen en toevoegen van onderdelen van het zuiveringsproces. In hoofdstuk 2 zijn de werkzaamheden verder toegelicht. Een deel van de werkzaamheden passen niet in het vigerend bestemmingsplan. Dit betreffen het nieuwe influentwerk, het inkoopstation, de geurbehandeling, ontvangstput, schakelgebouw en het trappenhuis van de PACAS installatie. Voor de realisatie van deze bouwwerken is een afwijking van het vigerende bestemmingsplan aan de orde. Deze ruimtelijke onderbouwing is ten behoeve van de aangevraagde omgevingsvergunning ‘afwijken bestemmingsplan’ ingevolge artikel 2.12 lid 1, onder a, sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) opgesteld.

1.2

Ligging plangebied

De RWZI is gelegen aan de Parallelstraat 1 te Oijen. Het terrein van de RWZI staat bekend onder de kadastrale gemeente Oijen, sectie E, nummer 375 (eigendom waterschap Aa en Maas). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 100.000 m² en is gelegen in gemeente Oss.

5 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

Afbeelding 1.1 Globale ligging RWZI Oijen (rood omcirkeld, bron: Google Maps)

De RWZI is gelegen ten zuidoosten van de Maas, nabij de kern Oijen in de provincie Noord-Brabant, zoals weergegeven in afbeelding 1.1. In afbeelding 1.2 is de globale begrenzing van de inrichting weergegeven. Het terrein van de RWZI is volledig omheind en bestaat uit diverse functionele gebouwen, bassins en aangelegde groenzones met een aantal doorkijken naar het omliggende landschap. Het terrein grenst aan de oostzijde aan de Parallelstraat. Daarachter zijn diverse gras- en akkerpercelen gelegen. Aan de westzijde grenst het terrein aan de Oijense Benedendijk. Aan de noordzijde van het terrein bevindt zich een brede groenstrook met houtopstanden met daarachter een bedrijfsbestemming van aanpalend bedrijf met een biomassavergistingsinstallatie. Het inkoopstation is oostelijk buiten het hekwerk van de inrichting gelegen, nabij de zuidelijke toegangspoort van de RWZI. Aan de noord- en zuidzijde zijn zonnepanelen aangelegd voor groene stroomvoorziening van de RWZI.

Afbeelding 1.2 Globale begrenzing inrichting (rood omlijnd, bron: Google Maps)

6 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

1.3

Vigerend bestemmingsplan

De RWZI Oijen is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss - 2020’ vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Oss op 16 april 2020. De volgende bestemmingen en aanduidingen zijn van toepassing binnen de RWZI: - enkelbestemming ‘Bedrijf’; - functie aanduiding ‘waterzuiveringsinstallatie’; - dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie verwachtingswaarde middelhoog’; - gebiedsaanduidingen: · ‘geluidszone - industrie begrenzing geluidsgezoneerd industrieterrein’; · ‘overige zone - gemengd landelijk gebied’; · ‘overige zone - overwal’; · ‘vrijwaringszone - dijk’; · ‘overige zone - inrichtingsplan 83. Het grootste deel van de voorgenomen werkzaamheden past binnen het vigerende bestemmingsplan. Echter, passen de realisatie en/of aanpassingen van de lavafilters, geurbehandeling, schakelgebouwen, trappenhuis, slibbuffer, voorbezinktank, metaalzouten tank, influentwerk, verdeelwerk en ontvangstput niet volledig binnen het bestemmingsplan. Voorliggend ruimtelijke onderbouwing is opgesteld met als doelstelling de vervanging, renovatie en nieuwbouw van onderdelen binnen de inrichting juridischplanologisch mogelijk te maken. Zie onderstaande afbeelding voor een uitsnede van het bestemmingsplan met de indicatieve locatie van de nieuw te realiseren onderdelen die in strijd zijn met het bestemmingsplan.

Dit betreft: - lavafilter; - geurbehandeling; - schakelgebouw; - trappenhuis; - slibbuffer; - voorbezinktank; - metaalzouten tank; - influentwerk; - verdeelwerk; - ontvangstput. Het plangebied valt volledig binnen de enkelbestemming ‘bedrijf’, echter vallen enkele nieuwe bouwwerken buiten het bouwvlak. Binnen het bouwvlak zijn bedrijven toegestaan waarbij het specifiek voor deze locatie gaat om een waterzuiveringsinstallatie. Binnen het bestemmingsvlak is het maximaal toegestane oppervlakte van gebouwen 3.500 m² (In de huidige situatie is er 3.080 m2 aan gebouwen, in de toekomstige situatie wordt het totaal bebouwd oppervlak (binnen en buiten bouwvlak) 2.319 m2). Daarnaast geldt een maximale goot- en bouwhoogte van 10 m met dien verstande dat voor een maximale oppervlakte van 500 m² een maximale goot- en bouwhoogte van 20 m is toegestaan voor gebouwen. Voor bouwwerken er een bouwhoogte van maximaal 3 m. Om de lavafilters, geurbehandeling, schakelgebouwen, trappenhuis, slibbuffer, voorbezinktank, metaalzouten tank, influentwerk, verdeelwerk en ontvangstput mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan aangevraagd. Deze ruimtelijke onderbouwing hoort bij de aanvraag omgevingsvergunning ‘afwijken bestemmingsplan’. De tekeningen van de bouwwerken zijn separaat toegevoegd op het Omgevingsloket Online.

1.4

Leeswijzer

Het volgende hoofdstuk geeft een beschrijving van de toekomstige situatie van het project. Inclusief uitleg op welke regels een afwijking wordt aangevraagd. Dit wordt gevolgd door hoofdstuk 3 met het

7 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

beleidskader. In hoofdstuk 4 zijn de milieueffecten beschreven van de voorgenomen wijzigingen. Als laatste zijn in hoofdstuk 5 de economische en financiële uitvoerbaarheid opgenomen.

8 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

2 TOEKOMSTIGE SITUATIE Een deel van de RWZI is aan het einde van de technische levensduur en dient hierdoor gerenoveerd te worden. Daarnaast voldoet het waterlichaam de Hertogswetering niet aan de KRW doelen voor nutriënten. De RWZI loost op de Hertogswetering en heeft hierdoor een direct effect op de nutriëntenbelasting van dit oppervlaktewater. Door het afvalwater beter te zuiveren wordt de nutriëntenbelasting op de Hertogswetering verlaagd. Daarmee draagt de renovatie van de zuivering bij aan de KRW doelen van dit oppervlaktewater. Bovendien zijn, om de bedrijfszekerheid in de toekomst te garanderen, op de RWZI diverse procesonderdelen toe aan vervanging. Dit leidt tot de volgende aanpassingen: - optimalisatie bestaande zuivering met het oog op kwaliteitsverbetering nutriënten (onder meer stikstof en fosfor); - renovatie van bestaande onderdelen; - nieuwbouw procesonderdelen, waaronder influentwerk en voorbehandeling, het verdeelwerk en retourslibgemalen; - aanvullende zuiveringsstap voor verwijdering medicijnresten in de vorm van poederkooldosering (PACAS installatie); - aanpassing van de bestaande slibverlading met een extra geurfilterstap om geurhinder naar de omgeving te verkleinen; - realisatie van een inkoopstation voor de stroomvoorziening van bovenstaande installaties.

Tevens is het noodzakelijk om verschillende installatieonderdelen en besturingsinstallaties te renoveren. De lay-out van de RWZI blijft in grote lijnen gelijk aan de bestaande situatie. In onderstaande afbeelding (2.2) is de beoogde situatie binnen de inrichting schematisch weergegeven. Het nieuw te realiseren inkoopstation maakt geen onderdeel uit van de inrichting en is dan ook niet meegenomen in het schema. De verklaring van de daarin weergegeven kleuren is als volgt: - groen: bestaande onderdelen, die na renovatie, onderdeel uitmaken van de toekomstige installatie; - geel: nieuwe onderdelen; - blauw: te amoveren onderdelen.

9 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

Afbeelding 2.1 Schematisch overzicht beoogde situatie RWZI Oijen

2.1

Afwijken bestemmingsplan

Het terrein van de RWZI betreft een geluidgezoneerd industrieterrein in het kader van de Wet geluidhinder. Hiertoe is een geluidcontour rond het terrein opgenomen (aangeduid als geluidzone - industrie) waarbuiten de geluidbelasting vanwege het terrein de waarde van 50 dB(A) niet mag overschrijden. Verder zijn binnen het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie (verwachtingswaarde middelhoog)' (westzijde plangebied) en de aanduidingen 'overige zone - dijkzone woningen' (westzijde plangebied), 'overige zone - gemengd landelijk gebied' (gehele terrein), 'overige zone - oeverwal' (westzijde plangebied) en 'vrijwaringszone - dijk' (westzijde plangebied) van toepassing. Met de beoogde opwaardering van de waterzuiveringsinstallatie past niet binnen verschillende bouwregels van het vigerende bestemmingsplan voldaan. Met de toekomstige situatie wordt op de volgende bestemmingen afgeweken van het vigerend bestemmingsplan: - enkelbestemming ‘bedrijf’; - gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - dijk’; - gebiedsaanduiding ‘overige zone - oeverwal’; - gebiedsaanduiding ‘overige zone - inrichtingsplan 83’.

10 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

3 BELEIDSKADER Dit hoofdstuk beschrijft het voor het onderhavige plan relevante ruimtelijk beleid. Het geeft weer wat de relatie is tussen het plan en het beleid, en toetst of het plan in overeenstemming is met het geldende beleid. Achtereenvolgens komt het beleid van rijk, provincie, waterschap en gemeente aan de orde.

3.1

Rijksbeleid

Omgevingswet Naar verwachting treedt de Omgevingswet (Ow) op 1 juli 2023 in werking. De Omgevingswet betreft een wet die een verregaande vereenvoudiging van het stelsel van wetgeving voor de ontwikkeling en het beheer van de leefomgeving (omgevingsrecht) beoogt, door tientallen op dit moment vigerende wetten en honderden regels te bundelen in één nieuwe wet. De Wet betekent een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels op het terrein van water, lucht, bodem, natuur, infrastructuur, gebouwen en cultureel erfgoed. Het overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet (IOw) en het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelen de verhouding tussen nieuwe en bestaande regelgeving. Paragraaf 11.2 van de IOw bevat het overgangsrecht voor de kerninstrumenten van de Ow: de Omgevingsvisie, programma’s, het omgevingsplan, de omgevingsverordening en waterschapsverordening, algemene rijksregels, de omgevingsvergunning, het projectbesluit en instructieregels. De uitwerking van het overgangsrecht kan overigens nog wijzigen in de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel voor de Invoeringswet Omgevingswet. Procedure Het oude recht is van toepassing op procedures die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gestart.

Op deze ruimtelijke onderbouwing is de Omgevingswet nog niet van toepassing, omdat de officiële procedure van deze ruimtelijke onderbouwing gestart is voor 1 oktober 2022 of 1 juli 2023. Ook is het overgangsrecht nu zo ingestoken dat alles wat in bestemmingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen is geregeld in feite gewoon geldig blijft na 1 oktober 2022 of 1 juli 2023 als onderdeel van het omgevingsplan. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie, en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Naast de vier prioriteiten zijn er 21 nationale belangen terug te vinden in de NOVI.

11 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

Nationaal belang 15 is van toepassing op de beoogde ontwikkelingen. In nationaal belang 15 is het volgende vermeld: ‘Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater’. Door optimalisatie van de RWZI komt het afvalwater naar verwachting dicht in de buurt van de KRW-doelstellingen, te weten: waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. Het is van nationaal belang dat voldoende zoetwater van goede kwaliteit (in de vorm van oppervlakte- en grondwater) beschikbaar is voor maatschappelijke en economische functies (drinkwater, landbouw en verwerking en industriële processen, scheepvaart, natuur, en dergelijke), ook op lange termijn. Door de te nemen maatregelen is het waterschap gebiedsgericht bezig om de kwaliteit en leveringszekerheid van het (afval)water in stand te houden en te verbeteren, bijvoorbeeld door extra verwijdering van meststoffen Stikstof (N) en Fosfaat (P). Conclusie De ontwikkeling draagt bij aan het verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Zodoende past de ontwikkeling in het toekomstperspectief van de NOVI.

3.2

Provinciaal beleid

Het omgevingsbeleid van Noord-Brabant bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de omgevingsvisie en de omgevingsverordening. De keuzes uit de omgevingsvisie zijn vastgelegd in regels: de omgevingsverordening. Hieronder wordt na de Brabantse Omgevingsvisie en de interim omgevingsverordening behandeld. Brabantse Omgevingsvisie Met de Brabantse Omgevingsvisie wil de provincie gaan werken volgens de uitgangspunten van de Omgevingswet. In december 2018 is de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, en ‘klimaatproof’ Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Participatie is een sleutelonderdeel. De Omgevingsvisie geeft aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken en welke waarden daarbij centraal staan. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht.

Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Onderhavig plan zet onder andere in op de optimale herinrichting van de bestaande RWZI. Met de huidige kennis en inzichten wordt verwacht dat de doelen van het KRW waterlichaam voor nutriënten (door het inzetten op de kwaliteitsverbetering van het effluent wat betreft nutriënten), vissen en de KRW-waarden van de waterloop Hertogswetering voor nutriënten behaald / gerealiseerd worden door de beoogde maatregelen. Daarboven worden biologische doelen voor macrofauna en overige waterflora behaald in het watersysteem door diverse (ook externe) maatregelen. Het verwijderen van onder andere medicijnen heeft een gunstig effect op de ecologische waterkwaliteit en ‘’schoon water’’. Dit plan draagt bij aan het realiseren van een klimaat- en water robuuste inrichting, Bovendien verbetert de toekomstbestendigheid van de RWZI. Conclusie De verbetering van de RWZI draagt bij aan het nog beter kunnen zuiveren van het afvalwater, zodat het weer schoon terug kan naar het oppervlaktewater en indirect naar de Maas. De ontwikkeling past daarmee binnen de basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie.

12 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

Interim Omgevingsverordening Volgens de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant, geconsolideerd in maart 2022, ligt het projectgebied in onderstaande gebieden. Eerst worden alle artikelen benoemd die geen betrekking hebben tot dit project, daarna alle artikelen die wel betrekking hebben op het project. Niet relevante artikelen - Diep grondwaterlichaam (artikel 2.20): de onconventionele winning van koolwaterstoffen is verboden. Aangezien deze activiteit niet wordt beoogd, is dit verbod verder niet van toepassing; - Geen attentiezone waterhuishouding (artikel 2.21): een vergunning voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem is niet noodzakelijk wanneer de te onttrekken hoeveelheid grondwater hoogstens 10 m2 bedraagt, en de onttrekkingsput niet dieper is dan 30 m minus maaiveld. Er is geen onttrekking ten behoeve van een bodemenergiesysteem voorzien, deze vergunning is niet benodigd; - Bescherming Natura 2000 - rechtstreeks werkende regels: landbouw (artikel 2.65 t/m 2.70): dit bevat enkele directe werkende regels voor landbouwbedrijven ter bescherming van Natura 2000-gebieden.

Aangezien hier geen sprake is van een landbouwbedrijf, zijn deze regels verder niet van toepassing; - Verbod uitbreiding veehouderij - rechtstreeks werkende regels: landbouw (artikel 2.71 t/m 2.73): dit bevat een verbod op de uitbreiding van geiten- en veehouderijen. Aangezien hier geen sprake is van een landbouwbedrijf, is dit verbod verder niet van toepassing; - (gemengd) Landelijk gebied - instructie regels aan gemeente - basiskaart landelijk gebied (artikel 3.37 t/m 3.81): Dit bevat enkele regels geldend voor windturbines, zonneparken, stedelijke functies, verkeer, vee- en geitenhouderijen, dierenverblijf, agrarisch gerelateerde bedrijven, wonen en vrije-tijds voorziening. Aangezien hier geen is sprake deze activiteiten binnen het project, zijn deze artikelen met betrekking tot bovenstaande activiteiten niet van toepassing; - Normen wateroverlast - instructie regels voor waterschappen: Watersystemen en veiligheid (artikel 4.2 t/m 4.6): Dit betreft normen met betrekking tot wateroverlast binnen stedelijk gebied en normvrij gebied. Aangezien de wijzigingen geen betrekking hebben tot wateroverlast is dit niet van toepassing; - Vaarwegbeheer - Vaarwegbeheer (artikel 7.17): Dit heeft betrekking tot vaarwegen, echter is geen vaarweg in het project gebied gelegen en is dit dus niet relevant.

Artikelen met betrekking tot project - Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap · Lid 1: Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. · Lid 2: Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: 1 dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of 2 de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. · Lid 3: Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: 1 de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; 2 het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; 3 het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; 4 het wegnemen van verharding; 5 het slopen van bebouwing; 6 de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; 7 het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

· Lid 4: Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken.

13 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

Om te voldoen aan bovenstaande voorwaarden is een toelichting opgesteld, welke is bijgevoegd in bijlage XI. Conclusie van deze separate toelichting is dat voldaan wordt aan de gestelde regels uit artikel 3.9. Daarnaast is een landschapsplan opgesteld, wat verder is toegelicht in paragraaf 4.10. -

Artikel 3.16 Externe werking Natuur Netwerk Brabant · Lid 1: In aanvulling op de Wet natuurbescherming bepaalt een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kernmerken in het Natuur Netwerk Brabant, dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, overeenkomstig artikel 3.22 Compensatie. · Lid 2: Op de overdraai van de wieken van een windturbine die buiten het Natuur Netwerk Brabant staat, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. · Lid 3: Het eerste lid is niet van toepassing op een aantasting door de verspreiding van stoffen in lucht of water.

De rwzi is gelegen naast een NNB-gebied, echter vinden geen negatieve effecten in het gebied plaats. Dit is verder beschouwd in paragraaf 4.8.

3.3

Beleid waterschap Aa en Maas

Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven. Waterschap Aa en Maas stelt telkens voor zes jaar een waterbeheerplan vast waarin de doelen voor het waterbeheer worden vastgesteld en de wijze waarop het waterschap de doelen wil bereiken. Ten tijde van schrijven van deze ruimtelijke onderbouwing is sprake van de overgang van het waterbeheerplan van 20162021 naar het waterbeheerplan van 2022-2027. Om die reden worden beide waterbeheerplannen hieronder beschouwd. Waterbeheerplan 2016 - 2021 Een van de doelen die beschreven wordt in het Waterbeheerplan 2016-2021 is: ‘Via optimaal beheer en onderhoud houden we onze huidige dienstverlening in stand’. In de beschrijving hiervan komt naar voren dat het waterschap de huidige dienstverlening in stand houdt door de bestaande infrastructuur van het watersysteem en de afvalwaterketen zo effectief en efficiënt mogelijk te onderhouden, te beheren en in te zetten. De RWZI Oijen is onderdeel van de bestaande infrastructuur van het waterschap ten behoeve van de afvalwaterketen. De uitbreiding van de RWZI zorgt ervoor dat het zuiveringsproces van de RWZI verbetert.

Conclusie De uitbreiding van de RWZI is in lijn met het waterbeheerplan 2016-2021, omdat het zuiveringsproces van de RWZI verbetert. Waterbeheerplan 2022 - 2027 Het Waterbeerplan 2022 -2027 hanteert een onderverdeling in drie programma’s: 3 Waterveiligheid; 4 Klimaatbestendig en gezond watersysteem; 5 Afvalwaterketen. Het waterschap beschrijft in het programma afvalwaterketen, onder andere, het doelmatig en duurzaam blijven uitvoeren van hun werkzaamheden. De uitbreiding van de RWZI draagt bij aan een doelmatige en duurzame afvalwaterketen.

14 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

Conclusie De beoogde ontwikkelingen zorgen voor een doelmatig proces, hiermee is de uitbreiding in lijn met het waterbeheerplan 2022-2027.

3.4

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor de afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies opgesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de 'Structuurvisie Buitengebied Oss-2015'. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied. Dit moet resulteren in onder andere: - een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen; - een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid; - een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug; - behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen; - het bieden van ruimte voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit. De bovenstaande doelstellingen worden doorvertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype.

De Structuurvisie maakt onderscheid tussen: - uiterwaarden; - oeverwal; - komgebied; - dekzandrand; - dekzandrug; - primair agrarisch gebied. Per landschapstype is een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen. Het plangebied ligt op de scheiding tussen drie verschillende landschapstypen, te weten uiterwaarden, oeverwal en komgebied. Alle drie de landschapstypen hebben hun eigen karakter en hun eigen waarde. Vandaar dat de randen grenzend aan het omliggende landschap, aan west- en oostzijde, om een andere inrichting vragen. In het ontwerp is rekening gehouden met de landschappelijke inpassing zoals is geambieerd in Structuurvisie Buitengebied Oss-2015. In paragraaf 4.9 is verder toegelicht hoe er rekening gehouden is met de landschappelijke inpassing. Conclusie De beoogde ontwikkelingen passen in de structuurvisie van gemeente Oss doordat in het definitief ontwerp rekening gehouden is met de landschapsontwikkeling en de visie van de gemeente. Nota landschapsbeleid 2015 Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving.

Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van

15 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming, maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. Conclusie De uitgangspunten van de Nota Landschapsbeleid 2015 vormen de bouwstenen voor het landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage I). De Nota landschapsbeleid is dus meegenomen in de ruimtelijke inpassing van het plan, hiermee voldoet het aan het beleidskader. Welstandsbeleid - Samen bouwen aan een mooi Oss (2020) De gemeente Oss geeft met de nota ‘Samen bouwen aan een mooi Oss’ vorm aan de gewenste koerswijziging van het welstandstoezicht. Na de verkiezingen van 2018 is in het nieuwe coalitieakkoord gekozen voor omvorming van het welstandsbeleid: ‘We willen inwoners en bedrijven ruimte en vertrouwen geven, en tegelijk betrouwbaar zijn. Waar mogelijk en wenselijk, gaan we regels verminderen. Daarvoor gaan we de welstandscommissie omvormen. Meer adviserend en ondersteunend. We maken een uitzondering voor monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten.’ Samen bouwen aan een mooi Oss; Het realiseren van ruimtelijke kwaliteit is een verantwoordelijkheid van alle betrokkenen bij bouwprojecten in Oss. De gemeente Oss vertrouwt erop dat professionele en particuliere initiatiefnemers en hun architecten die verantwoordelijkheid oppakken en zo bijdragen aan een goede leefomgeving.

Daarbij blijft de gemeente de mogelijkheid bieden voor professionele, maar vrijblijvende (niet bindende) advisering over bouwplannen. Welstandstoezicht is in principe alleen nodig bij monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten. De panden in de directe omgeving van een monument (binnen een straal van 25 meter vanaf een monument) en gebieden waar een beeldkwaliteitsplan voor geldt zijn hieraan toegevoegd. In de rest van de gemeente kan een verplichte welstandstoets achterwege blijven. Wel is het mogelijk om daar een vrijblijvend advies voor te verkrijgen ten behoeve van een bouwplan. Conclusie Uit de toets aan het Welstandsbeleid is gebleken dat het bouwplan, zoals beschreven, welstandsvrij is. Een welstandsadvies is alleen verplicht bij beschermde dorps- en stadsgezichten, bij monumenten en bij gebieden waarvoor een beeldkwaliteitsplan geldt. Het plangebied valt niet onder de hiervoor benoemde drie uitzonderingssituaties en hoeft dan ook niet voorgelegd te worden om getoetst te worden aan ‘redelijke eisen van welstand’.

16 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN 4.1

Bodem

Voor bodem en bodemverontreiniging zijn de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. In verband met het voornemen voor het vernieuwen en renoveren van de rioolwaterzuiveringsinrichting is een verkennend bodemonderzoek en een nul- en eindsituatieonderzoek conform de NEN 5740 op het perceel Parallelstraat 1 te Oijen uitgevoerd (zie Bijlage II).

Het onderzoek is uitgevoerd om de volgende doelen te behalen: - vast te stellen of uit te sluiten dat op de locatie bodemverontreiniging aanwezig is die een belemmering vormt voor het voorgenomen gebruik van de bodem; - vast te stellen wat de voorlopige veiligheidsklassen ten behoeve van de uitvoering van de graafwerkzaamheden is; - vast te stellen of op de locatie bodemverontreiniging aanwezig is die is toe te wijzen aan de bedrijfsactiviteiten die de RWZI daar heeft uitgevoerd; - het verkrijgen van een toetsingsreferentie voor de eventuele beëindiging van de activiteiten in de toekomst. Uit het onderzoek blijkt dat geen verontreinigingen aanwezig zijn die gesaneerd moeten worden. De grond is daarmee ‘schoon’ genoeg om de werkzaamheden uit te voeren en te gebruiken voor de beoogde activiteiten. Op de locaties van de wijzingen is de nulsituatie van de grond bepaald. Voor de locaties waar een activiteit beëindigd wordt, is een eindsituatieonderzoek gedaan. Voor al deze locaties is geen aanvullend of nader onderzoek nodig. Daarnaast hanteert het waterschap op het terrein van de RWZI Oijen een bodembeschermingsstrategie die gebaseerd is op de methodiek van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Uitgangspunt is dat overal een verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald.

Om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen voor de installatie worden constructieve maatregelen getroffen en monitoring uitgevoerd. Op die manier wordt voldaan aan de NRB. Op basis van het bodemonderzoek en de te treffen maatregelen voor de NRB geldt de conclusie dat de wijzigingen aan de RWZI voor het aspect bodem niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

17 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

4.2

Lucht

Bij de toetsing of een project uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of de realisatie van beoogde ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. De Nederlandse wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit Europese richtlijnen en is vastgelegd in titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Artikel 5.16, 1ste lid geeft de grondslagen waarmee kan worden onderbouwd dat een plan aan de eisen met betrekking tot luchtkwaliteit voldoet: - het project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden; - ten gevolge van het project is sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of de concentratie blijft gelijk; - het plan draagt niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat de projectbijdragen NO2 en PM10 maximaal 3 % van de jaargemiddelde grenswaarde bedragen, oftewel maximaal 1,2 µg/m3. Wanneer een plan voldoet aan één of meerdere van de bovenstaande grondslagen, vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor realisatie van het plan. Op het gebied van luchtkwaliteit zijn geen wijzigingen in vergelijking met de reeds aanwezig en vergunde situatie. De wijzigingen hebben geen effect op de uitstoot van NO2, PM2,5 en PM10. Nader onderzoek naar het effect op de luchtkwaliteit is niet nodig.

De conclusie is dat de wijzigingen op de rwzi niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

4.3

Geur

In de voorgenomen wijzigingen worden een aantal nieuwe geurbronnen gerealiseerd, namelijk het gehele influentwerk met bijbehorende containers voor de afvalstoffen. Deze bronnen zijn allemaal afgedekt en worden afgezogen. De afgezogen lucht wordt behandeld in de nieuw te realiseren lavafilters en wordt de geurbehandeling van de voorbezinktanks vervangen door nieuwe lavafilters. Deze filters hebben een rendement van 90 %. Naast deze aanpassing worden de geurbehandeling van de slibverlading aangepast middels het plaatsen van een geurbehandeling met actiefkoolfilters. Deze filters hebben een rendement van 90 %. De geursituatie met deze aanpassing is in beeld gebracht in een geuronderzoek, dat opgenomen is in bijlage III van deze aanvraag. Toetsingskader Activiteitenbesluit De rwzi Oijen is een inrichting type C op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit milieubeheer). Het betreft een type C inrichting, omdat rwzi Oijen stedelijk afvalwater en zuiveringsslib ontvangt dat per as wordt aangevoerd van buiten de inrichting, de hoeveelheid hiervan is meer dan de drempelwaarde van categorie 5.3 uit de Regeling Industriële emissies (RIE). Hierdoor valt de rwzi Oijen onder de RIE en wordt het beschouwd als een IPPC-installatie.

Het onderwerp geur voor rwzi’s staat in artikel 3.5a tot en met 3.5c van paragraaf 3.1.4a ‘Behandeling van stedelijk afvalwater’ van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm). Bij communale rwzi's valt het hele zuiveringsproces in de waterlijn en de slibindikking en mechanische ontwatering van slib in de sliblijn onder deze artikelen. Als sprake is van een rwzi die is opgericht en vergund voor 1 februari 1996, zoals het geval is bij de rwzi Oijen, gelden op basis van artikel 3.5b lid 5 en 6 de volgende geurnormen: - 1,5 ouE/m3 als 98-percentiel bij geurgevoelige objecten; - 3,5 ouE/m3 als 98-percentiel bij geurgevoelige objecten op een gezoneerd industrieterrein; een bedrijventerrein of buiten de bebouwde kom. Voor deze situatie geldt de geurnorm van 3,5 ouE/m3, aangezien er sprake is van geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom.

18 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

In artikel 3.5b lid 7 is bepaald dat voor een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning in werking en onherroepelijk was, geen normstelling van toepassing is op de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten die op het moment van verlening van de vergunning niet als geurgevoelig werden beschouwd. Lid 8 van artikel 3.5b bepaalt tenslotte dat bij verandering de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan de geurbelasting voorafgaand aan de verandering, ook al is die geurbelasting lager dan bovengenoemde normen. In de Activiteitenregeling milieubeheer wordt in artikel 3.4b aangegeven op welke wijze de geurbelasting moet worden bepaald. In lid 1 staat dat hiervoor het Nieuw Nationaal Model (NNM) of een daaraan gelijkwaardige rekenmethode moet worden gebruikt. Volgens lid 2 wordt de geuremissie van de verschillende procesonderdelen van de rwzi bepaald met behulp van de emissiefactoren, genoemd in bijlage 5 bij de regeling. Toetsingskader provinciaal geurbeleid Voor industriële bedrijven die onder het bevoegd gezag van de provincie vallen, beschikt de provincie over eigen beleidsregels. Dit geurbeleid maakt o.a. gebruik van de hedonische waarde H-1. Deze waarde moet voor iedere relevante bron afzonderlijk bekend zijn.

De bronsterkte wordt eerst gecorrigeerd met de getalsmatig bij die bron behorende hedonische waarde H-1. Hedonische waarden die niet bij dezelfde bron zijn bepaald als de bron van de geurconcentratie zelf - in dit geval hedonische waarden afkomstig uit vergelijkbare onderzoeken en branchestudies - moeten worden gecorrigeerd voor een factor 2 conform artikel 6 lid 3 van het Brabants geurbeleid. Het Noord-Brabants geurbeleid onderscheidt bestaande en nieuwe situaties. In dit geval wordt er getoetst aan de norm voor aanvaardbare geurbelasting bij bestaande activiteiten, zoals beschreven in artikel 9 van het Noord-Brabants geurbeleid. Hierin staat dat de hedonisch gewogen aanvaardbare geurbelasting in deze situaties is vastgesteld op ten hoogste de bestaande geurbelasting. Conform artikel 7 van het Brabants geurbeleid wordt naast het 98-percentiel ook het 99,99-percentiel beoordeeld. Hierbij moet volgens het beleid worden uitgegaan van methode 1, zoals beschreven in de NTA 9065, bijlage J, paragraaf J.3.2. Dit houdt in dat alle bronnen (ook discontinue) ingevoerd moeten worden met een bedrijfstijd van 8.760 uren per jaar, waarbij voor bronnen die niet buiten de periode tussen 07.00 en 19.00 uur emitteren gerekend mag worden met een bedrijfstijd van 4.380 uren per jaar in de betreffende periode.

In deze benadering is hierdoor sprake van een fictieve worst-case situatie, waarvan opgemerkt wordt dat deze geen relatie heeft met de werkelijke hinderbeleving, maar dat hiermee alleen een theoretisch mogelijke maximale waarnemingsafstand in beeld wordt gebracht. De NTA9065 geeft - in afwijking van het Brabants beleid - in par. 7.3.3. voor discontinue bronnen aan dat uitgegaan moet worden van het daadwerkelijke emissiepatroon (zoals ook het 98-percentiel wordt berekend). Resultaten In onderstaande tabel zijn de waarden op de toetspunten weergegeven. Daarbij wordt de nieuwe situatie vergeleken met de huidige situatie. Uit de tabel volgt dat op alle toetspunten een afname in immissie plaatsvindt, waardoor wordt voldaan aan lid 8 van artikel 3.5b van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

19 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

Tabel 4.1 Vergelijking geurbelasting (ouE/m3) op toetspunten voor de bestaande vergunde situatie en de nieuwe situatie - toetsing aan Activiteitenbesluit Toetspunt

X

Y

Huidig

Nieuw

98-percentiel

98-percentiel

T1 Parallelstraat 4

161977,50

424299,77

1,3

1,0

T2 Parallelstraat 6

161959,35

424247,13

1,0

0,9

T3 Lutterweg 13

162153,41

424287,18

1,0

0,9

T4 Lutterweg 11

162293,30

424398,43

1,1

0,9

T5 Parallelstraat 2

161920,46

425400,15

1,0

0,8

T6 Molendijk 3

160978,22

425387,09

0,3

0,3

T7 Lutterweg 4A

162495,01

424455,69

0,7

0,6

T8 Lutterweg 9

162551,14

424600,14

0,8

0,6

T9 Beemdstraat 6

162505,93

425480,67

0,6

0,5

In onderstaande tabel zijn de waarden op de toetspunten weergegeven. Daarbij wordt de beoogde situatie vergeleken met de huidige situatie voor het provinciaal beleid. Uit de tabel volgt dat op alle toetspunten de immissie afneemt of gelijk blijft, waardoor wordt voldaan aan artikel 9 van het Brabants geurbeleid.

Tabel 4.2 Vergelijking geurbelasting (ouE(H)/m3) op toetspunten voor de bestaande vergunde situatie en de nieuwe situatie toetsing aan Brabants geurbeleid Toetspunt

X

Y

Huidig

Nieuw

Huidig

Nieuw

98-percentiel

98percentiel

99,99percentiel

99,99percentiel

T1 Parallelstraat 4

161977,50

424299,77

0,8

0,6

38

38

T2 Parallelstraat 6

161959,35

424247,13

0,6

0,5

37

37

T3 Lutterweg 13

162153,41

424287,18

0,6

0,5

30

30

T4 Lutterweg 11

162293,30

424398,43

0,6

0,5

32

31

T5 Parallelstraat 2

161920,46

425400,15

0,7

0,6

113

113

T6 Molendijk 3

160978,22

425387,09

0,2

0,1

29

29

T7 Lutterweg 4A

162495,01

424455,69

0,4

0,3

35

34

T8 Lutterweg 9

162551,14

424600,14

0,4

0,3

34

34

T9 Beemdstraat 6

162505,93

425480,67

0,3

0,2

42

42

In de beoogde situatie wordt ruim voldaan aan de normen van het Activiteitenbesluit van artikel 3.5b lid 5 en 6. In de aangevraagde situatie liggen geen geurgevoelige objecten binnen de geurcontouren voor geurgevoelige objecten. Daarnaast is in overeenstemming met Lid 8 van artikel 3.5b van het Activiteitenbesluit de geurbelasting in de nieuwe situatie lager dan in de huidige situatie. Conform het geurbeleid van de provincie Noord-Brabant zijn de geurimmissies gecorrigeerd voor de hedonische waarde en meegenomen in de berekening en geurcontouren. In de nieuwe situatie is sprake van een vermindering van de geurbelasting in het 98-percentiel en 99,99-percentiel ten opzichte van de huidige situatie, en voldoet daarmee aan lid 2 artikel 9.

20 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

Conclusie In de voorgenomen wijzigingen worden een aantal nieuwe geurbronnen gerealiseerd, namelijk het gehele influentwerk met bijbehorende containers voor de afvalstoffen. Uit geuronderzoek blijkt dat de RWZI ook na de wijzigingen voldoet aan de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de beleidsregels van de provincie Noord-Brabant. Dit betekent dat de wijzigingen van de RWZI Oijen op gebied van geur niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

4.4

Geluid

Om de geluidsbelasting van de RWZI op woningen te bepalen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek is het bepalen van de geluidsbelasting op de omgeving na het doorvoeren van de wijzigingen. De nieuwe bronnen zijn het influentwerk, retourslibgemaal, lavafilters en puntbeluchters. Andere belangrijke bestaande bronnen zijn het beluchtingscircuit en de verdeelwerken. De mobiele bronnen bestaan uit vrachtwagens en personenwagens. Hier wordt alleen een samenvatting gegeven van het onderzoek, het volledige onderzoek is te vinden in bijlage IV. Beoordelingskader De RWZI is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Ter plaatse van de zonegrens mag het gecumuleerde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, als gevolg van alle inrichtingen gelegen op het gezoneerd industrieterrein, niet meer bedragen dan 50 dB(A) etmaalwaarde. Aangezien de RWZI de enige inrichting is die is gelegen op het gezoneerde industrieterrein, kunnen de resultaten direct getoetst worden aan de zone. De RWZI beschikt over een vigerende omgevingsvergunning die 25 september 2021 is verleend door provincie Noord-Brabant. Hierin zijn de geluidsvoorschriften voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus opgenomen. In de vergunning zijn ook voorschriften opgenomen ten aanzien van de maximale geluidsniveaus ter plaatse van geluidgevoelige objecten.

De grenswaarden zijn: - 70 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur; - 65 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur; - 60 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur. De geluidsbelasting als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van de inrichting (en andere activiteiten buiten de grens van de inrichting), wordt voor inrichtingen gelegen op een gezoneerd industrieterrein op basis van jurisprudentie niet getoetst. Indirecte hinder wordt niet verder behandeld. Resultaten Uit de resultaten van het onderzoek voor langtijdgemiddelde blijkt dat op meerdere toetspunten van de vigerende vergunning een toename berekend wordt. Hierdoor is de berekende waarde hoger dan de vergunde waarde. Uit de resultaten per bron blijkt dat dit niets te maken heeft met de voorgenomen wijzigingen, maar wordt veroorzaakt door de bestaande puntbeluchters. Dit is te verklaren dat door de actuele geluidsmetingen diverse bronnen hoger zijn dan eerder was aangenomen. Op de RWZI zijn reeds alle gebruikelijke maatregelen genomen om geluid te reduceren. Daarnaast past de hogere berekende waarde binnen de geldende geluidszone. Hierdoor is de omgeving voldoende beschermd tegen geluidsoverlast. Uit de resultaten voor de maximale geluidsniveaus blijkt dat ruimschoots voldaan wordt aan de vergunde waarden voor maximale geluidsniveaus.

Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de zuivering inpasbaar is in de geluidszonde dat aan de maximale geluidsniveaus wordt voldaan. Dit betekent dat de wijzigingen van de RWZI Oijen op gebied van geluid niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

21 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

4.5

Water

De effecten van het voornemen op de toename van verhard oppervlak en waterberging, de primaire waterkering en de legger zijn hieronder weergegeven. Toename verhard oppervlak en waterberging Door de wijzigingen en renovaties is er een toename van verhardingen, daardoor neemt het totaal verhard oppervlak na de renovatie toe. Dit heeft een effect op de waterverhouding van de RWZI. Om de afwatering van het regenwater te compenseren zijn berekeningen uitgevoerd voor watercompensatie. De oppervlaktes van de bestaande situatie en de toekomstige situatie zijn bepaald aan de hand van tekeningen. Tabel 4.3 laat een overzicht zien van de berekende oppervlakte van bebouwing voor de RWZI. In totaal komt er 1.048 m² bij aan oppervlak waar verhardingen liggen of bebouwing staat.

Tabel 4.3 Overzicht van berekening van verschil in oppervlakte met verharding Type oppervlakte

Grote

Eenheid

verhard oppervlak bestaand

24.271

m²

bebouwd oppervlak bestaand

34.107

m²

bebouwd + verhard bestaand

58.378

m²

verhard oppervlak toekomstig

25.068

m²

bebouwd oppervlak toekomstig

34.357

m²

bebouwd + verhard toekomstig

59.425

m²

verschil bestaand-toekomstig

1.048

m²

De extra verharding leidt tot extra afstromend hemelwater. Dit hemelwater wordt niet aangesloten op de riolering maar ter plaatste geïnfiltreerd in de bodem. Nieuwe gebouwen en bouwwerken aan de randen van het terrein worden voorzien van grindkoffers, met een noodoverlaat naar sloten rondom het RWZI terrein. De nieuwe verharding rondom het nieuwe influentwerk (circa 900 m 2) wordt afgewaterd naar een verlaging in de bermen direct naast de verharding. Uitzondering is de verharding onder het roostergoed en zandcontainers, die worden op de terreinriolering aangesloten, omdat dat bodembedreigende activiteiten zijn. Voor de berging in de greppel is uitgegaan van een hevige bui met een regenwater belasting van 60 mm/m². Dit leidt tot minimaal 54 m³ regenwater dat tijdelijk gebufferd moeten worden in de bermen. De lengte van de greppels naast de verharding is circa 150 m. De greppel wordt 2 m breed en 300 mm diep met taluds van 1:2 en kan hiermee 0,42 m³/m water bergen. Hiermee wordt voorzien in een maximale buffercapaciteit van 0,42 x 150 = 63 m³. De greppels worden doormiddel van PVC afvoeren ø100 mm verbonden met de sloot aan de zuidzijde van het terrein nabij de ontvangstput, zodat ze langzaam leeglopen. In afbeelding 4.3 is met blauw de ligging van de verlaagde bermen weergegeven.

22 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

Afbeelding 4.1 Overzicht van verlaagde berm rond influentwerk

De toename van het verhard en bebouwd oppervlak van 1.048 m² wordt ruimschoots gecompenseerd doordat de afgekoppelde nieuwe gebouwen en verhardingen samen 1.261 m² (361+900) bedragen. Hiermee wordt voldaan aan goede ruimtelijke ordening voor het aspect water. Invloed op primaire waterkering Daarnaast is de RWZI gelegen naast een primaire waterkering. De te realiseren bouwwerken van de influentwerk-installatie loopt door de beschermingszone van de waterkering. De verwachting is dat dit geen knelpunt vormt voor de stabiliteit van de waterkering, omdat deze werkzaamheden in de beschermingszone en niet in de kernzone van de waterkering is gelegen. Om te garanderen dat de waterstaatwerken niet beïnvloed worden is er een waterveiligheidsdocument opgesteld. Dit document bevat maatregelen die genomen gaan worden om veiligheid te garanderen. Het volledige document met maatregelen is te vinden in bijlage V. Voor deze werkzaamheden is een projectplan Waterwet opgesteld, dat goedgekeurd dient te worden door het dagelijks bestuur van het waterschap Aa en Maas. De verwachting is dat deze goedkeuring verleend wordt. Invloed op huidige legger De werkzaamheden hebben geen invloed op de huidige legger, deze hoeft niet te worden aangepast en tijdens het ontwerp is er rekening mee gehouden dat het inpasbaar is binnen de huidige legger.

4.6

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Dit heeft tot gevolg dat er veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden tussen risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten zoals woningen. Door de voorgenomen wijzigingen treedt geen aanpassing op voor het aspect externe veiligheid zowel voor een effect buiten of binnen de RWZI. Ook is de zuivering geen kwetsbaar object of beperkt kwetsbaar object waardoor toetsing aan risico afstanden niet nodig is. Hierdoor passen de wijzingen op de RWZI binnen goede ruimtelijke ordening wat betreft externe veiligheid.

23 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

4.7

Conventionele explosieven

In 2018 is een onderzoek conventionele explosieven uitgevoerd op nabij gelegen terrein. Op basis van dat onderzoek blijkt dat het nabije terrein is vrijgegeven en deels ook waar het influentwerk komt. Dit betekent dat het waterschap geen knelpunt ziet ten aanzien van conventionele explosieven. Het volledige onderzoek is te vinden in bijlage VI. Conventionele explosieven vormen geen belemmering voor een goede ruimtelijke ordening.

4.8

Natuur

Om te bepalen wat voor effect de wijzigingen op de natuur heeft is een natuuronderzoek uitgevoerd. Dit is gedaan voor gebiedsbescherming Natura-2000 gebied, soortbescherming en het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en gebieden buiten NNB. In deze paragraaf is alleen een samenvatting gegeven van het onderzoek, het volledige onderzoek is te vinden in bijlage VII. Natura-2000 Bescherming van Natura 2000-gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming (Wnb) een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb) en een vergunningsplicht voor projecten en andere handelingen die (significant) negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied Rijntakken ligt op een afstand (hemelsbreed) van circa 5,5 km, zie afbeelding 4.2. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura-2000 gebied. De Natura 2000-gebieden liggen op een aanzienlijke afstand tot het plangebied. Hierdoor zijn geen effecten te verwachten voor vernietiging van het gebied of effecten van beweging, licht en geluid.

In de gebruiksfase neemt het aantal bezoekers, of transportbewegingen niet toe. Hierdoor vindt geen toename van stikstofdepositie plaats in de gebruiksfase. Echter, leiden de voorgenomen ontwikkelingen in de aanlegfase wel tot stikstofdepositie. Negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden zijn als gevolg van deze toename niet op voorhand uitgesloten en zijn nader onderzocht in een stikstofdepositie onderzoek. Hieruit blijkt dat een geringe hoeveelheid stikstofdepositie plaatsvindt op de stikstofgevoelige natuur in het Natura-2000 gebieden. Om dit te borgen wordt ingestoken op zowel interne saldering gecombineerd met externe saldering. Hiertoe is door het waterschap een vergunning aangevraagd bij de provincie.

24 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

Afbeelding 4.2 Natura-2000 gebieden gelegen bij RWZI Oijen

Soortbescherming In hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming is de aanwijzing en bescherming van planten- en diersoorten geregeld. Het gaat daarbij niet om de bescherming van individuele planten of dieren maar om waarborgen om te voorkomen dat het voortbestaan van soorten planten of dieren niet in gevaar komt en dat vaste rustof verblijfplaatsen en groeiplaatsen niet opzettelijk worden vernield of verstoord. Hiertoe zijn in deze wet een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het verbod op het opzettelijk doden of verontrusten van dieren of het verbod op het plukken van planten. Daarbij is het ‘nee, tenzij’ principe het uitgangspunt, er mag geen schade worden toegebracht aan beschermde dieren of planten tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan en daarbij zorgvuldig wordt gehandeld. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor in dat gebied voorkomende vaste rust- en verblijfplaatsen van en/of de functionele leefomgeving van beschermde soorten. Indien noodzakelijk dienen tijdig passende preventieve of mitigerende maatregelen te worden getroffen dan wel dient het plan te worden aangepast om overtreding van verbodsbepalingen te kunnen voorkomen en de functionaliteit van het gebied voor de aanwezige beschermde soorten te kunnen waarborgen.

Indien door maatregelen en eventueel planaanpassing negatieve gevolgen voor eventueel aanwezige beschermde soorten niet of niet volledig kunnen worden voorkomen is een ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen noodzakelijk en dient aannemelijk te worden gemaakt dat deze redelijkerwijs ook verleend kan worden. In 2018 en 2021 zijn door SWECO onderzoeken uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten op de RWZI Oijen. Uit de natuurtoets is gebleken dat er geen noodzaak is voor het uitvoeren van aanvullend onderzoek naar amfibieën, reptielen, vissen en vleermuizen. Echter worden twee (potentiële) nesten van de sperwer aangetast. Effecten op jaarrond beschermde rust- en nestplaatsen van de sperwer zijn niet uit te sluiten. Door buiten het broedseizoen (de periode van circa maart tot augustus) te werken óf tijdig preventieve maatregelen te nemen wordt verstoring van algemene broedvogels voorkomen. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is in dit geval noodzakelijk voor de sperwersnesten. De verwachting is dat deze ontheffing verleend wordt. Ter hoogte van de geplande bebouwing is zeer beperkt geschikt leefgebied voor de das aanwezig. Aan de noordzijde van het terrein zijn wel actieve burchten aanwezig. De plannen kunnen de dassen in aanleg- en gebruiksfase negatief beïnvloeden.

Door te werken tussen zonsopkomst en zonsondergang, zo kort mogelijk te werken, zo min mogelijk geluid, licht en trillingen te veroorzaken, geen werkzaamheden binnen een straal van 50 m van de burchten tijdens kraamperiode (december t/m juni) en geen werkzaamheden binnen een straal van 20 m van de burchten wordt verstoring van de dassenburcht voorkomen en wordt in overeenstemming met de

25 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

Wet natuurbescherming gehandeld. De geplande werkzaamheden leiden niet tot directe fysieke aantasting van leefgebied. Bijlage VIII laat een volledig overzicht zien over de dassenburchten op het terrein. Natuurnetwerk Brabant (NNB) Artikel 1.12, lid 2, van de Wnb stelt dat de provincies verantwoordelijk zijn voor de instandhouding en totstandkoming van het Natuur Netwerk Nederland. Het natuurnetwerk wat betrekking heeft op het project valt onder Natuur Netwerk Brabant (NNB), zoals opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant bepaald dat een bestemmingsplan de aantasting van ecologische waarden en kenmerken in het NNB waar mogelijk beperkt.

Afbeelding 4.3 Locatie NNB naast rwzi, met rood gemarkeerd

Afbeelding 4.3 geeft de ligging van de RWZI ten opzichte van NNB-gebied weer. De RWZI grens direct aan NNB-gebied. De werkzaamheden vinden volledig plaats op het terrein van de RWZI, en daarmee buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant. Zij gaan niet ten koste van enig oppervlak daarvan. De werkzaamheden zijn kortdurend en produceren nauwelijks meer of andere verstoringen door licht, geluid en bewegingen dan afkomstig van het huidige gebruik binnen het plangebied. Effecten op het NNB-gebied zijn hiermee uit te sluiten. Conclusie Hieruit blijkt dat er voor aspect natuur voor Natura-2000, soorten bescherming en NNB de wijzigingen niet in strijd zijn met goede ruimtelijke ordening.

4.9

Cultuurhistorie en archeologie

Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van provincie Noord-Brabant ligt de RWZI niet in of dichtbij beschermde gebieden. Afbeelding 4.4 laat zien dat de RWZI (met rood aangegeven) niet in cultuurhistorisch waardevol gebied ligt (met bruin aangegeven), hetgeen betekent dat geen archeologische verwachting aan

26 | 30

Witteveen+Bos | 116005/23-014.634 | Definitief 04

Voor de landschappelijke inpassing te waarborgen is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. De voornaamste onderdelen hieruit zijn hieronder toegelicht. Resultaten Onderstaande kaart geeft het inpassingsplan weer. Hierop zijn een aantal waardevolle plekken aangeduid die behouden dienen te blijven. Een waardevol cultuurhistorisch aspect in het landschap is het wiel, een oude dijkdoorbraak. Dit is op de kaart als open (verhoogde) plek in het bos weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=2474387c-8daf-4b59-81d4-14d08eb8a51b